+RICHTLIJN 2013/30/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (Voor de EER relevante tekst)
---+HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
---------+Article 1 1.
---------+Article 1 2.
---------+Article 1 3.
------+Artikel 2 Definities
---+HOOFDSTUK II VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN IN VERBAND MET OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
------+Artikel 3 Algemene beginselen van risicobeheer in offshore olie- en gasactiviteiten
---------+Article 3 1.
---------+Article 3 2.
---------+Article 3 3.
---------+Article 3 4.
------+Artikel 4 Veiligheids- en milieuoverwegingen in het kader van vergunningen
---------+Article 4 1.
---------+Article 4 2.
---------+Article 4 3.
---------+Article 4 4.
---------+Article 4 5.
---------+Article 4 6.
------+Artikel 5 Inspraak met betrekking tot de gevolgen van voorgenomen offshore olie- en gasexploraties op het milieu
---------+Article 5 1.
---------+Article 5 2.
---------+Article 5 3.
------+Artikel 6 Offshore olie- en gasactiviteiten in vergunningsgebieden
---------+Article 6 1.
---------+Article 6 2.
---------+Article 6 3.
---------+Article 6 4.
---------+Article 6 5.
---------+Article 6 6.
---------+Article 6 7.
---------+Article 6 8.
------+Artikel 7 Aansprakelijkheid voor milieuschade
------+Artikel 8 Aanwijzing van de bevoegde autoriteit
---------+Article 8 1.
---------+Article 8 2.
---------+Article 8 3.
---------+Article 8 4.
---------+Article 8 5.
---------+Article 8 6.
---------+Article 8 7.
---------+Article 8 8.
---------+Article 8 9.
------+Artikel 9 Werkwijze van de bevoegde autoriteit
------+Artikel 10 Taken van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid
---------+Article 10 1.
---------+Article 10 2.
---------+Article 10 3.
---+HOOFDSTUK III VOORBEREIDING EN UITVOERING VAN OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
------+Artikel 11 Documenten die moeten worden ingediend voor het uitvoeren van offshore olie- en gasactiviteiten
---------+Article 11 1.
---------+Article 11 2.
---------+Article 11 3.
---------+Article 11 4.
---------+Article 11 5.
---------+Article 11 6.
---------+Article 11 7.
------+Artikel 12 Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie
---------+Article 12 1.
---------+Article 12 2.
---------+Article 12 3.
---------+Article 12 4.
---------+Article 12 5.
---------+Article 12 6.
---------+Article 12 7.
------+Artikel 13 Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie
---------+Article 13 1.
---------+Article 13 2.
---------+Article 13 3.
---------+Article 13 4.
---------+Article 13 5.
---------+Article 13 6.
---------+Article 13 7.
------+Artikel 14 Interne rampenplannen
---------+Article 14 1.
---------+Article 14 2.
---------+Article 14 3.
------+Artikel 15 Kennisgeving van en verstrekking van gegevens over boorputactiviteiten
---------+Article 15 1.
---------+Article 15 2.
---------+Article 15 3.
---------+Article 15 4.
------+Artikel 16 Kennisgeving van gecombineerde activiteiten
---------+Article 16 1.
---------+Article 16 2.
---------+Article 16 3.
------+Artikel 17 Onafhankelijke verificatie
---------+Article 17 1.
---------+Article 17 2.
---------+Article 17 3.
---------+Article 17 4.
---------+Article 17 5.
---------+Article 17 6.
---------+Article 17 7.
---------+Article 17 8.
------+Artikel 18 Bevoegdheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot activiteiten op installaties
---+HOOFDSTUK IV PREVENTIEBELEID
------+Artikel 19 Voorkoming van zware ongevallen door exploitanten en eigenaars
---------+Article 19 1.
---------+Article 19 2.
---------+Article 19 3.
---------+Article 19 4.
---------+Article 19 5.
---------+Article 19 6.
---------+Article 19 7.
---------+Article 19 8.
---------+Article 19 9.
---------+Article 19 10.
------+Artikel 20 Offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie
---------+Article 20 1.
---------+Article 20 2.
------+Artikel 21 Het waarborgen van de naleving van de regels voor de voorkoming van zware ongevallen
---------+Article 21 1.
---------+Article 21 2.
---------+Article 21 3.
------+Artikel 22 Vertrouwelijke melding van veiligheidskwesties
---------+Article 22 1.
---------+Article 22 2.
---+HOOFDSTUK V TRANSPARANTIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE
------+Artikel 23 Uitwisseling van informatie
---------+Article 23 1.
---------+Article 23 2.
------+Artikel 24 Transparantie
---------+Article 24 1.
---------+Article 24 2.
------+Artikel 25 Rapportering over het veiligheids- en milieueffect
---------+Article 25 1.
---------+Article 25 2.
---------+Article 25 3.
------+Artikel 26 Onderzoek na een zwaar ongeval
---------+Article 26 1.
---------+Article 26 2.
---------+Article 26 3.
---+HOOFDSTUK VI SAMENWERKING
------+Artikel 27 Samenwerking tussen lidstaten
---------+Article 27 1.
---------+Article 27 2.
---------+Article 27 3.
---------+Article 27 4.
---------+Article 27 5.
---+HOOFDSTUK VII VOORBEREIDHEID EN REACTIE OP NOODSITUATIES
------+Artikel 28 Eisen inzake interne rampenplannen
---------+Article 28 1.
---------+Article 28 2.
---------+Article 28 3.
---------+Article 28 4.
------+Artikel 29 Externe rampenplannen en de gereedheid bij noodsituaties
---------+Article 29 1.
---------+Article 29 2.
---------+Article 29 3.
---------+Article 29 4.
---------+Article 29 5.
---------+Article 29 6.
---------+Article 29 7.
------+Artikel 30 Reactie op noodsituaties
---------+Article 30 1.
---------+Article 30 2.
---------+Article 30 3.
---+HOOFDSTUK VIII GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN
------+Artikel 31 Voorbereidheid en reactie op grensoverschrijdende noodsituaties van lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied
---------+Article 31 1.
---------+Article 31 2.
---------+Article 31 3.
---------+Article 31 4.
---------+Article 31 5.
---------+Article 31 6.
------+Artikel 32 Voorbereidheid op grensoverschrijdende noodsituaties en reactie van lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied
---------+Article 32 1.
---------+Article 32 2.
---------+Article 32 3.
---------+Article 32 4.
------+Artikel 33 Gecoördineerde aanpak met het oog op de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau
---------+Article 33 1.
---------+Article 33 2.
---------+Article 33 3.
---+HOOFDSTUK IX LOTBEPALINGEN
------+Artikel 34 Sancties
------+Artikel 35 Gedelegeerde bevoegdheden van de Commissie
------+Artikel 36 Uitoefening van de delegatie
---------+Article 36 1.
---------+Article 36 2.
---------+Article 36 3.
---------+Article 36 4.
---------+Article 36 5.
------+Artikel 37 Comitéprocedure
---------+Article 37 1.
---------+Article 37 2.
------+Artikel 38 Wijziging van Richtlijn 2004/35/EG
---------+Article 38 1.
---------+Article 38 2.
------+Artikel 39 Verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad
---------+Article 39 1.
---------+Article 39 2.
---------+Article 39 3.
------+Artikel 40 Verslag en herziening
---------+Article 40 1.
---------+Article 40 2.
------+Artikel 41 Omzetting
---------+Article 41 1.
---------+Article 41 2.
---------+Article 41 3.
---------+Article 41 4.
---------+Article 41 5.
------+Artikel 42 Overgangsbepalingen
---------+Article 42 1.
---------+Article 42 2.
------+Artikel 43 Inwerkingtreding
------+Artikel 44 Adressaten
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV
---+BIJLAGE V
---+BIJLAGE VI
---+BIJLAGE VII
---+BIJLAGE VIII
---+ANNEX IX
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN 2013/30/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (Voor de EER relevante tekst)
RICHTLIJN 2013/30/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN
|
HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN
|
|
HOOFDSTUK II VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN IN VERBAND MET OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
|
HOOFDSTUK II VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN IN VERBAND MET OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
|
|
HOOFDSTUK III VOORBEREIDING EN UITVOERING VAN OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
|
HOOFDSTUK III VOORBEREIDING EN UITVOERING VAN OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN
|
|
HOOFDSTUK IV PREVENTIEBELEID
|
HOOFDSTUK IV PREVENTIEBELEID
|
|
HOOFDSTUK V TRANSPARANTIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE
|
HOOFDSTUK V TRANSPARANTIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE
|
|
HOOFDSTUK VI SAMENWERKING
|
HOOFDSTUK VI SAMENWERKING
|
|
HOOFDSTUK VII VOORBEREIDHEID EN REACTIE OP NOODSITUATIES
|
HOOFDSTUK VII VOORBEREIDHEID EN REACTIE OP NOODSITUATIES
|
|
HOOFDSTUK VIII GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN
|
HOOFDSTUK VIII GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN
|
|
HOOFDSTUK IX LOTBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK IX LOTBEPALINGEN
|
|
BIJLAGE I
|
BIJLAGE I
Informatie die moet worden opgenomen in documenten die worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 11
1. INFORMATIE DIE MOET WORDEN OVERGELEGD IN DE KENNISGEVING VAN HET ONTWERP OF VAN DE VERPLAATSING MET BETREKKING TOT EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE
De kennisgeving van het ontwerp of van de verplaatsing met betrekking tot een productie-installatie die moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder c) en j), omvat ten minste de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de exploitant van de installatie;
2.
een beschrijving van het ontwerpproces voor de productieactiviteiten en -systemen, van een eerste concept tot het ingediende ontwerp of de keuze van een bestaande installatie, de relevante gebruikte normen, en de ontwerpconcepten die in het proces zijn opgenomen;
3.
een beschrijving van het geselecteerde ontwerpconcept met betrekking tot de grote gevarenscenario’s voor de specifieke installatie en de locatie ervan, en de voornaamste kenmerken van het risicobeheer;
4.
een bewijs dat het concept ertoe bijdraagt dat grote risico’s tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt;
5.
een beschrijving van de installatie en de omstandigheden op de geplande locatie;
6.
een beschrijving van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;
7.
een beschrijving van de types uit te voeren activiteiten waarmee grote gevaren gepaard gaan;
8.
een algemene beschrijving van het veiligheids- en milieubeheersysteem waardoor de geplande controlemaatregelen voor grote risico’s goed blijven functioneren;
9.
een beschrijving van de regelingen voor onafhankelijke verificatie en een eerste lijst met veiligheids- en milieukritische elementen en de vereiste prestaties daarvoor;
10.
wanneer een bestaande productie-installatie verplaatst wordt naar een nieuwe locatie om voor een andere productieactiviteit te dienen, een demonstratie waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor de voorgestelde productieactiviteit;
11.
wanneer een niet-productie-installatie wordt veranderd om als productie-installatie te worden gebruikt, een verklaring waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor verandering naar een productie-installatie.
2. INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR DE EXPLOITATIE VAN EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE
Rapporten inzake grote gevaren voor een productie-installatie die moeten worden opgesteld overeenkomstig artikel 12 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), omvatten ten minste de volgende informatie:
1.
een beschrijving van het feit dat er rekening werd gehouden met de reactie van de bevoegde autoriteit op de kennisgeving van het ontwerp;
2.
de naam en het adres van de exploitant van de installatie;
3.
een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren;
4.
een beschrijving van de installatie en elke koppeling met andere installaties of verbonden infrastructuur, met inbegrip van boorputten;
5.
het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dit bewijs omvat een beoordeling van de doeltreffendheid van de respons op olielekken;
6.
een beschrijving van de types uit te voeren activiteiten met mogelijk grote gevaren, en het maximumaantal personen dat zich steeds op de installatie kan bevinden;
7.
een beschrijving van de uitrusting en maatregelen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, voorkoming van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen;
8.
een beschrijving van de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;
9.
de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;
10.
informatie betreffende het veiligheids- en milieubeheersysteem van de exploitant die van belang is voor de productie-installatie;
11.
een intern rampenplan of een adequate beschrijving daarvan;
12.
een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling;
13.
alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld ingeval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;
14.
informatie die relevant is voor andere vereisten uit deze richtlijn die verkregen wordt overeenkomstig de eisen op het vlak van voorkoming van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;
15.
inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen overeenkomstig deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen;
16.
een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.
3. INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR EEN NIET-PRODUCTIE-INSTALLATIE
Rapporten inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 13 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), omvatten ten minste de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de eigenaar;
2.
een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren;
3.
een beschrijving van de installatie en, in het geval van een mobiele installatie, een beschrijving van de manier van verplaatsing tussen locaties en het systeem voor het stationeren ervan;
4.
een beschrijving van de types activiteiten met mogelijke grote gevaren die de installatie kan uitvoeren, en het maximumaantal personen dat zich steeds op de installatie kan bevinden;
5.
het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dit bewijs omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken;
6.
een beschrijving van de uitrusting en maatregelen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, voorkoming van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen;
7.
een beschrijving van de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;
8.
de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;
9.
het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn voor alle activiteiten die de installatie kan uitvoeren, en dat de risico’s op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt;
10.
een beschrijving van alle milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;
11.
informatie over het veiligheids- en milieubeheersysteem die van belang is voor de niet-productie-installatie;
12.
een interne rampenplan of een passende beschrijving daarvan;
13.
een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling;
14.
alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld ingeval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;
15.
inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie op grond van Richtlijn 2011/92/EU verkregen betreffende de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen uit hoofde van deze richtlijn;
16.
een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.
4. INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN BOORPUTACTIVITEITEN
De kennisgevingen van boorputactiviteiten die moeten worden opgesteld overeenkomstig artikel 15 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder h), omvat ten minste de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de exploitant van de boorput;
2.
de naam van de te gebruiken installatie en de naam en het adres van de eigenaar of, in het geval van een productie-installatie, de aannemer die booractiviteiten uitvoert;
3.
bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties en verbonden infrastructuur;
4.
informatie over het werkprogramma van de boorput, met inbegrip van de exploitatieperiode, bijzonderheden en de verificatie van de barrières tegen het verlies van controle over de boorput (uitrusting, boorvloeistoffen en cement enz.), controle over de richting van de boorput en beperkingen op veilige activiteiten, overeenkomstig het risicobeheer;
5.
in het geval van een bestaande boorput, informatie met betrekking tot de geschiedenis en toestand ervan;
6.
bijzonderheden over de in te zetten veiligheidsapparatuur die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren voor de installatie;
7.
een risicobeoordeling met een beschrijving van:
a)
de specifieke gevaren die gerelateerd zijn aan de boorputexploitatie, met inbegrip van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten;
c)
alle oppervlakte- of onderzeese activiteiten die tegelijkertijd potentieel grote gevaren meebrengen;
d)
geschikte controlemaatregelen;
8.
een beschrijving van de boorputconfiguratie op het einde van de activiteiten, dat wil zeggen permanent of tijdelijk verlaten en of productie-uitrusting in de put is geplaatst voor toekomstig gebruik;
9.
in het geval van een wijziging van een eerder ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten, voldoende bijzonderheden om de kennisgeving volledig bij te werken;
10.
wanneer het een boorput betreft die moet worden aangelegd, gewijzigd of onderhouden met behulp van een niet-productie-installatie, de volgende extra informatie:
a)
een beschrijving van de meteorologische, milieu-, en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;
b)
een beschrijving van de milieuomstandigheden waarmee rekening werd gehouden in het interne rampenplan voor de installatie;
c)
een beschrijving van de voorzieningen voor reacties op noodsituaties, met inbegrip van de voorzieningen voor gevallen van een zwaar milieu-incident, die niet zijn beschreven in het rapport inzake grote gevaren, en
d)
een beschrijving van de wijze waarop de beheersystemen van de exploitant van de boorput en de eigenaar gecoördineerd moeten worden om op elk moment de grote gevaren doeltreffend te beheren;
11.
een rapport met bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek, met inbegrip van een verklaring van de exploitant van de boorput waarin na het rapport en de bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek door de onafhankelijke verificateur in overweging te hebben genomen wordt aangegeven, dat de risicobeoordeling met betrekking tot het boorputontwerp en de barrières tegen het verlies van de controle over de boorput geschikt zijn voor alle verwachte omstandigheden;
12.
informatie die relevant is voor deze richtlijn verkregen overeenkomstig de eisen op het vlak van voorkoming van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;
13.
inzake boorputactiviteiten die moeten worden geleid, informatie die van belang is voor de overige eisen overeenkomstig deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben.
5. INFORMATIE OVER EEN VERIFICATIEREGELING DIE MOET WORDEN VOORGELEGD
Beschrijvingen die moeten worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder d), in verband met de regeling voor onafhankelijke verificatie die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 1, bevatten de volgende informatie:
a)
een verklaring van de exploitant of van de eigenaar opgesteld na overweging van het rapport van de onafhankelijke verificateur dat het register van veiligheidskritische elementen en de onderhoudsregeling hiervan zoals vermeld in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn of zullen zijn;
b)
een beschrijving van de verificatieregeling, met inbegrip van de selectie van onafhankelijke verificateurs, de methode van onderzoek of veiligheids- en milieukritische elementen en bepaalde uitrusting in de regeling in goede staat van onderhoud blijven;
c)
een beschrijving van de in onder b) bedoelde verificatiemethode die bijzonderheden bevat over de beginselen die zullen worden toegepast voor de uitvoering van de functies onder de regeling en om de regeling gedurende de levenscyclus van de installatie voortdurend te herzien, inhoudende:
i)
onderzoek en tests van de veiligheids- en milieukritische elementen door onafhankelijke en competente verificateurs;
ii)
de verificatie van het ontwerp, de norm, de certificering of een ander conformiteitssysteem van de veiligheids- en milieukritische elementen;
iii)
het onderzoek van het werk in uitvoering;
iv)
de melding van elk geval van niet-naleving;
v)
corrigerende maatregelen, genomen door de exploitant of de eigenaar.
6. TE VERSTREKKEN INFORMATIE MET BETREKKING TOT EEN ESSENTIËLE VERANDERING AAN EEN INSTALLATIE, MET INBEGRIP VAN DE VERWIJDERING VAN EEN VASTE INSTALLATIE
Indien er essentiële veranderingen nodig zijn aan de in artikel 12, lid 5, en artikel 13, lid 4, bedoelde installatie, bevat het gewijzigde rapport inzake grote gevaren met daarin de essentiële wijzigingen, dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder f), minstens de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de exploitant of de eigenaar;
2.
een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het herziene rapport inzake grote gevaren;
3.
voldoende bijzonderheden om het eerdere rapport inzake grote gevaren en het bijbehorende interne rampenplan voor de installatie volledig bij te werken, en te bewijzen dat de grote risico’s verminderd zijn tot een aanvaardbaar niveau;
4.
in het geval van een vaste productie-installatie die uit gebruik is genomen:
a)
de middelen om alle gevaarlijke stoffen te isoleren en, als er boorputten met de installatie verbonden zijn, de permanente afsluiting van de boorputten van de installatie en het milieu;
b)
een beschrijving van de grote risico’s, verbonden met de buitenbedrijfstelling van de installatie, voor personeel en milieu, de totale blootgestelde bevolking en de risicobeheersingsmaatregelen;
c)
regelingen in het kader van de reactie op noodsituaties om de veilige evacuatie en redding van personeel te verzekeren en controlesystemen ter voorkoming van een zwaar milieuongeval, te behouden.
7. INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN GECOMBINEERDE ACTIVITEITEN
De kennisgeving voor gecombineerde activiteiten die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 16 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder i), omvat ten minste de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de exploitant die de kennisgeving indient;
2.
indien andere exploitanten of eigenaars bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, hun namen en adressen en een bevestiging dat zij instemmen met de inhoud van de kennisgeving;
3.
een beschrijving, in de vorm van een overbruggingsdocument dat door alle betrokken partijen is goedgekeurd, van hoe de beheersystemen voor de installaties die bij de gecombineerde activiteit betrokken zijn, gecoördineerd worden om het risico op een zwaar ongeval tot een aanvaardbaar niveau te beperken;
4.
een beschrijving van de uitrusting die in verband met de gecombineerde activiteit moet worden gebruikt, maar die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren voor elke installatie die bij de gecombineerde activiteiten betrokken is;
5.
een samenvatting van de risicobeoordeling die is uitgevoerd door alle exploitanten en eigenaars die bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, met inbegrip van:
a)
een beschrijving van alle activiteiten tijdens de gecombineerde activiteit die gevaren met zich mee kunnen brengen met mogelijk een zwaar ongeval tot gevolg op of in verband met een installatie;
b)
een beschrijving van alle risicobeheersingsmaatregelen die ingevoerd worden naar aanleiding van de risicobeoordeling;
6.
een beschrijving van de gecombineerde activiteit en een werkprogramma, waarop de gecombineerde activiteit volgens de planning zal beginnen.
8. INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD OVER HET BEDRIJFSBELEID TER VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN
Het bedrijfsbeleid inzake voorkoming van zware ongevallen dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 19, lid 1, en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder a), omvat maar blijft niet beperkt tot:
1.
de verantwoordelijkheid van de bestuursraad die er te allen tijde voor moet zorgen dat het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen geschikt is, ingevoerd is en werkt zoals het bedoeld is;
2.
maatregelen voor het opbouwen en handhaven van een sterke veiligheidscultuur die het zeer waarschijnlijk maakt dat er permanent een veilige exploitatie kan plaatsvinden;
3.
de omvang en de intensiteit van de procesdoorlichting;
4.
maatregelen ter beloning en erkenning van gewenst gedrag;
5.
evaluatie van de capaciteiten en doelstellingen van het bedrijf;
6.
maatregelen voor de handhaving van normen voor veiligheid en milieubescherming als een kernwaarde van het bedrijf;
7.
formele controle- en besturingssystemen waarbij bestuursleden en het hoger management van het bedrijf worden betrokken;
8.
de aanpak van bekwaamheid op alle bedrijfsniveaus;
9.
de mate waarin de onder de punten 1 tot en met 8 genoemde bijzonderheden van toepassing zijn op de olie- en gasactiviteiten die het bedrijf buiten de Unie uitvoert.
9. INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD MET BETREKKING TOT EEN VEILIGHEIDS- EN MILIEUBEHEERSYSTEEM
Het veiligheids- en milieubeheersysteem dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 19, lid 3, en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b), omvat, maar blijft niet beperkt tot:
1.
de organisatiestructuur en taken en verantwoordelijkheden van het personeel;
2.
de bepaling en evaluatie van grote gevaren, de waarschijnlijkheid en de mogelijke gevolgen ervan;
3.
de integratie van het milieu-effect in de beoordelingen van het risico op zware ongevallen in het rapport inzake grote gevaren;
4.
het beheer van de grote gevaren tijdens de normale activiteiten;
5.
het beheer van wijzigingen;
6.
rampenplannen en de reactie op noodsituaties;
7.
de beperking van de milieuschade;
8.
het toezicht op de prestaties;
9.
regelingen voor doorlichting en herzieningen, en
10.
de vigerende maatregelen voor deelname aan het tripartiete overleg en hoe daaruit voortkomende maatregelen worden uitgevoerd.
10. INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD IN EEN INTERN RAMPENPLAN VAN EEN EXPLOITANT
Interne rampenplannen die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 14 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder g), omvatten, maar blijven niet beperkt tot:
1.
de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om responseprocedures voor noodsituaties in werking te stellen en van de persoon die de interne reactie op de noodsituatie leidt;
2.
de naam of functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe rampenplan verantwoordelijke autoriteit(en);
3.
een beschrijving van alle te voorziene omstandigheden of gebeurtenissen die een zwaar ongeval zouden kunnen veroorzaken, zoals beschreven in het rapport inzake grote gevaren waarbij het plan gevoegd is;
4.
een beschrijving van de acties die genomen zullen worden om de relevante omstandigheden of gebeurtenissen te beheersen en om de gevolgen ervan te beperken;
5.
een beschrijving van de beschikbare apparatuur en middelen, ook voor het overkappen van mogelijke lekken;
6.
de regelingen ter beperking van de risico’s voor personen op de installatie en voor het milieu, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;
7.
in het geval van een gecombineerde activiteit, de regelingen voor de coördinatie tussen de betrokken installaties van ontsnapping, evacuatie en redding, om goede overlevingskansen te waarborgen voor personen die zich tijdens een zwaar ongeval op de installatie bevinden;
8.
een raming van de doeltreffendheid van de respons op olielekken: Bij deze analyse van de respons moet onder meer rekening worden gehouden met de volgende milieufactoren:
i)
het weer, met inbegrip van wind, zichtbaarheid, neerslag en temperatuur;
ii)
toestanden, getijden en stromingen;
iii)
de aanwezigheid van ijs en slik;
iv)
het aantal uren daglicht, en
v)
andere bekende milieufactoren die van invloed kunnen zijn op de doeltreffendheid van de bestrijdingsapparatuur of de algemene doeltreffendheid van de bestrijdingsinspanning;
9.
de regelingen om de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het in werking te stellen van het externe rampenplan bij een zwaar ongeval snel in te lichten, het type informatie dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger informatie, wanneer deze beschikbaar wordt;
10.
de regelingen om personeelsleden op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen worden verwacht en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;
11.
de regelingen om de interne reactie op de noodsituatie te coördineren met de externe reactie op de noodsituatie;
12.
het bewijs van eerdere beoordelingen van als dispergeermiddel gebruikte chemische stoffen die zijn verricht om de gevolgen voor de volksgezondheid en alle verdere milieuschade te beperken.
|
|
BIJLAGE II
|
BIJLAGE II
Rapporten over boorputactiviteiten in te dienen uit hoofde van artikel 15, lid 4
De uit hoofde van artikel 15, lid 4, bij de bevoegde autoriteit in te dienen rapporten bevatten ten minste de volgende informatie:
1.
de naam en het adres van de exploitant van de boorput;
2.
de naam van de installatie en de naam en het adres van de exploitant of de eigenaar ervan;
3.
bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties of verbonden infrastructuur;
4.
een samenvatting van de activiteiten uitgevoerd sinds het begin van de activiteiten of sinds het vorige verslag;
5.
de diameter en de werkelijke verticale en gemeten diepte van:
b)
elke geïnstalleerde verbuizing;
6.
de dichtheid van de boorvloeistof op het moment waarop het rapport wordt opgesteld, en
7.
in het geval van activiteiten in een bestaande boorput, de huidige operationele status van die boorput.
|
|
BIJLAGE III
|
BIJLAGE III
Bepalingen met betrekking tot de aanstelling en het functioneren van de bevoegde autoriteit op grond van artikelen 8 en 9
1. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE LIDSTATEN
1. Met het oog op de aanstelling van een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de taken zoals neergelegd in artikel 8, ondernemen de lidstaten op zijn minst het volgende:
a)
zij treffen organisatorische regelingen waarmee de plichten die in deze richtlijn aan de bevoegde autoriteit worden toegewezen, doeltreffend nagekomen kunnen worden, met inbegrip van regelingen om veiligheid en milieubescherming op een billijke manier te regelen;
b)
zij stellen een beleidsverklaring op over de doelstellingen van toezicht en handhaving, en de verplichtingen voor de bevoegde autoriteit om transparantie, consistentie, evenredigheid en objectiviteit tot stand te brengen in haar regelgeving met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten.
2. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de onder punt 1 vermelde regelingen in werking te doen treden, met inbegrip van:
a)
het financieren van voldoende gespecialiseerde deskundigheid die intern en/of middels formele overeenkomsten met derden beschikbaar is zodat de bevoegde autoriteit activiteiten kan inspecteren en onderzoeken, dwingende maatregelen kan nemen en rapporten inzake grote gevaren en kennisgevingen kan afhandelen;
b)
wanneer er een beroep wordt gedaan op externe deskundigheid, het financieren van de opstelling van voldoende schriftelijke richtsnoeren en toezicht om een consistente aanpak te behouden en te waarborgen dat de wettelijke aangestelde bevoegde autoriteit de volledige verantwoordelijkheid behoudt onder deze richtlijn;
c)
het financieren van essentiële opleiding, communicatie, toegang tot technologie, en reizen en vergoeding van het personeel van de bevoegde autoriteit voor de uitvoering van hun functies en om de actieve samenwerking tussen bevoegde autoriteiten op grond van artikel 27 te bevorderen;
d)
waar nodig eisen dat exploitanten of eigenaars de bevoegde autoriteit vergoeden voor de kosten van haar functies die uitgevoerd worden op grond van deze richtlijn;
e)
het financieren en aanmoedigen van een onderzoek op grond van de functies van de bevoegde autoriteit onder deze richtlijn;
f)
het verzorgen van de financiering voor het opstellen van rapporten door de bevoegde autoriteit.
2. BEPALINGEN BETREFFENDE DE WERKING VAN DE BEVOEGDE AUTORITEIT
1. Voor de daadwerkelijke uitoefening van haar taken overeenkomstig artikel 9, stelt de bevoegde autoriteit het volgende op:
a)
een schriftelijke strategie die de taken en de prioriteiten bij het optreden van de bevoegde autoriteit beschrijft, te weten bij het ontwerp en de exploitatie van de installaties, integriteitsbeheer en de voorbereidheid en reactie op noodsituaties, en hoe dit georganiseerd is;
b)
operationele procedures die beschrijven hoe de bevoegde autoriteit de naleving van de plichten van exploitanten en eigenaars overeenkomstig deze richtlijn zal inspecteren en handhaven, met inbegrip van de vraag hoe zij de rapporten inzake grote gevaren zal behandelen, beoordelen en goedkeuren, hoe zij kennisgevingen van boorputactiviteiten zal behandelen en hoe de tussentijd tussen de inspecties van groterisicobeheersingsmaatregelen (inclusief voor het milieu) voor een bepaalde installatie of activiteit bepaald moet worden;
c)
procedures om de taken van de bevoegde autoriteit te vervullen, onverminderd andere verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld in verband met onshore olie- en gasactiviteiten en regelingen op grond van Richtlijn 92/91/EEG;
d)
indien de bevoegde autoriteit twee of meer organen omvat, een formele overeenkomst waarin de noodzakelijke mechanismen voor de gezamenlijke werking van de bevoegde autoriteit worden vastgelegd, inclusief toezicht op het hoger management en monitoring en herziening, gemeenschappelijke planning en inspectie, verdeling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van rapporten inzake grote gevaren, gemeenschappelijk onderzoek, interne communicatie en rapporten die gezamenlijk extern moeten worden bekendgemaakt.
2. De gedetailleerde procedures voor de beoordeling van rapporten inzake grote gevaren vereisen dat alle feitelijke informatie en andere bijzonderheden zoals vereist krachtens deze richtlijn, door de exploitant of de eigenaar worden overgelegd. De bevoegde autoriteit moet er ten minste op toezien dat de volgende gegevens worden ingediend en dat deze eisen duidelijk zijn uiteengezet in richtsnoeren voor exploitanten en eigenaars:
a)
alle te voorziene gevaren die aanleiding kunnen geven tot een zwaar ongeval, met inbegrip van een zwaar milieuongeval, zijn vastgesteld, de risico’s ervan zijn geëvalueerd en er zijn maatregelen, zoals rampenplannen, vastgesteld om de risico’s te beheersen;
b)
het veiligheids- en milieubeheerssysteem wordt adequaat beschreven om de overeenstemming met deze richtlijn aan te tonen;
c)
er zijn passende regelingen getroffen voor een onafhankelijke verificatie en een controle door de exploitant of de eigenaar.
3. Bij het uitvoeren van een grondige beoordeling van rapporten inzake grote gevaren ziet de bevoegde autoriteit erop toe:
a)
dat alle vereiste feitelijke informatie is overgelegd;
b)
dat de exploitant of de eigenaar alle redelijkerwijs te voorspellen grote gevaren die van toepassing zijn op de installatie en de functies ervan heeft geïdentificeerd, evenals mogelijke gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot zulke gevaren, en dat de methodologie en de evaluatiecriteria betreffende risicobeheer bij zware ongevallen duidelijk zijn toegelicht, met inbegrip van factoren die tot onzekerheid kunnen leiden in de analyse;
c)
dat in het risicobeheer aandacht is besteed aan alle relevante fasen van de levenscyclus van de installatie en alle voorspelbare situaties zijn bestudeerd, zoals:
i)
hoe bij de beslissingen met betrekking tot het ontwerp, beschreven in de kennisgeving van het ontwerp, rekening is gehouden met het risicobeheer om te garanderen dat de inherente veiligheids- en milieubeginselen erin worden opgenomen;
ii)
hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd vanaf de installatie wanneer zij in bedrijf is;
iii)
hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd en tijdelijk zullen worden opgeschort voordat de productie begint op een productie-installatie;
iv)
hoe gecombineerde activiteiten moeten worden uitgevoerd met andere installaties;
v)
hoe de ontmanteling van de installatie zal worden uitgevoerd;
d)
dat risicobeperkingsmaatregelen, vastgesteld in het kader van het risicobeheer, bedoeld zijn om toegepast te worden indien dat nodig is om het risico tot een aanvaardbaar niveau te beperken;
e)
dat de exploitant of de eigenaar bij het bepalen van de nodige maatregelen om het risico tot aanvaardbare niveaus te beperken duidelijk heeft aangetoond hoe de relevante goede praktijken en inzichten op basis van een degelijk ontwerp, de beste beheerpraktijken en menselijke en organisatorische factoren en beginselen in aanmerking zijn genomen;
f)
dat de maatregelen en regelingen voor het opsporen van en het snel en effectief reageren op een noodsituatie duidelijk zijn geïdentificeerd en gemotiveerd;
g)
dat de ontsnappings-, evacuatie- en reddingsmaatregelen en -regelingen om te voorkomen dat een noodsituatie escaleert en de milieugevolgen ervan te beperken op een logische en systematische manier worden geïntegreerd, rekening houdende met de te verwachten noodomstandigheden waarin deze maatregelen zullen worden toegepast;
h)
dat de eisen worden verwerkt in de interne rampenplannen, en dat een afschrift of een passende beschrijving van het interne rampenplan bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend;
i)
dat het veiligheids- en milieubeheersysteem dat beschreven is in het rapport inzake grote gevaren toereikend is om de beheersing van grote gevaren in elk stadium van de levenscyclus van de installatie te verzekeren en de naleving van alle relevante wettelijke bepalingen verzekert, en controle van het systeem en toepassing van de controleaanbevelingen mogelijk maakt;
j)
dat de regeling voor onafhankelijke verificatie duidelijk is uitgelegd.
|
|
BIJLAGE IV
|
BIJLAGE IV
Voorzieningen door exploitanten en eigenaars voor de voorkoming van zware ongevallen overeenkomstig artikel 19
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten en de eigenaars:
a)
bijzondere aandacht besteden aan de evaluatie van de betrouwbaarheids- en integriteitsvereisten van alle veiligheids- en milieukritische systemen en hun inspectie- en onderhoudssystemen baseren op de verwezenlijking van het vereiste niveau van veiligheids- en milieu-integriteit;
b)
passende maatregelen nemen die ervoor zorgen, in een mate die redelijkerwijs haalbaar is, dat gevaarlijke stoffen niet onverhoeds ontsnappen uit de pijpleidingen, vaten en systemen die bestemd zijn voor de veilige opslag ervan. Bovendien verzekeren de exploitanten en eigenaars dat geen enkel defect van een insluitingsbarrière tot een zwaar ongeval kan leiden;
c)
een inventaris opstellen van de beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, vervoer naar en gebruikswijze op de installatie en van entiteiten die relevant zijn voor de uitvoering van het interne rampenplan. De inventaris bevat een overzicht van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar zijn;
d)
ervoor zorgen dat zij een geschikt kader hebben om te controleren of er voldaan is aan alle relevante wettelijke bepalingen door hun wettelijke plichten met betrekking tot controle en milieubescherming bij grote gevaren in hun standaardwerkwijzen op te nemen, en
e)
bijzondere aandacht besteden aan de ontwikkeling en instandhouding van een sterke veiligheidscultuur waardoor de waarschijnlijkheid van een permanent veilige exploitatie zeer hoog ligt, ook wat betreft het verzekeren van de onderlinge samenwerking van het personeel door onder meer:
i)
zichtbare gehechtheid aan tripartiet overleg en acties die daaruit voortvloeien;
ii)
stimulering en beloning van het melden van ongevallen en bijna-ongevallen;
iii)
effectieve samenwerking met verkozen veiligheidsverantwoordelijken;
iv)
bescherming van klokkenluiders.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de sector samenwerkt met bevoegde autoriteiten om een prioriteitenplan op te stellen en uit te voeren voor de ontwikkeling van normen, richtsnoeren en regels ter uitvoering van beste praktijken bij de voorkoming van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen van zware ongevallen, mochten die zich toch voordoen.
|
|
BIJLAGE V
|
BIJLAGE V
Keuze van de onafhankelijke verificateur en het ontwerp van de plannen voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 17, lid 3
1. De lidstaten verplichten de exploitant of de eigenaar te voldoen aan de volgende vereisten met betrekking tot de onafhankelijkheid van de verificateur ten aanzien van de exploitant en de eigenaar:
a)
er wordt niet geëist dat de onafhankelijke verificateur enig aspect van een veiligheids- of milieukritisch element of bepaalde uitrusting onderzoekt waarbij hij eerder, nog voor de verificatieactiviteit, betrokken is geweest of waarbij zijn objectiviteit in het gedrang kan komen;
b)
de onafhankelijke verificateur is voldoende onafhankelijk van een beheersysteem dat verantwoordelijk is of was voor een aspect van een component in de regeling voor het onafhankelijke boorputonderzoek, teneinde zijn objectiviteit bij de uitoefening van zijn functies onder de regeling te waarborgen.
2. De lidstaten verplichten de exploitant of de eigenaar ervoor zorgen dat de onafhankelijke verificateur ten aanzien van het schema voor de onafhankelijke verificatie in verband met de onafhankelijke verificatie van een installatie of een bron, aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de onafhankelijke verificateur beschikt over de passende technische bekwaamheid, inclusief, indien nodig, voldoende personeel met de juiste kwalificaties en met voldoende ervaring dat voldoet aan de vereisten van punt 1 van deze bijlage;
b)
de taken die vallen onder het schema voor onafhankelijke verificatie worden door de onafhankelijke verificateur op passende wijze toegewezen aan personeel dat gekwalificeerd is om ze uit te voeren;
c)
passende regelingen worden opgesteld voor de informatiestroom tussen de exploitant of de eigenaar en de onafhankelijke verificateur;
d)
aan de onafhankelijke verificateur wordt toegekend door de exploitant of de eigenaar voldoende gezag toegekend om zijn functies adequaat uit te oefenen.
3. Essentiële wijzigingen moeten overeenkomstig het schema voor onafhankelijke verificatie voor verdere verificatie worden voorgelegd aan de onafhankelijke verificateur en de resultaten van die verdere verificatie moeten aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld, als daartoe een verzoek wordt gedaan.
|
|
BIJLAGE VI
|
BIJLAGE VI
Informatie betreffende prioriteiten voor samenwerking tussen exploitanten en eigenaars en bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 7
De factoren die in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van prioriteiten voor de ontwikkeling van normen en richtsnoeren, moeten praktische uitvoering geven aan voorkoming van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan. Tot deze factoren behoren:
a)
verbetering van de boorputintegriteit, boorputcontroleapparatuur en boorputbarrières en toezicht op de doeltreffendheid ervan;
b)
verbetering van de primaire insluiting;
c)
verbetering van de secundaire insluiting die de escalatie van een zwaar ongeval in een vroeg stadium beperkt, inclusief explosies in een boorput;
d)
betrouwbare besluitvorming;
e)
beheer van en toezicht op activiteiten met grote gevaren;
f)
bekwaamheid van de personen die sleutelfuncties bekleden;
g)
doeltreffend risicobeheer;
h)
betrouwbaarheidsbeoordeling voor veiligheids- en milieukritische systemen;
i)
prestatie-kernindicatoren;
j)
doeltreffende integratie van de veiligheids- en milieubeheersystemen onder exploitanten en de eigenaars en andere entiteiten die betrokken zijn bij olie- en gasactiviteiten.
