+RICHTLIJN 2006/21/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG
---+Artikel 1
---+Artikel 2
------+Article 2 1.
------+Article 2 2.
------+Article 2 3.
------+Article 2 4.
---+Artikel 3
---+Artikel 4
------+Article 4 1.
------+Article 4 2.
------+Article 4 3.
---+Artikel 5
------+Article 5 1.
------+Article 5 2.
------+Article 5 3.
------+Article 5 4.
------+Article 5 5.
------+Article 5 6.
---+Artikel 6
------+Article 6 1.
------+Article 6 2.
------+Article 6 3.
------+Article 6 4.
------+Article 6 5.
------+Article 6 6.
---+Artikel 7
------+Article 7 1.
------+Article 7 2.
------+Article 7 3.
------+Article 7 4.
------+Article 7 5.
---+Artikel 8
------+Article 8 1.
------+Article 8 2.
------+Article 8 3.
------+Article 8 4.
------+Article 8 5.
------+Article 8 6.
------+Article 8 7.
---+Artikel 9
---+Artikel 10
------+Article 10 1.
------+Article 10 2.
---+Artikel 11
------+Article 11 1.
------+Article 11 2.
------+Article 11 3.
---+Artikel 12
------+Article 12 1.
------+Article 12 2.
------+Article 12 3.
------+Article 12 4.
------+Article 12 5.
------+Article 12 6.
---+Artikel 13
------+Article 13 1.
------+Article 13 2.
------+Article 13 3.
------+Article 13 4.
------+Article 13 5.
------+Article 13 6.
---+Artikel 14
------+Article 14 1.
------+Article 14 2.
------+Article 14 3.
------+Article 14 4.
---+Artikel 15
---+Artikel 16
------+Article 16 1.
------+Article 16 2.
------+Article 16 3.
---+Artikel 17
------+Article 17 1.
------+Article 17 2.
---+Artikel 18
------+Article 18 1.
------+Article 18 2.
---+Artikel 19
---+Artikel 20
---+Artikel 21
------+Article 21 1.
------+Article 21 2.
------+Article 21 3.
---+Artikel 22
------+Article 22 1.
------+Article 22 2.
------+Article 22 3.
---+Artikel 23
------+Article 23 1.
------+Article 23 2.
------+Article 23 3.
---+Artikel 24
------+Article 24 1.
------+Article 24 2.
------+Article 24 3.
------+Article 24 4.
---+Artikel 25
------+Article 25 1.
------+Article 25 2.
---+Artikel 26
---+Artikel 27
---+ANNEX I Major-accident prevention policy and information to be communicated to the public concerned
---+ANNEX II Waste characterisation
---+ANNEX III Criteria for determining the classification of waste facilities
---+STATEMENT BY THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL AND THE COMMISSION
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN 2006/21/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

RICHTLIJN 2006/21/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 maart 2006

betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn behelst maatregelen, procedures en richtsnoeren om de nadelige effecten op het milieu, in het bijzonder op water, lucht, bodem, fauna en flora en landschap, als gevolg van het beheer van afval van de winningsindustrieën, hierna „winningsafval”, en de daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid van de mens te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 2

Artikel 2

Werkingssfeer

1.  Onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3 bestrijkt deze richtlijn het beheer van winningsafval, dat wil zeggen afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven.

2.  Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt:

a) afval dat wordt gegenereerd door de prospectie, winning en behandeling van mineralen en de exploitatie van groeven, maar dat niet rechtstreeks afkomstig is van die activiteiten;

b) afval dat afkomstig is van de offshore-prospectie, -winning en ‐behandeling van mineralen;

c) injectie van water en herinjectie van opgepompt grondwater in de zin van artikel 11, lid 3, onder j), eerste en tweede streepje, van Richtlijn 2000/60/EG, voorzover krachtens dat artikel is toegestaan.

3.  Inert afval en niet-verontreinigde grond uit de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en uit de exploitatie van groeven, alsmede afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, worden niet onderworpen aan de artikelen 7 en 8, artikel 11, leden 1 en 3, artikel 12, artikel 13, lid 6, en de artikelen 14 en 16, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A.

De bevoegde autoriteit kan de voorschriften, voor het storten van niet-gevaarlijk afval uit de prospectie van mineralen, uitgezonderd aardolie en andere evaporieten dan gips en anhydriet, alsmede voor het storten van niet-verontreinigde grond en afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf, versoepelen of daarvan ontheffing verlenen, voorzover zij zich ervan heeft vergewist dat wordt voldaan aan de vereisten uit artikel 4.

De lidstaten kunnen de voorschriften van artikel 11, lid 3, artikel 12, leden 5 en 6, artikel 13, lid 6, en de artikelen 14 en 16 versoepelen of daarvan ontheffing verlenen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij dit wordt gestort in een afvalvoorziening van categorie A.

4.  Onverminderd andere communautaire wetgeving is afval dat binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt niet onderworpen aan Richtlijn 1999/31/EG.

Artikel 3

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „afval”: afval in de zin van artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG;

2. „gevaarlijk afval”: gevaarlijke afvalstoffen in de zin van artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen ( 16 );

3. „inert afval”: afval dat geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaat. Inert afval lost niet op, verbrandt niet en vertoont ook geen andere fysische of chemische reacties, het wordt niet biologisch afgebroken en heeft geen zodanige nadelige effecten op andere stoffen waarmee het in contact komt dat milieuverontreiniging of schade aan de menselijke gezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan vervuilende componenten van het afval en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en met name de kwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater niet in gevaar brengen;

4. „niet-verontreinigde grond”: grond die tijdens de winning is verwijderd van de bovenste laag van de bodem en die volgens de nationale wetgeving van de lidstaat waar de locatie is gelegen, of volgens de communautaire wetgeving, niet verontreinigd is;

5. „minerale bron” of „mineraal”: een van nature voorkomende afzetting in de aardkorst van een organische of anorganische stof, zoals brandstoffen, metaalertsen, industriële mineralen en mineralen voor de bouwsector, uitgezonderd water;

6. „winningsindustrieën”: alle ondernemingen die zich bezighouden met de bovengrondse of ondergrondse winning van mineralen voor commerciële doeleinden, met inbegrip van de winning door middel van het boren van boorputten of behandeling van het gewonnen materiaal;

7. „off-shore”: het deel van de zee en de zeebodem dat zich vanaf de laagwaterlijn bij normaal of gemiddeld getij zee-inwaarts uitstrekt;

8. „behandeling”: een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd met inbegrip van de exploitatie van groeven met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen (exclusief de verbranding van kalksteen), en/of metallurgische processen;

9. „tailings”: de vaste afvalstoffen of de slurries die achterblijven na de behandeling van mineralen door middel van scheidingsprocessen (bv. verbrijzelen, malen, sorteren naar grootte, flotatie en andere fysisch-chemische technieken) waarbij de waardevolle mineralen worden gescheiden van het minder waardevolle gesteente;

10. „afvalberg”: een aangelegde voorziening voor het storten van vast afval op het aardoppervlak;

11. „dam”: een aangelegde structuur die tot doel heeft water en afval binnen een bekken vast te houden en/of daartoe op te sluiten;

12. „bekkens”: een natuurlijke of aangelegde voorziening voor het storten van fijnkorrelig afval, doorgaans tailings, samen met wisselende hoeveelheden vrij water, afkomstig van de behandeling van minerale bronnen en het zuiveren en recycelen van proceswater;

13. „in zwak zuur scheidbaar cyanide”: cyanide en cyanideverbindingen die kunnen worden gescheiden door/met behulp van een zwak zuur bij een bepaalde pH;

14. „percolaat”: elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze wordt behandeld, nadelige effecten op het milieu kan hebben;

15. „afvalvoorziening”: een terrein dat is aangewezen voor het verzamelen of storten van winningsafval, ongeacht of dit afval zich in vaste, in een oplossing, in een suspensie, of in vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen:

— geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval;

— een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;

— een termijn van meer dan één jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval;

— een termijn van meer dan drie jaar voor voorzieningen voor niet-verontreinigde grond, niet-gevaarlijk afval uit prospectie, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en inert afval.

Tot dergelijke voorzieningen worden gerekend dammen of andere structuren voor het bevatten, vasthouden, beperken of anderszins ondersteunen van een dergelijke voorziening, alsmede, doch niet uitsluitend, afvalbergen en bekkens, maar met uitzondering van uitgravingen waarin afval wordt teruggeplaatst na extractie van het mineraal met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden;

16. „zwaar ongeval”: een gebeurtenis op het terrein tijdens een exploitatie die het beheer van afval in een onder deze richtlijn begrepen inrichting omvat, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd, op het terrein of daarbuiten, ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens en/of het milieu ontstaat;

17. „gevaarlijke stof”: een stof, mengsel of preparaat dat gevaarlijk is in de zin van Richtlijn 67/548/EEG ( 17 ) of Richtlijn 1999/45/EG ( 18 );

18. „beste beschikbare technieken”: technieken in de zin van artikel 2, punt 11, van Richtlijn 96/61/EG;

19. „ontvangend waterlichaam”: oppervlaktewater, grondwater, overgangswater en kustwater in de zin van respectievelijk artikel 2, punt 1, punt 2, punt 6 en punt 7, van Richtlijn 2000/60/EG;

20. „rehabilitatie”: de behandeling van het land dat nadelige invloed heeft ondervonden van een afvalvoorziening, op een zodanige manier dat het land weer in een bevredigende toestand wordt gebracht, en met speciale aandacht voor de bodemkwaliteit, in het wild levende dieren, de natuurlijke habitats, de zoetwatersystemen, het landschap en toepasselijk gunstig gebruik;

21. „prospectie”: het zoeken naar economisch winbare ertslagen, tevens inhoudende bemonstering, bulkbemonstering, boren en graven, maar geen werkzaamheden in de ontwikkelings–fase voorafgaand aan de productiefase van dergelijke lagen, noch activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn met bestaande winning;

22. „publiek”: één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

23. „betrokken publiek”: het publiek dat de gevolgen ondervindt of waarschijnlijk zal ondervinden van of belanghebbende is bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en voldoen aan de eisen van nationaal recht, geacht belanghebbende te zijn;

24. „exploitant”: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat waar het afvalbeheer plaatsvindt, tevens met betrekking tot de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede de exploitatiefasen en de fase na de sluiting;

25. „afvalhouder”: de producent van het winningsafval of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het afval in bezit heeft;

26. „competente persoon”: een natuurlijke persoon die over de technische kennis en ervaring beschikt, als gedefinieerd door de nationale wetgeving van de lidstaat waar de persoon actief is, om de taken uit te voeren die uit deze richtlijn voortvloeien;

27. „bevoegde autoriteit”: de autoriteit of de autoriteiten die een lidstaat aanwijst als zijnde verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die uit deze richtlijn voortvloeien;

28. „terrein”: alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant;

29. „ingrijpende wijziging”: een wijziging in de structuur of de exploitatie van een afvalvoorziening die, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, belangrijke negatieve gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid of het milieu.

Artikel 4

Artikel 4

Algemene voorschriften

1.  De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat winningsafval wordt beheerd zonder gevaar voor de menselijke gezondheid en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die het milieu kunnen schaden, en met name zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, zonder geluids‐ of stankhinder te veroorzaken, en zonder schade te berokkenen aan het landschap of aan waardevolle gebieden. De lidstaten nemen ook de nodige maatregelen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van winningsafval te verbieden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant alle maatregelen treft die nodig zijn om de nadelige effecten van het beheer van winningsafval voor het milieu en voor de gezondheid van de mens te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat het beheer van alle afvalvoorzieningen, ook na sluiting van de afvalvoorziening, en de voorkoming van zware ongevallen waarbij die afvalvoorziening is betrokken, en de beperking van de gevolgen ervan voor het milieu en de gezondheid van de mens.

3.  De in lid 2 genoemde maatregelen worden onder meer gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder het gebruik van een bepaalde techniek of specifieke technologie voor te schrijven, maar rekening houdende met de technische kenmerken, de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden van de afvalvoorziening.

Artikel 5

Artikel 5

Afvalbeheersplan

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant een afvalbeheersplan opstelt voor de preventie of beperking tot een minimum, behandeling, nuttige toepassing en verwijdering van winningsafval, rekening houdend met het beginsel van duurzame ontwikkeling.

2.  Een afvalbeheersplan heeft tot doel:

a) het ontstaan van afval, alsook de schadelijkheid ervan te voorkomen of te beperken, in het bijzonder door aandacht te schenken aan:

i) afvalbeheer in de ontwerpfase en bij de keuze van de methode die wordt gebruikt voor de winning en behandeling van mineralen;

ii) de veranderingen die het winningsafval kan ondergaan met betrekking tot een vergroting van de oppervlakte en de blootstelling aan bovengrondse omstandigheden;

iii) terugplaatsing van winningsafval in de uitgegraven ruimten na extractie van het mineraal, voorzover dit technisch en economisch haalbaar en vanuit milieuoogpunt verantwoord is, overeenkomstig de huidige milieunormen op Gemeenschapsniveau en, waar van toepassing, overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn;

iv) het weer aanbrengen van de bovenste grondlaag na de sluiting van de afvalvoorziening of, als dit praktisch niet haalbaar is, hergebruik van de bovenste grondlaag elders;

v) het gebruik van minder gevaarlijke stoffen voor de behandeling van minerale bronnen;

b) de nuttige toepassing van winningsafval door middel van recycling, hergebruik of terugwinning van dergelijk afval te bevorderen waar dat vanuit milieuoogpunt verantwoord is overeenkomstig de huidige milieunormen op Gemeenschapsniveau en/of, waar relevant, andere voorschriften van deze richtlijn;

c) op de korte en de lange termijn de veilige opslag van het afval te waarborgen, in het bijzonder door het beheer tijdens de exploitatie en de fase na sluiting van een afvalvoorziening in overweging te nemen in de ontwerpfase en door een ontwerp te kiezen waarvoor weinig en, zo mogelijk, uiteindelijk geen monitoring, controle en beheer van de gesloten afvalvoorziening nodig is:

i) waarvoor weinig en, zo mogelijk, uiteindelijk geen monitoring, controle en beheer van de gesloten afvalvoorziening nodig is;

ii) dat de, bijvoorbeeld aan verplaatsing van verontreinigde stoffen uit de voorziening door de lucht of door het water, op lange termijn toe te schrijven negatieve gevolgen voorkomt of althans zoveel mogelijk beperkt, en

iii) dat de geotechnische stabiliteit op lange termijn van dammen of hopen die zich verheffen boven het voorheen bestaande bodemoppervlak waarborgt.

3.  Het afvalbeheersplan zal ten minste de volgende elementen bevatten:

a) waar van toepassing, de voorgestelde indeling van de afvalvoorziening volgens de criteria van bijlage III:

— wanneer een afvalvoorziening als categorie A geclassificeerd wordt: een document waaruit blijkt dat een preventiebeleid voor zware ongevallen, een veiligheidsbeheersysteem voor de uitvoering ervan en een intern noodplan overeenkomstig artikel 6, lid 3, zullen worden ingevoerd;

— wanneer de exploitant van oordeel is dat een afvalvoorziening niet als categorie A geclassificeerd hoeft te worden, voldoende informatie ter staving, inclusief een identificatie van mogelijke ongevallen gevaren;

b) een karakterisering van het afval volgens bijlage II en een verklaring van de geschatte totale hoeveelheid winningsafval die tijdens de exploitatiefase zal worden geproduceerd;

c) een beschrijving van de werkzaamheden die dergelijk afval voortbrengen, en van eventuele daaropvolgende behandelingen die dit afval zal ondergaan;

d) een beschrijving van de manier waarop het milieu en de gezondheid van de mens nadelige effecten kunnen ondervinden als gevolg van het storten van dergelijk afval en de preventieve maatregelen die moeten worden genomen om de gevolgen voor het milieu tijdens de exploitatie en na sluiting tot een minimum te beperken, met inbegrip van de elementen waarnaar wordt verwezen in artikel 11, lid 2, onder a), b), d) en e);

e) de voorgestelde controle- en monitoringsprocedures uit hoofde van artikel 10 (indien van toepassing) en artikel 11, lid 2, onder c);

f) het voorgestelde plan voor sluiting, inclusief de rehabilitatie, de procedures voor de follow-up na de sluiting en de monitoring overeenkomstig artikel 12;

g) maatregelen om de verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, conform Richtlijn 2000/60/EG en bodem- en luchtverontreiniging uit hoofde van artikel 13 te voorkomen of tot een minimum te beperken;

h) een overzicht van de toestand van het land dat door de afvalvoorziening zal aangetast worden.

Het afvalbeheersplan verstrekt voldoende informatie om de bevoegde autoriteit in staat te stellen te beoordelen in hoeverre de exploitant in staat is de in lid 2, genoemde doelstellingen van het afvalbeheersplan te bereiken en zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn na te leven. In het plan wordt met name toegelicht hoe via het gekozen alternatief en de gekozen methode overeenkomstig bovenstaand lid 2, onder a), i), de doelen van het in lid 2, onder a), vastgelegde afvalbeheerplan worden verwezenlijkt.

4.  Het afvalbeheersplan wordt elke vijf jaar herzien en/of, waar nodig, gewijzigd in geval van ingrijpende wijzigingen in de exploitatie van de afvalvoorziening of in het gestorte afval. De bevoegde autoriteit wordt in kennis gesteld van de wijzigingen.

5.  Ook plannen die worden opgesteld uit hoofde van andere nationale of communautaire wetgeving en die de in lid 3 genoemde informatie bevatten, kunnen worden gebruikt wanneer dit onnodige overlapping van informatie en dubbel werk voor de exploitant voorkomt, mits aan alle voorschriften van de leden 1 tot en met 4 wordt voldaan.

6.  De bevoegde autoriteit keurt het afvalbeheersplan goed op basis van procedures die door de lidstaten worden bepaald en ziet toe op de uitvoering ervan.

Artikel 6

Artikel 6

Preventie van zware ongevallen en informatieverstrekking

1.  De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op afvalvoorzieningen van categorie A, met uitzondering van de afvalvoorzieningen die vallen onder Richtlijn 96/82/EG.

2.  Onverminderd andere communautaire wetgeving en in het bijzonder Richtlijn 92/91/EEG en Richtlijn 92/104/EEG, zorgen de lidstaten ervoor dat de gevaren van zware ongevallen in kaart zijn gebracht en dat in het ontwerp, de bouw, de exploitatie, het onderhoud, de sluiting en de follow-up van de sluiting van de afvalvoorziening de noodzakelijke elementen zijn opgenomen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu, met inbegrip van grensoverschrijdende gevolgen, te beperken.

3.  Voor de toepassing van lid 2 legt elke exploitant, voordat de exploitatie begint, een preventiebeleid voor zware ongevallen met betrekking tot het beheer van winningsafval vast en voert een veiligheidsbeheersysteem in dat overeenkomstig de in punt 1 van bijlage I beschreven elementen wordt uitgevoerd. Tevens voert hij een intern noodplan in met de maatregelen die moeten worden genomen op het terrein, wanneer zich een ongeval voordoet.

In het kader van dat beleid stelt de exploitant een veiligheidsmanager aan die verantwoordelijk is voor de uitvoering van en het periodieke toezicht op het preventiebeleid voor zware ongevallen.

De bevoegde autoriteit stelt een extern noodplan op voor de maatregelen die buiten het terrein moeten worden genomen wanneer zich een ongeval voordoet. In het kader van de vergunningsaanvraag verstrekt de exploitant de bevoegde autoriteit de benodigde informatie zodat deze het plan kan opstellen.

4.  De in lid 3 bedoelde noodplannen hebben de volgende doelstellingen:

a) beperken en beheersen van zware ongevallen en andere incidenten teneinde de effecten ervan tot een minimum te beperken, en in het bijzonder het beperken van schade aan de gezondheid van de mens en het milieu;

b) uitvoeren van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de effecten van zware ongevallen en andere incidenten;

c) verstrekken van de nodige informatie aan het betrokken publiek en aan de betrokken diensten of autoriteiten in het gebied;

d) zorgen voor de rehabilitatie, het herstel en de sanering van het milieu na een zwaar ongeval.

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant de bevoegde autoriteit bij een zwaar ongeval onmiddellijk alle informatie verstrekt die nodig is om de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te helpen beperken en de omvang van de feitelijke of potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek vroegtijdig en effectief in de gelegenheid wordt gesteld te participeren in de voorbereiding of de beoordeling van het externe noodplan dat moet worden opgesteld overeenkomstig lid 3. Daartoe moet het betrokken publiek worden geïnformeerd over dergelijke voorstellen en moet relevante informatie beschikbaar worden gesteld, met inbegrip van onder meer informatie over het recht om te participeren in het besluitvormingsproces en informatie over de bevoegde autoriteit waaraan opmerkingen en vragen kunnen worden gericht.

De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek gerechtigd is om binnen een redelijk tijdsbestek opmerkingen naar voren te brengen en dat in de besluitvorming over het externe noodplan terdege rekening wordt gehouden met deze opmerkingen.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over veiligheidsmaatregelen en over de maatregelen die moeten worden genomen bij ongevallen, die ten minste de in punt 2 van bijlage I genoemde elementen omvat, kostenloos en automatisch aan het betrokken publiek wordt verstrekt.

De informatie wordt om de drie jaar beoordeeld en, waar nodig, bijgesteld.

Artikel 7

Artikel 7

Aanvraag en vergunning

1.  Geen enkele afvalvoorziening mag worden geëxploiteerd zonder een door de bevoegde autoriteit verleende vergunning. De vergunning bevat de elementen die zijn gespecificeerd in lid 2 en vermeldt duidelijk de categorie van de voorziening volgens de criteria van artikel 9.

Mits aan alle voorschriften van dit artikel wordt voldaan, mogen uit hoofde van andere nationale of communautaire wetgeving verleende vergunningen worden gecombineerd tot één vergunning, wanneer dit onnodige duplicering van informatie en dubbel werk van de exploitant of de bevoegde autoriteit voorkomt. De in lid 2 gespecificeerde bijzonderheden kunnen onder één enkele of onder verschillende vergunningen vallen, op voorwaarde dat is voldaan aan alle voorschriften uit hoofde van dit artikel.

2.  De aanvraag van een vergunning bevat ten minste de volgende bijzonderheden:

a) de identiteit van de exploitant;

b) de voorgestelde locatie van de afvalvoorziening, met inbegrip van eventuele alternatieve locaties;

c) het afvalbeheersplan uit hoofde van artikel 5;

d) adequate regelingen bij wijze van een financiële zekerheid of een equivalent ervan, zoals verlangd uit hoofde van artikel 14;

e) de door de exploitant overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 85/337/EEG ( 19 ) verschafte informatie indien overeenkomstig die richtlijn een milieu-effectrapportage vereist is.

3.  De bevoegde autoriteit verleent alleen een vergunning indien zij zich ervan vergewist heeft dat:

a) de exploitant voldoet aan de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn;

b) het afvalbeheer niet rechtstreeks indruist tegen, noch een belemmering vormt voor de uitvoering van de toepasselijke afvalbeheerplannen bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 75/442/EEG.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor een vergunning op gezette tijden opnieuw bezien en, waar nodig, bijstellen:

— wanneer zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;

— op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant uit hoofde van artikel 11, lid 3, verslag heeft uitgebracht of van de uit hoofde van artikel 17 uitgevoerde inspecties;

— in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken uit hoofde van artikel 21, lid 3.

5.  De informatie die is vervat in een uit hoofde van dit artikel verleende vergunning wordt beschikbaar gesteld aan de bevoegde nationale en communautaire statistische autoriteiten indien dat voor statistische doeleinden wordt verlangd. Gevoelige informatie van louter commerciële aard, zoals informatie met betrekking tot zakelijke relaties en kostencomponenten en de omvang van economische mineralenreserves, wordt niet openbaar gemaakt.

Artikel 8

Artikel 8

Inspraak van het publiek

1.  Het publiek wordt, via openbare kennisgevingen of andere passende middelen zoals elektronische media indien beschikbaar, in een vroeg stadium van de procedure voor het verlenen van een vergunning of ten laatste zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, in kennis gesteld van:

a) de aanvraag van een vergunning;

b) voorzover van toepassing, het feit dat een besluit inzake de aanvraag van een vergunning onderworpen is aan overleg tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 16;

c) details betreffende de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het nemen van een besluit of waarbij relevante informatie kan worden verkregen of waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd, en details betreffende het tijdsbestek voor het doorgeven van opmerkingen of vragen;

d) de aard van eventuele besluiten;

e) voorzover van toepassing, de details betreffende een voorstel voor de actualisatie van een vergunning of van de vergunningsvoorwaarden;

f) een indicatie van de tijdstippen waarop, de plaatsen waar en de wijze waarop de relevante informatie beschikbaar wordt gesteld;

g) nadere gegevens inzake de regelingen betreffende de inspraak van het publiek die overeenkomstig lid 7 zijn bepaald.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende zaken binnen een passend tijdsbestek aan het betrokken publiek beschikbaar worden gesteld:

a) in overeenstemming met de nationale wetgeving, de belangrijkste rapporten en adviezen die aan de bevoegde autoriteit zijn uitgebracht op het moment dat het publiek werd geïnformeerd overeenkomstig lid 1;

b) in overeenstemming met de bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie ( 20 ) alle informatie, naast de informatie waarnaar wordt verwezen in lid 1 van het onderhavige artikel, die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 7 van deze richtlijn en die pas beschikbaar komt nadat het publiek overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel is geïnformeerd.

3.  De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het publiek overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt geïnformeerd over een aanpassing van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 7, lid 4.

4.  Het betrokken publiek is gerechtigd aan de bevoegde autoriteit opmerkingen en meningen kenbaar te maken voordat een besluit wordt genomen.

5.  De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van dit artikel worden terdege in aanmerking genomen bij de besluitvorming.

6.  Nadat een besluit is genomen, stelt de bevoegde autoriteit het betrokken publiek hiervan in kennis overeenkomstig de passende procedures en stelt zij de volgende informatie beschikbaar voor het betrokken publiek:

a) de inhoud van het besluit, met inbegrip van een afschrift van de vergunning;

b) de redenen en overwegingen waarop het besluit is gebaseerd.

7.  De nadere regelingen voor inspraak krachtens dit artikel worden door de lidstaten zodanig vastgesteld dat het betrokken publiek in staat wordt gesteld zich voor te bereiden en effectief kan participeren.

Artikel 9

Artikel 9

Indeling van afvalvoorzieningen

Voor de toepassing van deze richtlijn delen de bevoegde autoriteiten de afvalvoorzieningen in de categorie A in op basis van de in bijlage III vermelde criteria.

Artikel 10

Artikel 10

Uitgegraven ruimten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant, indien deze met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden winningsafval terugplaatst in de door bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgegraven ruimten, passende maatregelen neemt om:

1. de stabiliteit van het winningsafval veilig te stellen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 11, lid 2;

2. verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 13, leden 1, 3 en 5;

3. te zorgen voor de monitoring van het winningsafval en de uitgegraven ruimte overeenkomstig, mutatis mutandis, artikel 12, leden 4 en 5.

2.  Richtlijn 1999/31/EG blijft van toepassing op niet uit de winningsindustrie afkomstig afval dat wordt gebruikt voor het opvullen van uitgegraven ruimten.

Artikel 11

Artikel 11

Bouw en beheer van afvalvoorzieningen

1.  De lidstaten treffen passende maatregelen om te verzekeren dat het beheer van een afvalvoorziening in handen is van een competent persoon en dat wordt gezorgd voor technische ontwikkeling en opleiding van het personeel.

2.  De bevoegde autoriteit vergewist zich ervan dat de exploitant bij de bouw van een nieuwe afvalvoorziening of de aanpassing van een bestaande afvalvoorziening ervoor zorgt dat:

a) de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op door de Gemeenschap opgelegde of nationale verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische, hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren, en zo is ontworpen dat wordt voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om, op de korte en de lange termijn, verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of het oppervlaktewater, rekening houdend met in het bijzonder de Richtlijnen 76/464/EEG ( 21 ), 80/68/EEG ( 22 ) en 2000/60/EG, te voorkomen, te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze worden verzameld zoals en wanneer dat volgens de vergunning wordt verlangd, en erosie door water of wind tegen te gaan voorzover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is;

b) de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden, teneinde op de korte en de lange termijn haar fysische stabiliteit te verzekeren en verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater te voorkomen en schade aan het landschap zoveel mogelijk te minimaliseren;

c) er passende plannen en regelingen zijn voor de periodieke monitoring en de inspectie van de afvalvoorziening door competente personen en voor het ondernemen van actie indien de resultaten wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;

d) passende regelingen zijn getroffen voor de rehabilitatie van het land en de sluiting van de afvalvoorziening;

e) passende regelingen zijn getroffen voor de fase na de sluiting van de afvalvoorziening.

De gegevens van de monitoring en de inspecties als bedoeld onder c) worden, samen met de vergunningdocumentatie, bijgehouden, om de passende overdracht van informatie te verzekeren, met name in het geval van een wijziging van exploitant.

3.  De exploitant geeft de bevoegde autoriteit zonder onnodig uitstel en in elk geval binnen 48 uur kennis van alle gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de controle- en monitoringsprocedures van de afvalvoorziening aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de te treffen correctieve maatregelen.

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

De exploitant brengt met een frequentie die wordt bepaald door de bevoegde autoriteit, maar in elk geval minstens éénmaal per jaar, op basis van verzamelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten verslag uit van alle monitoringsresultaten om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning, en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorziening te vergroten. Op basis van dit rapport kan de bevoegde autoriteit besluiten dat validering door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk is.

Artikel 12

Artikel 12

Procedures voor de sluiting van afvalvoorzieningen en de fase na de sluiting

1.  De lidstaten treffen maatregelen om te verzekeren dat wordt voldaan aan de leden 2 tot en met 5.

2.  Een afvalvoorziening doet de sluitingsprocedure pas aanvangen indien wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:

a) er is voldaan aan de toepasselijke voorwaarden die in de vergunning staan vermeld;

b) de bevoegde autoriteit heeft op verzoek van de exploitant toestemming verleend;

c) de bevoegde autoriteit heeft daartoe een gemotiveerd besluit genomen.

3.  Een afvalvoorziening mag pas als definitief gesloten worden beschouwd nadat de bevoegde autoriteit zonder onnodig uitstel een eindinspectie op het land dat door de afvalvoorziening wordt aangetast, heeft uitgevoerd, alle rapporten heeft beoordeeld die door de exploitant zijn ingediend, officieel heeft verklaard dat het terrein is gerehabiliteerd en aan de exploitant heeft medegedeeld dat zij de sluiting goedkeurt.

Die goedkeuring doet niets af aan de verplichtingen van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden of andere wettelijke bepalingen.

4.  De exploitant is verantwoordelijk voor het onderhoud, de monitoring, de controle en corrigerende maatregelen van de afvalvoorziening in de fase na de sluiting voor zolang de bevoegde autoriteit zulks verlangt, rekening houdend met de aard en de duur van het gevaar, tenzij de bevoegde autoriteit besluit dergelijke taken, na de definitieve sluiting van een afvalvoorziening van de exploitant over te nemen, onverminderd eventuele nationale of communautaire wetgeving betreffende de aansprakelijkheid van de afvalhouder.

5.  Indien de bevoegde autoriteit dat na de sluiting van een afvalvoorziening noodzakelijk acht, met het oog op voldoening aan de relevante milieuvoorwaarden voorzien in Gemeenschapswetgeving, in het bijzonder deze in de Richtlijnen 76/464/EEG, 80/68/EEG en 2000/60/EG zal de exploitant onder meer de fysische en chemische stabiliteit van de voorziening onder controle houden en eventuele negatieve milieueffecten tot een minimum beperken, in het bijzonder met betrekking tot het oppervlaktewater en grondwater, door te verzekeren dat:

a) alle structuren die deel uitmaken van de voorziening, worden gemonitord en in stand gehouden, met controle- en meetapparatuur die altijd gebruiksklaar is;

b) voorzover van toepassing, overloopkanalen en afvoerkanalen schoon en vrij worden gehouden.

6.  Na de sluiting van de afvalvoorziening stelt de exploitant de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle gebeurtenissen of ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van een voorziening, alsook van alle belangrijke nadelige milieueffecten die bij de relevante controle- en monitoringsprocedures aan het licht komen. De exploitant voert het interne noodplan, indien van toepassing, uit en volgt alle overige instructies van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de te treffen correctieve maatregelen.

De exploitant betaalt de kosten van de te treffen maatregelen.

De bevoegde autoriteit bepaalt in welke gevallen en met welke frequentie de exploitant aan de bevoegde autoriteiten verslag uitbrengt van alle op basis van verzamelde gegevens opgestelde monitoringsresultaten om aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de vergunning en om de kennis van het gedrag van afval en afvalvoorzieningen te vergroten.

Artikel 13

Artikel 13

Preventie van de verslechtering van de toestand van het water, lucht- en bodemverontreiniging

1.  De bevoegde autoriteit moet zich ervan vergewissen dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen heeft genomen, teneinde communautaire milieunormen na te leven, met name om overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG verslechtering van de huidige toestand van het water te voorkomen, onder meer door:

a) de potentiële percolaatvorming te evalueren, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit het gestorte afval zowel tijdens de exploitatiefase als de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, en de waterbalans van de afvalvoorziening te bepalen;

b) te voorkomen, of zoveel mogelijk te voorkomen, dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewater en grondwater of de bodem door het afval worden verontreinigd;

c) het verontreinigde water en percolaat van de afvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen voor de lozing ervan.

2.  De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om stof- en gasemissies te voorkomen of te beperken.

3.  Als de bevoegde autoriteit op basis van een beoordeling van de milieurisico's en rekening houdend met in het bijzonder Richtlijn 76/464/EEG, 80/68/EEG of 2000/60/EG, voorzover van toepassing, heeft besloten dat het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is, of als is vastgesteld dat de afvalvoorziening geen potentieel gevaar voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater vormt, kunnen de voorschriften van lid 1, onder b) en c), dienovereenkomstig worden afgezwakt of vervallen.

4.  De lidstaten verbinden aan het storten van winningsafval, ongeacht of dit zich in vaste vorm, in de vorm van slib of in vloeibare vorm bevindt, in een ontvangend waterlichaam, niet zijnde het waterlichaam dat is aangelegd voor het verwijderen van winningsafval, de voorwaarde dat de exploitant voldoet aan de toepasselijke voorschriften van de Richtlijnen 76/464/EEG, 80/68/EEG en 2000/60/EG.

5.  Wanneer winningsafval terug in uitgegraven ruimten wordt geplaatst, ontstaan door bovengrondse of ondergrondse winning, die na sluiting mogen volstromen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om de verslechtering van de waterstatus en bodemverontreiniging te voorkomen of tot een minimum te beperken, overeenkomstig, mutatis mutandis, de leden 1 en 3. De exploitant voorziet de bevoegde instantie van de informatie die noodzakelijk is om te verzekeren dat aan de communautaire voorschriften, in het bijzonder aan deze van Richtlijn 2000/60/EG is voldaan.

6.  In het geval van een bekken waarin cyanide aanwezig is, verzekert de exploitant dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide in het bekken met behulp van de beste beschikbare technieken wordt beperkt tot het laagst mogelijke niveau en, in elk geval, bij voorzieningen waaraan al een vergunning is verleend of die al in bedrijf zijn vóór 1 mei 2008, dat de concentratie van in zwak zuur scheidbaar cyanide op het punt van lozing van de tailings uit de verwerkende inrichting in het bekken in elk geval de 50 ppm vanaf 1 mei 2008, de 25 ppm vanaf 1 mei 2013, de 10 ppm vanaf 1 mei 2018 en de 10 ppm bij voorzieningen waaraan een vergunning is verleend na 1 mei 2008 niet overschrijdt.

Op verzoek van de bevoegde autoriteit, toont de exploitant, door middel van een risicobeoordeling waarin rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van het terrein, aan dat die concentratiegrenzen niet verder hoeven te worden verlaagd.

Artikel 14

Artikel 14

Financiële zekerheid en milieuaansprakelijkheid

1.  Voordat wordt begonnen met werkzaamheden waarbij afval in een afvalvoorziening wordt opgestapeld of gestort, verlangt de bevoegde autoriteit een financiële zekerheid of een equivalent daarvan, op basis van procedures die door de lidstaten worden omschreven, zodat:

a) alle verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning die ingevolge deze richtlijn wordt verleend, inclusief bepalingen voor na de sluiting, worden nagekomen;

b) op elk moment middelen voorhanden zijn voor de rehabilitatie van het land dat door de afvalvoorziening is aangetast, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist volgens de vergunning van artikel 7.

2.  De berekening van de in lid 1 genoemde garantie wordt gemaakt op basis van:

a) de waarschijnlijke invloed van de afvalvoorziening op het milieu. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de categorie van de voorziening, de kenmerken van het afval en het toekomstige gebruik van het gerehabiliteerde land;

b) de aanneming dat onafhankelijke en deugdelijk gekwalificeerde derde partijen de noodzakelijke rehabilitatiewerkzaamheden zullen beoordelen en uitvoeren.

3.  De omvang van de garantie wordt periodiek aangepast, afhankelijk van de elke rehabilitatiewerkzaamheid die op het door de afvalvoorziening aangetaste land moet worden uitgevoerd, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist door de vergunning van artikel 7.

4.  Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 12, lid 3, instemt met de sluiting, verstrekt de bevoegde autoriteit de exploitant een schriftelijke verklaring die de exploitant ontslaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting tot financiële zekerheid met uitzondering van de verplichtingen die betrekking hebben op de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, overeenkomstig artikel 12, lid 4.

Artikel 15

Artikel 15

Milieuaansprakelijkheid

Het volgende punt wordt toegevoegd aan bijlage III van Richtlijn 2004/35/EG:

„13. Het beheer van winningsafvalvoorzieningen krachtens Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval uit winningsindustrieën ( 23 ).

Artikel 16

Artikel 16

Grensoverschrijdende effecten

1.  Als een lidstaat waar zich een voorziening bevindt zich ervan bewust is dat de exploitatie van een afvalvoorziening van categorie A aanmerkelijke nadelige milieueffecten kan hebben met de daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid van de mens in een andere lidstaat, of als een lidstaat die dergelijke gevolgen kan ondervinden, daarom vraagt, verstrekt de lidstaat op wiens grondgebied de aanvraag van een vergunning uit hoofde van artikel 7 is ingediend, de informatie die uit hoofde van dat artikel is verstrekt aan de andere lidstaat op hetzelfde moment dat hij deze informatie beschikbaar stelt voor zijn eigen onderdanen.

Dergelijke informatie dient als basis voor het overleg dat nodig kan zijn in het kader van bilaterale betrekkingen tussen de twee lidstaten op basis van wederkerigheid en gelijkwaardigheid.

2.  Binnen het kader van hun bilaterale betrekkingen zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvragen in de in lid 1 bedoelde gevallen gedurende een passende periode ook beschikbaar worden gesteld voor het betrokken publiek van de lidstaat die invloed kan ondervinden, zodat dit publiek het recht krijgt om opmerkingen over deze aanvragen kenbaar te maken voordat de bevoegde autoriteit tot haar besluit komt.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een ongeval waarbij een in lid 1 bedoelde afvalvoorziening betrokken is, informatie die door de exploitant aan de bevoegde autoriteit wordt verstrekt uit hoofde van artikel 6, lid 4, van dit artikel onmiddellijk naar de andere lidstaat wordt doorgezonden teneinde de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te helpen beperken en de omvang van de feitelijke of potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

Artikel 17

Artikel 17

Inspecties door de bevoegde autoriteit

1.  Voorafgaand aan de aanvang van de stortactiviteiten en vervolgens met regelmatige door de betrokken lidstaat te bepalen tussenpozen, ook in de fase na de sluiting, inspecteert de bevoegde autoriteit elke afvalvoorziening waarop artikel 7 van toepassing is, om te verzekeren dat de voorziening voldoet aan de relevante voorschriften van de vergunning. Een positief resultaat doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorschriften.

2.  De lidstaten verlangen dat de exploitant van alle afvalbeheeractiviteiten actuele dossiers beschikbaar en gereed houdt voor inspectie door de bevoegde autoriteit en dat hij verzekert dat in het geval van een wijziging van exploitant tijdens het beheer van een afvalvoorziening relevante actuele informatie en dossiers met betrekking tot de voorziening op passende wijze worden overgedragen.

Artikel 18

Artikel 18

Rapportageverplichting

1.  Om de drie jaar brengen de lidstaten de Commissie verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een, volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde procedure door de Commissie vast te stellen, vragenlijst of overzicht. Het verslag wordt aan de Commissie toegezonden binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.

Binnen negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een verslag over de uitvoering van de richtlijn.

2.  Elk jaar verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over voorvallen die door de exploitanten zijn gemeld overeenkomstig artikel 11, lid 3, en artikel 12, lid 6. De Commissie stelt deze informatie op verzoek beschikbaar voor de lidstaten. Onverminderd de communautaire wetgeving over de toegang van het publiek tot milieu-informatie, stellen de lidstaten op hun beurt deze informatie op verzoek beschikbaar voor het betrokken publiek.

Artikel 19

Artikel 19

Sancties

De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot sancties in geval van schending van de bepalingen van de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale regelgeving en treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat ze worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Artikel 20

Artikel 20

Inventaris van gesloten afvalvoorzieningen

De lidstaten zien erop toe dat een inventaris wordt gemaakt en periodiek geactualiseerd van op hun grondgebied gevestigde gesloten afvalvoorzieningen die ernstige negatieve milieugevolgen hebben of op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging kunnen gaan vormen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Deze inventaris, die openbaar moet worden gemaakt, wordt uitgevoerd uiterlijk op 1 mei 2012, rekening houdend met de methodologieën bedoeld in artikel 21, indien deze voorhanden zijn.

Artikel 21

Artikel 21

Uitwisseling van informatie

1.  De Commissie, bijgestaan door het in artikel 23 bedoelde comité, zorgt ervoor dat tussen de lidstaten een passende uitwisseling van technische en wetenschappelijke informatie plaatsvindt om methodologieën te ontwikkelen die betrekking hebben op:

a) de uitvoering van artikel 20;

b) de rehabilitatie van de gesloten afvalvoorzieningen die in kaart zijn gebracht uit hoofde van artikel 20, teneinde aan de voorschriften van artikel 4 te voldoen. Dergelijke methodologieën maken het mogelijk de geschiktste risicobeoordelingsprocedures en herstelmaatregelen op te zetten, gelet op de verscheidenheid aan geologische, hydrogeologische en klimatologische kenmerken in Europa.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit de ontwikkelingen met betrekking tot de beste beschikbare technieken volgt of daarover wordt geïnformeerd.

3.  De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de betrokken organisaties betreffende de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende monitoring en de ontwikkelingen op dit gebied. De Commissie publiceert de resultaten van de informatie-uitwisseling.

▼M1

Artikel 22

Artikel 22

1.  De Commissie stelt volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure het volgende vast:

a) de bepalingen die nodig zijn voor de harmonisatie en periodieke toezending van de informatie bedoeld in artikel 7, lid 5, en artikel 12, lid 6;

b) technische richtsnoeren voor het stellen van een financiële zekerheid overeenkomstig artikel 14, lid 2;

c) technische richtsnoeren voor inspecties overeenkomstig artikel 17.

2.  De Commissie stelt de bepalingen vast die nodig zijn voor de volgende punten, met voorrang voor de punten b), c) en d):

a) uitvoering van artikel 13, lid 6, met inbegrip van technische voorschriften voor de definitie van in zwak zuur scheidbaar cyanide en de meetmethode hiervoor;

b) aanvulling van de technische voorschriften voor de afvalkarakterisering in bijlage II;

c) interpretatie van de definitie in artikel 3, punt 3;

d) bepaling van de criteria voor de classificatie van afvalvoorzieningen overeenkomstig bijlage III;

e) vaststelling van geharmoniseerde normen voor de benodigde steekproef- en analysemethoden voor de technische uitvoering van deze richtlijn.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.  De Commissie stelt alle verdere wijzigingen vast die nodig zijn voor aanpassing van de bijlagen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Deze wijzigingen worden aangebracht teneinde een hoog niveau van milieubescherming te bereiken.

Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

▼B

Artikel 23

Artikel 23

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG (hierna „het comité”genoemd).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

▼M1

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

▼B

Artikel 24

Artikel 24

Overgangsbepaling

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een afvalvoorziening waaraan een vergunning is verleend of die al in bedrijf is op 1 mei 2008, uiterlijk op 1 mei 2012 na die datum aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet, behalve de in artikel 14, lid 1, bedoelde afvalvoorzieningen die binnen 1 mei 2014 na die datum aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen en de in artikel 13, lid 6, bedoelde voorzieningen die binnen de daar aangegeven termijnen aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op afvalvoorzieningen die op 1 mei 2008 gesloten zijn.

3.  De lidstaten verzekeren dat vanaf 1 mei 2006, en ondanks de eventuele sluiting van een afvalvoorziening na die datum en vóór 1 mei 2008, winningsafval zodanig wordt beheerd dat de verwezenlijking van artikel 4, lid 1 van deze richtlijn en andere toepasselijke milieuvoorschriften voorzien in de Gemeenschapswetgeving, met inbegrip van Richtlijn 2000/60/EG, niet in gevaar komen.

4.  Artikel 5, artikel 6, leden 3 tot en met 5, de artikelen 7 en 8, artikel 12, leden 1 en 2, en artikel 14, leden 1 tot en met 3, zijn niet van toepassing op:

— afvalvoorzieningen die voor 1 mei 2006 zijn gestopt,

— met het aanvaarden van afval of de sluitingsprocedures afronden in overeenstemming met de toepasselijke communautaire of nationale wetgeving of met door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde programma's, en

— uiterlijk op 31 december 2010 daadwerkelijk zullen zijn gesloten.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2008 in kennis van zulke gevallen, en zij zorgen ervoor dat deze afvalvoorzieningen worden beheerd op een manier die geen afbreuk doet aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn, in het bijzonder, de doelstellingen van artikel 4, lid 1, en van andere communautaire wetgeving, waaronder Richtlijn 2000/60/EG.

Artikel 25

Artikel 25

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 mei 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

ANNEX I Major-accident prevention policy and information to be communicated to the public concerned




ANNEX I

Major-accident prevention policy and information to be communicated to the public concerned

1.   Major-accident prevention policy

The operator's major-accident prevention policy and safety management system should be proportionate to the major-accident hazards presented by the waste facility. For the purpose of implementing them, account shall be taken of the following elements:

(1) 

the major-accident prevention policy should include the operator's overall aims and principles of action with respect to the control of major-accident hazards;

(2) 

the safety management system should include the part of the general management system which includes the organisational structure, responsibilities, practices, procedures, processes and resources for determining and implementing the major-accident prevention policy;

(3) 

the following issues shall be addressed by the safety management system:

(a) 

organisation and personnel — the roles and responsibilities of personnel involved in the management of major hazards at all levels in the organisation; identification of training needs of such personnel and the provision of the training so identified; and involvement of employees and, where appropriate, subcontractors;

(b) 

identification and evaluation of major hazards — adoption and implementation of procedures for systematically identifying major hazards arising from normal and abnormal operations and assessment of their likelihood and severity;

(c) 

operational control — adoption and implementation of procedures and instructions for safe operation, including maintenance of plant, processes, equipment and temporary stoppages;

(d) 

management of change — adoption and implementation of procedures for planning modifications to, or the design of, new waste facilities;

(e) 

planning for emergencies — adoption and implementation of procedures to identify foreseeable emergencies by systematic analysis and to prepare, test and review emergency plans to respond to such emergencies;

(f) 

monitoring performance — adoption and implementation of procedures for the ongoing assessment of compliance with the objectives set by the operator's major-accident prevention policy and safety management system, and the mechanisms for investigation and taking corrective action in case of non-compliance. The procedures should cover the operator's system for reporting major accidents or near misses, particularly those involving failure of protective measures, and their investigation and follow-up on the basis of lessons learnt;

(g) 

audit and review — adoption and implementation of procedures for periodic systematic assessment of the major-accident prevention policy and the effectiveness and suitability of the safety management system; the documented review of performance of the policy and safety management system and its updating by senior management.

2.   Information to be communicated to the public concerned

(1) 

Name of operator and address of the waste facility.

(2) 

Identification, by position held, of the person providing the information.

(3) 

Confirmation that the waste facility is subject to the regulations and/or administrative provisions implementing this Directive and, when applicable, that the information relevant to the elements referred to in Article 6(2) has been submitted to the competent authority.

(4) 

An explanation in clear and simple terms of the activity or activities undertaken at the site.

(5) 

The common names or the generic names or the general danger classification of the substances and preparations involved at the waste facility as well as waste which could give rise to a major accident, with an indication of their principal dangerous characteristics.

(6) 

General information relating to the nature of the major-accident hazards, including their potential effects on the surrounding population and environment.

(7) 

Adequate information on how the surrounding population concerned are to be warned and kept informed in the event of a major accident.

(8) 

Adequate information on the actions the population concerned should take, and on the behaviour they should adopt, in the event of a major accident.

(9) 

Confirmation that the operator is required to make adequate arrangements on site, in particular liaison with the emergency services, to deal with major accidents and to minimise their effects.

(10) 

A reference to the external emergency plan drawn up to cope with any off-site effects from an accident. This should include advice to co-operate with any instructions or requests from the emergency services at the time of an accident.

(11) 

Details of where further relevant information can be obtained, subject to the requirements of confidentiality laid down in national legislation.

ANNEX II Waste characterisation




ANNEX II

Waste characterisation

The waste to be deposited in a facility shall be characterised in such a way as to guarantee the long‐term physical and chemical stability of the structure of the facility and to prevent major accidents. The waste characterisation shall include, where appropriate and in accordance with the category of the waste facility, the following aspects:

(1) 

description of expected physical and chemical characteristics of the waste to be deposited in the short and the long term, with particular reference to its stability under surface atmospheric/meteorological conditions, taking account of the type of mineral or minerals to be extracted and the nature of any overburden and/or gangue minerals that will be displaced in the course of the extractive operations;

(2) 

classification of the waste according to the relevant entry in Decision 2000/532/EC ( 23 ), with particular regard to its hazardous characteristics;

(3) 

description of the chemical substances to be used during treatment of the mineral resource and their stability;

(4) 

description of the method of deposition;

(5) 

waste transport system to be employed.

ANNEX III Criteria for determining the classification of waste facilities




ANNEX III

Criteria for determining the classification of waste facilities

A waste facility shall be classified under category A if:

— 
a failure or incorrect operation, e.g. the collapse of a heap or the bursting of a dam, could give rise to a major accident, on the basis of a risk assessment taking into account factors such as the present or future size, the location and the environmental impact of the waste facility; or
— 
it contains waste classified as hazardous under Directive 91/689/EEC above a certain threshold; or
— 
it contains substances or preparations classified as dangerous under Directives 67/548/EEC or 1999/45/EC above a certain threshold.
STATEMENT BY THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL AND THE COMMISSION


STATEMENT BY THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL AND THE COMMISSION

The European Parliament, the Council and the Commission welcome the Joint Declaration by Bulgaria and Romania on the implementation of the forthcoming Directive on the Management of Waste from Extractive Industries.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis