+RICHTLIJN 2009/31/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Voor de EER relevante tekst)
---+CHAPTER 1 SUBJECT MATTER, SCOPE AND DEFINITIONS
------+Artikel 1 Onderwerp en doel
---------+Article 1 1.
---------+Article 1 2.
------+Artikel 2 Toepassingsgebied en verbod
---------+Article 2 1.
---------+Article 2 2.
---------+Article 2 3.
---------+Article 2 4.
------+Artikel 3 Definities
---+HOOFDSTUK 2 SELECTIE VAN OPSLAGLOCATIES EN EXPLORATIEVERGUNNINGEN
------+Artikel 4 Selectie van opslaglocaties
---------+Article 4 1.
---------+Article 4 2.
---------+Article 4 3.
---------+Article 4 4.
------+Artikel 5 Exploratievergunningen
---------+Article 5 1.
---------+Article 5 2.
---------+Article 5 3.
---------+Article 5 4.
---+HOOFDSTUK 3 OPSLAGVERGUNNINGEN
------+Artikel 6 Opslagvergunningen
---------+Article 6 1.
---------+Article 6 2.
---------+Article 6 3.
------+Artikel 7 Aanvragen voor opslagvergunningen
------+Artikel 8 Voorwaarden voor opslagvergunningen
------+Artikel 9 Inhoud van opslagvergunningen
------+Artikel 10 Evaluatie van ontwerp-opslagvergunningen door de Commissie
---------+Article 10 1.
---------+Article 10 2.
------+Artikel 11 Wijziging, evaluatie, actualisering en intrekking van opslagvergunningen
---------+Article 11 1.
---------+Article 11 2.
---------+Article 11 3.
---------+Article 11 4.
---+HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN VOOR EXPLOITATIE, AFSLUITING EN PERIODE NA AFSLUITING
------+Artikel 12 CO2-stroomaanvaardingscriteria en -procedure
---------+Article 12 1.
---------+Article 12 2.
---------+Article 12 3.
------+Artikel 13 Monitoring
---------+Article 13 1.
---------+Article 13 2.
------+Artikel 14 Rapportering door de exploitant
------+Artikel 15 Inspecties
---------+Article 15 1.
---------+Article 15 2.
---------+Article 15 3.
---------+Article 15 4.
---------+Article 15 5.
------+Artikel 16 Maatregelen in het geval van lekkages of significante onregelmatigheden
---------+Article 16 1.
---------+Article 16 2.
---------+Article 16 3.
---------+Article 16 4.
---------+Article 16 5.
------+Artikel 17 Verplichtingen bij afsluiting en in de periode na afsluiting
---------+Article 17 1.
---------+Article 17 2.
---------+Article 17 3.
---------+Article 17 4.
---------+Article 17 5.
------+Artikel 18 Overdracht van de verantwoordelijkheid
---------+Article 18 1.
---------+Article 18 2.
---------+Article 18 3.
---------+Article 18 4.
---------+Article 18 5.
---------+Article 18 6.
---------+Article 18 7.
---------+Article 18 8.
------+Artikel 19 Financiële zekerheid
---------+Article 19 1.
---------+Article 19 2.
---------+Article 19 3.
------+Artikel 20 Financieel mechanisme
---------+Article 20 1.
---------+Article 20 2.
---+HOOFDSTUK 5 TOEGANG VAN DERDEN
------+Artikel 21 Toegang tot transportnetwerk en opslaglocaties
---------+Article 21 1.
---------+Article 21 2.
---------+Article 21 3.
---------+Article 21 4.
------+Artikel 22 Geschillenbeslechting
---------+Article 22 1.
---------+Article 22 2.
---+HOOFDSTUK 6 ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 23 Bevoegde autoriteit
------+Artikel 24 Grensoverschrijdende samenwerking
------+Artikel 25 Registers
---------+Article 25 1.
---------+Article 25 2.
------+Artikel 26 Informatie aan het publiek
------+Artikel 27 Rapportering door de lidstaten
---------+Article 27 1.
---------+Article 27 2.
------+Artikel 28 Sancties
------+Artikel 29 Wijzigingen van de bijlagen
------+Article 29a Exercise of the delegation
---------+Article 29a 1.
---------+Article 29a 2.
---------+Article 29a 3.
---------+Article 29a 4.
---------+Article 29a 5.
---------+Article 29a 6.
------+Artikel 30 Comitéprocedure
---------+Article 30 1.
---------+Article 30 2.
---+HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN
------+Artikel 32 Wijziging van Richtlijn 2000/60/EG
------+Artikel 33 Wijziging van Richtlijn 2001/80/EG
---------+Article 33 1.
---------+Article 33 2.
------+Artikel 34 Wijziging van Richtlijn 2004/35/EG
------+Artikel 35 Wijziging van Richtlijn 2006/12/EG
------+Artikel 36 Wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006
------+Artikel 37 Wijziging van Richtlijn 2008/1/EG
---+HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 38 Evaluatie
---------+Article 38 2.
---------+Article 38 3.
------+Artikel 39 Omzetting en overgangsmaatregelen
---------+Article 39 1.
---------+Article 39 2.
---------+Article 39 3.
------+Artikel 40 Inwerkingtreding
------+Artikel 41 Adressaten
---+BIJLAGE I IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE CRITERIA VOOR DE KARAKTERISERING EN BEOORDELING VAN HET POTENTIËLE OPSLAGCOMPLEX EN HET OMLIGGENDE GEBIED
---+BIJLAGE II CRITERIA VOOR DE VASTSTELLING EN ACTUALISERING VAN HET IN ARTIKEL 13, LID 2, BEDOELDE MONITORINGSPLAN EN VOOR DE MONITORING IN DE PERIODE NA AFSLUITING
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN 2009/31/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN 2009/31/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 april 2009

betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
CHAPTER 1 SUBJECT MATTER, SCOPE AND DEFINITIONS CHAPTER 1 SUBJECT MATTER, SCOPE AND DEFINITIONS
HOOFDSTUK 2 SELECTIE VAN OPSLAGLOCATIES EN EXPLORATIEVERGUNNINGEN HOOFDSTUK 2 SELECTIE VAN OPSLAGLOCATIES EN EXPLORATIEVERGUNNINGEN
HOOFDSTUK 3 OPSLAGVERGUNNINGEN HOOFDSTUK 3 OPSLAGVERGUNNINGEN
HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN VOOR EXPLOITATIE, AFSLUITING EN PERIODE NA AFSLUITING HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN VOOR EXPLOITATIE, AFSLUITING EN PERIODE NA AFSLUITING
HOOFDSTUK 5 TOEGANG VAN DERDEN HOOFDSTUK 5 TOEGANG VAN DERDEN
HOOFDSTUK 6 ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 6 ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN
HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN
BIJLAGE I IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE CRITERIA VOOR DE KARAKTERISERING EN BEOORDELING VAN HET POTENTIËLE OPSLAGCOMPLEX EN HET OMLIGGENDE GEBIED

BIJLAGE I

IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE CRITERIA VOOR DE KARAKTERISERING EN BEOORDELING VAN HET POTENTIËLE OPSLAGCOMPLEX EN HET OMLIGGENDE GEBIED

De in artikel 4, lid 3, bedoelde karakterisering en beoordeling van het potentiële opslagcomplex en het omliggende gebied wordt overeenkomstig de op het moment van de beoordeling bestaande beste praktijken en met gebruikmaking van de volgende criteria uitgevoerd in drie fasen. Afwijkingen van één of meer van die criteria kunnen door de bevoegde autoriteit worden toegestaan op voorwaarde dat de exploitant heeft aangetoond dat niet wordt geraakt aan het vermogen om via karakterisering en beoordeling geschikte opslaglocaties te selecteren overeenkomstig artikel 4.

Fase 1 —   Gegevensverzameling

Er moeten voldoende gegevens worden verzameld om een volumetrisch en statisch driedimensionaal (3-D) model voor de opslaglocatie en het opslagcomplex uit te werken, met inbegrip van de afdichtende laag en het omliggende gebied, inclusief de hydraulisch verbonden gebieden. Deze gegevens omvatten minimaal de volgende intrinsieke kenmerken met betrekking tot het opslagcomplex:

a) geologie en geofysica;

b) hydrogeologie (met name de aanwezigheid van voor consumptie bestemd grondwater);

c) engineering van het reservoir (onder meer volumetrische berekening van het poriënvolume met het oog op CO2-injectie en uiteindelijke opslagcapaciteit);

d) geochemie (oplossnelheid, mineraliseringssnelheid);

e) geomechanica (permeabiliteit, breukspanning);

f) seismische activiteit;

g) aanwezigheid van natuurlijke en door de mens veroorzaakte migratiewegen, met inbegrip van bronnen en boorgaten die kunnen leiden tot lekkage, en de toestand van deze migratiewegen.

