+RICHTLIJN 2009/128/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (Voor de EER relevante tekst)
---+HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp
------+Artikel 2 Toepassingsgebied
---------+Article 2 1.
---------+Article 2 2.
---------+Article 2 3.
------+Artikel 3 Definities
------+Artikel 4 Nationale actieplannen
---------+Article 4 1.
---------+Article 4 ►C12.
---------+Article 4 ►C13.
---------+Article 4 4.
---------+Article 4 5.
---+HOOFDSTUK II OPLEIDING, VERKOOP VAN PESTICIDEN, INFORMATIE EN BEWUSTMAKING
------+Artikel 5 Opleiding
---------+Article 5 1.
---------+Article 5 ►C12.
---------+Article 5 3.
------+Artikel 6 Voorschriften betreffende de verkoop van pesticiden
---------+Article 6 1.
---------+Article 6 2.
---------+Article 6 3.
---------+Article 6 4.
------+Artikel 7 Informatie en bewustmaking
---------+Article 7 1.
---------+Article 7 2.
---------+Article 7 3.
---+HOOFDSTUK III APPARATUUR VOOR DE TOEPASSING VAN PESTICIDEN
------+Artikel 8 Keuring van apparatuur die in gebruik is
---------+Article 8 1.
---------+Article 8 ►C12.
---------+Article 8 3.
---------+Article 8 4.
---------+Article 8 5.
---------+Article 8 6.
---------+Article 8 7.
---+HOOFDSTUK IV SPECIFIEKE PRAKTIJKEN EN TOEPASSINGEN
------+Artikel 9 Sproeien vanuit de lucht
---------+Article 9 1.
---------+Article 9 2.
---------+Article 9 3.
---------+Article 9 4.
---------+Article 9 5.
---------+Article 9 6.
------+Artikel 10 Voorlichting van het publiek
------+Artikel 11 Specifieke maatregelen ter bescherming van het aquatische milieuen het drinkwater
---------+Article 11 1.
---------+Article 11 2.
------+Artikel 12 Vermindering van het pesticidengebruik of van de risico’s van pesticidenin specifieke gebieden
------+Artikel 13 Hantering en opslag van pesticiden en behandeling van de verpakkingen en restanten daarvan
---------+Article 13 1.
---------+Article 13 2.
---------+Article 13 3.
------+Artikel 14 Geïntegreerde gewasbescherming
---------+Article 14 1.
---------+Article 14 2.
---------+Article 14 3.
---------+Article 14 4.
---------+Article 14 5.
---+HOOFDSTUK V INDICATOREN, RAPPORTAGE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE
------+Artikel 15 Indicatoren
---------+Article 15 1.
---------+Article 15 2.
---------+Article 15 3.
---------+Article 15 4.
------+Artikel 16 Rapportage
---+HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 17 Sancties
------+Artikel 18 Uitwisseling van informatie en beste praktijken
------+Artikel 19 Vergoedingen en heffingen
---------+Article 19 1.
---------+Article 19 2.
------+Artikel 20 Normalisatie
---------+Article 20 1.
---------+Article 20 2.
---------+Article 20 3.
------+Article 20a Exercise of the delegation
---------+Article 20a 1.
---------+Article 20a 2.
---------+Article 20a 3.
---------+Article 20a 4.
---------+Article 20a 5.
---------+Article 20a 6.
------+Artikel 21 Comitéprocedure
------+Artikel 23 Omzetting
---------+Article 23 1.
---------+Article 23 2.
------+Artikel 24 Inwerkingtreding
------+Artikel 25 Adressaten
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN 2009/128/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN 2009/128/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 oktober 2009

tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II OPLEIDING, VERKOOP VAN PESTICIDEN, INFORMATIE EN BEWUSTMAKING HOOFDSTUK II OPLEIDING, VERKOOP VAN PESTICIDEN, INFORMATIE EN BEWUSTMAKING
HOOFDSTUK III APPARATUUR VOOR DE TOEPASSING VAN PESTICIDEN HOOFDSTUK III APPARATUUR VOOR DE TOEPASSING VAN PESTICIDEN
HOOFDSTUK IV SPECIFIEKE PRAKTIJKEN EN TOEPASSINGEN HOOFDSTUK IV SPECIFIEKE PRAKTIJKEN EN TOEPASSINGEN
HOOFDSTUK V INDICATOREN, RAPPORTAGE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE HOOFDSTUK V INDICATOREN, RAPPORTAGE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE
HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
BIJLAGE I

BIJLAGE I

Opleidingsonderwerpen als bedoeld in artikel 5

1. Alle relevante wetgeving betreffende pesticiden en het gebruik ervan.

2. Het bestaan en de risico’s van illegale (nagemaakte) gewasbeschermingsmiddelen en de methoden om dergelijke producten te identificeren.

3. De aan pesticiden verbonden gevaren en risico’s en hoe die kunnen worden vastgesteld en beheerst, met name:

a) risico’s voor de mens (bedieners van toepassingsapparatuur, omwonenden, omstanders, personen die een behandeld gebied betreden en personen die behandelde producten hanteren of consumeren) en hoe die worden verhoogd door factoren zoals roken;

b) symptomen van pesticidenvergiftiging en eerstehulpmaatregelen;

c) risico’s voor andere plantensoorten dan de doelsoort en voor nuttige insecten, de wilde fauna, de biodiversiteit en het milieu in het algemeen.

4. Basiskennis van geïntegreerde gewasbeschermingstrategieën en -technieken, geïntegreerde gewasbeheerstrategieën en -technieken en beginselen van biologische landbouw, methoden voor biologische bestrijding van schadelijke organismen, informatie betreffende de algemene beginselen en gewas- en sectorspecifieke richtsnoeren inzake geïntegreerde gewasbescherming.

5. Een eerste kennismaking met vergelijkend onderzoek voor gebruikers, teneinde professionele gebruikers te helpen tussen alle toegestane producten voor de bestrijding van een gegeven schadelijk organisme in een gegeven situatie de beste keuze te maken uit pesticiden met de minste neveneffecten voor de menselijke gezondheid, niet-doelorganismen en het milieu.

6. Maatregelen om de risico’s voor de mens, niet-doelwitorganismen en het milieu zoveel mogelijk te beperken: veilige werkpraktijken voor de opslag, de hantering en de vermenging van pesticiden en voor de verwijdering van lege verpakkingen, ander verontreinigd materiaal en pesticidenoverschotten (met inbegrip van mengsels uit tanks), in geconcentreerde dan wel in verdunde vorm; aanbevolen manieren om de blootstelling van bedieners van toepassingsapparatuur te beperken (materiaal voor persoonlijke bescherming).

7. Risicogebaseerde aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de lokale afwateringsvariabelen zoals klimaat, soort bodem en gewas, en reliëf.

8. Procedures voor het gebruiksklaar maken van toepassingsapparatuur, met inbegrip van het kalibreren, en voor de bediening ervan met minimaal risico voor de gebruiker, andere mensen, niet-doelsoorten (dieren zowel als planten), de biodiversiteit en het milieu, met inbegrip van watervoorraden.

9. Het gebruik van toepassingsapparatuur en het onderhoud daarvan, alsook specifieke spuittechnieken (bijvoorbeeld kleinvolumeverspuiting en gebruik van spuitdoppen die verwaaiing tegengaan), en voorts de doelstellingen van de technische controle van spuitapparatuur die in gebruik zijn en manieren om de spuitkwaliteit te verbeteren. Specifieke risico’s die verbonden zijn aan handapparatuur voor de toepassing van pesticiden of rugspuiten, en de desbetreffende risicobeheersmaatregelen.

10. Noodmaatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, met inbegrip van watervoorraden, in het geval van onbedoelde verliezen, verontreiniging en extreme weersomstandigheden met risico op wegspoelen van pesticiden.

11. Speciale zorg in beschermingsgebieden ingesteld op grond van de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2000/60/EG.

12. Gezondheidsbewaking en contactpunten voor het rapporteren van eventuele of te verwachten incidenten.

13. Registratie van elk gebruik van pesticiden, conform de toepasselijke wetgeving.

BIJLAGE II

BIJLAGE II

Gezondheids-, veiligheids- en milieubepalingen in het kader van de keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden

De keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden dient alle aspecten te behelzen die van belang zijn voor het bereiken van een hoog niveau van veiligheid en bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. De optimale doeltreffendheid van de pesticidentoepassing moet worden verzekerd door middel van een goede werking van de voorzieningen en functies van de apparatuur, teneinde ervoor te zorgen dat de onderstaande doelstellingen worden bereikt.

De apparatuur voor de toepassing van pesticiden moet betrouwbaar functioneren en correct voor het beoogde doel worden gebruikt zodat pesticiden nauwkeurig kunnen worden gedoseerd en verspreid. De apparatuur moet in dermate goede staat zijn dat zij op een veilige en gemakkelijke manier volledig kan worden gevuld en geleegd en er geen pesticiden kunnen lekken. Zij moet tevens gemakkelijk en grondig kunnen worden gereinigd. De apparatuur moet tevens veilig functioneren en zij moet vanaf de stoel van de bediener kunnen worden bediend en onmiddellijk kunnen worden gestopt. Waar nodig, moeten aanpassingen eenvoudig, nauwkeurig en reproduceerbaar zijn.

Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan:

1.   Aandrijvingssysteem

De bescherming van de aftakas van de aandrijving en de bescherming van de aansluiting op de voeding moeten zijn aangebracht en dienen in goede staat te verkeren, en de beschermingsvoorzieningen alsook alle bewegende of roterende onderdelen van het krachtoverbrengingssysteem dienen ongehinderd te kunnen functioneren zodat de bediener geen gevaar loopt.

2.   Pomp

De capaciteit van de pomp dient te zijn afgestemd op de behoeften van de apparatuur en de pomp dient naar behoren te functioneren om een stabiele en gelijkmatige toepassingsdosering te garanderen. De pomp mag niet lekken.

3.   Roeren/schudden

Roerders/schudders moeten zorgen voor een correcte recirculatie, zodat in het hele volume vloeibaar spuitmengsel in de tank een gelijkmatige concentratie wordt bereikt.

4.   Spuitvloeistoftank

De spuitvloeistoftanks, met inbegrip van peilindicatoren, vulinrichtingen, zeven en filters, ledigings- en reinigingsinrichtingen, en menginrichtingen dienen zodanig te functioneren dat accidentele verliezen, ongelijkmatige concentratie, blootstelling van de bediener alsook de in de apparatuur achterblijvende hoeveelheid spuitvloeistof worden geminimaliseerd.

5.   Meet-, controle- en regelsystemen

Alle meetapparatuur en alle inrichtingen voor het in- en uitschakelen en voor het regelen van de druk en/of het debiet dienen naar behoren te worden geijkt en correct te functioneren en lekvrij te zijn. Tijdens de toepassing van de pesticiden moet de druk vlot te regelen zijn en moet de drukregelingsapparatuur vlot kunnen worden bediend. Door middel van drukregelingsapparatuur moet bij een constant toerental van de pomp een constante druk worden gehandhaafd om een stabiel toepassingsgebied te garanderen.

6.   Leidingen en slangen

De leidingen en slangen dienen in goede staat te verkeren om verstoringen van de vloeistofstroming en onbedoelde verliezen bij defecten te vermijden. De leidingen en slangen mogen geen lekken vertonen wanneer zij bij de maximale druk die in het systeem kan worden geleverd, worden belast.

7.   Filtering

Ter voorkoming van turbulentie en ongelijkmatig spuiten dienen de filters in goede staat te verkeren en dient de maaswijdte van de filters te zijn afgestemd op de grootte van de spuitdoppen die op de spuitapparatuur zijn aangebracht. In voorkomend geval dient het verklikkersysteem voor verstopte filters naar behoren te functioneren.

8.   Spuitboom (voor apparatuur waarmee pesticiden worden gespoten met behulp van een horizontaal geplaatste boom die in de nabijheid van het gewas of het te behandelen materiaal wordt gebracht)

De spuitboom dient in goede staat te verkeren en in alle richtingen stabiel te zijn. De bevestigings- en verstelsystemen en de onderdelen die zijn bedoeld voor het dempen van onbedoelde bewegingen en voor het compenseren van hellingen dienen correct te functioneren.

9.   Spuitdoppen

De spuitdoppen moeten naar behoren functioneren zodat druipen wordt voorkomen wanneer het spuiten wordt stopgezet. Teneinde een homogeen spuitpatroon te garanderen, mag de vloeistofafgifte van elke spuitdop afzonderlijk niet significant afwijken van de waarde die in de door de fabrikant verstrekte doseringstabel wordt vermeld.

10.   Verdeling

Indien van toepassing, dient de verdeling van het spuitmengsel in dwarsrichting en in verticale richting (in het geval van toepassing bij opgaande gewassen) gelijkmatig te zijn.

11.   Blower (voor apparatuur waarbij pesticiden met behulp van lucht worden verspreid)

De blower moet in goede staat verkeren en moet zorgen voor een constante en gelijkmatige luchtstroom.

BIJLAGE III

BIJLAGE III

Algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming

1. De voorkoming en/of vernietiging van schadelijke organismen moet worden verwezenlijkt of in de hand gewerkt onder meer en met name door:

— gewasrotatie;

— gebruik van adequate teeltechnieken (bijvoorbeeld vals-zaaibedtechniek, zaaitijd en -dichtheid, onderzaaien, conserverende bodembewerking, snoeien en direct inzaaien);

— gebruik, waar passend, van resistente/tolerante cultivars en standaard-/gecertificeerd zaai- en plantgoed;

— gebruik van evenwichtige bemesting, kalkbemesting en irrigatie-/drainagepraktijken;

— het voorkomen van de verspreiding van schadelijke organismen door middel van hygiënemaatregelen (bijvoorbeeld door een regelmatige reiniging van machines en apparatuur);

— bescherming en bevordering van belangrijke nuttige organismen, bijvoorbeeld door adequate beheersmaatregelen of het gebruik van ecologische infrastructuur in en buiten de productiegebieden.

2. Schadelijke organismen moeten worden gemonitord met passende methoden en instrumenten, indien beschikbaar. Tot deze instrumenten behoren, waar mogelijk, veldobservaties en wetenschappelijk verantwoorde waarschuwings-, voorspellings- en vroegdiagnosesystemen, alsmede het ter harte nemen van advies van gekwalificeerde beroepsadviseurs.

3. Op grond van de resultaten van de monitoring moet de professionele gebruiker besluiten of en wanneer hij beheersmaatregelen treft. Strenge en wetenschappelijk verantwoorde drempelwaarden zijn essentiële componenten bij de besluitvorming. Waar mogelijk, moet vóór de behandeling van schadelijke organismen rekening worden gehouden met voor de regio, specifieke gebieden, gewassen en bijzondere klimatologische omstandigheden vastgestelde drempelwaarden.

4. Duurzame biologische, fysische, en andere niet-chemische methoden verdienen de voorkeur boven chemische methoden indien hiermee de schadelijke organismen op bevredigende wijze worden bestreden.

5. De gebruikte pesticiden moeten zo doelgericht mogelijk zijn en zo min mogelijk neveneffecten hebben voor de menselijke gezondheid, niet-doelwitorganismen en het milieu.

6. De professionele gebruiker moet het gebruik van pesticiden en andere vormen van ingrijpen beperken tot een noodzakelijk niveau, bijvoorbeeld door kleinere doses, een lagere toepassingsfrequentie of gedeeltelijke toepassingen, op grond van de overweging dat het risico voor de gewassen aanvaardbaar is en de pesticiden de kans op resistentie van de populaties schadelijke organismen niet verhogen.

7. Wanneer het risico op resistentie tegen een beheersmaatregel bekend is en wanneer het niveau van schadelijke organismen dusdanig is dat meerdere toepassingen van pesticiden op de gewassen noodzakelijk zijn, moeten de beschikbare strategieën ter voorkoming van resistentie worden uitgevoerd om de werking van de producten te behouden. Dit kan het gebruik van diverse pesticiden met verschillende werking inhouden.

8. Op basis van de registers over het gebruik van pesticiden en van de monitoring van schadelijke organismen moet de professionele gebruiker zich een oordeel vormen over het succes van de toegepaste beheersmaatregelen.

▼M2

BIJLAGE IV

BIJLAGE IV

DEEL 1

Geharmoniseerde risico-indicatoren

De geharmoniseerde risico-indicatoren zijn opgesomd in de delen 2 en 3 van deze bijlage.

DEEL 2

Geharmoniseerde risico-indicator 1: Op gevaren gebaseerde geharmoniseerde risico-indicator op basis van de hoeveelheden werkzame stoffen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 op de markt zijn gebracht in gewasbeschermingsmiddelen

1.

Deze indicator wordt gebaseerd op de statistieken over de hoeveelheden werkzame stoffen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 op de markt zijn gebracht in gewasbeschermingsmiddelen en die uit hoofde van bijlage I (Statistieken over het op de markt brengen van pesticiden) bij Verordening (EG) nr. 1185/2009 aan de Commissie (Eurostat) zijn verstrekt. Deze gegevens zijn onderverdeeld in vier groepen, die zijn ingedeeld in zeven categorieën.

2.

Voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 1 gelden de volgende algemene regels:

a) geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend op basis van de indeling van de werkzame stoffen in de vier groepen en zeven categorieën van tabel 1;

b) de werkzame stoffen in groep 1 (categorieën A en B) zijn de in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 8 ) opgenomen stoffen;

c) de werkzame stoffen in groep 2 (categorieën C en D) zijn de in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 opgenomen stoffen;

d) de werkzame stoffen in groep 3 (categorieën E en F) zijn de in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 opgenomen stoffen;

e) de werkzame stoffen in groep 4 (categorie G) zijn de stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen;

f) de aanpassingscoëfficiënten in rij vi) van tabel 1 zijn van toepassing.

3.

Geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend door vermenigvuldiging van de jaarlijkse hoeveelheden van op de markt gebrachte werkzame stoffen voor elke groep in tabel 1 met de relevante gevarencoëfficiënt van rij vi), gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.

4.

De hoeveelheden werkzame stoffen die voor elke groep en categorie in tabel 1 op de markt zijn gebracht, kunnen worden berekend.



Tabel 1

Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 1

Rij

Groepen

1

2

3

4

i)

Werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, die in aanmerking komen om te worden vervangen en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen

ii)

Categorieën

iii)

A

B

C

D

E

F

G

iv)

Micro-organismen

Chemische werkzame stoffen

Micro-organismen

Chemische werkzame stoffen

Die niet zijn ingedeeld als:

kankerverwekkend categorie 1A of 1B

en/of

voor de voortplanting giftig, categorie 1A of 1B

en/of

hormoonontregelaars

Die zijn ingedeeld als:

Kankerverwekkend categorie 1A of 1B

en/of

voor de voortplanting giftig, categorie 1A of 1B

en/of

hormoonontregelaars, waarbij de blootstelling van mensen verwaarloosbaar is

 

v)

Gevarencoëfficiënten van toepassing op de hoeveelheden werkzame stoffen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 op de markt zijn gebracht in gewasbeschermingsmiddelen

vi)

1

8

16

64

5.

De uitgangswaarde voor geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van de bovenstaande berekening voor de periode 2011-2013.

6.

Het resultaat van geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt uitgedrukt aan de hand van de uitgangswaarde.

7.

De lidstaten en de Commissie berekenen en publiceren geharmoniseerde risico-indicator 1 overeenkomstig artikel 15, leden 2 en 4, van Richtlijn 2009/128/EG voor elk kalenderjaar en uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 1 wordt berekend.

DEEL 3

Geharmoniseerde risico-indicator 2: Geharmoniseerde risico-indicator op basis van het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen

1.

Deze indicator is gebaseerd op het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen dat overeenkomstig artikel 53, lid 1, van die verordening aan de Commissie is meegedeeld. Deze gegevens zijn onderverdeeld in vier groepen, die zijn ingedeeld in zeven categorieën.

2.

Voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2 gelden de volgende algemene regels:

a) geharmoniseerde risico-indicator 2 is gebaseerd op het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen. Deze indicator wordt berekend op basis van de indeling van de werkzame stoffen in de vier groepen en zeven categorieën van tabel 2 van dit deel;

b) de werkzame stoffen in groep 1 (categorieën A en B) zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011;

c) de werkzame stoffen in groep 2 (categorieën C en D) zijn de in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 opgenomen stoffen;

d) de werkzame stoffen in groep 3 (categorieën E en F) zijn de in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 opgenomen stoffen;

e) de werkzame stoffen in groep 4 (categorie G) zijn de stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen;

f) de aanpassingscoëfficiënten in rij vi) van tabel 2 van dit deel zijn van toepassing.

3.

Geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt berekend door vermenigvuldiging van het aantal voor gewasbeschermingsmiddelen verleende toelatingen in het kader van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voor elke groep in tabel 2 met de relevante gevarencoëfficiënt van rij vi), gevolgd door de optelling van de resultaten van die berekeningen.



Tabel 2

Indeling van werkzame stoffen en gevarencoëfficiënten voor de berekening van geharmoniseerde risico-indicator 2

Rij

Groepen

1

2

3

4

i)

Werkzame stoffen met een laag risico die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en die zijn opgenomen in deel D van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en niet onder andere categorieën vallen, en die zijn opgenomen in de delen A en B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die zijn goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, die in aanmerking komen om te worden vervangen en die zijn opgenomen in deel E van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Werkzame stoffen die niet zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en daardoor niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen

ii)

Categorieën

iii)

A

B

C

D

E

F

G

iv)

Micro-organismen

Chemische werkzame stoffen

Micro-organismen

Chemische werkzame stoffen

Die niet zijn ingedeeld als:

kankerverwekkend categorie 1A of 1B

en/of

voor de voortplanting giftig, categorie 1A of 1B

en/of

hormoonontregelaars

Die zijn ingedeeld als:

kankerverwekkend categorie 1A of 1B

en/of

voor de voortplanting giftig, categorie 1A of 1B

en/of

hormoonontregelaars, waarbij de blootstelling van mensen verwaarloosbaar is

 

v)

Gevarencoëfficiënten van toepassing op het aantal uit hoofde van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleende toelatingen

vi)

1

8

16

64

4.

De uitgangswaarde voor geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt vastgesteld op 100 en is gelijk aan het gemiddelde resultaat van de bovenstaande berekening voor de periode 2011-2013.

5.

Het resultaat van geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt uitgedrukt aan de hand van de uitgangswaarde.

6.

De lidstaten en de Commissie berekenen en publiceren geharmoniseerde risico-indicator 2 overeenkomstig artikel 15, leden 2 en 4, van Richtlijn 2009/128/EG voor elk kalenderjaar en uiterlijk twintig maanden na het einde van het jaar waarvoor geharmoniseerde risico-indicator 2 wordt berekend.


( 1 ) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

( 2 ) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

( 3 ) PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

( 4 ) PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

( 5 ) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

( 6 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 7 ) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

( 8 ) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis