+VERORDENING (EG) Nr. 1221/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie
---+HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Doelstelling
------+Artikel 2 Definities
---+HOOFDSTUK II REGISTRATIE VAN ORGANISATIES
------+Artikel 3 Vaststelling van de bevoegde instantie
---------+Artikel 3 1.
---------+Artikel 3 2.
---------+Artikel 3 3.
------+Artikel 4 Voorbereiding van de registratie
---------+Artikel 4 1.
---------+Artikel 4 2.
---------+Artikel 4 3.
---------+Artikel 4 4.
---------+Artikel 4 5.
------+Artikel 5 Registratieaanvraag
---------+Artikel 5 1.
---------+Artikel 5 2.
---------+Artikel 5 3.
---+HOOFDSTUK III VERPLICHTINGEN VAN DE GEREGISTREERDE ORGANISATIES
------+Artikel 6 Vernieuwing van de EMAS-registratie
---------+Artikel 6 1.
---------+Artikel 6 2.
---------+Artikel 6 3.
------+Artikel 7 Afwijking voor kleine organisaties
---------+Artikel 7 1.
---------+Artikel 7 2.
---------+Artikel 7 3.
------+Artikel 8 Belangrijke wijzigingen
---------+Artikel 8 1.
---------+Artikel 8 2.
---------+Artikel 8 3.
---------+Artikel 8 4.
------+Artikel 9 Interne milieuaudit
---------+Artikel 9 1.
---------+Artikel 9 2.
---------+Artikel 9 3.
---------+Artikel 9 4.
---------+Artikel 9 5.
---------+Artikel 9 6.
---------+Artikel 9 7.
------+Artikel 10 Gebruik van het EMAS-logo
---------+Artikel 10 1.
---------+Artikel 10 2.
---------+Artikel 10 3.
---------+Artikel 10 4.
---------+Artikel 10 5.
---+HOOFDSTUK IV REGELS BETREFFENDE DE BEVOEGDE INSTANTIES
------+Artikel 11 Aanwijzing en rol van de bevoegde instanties
---------+Artikel 11 1.
---------+Artikel 11 2.
---------+Artikel 11 3.
---------+Artikel 11 4.
---------+Artikel 11 5.
------+Artikel 12 Voorschriften betreffende het registratieproces
---------+Artikel 12 1.
---------+Artikel 12 2.
---------+Artikel 12 3.
------+Artikel 13 Registratie van organisaties
---------+Artikel 13 1.
---------+Artikel 13 2.
---------+Artikel 13 3.
---------+Artikel 13 4.
---------+Artikel 13 5.
---------+Artikel 13 6.
------+Artikel 14 Vernieuwing van de registratie van de organisatie
---------+Artikel 14 1.
---------+Artikel 14 2.
------+Artikel 15 Schorsing of schrapping van organisaties uit het register
---------+Artikel 15 1.
---------+Artikel 15 2.
---------+Artikel 15 3.
---------+Artikel 15 4.
---------+Artikel 15 5.
---------+Artikel 15 6.
---------+Artikel 15 7.
---------+Artikel 15 8.
---------+Artikel 15 9.
---------+Artikel 15 10.
------+Artikel 16 Forum van bevoegde instanties
---------+Artikel 16 1.
---------+Artikel 16 2.
---------+Artikel 16 3.
---------+Artikel 16 4.
------+Artikel 17 Intercollegiale toetsing van de bevoegde instanties
---------+Artikel 17 1.
---------+Artikel 17 2.
---------+Artikel 17 3.
---------+Artikel 17 4.
---------+Artikel 17 5.
---+HOOFDSTUK V MILIEUVERIFICATEURS
------+Artikel 18 Taken van de milieuverificateurs
---------+Artikel 18 1.
---------+Artikel 18 2.
---------+Artikel 18 3.
---------+Artikel 18 4.
---------+Artikel 18 5.
---------+Artikel 18 6.
---------+Artikel 18 7.
------+Artikel 19 Verificatiefrequentie
---------+Artikel 19 1.
---------+Artikel 19 2.
------+Artikel 20 Eisen met betrekking tot de milieuverificateurs
---------+Artikel 20 1.
---------+Artikel 20 2.
---------+Artikel 20 3.
---------+Artikel 20 4.
---------+Artikel 20 5.
---------+Artikel 20 6.
---------+Artikel 20 7.
---------+Artikel 20 8.
------+Artikel 21 Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die natuurlijke personen zijn en hun verificatie- en valideringswerkzaamheden zelfstandig uitoefenen
------+Artikel 22 Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die werkzaamheden ontplooien in derde landen
---------+Artikel 22 1.
---------+Artikel 22 2.
---------+Artikel 22 3.
------+Artikel 23 Toezicht op milieuverificateurs
---------+Artikel 23 1.
---------+Artikel 23 2.
---------+Artikel 23 3.
---------+Artikel 23 4.
---------+Artikel 23 5.
---------+Artikel 23 6.
---------+Artikel 23 7.
---------+Artikel 23 8.
------+Artikel 24 Extra eisen inzake toezicht op milieuverificateurs die werkzaamheden verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij zijn geaccrediteerd of een vergunning hebben.
---------+Artikel 24 1.
---------+Artikel 24 2.
---------+Artikel 24 3.
---------+Artikel 24 4.
---------+Artikel 24 5.
---------+Artikel 24 6.
------+Artikel 25 Voorwaarden voor de uitvoering van verificaties en valideringen
---------+Artikel 25 1.
---------+Artikel 25 2.
---------+Artikel 25 3.
---------+Artikel 25 4.
---------+Artikel 25 5.
---------+Artikel 25 6.
---------+Artikel 25 7.
---------+Artikel 25 8.
---------+Artikel 25 9.
---------+Artikel 25 10.
------+Artikel 26 Verificatie en validering van kleine organisaties
---------+Artikel 26 1.
---------+Artikel 26 2.
---------+Artikel 26 3.
------+Artikel 27 Verificatie- en valideringsvoorwaarden in derde landen
---------+Artikel 27 1.
---------+Artikel 27 2.
---------+Artikel 27 3.
---+HOOFDSTUK VI ACCREDITATIE- EN VERGUNNINGSINSTANTIES
------+Artikel 28 Verloop van het accreditatie- en vergunningsproces
---------+Artikel 28 1.
---------+Artikel 28 2.
---------+Artikel 28 3.
---------+Artikel 28 4.
---------+Artikel 28 5.
---------+Artikel 28 6.
---------+Artikel 28 7.
---------+Artikel 28 8.
---------+Artikel 28 9.
------+Artikel 29 Schorsing en intrekking van accreditatie of vergunning
---------+Artikel 29 1.
---------+Artikel 29 2.
---------+Artikel 29 3.
---------+Artikel 29 4.
------+Artikel 30 Forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties
---------+Artikel 30 1.
---------+Artikel 30 2.
---------+Artikel 30 3.
---------+Artikel 30 4.
---------+Artikel 30 5.
---------+Artikel 30 6.
------+Artikel 31 Intercollegiale toetsing van accreditatie- en vergunningsinstanties
---------+Artikel 31 1.
---------+Artikel 31 2.
---+HOOFDSTUK VII REGELS BETREFFENDE DE LIDSTATEN
------+Artikel 32 Bijstand aan organisaties in verband met de naleving van de wettelijke milieuvoorschriften
---------+Artikel 32 1.
---------+Artikel 32 2.
---------+Artikel 32 3.
---------+Artikel 32 4.
---------+Artikel 32 5.
------+Artikel 33 EMAS-promotieplan
---------+Artikel 33 1.
---------+Artikel 33 2.
------+Artikel 34 Informatie
---------+Artikel 34 1.
---------+Artikel 34 2.
------+Artikel 35 Promotieactiviteiten
---------+Artikel 35 1.
---------+Artikel 35 2.
------+Artikel 36 Bevordering van de deelneming van kleine organisaties
------+Artikel 37 Geclusterde en stapsgewijze aanpak
---------+Artikel 37 1.
---------+Artikel 37 2.
---------+Artikel 37 3.
------+Artikel 38 EMAS en andere communautaire beleidsoriëntaties en -instrumenten
---------+Artikel 38 1.
---------+Artikel 38 2.
------+Artikel 39 Vergoedingen
---------+Artikel 39 1.
---------+Artikel 39 2.
------+Artikel 40 Niet-naleving
---------+Artikel 40 1.
---------+Artikel 40 2.
------+Artikel 41 Informering van en verslaglegging aan de Commissie
---------+Artikel 41 1.
---------+Artikel 41 2.
---+HOOFDSTUK VIII REGELS BETREFFENDE DE COMMISSIE
------+Artikel 42 Informatie
---------+Artikel 42 1.
---------+Artikel 42 2.
------+Artikel 43 Samenwerking en coördinatie
---------+Artikel 43 1.
---------+Artikel 43 2.
------+Artikel 44 Integratie van EMAS en andere milieubeleidsvormen en -instrumenten in de Gemeenschap
------+Artikel 45 Verband met andere milieubeheersystemen
---------+Artikel 45 1.
---------+Artikel 45 2.
---------+Artikel 45 3.
---------+Artikel 45 4.
---------+Artikel 45 5.
------+Artikel 46 Opstelling van referentiedocumenten en gidsen
---------+Artikel 46 1.
---------+Artikel 46 2.
---------+Artikel 46 3.
---------+Artikel 46 4.
---------+Artikel 46 5.
---------+Artikel 46 6.
------+Artikel 47 Rapportage
---+HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 48 Wijziging van de bijlagen
---------+Artikel 48 1.
---------+Artikel 48 2.
------+Artikel 49 Comitéprocedure
---------+Artikel 49 1.
---------+Artikel 49 2.
---------+Artikel 49 3.
------+Artikel 50 Toetsing
------+Artikel 51 Intrekkings- en overgangsbepalingen
---------+Artikel 51 1.
---------+Artikel 51 2.
---------+Artikel 51 3.
------+Artikel 52 Inwerkingtreding
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV
---+BIJLAGE V HET EMAS-LOGO
---+BIJLAGE VI VOOR REGISTRATIE VEREISTE INFORMATIE
---+BIJLAGE VII VERKLARING VAN DE MILIEUVERIFICATEUR OVER DE VERIFICATIE- EN VALIDERINGSWERKZAAMHEDEN
---+BIJLAGE VIII CONCORDANTIETABEL
English - European Union - Environment -

VERORDENING (EG) Nr. 1221/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie

VERORDENING (EG) Nr. 1221/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II REGISTRATIE VAN ORGANISATIES HOOFDSTUK II REGISTRATIE VAN ORGANISATIES
HOOFDSTUK III VERPLICHTINGEN VAN DE GEREGISTREERDE ORGANISATIES HOOFDSTUK III VERPLICHTINGEN VAN DE GEREGISTREERDE ORGANISATIES
HOOFDSTUK IV REGELS BETREFFENDE DE BEVOEGDE INSTANTIES HOOFDSTUK IV REGELS BETREFFENDE DE BEVOEGDE INSTANTIES
HOOFDSTUK V MILIEUVERIFICATEURS HOOFDSTUK V MILIEUVERIFICATEURS
HOOFDSTUK VI ACCREDITATIE- EN VERGUNNINGSINSTANTIES HOOFDSTUK VI ACCREDITATIE- EN VERGUNNINGSINSTANTIES
HOOFDSTUK VII REGELS BETREFFENDE DE LIDSTATEN HOOFDSTUK VII REGELS BETREFFENDE DE LIDSTATEN
HOOFDSTUK VIII REGELS BETREFFENDE DE COMMISSIE HOOFDSTUK VIII REGELS BETREFFENDE DE COMMISSIE
HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN
BIJLAGE I

BIJLAGE I

MILIEUANALYSE

De milieuanalyse bestrijkt de volgende gebieden:

1.    Bepaling van de organisatorische context

De organisatie bepaalt de externe en interne problemen die een positieve of negatieve invloed kunnen hebben op haar vermogen om de beoogde resultaten van haar milieubeheersysteem te bereiken.