De volgende kenmerken van de complexe omgeving dienen te worden gedocumenteerd:

h) het opslagcomplex omringende domeinen die beïnvloed kunnen worden door de opslag van CO2 in de opslaglocatie;

i) bevolkingsspreiding in de regio boven de opslaglocatie;

j) nabijheid van waardevolle natuurlijke rijkdommen (met name onder meer Natura 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand ( 4 ) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna ( 5 ), drinkbaar grondwater en koolwaterstoffen);

k) activiteiten in de omgeving van het opslagcomplex en mogelijke interactie met deze activiteiten (bv. exploratie, productie en opslag van koolwaterstoffen, geothermisch gebruik van waterhoudende grondlagen en gebruik van ondergrondse waterreserves);

l) nabijheid van de voor opslag in overweging genomen potentiële CO2-bronnen (inclusief raming van de totale potentiële massa van CO2 die economisch beschikbaar is voor opslag) en van adequate vervoersnetwerken.

Fase 2 —   Opbouw van het driedimensionaal statisch geologisch model

Met de in fase 1 verzamelde gegevens wordt een driedimensionaal statisch geologisch model, of worden een reeks modellen van het kandidaat-opslagcomplex, met inbegrip van de afdichtende laag en de hydraulisch verbonden gebieden en fluïda, opgebouwd met computersimulaties van reservoirs. Met die statische geologische modellen wordt een opslagcomplex gekarakteriseerd in termen van:

a) de geologische structuur van de fysische insluiting;

b) de geomechanische, geochemische en stromingskenmerken van het reservoir, van de bovenliggende lagen (afdichtende laag, afdichtingen, poreuze en permeabele horizons) en van de omliggende formaties;

c) karakterisering van het barstensysteem en de aanwezigheid van door de mens gemaakte migratiewegen;

d) oppervlakte en hoogte van het opslagcomplex;

e) volume van de poriënruimte (inclusief de verdeling van de porositeit);

f) uitgangssituatie waterdistributie;

g) andere relevante kenmerken.

De onzekerheid op het gebied van de afzonderlijke parameters die worden gebruikt om het model te ontwerpen, wordt ingeschat door voor elke parameter een reeks scenario’s uit te werken en de desbetreffende betrouwbaarheidsgrenzen te berekenen. Ook de onzekerheid op het gebied van het model als geheel moet worden ingeschat.

Fase 3 —   Karakterisering van het dynamisch opslaggedrag, karakterisering van de gevoeligheid, risicobeoordeling

De karakterisering en de beoordeling worden gebaseerd op een dynamische modellering, die een reeks timestep-simulaties van CO2-injecties in de opslaglocatie omvat en waarbij gebruik wordt gemaakt van het statische geologische model voor de in de tweede fase ontworpen computersimulatie van het opslagcomplex.

Fase 3.1 — Karakterisering van het dynamisch opslaggedrag

Ten minste de volgende elementen worden in de beschouwing betrokken:

a) mogelijke injectiesnelheden en CO2-stromingskenmerken;

b) de efficiëntie van de modellering van gekoppelde processen (d.w.z. de manier waarop verschillende afzonderlijke effecten in de simulator op elkaar inwerken);

c) reactieve processen (d.w.z. de manier waarop het model terugkoppelt op reacties van het geïnjecteerde CO2 met mineralen in situ);

d) de gebruikte simulator van het reservoir (om bepaalde bevindingen te valideren, moeten wellicht meerdere simulaties worden gebruikt);

e) korte- en langetermijnsimulaties (om het CO2-gedrag te bestuderen in een tijdsbestek van decennia, dan wel millennia, inclusief de oplossnelheid van CO2 in water).

De dynamische modellering moet een inzicht geven in:

f) druk en temperatuur van de opslagformatie afgezet tegen de injectiesnelheid en de in de tijd geaccumuleerde injectiehoeveelheid;

g) oppervlakte en hoogte van de CO2-pluim vs. tijd;

h) aard van de CO2-stroom in het reservoir, inclusief fasegedrag;

i) CO2-insluitingsmechanismen en -snelheden (inclusief overlooppunten en laterale en verticale afsluitingen);

j) omliggende opslagformaties in het geheel van het opslagcomplex;

k) opslagcapaciteit en drukgradiënten in de opslaglocatie;

l) het risico van het doorbreken van de opslagformatie(s) en de afsluitende laag;

m) het risico dat CO2 in de afdichtende laag binnendringt;

n) het risico van lekkage uit de opslaglocatie (bijvoorbeeld via verlaten of niet goed afgesloten putten);

o) het migratietempo (in niet-begrensde reservoirs);

p) afdichtingssnelheden bij barsten;

q) wijzigingen van de chemische fluïdasamenstelling in formatie(s) en daaruit voortkomende reacties (bv. wijziging van de pH, vorming van mineralen) en integratie van reactieve modellering om de effecten in te schatten;

r) verplaatsing van fluïda in de opslagformatie;

s) toegenomen seismische activiteit en landhoogte aan de oppervlakte.

Fase 3.2 — Karakterisering van de gevoeligheid

Er moeten meerdere simulaties worden uitgevoerd ter bepaling van de gevoeligheid van de simulaties aan aannamen voor specifieke parameters. Daarbij worden de parameters in het statische geologische model van de opslaglocatie gewijzigd, alsook de snelheidsaannamen en de aannamen bij de dynamische modellering. Bij de risicobeoordeling wordt rekening gehouden met elke betekenisvolle gevoeligheid.

Fase 3.3 — Risicobeoordeling

De risicobeoordeling omvat onder meer:

3.3.1.   Karakterisering van de gevaren

De karakterisering van de gevaren gebeurt op grond van een inschatting van het lekkagerisico voor het opslagcomplex, als bepaald via de hierboven beschreven dynamische modellering en karakterisering van de veiligheid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar:

a) potentiële migratiewegen;

b) potentiële omvang van lekkages voor welbepaalde migratiewegen (stroomsnelheden);

c) kritische parameters die het lekkagepotentieel beïnvloeden (bv. maximale reservoirdruk, maximale injectiesnelheid, temperatuur, gevoeligheid aan de verschillende aannamen in het statische geologische model, bij wijze van voorbeeld);

d) secundaire effecten van de opslag van CO2, zoals weggedrukte fluïda in de formatie en nieuwe verbindingen die bij de CO2-opslag worden gevormd;

e) andere factoren die een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid of het milieu (bij wijze van voorbeeld fysieke structuren in verband met het project).

De karakterisering van de gevaren verloopt voor de volledige reeks potentiële bedrijfsomstandigheden waarbij de veiligheid van het opslagcomplex wordt getest.

3.3.2.

Beoordeling van de blootstelling — gebaseerd op de kenmerken van het milieu en de spreiding en de activiteiten van de menselijke bevolking boven het opslagcomplex, en het potentiële en toekomstige gedrag van CO2-lekken via de in fase 3.3.1 geïdentificeerde potentiële migratiewegen;

3.3.3.

Beoordeling van de effecten — gebaseerd op de gevoeligheid van bepaalde soorten, gemeenschappen of habitats voor potentiële lekkage-incidenten als geïdentificeerd in fase 3.3.1. Wanneer relevant worden ook de effecten van blootstelling aan verhoogde CO2-concentraties in de biosfeer in rekening gebracht (inclusief bodems, mariene sedimenten en water bij de zeebodem (asfyxiatie, hypercapnia enz.) en verlaagde pH in dergelijke omgevingen ten gevolge van weglekkend CO2). Dit omvat ook een beoordeling van de effecten van andere stoffen die aanwezig kunnen zijn in de ontsnappende CO2-stromen (hetzij de in de oorspronkelijke injectiestroom aanwezige onzuiverheden, hetzij nieuwe verbindingen die bij de opslag van CO2 zijn ontstaan). Deze effecten worden nader bekeken op diverse schalen van ruimte en tijd en er wordt gekeken naar de onderscheiden grootteordes van lekkage-incidenten.

3.3.4.

Karakterisering van de risico’s — Dit omvat een beoordeling van de veiligheid en integriteit van de locatie op korte en lange termijn, met inbegrip van een beoordeling van het lekkagerisico onder de voorgestelde exploitatieomstandigheden en de effecten op milieu en volksgezondheid in het worstcasescenario. De karakterisering van de risico’s wordt uitgevoerd op basis van de karakterisering van de gevaren en de beoordeling van de blootstelling en de effecten. Zij omvat een beoordeling van de bronnen van onzekerheid die tijdens de karakteriseringsfases en de beoordeling van de opslaglocatie zijn vastgesteld en, indien haalbaar, een beschrijving van de mogelijkheden om de onzekerheid te verminderen.

BIJLAGE II CRITERIA VOOR DE VASTSTELLING EN ACTUALISERING VAN HET IN ARTIKEL 13, LID 2, BEDOELDE MONITORINGSPLAN EN VOOR DE MONITORING IN DE PERIODE NA AFSLUITING

BIJLAGE II

CRITERIA VOOR DE VASTSTELLING EN ACTUALISERING VAN HET IN ARTIKEL 13, LID 2, BEDOELDE MONITORINGSPLAN EN VOOR DE MONITORING IN DE PERIODE NA AFSLUITING

1.   Vaststelling en actualisering van het monitoringsplan

Het in artikel 13, lid 2, bedoelde monitoringsplan wordt vastgesteld overeenkomstig de in fase 3 van bijlage I uitgevoerde risicoanalysebeoordeling, en geactualiseerd teneinde te voldoen aan de monitoringseisen van artikel 13, lid 1, met gebruikmaking van de volgende criteria:

1.1.

Vaststelling van het plan

Het monitoringsplan bevat nadere gegevens betreffende de monitoring die moet gebeuren in de voornaamste fasen van het project, inclusief de monitoring in de voorbereidingsperiode, de exploitatieperiode en de periode na afsluiting. In elke fase worden de volgende elementen gespecificeerd:

a) de gemonitorde parameters;

b) de gebruikte monitoringstechnologie en een rechtvaardiging voor de keuze van die technologie;

c) de plaatsen waar wordt gemonitord en de redenen voor die ruimtelijke verdeling;

d) de monitoringsfrequentie en de redenen voor die spreiding in de tijd.

De te monitoren parameters worden zo gekozen dat zij de monitoringsdoeleinden dienen. Het monitoringsplan moet echter in ieder geval de continue of periodieke monitoring omvatten van de volgende items:

e) de vluchtige emissie van CO2 aan de injectiefaciliteit;

f) de volumetrische CO2-stroom in de injectieboorputten;

g) de CO2-druk en -temperatuur in de injectieboorputten (om de massastroom te bepalen);

h) de chemische analyse van het geïnjecteerde materiaal;

i) temperatuur en druk van het reservoir (om het CO2-fasegedrag en de fasetoestand te bepalen).

De keuze van de monitoringstechnologie wordt gebaseerd op de beste praktijken die op het tijdstip van ontwerp beschikbaar zijn. De volgende opties worden nader bekeken en naargelang van de behoeften gebruikt:

j) technologieën die het mogelijk maken het bestaan, de plaats en de migratieroutes van CO2 in de ondergrond en aan de oppervlakte te detecteren;

k) technologieën die informatie kunnen opleveren over het druk-volumegedrag en de distributie in horizontale en verticale richting van de CO2-pluim, meer bepaald ter verfijning van de numerieke 3-D-simulatie op de 3-D-geologische modellen van de opslagformatie als uitgewerkt overeenkomstig artikel 4 en bijlage I;

l) technologieën die een brede zonale spreiding mogelijk maken teneinde informatie te verzamelen over eventueel vroeger over het hoofd geziene potentiële migratiewegen in het geheel van het gebied van het opslagcomplex en de omgeving daarvan, in het geval van significante onregelmatigheden of de migratie van CO2 uit het opslagcomplex.

1.2.

Actualisering van het plan

De bij de monitoring verzamelde gegevens worden bijeengebracht en geïnterpreteerd. De resultaten van de waarnemingen worden vergeleken met het gedrag dat werd voorspeld in de dynamische simulatie van het 3-D-druk-volume- en saturatiegedrag, uitgevoerd in de context van de karakterisering van de veiligheid overeenkomstig artikel 4 en bijlage I, fase 3.

Wanneer er een aanzienlijke afwijking wordt geconstateerd tussen het waargenomen en het voorspelde gedrag wordt het 3-D-model opnieuw geijkt met het oog op een betere weergave van het reële gedrag. Die herijking wordt gebaseerd op de gegevenswaarneming van het monitoringsplan. Waar nodig om het vertrouwen in de bij de herijking gebruikte aannamen te versterken, worden aanvullende gegevens verzameld.

Fase 2 en 3 van bijlage I worden herhaald met gebruikmaking van het (de) herijkte 3-D-model(len) teneinde nieuwe gevarenscenario’s en fluxen te genereren en de risicobeoordeling te herzien en te actualiseren.

Wanneer nieuwe CO2-bronnen, migratiewegen en fluxen of waargenomen aanzienlijke afwijkingen van eerdere beoordelingen worden vastgesteld als resultaat van de verwerking van waarnemingen en de herijking van modellen, wordt het monitoringsplan dienovereenkomstig geactualiseerd.

2.   Monitoring in de periode na afsluiting

De monitoring in de periode na afsluiting wordt gebaseerd op de informatie die is ingezameld en in een model gegoten tijdens de tenuitvoerlegging van het monitoringsplan als bedoeld in artikel 13, lid 2, en hierboven in punt 1.2 van deze bijlage. De monitoring in de periode na afsluiting wordt vooral gebruikt om de informatie te verkrijgen die nodig is voor de vaststelling van het in artikel 18, lid 1, bedoelde besluit.


( 1 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 2 ) Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

( 3 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

( 4 ) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.

( 5 ) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis