+GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 529/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering en de geavanceerde meetbenadering (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Categorieën van uitbreidingen en wijzigingen
------+Article 2 1.
------+Article 2 2.
---+Artikel 3 Beginselen voor de indeling van uitbreidingen en wijzigingen
------+Article 3 1.
------+Article 3 2.
------+Article 3 3.
------+Article 3 4.
------+Article 3 5.
------+Article 3 6.
------+Article 3 7.
---+Artikel 4 Wezenlijke wijzigingen van de interneratingbenadering
------+Article 4 1.
------+Article 4 2.
------+Article 4 3.
---+Artikel 5 Wijzigingen van de interneratingbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd
------+Article 5 1.
------+Article 5 2.
---+Artikel 6 Wezenlijke uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering
------+Article 6 1.
------+Article 6 2.
------+Article 6 3.
---+Artikel 7 Uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd
---+Article 7a Material extensions and changes to the IMA
------+Article 7a 1.
------+Article 7a 2.
------+Article 7a 3.
------+Article 7a 4.
---+Article 7b Extensions and changes to the IMA not considered material
---+Artikel 8 Documentatie van uitbreidingen en wijzigingen
------+Article 8 1.
------+Article 8 2.
---+Artikel 9 Inwerkingtreding
---+BIJLAGE I WIJZIGINGEN VAN DE INTERNERATINGBENADERING
---+BIJLAGE II UITBREIDINGEN EN WIJZIGINGEN VAN DE GEAVANCEERDE MEETBENADERING
---+BIJLAGE III
|
English -
European Union -
Financial Industry -
Banking -
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 529/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering en de geavanceerde meetbenadering (Voor de EER relevante tekst)
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 529/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering en de geavanceerde meetbenadering (Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 1 Onderwerp
|
Artikel 1 Onderwerp Deze verordening stelt de voorwaarden vast voor het beoordelen van het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering, de geavanceerde meetbenadering en de internemodellenbenadering die op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegestaan zijn, met inbegrip van de voorwaarden waaronder van die uitbreidingen en wijzigingen kennis moet worden gegeven.
▼B
|
|
Artikel 2 Categorieën van uitbreidingen en wijzigingen
|
Artikel 2 Categorieën van uitbreidingen en wijzigingen
▼M1
1. Het wezenlijke karakter van wijzigingen van het toepassingsgebied van een ratingsysteem of een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen, of van wijzigingen van een ratingsysteem of een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen, voor de interneratingbenadering („wijzigingen van de interneratingbenadering”) of het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen voor de geavanceerde meetbenadering („uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering”) of het wezenlijke karakter van uitbreidingen en wijzigingen voor de internemodellenbenadering („uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering”) wordt in één van de volgende categorieën ingedeeld:
a)
wezenlijke uitbreidingen en wijzigingen waarvoor overeenkomstig artikel 143, lid 3, artikel 312, lid 2, en artikel 363, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten vereist is;
b)
overige uitbreidingen en wijzigingen waarvan de bevoegde autoriteiten in kennis moeten worden gesteld.
▼B
2. De in lid 1, onder b), bedoelde uitbreidingen en wijzigingen worden verder ingedeeld in:
a)
uitbreidingen en wijzigingen waarvoor kennisgeving vóór hun tenuitvoerlegging vereist is;
b)
uitbreidingen en wijzigingen waarvoor kennisgeving na hun tenuitvoerlegging vereist is.
|
|
Artikel 3 Beginselen voor de indeling van uitbreidingen en wijzigingen
|
Artikel 3 Beginselen voor de indeling van uitbreidingen en wijzigingen 1. De indeling van wijzigingen van de interneratingbenadering wordt uitgevoerd overeenkomstig dit artikel en de artikelen 4 en 5. De indeling van de uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering wordt uitgevoerd overeenkomstig dit artikel en de artikelen 6 en 7.
▼M1
De indeling van de uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering wordt uitgevoerd overeenkomstig dit artikel en de artikelen 7 bis en 7 ter.
▼B
2. Wanneer de instellingen het kwantitatieve effect van een uitbreiding of wijziging op de eigenvermogensvereisten of, in voorkomend geval, de risicogewogen posten moeten berekenen, passen zij de volgende methode toe:
a)
voor de beoordeling van het kwantitatieve effect gebruiken de instellingen de meest recente gegevens die beschikbaar zijn;
b)
wanneer een precieze beoordeling van het kwantitatieve effect niet mogelijk is, maken de instellingen in plaats daarvan een beoordeling van het effect op basis van een representatieve steekproef of andere betrouwbare waarschijnlijkheidsberekeningen;
▼M1
c)
voor wijzigingen die geen direct kwantitatief effect hebben, wordt geen kwantitatief effect overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), voor de interneratingbenadering of overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), voor de geavanceerde meetbenadering of overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1, onder c), voor de internemodellenbenadering berekend.
▼B
3. Eén wezenlijke uitbreiding of wijziging mag niet worden opgedeeld in meerdere wijzigingen of uitbreidingen van geringere betekenis. 4. In geval van twijfel delen de instellingen uitbreidingen en wijzigingen in bij de categorie met het hoogste potentiële wezenlijke karakter. 5. Wanneer de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend voor een wezenlijke uitbreiding of wijziging, berekenen de instellingen de eigenvermogensvereisten op basis van de goedgekeurde uitbreiding of wijziging vanaf de datum die is gespecificeerd in de nieuwe toestemming, welke in de plaats treedt van de eerdere toestemming. Om een uitbreiding of wijziging waarvoor de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend, niet op de in de nieuwe toestemming vermelde datum ten uitvoer te leggen, is een nieuwe toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist, die onverwijld wordt gevraagd. 6. In geval van vertraging in de tenuitvoerlegging van een uitbreiding of wijziging waarvoor de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend, stelt de instelling de bevoegde autoriteit van de vertraging in kennis en presenteert zij de bevoegde autoriteit een plan voor een tijdige tenuitvoerlegging van de goedgekeurde uitbreiding of wijziging, dat zij binnen een met de bevoegde autoriteit overeen te komen termijn uitvoert. 7. Wanneer een uitbreiding of wijziging is ingedeeld als een uitbreiding of wijziging waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is, en wanneer de instellingen na de kennisgeving besluiten om de uitbreiding of wijziging niet ten uitvoer te leggen, stellen de instellingen de bevoegde autoriteiten opnieuw en zonder onnodige vertraging in kennis van dit besluit.
|
|
Artikel 4 Wezenlijke wijzigingen van de interneratingbenadering
|
Artikel 4 Wezenlijke wijzigingen van de interneratingbenadering 1. Wijzigingen van de interneratingbenadering worden als wezenlijk beschouwd, als ze voldoen aan één van de volgende voorwaarden:
a)
ze vallen onder één van de in bijlage I, deel I, afdeling 1, beschreven wijzigingen van het toepassingsgebied van ratingsystemen of internemodellenbenaderingen voor blootstellingen in aandelen;
b)
ze vallen onder één van de in bijlage I, deel II, afdeling 1, beschreven wijzigingen van ratingsystemen of internemodellenbenaderingen voor blootstellingen in aandelen;
c)
ze leiden tot:
i)
een afname van 1,5 % van:
—
de totale geconsolideerde risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico van de EU-moederinstelling; of
—
de totale risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico in het geval van een instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is; of
ii)
een afname van 15 % of meer van de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het interne ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen.
2. Voor de toepassing van lid 1, onder c), i), van dit artikel en overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt het effect van de wijziging beoordeeld als een ratio, die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het interne ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen vóór en na de wijziging op het geconsolideerde niveau van de EU-moederinstelling of op het niveau van de instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is;
b)
in de noemer, de totale risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico vóór de wijziging, respectievelijk op het geconsolideerde niveau van de EU-moederinstelling of op het niveau van de instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is.
De berekening heeft betrekking op hetzelfde tijdstip. De bepaling van het effect op de risicogewogen posten heeft uitsluitend betrekking op het effect van de wijziging van de interneratingbenadering en de reeks blootstellingen wordt verondersteld gelijk te blijven. 3. Voor de toepassing van lid 1, onder c), ii), van dit artikel en overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt het effect van de wijziging beoordeeld als een ratio, die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het interne ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen vóór en na de wijziging;
b)
in de noemer, de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen vóór de wijziging.
De berekening heeft betrekking op hetzelfde tijdstip. De bepaling van het effect op de risicogewogen posten heeft uitsluitend betrekking op het effect van de wijziging van de interneratingbenadering en de reeks blootstellingen wordt verondersteld gelijk te blijven.
|
|
Artikel 5 Wijzigingen van de interneratingbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd
|
Artikel 5 Wijzigingen van de interneratingbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd 1. Van wijzigingen van de interneratingbenadering die niet wezenlijk zijn maar waarvan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 143, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in kennis moeten worden gesteld, wordt op de volgende wijze kennis gegeven:
a)
van wijzigingen die aan één van de volgende voorwaarden voldoen, worden de bevoegde autoriteiten ten minste twee maanden vóór hun tenuitvoerlegging in kennis gesteld:
i)
wijzigingen beschreven in bijlage I, deel I, afdeling 2;
ii)
wijzigingen beschreven in bijlage I, deel II, afdeling 2;
iii)
wijzigingen die leiden tot een afname van ten minste 5 % van de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het interne ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen;
b)
van alle overige wijzigingen worden de bevoegde autoriteiten na hun tenuitvoerlegging ten minste één maal per jaar in kennis gesteld.
2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), iii), van dit artikel en overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt het effect van de wijziging beoordeling als een ratio, die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het interne ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen vóór en na de wijziging;
b)
in de noemer, de risicogewogen posten voor het kredietrisico en het verwateringsrisico die verbonden zijn met het toepassingsgebied van het ratingsysteem of de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen vóór de wijziging.
De berekening heeft betrekking op hetzelfde tijdstip. De bepaling van het effect op de risicogewogen posten heeft uitsluitend betrekking op het effect van de wijziging van de interneratingbenadering en de reeks blootstellingen wordt verondersteld gelijk te blijven.
|
|
Artikel 6 Wezenlijke uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering
|
Artikel 6 Wezenlijke uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering 1. Uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering worden als wezenlijk beschouwd, als ze voldoen aan één van de volgende voorwaarden:
a)
ze vallen onder één van de uitbreidingen die zijn beschreven in bijlage II, deel I, afdeling 1;
b)
ze vallen onder één van de wijzigingen die zijn beschreven in bijlage II, deel II, afdeling 1;
c)
ze leiden tot:
i)
een afname van 10 % of meer van:
—
de totale geconsolideerde eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico van de EU-moederinstelling; of
—
de totale eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico in het geval van een instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is; of
ii)
een afname van 10 % of meer van:
—
de totale eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico op het geconsolideerde niveau van een moederinstelling die geen EU-moederinstelling is; of
—
de totale eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico van een dochteronderneming wanneer de moederinstelling geen toestemming heeft gekregen om de geavanceerde meetbenadering te hanteren.
2. Voor de toepassing van lid 1, onder c), i), en overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt het effect van een uitbreiding of wijziging beoordeeld als een ratio, die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico dat verbonden is met het toepassingsgebied van de geavanceerde meetbenadering vóór en na de uitbreiding of wijziging op het geconsolideerde niveau van de EU-moederinstelling of op het niveau van de instelling wanneer deze noch moederinstelling noch dochteronderneming is;
b)
in de noemer, de totale eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico vóór de uitbreiding of wijziging, respectievelijk op het geconsolideerde niveau van de EU-moederinstelling of op het niveau van de instelling wanneer deze noch moederinstelling noch dochteronderneming is.
De berekening heeft betrekking op hetzelfde tijdstip. De bepaling van het effect op de eigenvermogensvereisten heeft uitsluitend betrekking op het effect van de uitbreiding en wijziging van de geavanceerde meetbenadering en het operationeel risicoprofiel wordt verondersteld gelijk te blijven. 3. Voor de toepassing van lid 1, onder c), ii), en overeenkomstig artikel 3, lid 2, wordt het effect van een uitbreiding of wijziging beoordeeld als een ratio, die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico dat verbonden is met het toepassingsgebied van het model vóór en na de uitbreiding of wijziging, respectievelijk op het geconsolideerde niveau van een moederinstelling die geen EU-moederinstelling is of op het niveau van de dochteronderneming wanneer de moederinstelling geen toestemming heeft gekregen om de geavanceerde meetbenadering te hanteren;
b)
in de noemer, de totale eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico vóór de uitbreiding of wijziging, respectievelijk op het geconsolideerde niveau van een moederonderneming die geen EU-moederinstelling is of op het niveau van de dochteronderneming wanneer de moederinstelling geen toestemming heeft gekregen om de geavanceerde meetbenadering te hanteren.
De berekening heeft betrekking op hetzelfde tijdstip. De bepaling van het effect op de eigenvermogensvereisten heeft uitsluitend betrekking op het effect van de uitbreiding en wijziging van de geavanceerde meetbenadering en het operationeel risicoprofiel wordt verondersteld gelijk te blijven.
|
|
Artikel 7 Uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd
|
Artikel 7 Uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd Van andere uitbreidingen en wijzigingen van de geavanceerde meetbenadering die niet wezenlijk zijn maar waarvan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 312, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in kennis moeten worden gesteld, wordt op de volgende wijze kennis gegeven:
a)
van uitbreidingen en wijzigingen die vallen onder bijlage II, deel I, afdeling 2, en deel II, afdeling 2, worden de bevoegde autoriteiten ten minste twee maanden vóór hun tenuitvoerlegging in kennis gesteld;
b)
van alle overige uitbreidingen en wijzigingen worden de bevoegde autoriteiten na hun tenuitvoerlegging ten minste één maal per jaar in kennis gesteld.
▼M1
Artikel 7 bis Wezenlijke uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering 1. Uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering worden als wezenlijk beschouwd als ze voldoen aan één van de volgende voorwaarden:
a)
ze vallen onder één van de uitbreidingen die zijn beschreven in bijlage III, deel I, afdeling 1;
b)
ze vallen onder één van de wijzigingen die zijn beschreven in bijlage III, deel II, afdeling 1;
c)
ze resulteren in een wijziging in absolute waarde van 1 % of meer, die berekend wordt gedurende de eerste werkdag dat de impact van de uitbreiding of wijziging wordt getest, van één van de betrokken risicowaarden als bedoeld in artikel 364, lid 1, onder a), i), of artikel 364, lid 1, onder b), i), of artikel 364, lid 2, onder b), i), of artikel 364, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en verband houdt met het toepassingsgebied van het betrokken internemodellenbenaderingsmodel waarop de risicowaarde betrekking heeft, en resulteren in één van de volgende wijzigingen:
i)
in een wijziging van 5 % of meer van de som van de risicowaarden als bedoeld in artikel 364, lid 1, onder a), i), artikel 364, lid 1, onder b), i), verhoogd met de vermenigvuldigingsfactor (mc) respectievelijk (ms) overeenkomstig artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 364, lid 2, onder b), i), en artikel 364, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en de eigenvermogensvereisten overeenkomstig hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van die verordening, al naargelang het geval, berekend op het niveau van de EU-moederinstelling of, in het geval van een instelling die noch een moederinstelling noch een dochteronderneming is, op het niveau van die instelling;
ii)
in een wijziging van 10 % of meer van één of meer van de betrokken risicowaarden als bedoeld in artikel 364, lid 1, onder a), i), of artikel 364, lid 1, onder b), i), of artikel 364, lid 2, onder b), i), of artikel 364, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die verband houdt met het toepassingsgebied van het betrokken internemodellenbenaderingsmodel waarop de risicowaarde betrekking heeft.
2. Voor de toepassing van lid 1, onder c), i), en overeenkomstig artikel 3, lid 2, is de impact van elke uitbreiding of wijziging gelijk aan de hoogste absolute waarde gedurende de periode als bedoeld in lid 4 van dit artikel van een ratio die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen het bedrag als bedoeld in lid 1, onder c), i), met en zonder de uitbreiding of wijziging;
b)
in de noemer, het bedrag als bedoeld in lid 1, onder c), i), zonder de uitbreiding of wijziging.
3. Voor de toepassing van lid 1, onder c), ii), en overeenkomstig artikel 3, lid 2, is de impact van elke uitbreiding of wijziging gelijk aan de hoogste absolute waarde gedurende de periode als bedoeld in lid 4 van dit artikel van een ratio die als volgt wordt berekend:
a)
in de teller, het verschil tussen de risicowaarde als bedoeld in artikel 364, lid 1, onder a), i), artikel 364, lid 1, onder b), i), artikel 364, lid 2, onder b), i), of artikel 364, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 met en zonder de uitbreiding of wijziging;
b)
in de noemer, de risicowaarde als respectievelijk bedoeld in artikel 364, lid 1, onder a), i), of artikel 364, lid 1, onder b), i), of artikel 364, lid 2, onder b), i) of artikel 364, lid 3, onder a), zonder de uitbreiding of wijziging.
4. Voor de toepassing van lid 1, onder c), i), en lid 1, onder c), ii), worden de ratio's als bedoeld in de leden 2 en 3 berekend gedurende de kortste van de volgende perioden als bedoeld in de punten a) en b):
a)
15 opeenvolgende werkdagen met ingang van de eerste werkdag dat de impact van de uitbreiding of wijziging wordt getest;
b)
tot de dag waarop een dagelijkse berekening van één van de ratio's als bedoeld in de leden 2 en 3 resulteert in een impact die gelijk is aan of hoger dan de percentages als bedoeld in lid 1, onder c), i) respectievelijk lid 1, onder c), ii).
Artikel 7 ter Uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering die niet als wezenlijk worden beschouwd Van andere uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering die niet wezenlijk zijn, maar waarvan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de tweede alinea van artikel 363, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in kennis moeten worden gesteld, wordt op de volgende wijze kennis gegeven:
a)
van uitbreidingen en wijzigingen die vallen onder bijlage III, deel I, afdeling 2, en deel II, afdeling 2, worden de bevoegde autoriteiten twee weken vóór hun geplande tenuitvoerlegging in kennis gesteld;
b)
van alle overige uitbreidingen en wijzigingen worden de bevoegde autoriteiten na tenuitvoerlegging ten minste éénmaal per jaar in kennis gesteld.
▼B
|
|
Article 7a Material extensions and changes to the IMA
|
|
|
Article 7b Extensions and changes to the IMA not considered material
|
Article 7b
Extensions and changes to the IMA not considered material
Extensions and changes to the IMA, which are not material but are to be notified to competent authorities according to the second subparagraph of Article 363(3) of Regulation (EU) No 575/2013, shall be notified in the following manner:
(a)
extensions and changes falling under Annex III, Part I, Section 2, and Part II, Section 2, shall be notified to competent authorities two weeks before their planned implementation;
(b)
all other extensions and changes shall be notified to the competent authorities after implementation at least on an annual basis.
|
|
Artikel 8 Documentatie van uitbreidingen en wijzigingen
|
Artikel 8 Documentatie van uitbreidingen en wijzigingen
▼M1
1. Voor uitbreidingen en wijzigingen van de interneratingbenadering of de geavanceerde meetbenadering of de internemodellenbenadering die zijn ingedeeld als uitbreidingen en wijzigingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is, verstrekken de instellingen bij het verzoek om toestemming de volgende documentatie:
a)
een beschrijving, de motivering en de doelstelling van de uitbreiding of wijziging;
b)
de datum van tenuitvoerlegging;
c)
het toepassingsgebied waarop de uitbreiding of wijziging van het model van invloed is, met inbegrip van volumekenmerken;
d)
technische en procedurele document(en);
e)
verslagen van de onafhankelijke toetsing of validatie van de instelling;
f)
een bewijsstuk dat de uitbreiding of wijziging via het goedkeuringsproces van de instelling is goedgekeurd door de bevoegde organen, en de datum van goedkeuring;
g)
in voorkomend geval de kwantitatieve impact van de wijziging of uitbreiding op de risicogewogen posten of op de eigenvermogensvereisten of op de betrokken risicowaarden of de som van de betrokken eigenvermogensvereisten en risicowaarden;
h)
bescheiden van het huidige en het vorige versienummer van de interne modellen van de instelling waarvoor toestemming vereist is.
▼B
2. Voor uitbreidingen en wijzigingen die zijn ingedeeld als uitbreidingen en wijzigingen waarvoor kennisgeving vereist is, hetzij vóór hetzij na hun tenuitvoerlegging, verstrekken de instellingen bij de kennisgeving de in lid 1, onder a), b), c), f) en g), genoemde documentatie.
|
|
Artikel 9 Inwerkingtreding
|
Artikel 9 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
|
|
BIJLAGE I WIJZIGINGEN VAN DE INTERNERATINGBENADERING
|
BIJLAGE I WIJZIGINGEN VAN DE INTERNERATINGBENADERING DEEL I
WIJZIGINGEN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN RATINGSYSTEMEN OF INTERNEMODELLENBENADERINGEN VOOR BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN
AFDELING 1
Wijzigingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. Uitbreiding van het toepassingsgebied van een ratingsysteem met:
a)
blootstellingen in een bijkomende bedrijfseenheid die van hetzelfde type product of debiteur zijn;
b)
blootstelling van een ander type product of debiteur, tenzij het bijkomende type product of debiteur valt binnen het toepassingsgebied van een goedgekeurd ratingsysteem, op basis van de onder c), i) en ii), bedoelde criteria;
c)
aanvullende blootstellingen verband houdend met het besluit inzake een lening van een derde partij aan de groep, tenzij de instelling kan aantonen dat de aanvullende blootstellingen vallen binnen het toepassingsgebied van een goedgekeurd ratingsysteem op basis van alle onderstaande criteria:
i)
de „representativiteit” van de gegevens die worden gebruikt voor de opstelling van het model om blootstellingen in klassen of groepen onder te brengen, met betrekking tot de belangrijkste kenmerken van de aanvullende blootstellingen van de instelling, indien het leningsbesluit door een derde partij is genomen, overeenkomstig artikel 174, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
ii)
de „vergelijkbaarheid” van de populatie van de blootstellingen die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die zijn toegepast toen de gegevens zijn gegenereerd, en andere relevante kenmerken met die van de aanvullende blootstellingen, indien het leningsbesluit door een derde partij is genomen, overeenkomstig artikel 179, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
Voor het bepalen van de „representativiteit” en de „vergelijkbaarheid” in lid 1, onder i) en ii), verstrekken de instellingen een volledige beschrijving van de gebruikte criteria en maatstaven.
2. Uitbreiding van het toepassingsgebied van een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen met een van de volgende soorten blootstellingen:
a)
de eenvoudige risicogewichtbenadering overeenkomstig artikel 155, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
de PD/LGD-benadering overeenkomstig artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c)
de voorziening met betrekking tot tijdelijk gedeeltelijk gebruik overeenkomstig artikel 495 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
d)
hetzelfde type product in een bijkomende bedrijfseenheid;
e)
een bijkomend type product, tenzij de instelling kan aantonen dat het binnen het toepassingsgebied van een bestaande internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen valt.
AFDELING 2
Wijzigingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
1. Beperking van het toepassingsgebied of de omvang van het gebruik van een ratingsysteem.
2. Beperking van het toepassingsgebied van een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen.
3. Uitbreiding van het toepassingsgebied van een ratingsysteem waarvoor kan worden aangetoond dat het niet onder deel I, afdeling 1, punt 1, van deze bijlage valt.
4. Uitbreiding van het toepassingsgebied van een internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen, indien de uitbreiding niet onder deel I, afdeling 1, punt 2, van deze bijlage valt.
DEEL II
WIJZIGINGEN VAN RATINGSYSTEMEN OF INTERNEMODELLENBENADERINGEN VOOR BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN
AFDELING 1
Wijzigingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. Wijzigingen van de methodologie voor het onderbrengen in blootstellingscategorieën en ratingsystemen. Daarbij gaat het onder meer om:
a)
wijzigingen van de gebruikte methodologie voor het onderbrengen van blootstellingen in verschillende blootstellingscategorieën overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
wijzigingen van de gebruikte methodologie voor het onderbrengen van een bepaalde debiteur of transactie in een ratingsysteem overeenkomstig artikel 169, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
2. De volgende wijzigingen van de algoritmen en procedures gebruikt voor het onderbrengen van debiteuren in debiteurenklassen of -groepen, het onderbrengen van blootstellingen in faciliteitsklassen of -groepen, of het kwantificeren van het wanbetalingsrisico van debiteuren of daarmee verband houdende verliezen („wijzigingen van de ratingmethodologie voor interneratingsystemen”):
a)
wijzigingen van de modelleringsbenadering voor het onderbrengen van een debiteur in klassen of groepen en/of blootstellingen in faciliteitsklassen of -groepen overeenkomstig artikel 171, lid 1, en artikel 172, lid 1, onder a) tot en met d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
wijzigingen van de aanpak van het „één debiteur één rating”-beginsel door de instelling overeenkomstig artikel 172, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c)
wijzigingen van de aannames achter de ratings met betrekking tot de mate waarin wordt verwacht dat een verandering van de economische omstandigheden zal leiden tot een netto migratie van een groot aantal blootstellingen, debiteuren of faciliteiten tussen de klassen of groepen van het model, in tegenstelling tot de migratie van slechts enkele blootstellingen, debiteuren of faciliteiten uitsluitend als gevolg van hun individuele kenmerken, waarvoor de maatstaf en de betekenisniveaus door de instelling worden vastgesteld;
d)
wijzigingen van de in artikel 170, lid 1, onder c) en e), en artikel 170, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde criteria en/of hun gewicht, opeenvolging of hiërarchie, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
i)
ze wijzigen de in artikel 170, lid 1, onder c), en lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde rangorde aanzienlijk, waarvoor de maatstaf en het niveau door de instelling zijn vastgesteld;
ii)
ze wijzigen de verdeling van debiteuren, faciliteiten of blootstellingen over de klassen of groepen overeenkomstig artikel 170, lid 1, onder d) en f), en artikel 170, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 aanzienlijk, waarvoor de maatstaf en het niveau door de instelling zijn vastgesteld;
e)
invoering of terugtrekking van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een interne rating overeenkomstig artikel 171, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
f)
wijziging van de fundamentele methodologie voor het ramen van PD's, LGD's met inbegrip van de beste raming van het verwachte verlies, en omrekeningsfactoren overeenkomstig de artikelen 180, 181 en 182 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de methodologie voor het vaststellen van een voorzichtigheidsmarge die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen overeenkomstig artikel 179, lid 1, onder f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor LGD's en omrekeningsfactoren omvat dit ook wijzigingen van de methodologie om rekening te houden met een economische neergang overeenkomstig artikel 181, lid 1, onder b), en artikel 182, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
g)
opneming van aanvullende soorten zekerheid in de raming van het LGD overeenkomstig artikel 181, lid 1, onder c) tot en met g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien hun behandeling afwijkt van de procedures die al zijn goedgekeurd.
3. Wijzigingen van de definitie van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
4. Wijzigingen van de validatiemethode en/of validatieprocedures die leiden tot veranderingen van het oordeel van de instelling over de juistheid en consistentie van de raming van de relevante risicoparameters, de ratingprocessen of de werking van hun ratingsystemen overeenkomstig artikel 185, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5. Wijzigingen van de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen. Daarbij gaat het onder meer om:
a)
wijzigingen van de VaR-modelleringsbenadering om risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen te ramen overeenkomstig artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
wijzigingen van de methodologie voor het aanpassen van ramingen van potentieel verlies om tot passende niveaus van realisme en/of voorzichtigheid te komen, of wijzigingen van de analytische methode om gegevens met een kortere tijdshorizon om te zetten in kwartaalgegevens overeenkomstig artikel 186, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c)
wijzigingen van de wijze waarop modellen rekening houden met wezenlijke risicodeterminanten, met inbegrip van het specifieke risicoprofiel en de complexiteit, alsmede de eventueel niet-lineaire aard van de aandelenportefeuille van de instelling overeenkomstig artikel 186, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
d)
wijzigingen van de fundamentele methodologie voor de koppeling van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen of risicofactoren overeenkomstig artikel 186, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
AFDELING 2
Wijzigingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
1. Wijzigingen van de behandeling van gekochte kortlopende vorderingen overeenkomstig artikel 153, leden 6 en 7, en artikel 154, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
2. De volgende wijzigingen van de ratingmethodologie voor interneratingsystemen:
a)
wijzigingen van de interne procedures en criteria voor de toekenning van risicogewichten aan blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening overeenkomstig artikel 153, lid 5, en artikel 170, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
wijzigingen van het gebruik van directe ramingen van risicoparameters voor individuele debiteuren of blootstellingen naar het gebruik van een discrete ratingschaal of omgekeerd overeenkomstig artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage;
c)
wijzigingen van de ratingschaal op het punt van het aantal of de structuur van de ratingklassen overeenkomstig artikel 170, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 2, van deze bijlage;
d)
wijzigingen van de ratingcriteria en/of hun gewichten of hiërarchie overeenkomstig artikel 170, lid 1, onder c) en e), en artikel 170, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage;
e)
wijzigingen van de definities of criteria voor klassen of groepen overeenkomstig artikel 171, lid 1, en artikel 172 van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage;
f)
wijzigingen van de omvang van de informatie die wordt gebruikt voor de onderbrenging van debiteuren in klassen of groepen overeenkomstig artikel 171, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, of opneming van nieuwe of aanvullende informatie in een model voor de raming van parameters overeenkomstig artikel 179, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
g)
wijzigingen van de regels en procedures voor het gebruik van bijsturingen overeenkomstig artikel 172, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage;
h)
wijzigingen van de methodologie voor de raming van PD's, LGD's met inbegrip van de beste raming van het verwachte verlies, en omzettingsfactoren overeenkomstig de artikelen 180, 181 en 182 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de methodologie voor het vaststellen van een voorzichtigheidsmarge die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen overeenkomstig artikel 179, lid 1, onder f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage. Voor LGD's en omrekeningsfactoren omvat dit ook wijzigingen van de methodologie om rekening te houden met een economische neergang overeenkomstig artikel 181, lid 1, onder b), en artikel 182, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
i)
wijzigingen van de wijze waarop of de mate waarin in LGD-ramingen rekening wordt gehouden met voorwaardelijke garanties overeenkomstig artikel 183, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
j)
de opneming van aanvullende soorten zekerheid in de raming van het LGD overeenkomstig artikel 181, lid 1, onder c) tot en met g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage;
k)
indien een instelling haar interne klassen mapt naar een schaal die door een EKBI wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gebruikte klassen overeenkomstig artikel 180, lid 1, onder f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wijzigingen van de voor dit doel toegepaste mapping, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage.
3. Wijzigingen van de validatiemethodologie en/of het validatieproces overeenkomstig de artikelen 185 en 188 van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage.
4. Wijzigingen van processen. Daarbij gaat het onder meer om:
a)
wijzigingen van de afdeling kredietrisicobeheersing overeenkomstig artikel 190 van Verordening (EU) nr. 575/2013, wat betreft de positie van de afdeling binnen de organisatie en wat betreft haar verantwoordelijkheden;
b)
wijzigingen van de positie van de afdeling validatie overeenkomstig artikel 190, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen de organisatie en haar verantwoordelijkheden;
c)
wijzigingen van de interne organisatorische of controleomgeving of van belangrijke processen die van grote invloed zijn op een ratingsysteem.
5. Wijzigingen van de gegevens. Daarbij gaat het onder meer om:
a)
het door een instelling gaan gebruiken of staken van het gebruik van een datapool van verschillende instellingen overeenkomstig artikel 179, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
een wijziging van de gegevensbronnen die worden gebruikt bij het proces van onderbrenging van blootstellingen in klassen of groepen of voor de raming van parameters overeenkomstig artikel 176, lid 5, onder a), en artikel 175, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c)
een wijziging van de duur en samenstelling van de tijdreeksen die worden gebruikt voor de raming van parameters overeenkomstig artikel 179, lid 1, onder a), die verder gaat dan de jaarlijkse opneming van de nieuwste waarnemingen, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage.
6. Wijzigingen van het gebruik van modellen, als een instelling voor interne bedrijfsdoeleinden andere ramingen van risicoparameters gaat gebruiken dan de ramingen die worden gebruikt voor regelgevingsdoeleinden en, indien dit voorheen niet het geval was, binnen de kaders die overeenkomstig artikel 179, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn uitgezet.
7. Wijzigingen van de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen. Daarbij gaat het onder meer om:
a)
wijzigingen van de gegevens die worden gebruikt om rendementsspreidingen voor blootstellingen in aandelen weer te geven onder de internemodellenbenadering overeenkomstig artikel 186, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
wijzigingen van de interne organisatorische of controleomgeving of van belangrijke processen die van grote invloed zijn op de internemodellenbenadering voor blootstellingen in aandelen.
|
|
BIJLAGE II UITBREIDINGEN EN WIJZIGINGEN VAN DE GEAVANCEERDE MEETBENADERING
|
BIJLAGE II UITBREIDINGEN EN WIJZIGINGEN VAN DE GEAVANCEERDE MEETBENADERING DEEL I
AFDELING 1
Uitbreidingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. De eerste invoering van maatstaven om in de interne bedrijfspraktijk van de instellingen rekening te houden met verwachte verliezen overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
2. De eerste invoering van technieken voor de limitering van het operationeel risico, zoals verzekering of andere mechanismen voor risico-overdracht overeenkomstig artikel 323, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3. De eerste erkenning van correlaties tussen de uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
4. De eerste invoering van een methodologie voor de toewijzing van het kapitaalvereiste voor het operationeel risico aan de verschillende entiteiten van de groep overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder b), en artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5. De invoering van de geavanceerde meetbenadering binnen delen van de instelling of de groep van instellingen die nog niet vallen onder de goedkeuring of het goedgekeurde invoeringsplan overeenkomstig artikel 314, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien deze bijkomende gebieden meer dan 5 % uitmaken van de EU-moederinstelling op geconsolideerd niveau of van de instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is.
De bovengenoemde berekening moet geschieden aan het eind van het voorafgaande boekjaar, met behulp van het bedrag van de relevante indicator die is vastgesteld voor de gebieden waarvoor de geavanceerde meetbenadering zal worden ingevoerd, als gedefinieerd in artikel 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
AFDELING 2
Uitbreidingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
De invoering van de geavanceerde meetbenadering binnen delen van de instelling of groep van instellingen die nog niet vallen onder de goedkeuring of het goedgekeurde invoeringsplan overeenkomstig artikel 314, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien deze bijkomende gebieden ten opzichte van de EU-moederinstelling op geconsolideerd niveau of op het niveau van de instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is:
b)
niet meer dan 5 % uitmaken.
De bovengenoemde berekening moet geschieden aan het eind van het voorafgaande boekjaar met behulp van het bedrag van de relevante indicator die is vastgesteld voor de gebieden waarvoor de geavanceerde meetbenadering zal worden ingevoerd, als gedefinieerd in artikel 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013. DEEL II
WIJZIGINGEN VAN DE GEAVANCEERDE MEETBENADERING
AFDELING 1
Wijzigingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. Wijzigingen van de organisatorische en operationele structuur van de onafhankelijke risicobeheersfunctie voor het operationeel risico overeenkomstig artikel 321 van Verordening (EU) nr. 575/2013, waardoor de risicobeheersfunctie voor het operationeel risico wordt beperkt in haar mogelijkheden om toezicht te houden op de besluitvormingsprocessen van de bedrijfs- en ondersteunende eenheden die zij controleert, en om deze processen van informatie te voorzien.
2. Wijzigingen van het meetsysteem voor het operationeel risico, indien zij voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a)
zij wijzigen de architectuur van het meetsysteem met betrekking tot de combinatie van de vier gegevenselementen van interne verliesgegevens en externe verliesgegevens, scenarioanalyse, en factoren die de bedrijfsomgeving en de internecontrolesystemen weerspiegelen, overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
zij wijzigen de logica en determinanten van de methode voor het toewijzen van het operationeel risicokapitaal tussen de verschillende entiteiten van een groep overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder b), en artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3. Wijzigingen van de procedures die betrekking hebben op interne en externe gegevens, scenarioanalyse en factoren die de bedrijfsomgeving en de internecontrolesystemen weerspiegelen, indien deze:
a)
het niveau van de controles verminderen op het punt van de volledigheid en de kwaliteit van de verzamelde gegevens over het operationeel risico overeenkomstig artikel 322, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
b)
de externe gegevensbronnen wijzigen die in het meetsysteem zullen worden gebruikt overeenkomstig artikel 322, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij de gegevens vergelijkbaar en representatief voor het operationeel risicoprofiel zijn.
4. Wijzigingen van de algemene methode voor het in aanmerking nemen van verzekeringscontracten en/of andere mechanismen voor risico-overdracht binnen de berekening van de kapitaalopslag volgens de geavanceerde meetbenadering overeenkomstig artikel 323, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5. Beperking van het deel van het operationeel risico waarmee door de geavanceerde meetbenadering rekening wordt gehouden binnen de instelling of groep van instellingen die de geavanceerde meetbenadering toepast overeenkomstig artikel 314, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien wordt voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
a)
de gebieden waarop de geavanceerde meetbenadering niet langer wordt toegepast, maken meer dan 5 % van de totale eigenvermogensvereisten voor operationeel risico uit van de EU-moederinstelling op geconsolideerd niveau of van de instelling die noch moederinstelling noch dochteronderneming is;
b)
de beperking van de gebieden waarop de geavanceerde meetbenadering wordt toegepast, leidt tot een gebruik van de geavanceerde meetbenadering in een deel van de instelling dat procentueel een kleiner deel uitmaakt dan overeenkomstig artikel 314, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 door de bevoegde autoriteit vereist wordt.
Deze berekening wordt gemaakt wanneer de instelling toestemming voor de wijziging aanvraagt, en wordt gebaseerd op het kapitaalvereiste als berekend aan het eind van het voorafgaande boekjaar.
AFDELING 2
Wijzigingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
1. Wijzigingen van de wijze waarop het meetsysteem voor het operationeel risico is geïntegreerd in het dagelijkse beheerproces door operationele risicoprocedures en beleidslijnen overeenkomstig artikel 321, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien de wijzigingen een van de volgende kenmerken hebben:
a)
ze wijzigen de mate waarin het meetsysteem voor het operationeel risico bijdraagt aan relevante informatie in de risicobeheerprocessen en verwante besluitvormingsprocessen van de instelling, met inbegrip van de goedkeuring van nieuwe producten, systemen en procedures en de vaststelling van de tolerantie voor het operationeel risico;
b)
ze beperken het toepassingsgebied, de groepen ontvangers en de frequentie van het rapportagesysteem voor het aan alle relevante delen van de instelling verstrekken van informatie over de resultaten van het meetsysteem voor het operationeel risico en de besluiten die worden genomen in antwoord op wezenlijke operationele risicogebeurtenissen.
2. Wijzigingen van de organisatorische en operationele structuur van de onafhankelijke risicobeheersfunctie voor het operationeel risico overeenkomstig artikel 321, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien ze voldoen aan een van de volgende criteria:
a)
ze verlagen het hiërarchische niveau van de risicobeheersfunctie voor het operationeel risico of van het hoofd daarvan;
b)
ze leiden tot een belangrijke beperking van de taken en verantwoordelijkheden van de risicobeheersfunctie voor het operationeel risico;
c)
ze breiden de taken en verantwoordelijkheden van de risicobeheersfunctie voor het operationeel risico uit, tenzij er geen sprake is van belangenconflicten en de risicobeheersfunctie voor het operationeel risico de beschikking krijgt over passende aanvullende middelen;
d)
ze leiden tot een vermindering van de beschikbare budgettaire en personele middelen met meer dan 10 % van de instelling of de groep sinds de laatste goedkeuring overeenkomstig artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 werd verleend, tenzij de beschikbare budgettaire en personele middelen op het niveau van de instelling of de groep evenredig zijn verminderd.
3. Wijzigingen van de validatieprocessen en de interne toetsing overeenkomstig artikel 321, onder e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien ze de logica en methoden die voor de interne validatie of toetsing van het kader van de geavanceerde meetbenadering worden gebruikt, wijzigen.
4. Wijzigingen van de berekening van de kapitaalopslag voor het operationeel risico die leiden tot een wijziging van een van de volgende elementen:
a)
de structuur en de kenmerken van de verzameling gegevens die wordt gebruikt voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het operationeel risico (de „berekeningsgegevens”), met inbegrip van:
i)
de definitie van de brutoverliespost die in de berekeningsgegevens moet worden gebruikt overeenkomstig artikel 322, lid 3, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
ii)
de referentiedatum van verliesgebeurtenissen die in de berekeningsgegevens moet worden gebruikt overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
iii)
de methode die wordt gebruikt om de duur te bepalen van de tijdreeksen van verliesgegevens die in de berekeningsgegevens moeten worden gebruikt overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
iv)
de criteria voor groepsverliezen die voortvloeien uit een gemeenschappelijke operationele risicogebeurtenis of uit een reeks opeenvolgende gerelateerde gebeurtenissen overeenkomstig artikel 322, lid 3, onder b) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
v)
het aantal of de soort risicocategorieën, of het equivalent daarvan, waarover het kapitaalvereiste voor het operationeel risico wordt berekend;
vi)
de methode voor het vaststellen van de drempel voor de omvang van de verliezen waarboven het model aan de gegevens wordt aangepast overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
vii)
indien van toepassing, de methode voor het vaststellen van de drempel voor het maken van onderscheid tussen de kern en het staartgebied van de gegevens, wanneer deze door verschillende methoden worden aangepast, overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
viii)
de procedures en criteria voor het beoordelen van de relevantie van, voor het schalen van of voor het maken van andere aanpassingen in de operationele risicogegevens overeenkomstig artikel 322, lid 3, onder f), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
ix)
externe gegevensbronnen die in het meetsysteem moeten worden gebruikt overeenkomstig artikel 322, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, tenzij al ingedeeld als wezenlijk overeenkomstig deel II, afdeling 1, van deze bijlage.
b)
de criteria voor de selectie, bijwerking en toetsing van de gebruikte verdelingen en methoden voor het ramen van hun parameters overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c)
de criteria en procedures voor de vaststelling van de samengevoegde verdelingen van verliezen en voor de berekening van de gepaste maatstaf voor het operationeel risico bij het gereglementeerde betrouwbaarheidsniveau overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
d)
de methodologie voor de bepaling van de verwachte verliezen en de wijze waarop daarmee in de interne bedrijfspraktijk rekening wordt gehouden overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
e)
de methodologie voor de wijze waarop correlaties tussen de uit het operationeel risico voortvloeiende verliezen die in afzonderlijke ramingen van het operationeel risico zijn opgenomen, worden erkend overeenkomstig artikel 322, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5. Wijzigingen van de normen die betrekking hebben op interne gegevens, scenarioanalyse en factoren die van invloed zijn op de bedrijfsomgeving en de interne controle, indien zij:
a)
de interne procedures en criteria voor het verzamelen van interne verliesgegevens wijzigen overeenkomstig artikel 322, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van:
i)
verhogingen van de drempel voor het verzamelen van interne verliesgegevens overeenkomstig artikel 322, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
ii)
methoden of criteria voor de uitsluiting van activiteiten of blootstellingen van de interne gegevens die worden verzameld overeenkomstig artikel 322, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
b)
de interne procedures en criteria wijzigen voor een van de volgende zaken:
i)
het uitvoeren van scenarioanalyses overeenkomstig artikel 322, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
ii)
het bepalen van de factoren die van invloed zijn op de bedrijfsomgeving en de interne controle overeenkomstig artikel 322, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
6. Wijzigingen van de normen die betrekking hebben op verzekeringen en andere mechanismen voor risico-overdracht overeenkomstig artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a)
zij leiden tot een belangrijke aanpassing van het niveau van de geboden dekking;
b)
zij wijzigen de procedures en criteria voor het berekenen van de verlagingen van het bedrag van de inaanmerkingneming van verzekering, ingevoerd om rekening te houden met de onzekerheid van betaling, de mismatches in de dekking en de resterende looptijd en opzegtermijn van de polis, indien deze minder dan één jaar bedragen, overeenkomstig artikel 323, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
7. Belangrijke wijzigingen van de IT-systemen die worden gebruikt voor het verwerken van de geavanceerde meetbenadering, met inbegrip van het verzamelen en beheren van gegevens, rapportageprocedures en het systeem voor de meting van het operationeel risico overeenkomstig artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en van de algemene normen voor het risicobeheer als beschreven in artikel 74 van Richtlijn 2013/36/EU, die de integriteit en de beschikbaarheid van de gegevens of de IT-systemen aantasten.
▼M1
|
|
BIJLAGE III
|
BIJLAGE III
Uitbreidingen en wijzigingen van de internemodellenbenadering
DEEL I
UITBREIDINGEN VAN DE INTERNEMODELLENBENADERING
Afdeling 1
Uitbreidingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. Uitbreiding van het marktrisicomodel tot een bijkomende locatie in een ander rechtsgebied, daaronder begrepen het uitbreiden van het marktrisicomodel tot de posities van een desk die in een andere tijdzone is gevestigd of waarvoor verschillende frontoffice- of IT-systemen worden gebruikt.
2. Integratie in het toepassingsgebied van een internemodellenbenaderingsmodel van productcategorieën waarvoor de VaR-waarde, berekend overeenkomstig artikel 364, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013, groter is dan 5 % van de VaR-waarde, berekend overeenkomstig artikel 364, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de totale portefeuille die het toepassingsgebied van dat internemodellenbenaderingsmodel vormde vóór de integratie.
3. Alle omgekeerde uitbreidingen, zoals gevallen waarin de instellingen de toepassing van de standaardmethode beogen op risicocategorieën waarvoor zij een intern marktrisicomodel mogen gebruiken.
Afdeling 2
Uitbreidingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
De opneming in het toepassingsgebied van een internemodellenbenaderingsmodel van productcategorieën die andere risicomodelleringstechnieken vereisen dan die welke deel uitmaken van de toestemming om dat internemodellenbenaderingsmodel te gebruiken, zoals padafhankelijke producten of meerdere onderliggende posities overeenkomstig artikel 367 van Verordening (EU) nr. 575/2013. DEEL II
WIJZIGINGEN VAN DE INTERNEMODELLENBENADERING
Afdeling 1
Wijzigingen waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is („wezenlijk”)
1. Wijzigingen tussen historische simulatie, parametrische of Monte Carlo VaR.
2. Wijzigingen in het aggregatiestelsel zoals indien een eenvoudige optelling van risicowaarden door geïntegreerde modellering wordt vervangen.
Afdeling 2
Wijzigingen waarvoor voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is
1. Wijzigingen in de grondslagen van statistische methoden overeenkomstig de artikelen 365, 374 of 377 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van, maar niet beperkt tot elk van de volgende:
a)
vermindering van het aantal simulaties;
b)
invoering of schrapping van variantieverminderingsmethoden;
c)
wijzigingen van de algoritmen om de willekeurige waarden te genereren;
d)
wijzigingen in de statistische methode om volatiliteiten of correlaties tussen risicofactoren te schatten;
e)
wijzigingen in de veronderstellingen over de gezamenlijke verdeling van risicofactoren.
2. Wijzigingen in de feitelijke lengte van de historische waarnemingsperiode, met inbegrip van een wijziging van het wegingsstelsel voor de tijdreeksen overeenkomstig artikel 365, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3. Wijzigingen in de benadering voor het vaststellen van de periode van stress om een Stressed VaR-maatstaf te berekenen, overeenkomstig artikel 365, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
4. Wijzigingen in de omschrijving van marktrisicofactoren die in het interne VaR-model worden toegepast, inclusief overschakelen op een OIS-verdisconteringskader, veranderen tussen nulrente, nominale rente of swaprente.
5. Wijzigingen in de wijze waarop verschuivingen in marktrisicofactoren zich vertalen in wijzigingen van de waarde van de portefeuille, zoals wijzigingen in modellen voor het waarderen van instrumenten die worden gebruikt om gevoeligheden voor risicofactoren te berekenen of posities te herwaarderen bij de berekening van risicowaarden, veranderen van een analytisch naar een simulatiegebaseerd prijsmodel, veranderen tussen een Taylor-benadering en volledige herwaardering, of wijzigingen in de toegepaste gevoeligheidsmaatstaven, overeenkomstig artikel 367 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
6. Wijzigingen in de methodologie voor het omschrijven van vervangende maatstaven.
7. Wijzigingen in de hiërarchie van de bronnen van de ratings die worden gebruikt voor de bepaling van de rating van een individuele positie in het kader van het IRC (kapitaalvereiste voor het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico).
8. Wijzigingen in de methodologie ten aanzien van het verlies bij wanbetaling (LGD) of de liquiditeitshorizons voor het IRC of correlatiehandelsmodellen overeenkomstig afdeling 4 of afdeling 5 van hoofdstuk 5 van titel IV van Verordening (EU) nr. 575/2013.
9. Wijzigingen in de methodologie ten behoeve van de toewijzing van blootstellingen aan individuele blootstellingscategorieën in het kader van het IRC of correlatiehandelsmodellen overeenkomstig afdeling 4 of afdeling 5 van hoofdstuk 5 van titel IV van Verordening (EU) nr. 575/2013.
10. Wijzigingen van methoden voor het schatten van de correlatie van blootstellingen of activa voor het IRC of correlatiehandelsmodellen overeenkomstig afdeling 4 of afdeling 5 van hoofdstuk 5 van titel IV van Verordening (EU) nr. 575/2013.
11. Wijzigingen in de methodologie voor het berekenen van reële of hypothetische winst en reëel of hypothetisch verlies ten behoeve van backtesting overeenkomstig artikel 366, lid 3, en artikel 369, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
12. Wijzigingen in de internevalideringsmethodologie overeenkomstig artikel 369 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
13. Structurele, organisatorische of operationele wijzigingen in de kernprocessen van de risicobeheer- of risicobeheersingsfuncties, overeenkomstig artikel 368, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van elk van het volgende:
a)
wijzigingen in het stafpersoneel,
b)
het limietstellingskader,
d)
de stresstestmethodologie,
e)
het nieuwe productproces,
f)
het beleid inzake wijziging van het interne model.
14. Wijzigingen in de IT-omgeving, daaronder begrepen elk van het volgende:
a)
wijzigingen van het IT-systeem die resulteren in wijzigingen in de procedure voor de berekening van het interne model,
b)
toepassing van modellen voor prijsstelling door leveranciers,
c)
uitbesteding van centrale gegevensverzamelingsfuncties.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|