Dergelijke problemen omvatten relevante milieuomstandigheden zoals klimaat, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen, biodiversiteit.

Deze kunnen ook bestaan uit, maar zijn niet beperkt tot, de volgende omstandigheden:

— 
externe omstandigheden (zoals culturele, sociale, politieke, wettelijke, regelgevende, financiële, technologische, economische, natuurlijke en competitieve omstandigheden),
— 
interne omstandigheden met betrekking tot de kenmerken van de organisatie (zoals haar activiteiten, producten en diensten, strategische richting, cultuur en capaciteiten).

2.    Identificatie van de belanghebbenden en bepaling van hun relevante behoeften en verwachtingen.

De organisatie bepaalt de belanghebbenden die relevant zijn voor het milieubeheersysteem en hun relevante behoeften en verwachtingen, en bepaalt aan welke van deze behoeften en verwachtingen zij moet voldoen of kiest om te voldoen.

Als de organisatie beslist op vrijwillige basis tegemoet te komen aan of akkoord te gaan met relevante behoeften of verwachtingen van belanghebbenden die niet vallen onder wettelijke eisen, worden deze deel van haar nalevingsverplichtingen.

3.    Identificatie van de toepasselijke wettelijke milieueisen

Naast de opstelling van een register van toepasselijke wettelijke eisen moet de organisatie ook aangeven hoe kan worden aangetoond dat zij aan de verschillende wettelijke eisen voldoet.

4.    Identificatie van directe en indirecte milieuaspecten en bepaling van de significante aspecten daarvan

De organisatie identificeert alle directe en indirecte milieuaspecten met een positief of negatief effect op het milieu, waar van toepassing gekwalificeerd en gekwantificeerd, en geeft in een register alle geïdentificeerde milieuaspecten aan. De organisatie bepaalt ook welke van deze aspecten significant zijn op basis van de overeenkomstig punt 5 van deze bijlage vastgestelde criteria.

Bij de identificatie van directe en indirecte milieuaspecten is het essentieel dat organisaties ook de milieuaspecten in aanmerking nemen die verband houden met hun kernactiviteit. Een inventarisatie die beperkt blijft tot de milieuaspecten van de vestiging en installaties van een organisatie, is niet voldoende

Bij de identificatie van directe en indirecte milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten moet de organisatie handelen vanuit het perspectief van de levensduur, door rekening te houden met de verschillende fasen van de levenscyclus die zij kan controleren of beïnvloeden. Dergelijke fasen omvatten gewoonlijk de aankoop van grondstoffen, aankoop en inkoop, ontwerp, productie, transport, gebruik, recyclage en definitieve verwijdering afhankelijk van de activiteit van de organisatie.

4.1.    Directe milieuaspecten

Directe milieuaspecten zijn verbonden aan activiteiten, producten en diensten van de organisatie zelf, waarover zij directe beheerscontrole heeft.

Alle organisaties moeten rekening houden met de directe aspecten van hun activiteiten.

Directe milieuaspecten omvatten onder andere maar niet uitsluitend:

1. 

de uitstoot in de lucht;

2. 

de lozing in water (waaronder infiltraties naar grondwater);

3. 

de productie, de recycling, het hergebruik, het vervoer en de verwijdering van vast en ander afval, met name gevaarlijk afval;

4. 

het gebruik en de verontreiniging van de bodem;

5. 

het gebruik van energie, natuurlijke bronnen (waaronder water, fauna en flora) en grondstoffen;

6. 

het gebruik van toevoegingen, hulpvoorzieningen en halffabricaten;

7. 

lokale overlast (geluid, trillingen, stank, stof, visuele hinder enz.).

Bij de identificatie van de milieuaspecten moet ook met het volgende rekening worden gehouden:

— 
risico op milieuongelukken en andere noodsituaties met een mogelijk effect op het milieu (bv. chemische ongelukken) en mogelijke abnormale situaties die tot een effect op het milieu zouden kunnen leiden,
— 
transportkwesties voor goederen en diensten en voor personeel dat op zakenreis gaat.

4.2.    Indirecte milieuaspecten

Indirecte milieuaspecten kunnen een gevolg zijn van de interactie van een organisatie met derden die tot op redelijke hoogte door de organisatie kan worden beïnvloed.

Hieronder vallen onder andere maar niet uitsluitend:

1. 

kwesties met betrekking tot de levensduur van producten en diensten die de organisatie kan beïnvloeden (de aankoop van grondstoffen, ontwerp, aankoop en inkoop, productie, transport, gebruik, recyclage en definitieve verwijdering);

2. 

investeringen, kredietverlening en verzekeringsdiensten;

3. 

nieuwe markten;

4. 

de keuze en samenstelling van diensten (bv. vervoer of catering);

5. 

administratieve en planningsbeslissingen;

6. 

de samenstelling van het assortiment;

7. 

de milieuprestaties en praktijken van aannemers, onderaannemers, leveranciers en subleveranciers.

Organisaties moeten kunnen aantonen dat er in het beheersysteem aandacht wordt besteed aan de belangrijke milieuaspecten en effecten van deze aspecten.

De organisatie moet trachten ervoor te zorgen dat de leveranciers en degenen die namens de organisatie optreden, zich voegen naar het milieubeleid van de organisatie binnen de grenzen van de activiteiten die zij in het kader van het contract uitvoeren.

Een organisatie gaat na in hoeverre zij invloed kan uitoefenen op deze indirecte milieuaspecten en welke maatregelen zij kan nemen om de milieueffecten te beperken en de milieubaten te verhogen.

5.    Beoordeling van het belang van de milieuaspecten

Organisaties stellen de criteria vast voor het beoordelen van het belang van de milieuaspecten van hun activiteiten, producten en diensten en passen deze toe om na te gaan welke milieuaspecten belangrijke milieueffecten hebben vanuit het perspectief van de levensduur.

De organisatie dient bij de ontwikkeling van de criteria rekening te houden met de wetgeving en de criteria dienen breed, onafhankelijk controleerbaar en reproduceerbaar te zijn en dienen te worden gepubliceerd.

Bij de bepaling van deze criteria houdt de organisatie met de volgende elementen rekening:

1. 

mogelijke schade of voordelen voor het milieu, waaronder de biodiversiteit;

2. 

de toestand van het milieu (zoals de kwetsbaarheid van het plaatselijke, regionale of mondiale milieu);

3. 

de omvang, het aantal, de frequentie en de omkeerbaarheid van het aspect of effect;

4. 

het bestaan van relevante milieuwetgeving en de eisen daarvan;

5. 

standpunten van belanghebbenden, waaronder werknemers van de organisatie.

Er kan rekening gehouden worden met aanvullende relevante elementen afhankelijk van het type activiteiten, producten en diensten van de organisatie.

Op basis van de vastgestelde criteria beoordeelt de organisatie het belang van haar milieuaspecten en -effecten. Daartoe houdt de organisatie rekening met overwegingen die mogelijk maar niet uitsluitend omvatten:

1. 

de bestaande gegevens van de organisatie over de risico's in verband met materiaal- en energieverbruik, lozingen, afvalstoffen en emissies;

2. 

de activiteiten van de organisatie waarvoor milieuregelgeving bestaat;

3. 

inkoopactiviteiten;

4. 

ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging, distributie, onderhoud, gebruik, hergebruik, recycling en verwijdering van de producten van de organisatie;

5. 

de activiteiten van de organisatie die de belangrijkste milieukosten en milieubaten meebrengen.

De organisatie gaat bij de beoordeling van het belang van de milieueffecten van haar activiteiten uit van de normale bedrijfsomstandigheden, alsook van de omstandigheden bij het opstarten en stilleggen en van redelijkerwijs voorzienbare noodsituaties. Er wordt rekening gehouden met de vroegere, de huidige en de geplande activiteiten.

6.    Beoordeling van feedback die afkomstig is van het onderzoek van eerdere incidenten

De organisatie houdt rekening met de feedback uit het onderzoek van eerdere incidenten die een invloed zouden kunnen hebben op haar vermogen om de beoogde resultaten van haar milieubeheersysteem te bereiken.

7.    Bepaling en documentatie van risico's en mogelijkheden.

De organisatie bepaalt de risico's en mogelijkheden in verband met de milieuaspecten, de nalevingsverplichtingen en andere kwesties en eisen die zijn opgenomen in de punten 1 tot en met 4.

De organisatie richt zich op de risico's en mogelijkheden die aangepakt moeten worden om ervoor te zorgen dat het milieubeheersysteem zijn beoogde resultaten kan bereiken, om ongewenste effecten of ongelukken te voorkomen en om een continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie te bereiken.

8.    Onderzoek van bestaande processen, praktijken en procedures.

De organisatie onderzoekt de bestaande processen, praktijken en procedures en bepaalt welke noodzakelijk zijn om te zorgen voor een langetermijnhandhaving van het milieubeheer.

BIJLAGE II

BIJLAGE II

MILIEUBEHEERSYSTEEMEISEN EN ANDERE AANDACHTSPUNTEN VOOR ORGANISATIES DIE EMAS INVOEREN

De milieubeheersysteemeisen in het kader van EMAS zijn vastgelegd in de delen 4 tot en met 10 van de norm EN ISO 14001:2015. Deze eisen zijn opgenomen in deel A.

De verwijzingen in artikel 4 naar specifieke punten van deze bijlage worden begrepen als volgt:

Verwijzing naar A.3.1 wordt begrepen als verwijzing naar deel A.6.1.
Verwijzing naar A.5.5 wordt begrepen als verwijzing naar deel A.9.2.

Daarnaast moeten organisaties die EMAS invoeren verschillende andere aandachtspunten aanpakken, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan bepaalde onderdelen van deel 4 van de norm EN ISO 14001:2015. Deze aanvullende eisen zijn opgenomen in deel B van deze bijlage.


DEEL A

milieubeheersysteemeisen uit hoofde van EN ISO 14001:2015

DEEL B

aanvullende eisen voor organisaties die EMAS invoeren

Organisaties die deelnemen aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) moeten de eisen naleven van EN ISO 14001:2015 (1), die hieronder onverkort worden weergegeven.

A.4.  Context van de organisatie

A.4.1.  Inzicht in de organisatie en haar context

De organisatie stelt de externe en interne problemen vast die relevant zijn voor haar doel en die een invloed hebben op haar vermogen om de beoogde resultaten van haar milieubeheersysteem te bereiken. Dergelijke problemen zijn onder andere milieuomstandigheden die worden beïnvloed door of een invloed kunnen hebben op de organisatie.

A.4.2.  Inzicht in de behoeften en verwachtingen van belanghebbenden

De organisatie bepaalt:

a)  de belanghebbenden die relevant zijn voor het milieubeheersysteem;

b)  de relevante behoeften en verwachtingen (d.w.z. eisen) van deze belanghebbenden;

c)  welke van deze behoeften en verwachtingen haar nalevingsverplichtingen worden.

A.4.3.  Het toepassingsgebied van het milieumanagementsysteem vaststellen

De organisatie bepaalt de grenzen en toepasbaarheid van het milieubeheersysteem om het toepassingsgebied ervan vast te stellen.

Bij het vaststellen van dit toepassingsgebied houdt de organisatie rekening met:

a)  de externe en interne problemen zoals bedoeld in A.4.1;

b)  de nalevingsverplichtingen zoals bedoeld in A.4.2;

c)  haar organisatorische eenheid/eenheden, functie(s) en fysieke grenzen;

d)  haar activiteiten, producten en diensten;

e)  haar bevoegdheid en vermogen om controle en invloed uit te oefenen.

Zodra het toepassingsgebied is bepaald, worden alle activiteiten, producten en diensten van de organisatie binnen dat toepassingsgebied opgenomen in het milieubeheersysteem.

Het toepassingsgebied wordt als gedocumenteerde informatie bewaard en is beschikbaar voor belanghebbenden.

A.4.4.  Milieubeheersysteem

Om de beoogde resultaten, waaronder een verbetering van haar milieuprestaties, te bereiken, bepaalt, implementeert, handhaaft en verbetert de organisatie continu een milieubeheersysteem, waaronder de processen die nodig zijn en de interacties ervan, in overeenstemming met de eisen van deze internationale norm.

Bij het vaststellen en handhaven van het milieubeheersysteem neemt de organisatie de in 4.1 en 4.2 opgedane kennis in aanmerking.

 

A.5.  Leiderschap

A.5.1.  Leiderschap en inzet

Het hoogste leidinggevende niveau toont leiderschap en inzet met betrekking tot het milieubeheersysteem door:

a)  rekenschap af te leggen voor de doeltreffendheid van het milieubeheersysteem;

b)  ervoor te zorgen dat het milieubeleid en de milieudoelstellingen worden bepaald en compatibel zijn met de strategische richting en de context van de organisatie;

c)  te zorgen voor de integratie van de milieubeheersysteemeisen in de bedrijfsprocessen van de organisatie;

d)  ervoor te zorgen dat de middelen die noodzakelijk zijn voor het milieubeheersysteem beschikbaar zijn;

e)  te communiceren over het belang van doeltreffend milieubeheer en zich aan te passen aan de milieubeheersysteemeisen;

f)  ervoor te zorgen dat het milieubeheersysteem zijn beoogde resultaten bereikt;

g)  personen te sturen en te steunen om bij te dragen aan de doeltreffendheid van het milieubeheersysteem;

h)  continue verbetering te bevorderen;

i)  andere relevante managementrollen te steunen om, waar van toepassing, leiderschap te tonen binnen hun verantwoordelijkheidsgebieden.

Opmerking:  Een verwijzing naar „bedrijf” in deze internationale norm mag worden geïnterpreteerd in ruime zin en begrepen als activiteiten die essentieel zijn voor de bestaansdoelen van de organisatie.

 

A.5.2.  Milieubeleid

Het hoogste leidinggevende niveau bepaalt, implementeert en handhaaft een milieubeleid dat, binnen het vastgestelde toepassingsgebied van zijn milieubeheersysteem:

a)  passend is voor het doel en de context van de organisatie, waaronder de aard, omvang en milieueffecten van haar activiteiten, producten en diensten;

b)  een kader biedt voor het bepalen van de milieudoelstellingen;

c)  een verbintenis bevat tot bescherming van het milieu, waaronder preventie van verontreiniging en een of meer andere specifieke verbintenissen die relevant zijn voor de context van de organisatie;

Opmerking:  Andere specifieke verbintenissen om het milieu te beschermen, zijn onder andere het duurzame gebruik van hulpbronnen, de beperking en aanpassing van de verandering van het klimaat, en de bescherming van biodiversiteit en ecosystemen.

d)  een verbintenis bevat tot het voldoen aan de nalevingsverplichtingen;

e)  een verbintenis bevat tot continue verbetering van het milieubeheersysteem voor betere milieuprestaties.

Het milieubeleid moet:

— als gedocumenteerde informatie worden bewaard,

— binnen de organisatie worden gecommuniceerd,

— beschikbaar zijn voor belanghebbenden.

B.1.  Continue verbetering van milieuprestaties

Organisaties verbinden zich tot een continue verbetering van hun milieuprestaties.

Indien een organisatie een of meer vestigingen omvat, moet elke locatie waarop EMAS van toepassing is, voldoen aan alle EMAS-eisen, waarondereen continue verbetering van de in artikel 2, lid 2, bepaalde milieuprestaties.

A.5.3.  Organisatorische rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Het hoogste leidinggevende niveau zorgt ervoor dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor relevante rollen binnen de organisatie worden toegewezen en gecommuniceerd.

Het hoogste leidinggevende niveau duidt aan wie verantwoordelijk en bevoegd is om:

a)  ervoor te zorgen dat het milieubeheersysteem voldoet aan de eisen van deze internationale norm;

b)  verslag uit te brengen aan het hoogste leidinggevende niveau over de prestaties van het milieubeheersysteem, met inbegrip van de milieuprestaties.

B.2.  Vertegenwoordiger(s) van het leidinggevende niveau

Het hoogste leidinggevende niveau stelt één of meer specifieke vertegenwoordigers van het hoogste leiddinggevende niveau aan die, ongeacht andere verantwoordelijkheden, bepaalde rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden hebben om te zorgen voor een milieubeheersysteem dat voldoet aan deze verordening en om aan het hoogste leidinggevende niveau verslag uit te brengen over de prestaties van het milieubeheersysteem.

De vertegenwoordiger van het hoogste leidinggevende niveau kan lid zijn van het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie.

A.6.  Planning

A.6.1.  Acties om de risico's en mogelijkheden aan te pakken

A.6.1.1.  Algemeen

De organisatie bepaalt, implementeert en handhaaft de processen die nodig zijn om te voldoen aan de eisen in 6.1.1 tot en met 6.1.4.

Bij de planning van het milieubeheersysteem houdt de organisatie rekening met:

— de in 4.1 genoemde problemen,

— de in 4.2 genoemde eisen,

— het toepassingsgebied van haar milieubeheersysteem; en bepaalt zij de risico's en mogelijkheden met betrekking tot haar:

— 

— milieuaspecten (zie 6.1.2),

— nalevingsverplichtingen (zie 6.1.3),

— andere kwesties en eisen zoals genoemd in 4.1 en 4.2; die moeten worden aangepakt om,

— 

— te garanderen dat het milieubeheersysteem de beoogde resultaten kan behalen,

— ongewenste effecten te voorkomen, of te verminderen, met inbegrip van de kans dat externe milieuomstandigheden een invloed hebben op de organisatie,

— continue verbetering te bereiken.

Binnen het toepassingsgebied van het milieubeheersysteem bepaalt de organisatie mogelijke noodsituaties, waaronder de situaties die gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie over haar:

— risico's en mogelijkheden die aangepakt moeten worden,

— processen die nodig zijn in 6.1.1 tot en met 6.1.4, in de mate die nodig is om erop te kunnen vertrouwen dat zij zoals gepland worden uitgevoerd.

A.6.1.2.  Milieuaspecten

De organisatie bepaalt, binnen het bepaalde toepassingsgebied van het milieubeheersysteem, de milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten waarop het systeem controle en invloed kan uitoefenen, alsook de daarmee gepaard gaande milieueffecten, en dit vanuit het perspectief van de levensduur.

Bij de bepaling van de milieuaspecten houdt de organisatie rekening met:

a)  verandering, met inbegrip van geplande of nieuwe ontwikkelingen, en nieuwe of gewijzigde activiteiten, producten en diensten;

b)  abnormale omstandigheden en redelijkerwijs voorzienbare noodsituaties.

De organisatie moet aan de hand van vastgestelde criteria de aspecten bepalen die een belangrijk milieueffect hebben of kunnen hebben.

De organisatie communiceert over haar belangrijke milieuaspecten binnen de verschillende niveaus en functies van de organisatie.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie over:

— haar milieuaspecten en aanverwante milieueffecten,

— de criteria die worden gebruikt voor het bepalen van haar belangrijke milieuaspecten,

— belangrijke milieuaspecten.

Opmerking:  Belangrijke milieuaspecten kunnen risico's en mogelijkheden tot gevolg hebben die geassocieerd zijn met hetzij schadelijke milieueffecten (bedreigingen), hetzij gunstige milieueffecten (mogelijkheden).

B.3.  Milieuanalyse

Organisaties moeten een initiële milieuanalyse uitvoeren en deze documenteren zoals uiteengezet in bijlage I.

Organisaties van buiten de Unie moeten tevens verwijzen naar de wettelijke milieueisen die op soortgelijke organisaties van toepassing zijn in de lidstaten waar zij hun aanvraag willen indienen.

A.6.1.3.  Nalevingsverplichtingen

De organisatie moet:

a)  de nalevingsverplichtingen met betrekking tot haar milieuaspecten bepalen en daartoe toegang hebben;

b)  bepalen hoe deze nalevingsverplichtingen van toepassing zijn op de organisatie;

c)  rekening houden met deze nalevingsverplichtingen bij de bepaling, de toepassing, het behoud en de continue verbetering van haar milieubeheersysteem.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie over haar nalevingsverplichtingen.

Opmerking:  Nalevingsverplichtingen kunnen risico's en mogelijkheden voor de organisatie tot gevolg hebben.

A.6.1.4.  Plannen van acties

De organisatie plant:

a)  acties om:

1)  belangrijke milieuaspecten;

2)  nalevingsverplichtingen;

3)  risico's en mogelijkheden zoals genoemd in 6.1.1 aan te pakken, en

b)  plant op welke manier:

1)  de acties in haar milieubeheersysteemprocessen (zie 6.2, 7, 8 en 9.1), of andere bedrijfsprocessen worden geïntegreerd en geïmplementeerd;

2)  de doeltreffendheid van deze acties wordt geëvalueerd (zie 9.1).

Bij het plannen van deze acties houdt de organisatie rekening met haar technologische opties en haar financiële, operationele en zakelijke behoeften.

B.4.  Naleving van wettelijke eisen

Organisaties die bij EMAS geregistreerd zijn of die geregistreerd willen worden, moeten aantonen dat zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

1)  zij hebben gespecificeerd welke wettelijke milieueisen op hun van toepassing zijn en kennen de implicaties daarvan voor de organisatie;

2)  zij leven de wettelijke milieueisen, met inbegrip van vergunningen en grenswaarden in vergunningen, na en leveren daarvoor het juiste bewijs, en

3)  zij hebben procedures ingevoerd die de organisatie in staat stellen de wettelijke milieueisen na te leven.

A.6.2.  Milieudoelstellingen en planning om ze te bereiken

 

A.6.2.1.  Milieudoelstellingen

De organisatie bepaalt milieudoelstellingen op relevante functies en niveaus, rekening houdend met de belangrijke milieuaspecten en de aanverwante nalevingsverplichtingen van de organisatie, alsook met haar risico's en mogelijkheden.

De milieudoelstellingen moeten:

a)  consistent zijn met het milieubeleid;

b)  meetbaar zijn (indien mogelijk);

c)  aan toezicht onderworpen zijn;

d)  worden gecommuniceerd;

e)  indien nodig worden bijgewerkt.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie over de milieudoelstellingen.

A.6.2.2.  Plannen van acties om de milieudoelstellingen te bereiken

Bij het plannen van acties om de milieudoelstellingen te bereiken, bepaalt de organisatie:

a)  wat er zal worden gedaan;

b)  welke middelen vereist zijn;

c)  wie verantwoordelijk is;

d)  wanneer het voltooid zal zijn;

e)  hoe de resultaten geëvalueerd zullen worden, met inbegrip van indicatoren voor het monitoren van de voortgang bij het bereiken van haar meetbare milieudoelstellingen (zie 9.1.1).

De organisatie bepaalt hoe acties om haar milieudoelstellingen te bereiken in de bedrijfsprocessen van de organisatie kunnen worden opgenomen.

B.5.  Milieudoelstellingen

Organisaties kunnen aantonen dat het milieubeheersysteem en de auditprocedures betrekking hebben op de werkelijke milieuprestaties van de organisatie ten aanzien van de directe en indirecte aspecten.

De middelen om de doelstellingen en taakstellingen te bereiken, kunnen geen milieudoelstellingen zijn.

A.7.  Ondersteuning

A.7.1.  Middelen

De organisatie bepaalt en verstrekt de middelen die nodig zijn voor het bepalen, invoeren, handhaven en continu verbeteren van het milieubeheersysteem.

 

A.7.2.  Vakbekwaamheid

De organisatie moet:

a)  de noodzakelijke vakbekwaamheden bepalen van de perso(o)n(en) die onder haar controle werken en die een invloed hebben op haar milieuprestaties en haar vermogen om aan haar nalevingsverplichtingen te voldoen;

b)  ervoor zorgen dat deze personen vakbekwaam zijn op basis van de geschikte studies, opleiding of ervaring;

c)  opleidingsbehoeften bepalen in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten en haar milieubeheersysteem;

d)  indien nodig, acties ondernemen om de nodige vakbekwaamheid te verwerven, en de doeltreffendheid van de ondernomen acties evalueren.

Opmerking:  Toepasselijke acties zijn bijvoorbeeld het verstrekken van opleiding aan, de begeleiding van, of het toewijzen van een andere functie aan personen die op dat ogenblik in dienst zijn; of het aanwerven van of het sluiten van een overeenkomst met bekwame personen.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van de vakbekwaamheid.

B.6.  Betrokkenheid van de werknemers

1.  De organisatie moet beseffen dat actieve betrokkenheid van de werknemers een impuls en voorwaarde is voor continue en succesvolle milieuverbeteringen en daarnaast een cruciaal hulpmiddel vormt bij de verbetering van de milieuprestaties en de juiste manier is om het milieubeheer- en milieuauditsysteem op succesvolle wijze in de organisatie te verankeren.

2.  „Betrokkenheid van de werknemers” betekent zowel rechtstreekse werknemersparticipatie als het verstrekken van informatie aan werknemers en hun vertegenwoordigers. Er moet dan ook worden voorzien in een regeling voor werknemersparticipatie op alle niveaus. De organisatie moet beseffen dat het tonen van inzet, een luisterend oor en actieve steun door het leidinggevende niveau een eerste vereiste is om deze processen tot een succes te maken. In deze context moet het leidinggevende niveau passende feedback geven aan de werknemers.

3.  Naast deze eisen worden werknemers of hun vertegenwoordigers bij het proces betrokken met het oog op een continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie via:

a)  de initiële milieuanalyse

b)  de vaststelling en invoering van een milieubeheer- en milieuauditsysteem om de milieuprestaties te verbeteren;

c)  milieucomités of werkgroepen die informatie verzamelen en de participatie tussen de milieufunctionaris/vertegenwoordigers van de directie en de werknemers en hun vertegenwoordigers waarborgen,

d)  gemeenschappelijke werkgroepen voor het milieuactieprogramma en milieuaudits;

e)  de voorbereiding van de milieuverklaringen.

4.  Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van passende participatievormen zoals een ideeënboek of projectgericht groepswerk of milieucomités. De organisaties houden daarbij rekening met de richtsnoeren van de Commissie inzake beste praktijk op dit gebied. Indien zij daarom verzoeken, worden ook vertegenwoordigers van het personeel daarbij betrokken.

A.7.3.  Bewustmaking

De organisatie zorgt ervoor dat personen die onder de controle van de organisatie werken op de hoogte zijn van:

a)  het milieubeleid;

b)  de belangrijke milieuaspecten en de daarmee samenhangende feitelijke of potentiële milieueffecten van hun werk;

c)  hun bijdrage aan de doeltreffendheid van het milieubeheersysteem, met inbegrip van de voordelen van een verbeterde milieuprestatie;

d)  de gevolgen bij niet-naleving van de milieubeheersysteemeisen, met inbegrip van de gevolgen bij niet-nakoming van de nalevingsverplichtingen van de organisatie.

 

A.7.4.  Communicatie

A.7.4.1.  Algemeen

De organisatie bepaalt, implementeert en handhaaft de processen die nodig zijn voor interne en externe communicatie in het kader van het milieubeheersysteem, met inbegrip van:

a)  waarover zij zal communiceren;

b)  wanneer zij zal communiceren;

c)  met wie zij zal communiceren;

d)  hoe zij zal communiceren.

Bij de bepaling van haar communicatieproces(sen) moet de organisatie:

— rekening houden met haar nalevingsverplichtingen,

— ervoor zorgen dat de gecommuniceerde milieu-informatie in overeenstemming is met de informatie die is gegenereerd binnen het milieubeheersysteem, en betrouwbaar is.

De organisatie reageert op relevante communicatie over haar milieubeheersysteem.

Waar nodig bewaart de organisatie gedocumenteerde informatie als bewijs van haar communicatie.

A.7.4.2.  Interne communicatie

De organisatie moet:

a)  informatie met betrekking tot het milieubeheersysteem intern communiceren binnen de verschillende niveaus en functies van de organisatie, met inbegrip van veranderingen aan het milieubeheersysteem, indien van toepassing;

b)  ervoor zorgen dat haar communicatieproces(sen) personen die onder controle van de organisatie werken, in staat stelt of stellen om bij te dragen aan continue verbetering.

 

A.7.4.3.  Externe communicatie

De organisatie zorgt voor de externe communicatie van informatie over het milieubeheersysteem, zoals vastgesteld door het of de communicatieproces(sen) van de organisatie en zoals vereist overeenkomstig haar nalevingsverplichtingen.

B.7.  Communicatie

1)  Organisaties kunnen aantonen dat zij met het publiek, de autoriteiten en andere belanghebbenden, met inbegrip van de lokale gemeenschappen en klanten, een open dialoog voeren over de milieueffecten van hun activiteiten, producten en diensten.

2)  Om een hoog niveau van transparantie en de opbouw van een vertrouwensrelatie met belanghebbenden te garanderen, maken onder EMAS geregistreerde organisaties specifieke milieu-informatie bekend, zoals bepaald door bijlage IV Milieurapportage.

A.7.5.  Gedocumenteerde informatie

A.7.5.1.  Algemeen

Het milieubeheersysteem van de organisatie omvat:

a)  gedocumenteerde informatie die krachtens deze internationale norm vereist is;

b)  gedocumenteerde informatie die door de organisatie is bepaald als zijnde noodzakelijk voor de doeltreffendheid van het milieubeheersysteem.

Opmerking:  De omvang van gedocumenteerde informatie voor een milieubeheersysteem kan verschillen tussen organisaties wegens:

— de grootte van de organisatie en haar soort activiteiten, processen, producten en diensten,

— de noodzaak om de naleving van haar nalevingsverplichtingen aan te tonen,

— de complexiteit van processen en hun interacties,

— de vakbekwaamheid van personen die onder de controle van de organisatie werken.

A.7.5.2.  Aanmaken en bijwerken

Bij het aanmaken en bijwerken van gedocumenteerde informatie zorgt de organisatie voor:

a)  een passende identificatie en beschrijving (bv. een titel, auteur of referentienummer);

b)  een passend formaat (bv. taal, softwareversie, afbeeldingen) en passende media (bv. papier, elektronisch);

c)  een passende evaluatie en goedkeuring voor geschiktheid en adequaatheid.

A.7.5.3.  Controle van gedocumenteerde informatie

De krachtens het milieubeheersysteem en deze internationale norm vereiste gedocumenteerde informatie wordt beheerd om ervoor te zorgen dat:

a)  zij beschikbaar en geschikt voor gebruik is, waar en wanneer nodig;

b)  zij op passende wijze wordt beveiligd (bv. verlies van vertrouwelijkheid, ongepast gebruik of verlies van integriteit).

Voor de controle van gedocumenteerde informatie onderneemt de organisatie indien van toepassing de volgende activiteiten:

— verspreiden, openen, raadplegen en gebruiken,

— opslaan en behouden, met inbegrip van behoud van leesbaarheid,

— controleren van veranderingen (bv. versiecontrole),

— bewaren en verwijderen.

Gedocumenteerde informatie van externe oorsprong die de organisatie voor de planning en het functioneren van het milieuzorgsysteem noodzakelijk acht, wordt eventueel geïdentificeerd en gecontroleerd;

Opmerking:  Openen kan een beslissing inhouden met betrekking tot de toelating om de gedocumenteerde informatie enkel in te kijken, of de toelating en de bevoegdheid om de gedocumenteerde informatie in te kijken en te veranderen.

