+GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 527/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen wat de specificatie betreft van de instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en die mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+Artikel 1 Categorieën van instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning
------+Artikel 1 1
------+Artikel 1 2
---+Artikel 2 Voorwaarden voor categorieën aanvullend-tier 1-instrumenten
------+Artikel 2 a)
------+Artikel 2 b)
------+Artikel 2 c)
---+Artikel 3 Voorwaarden voor categorieën tier 2-instrumenten
------+Artikel 3 a)
------+Artikel 3 b)
------+Artikel 3 c)
------+Artikel 3 d)
---+Artikel 4 Voorwaarden voor categorieën andere instrumenten
------+Artikel 4 1
------+Artikel 4 2
------+Artikel 4 3
------+Artikel 4 4
---+Artikel 5 Procedures voor afwaardering, opwaardering en omzetting
------+Artikel 5 1
------+Artikel 5 2
------+Artikel 5 3
------+Artikel 5 4
------+Artikel 5 5
------+Artikel 5 6
------+Artikel 5 7
------+Artikel 5 8
------+Artikel 5 9
------+Artikel 5 10
------+Artikel 5 11
------+Artikel 5 12
------+Artikel 5 13
------+Artikel 5 14
---+Artikel 6
|
English -
European Union -
Financial Industry -
Banking -
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 527/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen wat de specificatie betreft van de instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en die mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning (Voor de EER relevante tekst)
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 527/2014 VAN DE COMMISSIE
van 12 maart 2014
tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen wat de specificatie betreft van de instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en die mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning
(Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Preamble: 1
|
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 94, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1)
|
Een in instrumenten toegekende variabele beloning dient in overeenstemming te zijn met en bij te dragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer, en mag niet aanmoedigen tot het nemen van meer risico's dan voor de instelling aanvaardbaar is. Daarom dienen de categorieën van instrumenten die ten behoeve van een variabele beloning kunnen worden gebruikt, de belangen van het personeel af te stemmen op de belangen van aandeelhouders, schuldeisers en andere belanghebbenden, door te voorzien in prikkels voor personeelsleden om te handelen in het langetermijnbelang van de instelling en geen buitensporige risico's te nemen.
|
|
(2)
|
Om te verzekeren dat er een sterke band is met de kredietkwaliteit van een instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening, dienen instrumenten die ten behoeve van een variabele beloning worden gebruikt, passende triggergebeurtenissen te bevatten voor afwaardering of omzetting waarmee de waarde van de instrumenten wordt verminderd in situaties waarin de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening is verslechterd. De triggergebeurtenissen die voor beloningsdoeleinden worden gebruikt, mogen de mate van achterstelling van de instrumenten niet veranderen en mogen dus niet ertoe leiden dat aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten niet meer als eigenvermogensinstrumenten kwalificeren.
|
|
(3)
|
Hoewel de voorwaarden die gelden voor aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten in de artikelen 52 en 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn vastgesteld, gelden voor de overige in punt l, ii), van artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of afgewaardeerd, geen specifieke voorwaarden uit hoofde van die verordening, aangezien zij voor het prudentieel toezicht niet als eigenvermogensinstrumenten kwalificeren. Daarom dienen specifieke vereisten te worden bepaald voor verschillende categorieën instrumenten, om ervoor te zorgen dat deze geschikt zijn om te worden gebruikt ten behoeve van een variabele beloning, rekening houdende met de verschillende aard van de instrumenten. Het gebruik van instrumenten ten behoeve van een variabele beloning dient op zich niet te voorkomen dat instrumenten als eigen vermogen van een instelling kwalificeren, zolang aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 575/2013 is voldaan. Evenmin dient dit soort gebruik op zich te worden begrepen als het geven van een prikkel om het instrument af te lossen, aangezien personeelsleden na de uitstel- en retentieperiode in de regel liquide middelen kunnen ontvangen via andere middelen dan aflossing.
|
|
(4)
|
Andere instrumenten omvatten niet-geldelijke schuldinstrumenten of schuldgekoppelde instrumenten die niet als eigen vermogen kwalificeren. Andere instrumenten zijn niet beperkt tot financiële instrumenten in de zin van punt 50 van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar kunnen ook andere niet-geldelijke instrumenten omvatten, die in overeenkomsten tussen de instelling en personeelsleden zijn opgenomen. Om ervoor te zorgen dat deze instrumenten een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening, dienen passende vereisten te garanderen dat de omstandigheden waarin dit soort instrumenten worden afgewaardeerd of omgezet, verder gaan dan herstel- en afwikkelingssituaties.
|
|
(5)
|
Wanneer ten behoeve van een variabele beloning gebruikte instrumenten worden opgevraagd, afgelost, weder ingekocht of omgezet, dient dit soort transacties in de regel niet de waarde van de toegekende beloning te doen stijgen door bedragen uit te keren die hoger liggen dan de waarde van het instrument of door omzetting in instrumenten die een hogere waarde hebben dan het instrument dat aanvankelijk was toegekend. Een en ander moet ervoor zorgen dat geen beloning wordt uitgekeerd door middel van vehikels of methoden die de niet-inachtneming van artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU vergemakkelijken.
|
|
(6)
|
Wanneer de variabele beloning wordt toegekend en wanneer voor een variabele beloning gebruikte instrumenten worden opgevraagd, afgelost, weder ingekocht of omgezet, dienen die transacties te zijn gebaseerd op waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen. Bijgevolg dient in al die situaties een waardering van de instrumenten te worden geëist om ervoor te zorgen dat de vereisten van Richtlijn 2013/36/EU ten aanzien van beloning niet worden omzeild, met name wat betreft de verhouding tussen de vaste en de variabele component van de beloning en de afstemming op het genomen risico.
|
|
(7)
|
In artikel 54 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de mechanismen beschreven voor de afwaardering en omzetting van aanvullend-tier 1-instrumenten. Voorts vereist punt l, ii), van artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU dat andere instrumenten volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of afgewaardeerd. Aangezien de economische uitkomst van een omzetting of afwaardering van andere instrumenten dezelfde is als voor aanvullend-tier 1-instrumenten, dient bij afwaarderings- of omzettingsmechanismen voor andere instrumenten rekening te worden gehouden met de mechanismen die van toepassing zijn voor aanvullend-tier 1-instrumenten, met aanpassingen om rekening te houden met het feit dat andere instrumenten die, uit prudentieel oogpunt, niet als eigenvermogensinstrumenten kwalificeren. Voor Tier 2-instrumenten gelden op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 geen reguleringsvereisten ten aanzien van afwaardering en omzetting. Om te verzekeren dat de waarde van al deze instrumenten, wanneer zij voor een variabele beloning worden gebruikt, wordt verlaagd wanneer de kredietkwaliteit van de instelling verslechtert, dient te worden bepaald in welke situaties een afwaardering of omzetting van het instrument noodzakelijk is. De mechanismen voor het afwaarderen, opwaarderen en omzetten van tier 2-instrumenten en andere instrumenten dienen te worden gespecificeerd om een consistente toepassing te garanderen.
|
|
(8)
|
Uitkeringen als gevolg van instrumenten kunnen uiteenlopende vormen aannemen. Zij kunnen variabel zijn of vast en kunnen periodiek worden uitgekeerd of bij de eindvervaldatum van een instrument. Aansluitend bij de richtsnoeren inzake beloningsbeleid en beloningspraktijken van het Comité van Europese bankentoezichthouders (3) dienen, om een degelijk en doeltreffend risicobeheer te bevorderen, gedurende de uitstelperiodes geen uitkeringen aan personeelsleden plaats te vinden. Personeelsleden dienen alleen uitkeringen te ontvangen voor de perioden volgend op de verwerving van het instrument. Daarom mogen alleen instrumenten met periodiek betaalde uitkeringen aan de eigenaar van het instrument, worden gebruikt als een variabele beloning; nulcouponobligaties of instrument waarbij de winst wordt ingehouden, dienen niet mee te tellen voor het aanzienlijke deel van de beloning dat moet bestaan uit een mix van de in punt l) van artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde instrumenten. Anders zouden personeelsleden gedurende de uitstelperiodes toenemende waarden kunnen genieten, hetgeen kan worden begrepen als gelijkwaardig aan het ontvangen van uitkeringen.
|
|
(9)
|
Zeer hoge uitkeringen kunnen de langetermijnprikkel voor een voorzichtig risicobeleid afzwakken omdat daarmee het variabele gedeelte van de beloning daadwerkelijk wordt vergroot. Met name dienen uitkeringen niet te worden betaald met tussenpozen van meer dan één jaar aangezien dit ertoe zou leiden dat uitkeringen gedurende uitstelperiodes daadwerkelijk worden opgestapeld en worden uitgekeerd zodra de variabele beloning verworven is. Met de opstapeling van uitkeringen zou punt g) van artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU worden omzeild wat betreft de verhouding tussen variabele en vaste beloningscomponenten, alsmede het beginsel uit punt m) van datzelfde artikel dat uitgestelde beloning niet sneller dan op pro-rata-basis wordt verworven. Daarom mogen uitkeringen die plaatsvinden nadat het instrument is verworven, niet hoger zijn dan de marktpercentages. Dit dient te worden geborgd door de eis dat voor een variabele beloning gebruikte instrumenten, of de instrumenten waaraan deze zijn gekoppeld, vooral aan andere beleggers worden uitgekeerd, of door te eisen dat voor dit soort instrumenten een plafond inzake uitkeringen geldt.
|
|
(10)
|
Eisen inzake uitstel en retentie die gelden voor de toekenning van een variabele beloning overeenkomstig artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, moeten worden nagekomen op alle relevante tijdstippen, ook wanneer voor een variabele beloning gebruikte instrumenten worden opgevraagd, afgelost, weder ingekocht of omgezet. In dat soort situaties dienen instrumenten dus te worden omgeruild voor aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2-instrumenten en andere instrumenten die een weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening, die kenmerken hebben die gelijkwaardig zijn aan die van het aanvankelijk toegekende instrument en dezelfde waarde hebben, rekening houdende met alle bedragen die zijn afgewaardeerd. Wanneer instrumenten niet zijnde aanvullend-tier 1-instrumenten een vaste vervaldatum hebben, dienen bij de toekenning van die instrumenten minimale eisen te worden bepaald voor de resterende looptijd, om te verzekeren dat zij sporen met de vereisten inzake de uitstel- en retentieperiodes voor een variabele beloning.
|
|
(11)
|
Richtlijn 2013/36/EU beperkt de categorieën instrumenten die kunnen worden gebruikt voor een variabele beloning, niet tot één bepaald klasse financiële instrumenten. Het dient mogelijk te zijn om gebruik te maken van synthetische instrumenten of contracten tussen personeelsleden en instellingen die gekoppeld zijn aan aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten die volledig kunnen worden omgezet of afgewaardeerd. Dit biedt de mogelijkheid om in de voorwaarden van dit soort instrumenten specifieke voorwaarden op te nemen die alleen gelden voor aan personeelsleden toegekende instrumenten, zonder dat dit soort voorwaarden aan andere beleggers hoeft te worden opgelegd.
|
|
(12)
|
Binnen groepsverband kunnen uitgiften centraal worden beheerd binnen een moederonderneming. Het is dus mogelijk dat instellingen binnen deze groep niet altijd instrumenten uitgeven die ten behoeve van een variabele beloning mogen worden gebruikt. Volgens Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten die worden uitgegeven via een entiteit binnen het consolidatiebereik, deel uitmaken van het eigen vermogen van een instelling, mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. Daarom dient het ook het mogelijk te zijn om dit soort instrumenten te gebruiken ten behoeve van een variabele beloning, mits er een duidelijk verband is tussen de kredietkwaliteit van de instelling die deze instrumenten ten behoeve van een variabele beloning gebruikt, en de kredietkwaliteit van de uitgevende instelling. Dat verband mag doorgaans worden geacht te bestaan tussen een moederonderneming en een dochteronderneming. Ook dient het mogelijk te zijn om instrumenten niet zijnde aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten die niet rechtstreeks door een instelling worden uitgegeven, te gebruiken ten behoeve van een variabele beloning, mits gelijkwaardige voorwaarden in acht worden genomen. Instrumenten die gekoppeld zijn aan door moederondernemingen in derde landen uitgegeven referentie-instrumenten en die gelijkwaardig zijn aan aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten, dienen in aanmerking te kunnen komen om te worden gebruikt ten behoeve van een variabele beloning indien de triggergebeurtenis verwijst naar de instelling die dit soort synthetisch instrument gebruikt.
|
|
(13)
|
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) aan de Europese Commissie heeft voorgelegd.
|
|
(14)
|
EBA heeft tevens openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen om advies verzocht,
|
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 maart 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
|
|
Artikel 1 Categorieën van instrumenten die een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning
|
|
|
Artikel 2 Voorwaarden voor categorieën aanvullend-tier 1-instrumenten
|
Categorieën aanvullend-tier 1-instrumenten nemen de volgende voorwaarden in acht:
|
|
Artikel 3 Voorwaarden voor categorieën tier 2-instrumenten
|
Categorieën tier 2-instrumenten nemen de volgende voorwaarden in acht:
|
|
Artikel 4 Voorwaarden voor categorieën andere instrumenten
|
|
|
Artikel 5 Procedures voor afwaardering, opwaardering en omzetting
|
|
|
Artikel 6
|
Artikel 6
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
(1)
PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.
(2) Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(3) Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT), Guidelines on Remuneration Policies and Practices van 10.12.2010.
(4) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(5) Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (PB L 257 van 27.10.1995, blz. 1).
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|