|
|
BIJLAGE VII
|
BIJLAGE VII
In externe rampenplannen uit hoofde van artikel 29 te verstrekken informatie
Externe rampenplannen, opgezet overeenkomstig artikel 29, omvatten, maar blijven niet beperkt tot:
a)
namen en functies van personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te stellen en van personen die bevoegd zijn om de externe reactie op de noodsituatie te leiden;
b)
regelingen om snel op de hoogte te worden gesteld van zware ongevallen, en de bijbehorende alarmprocedures en procedures voor reacties op noodsituaties;
c)
regelingen voor de coördinatie van de middelen die noodzakelijk zijn om het externe rampenplan uit te voeren;
d)
regelingen om bijstand te verlenen aan de interne reactie op noodsituaties;
e)
een gedetailleerde beschrijving van de regelingen voor de externe reactie op een noodsituatie;
f)
de regelingen om personen en organisaties die mogelijk getroffen zijn door het zware ongeval passend te informeren en hierover te adviseren;
g)
de regelingen voor het verstrekken van informatie aan de hulpdiensten van andere lidstaten en de Commissie in het geval van een zwaar ongeval met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen;
h)
de regelingen voor de beperking van de negatieve effecten op in het wild levende dieren zowel onshore als offshore, met inbegrip van de situaties waarbij met olie besmeurde dieren eerder de kust bereiken dan de eigenlijke olievlek.
|
|
BIJLAGE VIII
|
BIJLAGE VIII
Bij de opstelling van externe rampenplannen uit hoofde van artikel 29 mee te nemen bijzonderheden
1. De autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het coördineren van het rampenplan, stelt/stellen het volgende beschikbaar:
a)
een inventaris van beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, de wijze van vervoer naar en gebruikswijze op de plek van het zware ongeval;
b)
een beschrijving van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar worden gehouden;
c)
een inventaris van apparatuur in het bezit van de sector die in een noodsituatie kan worden ingezet;
d)
een beschrijving van de algemene regelingen voor het reageren op zware ongevallen, met inbegrip van de competenties en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen en de organisaties die instaan voor deze regelingen;
e)
maatregelen die waarborgen dat de apparatuur, het personeel en de procedures op elk moment beschikbaar zijn, dat er op elk moment voldoende opgeleide personeelsleden aanwezig zijn en dat een en ander up-to-date is.
f)
het bewijs van eerdere beoordelingen, vanuit het oogpunt van het milieu en de volksgezondheid, van chemische stoffen die als dispergeermiddel worden gebruikt.
2. De externe rampenplannen bevatten een duidelijke toelichting inzake de rol van de autoriteiten, de hulpdiensten, de coördinatoren en de andere personen die betrokken zijn bij het reageren op noodsituaties, zodat samenwerking bij het reageren op zware ongevallen verzekerd is.
3. De regelingen omvatten voorzieningen voor het reageren op een zwaar ongeval dat mogelijk de lidstaat overstijgt of zijn grenzen overschrijdt, met name:
a)
het delen van externe rampenplannen met aangrenzende lidstaten en de Commissie;
b)
het opstellen van inventarissen van noodmiddelen op grensoverschrijdend niveau, zowel in het bezit van de sector als in bezit van de overheid, en alle nodige aanpassingen om apparatuur en procedures verenigbaar te maken tussen aangrenzende landen en lidstaten;
c)
procedures om het uniale mechanisme voor civiele bescherming in te roepen;
d)
het organiseren van grensoverschrijdende oefeningen voor de externe reactie op noodsituaties.
|
|
ANNEX IX
|
ANNEX IX
Sharing of information and transparency
1. The common data reporting format for major hazard indicators shall make it possible to compare information from competent authorities and to compare information from individual operators and owners.
2. The information to be shared by the competent authority and operators and owners shall include information relating to:
(a)
unintended release of oil, gas or other hazardous substances, whether or not ignited;
(b)
loss of well control requiring actuation of well control equipment, or failure of a well barrier requiring its replacement or repair;
(c)
failure of a safety and environmental critical element;
(d)
significant loss of structural integrity, or loss of protection against the effects of fire or explosion, or loss of station keeping in relation to a mobile installation;
(e)
vessels on collision course and actual vessel collisions with an offshore installation;
(f)
helicopter accidents, on or near offshore installations;
(h)
any serious injuries to 5 or more persons in the same accident;
(i)
any evacuation of personnel;
(j)
a major environmental incident.
3. The annual reports to be submitted by Member States pursuant to Article 25 shall contain as a minimum the following information:
(a)
the number, age and location of installations;
(b)
the number and type of inspections and investigations carried out, any enforcement actions or convictions;
(c)
incident data pursuant to the common reporting system required in Article 23;
(d)
any major change in the offshore regulatory framework;
(e)
the performance of offshore oil and gas operations in relation to prevention of major accidents and the limiting of consequences of major accidents that do occur.
4. The information referred to in point 2 shall consist of both factual information and analytical data regarding oil and gas operations, and shall be unambiguous. The information and data provided shall be such that the performance of individual operators and owners can be compared within the Member State and the performance of the industry as a whole can be compared between Member States.
5. The information collected and assembled referred to in point 2 shall enable Member States to provide advanced warning of potential deterioration of safety and environmentally critical barriers, and shall enable them to take preventive action. The information shall also demonstrate the overall effectiveness of measures and controls implemented by individual operators and owners, and industry as a whole, in particular to prevent major accidents and to minimise risks for the environment.
6. In order to meet the requirements of Article 24, a simplified format shall be developed to facilitate publication of relevant data pursuant to point 2 of this Annex and preparation of reports pursuant to Article 25 in a way that is easily accessible to the public and facilitates transboundary comparison of data.
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|