A.8.  Uitvoering

A.8.1.  Operationele planning en controle

De organisatie bepaalt, implementeert, controleert en handhaaft de processen die nodig zijn om te voldoen aan de milieubeheersysteemeisen, en om de acties opgenomen in 6.1 en 6.2 uit te voeren, door:

— uitvoeringscriteria voor het proces of de processen te bepalen,

— controle van het proces of de processen uit te voeren in overeenstemming met de uitvoeringscriteria.

Opmerking:  Controles kunnen engineeringcontroles en -procedures omvatten. Controles kunnen toegepast worden volgens een hiërarchie (bv. eliminatie, substitutie, administratieve) en kunnen afzonderlijk of in combinatie worden gebruikt.

De organisatie controleert geplande veranderingen en analyseert de gevolgen van onbedoelde veranderingen, waarbij zij indien nodig maatregelen neemt om eventuele nadelige effecten te verminderen.

De organisatie zorgt ervoor dat uitbestede processen worden gecontroleerd of beïnvloed. Het soort en de omvang van controle of invloed die moet worden uitgeoefend op het of de proces(sen), wordt bepaald in het milieubeheersysteem.

Vanuit een levenscyclusperspectief moet de organisatie:

a)  indien nodig controles bepalen, om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de milieueisen in het ontwerp- en ontwikkelingsproces voor het product of de dienst, rekening houdend met elke fase van de levenscyclus;

b)  haar milieueis(en) bepalen voor de aankoop van producten en diensten, indien van toepassing;

c)  haar relevante milieueis(en) communiceren aan externe leveranciers, waaronder aannemers;

d)  rekening houden met de behoefte om informatie te verstrekken over mogelijke belangrijke milieueffecten in verband met het transport of de levering, het gebruik, de recyclage en de definitieve verwijdering van haar producten en diensten.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie in de mate dat dit noodzakelijk is om vertrouwen te hebben dat het of de processen is of zijn uitgevoerd zoals gepland.

A.8.2.  Paraatheid en reactie op noodsituaties

De organisatie bepaalt, implementeert en handhaaft de processen die nodig zijn om paraat te staan voor en te reageren op mogelijke noodsituaties die zijn bepaald in 6.1.1.

De organisatie moet:

a)  paraat staan om te reageren door acties te plannen om ongunstige milieueffecten als gevolg van noodsituaties te voorkomen of te verminderen;

b)  reageren op reële noodsituaties;

c)  naargelang de omvang van de noodsituatie en het mogelijke milieueffect, passende acties ondernemen om de gevolgen van noodsituaties te voorkomen of te verminderen;

d)  de geplande responsacties periodiek testen, indien mogelijk;

e)  het proces of de processen en geplande responsacties periodiek analyseren en herzien, in het bijzonder nadat zich een noodsituatie heeft voorgedaan of na tests;

f)  waar nodig relevante informatie en opleiding met betrekking tot de paraatheid en respons bij noodsituaties verstrekken aan relevante belanghebbenden, waaronder personen die in de organisatie werken.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie voor zover dit nodig is om erop te kunnen vertrouwen dat het proces of de processen zoals gepland zijn uitgevoerd.

A.9.  Evaluatie van de prestaties

A.9.1.  Monitoring, metingen, analyse en evaluatie

A.9.1.1.  Algemeen

De organisatie monitort, meet, analyseert en evalueert haar milieuprestaties.

De organisatie bepaalt:

a)  wat moet worden gemonitord en gemeten;

b)  de methoden voor het monitoren, meten, analyseren en evalueren, al naargelang het geval, om te zorgen voor geldige resultaten;

c)  de criteria op basis waarvan de organisatie haar milieuprestaties zal evalueren, en passende indicatoren;

d)  wanneer de monitoring en de meting moeten worden uitgevoerd;

e)  wanneer de resultaten van de monitoring en meting moeten worden geanalyseerd en geëvalueerd.

De organisatie ziet erop toe dat gekalibreerde of geverifieerde monitoring- en meetapparatuur wordt gebruikt en onderhouden, al naargelang het geval.

De organisatie evalueert haar milieuprestaties en de doeltreffendheid van haar milieubeheersysteem.

De organisatie communiceert relevante informatie over milieuprestaties zowel intern als extern, zoals bepaald in haar communicatieproces(sen) en zoals vereist krachtens haar nalevingsverplichtingen.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van de monitoring-, meting-, analyse- en evaluatieresultaten.

A.9.1.2.  Evaluatie van de naleving

De organisatie bepaalt, implementeert en handhaaft de processen die nodig zijn om de vervulling van haar nalevingsverplichtingen te evalueren.

De organisatie moet:

a)  bepalen hoe vaak de naleving zal worden geëvalueerd;

b)  de naleving evalueren en indien nodig actie ondernemen;

c)  kennis van en inzicht in haar nalevingsstatus bewaren.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van de resulta(a)t(en) van de beoordeling van de naleving.

A.9.2.  Interne audit

A.9.2.1.  Algemeen

De organisatie voert op geplande tijdstippen interne audits uit om informatie te verstrekken over de mate waarin het milieubeheersysteem:

a)  voldoet aan:

1)  de eigen eisen van de organisatie met betrekking tot haar milieubeheersysteem;

2)  de eisen van deze internationale norm;

b)  effectief toegepast en gehandhaafd wordt.

A.9.2.2.  Intern auditprogramma

De organisatie bepaalt, implementeert en handhaaft één of meer interne auditprogramma's, met inbegrip van de frequentie, methoden, verantwoordelijkheden, planningseisen en rapportering van haar interne audits.

Bij de bepaling van het interne auditprogramma houdt de organisatie rekening met het milieubelang van de desbetreffende processen, veranderingen die een invloed hebben op de organisatie en de resultaten van vroegere audits.

De organisatie moet:

a)  de auditcriteria en de reikwijdte voor elke audit bepalen;

b)  auditeurs selecteren en audits uitvoeren om de objectiviteit en de onpartijdigheid van het auditproces te garanderen;

c)  ervoor zorgen dat de resultaten van de audits worden gemeld aan het relevante leidinggevende niveau.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van de toepassing van het auditprogramma en de auditresultaten.

A.9.3.  Beoordeling door het leidinggevende niveau

Het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie beoordeelt op geregelde tijdstippen het milieubeheersysteem van de organisatie om te waarborgen dat het geschikt, passend en doeltreffend blijft.

Bij de beoordeling door het leidinggevende niveau wordt onder andere het volgende in aanmerking genomen:

a)  de status van acties die resulteren uit eerdere beoordelingen door het leidinggevende niveau;

b)  veranderingen in:

1.  externe en interne kwesties die relevant zijn voor het milieubeheersysteem;

2.  de behoeften en verwachtingen van belanghebbenden, met inbegrip van nalevingsverplichtingen;

3.  haar belangrijke milieuaspecten;

4.  risico's en mogelijkheden;

c)  de mate waarin milieudoelstellingen zijn bereikt;

d)  informatie over de milieuprestaties van de organisatie, met inbegrip van tendensen op het gebied van:

1.  niet-conformiteiten en corrigerende maatregelen;

2.  monitoring en meetresultaten;

3.  vervulling van haar nalevingsverplichtingen;

4.  auditresultaten;

e)  adequaatheid van middelen;

f)  relevante mededeling(en) van belanghebbenden, met inbegrip van klachten;

g)  mogelijkheden voor continue verbetering.

De resultaten van de beoordelingen door het leidinggevende niveau omvatten:

— conclusies inzake de verdere geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid van het milieubeheersysteem,

— besluiten met betrekking tot mogelijkheden voor continue verbetering,

— besluiten met betrekking tot de eventuele behoefte aan veranderingen aan het milieubeheersysteem, met inbegrip van middelen,

— eventuele maatregelen wanneer de milieudoelstellingen niet zijn bereikt,

— mogelijkheden om de eventuele integratie van het milieubeheersysteem met andere bedrijfsprocessen te verbeteren,

— eventuele gevolgen voor de strategische richting van de organisatie.

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van de resultaten van de beoordelingen door het leidinggevende niveau.

A.10.  Verbetering

A.10.1.  Algemeen

De organisatie bepaalt mogelijkheden tot verbetering (zie 9.1, 9.2 en 9.3) en past de noodzakelijke maatregelen toe om de beoogde resultaten van haar milieubeheersysteem te bereiken.

A.10.2.  Niet-conformiteit en corrigerende maatregelen

In geval van een niet-conformiteit moet de organisatie:

a)  reageren op de niet-conformiteit en, indien nodig:

1.  maatregelen nemen om deze te beheersen en te corrigeren;

2.  de gevolgen aanpakken, waaronder het verminderen van nadelige milieueffecten;

b)  evalueren of het nodig is om actie te ondernemen om de oorzaken van de niet-conformiteit te elimineren, zodat deze zich niet opnieuw of elders voordoet, door:

1.  de niet-conformiteit te beoordelen;

2.  de oorzaken van de niet-conformiteit te bepalen;

3.  te bepalen of er gelijkaardige niet-conformiteiten bestaan, of zich zouden kunnen voordoen;

c)  eventuele noodzakelijke maatregelen treffen;

d)  de doeltreffendheid van eventuele genomen corrigerende maatregelen beoordelen;

e)  veranderingen aanbrengen aan het milieubeheersysteem, indien nodig.

Corrigerende maatregelen moeten afgestemd zijn op het belang van de effecten van de opgetreden niet-conformiteiten, met inbegrip van milieueffect(en).

De organisatie bewaart gedocumenteerde informatie als bewijs van:

— de aard van de niet-conformiteiten en eventuele daaropvolgende getroffen maatregelen,

— de resultaten van eventuele corrigerende maatregelen.

A.10.3.  Continue verbetering

De organisatie verbetert de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid van het milieubeheersysteem continu om haar milieuprestaties te verbeteren.

 

(1)   

De in deze bijlage weergegeven tekst van de nationale norm wordt gebruikt met toestemming van het CEN. De volledige tekst van de nationale norm is bij de nationale normaliseringsinstellingen verkrijgbaar. Een lijst van deze instellingen is te vinden op de officiële website van het CEN. Deze bijlage mag op geen enkele wijze voor commerciële doeleinden worden gereproduceerd.

BIJLAGE III

BIJLAGE III

INTERNE MILIEUAUDIT

1.    Auditprogramma en auditfrequentie

1.1.    Auditprogramma

Met het auditprogramma wordt gewaarborgd dat het leidinggevende niveau van de organisatie de informatie krijgt die het nodig heeft om de milieuprestaties van de organisatie en de effectiviteit van het milieubeheersysteem te toetsen en om te kunnen aantonen dat deze onder controle zijn.

1.2.    Doelstellingen van het auditprogramma

De doelstellingen omvatten in het bijzonder een beoordeling van de ingevoerde milieubeheersystemen en de vaststelling of zij in overeenstemming zijn met het milieubeleid en het milieuprogramma van de organisatie, inclusief de naleving van de wettelijke eisen en andere milieueisen.

1.3.    Reikwijdte van het auditprogramma

De algehele reikwijdte van de afzonderlijke audits of eventueel van elke fase van een auditcyclus wordt duidelijk omschreven, met uitdrukkelijke vermelding van:

1. 

de bestreken gebieden;

2. 

de door te lichten activiteiten;

3. 

de in aanmerking te nemen milieucriteria;

4. 

de door de audit bestreken periode.

De milieuaudit omvat een beoordeling van de feitelijke gegevens die nodig zijn om de milieuprestaties te evalueren.

1.4.    Auditfrequentie

Audits of auditcycli die alle activiteiten van de organisatie bestrijken, worden voor zover van toepassing uitgevoerd met tussenpozen van ten hoogste drie jaar, of vier jaar indien de in artikel 7 bepaalde afwijking van toepassing is. De frequentie waarmee activiteiten aan een audit worden onderworpen, varieert naargelang:

1. 

de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten;

2. 

het belang van de daarmee samenhangende milieueffecten;

3. 

de omvang en urgentie van de in eerdere audits gesignaleerde problemen;

4. 

milieuproblemen in het verleden.

Complexere activiteiten met significantere milieueffecten worden vaker doorgelicht.

De organisatie voert audits ten minste jaarlijks uit, aangezien dit bijdraagt tot het aantonen aan het leidinggevende niveau van de organisatie en de milieuverificateur dat zij haar significante milieuaspecten onder controle heeft.

De organisatie voert audits uit met betrekking tot:

1. 

de milieuprestaties van de organisatie, en

2. 

de naleving van de toepasselijke wettelijke eisen en andere milieueisen door de organisatie.

2.    Auditwerkzaamheden

Auditwerkzaamheden omvatten besprekingen met het personeel met betrekking tot de milieuprestaties, inspectie van de bedrijfsomstandigheden en apparatuur en controle van de registers, schriftelijke procedures en andere relevante documentatie. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd om de milieuprestaties van de activiteit die wordt gecontroleerd te evalueren om vast te stellen of deze activiteit aan de toepasselijke normen, regelgeving of milieudoelstellingen en —taakstellingen voldoet. Hierbij wordt ook bepaald of het ingevoerde systeem om de milieuverantwoordelijkheden en -prestaties te beheren, doeltreffend en passend is en daarom wordt hierbij onder meer een steekproefsgewijze toetsing uitgevoerd van de naleving van deze criteria om de doeltreffendheid van het volledige beheersysteem te bepalen.

Het auditproces omvat met name de volgende stappen:

1. 

het verwerven van inzicht in de milieubeheersystemen;

2. 

het evalueren van de sterke en zwakke punten van de milieubeheersystemen;

3. 

het verzamelen van bewijs om aan te tonen waar het beheersysteem al dan niet werkt;

4. 

het evalueren van de resultaten van de audit;

5. 

het formuleren van de conclusies van de audit;

6. 

de rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit.

3.    Rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit

De hoofddoelstellingen van een schriftelijk auditverslag zijn:

1. 

de reikwijdte van de audit vastleggen;

2. 

informatie verstrekken aan het leidinggevende niveau over de mate waarin het milieubeleid van de organisatie in acht wordt genomen en de organisatie op milieugebied vorderingen boekt;

3. 

het leidinggevende niveau informeren over de status van de naleving van de wettelijke eisen en andere milieueisen en over de maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat de naleving kan worden aangetoond;

4. 

informatie verstrekken aan het leidinggevende niveau over de doeltreffendheid en betrouwbaarheid van de maatregelen die zijn genomen om de milieueffecten van de organisatie te monitoren en te verminderen;

5. 

indien van toepassing aantonen dat corrigerende maatregelen nodig zijn.

Het schriftelijke auditrapport bevat de noodzakelijke informatie om aan deze doelstellingen te voldoen.

▼M3

BIJLAGE IV

BIJLAGE IV

MILIEURAPPORTAGE

A.    Inleiding

Milieu-informatie wordt op duidelijke en coherente wijze gepresenteerd en wordt bij voorkeur in elektronische of gedrukte vorm verstrekt. De organisatie bepaalt de beste vorm om deze informatie op gebruikersvriendelijke manier beschikbaar te maken voor haar belanghebbenden.

B.    Milieuverklaring

De milieuverklaring bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan onderstaande minimale eisen:

a) 

een overzicht van de activiteiten, producten en diensten van de organisatie, de relatie van de organisatie met alle eventuele overkoepelende organisaties en een duidelijke en ondubbelzinnige beschrijving van de reikwijdte van de EMAS-registratie, met inbegrip van een lijst van de vestigingen waarop die registratie betrekking heeft;

b) 

het milieubeleid en een korte beschrijving van de beheersstructuur waarop het milieubeheersysteem van de organisatie steunt;

c) 

een beschrijving van alle significante directe en indirecte milieuaspecten die tot significante milieueffecten van de organisatie leiden, een korte beschrijving van de aanpak die werd gehanteerd om het belang daarvan te bepalen, en een toelichting bij de aard van de effecten, gerelateerd aan die aspecten;

d) 

een beschrijving van de milieudoelstellingen en -streefdoelen in verband met de significante milieuaspecten en -effecten;

e) 

een beschrijving van de maatregelen die zijn ingevoerd en gepland om de milieuprestaties te verbeteren, de doelstellingen en streefdoelen te verwezenlijken en naleving van de wettelijke milieuvoorschriften te waarborgen.

Indien voorhanden moet worden verwezen naar de relevante optimale werkmethoden op het gebied van milieubeheer die in de sectorale referentiedocumenten zoals bedoeld in artikel 46 zijn verstrekt;

f) 

een overzicht van de beschikbare gegevens over de milieuprestaties van de organisatie met betrekking tot haar significante milieueffecten.

Daarbij wordt verslag uitgebracht over de kernindicatoren en specifieke indicatoren van milieuprestaties, zoals vermeld in deel C. Indien milieudoelstellingen en -streefdoelen zijn vastgesteld, worden de bijbehorende gegevens gerapporteerd;

g) 

een verwijzing naar de voornaamste wettelijke bepalingen die de organisatie in aanmerking moet nemen om naleving van de wettelijke milieuvoorschriften te waarborgen en een verklaring van naleving van de wettelijke eisen;

h) 

een bevestiging met betrekking tot de in artikel 25, lid 8, vastgelegde voorschriften, de naam en het nummer van de accreditatie of de vergunning van de milieuverificateur en de datum van validering. In plaats daarvan mag de in bijlage VII bedoelde verklaring, ondertekend door de milieuverificateur, worden gebruikt.

De bijgewerkte milieuverklaring bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan de minimale eisen in de punten e) tot en met h).

Organisaties mogen besluiten om aanvullende feitelijke informatie met betrekking tot de activiteiten, producten en diensten van de organisatie of tot de naleving van specifieke voorschriften daarvan in hun milieuverklaring op te nemen. Alle informatie in de milieuverklaring wordt gevalideerd door de milieuverificateur.

De milieuverklaring mag in andere rapportagedocumenten van de organisatie (bv. verslagen inzake beheer, duurzaamheid of maatschappelijke verantwoordelijkheid van de onderneming) worden opgenomen. Bij opname in dergelijke rapportagedocumenten wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen gevalideerde en niet-gevalideerde informatie. De milieuverklaring wordt duidelijk aangeduid (bv. door middel van het EMAS-logo) en het document bevat een korte toelichting bij het valideringsproces in het kader van EMAS.

C.    Rapportage op basis van milieuprestatie-indicatoren en kwalitatieve informatie

1.    Inleiding

Organisaties rapporteren zowel in de milieuverklaring als in de bijgewerkte milieuverklaring hun significante directe en indirecte milieuaspecten door de kernindicatoren inzake milieuprestaties en de specifieke indicatoren inzake milieuprestaties te gebruiken zoals hieronder uiteengezet. Indien er geen kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, rapporteren organisaties kwalitatieve informatie zoals beschreven in punt 4.

De rapportage bevat gegevens over het werkelijke verbruik en de werkelijke productie. Indien bekendmaking de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële gegevens van de organisatie in gevaar brengt, in gevallen waarin deze vertrouwelijkheid door nationale of Uniewetgeving mogelijk wordt gemaakt om een legitiem economisch belang te beschermen, kan aan de organisatie toestemming worden verleend deze gegevens in haar rapportage te indexeren, bijvoorbeeld door een uitgangsjaar (met index 100) vast te stellen op basis waarvan de ontwikkeling van het werkelijke verbruik of de werkelijke productie zou blijken.

De indicatoren moeten:

a) 

een correct beeld geven van de milieuprestaties van de organisatie;

b) 

gemakkelijk te begrijpen en ondubbelzinnig zijn;

c) 

het mogelijk maken om de milieuprestaties van de organisatie van jaar tot jaar te vergelijken om zo te kunnen beoordelen of zij zijn verbeterd. Om deze vergelijking te kunnen maken, moet de rapportage de activiteiten over een periode van ten minste drie jaar bestrijken, mits de gegevens beschikbaar zijn;

d) 

het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met sectorale, nationale of regionale referentiepunten;

e) 

het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met de regelgevingseisen.

Ter ondersteuning hiervan geeft de organisatie op beknopte wijze de reikwijdte (met inbegrip van de organisatorische en materiële grenzen, de toepasbaarheid en de berekeningsmethode) van elke indicator aan.

2.    Kernindicatoren inzake milieuprestaties

a) 

Kernindicatoren zijn gericht op de prestaties op de volgende cruciale milieugebieden:

i) 

energie;

ii) 

materialen;

iii) 

water;

iv) 

afval;

v) 

„landgebruik” met betrekking tot biodiversiteit, en

vi) 

emissies.

Over kernindicatoren inzake milieuprestaties moet verplicht verslag worden uitgebracht. Een organisatie mag de relevantie van die indicatoren echter wel beoordelen binnen de context van haar significante milieuaspecten en -effecten. Indien een organisatie tot de slotsom komt dat één of meer kernindicatoren niet ter zake doen voor haar significante directe milieuaspecten en -effecten, is het toegestaan dat deze organisatie geen verslag uitbrengt over deze kernindicatoren. In dat geval legt de organisatie in de milieuverklaring duidelijk uit om welke redenen zij daarover geen verslag uitbrengt.

b) 

Elke kernindicator bestaat uit:

i) 

een getal A dat het totale jaarlijkse verbruik/de totale jaarlijkse productie op het desbetreffende gebied aangeeft;

ii) 

een getal B dat een jaarlijkse referentiewaarde aangeeft die de activiteit van de organisatie vertegenwoordigt, en

iii) 

een getal R dat de verhouding A/B aangeeft.

Elke organisatie rapporteert voor elke indicator alle drie onderdelen.

c) 

Het totale jaarlijkse verbruik/de totale jaarlijkse productie op het desbetreffende gebied (getal A) wordt als volgt gerapporteerd:

i) 

energie

— 
het „totale directe energieverbruik”, dat overeenkomt met de totale jaarlijkse hoeveelheid energie die door de organisatie wordt verbruikt;
— 
het „totale verbruik van hernieuwbare energie”, dat overeenkomt met de totale jaarlijkse hoeveelheid door de organisatie verbruikte energie die uit hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt;
— 
de „totale hoeveelheid opgewekte hernieuwbare energie”, die overeenkomt met de totale jaarlijkse hoeveelheid energie die door de organisatie uit hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt.

Over dit laatste gegeven wordt enkel verslag uitgebracht indien de totale hoeveelheid energie die door de organisatie uit hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt aanzienlijk groter is dan de totale hoeveelheid energie die door de organisatie wordt verbruikt, of indien de organisatie de door haar opgewekte hernieuwbare energie niet zelf verbruikt.

Indien er verschillende soorten energie worden verbruikt, of, in het geval van hernieuwbare energie, opgewekt (zoals elektriciteit, warmte, brandstof of andere), wordt het jaarlijkse verbruik daarvan zo nodig afzonderlijk gerapporteerd.

Energie moet bij voorkeur worden uitgedrukt in kWh, MWh, GJ of in een andere eenheid die algemeen wordt gebruikt om het soort verbruikte of opgewekte energie te rapporteren;

ii) 

materialen

— 
de „jaarlijkse massastroom van essentiële gebruikte materialen” (met uitzondering van energiedragers en water), bij voorkeur uitgedrukt in een eenheid van gewicht (bv. kilogram of ton) of volume (bv. m3) of andere eenheden die algemeen in de sector worden gebruikt.

Indien er verschillende soorten materialen worden gebruikt, moet hun jaarlijkse massastroom zo nodig afzonderlijk worden gerapporteerd;

iii) 

water

— 
het „totale jaarlijkse waterverbruik”, uitgedrukt in een eenheid van volume (bv. liter of m3);
iv) 

afval

— 
de „totale jaarlijkse afvalproductie”, uitgesplitst volgens soort, bij voorkeur uitgedrukt in een eenheid van gewicht (bv. kilogram of ton) of volume (bv. m3) of in een andere eenheid die algemeen in de sector wordt gebruikt;
— 
de „totale jaarlijkse productie van gevaarlijk afval”, bij voorkeur uitgedrukt in een eenheid van gewicht (bv. kilogram of ton) of volume (bv. m3) of in een andere eenheid die algemeen in de sector wordt gebruikt;
v) 

„landgebruik” met betrekking tot biodiversiteit;

— 
de soorten landgebruik met betrekking tot biodiversiteit, uitgedrukt in een eenheid van oppervlakte (bv. m2 of ha):
— 
totaal landgebruik
— 
totale verharde oppervlakte
— 
totale natuurgerichte oppervlakte op het terrein
— 
totale natuurgerichte oppervlakte buiten het terrein

„Natuurgerichte oppervlakte” is een gebied dat voornamelijk bestemd is voor natuurbehoud of -herstel. Natuurgerichte oppervlakten kunnen zich op het terrein van de vestiging bevinden en daken, gevels, waterafvoervoorzieningen of andere elementen omvatten die zijn ontworpen, aangepast of beheerd met het oog op de bevordering van de diversiteit. Natuurgerichte oppervlakten kunnen ook buiten het terrein van de organisatie liggen, mits het gebied in eigendom is van of wordt beheerd door de organisatie en voornamelijk bestemd is voor de bevordering van de biodiversiteit. Gezamenlijk beheerde gebieden die bestemd zijn voor de bevordering van de diversiteit kunnen ook in de rapportage worden opgenomen, mits de omvang van het gezamenlijk beheer duidelijk is afgebakend.

„Verharde oppervlakte” is elk gebied waar de oorspronkelijke bodem is bedekt (zoals wegen), waardoor hij ondoorlatend is geworden. Deze ondoorlatendheid kan milieueffecten met zich meebrengen;

vi) 

emissies

— 
de „totale jaarlijkse emissie van broeikasgassen”, met in begrip van ten minste de emissie van CO2, CH4, N2O, HFK's, PFK's, NF3 en SF6, uitgedrukt in ton CO2-equivalent;

De organisatie moet overwegen haar emissie van broeikasgassen te rapporteren volgens een vastgestelde methode, zoals het broeikasgassenprotocol.

— 
de „totale jaarlijkse emissie in de atmosfeer” met inbegrip van ten minste de emissie van SO2, NOx en PM, uitgedrukt in kilogram of ton;
d) 

de jaarlijkse referentiewaarde die de activiteit van de organisatie vertegenwoordigt (getal B), wordt geselecteerd en gerapporteerd op basis van de volgende voorschriften:

getal B moet:

i) 

begrijpelijk zijn;

ii) 

een getal zijn dat de totale jaarlijkse activiteit van de organisatie zo goed mogelijk vertegenwoordigt;

iii) 

het mogelijk maken om de milieuprestaties van de organisatie correct te beschrijven, rekening houdend met de eigenheden en activiteiten van de organisatie;

iv) 

een gemeenschappelijke referentiewaarde zijn voor de sector waarin de organisatie werkt, zoals de volgende voorbeelden:

— 
totale jaarlijkse fysieke productie
— 
totaal aantal werknemers
— 
totaal aantal overnachtingen
— 
totaal aantal inwoners in een gebied (in het geval van een openbare administratie)
— 
ton verwerkt afval (voor organisaties die actief zijn in de afvalverwerkingssector)
— 
totale hoeveelheid geproduceerde energie (voor organisaties die actief zijn in de energieproductiesector);
v) 

de vergelijkbaarheid van de gerapporteerde indicatoren in de loop der tijd waarborgen. Zodra het is vastgesteld, wordt getal B gebruikt in toekomstige milieuverklaringen.

Een wijziging van getal B wordt toegelicht in de milieuverklaring. In het geval van een wijziging van getal B zorgt de organisatie ervoor dat het getal ten minste over een periode van drie jaar kan worden vergeleken door de indicatoren voor de voorbije jaren te herberekenen volgens het nieuw vastgestelde getal B.

3.    Specifieke indicatoren inzake milieuprestaties

Elke organisatie brengt ook jaarlijks verslag uit over haar prestaties met betrekking tot de significante directe en indirecte milieuaspecten en -effecten die verband houden met haar kernactiviteiten, die meetbaar en verifieerbaar zijn en niet reeds in de kernindicatoren zijn opgenomen.

De rapportage over die indicatoren gebeurt in overeenstemming met de in de inleiding van dit deel vastgestelde eisen.

Indien beschikbaar houdt de organisatie rekening met de in artikel 46 bedoelde sectorale referentiedocumenten om de identificatie van relevante sectorspecifieke indicatoren te bevorderen.

4.    Rapportage over significante milieuaspecten op basis van kwalitatieve informatie

Indien er geen kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn om verslag uit te brengen over significante directe of indirecte milieuaspecten, rapporteren organisaties hun prestaties op basis van kwalitatieve informatie.

D.    Lokale verantwoordingsplicht

Het is mogelijk dat organisaties die EMAS-registratie wensen, één milieuverklaring willen opstellen waarin een aantal verschillende geografische locaties wordt bestreken.

Aangezien het de bedoeling van EMAS is dat er op lokaal niveau verantwoording wordt afgelegd, moeten de organisaties ervoor zorgen dat de significante milieueffecten van elke vestiging duidelijk in de gemeenschappelijke milieuverklaring worden gespecificeerd en gerapporteerd.

E.    Openbaarheid

De organisatie zorgt ervoor dat zij aan de milieuverificateur kan aantonen dat iedereen met belangstelling voor de milieuprestaties van de organisatie eenvoudig en onbelemmerd toegang kan krijgen tot de in de delen B en C verplicht gestelde informatie. Om in die transparantie te voorzien, moet de milieuverklaring bij voorkeur openbaar beschikbaar zijn op de website van de organisatie.

De organisatie zorgt ervoor dat deze informatie over een afzonderlijke vestiging of organisatie wordt bekendgemaakt in (een van) de officiële ta(a)l(en) van de lidstaat of het derde land waar de organisatie is gevestigd.

Daarnaast zorgt de organisatie er, in het geval van een gemeenschappelijke milieuverklaring, voor (voor registratiedoeleinden) dat deze informatie beschikbaar is in (een van) de officiële ta(a)l(en) van de lidstaat waar de organisatie is geregistreerd of in (een van) de officiële ta(a)l(en) van de Unie die met de voor de registratie bevoegde instantie is/zijn overeengekomen.

De milieuverklaring mag ook beschikbaar worden gemaakt in aanvullende talen, mits de inhoud van het vertaalde document strookt met de inhoud van de originele milieuverklaring die door de milieuverificateur is gevalideerd en er duidelijk wordt vermeld dat het een vertaling is van het gevalideerde document.

▼B

BIJLAGE V HET EMAS-LOGO

BIJLAGE V

HET EMAS-LOGO

image

▼M1

1.

Het logo kan in de 24 talen worden gebruikt, mits onderstaande formulering wordt gebruikt:



Bulgaars:

„Проверено управление по околна среда”

Tsjechisch:

„Ověřený systém environmentálního řízení”

Kroaats:

„Verificirani sustav upravljanja okolišem”

Deens:

„Verificeret miljøledelse”

Nederlands:

„Geverifieerd milieuzorgsysteem”

Engels:

„Verified environmental management”

Ests:

„Tõendatud keskkonnajuhtimine”

Fins:

„Todennettu ympäristöasioiden hallinta”

Frans:

„Management environnemental vérifié”

Duits:

„Geprüftes Umweltmanagement”

Grieks:

„επιθεωρημένη περιβαλλοντική διαχείριση”

Hongaars:

„Hitelesített környezetvédelmi vezetési rendszer”

Italiaans:

„Gestione ambientale verificata”

Iers:

„Bainistíocht comhshaoil fíoraithe”

Lets:

„Verificēta vides pārvaldība”

Litouws:

„Įvertinta aplinkosaugos vadyba”

Maltees:

„Immaniggjar Ambjentali Verifikat”

Pools:

„Zweryfikowany system zarządzania środowiskowego”

Portugees:

„Gestão ambiental verificada”

Roemeens:

„Management de mediu verificat”

Slowaaks:

„Overené environmentálne manažérstvo”

Sloveens:

„Preverjen sistem ravnanja z okoljem”

Spaans:

„Gestión medioambiental verificada”

Zweeds:

„Verifierat miljöledningssystem”

▼B

2.

Het logo wordt gebruikt:

— 
in drie kleuren (Pantone nr. 355 Groen; Pantone nr. 109 Geel; Pantone nr. 286 Blauw);
— 
in het zwart;
— 
in het wit, of
— 
in grijstinten.
BIJLAGE VI VOOR REGISTRATIE VEREISTE INFORMATIE

BIJLAGE VI

VOOR REGISTRATIE VEREISTE INFORMATIE

(informatie die, indien van toepassing, moet worden verstrekt)


1.  ORGANISATIE

 

Naam

…

Adres

…

Plaats

…

Postcode

…

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

…

Contactpersoon

…

Telefoon

…

FAX

…

E-mail:

…

Website

…

Toegang van de burger tot de milieuverklaring of de bijwerking daarvan

 

a)  in gedrukte vorm

…

b)  in elektronische vorm

…

Registratienummer

…

Registratiedatum

…

Schorsingsdatum van registratie

…

Schrappingsdatum van registratie

…

Datum eerstkomende milieuverklaring

…

Datum eerstkomende bijgewerkte milieuverklaring

…

Verzoek om afwijking overeenkomstig artikel 7

JA — NEEN

…

NACE-code van de activiteiten

…

Aantal werknemers

…

Omzet of jaarbalans

…

2.  VESTIGING

 

Naam

…

Adres

…

Postcode

…

Plaats

…

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

…

Contactpersoon

…

Telefoon

…

FAX

…

E-mail:

…

Website

…

Toegang van de burger tot de milieuverklaring of de bijwerking daarvan.

 

a)  in gedrukte vorm

…

b)  in elektronische vorm

…

Registratienummer

…

Registratiedatum

…

Schorsingsdatum van registratie

…

Schrappingsdatum van registratie

…

Datum eerstkomende milieuverklaring

…

Datum eerstkomende bijgewerkte milieuverklaring

…

Verzoek om afwijking overeenkomstig artikel 7

JA — NEEN

…

NACE-code van de activiteiten

…

Aantal werknemers

…

Omzet of jaarbalans

…

3.  MILIEUVERIFICATEUR

 

Naam van de verificateur

…

Adres

…

Postcode

…

Plaats

…

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

…

Telefoon

…

FAX

…

E-mail:

…

Registratienummer accreditatie of vergunning

…

Reikwijdte van de accreditatie of vergunning (NACE-codes)

…

Accreditatie- of vergunningsinstantie

…

Gedaan te op …/…/20

…

Handtekening van de vertegenwoordiger van de organisatie

…

BIJLAGE VII VERKLARING VAN DE MILIEUVERIFICATEUR OVER DE VERIFICATIE- EN VALIDERINGSWERKZAAMHEDEN

BIJLAGE VII

VERKLARING VAN DE MILIEUVERIFICATEUR OVER DE VERIFICATIE- EN VALIDERINGSWERKZAAMHEDEN

… (naam), EMAS-milieuverificateur met registratienummer …

geaccrediteerd met als reikwijdte … (NACE-code)

geaccrediteerd of in het bezit van een vergunning voor … (NACE Code)

verklaart dat hij/zij heeft geverifieerd of de vestiging(en) of de hele organisatie, zoals vermeld in de milieuverklaring/bijgewerkte milieuverklaring ( *1 ) van de organisatie … (naam)

met registratienummer (indien beschikbaar) …

voldoet aan alle eisen van Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

Met de ondertekening van deze verklaring verklaar ik dat:

— 
de verificatie en validering volledig overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1221/2009 zijn uitgevoerd;
— 
uit het resultaat van de verificatie en validering blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat niet aan de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften is voldaan;
— 
de gegevens en informatie van de milieuverklaring/bijgewerkte milieuverklaring (*1)  van de organisatie/vestiging (*1)  een betrouwbaar, geloofwaardig en juist beeld geven van alle activiteiten van de organisatie/vestiging (*1)  binnen de in de milieuverklaring vermelde reikwijdte.

Dit document is niet gelijk aan een EMAS-registratie. EMAS-registratie kan alleen worden gedaan door een bevoegde instantie in de zin van Verordening (EG) 1221/2009. Dit document wordt niet gebruikt als een zelfstandig stuk openbare communicatie.

Gedaan te op …/…/20..

Handtekening

BIJLAGE VIII CONCORDANTIETABEL

BIJLAGE VIII

CONCORDANTIETABEL


Verordening (EG) nr. 761/2001

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, onder a)

—

Artikel 1, lid 2, onder b)

—

Artikel 1, lid 2, onder c)

—

Artikel 1, lid 2, onder d)

—

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, onder b)

—

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, onder d)

—

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, lid 9

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, onder h)

Artikel 2, lid 10

Artikel 2, onder i)

Artikel 2, lid 11

Artikel 2, onder j)

Artikel 2, lid 12

Artikel 2, onder k)

Artikel 2, lid 13

Artikel 2, onder l)

Artikel 2, lid 16

Artikel 2, onder l), punt i)

—

Artikel 2, onder l), punt ii)

—

Artikel 2, onder m)

—

Artikel 2, onder n)

Artikel 2, lid 17

Artikel 2, onder o)

Artikel 2, lid 18

Artikel 2, onder p)

—

Artikel 2, onder q)

Artikel 2, lid 20

Artikel 2, onder r)

—

Artikel 2, onder s), eerste alinea

Artikel 2, lid 21

Artikel 2, onder s), tweede alinea

—

Artikel 2, onder t)

Artikel 2, lid 22

Artikel 2, onder u)

—

Artikel 3, lid 1

—

Artikel 3, lid 2, onder a), eerste alinea

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 2, onder a), tweede alinea

Artikel 4, lid 3

Artikel 3, lid 2, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 3, lid 2, onder c)

Artikel 4, lid 1, onder d)

Artikel 3, lid 2, onder d)

Artikel 4, lid 5

Artikel 3, lid 2, onder e)

Artikel 5, lid 2, eerste alinea; Artikel 6, lid 3

Artikel 3, lid 3, onder a)

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 3, onder b), eerste zin

Artikel 6, lid 1, onder b) en c)

Artikel 3, lid 3, onder b), tweede zin

Artikel 7, lid 1

Artikel 4, lid 1

—

Artikel 4, lid 2

Artikel 51, lid 2

Artikel 4, lid 3

—

Artikel 4, lid 4

—

Artikel 4, lid 5, eerste zin

Artikel 25, lid 10, eerste alinea

Artikel 4, lid 5, tweede zin

Artikel 25, lid 10, tweede alinea, tweede zin

Artikel 4, lid 6

Artikel 41

Artikel 4, lid 7

—

Artikel 4, lid 8, eerste alinea

Artikel 30, lid 1

Artikel 4, lid 8, tweede alinea

Artikel 30, leden 3 en 5

Artikel 4, lid 8, derde alinea, eerste en tweede zin

Artikel 31, lid 1

Artikel 4, lid 8, derde alinea, laatste zin

Artikel 31, lid 2

Artikel 5, lid 1

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 5, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 5, lid 3, eerste zin

Artikel 12, lid 1

Artikel 5, lid 3, tweede zin, eerste streepje

Artikel 12, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 3, tweede zin, tweede streepje

Artikel 12, lid 1, onder b)

Artikel 5, lid 4

Artikel 11, lid 1, tweede en derde alinea

Artikel 5, lid 5, eerste zin

Artikel 16, lid 1

Artikel 5, lid 5, tweede zin

Artikel 16, lid 3, eerste zin

Artikel 5, lid 5, derde zin

Artikel 17, lid 1

Artikel 5, lid 5, vierde zin

Artikel 16, lid 3, tweede alinea en artikel 16, lid 4, tweede alinea

Artikel 6, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 6, punt 1, eerste streepje

Artikel 13, lid 2, onder a) en artikel 5, lid 2, onder a)

Artikel 6, punt 1, tweede streepje

Artikel 13, lid 2, onder a) en artikel 5, lid 2, onder c)

Artikel 6, punt 1, derde streepje

Artikel 13, lid 2, onder f) en artikel 5, lid 2, onder d)

Artikel 6, punt 1, vierde streepje

Artikel 13, lid 2, onder c)

Artikel 6, punt 1, tweede alinea

Artikel 13, lid 2, eerste zin

Artikel 6, punt 2

Artikel 15, lid 3

Artikel 6, punt 3, eerste streepje

Artikel 15, lid 3, onder a)

Artikel 6, punt 3, tweede streepje

Artikel 15, lid 3, onder b)

Artikel 6, punt 3, derde streepje

—

Artikel 6, punt 3, laatste zin

Artikel 15, lid 8

Artikel 6, punt 4, eerste alinea

Artikel 15, lid 2

Artikel 6, punt 4, tweede alinea

Artikel 15, lid 4

Artikel 6, punt 5, eerste zin

Artikel 15, lid 6

Artikel 6, punt 5, tweede zin

Artikel 15, leden 8 en 9

Artikel 6, punt 6

Artikel 15, lid 10

Artikel 7, lid 1

Artikel 28, lid 8

Artikel 7, lid 2, eerste zin

Artikel 12, lid 2

Artikel 7, lid 2, tweede zin

Artikel 12, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 42, lid 2, onder a)

Artikel 8, lid 1, eerste zin

Artikel 10, lid 1

Artikel 8, lid 1, tweede zin

Artikel 10, lid 2

Artikel 8, lid 2

—

Artikel 8, lid 3, eerste alinea

Artikel 10, lid 4

Artikel 8, lid 3, tweede alinea

—

Artikel 9, lid 1, inleidende zin

Artikel 4, lid 3

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 45, lid 4

Artikel 9, lid 1, onder b)

Artikel 45, lid 4

Artikel 9, lid 1, tweede alinea

Artikel 45, lid 5

Artikel 9, lid 2

—

Artikel 10, lid 1

—

Artikel 10, lid 2, eerste alinea

Artikel 38, leden 1 en 2

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, eerste zin

Artikel 41

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, tweede zin

Artikel 47

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 36

Artikel 11, lid 1, eerste streepje

Artikel 36, onder a)

Artikel 11, lid 1, tweede streepje

Artikel 36, onder c)

Artikel 11, lid 1, derde streepje

Artikel 36, onder b)

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, eerste zin

Artikel 37, lid 1

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin

—

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, derde zin

Artikel 37, lid 2

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, vierde zin

Artikel 37, lid 3

Artikel 11, lid 2

Artikel 43, lid 2

Artikel 11, lid 3, eerste zin

Artikel 41, lid 2

Artikel 11, lid 3, tweede zin

Artikel 47

Artikel 12, lid 1, onder a)

—

Artikel 12, lid 1, onder b)

Artikel 35, lid 1

Artikel 12, lid 1, tweede alinea

—

Artikel 12, lid 2

Artikel 41, lid 2

Artikel 12, lid 3

—

Artikel 13

Artikel 40, lid 1

Artikel 14, lid 1

Artikel 49, lid 1

Artikel 14, lid 2

—

Artikel 14, lid 3

—

Artikel 15, lid 1

Artikel 50

Artikel 15, lid 2

Artikel 48

Artikel 15, lid 3

—

Artikel 16, lid 1

Artikel 39, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 42, lid 2

Artikel 17, lid 1

—

Artikel 17, leden 2, 3 en 4

Artikel 51, lid 2

Artikel 17, lid 5

—

Artikel 18

Artikel 52


( 1 ) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

( 2 ) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

( 3 ) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

( 4 ) PB L 247 van 17.9.2001, blz. 24.

( 5 ) PB L 70 van 9.3.2006, blz. 63.

( *1 ) doorhalen wat niet van toepassing is.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis