+RICHTLIJN 2000/14/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis
---+Artikel 1 Doelstellingen
---+Artikel 2 Toepassingsgebied
------+Artikel 2 1.
------+Artikel 2 2.
---+Artikel 3 Definities
---+Artikel 4 In de handel brengen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
---+Artikel 5 Markttoezicht
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
---+Artikel 6 Vrij verkeer
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
---+Artikel 7 Vermoeden van overeenstemming
---+Artikel 8 EG-verklaring van overeenstemming
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
---+Artikel 9 Non-conformiteit van materieel
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
---+Artikel 10 Beroep
---+Artikel 11 Markering
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
------+Artikel 11 4.
------+Artikel 11 5.
---+Artikel 12 Materieel waarvoor geluidsgrenswaarden gelden
---+Artikel 13 Materieel waarop alleen het geluidsvermogensniveau moet worden gemarkeerd
---+Artikel 14 Overeenstemmingsbeoordeling
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
---+Artikel 15 Aangemelde instanties
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 4.
------+Artikel 15 5.
---+Artikel 17 Regeling betreffende het gebruik
---+Artikel 17 bis
------+Artikel 17 bis 1.
------+Artikel 17 bis 2.
------+Artikel 17 bis 3.
------+Artikel 17 bis 4.
---+Artikel 17 ter
------+Artikel 17 ter 1.
------+Artikel 17 ter 2.
------+Artikel 17 ter 3.
------+Artikel 17 ter 4.
---+Artikel 17 quater
------+Artikel 17 quater 1.
------+Artikel 17 quater 2.
------+Artikel 17 quater 3.
------+Artikel 17 quater 4.
------+Artikel 17 quater 5.
------+Artikel 17 quater 6.
------+Artikel 17 quater 7.
------+Artikel 17 quater 8.
------+Artikel 17 quater 9.
---+Artikel 17 quinquies
------+Artikel 17 quinquies 1.
------+Artikel 17 quinquies 2.
---+Artikel 18
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
------+Artikel 18 3.
---+Artikel 18 bis Wijzigingen in bijlage III
---+Artikel 18 ter Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 18 ter 1.
------+Artikel 18 ter 2.
------+Artikel 18 ter 3.
------+Artikel 18 ter 4.
------+Artikel 18 ter 5.
------+Artikel 18 ter 6.
---+Artikel 19 Bevoegdheden van het comité
---+Artikel 20 Rapportage
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
---+Artikel 21 Intrekking
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
---+Artikel 22 Omzetting en toepassingsdatum
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
------+Artikel 22 5.
---+Artikel 23 Inwerkingtreding
---+Artikel 24 Bestemming
---+BIJLAGE I MATERIEELDEFINITIES
---+BIJLAGE II EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV MODELLEN VAN DE CE-MARKERING VAN OVEREENSTEMMING EN DE VERMELDING VAN HET GEWAARBORGDE GELUIDSVERMOGENSNIVEAU
---+BIJLAGE V INTERNE FABRICAGECONTROLE
---+BIJLAGE VI INTERNE FABRICAGECONTROLE MET BEOORDELING VAN DE TECHNISCHE DOCUMENTATIE EN PERIODIEKE CONTROLES
---+BIJLAGE VII EXEMPLAARKEURING
---+BIJLAGE VIII VOLLEDIGE KWALITEITSBORGING
---+BIJLAGE IX DOOR DE LIDSTATEN TE HANTEREN MINIMUMCRITERIA BIJ DE AANMELDING VAN INSTANTIES
---+BIJLAGE X
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN 2000/14/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis

RICHTLIJN 2000/14/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 8 mei 2000

inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Doelstellingen

Artikel 1

Doelstellingen

De doelstelling van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende geluidsemissienormen, overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, markering, technische documentatie en gegevensverzameling met betrekking tot de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis. De richtlijn zal bijdragen tot de goede werking van de interne markt en komt tegelijk de bescherming van de menselijke gezondheid en het welzijn ten goede.

Artikel 2 Toepassingsgebied
Artikel 3 Definities

Artikel 3

Definities

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) 

„materieel voor gebruik buitenshuis”: alle machines, gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines ( 1 ), die zelfrijdend zijn dan wel kunnen worden verplaatst en die ongeacht het (de) gebruikte aandrijfmechanisme(n) zijn bedoeld om naar gelang van hun type buitenshuis te worden gebruikt en bijdragen tot geluidshinder. Het gebruik van dergelijke machines in een omgeving waar de geluidsoverdracht niet of nauwelijks wordt gedempt (bijvoorbeeld onder tenten of afdaken of in huizen in aanbouw) wordt als gebruik buitenshuis beschouwd. Bedoeld is eveneens niet-aangedreven materieel voor industriële of milieutoepassingen, van een type dat bestemd is voor gebruik buitenshuis en dat bijdraagt tot geluidshinder. Al deze materieeltypen worden hierna „materieel” genoemd;

b) 

„overeenstemmingsbeoordelingsprocedures”: de procedures die zijn vastgelegd in de bijlagen V tot en met VII en die zijn gebaseerd op Besluit 93/465/EEG;

c) 

„markering”: het op het materieel op zichtbare, leesbare en onuitwisbare wijze aanbrengen van de CE-markering zoals omschreven in Besluit 93/465/EEG, vergezeld van de vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau;

d) 

„geluidsvermogensniveau LWA”: het A-gewogen geluidsvermogensniveau in dB, betrokken op 1 pW, zoals omschreven in EN ISO 3744:1995 en EN ISO 3746:1995;

e) 

„gemeten geluidsvermogensniveau”: het geluidsvermogensniveau dat is bepaald aan de hand van metingen die worden verricht overeenkomstig bijlage III; de gemeten waarden kunnen worden bepaald bij één machine die representatief is voor het betrokken type materieel of aan de hand van het gemiddelde van een aantal machines;

f) 

„gewaarborgd geluidsvermogensniveau”: het geluidsvermogensniveau dat is bepaald overeenkomstig de voorschriften van bijlage III, met inbegrip van de onzekerheden ten gevolge van variaties in de productie en de meetmethoden, en waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verzekert dat het volgens de gebruikte, in de technische documentatie genoemde, technische instrumenten niet overschreden wordt;

▼M6

g) 

“crisisrelevante goederen”: crisisrelevante goederen zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, van Verordening (EU) 2024/2747 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 );

h) 

“noodfase voor de interne markt”: noodfase voor de interne markt zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2024/2747.

▼B

Artikel 4 In de handel brengen
Artikel 5 Markttoezicht
Artikel 6 Vrij verkeer
Artikel 7 Vermoeden van overeenstemming

Artikel 7

Vermoeden van overeenstemming

De lidstaten gaan ervan uit dat materieel zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, dat voorzien is van de CE-markering en een vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau en vergezeld gaat van de EG-verklaring van overeenstemming in overeenstemming is met alle voorschriften van deze richtlijn.

Artikel 8 EG-verklaring van overeenstemming
Artikel 9 Non-conformiteit van materieel
Artikel 10 Beroep

Artikel 10

Beroep

Een ingevolge deze richtlijn door een lidstaat getroffen maatregel die het in de handel brengen of de ingebruikneming van onder deze richtlijn vallend materieel beperkt, wordt deugdelijk gemotiveerd. Een dergelijke maatregel wordt zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de betrokken partij, onder vermelding van de beroepsmogelijkheden die haar in de betrokken lidstaat ten dienste staan en de termijnen die daarvoor gelden.

Artikel 11 Markering
Artikel 12 Materieel waarvoor geluidsgrenswaarden gelden

Artikel 12

Materieel waarvoor geluidsgrenswaarden gelden

Het gewaarborgde geluidsvermogensniveau van het hierna genoemde materieel mag niet hoger zijn dan het toelaatbare geluidsvermogensniveau, vermeld in de volgende tabel van grenswaarden:

— 
Bouwliften voor goederentransport (met verbrandingsmotor)
Definitie: bijlage I, punt 3; meting: bijlage III, deel B, punt 3
— 
Verdichtingsmachines (alleen trilwalsen en niet-vibrerende walsen, trilplaten en trilstampers)
Definitie: bijlage I, punt 8; meting: bijlage III, deel B, punt 8
— 
Compressoren (< 350 kW)
Definitie: bijlage I, punt 9; meting: bijlage III, deel B, punt 9
— 
Betonbrekers en trilhamers, met de hand geleid
Definitie: bijlage I, punt 10; meting: bijlage III, deel B, punt 10
— 
Bouwlieren (met verbrandingsmotor)
Definitie: bijlage I, punt 12; meting: bijlage III, deel B, punt 12
— 
Dozers (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 16; meting: bijlage III, deel B, punt 16
— 
Dumpers (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 18; meting: bijlage III, deel B, punt 18
— 
Kabelgraafmachines en hydraulische graafmachines (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 20; meting: bijlage III, deel B, punt 20
— 
Graaflaadmachines (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 21; meting: bijlage III, deel B, punt 21
— 
Egaliseermachines (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 23; meting: bijlage III, deel B, punt 23
— 
Hydraulische aggregaten
Definitie: bijlage I, punt 29; meting: bijlage III, deel B, punt 29
— 
Vuilnisverdichters van het ladertype met laadbak (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 31; meting: bijlage III, deel B, punt 31
— 
Grasmaaiers (uitgezonderd landbouw- en bosbouwmaterieel alsmede multifunctionele machines waarvan de hoofdaandrijvingsmotor een geïnstalleerd vermogen van meer dan 20 kW heeft)
Definitie: bijlage I, punt 32; meting: bijlage III, deel B, punt 32
— 
Grastrimmers/graskantensnijders
Definitie: bijlage I, punt 33; meting: bijlage III, deel B, punt 33
— 
Heftrucks met verbrandingsmotor en contragewicht (uitgezonderd „andere heftrucks met contragewicht”, zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 33, tweede streepje, waarvan het nominale laadvermogen niet meer dan 10 ton bedraagt)
Definitie: bijlage I, punt 36; meting: bijlage III, deel B, punt 36
— 
Laders (< 500 kW)
Definitie: bijlage I, punt 37; meting: bijlage III, deel B, punt 37
— 
Mobiele kranen
Definitie: bijlage I, punt 38; meting: bijlage III, deel B, punt 38
— 
Motorhakfrezen (< 3 kW)
Definitie: bijlage I, punt 40; meting: bijlage III, deel B, punt 40
— 
Bestratingsafwerkmachines (uitgezonderd bestratingsafwerkmachines die zijn uitgerust met een hoogverdichtingsbalk)
Definitie: bijlage I, punt 41; meting: bijlage III, deel B, punt 41
— 
Stroomaggregaten (< 400 kW)
Definitie: bijlage I, punt 45; meting: bijlage III, deel B, punt 45
— 
Torenkranen
Definitie: bijlage I, punt 53; meting: bijlage III, deel B, punt 53
— 
Lasaggregaten
Definitie: bijlage I, punt 57; meting: bijlage III, deel B, punt 57.

▼M1



Type materieel

Netto geïnstalleerd vermogen P in kW

Elektrisch vermogen Pel (1) in kW

Massa m van het materieel in kg

Maaibreedte L in cm

Toelaatbaar geluidsvermogensniveau in dB/1 pW

 

 

Fase I vanaf 3 januari 2002

Fase II vanaf 3 januari 2006

Verdichtingsmachines (trilwalsen, trilplaten, trilstampers)

P ≤ 8

108

105 (2)

8 < P ≤ 70

109

106 (2)

P > 70

89 + 11 lg P

86 + 11 lg P (2)

rupsdozers, rupslaad- en graaflaadmachines

P ≤ 55

106

103 (2)

P > 55

87 + 11 lg P

84 + 11 lg P (2)

Dozers op wielen, laad- en graaflaadmachines op wielen, dumpers, egaliseermachines, vuilnisverdichters van het ladertype, heftrucks met verbrandingsmotor en contragewicht, mobiele kranen, verdichtingsmachines (niet-vibrerende walsen), bestratingsafwerkmachines, hydraulische aggregaten

P ≤ 55

104

101 (2) (3)

P > 55

85 + 11 lg P

82 + 11 lg P (2) (3)

Graafmachines, goederenliften, bouwlieren, motorhakfrezen

P ≤ 15

96

93

P > 15

83 + 11 lg P

80 + 11 lg P

Met de hand geleide betonbrekers en trilhamers

m ≤ 15

107

105

15 < m < 30

94 + 11 lg m

92 + 11 lg m (2)

m ≥ 30

96 + 11 lg m

94 + 11 lg m

Torenkranen

 

98 + lg P

96 + lg P

Las- en vermogensaggregaten

Pel ≤ 2

97 + lg Pel

95 + lg Pel

2 < Pel ≤ 10

98 + lg Pel

96 + lg Pel

►C1  Pel > 10 ◄

97 + lg Pel

95 + lg Pel

Compressoren

P ≤ 15

99

97

P > 15

97 + 2 lg P

95 + 2 lg P

Grasmaaiers, grastrimmers/graskantensnijders

L ≤ 50

96

94 (2)

50 < L ≤ 70

100

98

70 < L ≤ 120

100

98 (2)

L > 120

105

103 (2)

(1)   

Pel voor lasaggregaten: genormaliseerde lasstroom vermenigvuldigd met de genormaliseerde lasspanning voor de laagste waarde van de inschakelduur die door de fabrikant wordt opgegeven.


Pel voor vermogensaggregaten: primair vermogen overeenkomstig ISO 8528-1:1993, punt 13.3.2.

(2)   

De waarden voor fase II zijn voor de volgende typen materieel louter indicatief:

— trilwalsen met begeleider;

— trilplaten (> 3kW);

— trilstampers;

— dozers (op stalen rupsbanden);

— laadmachines (op stalen rupsbanden > 55 kW);

— heftrucks met verbrandingsmotor en contragewicht;

— bestratingsafwerkmachines met een verdichtingsbalk;

— met de hand geleide betonbrekers en trilhamers met een inwendige verbrandingsmotor (15 < m < 30)

— grasmaaiers, grastrimmers/graskantensnijders.


De definitieve waarden zijn afhankelijk van de wijziging van de richtlijn ingevolge het krachtens artikel 20, lid 1, vereiste verslag. Bij gebreke van een dergelijke wijziging blijven de waarden voor fase I van toepassing voor fase II.

(3)   

Voor eenmotorige mobiele kranen blijven de cijfers voor fase I tot 3 januari 2008 van toepassing. Na deze datum zijn de cijfers van fase II van toepassing.

Het toelaatbare geluidsvermogensniveau wordt naar boven of beneden afgerond op het naaste gehele getal (bij minder dan 0,5 naar beneden, vanaf 0,5 naar boven).

▼B

Artikel 13 Materieel waarop alleen het geluidsvermogensniveau moet worden gemarkeerd

Artikel 13

Materieel waarop alleen het geluidsvermogensniveau moet worden gemarkeerd

Voor het gewaarborgde geluidsvermogensniveau van het hierna genoemde materieel geldt dat alleen het geluidsvermogensniveau moet worden gemarkeerd:

— 
Hoogwerkers met verbrandingsmotor
Definitie: bijlage I, punt 1; meting: bijlage III, deel B, punt 1
— 
Bosmaaiers
Definitie: bijlage I, punt 2; meting: bijlage III, deel B, punt 2
— 
Bouwliften voor goederentransport (met elektrische motor)
Definitie: bijlage I, punt 3; meting: bijlage III, deel B, punt 3
— 
Lintzaagmachines voor gebruik in de bouw
Definitie: bijlage I, punt 4; meting: bijlage III, deel B, punt 4
— 
Cirkelzaagbanken voor gebruik in de bouw
Definitie: bijlage I, punt 5; meting: bijlage III, deel B, punt 5
— 
Draagbare kettingzagen
Definitie: bijlage I, punt 6; meting: bijlage III, deel B, punt 6
— 
Gecombineerde hogedrukspoelingsvoertuigen en kolkenzuigers
Definitie: bijlage I, punt 7; meting: bijlage III, deel B, punt 7
— 
Verdichtingsmachines (alleen explosiestampers)
Definitie: bijlage I, punt 8; meting: bijlage III, deel B, punt 8
— 
Beton- of mortelmolens
Definitie: bijlage I, punt 11; meting: bijlage III, deel B, punt 11
— 
Bouwlieren (met elektrische motor)
Definitie: bijlage I, punt 12; meting: bijlage III, deel B, punt 12
— 
Transport- en spuitmachines voor beton en mortel
Definitie: bijlage I, punt 13; meting: bijlage III, deel B, punt 13
— 
Bandtransporteurs
Definitie: bijlage I, punt 14; meting: bijlage III, deel B, punt 14
— 
Koelinstallatie op voertuigen
Definitie: bijlage I, punt 15; meting: bijlage III, deel B, punt 15
— 
Boorinstallaties
Definitie: bijlage I, punt 17; meting: bijlage III, deel B, punt 17
— 
Installaties voor het vullen en legen van tanks of silo's op vrachtauto's
Definitie: bijlage I, punt 19; meting: bijlage III, deel B, punt 19
— 
Glasbakken
Definitie: bijlage I, punt 22; meting: bijlage III, deel B, punt 22
— 
Grastrimmers/graskantensnijders
Definitie: bijlage I, punt 24; meting: bijlage III, deel B, punt 24
— 
Heggenscharen
Definitie: bijlage I, punt 25; meting: bijlage III, deel B, punt 25
— 
Hogedrukspoelers
Definitie: bijlage I, punt 26; meting: bijlage III, deel B, punt 26
— 
Hogedrukwaterstraalmachines
Definitie: bijlage I, punt 27; meting: bijlage III, deel B, punt 27
— 
Hydraulische hamers
Definitie: bijlage I, punt 28; meting: bijlage III, deel B, punt 28
— 
Voegensnijmachines
Definitie: bijlage I, punt 30; meting: bijlage III, deel B, punt 30
— 
Bladblazers
Definitie: bijlage I, punt 34; meting: bijlage III, deel B, punt 34
— 
Bladzuigers
Definitie: bijlage I, punt 35; meting: bijlage III, deel B, punt 35
— 
Heftrucks met verbrandingsmotor en contragewicht (uitgezonderd „andere heftrucks met contragewicht”, zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 36, tweede streepje, waarvan het nominale laadvermogen niet meer dan 10 ton bedraagt)
Definitie: bijlage I, punt 36; meting: bijlage III, deel B, punt 36
— 
Mobile afvalbakken
Definitie: bijlage I, punt 39; meting: bijlage III, deel B, punt 39
— 
Bestratingsafwerkmachines (met hoogverdichtingsbalk)
Definitie: bijlage I, punt 41; meting: bijlage III, deel B, punt 41
— 
Heimachines
Definitie: bijlage I, punt 42; meting: bijlage III, deel B, punt 42
— 
Buizenleggers
Definitie: bijlage I, punt 43; meting: bijlage III, deel B, punt 43
— 
Pistemakers
Definitie: bijlage I, punt 44; meting: bijlage III, deel B, punt 44
— 
Stroomaggregaten (≥ 400 kW)
Definitie: bijlage I, punt 45; meting: bijlage III, deel B, punt 45
— 
Veegmachines
Definitie: bijlage I, punt 46; meting: bijlage III, deel B, punt 46
— 
Vuilnisauto's
Definitie: bijlage I, punt 47; meting: bijlage III, deel B, punt 47
— 
Wegenfreesmachines
Definitie: bijlage I, punt 48; meting: bijlage III, deel B, punt 48
— 
Verticuteermachines
Definitie: bijlage I, punt 49; meting: bijlage III, deel B, punt 49
— 
Houtversnipperaars/hakselaars
Definitie: bijlage I, punt 50; meting: bijlage III, deel B, punt 50
— 
Sneeuwruiminrichtingen met roterende werktuigen (met eigen aandrijving, zonder hulpstukken)
Definitie: bijlage I, punt 51; meting: bijlage III, deel B, punt 51
— 
Zuigvoertuigen
Definitie: bijlage I, punt 52; meting: bijlage III, deel B, punt 52
— 
Sleuvengraafmachines
Definitie: bijlage I, punt 54; meting: bijlage III, deel B, punt 54
— 
Truckmixers
Definitie: bijlage I, punt 55; meting: bijlage III, deel B, punt 55
— 
Waterpompen (niet voor gebruik onder water)
Definitie: bijlage I, punt 56; meting: bijlage III, deel B, punt 56.
Artikel 14 Overeenstemmingsbeoordeling
Artikel 15 Aangemelde instanties
Artikel 17 Regeling betreffende het gebruik

Artikel 17

Regeling betreffende het gebruik

De bepalingen van deze richtlijn beletten niet dat de lidstaten, met inachtneming van het Verdrag,

— 
maatregelen vaststellen om het gebruik van materieel zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, te reglementeren in zones die zij als gevoelig beschouwen, hetgeen ook een beperking in de tijd kan inhouden van het gebruik van het materieel;
— 
de voorschriften vaststellen die zij nodig achten om ervoor te zorgen dat personen beschermd zijn bij het gebruik van het betrokken materieel, mits dat niet betekent dat het materieel veranderd wordt op een niet in deze richtlijn vermelde wijze.
Artikel 17 bis
Artikel 17 ter
Artikel 17 quater
Artikel 17 quinquies
Artikel 18
Artikel 18 bis Wijzigingen in bijlage III

Artikel 18 bis

Wijzigingen in bijlage III

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage III teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen. De gedelegeerde handelingen mogen niet van invloed zijn op het gemeten geluidsvermogensniveau van het in artikel 12 genoemde materieel, in het bijzonder door de opneming van verwijzingen naar bestaande toepasselijke Europese normen.

Artikel 18 ter Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 19 Bevoegdheden van het comité

Artikel 19

Bevoegdheden van het comité

Het comité

a) 

wisselt informatie en ervaringen uit in verband met de uitvoering en de praktische toepassing van deze richtlijn en bespreekt aangelegenheden van gemeenschappelijk belang op die gebieden,

▼M3 —————

▼B

c) 

brengt advies uit aan de Commissie in verband met de in artikel 20, lid 2, bedoelde conclusies en wijzigingen.

Artikel 20 Rapportage
Artikel 21 Intrekking
Artikel 22 Omzetting en toepassingsdatum
Artikel 23 Inwerkingtreding

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 24 Bestemming

Artikel 24

Bestemming

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I MATERIEELDEFINITIES




BIJLAGE I

MATERIEELDEFINITIES

1.   Hoogwerker met verbrandingsmotor

Een machine die ten minste bestaat uit een werkplatform, een uitschuifbare constructie en een chassis. Het werkplatform is een met een afscherming omgeven platform of een kooi, dat of die onder belasting in de vereiste werkstand kan worden geplaatst. De uitschuifbare constructie is verbonden met het chassis en ondersteunt het werkplatform zodanig dat dit in de vereiste stand kan worden gebracht.

2.   Bosmaaier

Een door een verbrandingsmotor aangedreven, draagbare, met de hand geleide machine met roterend mes van metaal of kunststof voor het maaien van onkruid, kreupelhout, kleine bomen en soortgelijke begroeiing. Het maaien geschiedt in een vlak dat ongeveer parallel aan de grond is.

3.   Bouwlift voor goederentransport

Een gemotoriseerde, tijdelijk geïnstalleerde bouwlift, te gebruiken door personen die gemachtigd zijn bouwterreinen en dergelijke te betreden, die stopt

i) 

op verschillende niveaus en een platform heeft

— 
dat alleen voor goederentransport is ontworpen en waartoe mensen bij het laden en lossen toegang hebben,
— 
waarmee bevoegden zich tijdens opzetten, afbreken en onderhoud van de lift kunnen verplaatsen,
— 
voorzien van een geleiding,
— 
dat verticaal op en neer beweegt of onder een hoek van maximaal 15° met het verticale vlak,
— 
dat wordt gedragen door of opgehangen is aan een kabel, ketting, as met schroefdraad en moer, tandheugelmechanisme, hydraulische vijzel (direct of indirect), of een expanderend koppelingsmechanisme,
— 
waarvan de masten al dan niet door afzonderlijke structuren kunnen worden ondersteund, dan wel
ii) 

op het bovenste punt of bij een werkruimte aan het einde van de geleider (bv. een dak), en een draagplatform heeft:

— 
dat alleen voor goederentransport is bedoeld,
— 
dat zodanig is ontworpen dat het niet bij laden of lossen van goederen of bij onderhoud, opzetten en afbreken behoeft te worden betreden,
— 
waartoe de toegang strikt verboden is,
— 
dat van een geleiding is voorzien,
— 
dat ontworpen is om onder een hoek van minstens 30° met een verticaal vlak op en neer te bewegen, maar dat bij iedere andere hoek mag worden gebruikt,
— 
dat aan staaldraad is opgehangen en een gekoppelde aandrijving heeft,
— 
dat van constantedrukbedieningsorganen is voorzien,
— 
dat geen contragewichten heeft,
— 
dat een nominale belasting van maximaal 300 kg heeft,
— 
met een maximumsnelheid van 1 m/sec.,
— 
waarvan de geleiders door afzonderlijke structuren moeten worden ondersteund.

4.   Lintzaagmachine voor gebruik op bouwterreinen

Een door een motor aangedreven zaagmachine (met handmatige toevoer) van minder dan 200 kg, met één enkel zaagblad in de vorm van een doorlopende, op twee of meer geleidewielen gemonteerde band.

5.   Cirkelzaagbank voor gebruik op bouwterreinen

Een zaagmachine, met handmatige toevoer, van minder dan 200 kg, uitgerust met één enkel cirkelvormig zaagblad (maar geen groefzaag) met een diameter van minstens 350 mm tot maximaal 500 mm, dat bij normaal gebruik onbeweeglijk is gemonteerd, en een horizontale tafel, die tijdens het gebruik geheel of gedeeltelijk is vastgezet. Het zaagblad is op een horizontale, niet-kantelbare draaispil gemonteerd, waarvan de instelling tijdens het draaien niet verandert. De machine kan de volgende kenmerken hebben:

— 
mogelijkheid om het zaagblad door een opening in de tafel hoger en lager in te stellen;
— 
het machineframe onder de tafel kan open of ingebouwd zijn;
— 
de zaag kan met een extra handbediende (zich niet naast het zaagblad bevindende) meebewegende zaagtafel zijn uitgerust.

6.   Draagbare kettingzaag

Een door een motor aangedreven werktuig voor het zagen van hout met een zaagketting, bestaande uit een geïntegreerd compact geheel van handgrepen, krachtbron en zaaghulpstuk, ontworpen om met beide handen te worden bediend.

7.   Gecombineerd hogedrukspoelings- en zuigvoertuig

Een voertuig dat als hogedrukspoelinrichting of als zuigvoertuig kan worden gebruikt. Zie hogedrukspoeler, zuigvoertuig.

8.   Verdichtingsmachine

Een machine die materialen, bijvoorbeeld stortsteen, aarde of asfalt, verdicht door middel van een rollende, stampende of vibrerende beweging van het hierop gemonteerde werktuig. Het kan gaan om een zelfrijdende, voortgetrokken of door een bediener begeleide machine of om een werktuig voor een dragende machine. Verdichtingsmachines worden in de volgende categorieën onderverdeeld:

— 
walsen met bestuurder: zelfrijdende verdichtingsmachines met één of meer metalen, cilindervormige walsen of rubberbanden; de zitplaats van de bestuurder vormt een integrerend onderdeel van de machine;
— 
walsen met begeleider: zelfrijdende verdichtingsmachines met één of meer metalen, cilindervormige walsen of rubberbanden waarin de bedieningsorganen (voor het voortbewegen, sturen, remmen en vibreren) op een zodanige wijze zijn aangebracht dat de machine door een begeleider of op afstand moet worden bediend;
— 
aanhangwalsen: verdichtingsmachines met één of meer metalen, cilindervormige walsen of met rubberbanden zonder eigen aandrijvingssysteem, waarvan de bediener op een tractor zit;
— 
trilplaten en trilstampers: verdichtingsmachines met een voornamelijk platte grondplaat welke aan het trillen wordt gebracht; deze machines worden door een begeleidende bediener gehanteerd of zijn als hulpstuk op een dragende machine gemonteerd;
— 
explosiestampers: verdichtingsmachines met hoofdzakelijk een vlakke plaat als verdichtingswerktuig, dat door explosiedruk in overwegend verticale richting beweegt; de machine wordt door een begeleidende bediener gehanteerd.

9.   Motorcompressor

Een machine voor gebruik met wisselbare werktuigen, die gassen of dampen comprimeert tot een hogere druk dan de ingangsdruk. Een motorcompressor omvat de compressor zelf, de aandrijfmotor en eventuele bijgeleverde componenten of toebehoren welke voor het veilig werken met de compressor noodzakelijk zijn.

Uitgezonderd worden:

— 
ventilatoren, dat wil zeggen apparaten die lucht laten circuleren met een positieve druk van niet meer dan 110 000  Pa,
— 
vacuümpompen, dat wil zeggen apparaten voor het verwijderen van de lucht uit een gesloten ruimte met een druk van ten hoogste 1 atm,
— 
gasturbinemotoren.

10.   Betonbreker/trilhamer, met de hand geleid

Een door een krachtbron aangedreven betonbreker/trilhamer voor gebruik bij civieltechnische projecten en op bouwterreinen.

11.   Beton- of mortelmolen

Een machine voor de bereiding van beton en mortel, ongeacht het laad-, meng- en leegprocédé. De machine kan met tussenpozen of constant in gebruik zijn. Is de betonmolen op een truck gemonteerd, dan spreekt men van een truckmixer (zie definitie 55).

12.   Bouwlier

Een door een krachtbron aangedreven, tijdelijk geïnstalleerd hefwerktuig voor het verticaal transporteren van een daaraan opgehangen last.

13.   Transport- en spuitmachine voor beton en mortel

Een installatie voor het pompen en spuiten van beton of mortel, met of zonder roerinrichtingen, waarbij het te transporteren materiaal via buizen, distributievoorzieningen of spuitbomen naar de plaats in kwestie wordt geleid. Het transport geschiedt:

— 
in het geval van beton, mechanisch, met behulp van zuiger- of rotorpompen, en
— 
in het geval van mortel, mechanisch, met behulp van zuiger-, worm-, slang- en rotorpompen of pneumatisch door middel van compressoren met of zonder luchtkamer.

Deze machines kunnen op trucks, aanhangwagens of speciale voertuigen gemonteerd zijn.

14.   Bandtransporteur

Een tijdelijk geïnstalleerde machine voor de verplaatsing van materiaal door middel van een door een motor aangedreven transportband.

15.   Koelinstallatie op voertuigen

Inrichting voor het koelen van de laadruimte op voertuigen van categorie N2, N3, O3 of O4 zoals omschreven in Richtlijn 70/156/EEG. De koelinrichting kan aangedreven worden door een integrerend onderdeel van de koelinrichting, een apart in of op het voertuig aangebracht onderdeel, een aandrijfmotor van het voertuig, een onafhankelijke energiebron of een hulpenergiebron.

16.   Dozer

Een zelfrijdende machine op wielen of rupsbanden die met behulp van gemonteerde uitrustingsstukken een duwende of trekkende kracht uitoefent.

17.   Boorinstallatie

Een machine die gebuikt wordt voor het boren van gaten op bouwterreinen door middel van

— 
slagboren,
— 
roterende boren,
— 
roterende slagboren.

Boorinstallaties zijn tijdens het boren stationair. Zij kunnen zich op eigen kracht verplaatsen. Zelfrijdende boorinstallaties omvatten tevens boorinrichtingen op vrachtauto's, onderstellen met wielen, trekkers, rupsbanden en (door een lier voortgetrokken) glijders. Wanneer een boorinstallatie op een vrachtwagen, trekker of aanhangwagen is gemonteerd, dan wel van wielen is voorzien, mag zij met hogere snelheid en over de openbare weg worden getransporteerd.

18.   Dumper

Een zelfrijdende machine op wielen of rupsbanden met open cabine die materiaal transporteert en stort, dan wel verspreidt. Dumpers kunnen met een geïntegreerde zelfladingsinrichting uitgerust zijn.

19.   Installatie voor het vullen en legen van silo's of tanks op vrachtauto's

Een door een motor aangedreven en op een silotruck of tankwagen gemonteerde inrichting voor het laden of lossen van vloeistoffen of stortgoed door middel van pompen of soortgelijke werktuigen.

20.   Hydraulische graafmachine en kabelgraafmachine

Een zelfrijdende machine op rupsbanden of wielen waarvan de bovenwagen een zwenkbeweging van minimaal 360° kan uitvoeren en die met een aan een giek en arm of telescoopgiek gemonteerde bak materiaal uitgraaft, verplaatst en stort zonder dat de onderwagen tijdens de werkingsfasen van de machine beweegt.

21.   Graaflaadmachine

Een zelfrijdende machine op wielen of rupsbanden die geconstrueerd is voor montage van een laadbakmechanisme aan de voorzijde en een trekschop aan de achterzijde. Wanneer de trekschop in werking is, graaft de machine normaal gesproken beneden het maaiveld, waarbij de schop naar de machine toe beweegt. Met de trekschop wordt materiaal geheven, verplaatst en gelost terwijl de machine stationair is. Wordt de machine als laadschop gebruikt, dan wordt met de laadbak door een voorwaartse beweging van de machine materiaal geladen of uitgegraven en geheven, vervoerd en gelost.

22.   Glasbak

Een container — van ongeacht welk materiaal — die gebruikt wordt voor het verzamelen van flessen. De container is voorzien van ten minste één opening voor het inbrengen van de flessen en een tweede opening voor het legen van de bak.

23.   Egaliseermachine

Een zelfrijdende machine op wielen met een instelbaar, tussen voor- en achteras aangebracht blad, die met een snijdende beweging materiaal verplaatst en verspreidt om, gewoonlijk volgens een bepaalde specificatie, het wegoppervlak te nivelleren en te egaliseren.

24.   Grastrimmer/graskantensnijder

Een door een verbrandingsmotor aangedreven draagbaar, met de hand geleid apparaat met één of meer flexibele snoeren of draden, dan wel met soortgelijke niet van metaal vervaardigde flexibele snijelementen, zoals een niet-metalen roterend snijblad, voor het afsnijden van onkruid, gras of andere zachte vegetatie. Het snijelement draait in een vlak dat bij benadering parallel is met de grond (grastrimmer) of in een vlak dat loodrecht op de grond staat (graskantensnijder).

25.   Heggenschaar

Een met de hand geleid en van een krachtbron voorzien apparaat, bedoeld om door één persoon te worden gebruikt voor het snoeien van heggen en struikgewas, met één of meer zich lineair ten opzichte van elkaar bewegende snijbladen.

26.   Hogedrukspoeler

Een voertuig met een inrichting voor het reinigen van riolen en dergelijke door middel van een hogedrukwaterstraal. De inrichting wordt hetzij op een speciaal aangepast vrachtautochassis gemonteerd hetzij op een eigen onderstel bevestigd. De inrichting kan vast aangebracht zijn of demonteerbaar, zoals in het geval van een systeem met verwisselbare bovenbouw.

27.   Hogedrukwaterstraalmachine

Een machine met straalpijpen of andere snelheidverhogende openingen waardoor water — ook met bijgemengde andere stoffen — als vrije straal kan uitstromen. In het algemeen bestaan hogedrukwaterstraalmachines uit een aandrijving, een drukontwikkelaar, slangen, sproei-inrichtingen, veiligheidsmechanismen, bedieningsorganen en meetapparaten. Hogedrukwaterstraalmachines kunnen mobiel of stationair zijn:

— 
Mobiele hogedrukwaterstraalmachines zijn gemakkelijk verrijdbare machines die bestemd zijn voor gebruik op verschillende plaatsen, waartoe zij in het algemeen met hun eigen onderstel zijn uitgerust of op een voertuig zijn gemonteerd. Alle nodige aanvoerbuizen zijn flexibel en gemakkelijk te ontkoppelen.
— 
Stationaire hogedrukwaterstraalmachines zijn ontworpen om gedurende een bepaalde tijd op één enkele plaats te worden gebruikt, maar kunnen met behulp van geschikt materieel naar een andere plaats worden overgebracht. Zij worden in het algemeen op glijders of een frame gemonteerd en zijn voorzien van ontkoppelbare aanvoerleidingen.

28.   Hydraulische hamer

Een apparaat dat de hydraulische energiebron van de dragende machine gebruikt om een zuiger te versnellen (soms met gasdruk) die vervolgens een werktuig treft. De door de bewegingsenergie gegenereerde drukgolf wordt door het werktuig overgedragen op het materiaal, waardoor het materiaal gebroken wordt. Hydraulische hamers hebben olie onder druk nodig om te kunnen werken. Het geheel van drager en hamer wordt bediend door iemand die gewoonlijk in de cabine van de drager zit.

29.   Hydraulisch aggregaat

Een machine voor gebruik met wisselbare werktuigen die vloeistoffen comprimeert tot een hogere druk dan de inlaatdruk. Het is een samenstel van een primaire krachtbron, een pomp met of zonder reservoir en accessoires (bijvoorbeeld bedieningselementen, overdrukklep).

30.   Voegensnijmachine

Een mobiele machine bestemd voor het aanbrengen van voegen in beton, asfalt en soortgelijke wegoppervlakken. Het snijgereedschap is een met hoge snelheid roterende schijf. De voegensnijmachine kan

— 
met de hand,
— 
met de hand en met behulp van een mechanische inrichting,
— 
met behulp van een aandrijfmotor

in voorwaartse richting worden bewogen.

31.   Vuilnisverdichter van het ladertype met laadbak

Een zelfrijdende verdichtingsmachine met een aan de voorzijde gemonteerde laadbak, met stalen walswielen, voornamelijk ontworpen voor het verdichten, verplaatsen, egaliseren en verladen van aarde en vuilnis.

32.   Grasmaaier

Een door een begeleider bediende of van een bestuurdersplaats voorziene grasmaaimachine, dan wel een machine met één of meer grassnijdende hulpstukken, waarbij het snijelement zich in een vlak beweegt dat bij benadering parallel met de grond is en waarvan de snijhoogte ten opzichte van de grond wordt ingesteld door middel van wielen, een luchtkussen of glijders, enz. en die door een verbrandingsmotor of een elektrische motor wordt aangedreven. De snijgereedschappen zijn

— 
hetzij stijve snijelementen,
— 
hetzj één of meer niet-metalen, roterende draden dan wel één of meer vrij draaiende niet-metalen snijbladen met een kinetische energie van minstens 10 J per blad. De kinetische energie wordt bepaald aan de hand van norm EN 786:1997, bijlage B.

Tevens een door een begeleider bediende of van een bestuurderszitplaats voorziene grasmaaimachine, dan wel een machine met één of meer grassnijdende hulpstukken waarvan de snijelementen rond een horizontale as roteren, waarbij het gras door de onderling tegengestelde beweging van de roterende messen en een vast aangebrachte maai- of snijbalk wordt afgesneden (messenkooimaaier).

33.   Gazontrimmer/graskantensnijder

Een elektrisch aangedreven handgrassnijmachine of een grassnijmachine met begeleidende bediener, voorzien van snijelementen in de vorm van één of meer niet-metalen roterende draden, dan wel één of meer vrij draaiende, niet-metalen snijbladen met een kinetische energie van niet meer dan 10 J per element, bestemd voor het snijden van gras of andere zachte vegetatie. De snijelementen bewegen zich in een vlak dat bij benadering parallel is met de grond (gazontrimmer) of in een vlak dat loodrecht op de grond staat (graskantensnijder). De kinetische energie wordt bepaald aan de hand van norm EN 786:1997, bijlage B.

34.   Bladblazer

Een door een motor aangedreven machine voor het verwijderen van bladeren en ander materiaal van gazons, paden, wegen, straten, enz. door middel van een hogesnelheidsluchtstroom. Deze machine kan draagbaar of niet draagbaar, maar verplaatsbaar zijn.

35.   Bladzuiger

Een door een motor aangedreven machine voor het verzamelen van bladeren en ander materiaal door middel van een zuiginrichting, bestaande uit een energiebron die binnen de machine een vacuüm creëert, en een zuigpijp, alsmede een opvangbak voor het verzamelde materiaal. De machine kan draagbaar of niet draagbaar, maar verplaatsbaar zijn.

36.   Heftruck met verbrandingsmotor en contragewicht

Een door een verbrandingsmotor aangedreven heftruck op wielen met contragewicht en hefinrichting (mast, telescopische of scharnierarm). Er zijn de volgende typen:

— 
terreinheftrucks (van wielen voorziene heftrucks met contragewicht, primair voor het werk op natuurlijk of als gevolg van werkzaamheden oneffen terrein, bijvoorbeeld bouwterreinen),
— 
andere heftrucks met contragewicht; speciaal voor containerwerk geconstrueerde heftrucks met contragewicht zijn uitgesloten.

37.   Lader

Een zelfrijdende machine op wielen of rupsbanden, met aan de voorzijde een bak die een integrerend deel van het voertuig uitmaakt, waarmee, door een voorwaartse beweging van de machine, materiaal geladen of uitgegraven, geheven, vervoerd en gelost wordt.

38.   Mobiele kraan

Een giekkraan die op eigen kracht, in belaste of onbelaste toestand, verrijdbaar is zonder vaste kraanbaan en zijn stabiliteit aan de zwaartekracht ontleent. Voor het verplaatsen wordt gebruikgemaakt van banden, rupsbanden of andere voorzieningen. In vaste opstelling kan de stabiliteit van het geheel door middel van steunbalken of andere voorzieningen worden vergroot. De bovenbouw van een mobiele kraan kan door de volle 360° draaibaar, beperkt draaibaar of niet draaiend zijn. De kraan is normaliter uitgerust met één of meer hijsinrichtingen en/of hydraulische cilinders voor het heffen en neerlaten van giek en last. Mobiele kranen zijn uitgerust met telescopische armen, scharnierarmen, vakwerkarmen — of een combinatie daarvan — van een zodanig ontwerp dat de armen gemakkelijk omlaag kunnen worden bewogen. De lasten worden opgehesen met een takelbloksysteem of andere hijshulpstukken voor speciale doeleinden.

39.   Mobiele afvalcontainer

Een bak met wielen, ontworpen voor de tijdelijke opslag van afval en voorzien van een deksel.

40.   Motorhakfrees

Een zelfrijdende machine, met begeleidende bediener,

— 
met of zonder steunwiel(en), zodanig geconstrueerd dat de machine door de bewegende hakmessen wordt voortbewogen (motorhakfrees),
— 
of voortbewogen door één of meer rechtstreeks door de motor aangedreven wielen en uitgerust met hakmessen (motorhakfrees met aandrijvingswiel(en)).

41.   Bestratingsafwerkmachine

Een mobiele wegenbouwmachine voor het aanbrengen van wegverhardingen, zoals bitumineus mengsel, beton en grint op het wegoppervlak. Bestratingsafwerkmachines kunnen zijn uitgerust met een hoogverdichtingsbalk.

42.   Heimachine

Het materieel voor het indrijven en uittrekken van heipalen, bijvoorbeeld heiblokken, extractiewerktuigen, trilmachines of statische installaties voor het drukken/trekken van heipalen, deel uitmakend van een samenstel van machines en onderdelen voor het indrijven en uittrekken van heipalen dat ook kan omvatten:

— 
de heistelling, bestaande uit de dragende machine (op rupsbanden, wielen of rails, dan wel drijvend), makelaarvoorziening en makelaar of richtsysteem;
— 
hulpwerktuigen, bijvoorbeeld heikappen, heimutsen, platen, volgers, kleminrichtingen, heipaalgrijpers, heipaalgeleiders, geluidsmantels en schok- of trillingsabsorptie-inrichtingen, stroomaggregaten/generatoren en hefinrichtingen of -platforms voor het personeel.

43.   Buizenlegger

Een zelfrijdende machine op rupsbanden of wielen, speciaal ontworpen voor het hanteren en leggen van buizen en het vervoer van het hiertoe benodigde materiaal. De machine, die qua ontwerp op een trekker is gebaseerd, heeft speciaal ontworpen componenten, zoals een onderstel, hoofdframe, contragewicht, giek en hijsmechanisme, alsmede een verticaal draaiende zijboom.

44.   Pistemaker

Een machine op rupsbanden met eigen aandrijving voor het wegduwen of -trekken van sneeuw en ijs door middel van daartoe op de machine aangebrachte werktuigen.

45.   Stroomaggregaat

Een assemblage van een verbrandingsmotor die een roterende elektrische generator aandrijft die zorgt voor een continue aanvoer van elektrisch vermogen.

46.   Veegmachine

Een machine waarmee afval in de richting van een aanzuigopening wordt geveegd, waarna het door middel van een hogesnelheidsluchtstroom of van een mechanisch opraapsysteem in een opvangbak wordt gedeponeerd. De veeg- en opvanginrichting kan op een speciaal vrachtwagenchassis gemonteerd of van een eigen onderstel voorzien zijn. Het materieel kan permanent bevestigd zijn of demonteerbaar, zoals in het geval van een verwisselbare bovenbouw.

47.   Vuilnisauto

Een voertuig, ontworpen voor het ophalen en vervoeren van huisvuil en grof vuil, dat met behulp van containers of met de hand wordt geladen. Het voertuig kan met een verdichtingsmechanisme zijn uitgerust. Een vuilnisauto bestaat uit een chassis met cabine en de op het chassis aangebrachte bovenbouw. Het voertuig kan met een containerhefinrichting worden uitgerust.

48.   Wegenfreesmachine

Een mobiele machine voor het verwijderen van materiaal van bestrate oppervlakken met behulp van een door een motor aangedreven cilindrisch lichaam (freestrommel), waarop freeswerktuigen zijn aangebracht; de freestrommel roteert.

49.   Verticuteermachine

Een door een motor aangedreven machine, met begeleider of bestuurder, voor het openkrabben of -rijten van het gazonoppervlak in tuinen, parken en dergelijke.

50.   Houtversnipperaar/hakselaar

Een door een motor aangedreven machine voor stationair gebruik met één of meer hakwerktuigen voor het fijnhakken van volumineus organisch afval. In het algemeen bestaat deze machine uit een inwerpopening waardoor het materiaal (al dan niet met de hand) wordt ingebracht, een werktuig voor het fijnhakken, snijden, verbrijzelen, enz. van het materiaal en een uitwerpopening waardoor het fijngemaakte materiaal naar buiten komt. Het apparaat kan van een opvangbak worden voorzien.

51.   Sneeuwruiminrichting met roterende werktuigen

Een machine die met behulp van roterende werktuigen de weg vrijmaakt van sneeuw, die door middel van een blaasinrichting wordt uitgeworpen.

52.   Kolkenzuiger

Een voertuig met een inrichting voor het opzuigen van water, modder, slib, afval en dergelijke uit riolen en soortgelijke voorzieningen door middel van een vacuüm. De inrichting wordt hetzij op een speciaal aangepast vrachtautochassis gemonteerd, hetzij op een eigen onderstel bevestigd. De inrichting kan vast aangebracht zijn of demonteerbaar, zoals in het geval van een systeem met verwisselbare bovenbouw.

53.   Torenkraan

Een draaikraan waarvan de giek is bevestigd bovenaan de toren, die in de werkstand bij benadering verticaal blijft. De door een motor aangedreven kraan is uitgerust met een inrichting voor het verticaal verplaatsen van aan de hijskabel hangende lasten en voor het horizontale transport van zulke lasten door rotatie, verandering van de vlucht, of het verrijden van de kraan in zijn geheel. Sommige kranen kunnen een aantal van die bewegingen uitvoeren (maar niet noodzakelijkerwijs alle). De kraan kan vast opgesteld, dan wel verrijdbaar of in de hoogte verplaatsbaar zijn.

54.   Sleuvengraafmachine

Een zelfrijdende machine op rupsbanden of wielen, voorzien van een bestuurderszitplaats of door een begeleider bediend, met een voor- of achteraan gemonteerd of monteerbaar graafmechanisme voor het door de rijbeweging van de machine graven van doorlopende greppels.

55.   Truckmixer

Een voertuig met draaitrommel voor het vervoer van stortklaar beton van de betonmenginstallatie naar het bouwterrein; de trommel kan roteren tijdens het rijden of wanneer het voertuig stilstaat. Het beton wordt door een roterende beweging van de trommel op het bouwterrein gestort. De trommel kan door de aandrijfmotor van het voertuig of door een hulpmotor worden aangedreven.

56.   Waterpomp

Een machine bestaande uit een waterpomp en een aandrijfsysteem. De waterpomp is een machine waarmee water naar een toestand van hogere potentiële energie wordt gebracht.

57.   Lasaggregaat

Een roterende inrichting waarmee een lasstroom wordt opgewekt.

BIJLAGE II EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING




BIJLAGE II

EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING

De EG-verklaring van overeenstemming dient de volgende gegevens te bevatten:

— 
naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde;
— 
naam en adres van de persoon die de technische documentatie bewaart;
— 
beschrijving van het materieel;
— 
gevolgde overeenstemmingsbeoordelingsprocedure en eventueel naam en adres van de betrokken aangemelde instantie;
— 
gemeten geluidsvermogensniveau van een voor dit type materieel representatieve machine;
— 
gewaarborgd geluidsvermogensniveau van dit materieel;
— 
een verwijzing naar deze richtlijn;
— 
de verklaring dat het materieel in overeenstemming is met de voorschriften van deze richtlijn;
— 
indien van toepassing, de verklaring(en) van overeenstemming en verwijzingen naar de andere Gemeenschapsrichtlijnen die zijn toegepast;
— 
plaats en datum van de verklaring;
— 
naam, adres en geboortedatum van de ondertekenaar die gemachtigd is de verklaring voor de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde te ondertekenen.
BIJLAGE III




BIJLAGE III

METHODE TOT METING VAN HET DOOR BUITENSHUIS GEBRUIKT MATERIEEL UITGESTRAALDE LUCHTGELUID

Inleiding

Deze bijlage bevat de methoden voor het meten van luchtgeluid die moeten worden gebruikt om de geluidsvermogensniveaus van materieel voor gebruik buitenshuis te bepalen.

Deel A van deze bijlage bevat de basisnorm voor geluidsemissie en de algemene aanvullingen op de basisnorm voor geluidsemissie voor het meten van het geluidsdrukniveau op een meetoppervlak dat de geluidsbron omhult en om het door die bron geproduceerde geluidsvermogensniveau te berekenen.

Deel B van deze bijlage bevat de uitrustingsspecifieke geluidstestcode die wordt gepresenteerd als verwijzing naar een specifieke norm of als een beschrijving van de toepasselijke test- en werkingsomstandigheden, met inbegrip van:

a) 

de testomgeving;

b) 

de waarde van de milieucorrectie (K2A);

c) 

de vorm en afmetingen van het meetoppervlak;

d) 

aantal en opstelling van de te gebruiken microfoons;

e) 

voorschriften voor de montage en installatie van het materieel;

f) 

een methode ter berekening van de resulterende geluidsvermogensniveaus ingeval verscheidene proeven bij verschillende werkingsomstandigheden moeten worden verricht.

Bij het testen van specifieke typen materieel gebruiken fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de basisnorm voor geluidsemissie en de algemene aanvullingen van deel A van deze bijlage, en de uitrustingsspecifieke geluidstestcode van deel B. Geluidstestcodes in deel B zijn bedoeld om de specificaties van deel A aan te vullen, rekening houdend met de kenmerken van de verschillende materieelcategorieën. Wanneer geluidstestcodes in deel B de mogelijkheid bieden tussen verschillende alternatieve technische oplossingen te kiezen, gebruiken fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie die welke in overeenstemming zijn met de specificaties van deel A. In geval van strijdigheid tussen deel A en deel B hebben de bepalingen van deel B voorrang.

Indien de in deel B of in de in deel B bedoelde normen vastgestelde geluidstestcodes niet van toepassing zouden zijn op bepaalde modellen materieel binnen de materieelcategorie, bepalen fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie het gewaarborgde geluidsvermogensniveau in overeenstemming met de basisnorm voor geluidsemissie en de toepasselijke aanvullingen die in deel A zijn vermeld.

Voor het in artikel 12 bedoelde materieel, waarbij het gebruik van de in deze bijlage of in de vóór 22 mei 2025 toepasselijke versie van bijlage III vastgestelde geluidsmetingsmethoden, zou leiden tot twee verschillende situaties van conformiteit van het product, d.w.z. het met één methode berekende gewaarborgde geluidsvermogensniveau van het materieel overschrijdt het respectieve toelaatbare geluidsvermogensniveau in artikel 12, maar wanneer de andere methode wordt gebruikt, bepalen fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie het gemeten geluidsvermogensniveau en het gewaarborgde geluidsvermogensniveau niet volgens de methoden die zijn vastgelegd in de versie van bijlage III die van toepassing was vóór 22 mei 2025, totdat de toelaatbare geluidsvermogensniveaus in artikel 12 zijn gewijzigd. In die situatie gebruiken aangemelde instanties en markttoezichtautoriteiten ook de methode die is vastgesteld in de versie van bijlage III die van toepassing was vóór 22 mei 2025, om de geluidstests uit te voeren indien vereist in de toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedure.

DEEL A

BASISNORM VOOR GELUIDSEMISSIE

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie gebruiken de basisnorm voor geluidsemissie EN ISO 3744:2010 om het geluidsvermogensniveau LWA te bepalen, behoudens de in dit deel A vastgestelde algemene aanvullingen. Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie passen alle bepalingen van EN ISO 3744:2010 toe, tenzij anders vermeld in dit deel A, of in de toepasselijke geluidstestcode van deel B van deze bijlage.

1.   WERKING VAN DE GELUIDSBRON TIJDENS DE TEST

1.1.    Ventilatorsnelheid

Alle ventilatoren die op de motor van het materieel of het hydraulische systeem daarvan zijn gemonteerd, moeten tijdens de test werken. Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie stellen de ventilatorsnelheid vast overeenkomstig de eisen van de punten a) tot en met d), naargelang het geval, en vermelden die ventilatorsnelheid in het testrapport en gebruiken deze bij verdere metingen. Ventilatoren mogen tijdens de tests niet in de omgekeerde stand werken.

a) 

Ventilatoraandrijving die rechtstreeks verbonden is met de motor of het hydraulische systeem ervan:

Tijdens de test moet een ventilatoraandrijving die rechtstreeks met de motor of de hydraulische uitrusting ervan is verbonden, in werking treden.

b) 

Ventilatormotor met verschillende snelheden:

Een ventilator die met verschillende snelheden kan werken, wordt getest op een van de volgende manieren:

i) 

hetzij bij de maximale bedrijfssnelheid;

ii) 

hetzij in een eerste test met de ventilator in de nulstand en in een tweede test bij maximale snelheid.

Voor de toepassing van punt ii) wordt het resulterende A-gewogen geluidsdrukniveau aan het oppervlak LpA berekend door beide testresultaten te combineren met de volgende formule:

L pA = 10 lg (0,3 × 100,1 LpA,0 % + 0,7 × 100,1 LpA,100 %)

waarbij:

— 
LpA,0 % het bepaalde A-gewogen geluidsdrukniveau aan het oppervlak is met de ventilator in de nulstand;
— 
LpA,100 % het bepaalde A-gewogen geluidsdrukniveau aan het oppervlak is met de ventilator in de hoogste stand.
c) 

Ventilatormotor met continu instelbare toerentallen:

Een ventilator die met continue variabele snelheid kan werken, wordt getest overeenkomstig punt 1.1, b), of met een ventilatorsnelheid die niet minder dan 70 % van de maximumsnelheid bedraagt.

Visco-statische ventilatoren, die automatisch door de motortemperatuur worden geregeld, worden geacht bij continu variabel toerental te werken, ongeacht de oorsprong van de bediening.

d) 

Materieel met meer dan één ventilator:

Indien een machine met meer dan één ventilator is uitgerust, moeten alle ventilatoren draaien onder de in punt a), b) of c) genoemde omstandigheden, naargelang het geval.

1.2.    Beproeving van door een motor aangedreven materieel in onbelaste toestand

Alvorens het geluid te meten dat wordt voortgebracht door aangedreven materieel dat vrij is van belasting, verwarmen de fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de motor en het hydraulische systeem van het materieel overeenkomstig de gebruiksaanwijzing en houden zij zich aan de veiligheidseisen.

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie meten het geluid met het materieel in stilstand, zonder het werktuig of het verplaatsingsmechanisme te bedienen. Voor de meting moet de motor stationair draaien ( 6 ) bij ten minste het nominale toerental dat overeenkomt met het nettovermogen ( 7 ).

Indien de machine op een aggregaat of het elektriciteitsnet wordt aangesloten, dient de door de fabrikant voor de motor opgegeven frequentie van de voedingsspanning bij ± 1 Hz stabiel te zijn in het geval van machines met een inductiemotor, en de voedingsspanning bij ± 1 % van het nominale voltage in het geval van machines met een collectormotor. De voedingsspanning wordt gemeten bij de stekker van een niet verwijderbaar snoer, of aan de contactdoos van de machine indien een verwijderbare kabel wordt bijgeleverd. De golfvorm van de door het aggregaat geleverde spanning en die van de netspanning dienen met elkaar overeen te komen.

Wanneer meerdere spanningsbereiken bij de machine worden geëtiketteerd, verrichten de fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de metingen bij het hoogste gemarkeerde spanningsbereik. Indien het spanningsbereik 220-240 V is, moet de test bij 230 V worden uitgevoerd.

Indien de machine door een of meer batterijen wordt aangedreven, moeten de batterijen tot ten minste 70 % van de capaciteit ervan worden opgeladen.

Het gebruikte nominale toerental en het overeenkomstige nettovermogen worden door de fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie in het testrapport vermeld.

