+RICHTLIJN 2006/118/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 december 2006 inzake de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging
---+Artikel 1
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
---+Artikel 2
---+Artikel 3
------+Artikel 3 1.
------+Article 3 1a.
------+Article 3 1b.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
------+Artikel 3 6.
------+Artikel 3 7.
---+Artikel 4
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Article 4 2a.
------+Artikel 4 3.
------+Artikel 4 4.
------+Artikel 4 5.
---+Artikel 5
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
---+Artikel 6
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
---+Artikel 6bis
------+Artikel 6bis 1.
------+Artikel 6bis 2.
------+Artikel 6bis 3.
------+Artikel 6bis 4.
------+Artikel 6bis 5.
------+Artikel 6bis 6.
------+Artikel 6bis 7.
------+Artikel 6bis 8.
---+Artikel 7
---+Artikel 8
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
------+Artikel 8 5.
------+Artikel 8 6.
------+Artikel 8 7.
------+Artikel 8 8.
------+Artikel 8 9.
------+Artikel 8 10.
---+Artikel 8bis
------+Artikel 8bis 1.
------+Artikel 8bis 2.
------+Artikel 8bis 3.
------+Artikel 8bis 4.
------+Artikel 8bis 5.
------+Artikel 8bis 6.
---+Artikel 9
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
---+Artikel 11
---+Artikel 12
---+Artikel 13
---+Artikel 14
---+BIJLAGE I KWALITEITSNORMEN (KN) VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
---+BIJLAGE II DREMPELWAARDEN VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
---+BIJLAGE III BEOORDELING VAN DE CHEMISCHE TOESTAND VAN GRONDWATER
---+BIJLAGE IV VASTSTELLING EN OMKERING VAN SIGNIFICANTE EN AANHOUDENDE STIJGENDE TRENDS
---+BIJLAGE V STOFFEN DIE WORDEN GETOETST MET HET OOG OP EVENTUELE OPNEMING IN BIJLAGE I MET EEN UNIEBREDE GRONDWATERKWALITEITSNORM
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN 2006/118/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 december 2006 inzake de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging
RICHTLIJN 2006/118/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 12 december 2006
inzake de voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 1
|
|
|
Artikel 2
|
Artikel 2
Voor de toepassing van deze richtlijn gelden naast de definities van artikel 2 van Richtlijn 2000/60/EG, de volgende definities:
1)
„grondwaterkwaliteitsnorm”: een milieukwaliteitsnorm uitgedrukt als de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in grondwater, die ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu niet mag worden overschreden;
▼M2
2)
“drempelwaarde”: een op het niveau van de Unie vastgestelde grondwaterkwaliteitsnorm, vermeld in deel D van bijlage II of vastgesteld door de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b);
▼B
3)
„significante en aanhoudende stijgende trend”: elke statistisch en uit milieuoogpunt significante toename van de concentratie van een verontreinigende stof, groep verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in het grondwater, die overeenkomstig artikel 5 moet worden omgekeerd;
4)
„inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater”: het als gevolg van menselijke activiteiten direct of indirect inbrengen van verontreinigende stoffen in het grondwater;
5)
„achtergrondniveau”: de concentratie van een stof of de waarde van een indicator in een grondwaterlichaam die overeenkomt met onbestaande, of zeer geringe, antropogene alteraties van de ongerepte toestand;
6)
„basislijnniveau”: de gemiddelde waarde die tenminste is gemeten gedurende de referentiejaren 2007 en 2008 op grond van de volgens artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG ingestelde monitoringprogramma's of, in geval van stoffen die na deze referentiejaren zijn ontdekt, gedurende de eerste periode waarvoor een representatieve periode van monitoringsgegevens bestaat;
▼M2
7)
„indicator van verontreiniging”: een parameter die kan worden gemonitord om een waarde te verkrijgen die representatief is voor het niveau of de concentratie van een verontreinigende stof of een groep verontreinigende stoffen en dus voor het risico ervan.
▼B
|
|
Artikel 3
|
|
|
Artikel 4
|
|
|
Artikel 5
|
|
|
Artikel 6
|
|
|
Artikel 6bis
|
|
|
Artikel 7
|
Artikel 7
In de periode tussen 16 januari 2009 en 22 december 2013 wordt bij nieuwe vergunningsprocedures in de zin van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 80/68/EEG rekening gehouden met de vereisten vastgelegd in de artikelen 3, 4 en 5 van deze richtlijn.
|
|
Artikel 8
|
|
|
Artikel 8bis
|
|
|
Artikel 9
|
|
|
Artikel 11
|
Artikel 11
In het verslag van de Commissie als bedoeld in artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG wordt onder meer geëvalueerd hoe deze richtlijn functioneert ten opzichte van andere relevante milieurichtlijnen, en wordt tevens de samenhang met deze richtlijnen geëvalueerd.
|
|
Artikel 12
|
Artikel 12
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 16 januari 2009 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van de bepalingen mee.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
|
|
Artikel 13
|
Artikel 13
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
|
|
Artikel 14
|
Artikel 14
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
|
|
BIJLAGE I KWALITEITSNORMEN (KN) VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
|
BIJLAGE I
KWALITEITSNORMEN (KN) VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
Indien met betrekking tot een gegeven grondwaterlichaam wordt verondersteld dat de toepassing van de grondwaterkwaliteitsnormen ertoe kan leiden dat de in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG gespecificeerde milieudoelstellingen voor de bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt, of kan resulteren in een significante achteruitgang van de ecologische of chemische kwaliteit van die wateren of in significante schade aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van dat grondwaterlichaam afhankelijk zijn, worden overeenkomstig artikel 3 van en bijlage II bij deze richtlijn stringentere drempelwaarden vastgesteld. Mits er een betrouwbare methode beschikbaar is om de aanwezigheid van grondwaterecosystemen te beoordelen, worden ook strengere grondwaterkwaliteitsnormen vastgelegd voor grondwaterlichamen waar dergelijke ecosystemen aanwezig zijn, tenzij de grondwaterkwaliteitsnormen zijn bepaald om de menselijke gezondheid te beschermen en reeds streng genoeg zijn om die ecosystemen te beschermen.
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5)
|
(6)
|
|
Nr.
|
Naam van de stof
|
Categorie stoffen
|
CAS-nummer (1)
|
EU-nummer (2)
|
Kwaliteitsnorm (3) [μg/l tenzij anders aangegeven]
|
|
1
|
Nitraten
|
Nutriënten
|
niet van toepassing
|
niet van toepassing
|
50 mg/l
|
|
2
|
Werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van hun respectieve metabolieten en afbraak- en reactieproducten (4)
|
Bestrijdingsmiddelen
|
niet van toepassing
|
niet van toepassing
|
0,1 (afzonderlijk)
|
|
0,5 (totaal) (5)
|
|
3
|
PFAS
|
|
|
|
|
|
3.1
|
Som van PFAS
|
Industriële stoffen
|
Zie voetnoot 6
|
Zie voetnoot 6
|
De parameterwaarde zoals vastgelegd in deel B van bijlage I bij Richtlijn (EU) 2020/2184 (6)
|
|
3.2
|
Som van 4 PFAS (7)
|
Industriële stoffen
|
Zie voetnoot 7
|
Zie voetnoot 7
|
0,0044 (7)
|
|
4
|
Carbamazepine
|
Farmaceutische producten
|
298-46-4
|
niet van toepassing
|
2,5 (12)
|
|
5
|
Sulfamethoxazol
|
Farmaceutische producten
|
723-46-6
|
niet van toepassing
|
0,1 (12)
|
|
6
|
Primidon
|
Farmaceutische producten
|
125-33-7
|
|
2,5 (12)
|
|
7
|
Niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen (4)
|
Bestrijdingsmiddelen
|
niet van toepassing
|
niet van toepassing
|
1 of tot 5 (8) (afzonderlijk)
|
|
5 (9) of 12,5 (10) (totaal) (11)
|
|
8
|
Trichloorethyleen en tetrachloorethyleen (de som van deze twee)
|
Industriële stoffen
|
79-01-6 en 127-18-4
|
201-167-4 en 204-825-9
|
10 (totaal) (13)
|
(1)
CAS: Chemical Abstracts Service.
(2)
EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3)
Deze parameter is de kwaliteitsnorm uitgedrukt als jaargemiddelde. Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle stoffen en isomeren.
(4)
Onder “bestrijdingsmiddelen” worden gewasbeschermingsmiddelen en biociden verstaan zoals bedoeld in respectievelijk artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en artikel 3 van Verordening (EU) nr. 528/2012.
Voor die parameter monitoren de lidstaten de werkzame stoffen die aanwezig zijn in bestrijdingsmiddelen die momenteel of voorheen op hun grondgebied worden, respectievelijk werden gebruikt en alle werkzame stoffen waarvan is vastgesteld dat zij aanwezig zijn als gevolg van grensoverschrijdende verontreiniging, alsook hun relevante en niet-relevante metabolieten, afbraak- en reactieproducten, waarbij zij zich baseren op de overeenkomstig artikel 4, lid 2 bis, van deze richtlijn op te stellen lijst, indien beschikbaar. De lidstaten kunnen de monitoring van specifieke werkzame stoffen en hun metabolieten stopzetten indien die niet langer op hun grondgebied worden gebruikt, mits uit eerdere monitoring consequent is gebleken dat die stoffen en metabolieten niet voorkomen in het grondwaterlichaam.
Een metaboliet van een bestrijdingsmiddel wordt als relevant beschouwd indien er reden is om aan te nemen dat de metaboliet intrinsieke eigenschappen heeft die vergelijkbaar zijn met die van de werkzame moederstof wat betreft de toxiciteit voor het te bestrijden plaagorganisme, of dat hij (zelf of via zijn omzettingsproducten) een gezondheidsrisico vormt voor de consument of het milieu.
(5)
Onder “totaal” wordt verstaan de som van alle tijdens de monitoringprocedure vastgestelde en gekwantificeerde afzonderlijke bestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de relevante metabolieten en afbraak- en reactieproducten daarvan.
(6)
Dit verwijst naar de PFAS die zijn opgenomen in deel B, punt 3, van bijlage III bij Richtlijn (EU) 2020/2184. De parameter en de kwaliteitsnorm worden bijgewerkt overeenkomstig de wijzigingen in die richtlijn.
(7)
Dit heeft betrekking op de volgende verbindingen, die met hun CAS-nummer en EU-nummer worden vermeld: perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS), (CAS 355-46-4, EU 206-587-1); perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) (CAS 1763-23-1, EU 217-179-8); perfluoroctaanzuur (PFOA) (CAS 335-67-1, EU 206-397-9); perfluornonaanzuur (PFNA) (CAS 375-95-1, EU 206-801-3). Voor de som van vier PFAS hebben de vermelde CAS-nummers alleen betrekking op de geprotoneerde vorm van de individuele PFAS, maar de som is van toepassing op de totale concentratie van de opgeloste stoffen, met inbegrip van geprotoneerde en gedeprotoneerde vormen en hun lineaire en vertakte isomeren.
(8)
De lidstaten passen een standaardkwaliteitsnorm van 1 μg/l toe, tenzij zij betrouwbaar bewijs leveren, onder meer uit tests van acute en chronische toxiciteit op de taxonomische groep waarvan betrouwbaar wordt voorspeld dat deze de gevoeligste is, dat een meer of minder strenge norm gerechtvaardigd is, in welk geval zij die norm toepassen tot een maximum van 5 μg/l.
(9)
De totale concentratie van niet-relevante metabolieten waarvoor de standaardkwaliteitsnorm van 1 μg/l voor individuele niet-relevante metabolieten of een strengere norm geldt, mag niet hoger zijn dan 5 μg/l.
(10)
De totale concentratie van niet-relevante metabolieten waarvoor normen van meer dan 1 en maximaal 5 μg/l voor individuele niet-relevante metabolieten gelden, mag niet hoger zijn dan 12,5 μg/l.
(11)
Onder “totaal” wordt verstaan de som van alle individuele niet-relevante metabolieten in elke kwaliteitsstandaardcategorie die bij de monitoringprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd, welke som ten minste de overeenkomstig artikel 4, lid 2 bis, vermelde niet-relevante metabolieten moet omvatten.
(12)
Indien een betrouwbare methode beschikbaar is, beoordelen de lidstaten de aanwezigheid van grondwaterecosystemen in grondwaterlichamen waarvan de kenmerken het bestaan ervan zouden kunnen staven, en bepalen zij, indien dergelijke ecosystemen aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), voor deze stof een strengere drempelwaarde die toereikend is om die ecosystemen te beschermen.
(13)
Onder “totaal” wordt verstaan de som van de concentraties van trichloorethyleen en tetrachloorethyleen.
|
|
|
BIJLAGE II DREMPELWAARDEN VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
|
BIJLAGE II
DREMPELWAARDEN VOOR GRONDWATERVERONTREINIGENDE STOFFEN EN INDICATOREN VAN VERONTREINIGING
Deel A
Richtsnoeren voor de vaststelling van drempelwaarden door de lidstaten overeenkomstig artikel 3
De lidstaten bepalen voor alle verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging de drempelwaarden op grond waarvan, conform de analyse van de kenmerken krachtens artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG, wordt vastgesteld dat grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen het gevaar lopen geen goede chemische toestand van het grondwater te bereiken.
▼M2
In overeenstemming met artikel 15 van richtlijn 2000/60/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde instanties de Commissie in kennis stellen van de drempelwaarden voor verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging.
▼B
De drempelwaarden worden zodanig vastgesteld dat, mochten de monitoringresultaten in een representatief monitoringpunt de drempelwaarden overschrijden, dit wijst op een risico dat niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwater als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder c), punten ii), iii) en iv).
Bij het vaststellen van drempelwaarden nemen de lidstaten de volgende richtsnoeren in acht:
1.
De vaststelling van de drempelwaarden moet gebaseerd zijn op:
a)
de mate van interacties tussen het grondwater en de bijbehorende aquatische en daarvan afhankelijke terrestrische ecosystemen;
b)
de belemmering voor het rechtmatige gebruik of rechtmatige functies, feitelijk of potentieel, van het grondwater;
c)
alle verontreinigende stoffen waardoor grondwaterlichamen als gevaarlopend worden aangemerkt, rekening houdend met de in deel B opgenomen minimumlijsten;
d)
de hydrogeologische kenmerken, onder meer informatie over achtergrondniveaus en waterbalans.
2.
Bij de bepaling van de drempelwaarden moet tevens rekening worden gehouden met de oorsprong van de verontreinigende stoffen, het mogelijk natuurlijk voorkomen ervan, hun toxicologische kenmerken, dispersie eigenschappen, persistentie en vermogen tot bioaccumulatie.
▼M1
3.
Daar waar hoge achtergrondniveaus van stoffen of ionen of indicatoren daarvan voorkomen ten gevolge van natuurlijke hydrogeologische oorzaken, wordt met deze achtergrondniveaus in het betrokken grondwaterlichaam rekening gehouden bij het vaststellen van de drempelwaarden. Bij het bepalen van de achtergrondniveaus moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:
a)
de bepaling van achtergrondniveaus moet worden gebaseerd op de karakterisering van grondwaterlichamen overeenkomstig bijlage II bij Richtlijn 2000/60/EG en op de resultaten van de monitoring van het grondwater overeenkomstig bijlage V bij die richtlijn. Bij de monitoringstrategie en interpretatie van de gegevens moet rekening worden gehouden met het feit dat de grondwaterstroming en -chemie zowel lateraal als verticaal variëren;
b)
wanneer slechts beperkte grondwatermonitoringsgegevens beschikbaar zijn, moeten meer gegevens worden verzameld en in de tussentijd moeten achtergrondniveaus worden bepaald op basis van die beperkte gegevens, in voorkomend geval door een vereenvoudigde benadering met een subset van monsters waarvoor de indicatoren geen invloed van menselijke activiteiten hebben ondergaan. Informatie over de geochemische overdrachten en processen moet, indien beschikbaar, ook in aanmerking worden genomen;
c)
wanneer onvoldoende grondwatermonitoringsgegevens beschikbaar zijn en de informatie over de geochemische overdrachten en processen ontoereikend is, moeten meer gegevens en informatie worden verzameld, en in de tussentijd moeten achtergrondniveaus worden ingeschat, in voorkomend geval op basis van statistische resultaten voor hetzelfde type watervoerende lagen in andere gebieden waarvoor voldoende gegevens voorhanden zijn.
▼B
4.
De bepaling van drempelwaarden moet worden ondersteund door een controlemechanisme voor de verzamelde gegevens, gebaseerd op een evaluatie van de kwaliteit van de gegevens, analytische overwegingen en achtergrondniveaus voor stoffen die zowel natuurlijk als door menselijke activiteiten kunnen voorkomen.
Deel B
Minimumlijsten van verontreinigende stoffen en indicatoren ten aanzien waarvan de lidstaten de vaststelling van drempelwaarden overeenkomstig artikel 3 moeten overwegen
1. Stoffen of ionen of indicatoren die zowel natuurlijk als ten gevolge van menselijke activiteiten kunnen voorkomen
Arsenicum
Cadmium
Lood
Kwik
Ammonium
Chloride
Sulfaat
▼M1
Nitriet
Fosfor (totaal)/Fosfaten (
12
)
▼M2
2.
Door de mens vervaardigde synthetische stoffen (
13
)
Trichloorethyleen
Tetrachloorethyleen
▼B
3. Parameters voor zout- of andere indringing (
14
)
Conductiviteit
▼M1
Deel C
▼M2
Door de lidstaten te verstrekken informatie met betrekking tot de verontreinigende stoffen en de indicatoren van verontreiniging waarvoor de lidstaten drempelwaarden hebben bepaald
▼M1
De lidstaten voegen in het overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG ingediende stroomgebiedbeheersplan informatie bij over de wijze waarop de in deel A van deze bijlage omschreven procedure is gevolgd.
In het bijzonder verstrekken de lidstaten:
a)
gegevens over elk van de grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die als gevaarlopend zijn aangemerkt, met inbegrip van:
i)
de omvang van dat lichaam;
ii)
elke verontreinigende stof of indicator van verontreiniging die typisch is voor grondwaterlichamen die als gevaarlopend worden aangemerkt;
iii)
de milieukwaliteitsdoelstellingen waarop het risico betrekking heeft, zoals het werkelijke of mogelijke rechtmatige gebruik of de rechtmatige functies van het grondwaterlichaam en de relaties tussen de grondwaterlichamen en de bijbehorende oppervlaktewateren en daarvan rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;
iv)
in het geval van natuurlijk voorkomende stoffen, de natuurlijke achtergrondniveaus daarvan in het grondwaterlichaam;
v)
informatie over de overschrijdingen indien de drempelwaarden worden overschreden;
b)
de drempelwaarden die hetzij op nationaal niveau, hetzij op het niveau van het stroomgebieddistrict of het deel van het internationaal stroomgebieddistrict dat binnen het grondgebied van een lidstaat ligt, hetzij voor een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen van toepassing zijn;
c)
het verband tussen de drempelwaarden en elk van de volgende gegevens:
i)
in het geval van natuurlijk voorkomende stoffen, de achtergrondniveaus;
ii)
de bijbehorende oppervlaktewateren en daarvan rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;
iii)
milieukwaliteitsdoelstellingen en andere geldende waterbeschermingsnormen op nationaal, internationaal of EU-niveau;
iv)
alle relevante informatie betreffende toxicologische en ecotoxicologische kenmerken, persistentie en het vermogen tot bioaccumulatie, en de dispersie-eigenschappen van de verontreinigende stoffen;
d)
de methodologie voor het bepalen van de achtergrondniveaus op basis van de beginselen van punt 3 van deel A;
e)
de redenen waarom geen drempelwaarden zijn vastgesteld voor een of meer van de in deel B bedoelde verontreinigende stoffen en indicatoren;
f)
de belangrijkste onderdelen van de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater, met inbegrip van het niveau, de methode en de aggregatieperiode van de monitoringsresultaten, de omschrijving van de aanvaardbare mate van overschrijding en de methode voor de berekening ervan, zulks overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder c), i), en punt 3 van bijlage III.
Wanneer een van de in punten a) tot en met f) bedoelde gegevens niet is verwerkt in de stroomgebiedbeheersplannen, verstrekt de lidstaat in het plan de redenen hiervoor.
▼M2
Deel D
Register van geharmoniseerde drempelwaarden voor door de mens vervaardigde synthetische stoffen (
*1
) in het grondwater die op nationaal, regionaal of lokaal niveau aanleiding geven tot bezorgdheid
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5)
|
(6)
|
|
Nr.
|
Naam van de stof
|
Categorie stoffen
|
CAS-nummer (1)
|
EU-nummer (2)
|
Drempelwaarde
[μg/l tenzij anders aangegeven]
|
|
|
Afzonderlijke farmaceutische werkzame stoffen (3)
|
Farmaceutische producten
|
|
|
2,5 (4)
|
(1)
CAS: Chemical Abstracts Service.
(2)
EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
(3)
Farmaceutische werkzame stoffen zoals gedefinieerd in Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EU) 2019/6.
(4)
De lidstaten passen deze drempelwaarde toe, tenzij voor de betrokken stof op Unie- of nationaal niveau specifiek een norm of drempelwaarde voor oppervlaktewater of grondwater is bepaald. Indien een betrouwbare methode beschikbaar is, beoordelen de lidstaten de aanwezigheid van grondwaterecosystemen in grondwaterlichamen waarvan de kenmerken het bestaan ervan zouden kunnen staven, en bepalen zij, indien dergelijke ecosystemen aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), voor die stof een strengere drempelwaarde indien die nodig is om die ecosystemen te beschermen.
|
▼B
|
|
BIJLAGE III BEOORDELING VAN DE CHEMISCHE TOESTAND VAN GRONDWATER
|
BIJLAGE III
BEOORDELING VAN DE CHEMISCHE TOESTAND VAN GRONDWATER
1. De beoordelingsprocedure voor de bepaling van de chemische toestand van een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen, wordt toegepast op alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die als gevaarlopend zijn aangemerkt, en op alle verontreinigende stoffen die ertoe bijdragen dat het grondwaterlichaam of de groep grondwaterlichamen zo gekarakteriseerd zijn.
2. Bij het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder c), houden de lidstaten rekening met:
a)
de informatie die werd verzameld in het kader van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG en de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van bijlage II van die richtlijn uit te voeren analyse van de kenmerken;
b)
de overeenkomstig bijlage V, punt 2.4, van Richtlijn 2000/60/EG verkregen resultaten van het grondwatermeetnet; en
▼M2
c)
alle andere relevante informatie, waaronder een vergelijking van de over een jaar rekenkundig gemiddelde concentratie van de relevante verontreinigende stoffen in een monitoringpunt met de in bijlage I vastgelegde grondwaterkwaliteitsnormen en de in artikel 3, lid 1, onder b) en c), vermelde drempelwaarden.
▼B
3. Teneinde na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor een goede chemische toestand van grondwater als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder c), punten i) en iv), ramen de lidstaten, waar passend en nodig, op basis van geschikte aggregatie van monitoringresultaten en in voorkomend geval ondersteund door ramingen van concentraties op basis van een conceptueel model van het grondwaterlichaam of de groep grondwaterlichamen, de omvang van het grondwaterlichaam dat voor een verontreinigende stof een over het jaar rekenkundig gemiddelde concentratie heeft die hoger ligt dan een grondwaterkwaliteitsnorm of een drempelwaarde.
4. Teneinde na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor een goede chemische toestand van grondwater als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder c), punten ii) en iii), beoordelen de lidstaten, waar relevant en nodig, op basis van de betrokken monitoringresultaten en een geschikt conceptueel model van het grondwater:
a)
de gevolgen van de verontreinigende stoffen voor het grondwaterlichaam;
b)
de hoeveelheden en concentraties van de verontreinigende stoffen die vanuit het grondwaterlichaam in de bijbehorende oppervlaktewateren of de rechtstreeks daarvan afhankelijke terrestrische ecosystemen terechtkomen of waarschijnlijk terechtkomen;
c)
de waarschijnlijke effecten van de hoeveelheden en concentraties verontreinigende stoffen die in de bijbehorende oppervlaktewateren en de daarvan afhankelijke terrestrische ecosystemen terechtkomen;
d)
de omvang van zout- of andere indringing in het grondwaterlichaam; en
e)
het risico van verontreinigende stoffen in het grondwaterlichaam voor de kwaliteit van water dat voor menselijk gebruik uit het grondwaterlichaam is of zal worden onttrokken.
5. De lidstaten geven de chemische toestand van een grondwaterlichaam of groep grondwaterlichamen weer op kaarten overeenkomstig bijlage V, punten 2.4.5 en 2.5, van Richtlijn 2000/60/EG. Ook geven de lidstaten, indien relevant en haalbaar, op die kaarten alle monitoringpunten aan waar grondwaterkwaliteitsnormen en/of drempelwaarden worden overschreden.
|
|
BIJLAGE IV VASTSTELLING EN OMKERING VAN SIGNIFICANTE EN AANHOUDENDE STIJGENDE TRENDS
|
BIJLAGE IV
VASTSTELLING EN OMKERING VAN SIGNIFICANTE EN AANHOUDENDE STIJGENDE TRENDS
Deel A
Vaststelling van significante en aanhoudende stijgende trends
De lidstaten stellen significante en aanhoudende stijgende trends vast in alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 2000/60/EG als gevaar lopend zijn aangemerkt, rekening houdend met de volgende eisen:
1.
overeenkomstig punt 2.4 van bijlage V van Richtlijn 2000/60/EG wordt het monitoringprogramma opgesteld met het oog op het aan het licht brengen van significante en aanhoudende stijgende trends in de concentraties van de uit hoofde van artikel 3 van deze richtlijn vastgestelde verontreinigende stoffen;
2.
de vaststelling van significante en aanhoudende stijgende trends wordt gebaseerd op de volgende procedure:
a)
monitoringfrequenties en monitoringlocaties worden zodanig bepaald dat:
i)
de nodige gegevens worden ingewonnen om stijgende trends met voldoende betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van natuurlijke variatie te kunnen onderscheiden;
ii)
stijgende trends tijdig kunnen worden vastgesteld, zodat maatregelen kunnen worden getroffen om voor het milieu significante nadelige veranderingen in de kwaliteit van het grondwater te voorkomen, of ten minste zoveel mogelijk te mitigeren; deze vaststelling wordt indien mogelijk voor het eerst in 2009 uitgevoerd, rekening houdend met bestaande gegevens, in het kader van het in artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG omschreven rapport over de vaststelling van trends in het eerste stroomgebiedbeheersplan, en vervolgens ten minste om de zes jaar;
iii)
rekening kan worden gehouden met tijdsafhankelijke fysische en chemische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van de grondwaterstroming en de infiltratie en de filtratiesnelheid in de bodem of ondergrond;
b)
de gebruikte monitoring- en analysemethodes beantwoorden aan internationale beginselen inzake kwaliteitscontrole — in voorkomend geval CEN-normen of nationale gestandaardiseerde methodes — om gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit en vergelijkbaarheid van de verkregen gegevens te verzekeren;
c)
de beoordeling wordt gebaseerd op een statistische methode, zoals regressieanalyse, voor trendanalyse van tijdreeksen van individuele monitoringpunten;
d)
om vertekening bij het vaststellen van trends te vermijden, worden alle meetwaarden beneden de kwantificeringslimiet bepaald op de helft van de waarde van de hoogste kwantificeringslimiet in de tijdreeksen, behalve voor bestrijdingsmiddelen (totaal).
3.
met het oog op de rapportage over de vaststelling van trends in het kader van het eerste stroomgebiedbeheersplan als omschreven in artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG, wordt voor de vaststelling van significante en aanhoudende stijgende trends in de concentratie van stoffen, die zowel natuurlijk als ten gevolge van menselijke activiteiten voorkomen, rekening gehouden met de basislijnniveaus en, indien voorhanden, de gegevens die vóór het begin van het monitoringprogramma werden vergaard.
Deel B
Beginpunten voor omkering van trends
De lidstaten bewerkstelligen de omkering van een significante en aanhoudende stijgende trend, overeenkomstig artikel 5, met inaanmerkingneming van de volgende voorschriften:
1.
▼M2
als beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend om te keren geldt dat de concentratie van de verontreinigende stof 75 % bedraagt van de parameterwaarden van de grondwaterkwaliteitsnormen van bijlage I en van de drempelwaarden zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), tenzij:
▼B
a)
een eerder beginpunt vereist is om door het nemen van trendomkeringsmaatregelen op de meest kostenefficiënte wijze voor het milieu significante nadelige veranderingen in de grondwaterkwaliteit te voorkomen of ten minste zoveel mogelijk te mitigeren;
b)
een verschillend beginpunt verantwoord is indien de opsporingslimiet het niet mogelijk maakt een trend vast te stellen bij 75 % van de parameterwaarden; of
c)
de toenamesnelheid en de omkeerbaarheid van de trend zodanig zijn dat ook bij een later beginpunt voor trendomkeringsmaatregelen, met dergelijke maatregelen op de meest kostenefficiënte wijze voor het milieu significante nadelige veranderingen in de grondwaterkwaliteit kunnen worden voorkomen of ten minste zoveel mogelijk gemitigeerd. Zo een later aanvangspunt mag er niet toe leiden dat de termijn voor de milieudoelstellingen niet wordt gehaald.
Voor activiteiten die onder de werkingssfeer van Richtlijn 91/676/EEG vallen, wordt het beginpunt voor de toepassing van maatregelen om een significante en aanhoudende stijgende trend om te keren, vastgesteld overeenkomstig die richtlijn en Richtlijn 2000/60/EG en met name met het oog op de doelstellingen voor waterbescherming als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG;
2.
zodra een beginpunt is vastgesteld voor een grondwaterlichaam dat overeenkomstig bijlage V, punt 2.4.4. van Richtlijn 2000/60/EG en in de zin van punt 1. van deel B van deze bijlage als gevaar lopend is aangemerkt, wordt het niet gewijzigd tijdens de zesjarige looptijd van het krachtens artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG vereiste stroomgebiedbeheersplan.
3.
omkeringen van een trend moeten worden aangetoond, rekening houdend met de relevante monitoringbepalingen van Deel A, punt 2.
|
|
BIJLAGE V STOFFEN DIE WORDEN GETOETST MET HET OOG OP EVENTUELE OPNEMING IN BIJLAGE I MET EEN UNIEBREDE GRONDWATERKWALITEITSNORM
|
BIJLAGE V
STOFFEN DIE WORDEN GETOETST MET HET OOG OP EVENTUELE OPNEMING IN BIJLAGE I MET EEN UNIEBREDE GRONDWATERKWALITEITSNORM
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5)
|
(6)
|
|
Nr.
|
Naam van de stof
|
Categorie stoffen
|
CAS-nummer (1)
|
EU-nummer (2)
|
Drempelwaarde
[μg/l tenzij anders aangegeven]
|
|
|
Som(men) van geselecteerde farmaceutische producten naar werking
|
Farmaceutische producten
|
|
|
|
|
|
Som van bisfenolen
|
Industriële stoffen
|
|
|
|
(1)
CAS: Chemical Abstracts Service.
(2)
EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (Einecs) of de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (Elincs).
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|