Indien het materieel verschillende motoren heeft, moeten die motoren tijdens de metingen gelijktijdig werken, tenzij dat niet mogelijk is, in welk geval de geluidsemissies van elke mogelijke combinatie van motoren moeten worden gemeten.

1.3.    Beproeving van door een motor aangedreven materieel in belaste toestand

Alvorens het geluid te meten dat wordt voortgebracht door aangedreven materieel onder belasting, verwarmen de fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de motor (de aandrijfinrichting) en het hydraulische systeem van het materieel in overeenstemming met de gebruiksaanwijzing en houden zij zich aan de veiligheidseisen. De fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie mogen tijdens de meting geen signaalinrichting, zoals een hoorn of een achteruitrijalarm, gebruiken.

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie registreren de snelheid of snelheid van het materieel tijdens de meting en vermelden die snelheid of snelheid in het testrapport.

Wanneer het materieel met verschillende motoren of aggregaten is uitgerust, werken die motoren of aggregaten gelijktijdig tijdens de metingen, tenzij dat niet mogelijk is, in welk geval de fabrikanten het geluid van elke mogelijke combinatie van motoren of aggregaten meten.

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie stellen specifieke werkingsomstandigheden vast voor elk type materieel onder belasting. De specifieke werkingsomstandigheden moeten, voor zover mogelijk, soortgelijke effecten en spanningen hebben als die welke zich voordoen bij de feitelijke werkomstandigheden.

1.4.    Beproeven van met de hand geleid materieel

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie stellen conventionele werkingsomstandigheden vast voor elk type met de hand bediend materieel dat soortgelijke effecten en spanningen heeft als die welke onder de werkelijke werkomstandigheden worden toegepast.

2.   BEPALING VAN HET GELUIDSDRUKNIVEAU AAN HET OPPERVLAK

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie bepalen het geluidsdrukniveau aan het oppervlak ten minste driemaal. Indien ten minste twee van de aldus bepaalde waarden onderling niet meer dan 1 dB verschillen, zullen verdere metingen niet nodig zijn. Indien dit niet het geval is, zetten de fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de metingen voort totdat zij twee waarden verkrijgen die niet meer dan 1 dB van elkaar verschillen. Het A-gewogen geluidsdrukniveau aan het oppervlak dat fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie moeten gebruiken om het geluidsvermogensniveau te berekenen, is het rekenkundig gemiddelde van de twee hoogste waarden die niet meer dan 1 dB verschillen.

Indien mogelijk voeren fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie de geluidsmetingen op alle microfoonposities gelijktijdig uit. Dit is met name van belang voor dynamische tests. Wanneer dit niet mogelijk is, zorgen fabrikanten of hun gemachtigden in de Unie er in het bijzonder voor dat stabiele omstandigheden in de testomgeving worden gewaarborgd en dat de risico’s van ongewenste variaties in het door de machine voortgebrachte geluid of door andere factoren, zoals achtergrondgeluid en windsnelheid, tot een minimum worden beperkt.

3.   TE RAPPORTEREN INFORMATIE

Het testrapport, dat vereist is in de technische documentatie als bedoeld in bijlage V, punt 3, bijlage VI, punt 3, bijlage VII, punt 2, en bijlage VIII, punten 3.1 en 3.3, bevat de technische gegevens die nodig zijn om de geteste geluidsbron, de geluidstestcode en de akoestische gegevens die bij de test zijn gebruikt en verkregen, te identificeren.

De te rapporteren waarde van het A-gewogen geluidsvermogensniveau van de geteste geluidsbron wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal (minder dan 0,5: gebruik het lagere gehele getal; groter dan of gelijk aan 0,5: gebruik het hogere gehele getal).

Wanneer fabrikanten of hun gemachtigden in de Unie om de redenen en onder de voorwaarden van de laatste alinea van de inleiding van deze bijlage gebruikmaken van de methoden die zijn vastgesteld in de versie van bijlage III die van toepassing was vóór 22 mei 2025 om het geluidsvermogensniveau te bepalen, registreren fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie in het testverslag de gegevens met betrekking tot de volgens beide methoden uitgevoerde metingen: de methoden die zijn vastgesteld in de versie van bijlage III die van toepassing was vóór 22 mei 2025 en de in deze bijlage vastgestelde methoden.

De relevante nationale autoriteiten en aangemelde instanties aanvaarden modellen van materieel waarvan het eerste artikel in de handel is gebracht of in gebruik is genomen vóór 22 mei 2025, de technische verslagen van geluidsmetingen die zijn uitgevoerd volgens de methoden die zijn vastgesteld in de versie van bijlage III die van toepassing was vóór 22 mei 2025, met het oog op de conformiteitsbeoordeling volgens de in artikel 14, lid 1, van deze richtlijn bedoelde procedures en met het oog op de eisen met betrekking tot de technische documentatie voor dergelijke producten als bedoeld in bijlage V, punt 3, bijlage VI, punt 3, bijlage VII, punt 2, bijlage VIII, punten 3.1 en 3.3, van deze richtlijn tot en met 22 mei 2028.

4.   OMGEVINGSCORRECTIE K2A

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie bepalen de milieucorrectie K2A overeenkomstig EN ISO 3744:2010, deel 4.3.

Indien K2A ≤ 0,5 dB, kan dit worden verwaarloosd.

Indien K2A > 4 dB, voldoet de testomgeving niet aan de eisen van deze richtlijn en moet deze worden gewijzigd.

Fabrikanten of hun gemachtigde vertegenwoordigers in de Unie gebruiken de specificaties voor de milieucorrectie die zijn vastgesteld in de geluidstestcode voor specifiek materieel als bedoeld in deel B van deze bijlage, indien dergelijke specificaties bestaan.

DEEL B

GELUIDSMETINGSVOORSCHRIFTEN PER MATERIEELTYPE

0.   BEPROEVING VAN MATERIEEL BIJ NULLAST

Testoppervlak

Reflecterend oppervlak van beton of niet-poreus asfalt.

Omgevingscorrectie K2A

K2A = 0

Meetoppervlak/Aantal meetpunten/Meetafstand

a) 

Indien de grootste afmeting van het referentieparallellepipedum ten hoogste 8 m bedraagt:

halve bol/zes microfoonposities overeenkomstig EN ISO 3744:2010, bijlage F

b) 

Indien de grootste afmeting van het referentieparallellepipedum meer dan 8 m bedraagt: parallellepipedum volgens ISO 3744:2010 met meetafstand

d = 1 m

Beproeving in onbelaste toestand

De geluidsproeven worden uitgevoerd overeenkomstig deel A, punt 1.2, van deze bijlage.

Waarnemingstijd(en)/Bepaling van het resulterende geluidsvermogensniveau bij verschillende werkingsomstandigheden

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s of ten minste drie bedrijfscycli van de machine.

1.   HOOGWERKER MET VERBRANDINGSMOTOR

EN 280-1:2022, punt 4.12.2

2.   BOSMAAIERS

EN ISO 22868:2021

3.   BOUWLIFTEN VOOR GOEDERENTRANSPORT

Zie punt 0.

Het geometrische middelpunt van de machine wordt boven het middelpunt van de halve bol geplaatst. De lift werkt in onbelaste toestand en verlaat de halve bol — zo nodig — in de richting van punt 1.

4.   LINTZAAGMACHINES VOOR GEBRUIK OP BOUWTERREINEN

EN ISO 19085-16:2021, punt 6.2.2

De meetmethode van deze norm, gebaseerd op EN ISO 3744:2010, wordt toegepast.

5.   CIRKELZAAGBANKEN VOOR GEBRUIK OP BOUWTERREINEN

Meetoppervlak/Aantal meetpunten/Meetafstand

ISO 7960:1995, bijlage A, meetafstand d = 1 m

Test in belaste toestand

ISO 7960:1995, bijlage A (alleen punt A2b)

Waarnemingstijd

ISO 7960:1995, bijlage A

6.   KETTINGZAGEN, DRAAGBARE

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN ISO 22868:2021

b)    Materieel werkend met elektromotor

EN 62841-4-1:2020, bijlage I

7.   GECOMBINEERDE HOGEDRUKSPOELINGSVOERTUIGEN EN KOLKENZUIGERS

Indien beide inrichtingen gelijktijdig kunnen worden bediend, moeten zij worden gebruikt overeenkomstig de punten 26 en 52 van dit deel B. Zo niet, moeten de geluidsemissies van beide voorzieningen afzonderlijk worden gemeten en moeten de hoogste waarden worden aangehouden.

8.   VERDICHTINGSMACHINES

a)    Trillingsplaten en trillingsrammers

EN 500-4: 2011, punt 5.10.1

b)    Rollen

EN 474-13:2022, punt 4.6

9.   COMPRESSOREN

EN ISO 2151:2008

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

10.   BETONBREKERS/TRILHAMERS, MET DE HAND GELEID

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

Meetoppervlak/Aantal meetpunten/Meetafstand

Halve bol/zes microfoonposities overeenkomstig EN ISO 3744:2010, bijlage F en onderstaande tabel, afhankelijk van de massa van het materieel zoals aangegeven in onderstaande tabel:



Massa m van het materieel (in kg)

Straal halve bol

z voor de microfoonposities 2, 4, 6 en 8

M < 10

m ≥ 10

2 m

4 m

0,75 m

1,50 m

Opstelling van het materieel

Alle machines worden in de verticale stand getest.

Indien de testmachine een luchtuitlaat heeft, moet de as daarvan zich op gelijke afstand van twee meetpunten bevinden. Het geluid van de krachtbron mag niet van invloed zijn op de meting van het geluid van de testmachine.

Ondersteuning van de testmachine

Gedurende de proef wordt de machine gekoppeld aan een houder die verankerd is in een kubusvormig betonblok. Dit is geplaatst in een in de grond verzonken betonnen schacht.

Een stalen tussenstuk kan gedurende de proef tussen de testmachine en de houder worden ingebracht. Dat tussenstuk moet een vaste verbinding tussen de machine en de houder vormen. Deze eisen zijn opgenomen in figuur 10.1.

Beschrijving van het blok

Het betonblok is een zo regelmatig mogelijke kubus van gewapend beton met een ribbe van 0,60 m ± 2 mm. Het blok krijgt een grondige trilbehandeling in lagen van maximaal 0,20 m, teneinde buitensporige sedimentatie te voorkomen.

Kwaliteit van het beton

De betonkwaliteit moet overeenkomen met C 50/60 van EN 206:2013+A2:2021.

De kubus is gewapend met stalen staven van 8 mm diameter zonder verbindingsstukken, zodat alle staven onafhankelijk van elkaar in het beton zijn ingebed; het ontwerp is geïllustreerd in figuur 10.2.

Ondersteunend werktuig

Het werktuig wordt in het blok vastgezet en bestaat uit een stamper met een doorsnee van tussen 178 mm en 220 mm, alsmede een werktuighouder die identiek is aan die welke normaliter met de geteste machine wordt gebruikt en die voldoet aan ISO 1180:1983/1:1985, maar lang genoeg is voor het verrichten van de meting.

De twee componenten worden op een geschikte wijze met elkaar verbonden. Het werktuig wordt zo in het blok vastgezet dat de onderkant van de stamper 0,30 m van de bovenzijde van de kubus verwijderd is (zie Figuur 10.2).

Het blok moet mechanisch gezien een hecht geheel blijven vormen, vooral op het punt waar het werktuig met het beton verbonden is. Voor en na iedere test moet worden nagegaan of het werktuig nog vast in het betonblok verankerd is.

Plaatsing van de kubus

De kubus wordt in een geheel met beton beklede schacht geplaatst en afgedekt door een afdekplaat van ten minste 100 kg/m2, zoals aangegeven in figuur 10.3, op een zodanige wijze dat de bovenkant van de afschermplaat net niet boven het grondoppervlak uitsteekt. Om eventueel parasitair geluid te voorkomen, worden tussen de onderkant van het blok en de bodem van de schacht en tussen het blok en de zijwanden van de schacht elastische blokken aangebracht, waarvan de grensfrequentie niet meer bedraagt dan de in slagen per seconde uitgedrukte slagfrequentie van de testmachine.

De in de afdekplaat aangebrachte opening voor de werktuighoudercomponent moet zo klein mogelijk worden gehouden en met een flexibele geluiddichte ring worden afgedicht.

Test in belaste toestand

De machine wordt aan het in het betonblok vastgezette werktuig gekoppeld.

De testmachine wordt in bedrijf gesteld in stabiele omstandigheden, met dezelfde akoestische stabiliteit als die waarvan bij normaal gebruik sprake is.

De machine wordt beproefd bij het machinale toerental dat is opgegeven in de aan de koper verstrekte handleiding.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

Figuur 10.1

Schema van het tussenstuk

image

Figuur 10.2

Testblok

image

Figuur 10.3

Proefopstelling

image

De waarde van A wordt zo gekozen dat de op de elastische voeg J rustende afdekplaat net niet boven het grondoppervlak uitkomt.

b)    Materieel werkend met elektromotor

EN IEC 62841-2-6:2020, EN IEC 62841-2-6:2020/A11:2020, bijlage I, punt I.2

c)    Pneumatisch of hydraulisch materieel

Hetzelfde als door een verbrandingsmotor aangedreven materieel.

11.   BETONMOLENS EN MACHINES VOOR HET AANMAKEN VAN MORTEL

Test in belaste toestand

De menginrichting (trommel) wordt tot de nominale capaciteit gevuld met zand van korrelgrootte 0-3 mm, waarvan de vochtigheid 4-10 % bedraagt.

De menginrichting moet ten minste met de nominale snelheid draaien.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

12.   BOUWLIEREN

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

Zie punt 0.

Het geometrische middelpunt van de machine wordt boven het middelpunt van de halve bol geplaatst; de lier wordt vastgemaakt maar niet belast.

b)    Materieel werkend met elektromotor

EN 14492-2:2019 bijlage M

13.   TRANSPORT- EN SPUITMACHINES VOOR BETON EN MORTEL

ISO 12001:2012, bijlage C

14.   LOPENDE BANDEN

Zie punt 0.

Het geometrische middelpunt van de machine wordt boven het middelpunt van de halve bol geplaatst; de band loopt in onbelaste toestand en verlaat de halve bol — zo nodig — in de richting van punt 1.

15.   KOELINSTALLATIE OP VOERTUIGEN

Test in belaste toestand

Het koelmaterieel wordt geïnstalleerd in een echte of gesimuleerde laadruimte en het geluidsniveau wordt gemeten in een stationaire positie waar, volgens de aan de koper verstrekte instructies, de hoogte van het koelmaterieel representatief is voor de beoogde installatievoorschriften. De energiebron van de koelinstallatie moet zodanig werken dat de maximumsnelheid van de koelcompressor en de ventilator, vermeld in de handleiding, wordt bereikt. Indien het de bedoeling is dat de koelinstallatie aangedreven wordt door de aandrijfmotor van het voertuig, mag de motor tijdens de test niet worden gebruikt en moet de koelinstallatie aangesloten worden op een geschikte stroombron. Afkoppelbare trekkereenheden worden tijdens de test verwijderd.

Het geluidsniveau van koelinstallaties in laadruimtekoelinrichtingen met verschillende energiebronnen worden voor iedere energiebron apart getest. In het testrapport wordt in ieder geval de hoogste geluidsemissiewaarde vermeld met de werkingswijze waarbij die is gemeten.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

16.   DOZERS

ISO 6395:2008 met de in bijlage C bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

17.   BOORINSTALLATIES

a)    Mobiele boorplatformen

EN 16228-2:2014+A1:2021, punt 5.12

b)    Horizontaal gestuurde boormachines

EN 16228-3:2014+A1:2021, punt 5.15

c)    Verwisselbare hulptoestellen voor het boren

EN 16228-7:2014+A1:2021, punt 5.3

d)    Alle andere boortoestellen

EN 16228-1:2014+A1:2021, punt 5.27.2.2

18.   DUMPERS

ISO 6395:2008 met de in bijlage F bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

19.   INSTALLATIES VOOR HET VULLEN EN LEGEN VAN SILO’S OF TANKS OP VRACHTAUTO’S

Zie nr. 9 voor compressoren of vacuümpompen.

Zie nr. 56 voor vloeistofpompen.

20.   GRAAFMACHINES

ISO 6395:2008 met de in bijlage B bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

21.   GRAAFLAADMACHINES

ISO 6395:2008 met de in bijlage E bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

22.   GLASBAKKEN

Voor deze geluidsbeproevingsprocedure wordt het over de tijd geïntegreerde geluidsdrukniveau voor een eenmalige gebeurtenis LE zoals gedefinieerd in EN ISO 3744:2010, punt 3.4, gebruikt voor het meten van het geluidsdrukniveau aan de meetpunten.

Omgevingscorrectie K2A

Meting in de buitenlucht

K2A = 0

Meting binnen

De waarde van de volgens EN ISO 3744:2010, bijlage A, bepaalde constante K2A moet ≤ 2,0 dB zijn, in welk geval K2A buiten beschouwing wordt gelaten.

Werkingsomstandigheden tijdens de test

De meting van de geluidsemissie gebeurt voor een volledige cyclus die begint met een lege container en die is voltooid wanneer 120 glazen flessen in de container zijn gegooid.

De glazen flessen voldoen aan de volgende criteria:

— 
inhoud: 75 cl;
— 
massa: 370 ± 30 g.

De testoperator houdt elke glazen fles met hals en met de bodem in de richting van de vulopening en duwen ze vervolgens voorzichtig door de vulopening in de richting van het midden van de tank, waarbij zo mogelijk wordt vermeden dat de fles de wanden raakt. Voor het gooien van de flessen mag slechts één vulopening worden gebruikt: de dichtstbijzijnde bij microfoonpositie 12.

Waarnemingstijd(en)/Bepaling van het resulterende geluidsvermogensniveau bij verschillende werkingsomstandigheden

Het A-gewogen over de tijd geïntegreerde geluidsdrukniveau voor een eenmalige gebeurtenis wordt bij voorkeur tegelijkertijd aan de zes meetpunten gemeten voor elke glazen fles die in de bak wordt gegooid.

Het A-gewogen over de tijd geïntegreerde geluidsvermogensniveau voor één gebeurtenis, gemiddeld over het meetoppervlak, wordt berekend overeenkomstig EN ISO 3744:2010, punt 8.2.2.

Het gemiddelde over de tijd geïntegreerde A-gewogen geluidsdrukniveau voor een eenmalige gebeurtenis voor alle 120 in de bak gegooide glazen flessen wordt berekend als het logaritmisch gemiddelde van de over het meetoppervlak gemiddelde A-gewogen over de tijd geïntegreerde geluidsdrukniveaus voor een eenmalige gebeurtenis.

23.   EGALISEERMACHINES

ISO 6395:2008 met de in bijlage G bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

24.   GRASTRIMMERS/GRASKANTENSNIJDERS

Zie punt 2.

25.   HEGGENSCHAREN

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN ISO 22868:2021;

b)    Materieel werkend met elektromotor

EN IEC 62841-4-2:2019, bijlage I, punt I.2

26.   HOGEDRUKSPOELERS

Test in belaste toestand

De hogedrukspoeler wordt in stationaire toestand getest. Motor en hulpinrichtingen draaien met de door de fabrikant opgegeven snelheid. De hogedrukpompen moeten in werking worden gesteld bij de door de fabrikant opgegeven maximumsnelheid en werkingsdruk. Met een geschikte straalpijp wordt verzekerd dat de reduceerklep steeds net niet in werking treedt. Het geluid van het door de straalpijp stromende water mag geen invloed op de meetresultaten hebben.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 30 s.

27.   HOGEDRUKWATERSTRAALMACHINES

a)    Materieel met een druk ≤ 35 MPa

EN 60335-2-79:2012, bijlage CC

b)    Materieel met een druk > 35 MPa

EN 1829-1:2010, punt 6.8

28.   HYDRAULISCHE HAMERS

Meetoppervlak/Aantal meetpunten/Meetafstand

Halve bol/zes microfoonposities overeenkomstig EN ISO 3744:2010, bijlage F/r = 10 m

Opstelling van het materieel

Voor de test wordt de hamer bevestigd aan een drager en er wordt een speciale proefblokconstructie gebruikt. Figuur 28.1 geeft een beeld van die constructie en figuur 28.2 toont de plaatsing van de drager.

Drager

De drager voor de geteste hamer moet beantwoorden aan de eisen die in de technische specificatie van de geteste hamer worden gesteld, in het bijzonder wat gewicht, afgegeven hydraulisch vermogen, olietoevoer en tegendruk van de retourleiding betreft.

Bevestiging

De bevestiging en de verbindingen (slangen, buizen enz.) moeten beantwoorden aan de specificaties in de technische gegevens van de hamer. Ieder significant geluid van buizen en diverse mechanische onderdelen die voor de installatie nodig zijn, moet worden geëlimineerd. Alle aansluitingen van de onderdelen moeten goed worden vastgezet.

Stabiliteit van de hamer en statische houdkracht

De hamer moet goed neergehouden worden door de drager om dezelfde stabiliteit te bereiken als onder normale werkingsomstandigheden. De hamer moet verticaal worden gehanteerd.

Werktuig

Bij de metingen wordt een stomp werktuig gebruikt. De lengte van het werktuig moet beantwoorden aan de voorschriften in Figuur 28.1 (proefblok).

Test in belaste toestand

Hydraulisch ingangsvermogen en oliestroom

De werkingsomstandigheden van de hydraulische hamer worden naar behoren afgesteld, gemeten en geregistreerd, samen met de waarden van de bijbehorende technische specificaties. De geteste hamer moet zodanig gebruikt worden dat 90 % of meer van het maximale hydraulische ingangsvermogen en oliedebiet van de hamer bereikt kan worden.

Er moet op worden gelet dat de totale onzekerheid van de meetkettingen van ps en Q binnen ± 5 % blijft om de bepaling van het hydraulische ingangsvermogen met een nauwkeurigheid van ± 10 % te waarborgen. Uitgaande van een lineaire correlatie tussen het hydraulische ingangsvermogen en het afgegeven geluidsvermogen zou dat een variatie van minder dan ± 0,4 dB bij de bepaling van het geluidsvermogensniveau betekenen.

Verstelbare onderdelen die van invloed zijn op het vermogen van de hamer

De instelling van alle accumulatoren, reduceerkleppen en eventuele andere regelbare onderdelen moet beantwoorden aan de waarden in de technische gegevens. Indien gekozen kan worden tussen meer dan één vaste slagsnelheid, worden met alle instellingen metingen verricht. De minimumwaarde en de maximumwaarde moeten worden geregistreerd.

Te meten grootheden

ps  Gemiddelde waarde van de druk in de hydraulische toevoerleiding tijdens de werking van de hamer gedurende ten minste tien slagen.

Q Gemiddelde waarde van de olietoevoer in de inlaat van de breker, tegelijk met ps gemeten.

T De olietemperatuur moet tijdens de metingen tussen +40 en +60 °C liggen. De temperatuur van de behuizing van de hydraulische breker moet voor het begin van de metingen op de normale werkingstemperatuur gestabiliseerd zijn.

Pa  De gasdruk aan de voorzijde van alle accumulatoren moet worden gemeten in een statische situatie (de onderbreker werkt niet) bij een stabiele omgevingstemperatuur van +15-25 °C. De gemeten omgevingstemperatuur moet worden geregistreerd met de gemeten gasdruk vooraf van de accumulator.

Parameters die geschat worden aan de hand van de gemeten werkingsparameters

Hydraulisch ingangsvermogen van de breker: PIN = ps Q

Meting van de druk in de hydraulische toevoerleiding ps:

— 
ps moet zo dicht mogelijk bij de inlaat van de breker gemeten worden;
— 
ps wordt gemeten met een manometer (minimale diameter: 100 mm; nauwkeurigheidsklasse: ± 1,0 % FSO).

Olieverplaatsing bij de inlaat van de breker, Q:

— 
Q moet zo dicht mogelijk bij de inlaat van de breker aan de toevoerdrukleiding worden gemeten;
— 
Q moet gemeten worden met een elektrische debietmeter (nauwkeurigheidsklasse: ± 2,5 % van de debietaanwijzing).

Meetpunt van de olietemperatuur T:

— 
T moet gemeten worden aan de olietank van de drager of aan de hydraulische leiding die met de hamer is verbonden. Het meetpunt wordt in het rapport vermeld;
— 
de gemeten temperatuur moet tot op ± 2 °C nauwkeurig zijn.

Waarnemingstijd/Bepaling van het resulterende geluidsvermogensniveau

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

De metingen worden drie keer herhaald, zo nodig vaker. De einduitkomst wordt berekend door het rekenkundig gemiddelde te nemen van de twee hoogste waarden die niet meer dan 1 dB van elkaar verschillen.

Figuur 28.1

image

Figuur 28.2

image

Definities

d  Diameter werktuig (mm)

d1  Diameter stootblok, 1 200  ± 100 mm

d2  Binnendiameter van de ondersteuning van het stootblok, ≤ 1 800  mm

d3  Diameter van de afdekking van het testblok, ≤ 2 200  mm

d4  Diameter van de werktuigopening in de afdekking, ≤ 350 mm

d5  Diameter van de afdichting van het werktuig, ≤ 1 000  mm

h1  Zichtbare lengte van het werktuig tussen het laagste deel van de behuizing en het bovenoppervlak van de werktuigafdichting (mm), h1 = d ± d/2

h2  Dikte van de werktuigafdichting boven de afdekking, ≤ 20 mm (indien de werktuigafdichting beneden de afdekking ligt, is er geen limiet voor de dikte; zij mag van schuimrubber zijn gemaakt)

h3  Afstand tussen het bovenoppervlak van de afdekking en het bovenoppervlak van het stootblok, 250 ± 50 mm

h4  Dikte van de isolerende schuimrubberafdekking, ≤ 30 mm

h5  Dikte van het stootblok, 350 ± 50 mm

h6  Indringdiepte van het werktuig, ≤ 50 mm

Indien voor de proefblokconstructie een vierkante vorm wordt gebruikt, is de grootste lengte gelijk aan 0,89 × de bijbehorende diameter.

De lege ruimte tussen de afdekking en het stootblok kan gevuld worden met elastische schuimrubber of een ander absorberend materiaal, dichtheid < 220 kg/m3.

29.   HYDRAULISCHE GENERATOREN

Opstelling van het materieel

Het hydraulische aggregaat wordt op het reflecterende oppervlak geïnstalleerd; hydraulische aggregaten op glijders worden op een ondersteunende constructie van 0,40 m hoog geplaatst, tenzij anders aangegeven in de installatie-instructies van de fabrikant.

Test in belaste toestand

Tijdens de proef worden er geen werktuigen op het hydraulische aggregaat aangesloten.

Het hydraulische aggregaat wordt in de stationaire toestand gebracht, binnen het door de fabrikant opgegeven bereik. Het aggregaat draait met het nominale toerental en bij de nominale druk. Het nominale toerental en de nominale druk worden in de aan de koper verstrekte handleiding genoemd.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

30.   VOEGENSNIJMACHINES

a)    Vloerzaagmachines met meelopende bestuurder

EN 13862:2021, punt 4.10.2

b)    Draagbaar handgereedschap aangedreven door een verbrandingsmotor, gemonteerd op een mobiele steun, voor gebruik als vloerzagen

EN ISO 19432-1:2020, punt 4.19.2

c)    Andere voegensnijmachines

Test in belaste toestand

De voegensnijmachine wordt met het grootst mogelijke, door de fabrikant in de handleiding genoemde snijelement uitgerust. De motor draait met het maximumtoerental, met het snijelement in de stationaire toestand.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

31.   VUILNISVERDICHTERS VAN HET LADERTYPE MET LAADBAK

ISO 6395:2008 met de in bijlage H bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

32.   GRASMAAIERS

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven roterende en cilindergrasmaaiers

EN ISO 5395-1:2013, EN ISO 5395-1:2013/A1:2018, punt 4.3, tweede streepje

Omgevingscorrectie K2A

Indien K2A ≤ 0,5 dB, kan dit worden verwaarloosd.

b)    Roterende en cilindergrasmaaiers met elektrische aandrijving en met erop staande, erop zittende of meelopende bestuurder

EN IEC 62841-4-3:2021, EN IEC 62841-4-3:2021/A11:2021, bijlage I, punt I.2

33.   GRASTRIMMERS/GRASKANTENSNIJDERS

EN 50636-2-91:2014, bijlage CC

34.   BLADBLAZERS

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN ISO 22868:2021

b)    Materieel met elektrische aandrijving

EN 50636-2-100:2014, bijlage CC

35.   BLADZUIGERS

Zie punt 34.

36.   HEFTRUCKS

EN 12053:2001+A1:2008

37.   LAADTOESTELLEN

ISO 6395:2008 met de in bijlage D bij die norm beschreven werkings- en testomstandigheden.

38.   MOBIELE KRANEN

EN 13000:2010+A1:2014, punt 5.3

39.   MOBIELE AFVALCONTAINERS

Testoppervlak

— 
Reflecterend oppervlak van beton of niet-poreus asfalt
— 
Laboratoriumruimte met een vrije zone boven een reflecterend oppervlak

Omgevingscorrectie K2A

Meting in de buitenlucht:

K2A = 0

Meting binnen:

De waarde van de volgens EN ISO 3744:2010, bijlage A, bepaalde constante K2A moet ≤ 2,0 dB zijn, in welk geval K2A buiten beschouwing wordt gelaten.

Meetoppervlak/Aantal meetpunten/Meetafstand

Halve bol/zes microfoonposities overeenkomstig EN ISO 3744:2010, bijlage F/r = 3 m

Werkingsomstandigheden tijdens de test

Alle metingen worden verricht met een lege bak.

Test 1: Ongehinderde sluiting van het deksel op de bak

Om zijn invloed op de metingen tot een minimum te beperken, moet de bediener aan de achterkant van de bak (de kant van de scharnieren) staan. Het deksel wordt in het midden losgelaten om te voorkomen dat het scheef valt.

De meting wordt verricht in de volgende cyclus, die twintigmaal wordt herhaald:

— 
eerst wordt het deksel verticaal opgetild;
— 
het deksel wordt naar voren losgelaten, zo mogelijk zonder duw, waarbij de bediener aan de achterkant van de bak stil blijft staan totdat het deksel gesloten is;
— 
nadat de bak gesloten is, wordt het deksel weer tot de oorspronkelijke stand opgetild.

Opmerking: Indien nodig kan de bediener tijdelijk overstappen om het deksel op te trekken.

Test 2: Geheel openen van het deksel

Om zijn invloed op de metingen tot een minimum te beperken, moet de bediener bij containers op vier wielen aan de achterkant van de bak (kant van de scharnieren) en bij containers op twee wielen aan de rechterzijde van de bak (tussen meetpunt 10 en meetpunt 12) staan. Het deksel wordt in het midden of zo dicht mogelijk bij het midden losgelaten.

Om te voorkomen dat de container beweegt, moeten de wielen tijdens de proef geblokkeerd zijn. Bij containers op twee wielen kan de bediener zijn hand op de bovenrand plaatsen om te voorkomen dat de container opspringt.

De meting wordt verricht tijdens de volgende cyclus:

— 
in eerste instantie wordt het deksel horizontaal geopend;
— 
het deksel wordt losgelaten zonder een impuls te geven;
— 
na het volledig openen en voor een eventueel terugveren wordt het deksel weer in de eerste stand gebracht.

Test 3: Rollen van de container over een kunstmatige, onregelmatige proefbaan

Voor deze proef wordt gebruikgemaakt van een kunstmatige proefbaan die een onregelmatig oppervlak simuleert. De proefbaan bestaat uit twee evenwijdige stalen stroken met mazen (6 m lang en 400 mm breed), die ongeveer om de 20 cm in het reflecterende vlak zijn bevestigd. De afstand tussen de twee stroken wordt naargelang van het soort afvalbak zo gekozen, dat de wielen er over de gehele lengte van de proefbaan over rollen. De wijze van montage moet een plat oppervlak waarborgen. Zo nodig wordt de baan met veerkrachtig materiaal op de bodem bevestigd om de emissie van parasietgeluid te voorkomen.

Opmerking: Iedere strook kan bestaan uit verscheidene elementen van 400 mm breed die met elkaar verbonden zijn.

De figuren 39.1 en 39.2 geven een voorbeeld van een geschikte proefbaan. De bediener moet zich aan de kant van het deksel bevinden.

De meting wordt verricht, terwijl de bediener de container met een constante snelheid van ongeveer 1 m/s over de proefbaan trekt tussen punt A en punt B (een afstand van 4,24 m — zie Figuur 39.3), wanneer de wielas bij een container op twee wielen, of de eerste wielas bij een container op vier wielen, punt A of punt B bereikt. Deze procedure wordt driemaal herhaald in elke richting.

Bij een container op twee wielen moet de hoek tussen de bak en de proefbaan tijdens de proef 45° zijn. Bij een container op vier wielen moet de bediener ervoor zorgen dat alle wielen voldoende contact maken met de proefbaan.

Waarnemingstijd(en)/Bepaling van het resulterende geluidsvermogensniveau bij verschillende werkingsomstandigheden

Testen 1 en 2: Ongehinderde sluiting van het deksel op de bak en geheel openen van het deksel

Indien mogelijk worden de metingen tegelijkertijd op de zes meetpunten verricht. Anders worden de aan elk meetpunt gemeten geluidsniveaus in opklimmende orde gerangschikt en worden de geluidsvermogensniveaus berekend door de waarden aan elk meetpunt te koppelen naargelang van de rij.

Het A-gewogen over de tijd geïntegreerde geluidsdrukniveau wordt voor elk van de twintig sluitingen en de twintig openingen van het deksel op ieder meetpunt gemeten. De geluidsvermogensniveaus LWAsluiten en LWAopenen worden berekend uit het kwadratische gemiddelde van de vijf hoogste gemeten waarden.

Test 3: Rollen van de container over een kunstmatige, onregelmatige proefbaan

De waarnemingstijd T is gelijk aan de tijd die nodig is om de afstand tussen punt A en punt B op de proefbaan af te leggen.

Het geluidsvermogensniveau LWArollen is gelijk aan het gemiddelde van zes waarden die minder dan 2 dB verschillen. Indien na zes metingen niet aan dit criterium is voldaan, wordt de cyclus, zo vaak als nodig is, herhaald.

Het resulterende geluidsvermogensniveau wordt als volgt berekend:

LWA = 10 log 1/3 (100,1 LWAsluiten + 100,1 LWAopenen + 100,1 LWArollen)

Figuur 39.1

Schema van de proefbaan

image

Figuur 39.2

Schema van de constructie en de montage van de proefbaan

image

Figuur 39.3

Meetafstand

image

40.   MOTORHAKFREZEN

Zie punt 32.

Gedurende de meting wordt het werktuig afgekoppeld of verwijderd.

41.   BESTRATINGSAFWERKMACHINES

EN 500-6:2006+A1:2008, punt 5.17

42.   HEIMACHINE

a)    Funderingsmachines

EN 16228-4:2014+A1:2021, punt 5.8

b)    Verwisselbare hulpuitrusting voor heien

EN 16228-7:2014+A1:2021, punt 5.3

c)    Alle andere uitrusting voor heiwerkzaamheden

EN 16228-1:2014+A1:2021, punt 5.27.2.2

43.   BUIZENLEGGERS

ISO 6393:2008

44.   PISTEMAKERS

ISO 6393:2008, met dezelfde procedures en werkingsomstandigheden als beschreven voor tractordozers. Het testoppervlak is het harde reflecterende vlak (5.3.2 in ISO 6393:2008).

45.   STROOMAGGREGATEN

EN ISO 8528-10:2022

De meetmethode van deze norm, gebaseerd op EN ISO 3744:2010, wordt toegepast.

46.   VEEGMACHINES

a)    Straatveegmachines

EN 17106-2:2021, punt 4.3

b)    Andere elektrische veegmachines voor gebruik buitenshuis

EN 60335-2-72:2012, bijlage DD

47.   VUILNISWAGENS

EN 1501-4:2023

48.   WEGENFREESMACHINES

EN 500-2:2006+A1:2008, punt 5.17

49.   CULTIVATORS

a)    Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN 13684:2018, punt 5.16.2

b)    Materieel met elektrische aandrijving

EN IEC 62841-4-7:2022, EN IEC 62841-4-7:2022/A11:2022, bijlage I, punt I.2

50.   HOUTVERSNIPPERAARS/HAKSELAARS

a)    Met de hand gevoede houtversnipperaars/hakselaars voor in de tuin

i) 

Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN 13683:2003+A2:2011, punt 5.10.2

EN 13683:2003+A2:2011/AC:2013

ii) 

Materieel met elektrische aandrijving

EN 50434:2014, punt 20.107.2

b)    Horizontaal met de hand gevoede houthakselaars voor in de bosbouw

EN 13525:2020, punt 5.5

c)    Verticaal met de hand gevoelde houthakselaars voor in de bosbouw, (verticaal en horizontaal) mechanisch gevoede houthakselaars en andere houtversnipperaars/hakselaars

Test in belaste toestand

Voor de proef worden een of meer stukken hout in de houtversnipperaar/hakselaar fijngemaakt.

De werkingscyclus bestaat uit het verspanen van een rond, aan één kant spits toelopend stuk hout (droog grenen of multiplex) van ten minste 1,5 m lang en een diameter die ongeveer gelijk is aan de grootste dikte waarop de houtversnipperaar/hakselaar volgens de handleiding berekend is.

Waarnemingstijd/Bepaling van het resulterende geluidsvermogensniveau

De waarnemingstijd eindigt wanneer er in de hakselzone geen materiaal meer aanwezig is, maar mag niet langer zijn dan 20 s. Als beide werkingsomstandigheden mogelijk zijn, moet het hoogste geluidsvermogensniveau worden weerhouden.

51.   SNEEUWRUIMINRICHTING MET ROTERENDE WERKTUIGEN

a)    Machines voor het ruimen van sneeuw op de weg

EN 17106-3-1:2021, punt 4.2

b)    Sneeuwblazers met meelopende bestuurder en sneeuwblazers met erop zittende bestuurder

i) 

Door een verbrandingsmotor aangedreven materieel

EN ISO 8437-4:2021, bijlage A

ii) 

Materieel werkend met elektromotor

De machine moet voor het begin van de test gedurende tien minuten op het maximumtoerental in onbelaste toestand worden bediend. De opvang- of waaierinrichtingen moeten worden gesmeerd volgens de instructies van de fabrikant.

Tijdens de test moet de opvangbak of waaier worden ingeschakeld en gelost. De test wordt in stilstand uitgevoerd bij de maximumsnelheid in onbelaste toestand.

Machines worden gemeten door ze zodanig op het oppervlak te plaatsen dat de projectie van het geometrische middelpunt van hun hoofddelen (met uitzondering van handgrepen enz.) samenvalt met de basis van het coördinatensysteem van de microfoonposities. Indien een kunstmatig oppervlak wordt gebruikt, moet het zodanig worden geplaatst dat het geometrische middelpunt ervan ook samenvalt met de basis van het coördinatensysteem van de microfoonposities. De lengteas van de machine bevindt zich op de X-as. De meting wordt uitgevoerd zonder bediener.

Tijdens de metingen moet de machine onder stabiele omstandigheden werken. Zodra de geluidsemissie constant is, bedraagt het meettijdinterval ten minste 15 s. Indien metingen worden verricht in octaaf- of eenderdeoctaaffrequentiebanden, bedraagt de waarnemingstijd ten minste 30 s voor de frequentiebanden gecentreerd op of lager dan 160 Hz en 15 s voor de frequentiebanden gecentreerd op of hoger dan 200 Hz.

52.   KOLKENZUIGERS

Test in belaste toestand

Het zuigvoertuig wordt bij stilstand getest. Motor en hulpinrichtingen draaien met de door de fabrikant opgegeven snelheid. De vacuümpompen moeten werken met de door de fabrikant opgegeven maximumsnelheid. Het zuigvoertuig wordt zo gebruikt dat de interne druk gelijk is aan de atmosferische druk (“0%-vacuüm”). Het stroomgeluid van de zuigpijp mag niet op de meetresultaten van invloed zijn.

Waarnemingstijd

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

53.   TORENKRANEN

EN 14439:2006+A2:2009, punt 6.4.1

54.   SLEUVENGRAAFMACHINES

ISO 6393:2008

55.   TRUCKMIXERS

EN 12609:2021, bijlage B

56.   WATERPOMPEN

EN ISO 20361:2019, EN ISO 20361:2019/A11:2020.

De meetmethode van deze norm, gebaseerd op EN ISO 3744:2010, wordt toegepast.

De waarnemingstijd bedraagt ten minste 15 s.

57.   LASAGGREGATEN

EN ISO 8528-10:2022

De meetmethode van deze norm, gebaseerd op EN ISO 3744:2010, wordt toegepast.

BIJLAGE IV MODELLEN VAN DE CE-MARKERING VAN OVEREENSTEMMING EN DE VERMELDING VAN HET GEWAARBORGDE GELUIDSVERMOGENSNIVEAU




BIJLAGE IV

MODELLEN VAN DE CE-MARKERING VAN OVEREENSTEMMING EN DE VERMELDING VAN HET GEWAARBORGDE GELUIDSVERMOGENSNIVEAU

De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de letters „CE” in de volgende vorm:

image

Indien de CE-markering naar gelang van de grootte van het materieel verkleind of vergroot wordt, moeten de verhoudingen overeenkomen met die van de bovenstaande tekening. De verschillende delen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde verticale afmeting hebben, die niet minder dan 5 mm mag zijn.

De vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau bestaat uit het getal dat het gewaarborgde geluidsvermogensniveau aangeeft in dB, het teken LWA en een pictogram in de volgende vorm:

image

Indien de vermelding naar gelang van de grootte van het materieel verkleind of vergroot wordt, moeten de verhoudingen overeenkomen met die van de bovenstaande tekening. De verticale afmeting van de vermelding moet, zo mogelijk, evenwel niet minder zijn dan 40 mm.

BIJLAGE V INTERNE FABRICAGECONTROLE




BIJLAGE V

INTERNE FABRICAGECONTROLE

1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde die aan de verplichtingen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat het materieel voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet de CE-markering van overeenstemming en de vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau overeenkomstig artikel 11 aanbrengen op iedere machine en een schriftelijke EG-verklaring van overeenstemming opstellen overeenkomstig artikel 8.

2. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet de in punt 3 beschreven technische documentatie opstellen en die na de fabricage van het laatste product ten minste tien jaar lang voor inspectiedoeleinden ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten houden. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde kan een andere persoon belasten met het bewaren van de technische documentatie. In dat geval moet hij naam en adres van die persoon in de EG-verklaring van overeenstemming vermelden.

3. De technische documentatie moet een beoordeling van de overeenstemming van het materieel met de voorschriften van deze richtlijn mogelijk maken. Zij moet ten minste de volgende informatie bevatten:

— 
naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde;
— 
beschrijving van het materieel;
— 
merk;
— 
handelsbenaming;
— 
type, serie en nummer;
— 
de technische gegevens die van belang zijn voor de identificatie van het materieel en de beoordeling van de geluidsemissie ervan, waaronder indien nodig schematische tekeningen, alsmede beschrijvingen en toelichtingen voor een goed begrip ervan;
— 
een verwijzing naar deze richtlijn;
— 
een gedetailleerd technisch rapport over de resultaten van geluidsmetingen die volgens de voorschriften van deze richtlijn zijn verricht;
— 
de gebruikte technische instrumenten en de resultaten van de schatting van de onzekerheden door variaties in de productie en het verband daarvan met het gewaarborgde geluidsvermogensniveau.

4. De fabrikant treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat het vervaardigde materieel continu in overeenstemming is met de in de punten 2 en 3 bedoelde technische documentatie en de voorschriften van deze richtlijn.

BIJLAGE VI INTERNE FABRICAGECONTROLE MET BEOORDELING VAN DE TECHNISCHE DOCUMENTATIE EN PERIODIEKE CONTROLES




BIJLAGE VI

INTERNE FABRICAGECONTROLE MET BEOORDELING VAN DE TECHNISCHE DOCUMENTATIE EN PERIODIEKE CONTROLES

1.

In deze bijlage wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde die aan de verplichtingen van de punten 2, 5 en 6 voldoet, garandeert en verklaart dat het materieel voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet de CE-markering van overeenstemming en de vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau overeenkomstig artikel 11 aanbrengen op iedere machine en een schriftelijke EG-verklaring van overeenstemming opstellen overeenkomstig artikel 8.

2.

De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet de in punt 3 beschreven technische documentatie opstellen en die na de fabricage van het laatste product ten minste tien jaar lang voor inspectiedoeleinden ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten houden. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde kan een andere persoon belasten met het bewaren van de technische documentatie. In dat geval moet hij naam en adres van die persoon in de EG-verklaring van overeenstemming vermelden.

3.

De technische documentatie moet een beoordeling van de overeenstemming van het materieel met de voorschriften van deze richtlijn mogelijk maken. Zij moet ten minste de volgende informatie bevatten:

— 
naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde;
— 
beschrijving van het materieel;
— 
merk;
— 
handelsbenaming;
— 
type, serie en nummer;
— 
de technische gegevens die van belang zijn voor de identificatie van het materieel en de beoordeling van de geluidsemissie ervan, waaronder indien nodig schematische tekeningen, alsmede beschrijvingen en toelichtingen voor een goed begrip ervan;
— 
een verwijzing naar deze richtlijn;
— 
een gedetailleerd technisch rapport over de resultaten van geluidsmetingen die volgens de voorschriften van deze richtlijn zijn verricht;
— 
de gebruikte technische instrumenten en de resultaten van de schatting van de onzekerheden door variaties in de productie en het verband daarvan met het gewaarborgde geluidsvermogensniveau.

4.

De fabrikant treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat het vervaardigde materieel in overeenstemming is met de in de punten 2 en 3 bedoelde technische documentatie en de voorschriften van deze richtlijn.

5.

Beoordeling door de aangemelde instantie vóór het in de handel brengen

De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verstrekt de aangemelde instantie van zijn keuze een afschrift van zijn technische documentatie voordat het eerste exemplaar van het materieel in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.

Indien er twijfels zijn omtrent de betrouwbaarheid van de technische documentatie, brengt de aangemelde instantie de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde daarvan op de hoogte en wijzigt zij indien nodig de technische documentatie of laat deze wijzigen, of voert zij eventueel nodig geachte tests uit of laat deze uitvoeren.

Nadat de aangemelde instantie een verslag heeft uitgebracht waarin zij bevestigt dat de technische documentatie voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, kan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde overeenkomstig artikel 11 de CE-markering op het materieel aanbrengen en overeenkomstig artikel 8 een EG-verklaring van overeenstemming opstellen, waarvoor hij volledig verantwoordelijk is.

6.

Beoordeling door de aangemelde instantie tijdens de fabricage

De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde betrekt de aangemelde instantie verder bij het fabricageproces overeenkomstig een van de volgende procedures die door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde wordt gekozen:

— 
De aangemelde instantie verricht periodieke controles teneinde na te gaan of het gefabriceerde materieel continu in overeenstemming is met de technische documentatie en met de voorschriften van deze richtlijn; de aangemelde instantie besteedt vooral aandacht aan de volgende punten:
— 
de correcte en volledige markering van het materieel overeenkomstig artikel 11;
— 
het verstrekken van de EG-verklaring van overeenstemming overeenkomstig artikel 8;
— 
de gebruikte technische instrumenten en de resultaten van de schatting van de onzekerheden door variaties in de productie en het verband daarvan met het gewaarborgde geluidsvermogensniveau.
De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verleent de aangemelde instantie vrije toegang tot alle interne documentatie in verband met deze procedures, de feitelijke resultaten van de interne controles en de eventuele bijsturingen.
Uitsluitend indien voornoemde controles onbevredigende resultaten opleveren, verricht de aangemelde instantie geluidsproeven, die naar eigen oordeel en ervaring van de instantie kunnen worden vereenvoudigd of volledig volgens de bepalingen van bijlage III voor het betrokken materieel kunnen worden uitgevoerd.
— 
De aangemelde instantie verricht met willekeurige tussenpozen productcontroles of laat deze verrichten. De aangemelde instantie kiest een adequaat monster van de eindproducten dat aan een onderzoek wordt onderworpen en waarop passende proeven zoals omschreven in bijlage III of daarmee gelijkstaande proeven worden verricht teneinde de overeenstemming van de producten met de desbetreffende voorschriften van de richtlijn te controleren. Bij de controle van de producten moeten onder meer de volgende punten worden nagegaan:
— 
de correcte en volledige markering van het materieel overeenkomstig artikel 11;
— 
het verstrekken van de EG-verklaring van overeenstemming overeenkomstig artikel 8.

Bij beide procedures wordt de frequentie van de controles door de aangemelde instantie bepaald op grond van de resultaten van de voorgaande beoordelingen, de noodzaak toezicht te houden op bijsturingen en nadere richtsnoeren voor de frequentie van de controles op basis van de jaarlijkse productie en de algemene betrouwbaarheid van de fabrikant bij het handhaven van de gewaarborgde waarden; er moet evenwel ten minste om de drie jaar een controle worden uitgevoerd.

Indien er twijfels rijzen aangaande de betrouwbaarheid van de technische documentatie of bij het volgen ervan tijdens de fabricage, brengt de aangemelde instantie de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde daarvan op de hoogte.

In de gevallen waarin het materieel niet voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, brengt de aangemelde instantie de kennisgevende lidstaat daarvan op de hoogte.

BIJLAGE VII EXEMPLAARKEURING




BIJLAGE VII

EXEMPLAARKEURING

1.

In deze bijlage wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde garandeert en verklaart dat het materieel dat is verstrekt met het in punt 4 bedoelde certificaat van overeenstemming, voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet op het materieel de CE-markering van overeenstemming aanbrengen, aangevuld met de gegevens zoals vereist overeenkomstig artikel 11, en een schriftelijke EG-verklaring van overeenstemming opstellen overeenkomstig artikel 8.

2.

De aanvraag voor een eenheidskeuring wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde ingediend bij de aangemelde instantie van zijn keuze.

Deze aanvraag omvat

— 
naam en adres van de fabrikant, alsmede naam en adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend;
— 
een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag is ingediend bij een andere aangemelde instantie;
— 
technische documentatie die de hiernavolgende gegevens bevat:
— 
beschrijving van het materieel,
— 
merk,
— 
handelsbenaming,
— 
type, serie en nummer,
— 
de technische gegevens die van belang zijn voor de identificatie van het materieel en de beoordeling van de geluidsemissie ervan, waaronder indien nodig schematische tekeningen, alsmede beschrijvingen en toelichtingen voor een goed begrip ervan,
— 
een verwijzing naar deze richtlijn.

3.

De aangemelde instantie

— 
controleert of het materieel in overeenstemming met de technische documentatie is vervaardigd;
— 
stelt in overleg met de aanvrager de plaats vast waar overeenkomstig deze richtlijn de geluidsproeven zullen worden uitgevoerd;
— 
verricht of geeft opdracht tot het verrichten van de nodige geluidsproeven overeenkomstig deze richtlijn.

4.

Wanneer het materieel voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, verstrekt de aangemelde instantie de aanvrager een certificaat van overeenstemming zoals beschreven in bijlage X.

Wanneer de aangemelde instantie weigert een certificaat van overeenstemming te verstrekken, dient zij de weigering uitvoerig te motiveren.

5.

De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bewaart naast de technische documentatie ook een afschrift van het certificaat van overeenstemming gedurende tien jaar na de datum waarop het materieel in de handel is gebracht.

BIJLAGE VIII VOLLEDIGE KWALITEITSBORGING




BIJLAGE VIII

VOLLEDIGE KWALITEITSBORGING

1.

In deze bijlage wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant die aan de verplichtingen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat het materieel voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet op elk product de CE-markering van overeenstemming aanbrengen, aangevuld met de gegevens zoals vereist overeenkomstig artikel 11, en de schriftelijke EG-verklaring van overeenstemming opstellen overeenkomstig artikel 8.

2.

De fabrikant hanteert een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor ontwerp, fabricage, eindkeuring van producten en beproeving zoals omschreven in punt 3 en is onderworpen aan toezicht zoals omschreven in punt 4.

3.

Kwaliteitssysteem

3.1.

De fabrikant dient bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag omvat:

— 
alle relevante informatie over de categorie producten die men wil gaan fabriceren, onder meer technische documentatie over al het materieel dat reeds in de ontwerp- of de productiefase verkeert, die ten minste de volgende informatie moet bevatten:
— 
naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde,
— 
beschrijving van het materieel,
— 
merk,
— 
handelsbenaming,
— 
type, serie en nummer,
— 
de technische gegevens die van belang zijn voor de identificatie van het materieel en de beoordeling van de geluidsemissie ervan, waaronder indien nodig schematische tekeningen, alsmede beschrijvingen en toelichtingen voor een goed begrip ervan,
— 
een verwijzing naar deze richtlijn,
— 
een gedetailleerd technisch rapport over de resultaten van geluidsmetingen die volgens de voorschriften van deze richtlijn zijn verricht,
— 
de gebruikte technische instrumenten en de resultaten van de schatting van de onzekerheden door variaties in de productie en het verband daarvan met het gewaarborgde geluidsvermogensniveau,
— 
een afschrift van de EG-verklaring van overeenstemming;
— 
de documentatie over het kwaliteitssysteem.

3.2.

De toepassing van het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat het product voldoet aan de voorschriften van de richtlijnen die erop van toepassing zijn.

Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, voorschriften en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. De documentatie over het kwaliteitssysteem moet een gemeenschappelijke interpretatie mogelijk maken van de kwaliteitbepalende beleidsmaatregelen en procedures zoals kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -rapporten.

3.3.

De documentatie bevat met name een behoorlijke beschrijving van:

— 
de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de kwaliteit van ontwerp en product;
— 
de technische documentatie die voor elk product moet worden opgesteld en die ten minste de in punt 3.1 aangegeven informatie voor de daar vermelde technische documentatie bevat;
— 
de controle- en keuringstechnieken voor het ontwerp, de procédés en systematische maatregelen die zullen worden toegepast bij het ontwerpen van de producten die onder de bedoelde categorie producten vallen;
— 
de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitsbeheersings- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procedures en de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen;
— 
de onderzoeken en proeven die voor, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;
— 
de kwaliteitsrapporten, zoals keuringsverslagen, beproevingsgegevens, kalibratiegegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.;
— 
de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste kwaliteit van ontwerp en product, en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen. Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij EN ISO 9001 wordt toegepast.

Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient ervaring te hebben als beoordelaar van de betrokken materieeltechnologie. De beoordelingsprocedure omvat een beoordelingsbezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissingen in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4.

De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het adequaat en doeltreffend blijft.

De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde op de hoogte gehouden van elke voorgenomen bijwerking van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds zal voldoen aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4.

Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de ontwerp-, fabricage-, keurings-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name

— 
de documentatie over het kwaliteitssysteem;
— 
de kwaliteitsrapporten die in het kader van het ontwerp-gedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals resultaten van analyses, berekeningen, beproevingen, enz.;
— 
de kwaliteitsrapporten die in het kader van het fabricagegedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals keuringsverslagen, beproevingsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.

4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een beproevingsverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. De aangemelde instantie verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, wanneer een proef werd verricht, een keuringsverslag.

5.

De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste exemplaar van het materieel de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

— 
de in punt 3.1, tweede streepje, bedoelde documentatie;
— 
de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde wijzigingen;
— 
de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

6.

Iedere aangemelde instantie stelt de andere aangemelde instanties in kennis van de terzake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen.

BIJLAGE IX DOOR DE LIDSTATEN TE HANTEREN MINIMUMCRITERIA BIJ DE AANMELDING VAN INSTANTIES




BIJLAGE IX

DOOR DE LIDSTATEN TE HANTEREN MINIMUMCRITERIA BIJ DE AANMELDING VAN INSTANTIES

1. De aangemelde instantie, de directeur daarvan en het met de uitvoering van het onderzoek of de keuring belaste personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur zijn van het materieel dat zij controleren, noch de gemachtigde van een der genoemde personen. Zij mogen bij het ontwerpen, de fabricage, de verkoop of het onderhoud van dit materieel noch rechtstreeks noch als gemachtigden van de betrokken partijen optreden. De mogelijke uitwisseling van technische gegevens tussen fabrikant en instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.

2. De instantie en het personeel moeten de beoordelingen en de keuringen uitvoeren met de grootste mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid; zij dienen vrij te zijn van elke pressie en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de uitslagen van hun werkzaamheden kunnen beïnvloeden, inzonderheid van personen of groepen personen die bij de resultaten van de keuringen belang hebben.

3. De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen te bezitten om de met de uitvoering van de controle en het toezicht verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor bijzondere keuringen.

4. Het personeel dat met de keuringen is belast, dient:

— 
een goede technische en beroepsopleiding te hebben genoten;
— 
een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften voor de beoordeling van technische documentatie;
— 
een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de keuringen die het verricht en voldoende praktische ervaring met deze keuringen te hebben;
— 
de bekwaamheid te bezitten om verklaringen, verslagen en rapporten op te stellen die nodig zijn om het verrichten van de keuringen vast te leggen.

5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de keuringen is belast, dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van een functionaris mag niet afhangen van het aantal keuringen dat hij verricht, noch van de uitslag van deze keuringen.

6. De instantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te sluiten, tenzij deze wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de staat wordt gedekt of de keuringen rechtstreeks door de lidstaat zelf worden verricht.

7. Het personeel van de instantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle gegevens die worden verzameld bij de uitvoering van de keuringen in het kader van deze richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering geven (behalve tegenover de terzake bevoegde overheidsinstanties van de staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent).

BIJLAGE X




BIJLAGE X

image

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis