+VERORDENING (EU) Nr. 540/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Toepassingsgebied
---+Artikel 3 Definities
---+Artikel 4 Algemene verplichtingen van de lidstaten
------+Article 4 1.
------+Article 4 2.
------+Article 4 3.
------+Article 4 4.
---+Artikel 5 Algemene verplichtingen van de fabrikanten
------+Article 5 1.
------+Article 5 2.
------+Article 5 3.
---+Artikel 6 Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions — ASEP)
------+Article 6 1.
------+Article 6 2.
------+Article 6 3.
------+Article 6 4.
------+Article 6 5.
------+Article 6 6.
------+Article 6 7.
---+Artikel 7 Consumentenvoorlichting en labelling
---+Artikel 8 Akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS)
---+Artikel 9 Wijziging van de bijlagen
---+Artikel 10 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Article 10 1.
------+Article 10 2.
------+Article 10 3.
------+Article 10 4.
------+Article 10 5.
---+Artikel 11 Herzieningsclausule
---+Artikel 12 Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG
---+Artikel 13 Overgangsbepalingen
------+Article 13 1.
------+Article 13 2.
---+Artikel 14 Intrekking
------+Article 14 1.
------+Article 14 2.
---+Artikel 15 Inwerkingtreding
------+Article 15 1.
------+Article 15 2.
------+Article 15 3.
------+Article 15 4.
---+LIJST VAN DE BIJLAGEN
---+BIJLAGE I EU-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE VOORGELUIDSNIVEAU
---+BIJLAGE II METHODEN EN INSTRUMENTEN OM HET DOOR MOTORVOERTUIGEN GEPRODUCEERDE GELUID TE METEN
---+BIJLAGE III GRENSWAARDEN
---+BIJLAGE IV GELUIDSDEMPINGSSYSTEMEN MET GELUIDSABSORBERENDE VEZELMATERIALEN
---+BIJLAGE V PERSLUCHTGELUID
---+BIJLAGE VI CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE VAN VOERTUIGEN
---+BIJLAGE VII MEETMETHODE OM DE NALEVING VAN DE AANVULLENDE BEPALINGEN INZAKE GELUIDSEMISSIE TE EVALUEREN
---+BIJLAGE VIII
---+ANNEX IX EU TYPE-APPROVAL IN RESPECT OF THE SOUND LEVEL OF SILENCING SYSTEMS AS SEPARATE TECHNICAL UNITS (REPLACEMENT SILENCING SYSTEMS)
---+BIJLAGE X CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE BIJ EEN VERVANGENDE GELUIDSDEMPINGSSYSTEEM ALS APARTE TECHNISCHE EENHEID
---+ANNEX XI AMENDMENTS TO DIRECTIVE 2007/46/EC
---+ANNEX XII CORRELATION TABLE
English - European Union - Environment -

VERORDENING (EU) Nr. 540/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EU) Nr. 540/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Onderwerp

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften vastgesteld voor de EU-typegoedkeuring van alle in artikel 2 bedoelde categorieën nieuwe voertuigen wat hun geluidsniveau betreft, en van voor voertuigen van de categorie M1 en N1 ontworpen en geconstrueerde vervangende geluidsdempingssytemen en onderdelen daarvan waaraan een typegoedkeuring als aparte technische eenheid is verleend, met als doel de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen ervan in de Unie te vergemakkelijken.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op voertuigen van de categorieën M1, M2, M3, N1, N2 en N3 zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, en op vervangende geluidsdempingssytemen of onderdelen daarvan waaraan een typegoedkeuring als aparte technische eenheid is verleend en die voor voertuigen van de categorieën M1 en N1 zijn ontworpen en gebouwd.

Artikel 3 Definities

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities vastgelegd in artikel 3 van Richtlijn 2007/46/EG van toepassing.

Daarnaast zijn ook de volgende definities van toepassing:

1.

„typegoedkeuring van een voertuig” : de in artikel 3 van Richtlijn 2007/46/EG bedoelde procedure wat geluidsniveaus betreft;

2.

„voertuigtype” :

een categorie motorvoertuigen die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals:

a) voor voertuigen van de categorieën M1, M2 ≤ 3 500 kg, N1 getest overeenkomstig bijlage II, punt 4.1.2.1:

i) de vorm of de materialen van de carrosserie (met name de motorruimte en de geluidsisolatie daarvan);

ii) motortype (bijv. elektrische of compressieontsteking, twee- of viertaktmotor, zuigermotor of draaizuigermotor) aantal cilinders en cilinderinhoud, aantal en type carburatoren of injectiesysteem, plaatsing van de kleppen, of het type elektrische motor;

iii) maximaal nominaal nettovermogen en overeenkomstig motortoerental; indien het maximaal nominaal vermogen en het overeenkomstige motortoerental alleen vanwege een verschillende motorafstelling van elkaar verschillen, kunnen deze voertuigen als van hetzelfde type worden beschouwd;

iv) het geluidsdempingssysteem;

b) voor voertuigen van de categorieën M2 > 3 500 kg, M3, N2, N3 getest overeenkomstig bijlage II, punt 4.1.2.2:

i) de vorm of de materialen van de carrosserie (met name de motorruimte en de geluidsisolatie daarvan);

ii) motortype (bijv. elektrische of compressieontsteking, twee- of viertaktmotor, zuigermotor of draaizuigermotor) aantal cilinders en cilinderinhoud, type injectiesysteem, plaatsing van de kleppen, nominaal motortoerental (S) of het type elektrische motor;

iii) voertuigen met hetzelfde motortype en/of verschillende algemene overbrengingsverhoudingen kunnen als voertuigen van hetzelfde type worden beschouwd.

Indien de onder b) vermelde verschillen echter aanleiding geven tot verschillende doelvoorwaarden als omschreven in bijlage II, punt 4.1.2.2, worden die verschillen beschouwd als een wijziging van het type;

3.

„technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand” (M) : de voor een voertuig vastgestelde maximummassa op basis van de bouwkenmerken en de ontwerpprestaties ervan; de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van een aanhangwagen of een oplegger omvat de statische massa die in aangekoppelde toestand op het trekkende voertuig wordt overgebracht;

4.

„maximaal nominaal nettovermogen” (Pn) :
het motorvermogen uitgedrukt in kW en gemeten volgens de VN/ECE-methode krachtens VN/ECE-Reglement nr. 85 ( 1 ).
Indien het maximale nominale nettovermogen wordt bereikt bij meerdere motortoerentallen, geldt het hoogste motortoerental;

5.

„standaarduitrusting” : de basisconfiguratie van een voertuig met alle gemonteerde elementen zonder verdere specificaties over de configuratie of het uitrustingsniveau te moeten verstrekken, maar dat voorzien is van alle elementen die krachtens de in bijlage IV of XI bij Richtlijn 2007/46/EG genoemde regelgevingen verplicht zijn;

6.

„massa van de bestuurder” : een nominale massa van 75 kg die op het referentiepunt van de bestuurderszitplaats is aangebracht;

7.

„massa van het voertuig in rijklare toestand (m

ro

)” :

a) voor een motorvoertuig:

de massa van het voertuig met de brandstoftank(s) gevuld tot ten minste 90 % van zijn (hun) inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder, brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, wanneer het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppeling en het (de) reservewiel(en) en het gereedschap;

b) voor een aanhangwagen:

de massa van het voertuig, met inbegrip van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, en, als de aanhanger daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, extra koppeling(en), het (de) reservewiel(en) en het gereedschap;

8.

„nominaal motortoerental” (S) : het opgegeven motortoerental in min-1 (t/min) waarbij de motor zijn maximaal nominaal nettovermogen ontwikkelt krachtens VN/ECE-Reglement nr. 85 of, wanneer het maximale nominale nettovermogen bij verschillende motortoerentallen wordt bereikt, het hoogste van die motortoerentallen;

9.

„verhoudingsindex vermogen/massa” (PMR) : een numerieke waarde die wordt berekend met de formule in punt 4.1.2.1.1 van bijlage II;

10.

„referentiepunt” :

een van de volgende punten:

a) voor voertuigen van de categorieën M1 en N1:

i) bij voertuigen met de motor vooraan, de voorkant van het voertuig;

ii) bij voertuigen met de motor centraal, het midden van het voertuig;

iii) bij voertuigen met de motor achteraan, de achterkant van het voertuig;

b) voor voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3: de rand van de motor die zich het dichtst bij de voorkant van het voertuig bevindt;

11.

„doelacceleratie” : de acceleratie bij een gedeeltelijk ingedrukt gaspedaal in stadsverkeer, afgeleid uit statistisch onderzoek:

12.

„motor” : de krachtbron zonder demonteerbare toebehoren;

13.

„referentieacceleratie” : de vereiste acceleratie tijdens de acceleratietest op de testbaan;

14.

„wegingsfactor van de overbrengingsverhoudingen” (k) : een numerieke waarde zonder eenheid die wordt gebruikt om bij de acceleratietest en de constante-snelheidstest de testresultaten van twee overbrengingsverhoudingen te combineren;

15.

„partiële vermogensfactor” (kP) : een numerieke waarde zonder eenheid die wordt gebruikt voor de gewogen combinatie van de testresultaten van de acceleratietest en de constante-snelheidstest bij voertuigen;

16.

„preacceleratie” : de toepassing van een acceleratieregelsysteem vóór AA' om tussen AA' en BB' een stabiele acceleratie te bereiken zoals aangegeven in figuur 1 van het aanhangsel van bijlage II;

17.

„vergrendelde overbrengingsverhoudingen” : een zodanige regeling van de transmissie dat de versnelling tijdens een test niet kan veranderen;

18.

„geluidsdempingssysteem” : een volledige verzameling onderdelen die nodig zijn om het door een motor en de uitlaat ervan geproduceerde geluid te beperken;

19.

„geluidsdempingssystemen van verschillende typen” :

geluidsdempingssystemen die aanzienlijk van elkaar verschillen op ten minste een van de volgende punten:

a) handelsnaam of merknaam van de onderdelen ervan;

b) de kenmerken van de materialen waaruit de onderdelen bestaan, behalve de coating van die onderdelen;

c) de vorm of grootte van de onderdelen ervan;

d) het werkingsprincipe van ten minste een van de onderdelen ervan;

e) de samenstelling van de onderdelen ervan;

f) het aantal uitlaatgeluidsdempingssystemen of onderdelen ervan;

20.

„ontwerpfamilie van geluidsdempingssystemen of onderdelen ervan” :

een groep geluidsdempingssystemen of onderdelen daarvan waarbij alle volgende kenmerken dezelfde zijn:

a) de aanwezigheid van een nettostroom van de uitlaatgassen door het absorberende vezelmateriaal waar zij mee in contact komen,

b) het type vezels,

c) de specificaties van het bindmiddel, indien aanwezig,

d) de gemiddelde afmetingen van de vezels,

e) de minimale pakkingsdichtheid van het bulkmateriaal in kg/m3,

f) het maximale contactoppervlak tussen de gasstroom en het absorberende materiaal;

21.

„vervangende geluidsdempingssysteem” : elk deel van het geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan bedoeld voor gebruik op een voertuig, anders dan een deel van het type dat op het voertuig was gemonteerd toen het voor EU-typegoedkeuring krachtens deze verordening ter beschikking werd gesteld;

22.

„akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem” (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) : een systeem voor hybride elektrische en pure elektrische voertuigen dat een geluidsignaal produceert om voetgangers en andere weggebruikers op de aanwezigheid van het voertuig te attenderen;

23.

„verkooppunt” : een plaats waar voertuigen worden opgeslagen en te koop worden aangeboden aan consumenten;

24.

„technisch reclamemateriaal” : technische handleidingen, brochures, folders en catalogi, zowel in gedrukte, elektronische als onlinevorm, alsook websites, en die tot doel hebben voertuigen aan te prijzen bij het grote publiek.

Artikel 4 Algemene verplichtingen van de lidstaten

Artikel 4

Algemene verplichtingen van de lidstaten

1.  Onder voorbehoud van de data voor de toepassingsfases bepaald in bijlage III bij deze verordening en onverminderd artikel 23 van Richtlijn 2007/46/EG, weigeren de lidstaten, om redenen die verband houden met het toegestane geluidsniveau, EU-typegoedkeuring te verlenen voor motorvoertuigtypen die niet aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

2.  Vanaf 1 juli 2016, weigeren de lidstaten, om redenen die verband houden met het toegestane geluidsniveau, EU-typegoedkeuring te verlenen aan een type vervangend geluidsdempingssyteem of onderdelen daarvan als een aparte technische eenheid dat niet aan de voorschriften van deze verordening voldoet.

De lidstaten blijven EU-typegoedkeuringen uit hoofde van Richtlijn 70/157/EEG verlenen voor een vervangend geluidsdempingssyteem of onderdelen daarvan als een aparte technische eenheid dat bestemd is voor voertuigen waaraan een typegoedkeuring is verleend vóór de in bijlage III bij deze verordening vermelde data voor de toepassingsfases.

3.  Onder voorbehoud van de data voor de toepassingsfases bepaald in bijlage III bij deze verordening beschouwen de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met het toegelaten geluidsniveau, certificaten van overeenstemming voor nieuwe voertuigen van de categorieën als niet langer geldig voor de toepassing van artikel 26 van Richtlijn 2007/46/EG en verbieden zij de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen, indien deze niet voldoen aan deze verordening.

4.  Om redenen in verband met het toegestane geluidsniveau laten de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen toe van een vervangend geluidsdempingssyteem of van onderdelen daarvan als een aparte technische eenheid, indien het overeenkomt met een type waarvoor krachtens deze verordening EU-typegoedkeuring is verleend.

De lidstaten staan de verkoop en het in het verkeer brengen toe van vervangende geluidsdempingssytemen of onderdelen daarvan als een aparte technische eenheid waarvoor uit hoofde van Richtlijn 70/157/EEG en EU-typegoedkeuring is verleend en dat bestemd is voor voertuigen waaraan een typegoedkeuring is verleend vóór de in bijlage III vermelde data voor de toepassingsfases.

Artikel 5 Algemene verplichtingen van de fabrikanten

Artikel 5

Algemene verplichtingen van de fabrikanten

1.  De fabrikanten zorgen ervoor dat voertuigen, hun motor en hun geluidsdempingssysteem zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat die voertuigen, ondanks de trillingen waaraan die voertuigen bij normaal gebruik worden blootgesteld, voldoen aan deze verordening.

2.  De fabrikanten zorgen ervoor dat geluidsdempingssystemen zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat deze redelijk bestand zijn tegen de corrosieve invloeden, waaronder regionale klimaatverschillen, waaraan ze naargelang de gebruiksomstandigheden van voertuigen worden blootgesteld.

3.  De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of aparte technische eenheid betrokken is.

Artikel 6 Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions — ASEP)

Artikel 6

Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions — ASEP)

1.  Dit artikel is van toepassing op voertuigen van de categorieën M1 en N1 met een verbrandingsmotor die voorzien is van originele geluidsdempingssystemen van de fabrikant, alsook van voor dergelijke categorieën van voertuigen bestemde vervangende geluidsdempingssytemen overeenkomstig bijlage IX.

2.  Voertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage VII.

3.  Voertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen worden geacht zonder verdere tests aan de voorschriften van bijlage VII te voldoen als de fabrikant de goedkeuringsinstantie technische documenten verstrekt waaruit blijkt dat het verschil tussen het maximum- en minimumtoerental van de motor van de voertuigen bij BB' als bedoeld in figuur 1 van het aanhangsel van bijlage II, voor elke testvoorwaarde binnen het ASEP-controlebereik zoals gedefinieerd in punt 2.3 van bijlage VII, met betrekking tot de in bijlage II beschreven voorwaarden, niet meer bedraagt dan 0,15 × S.

4.  De geluidsemissie van het voertuig of vervangend geluidsdempingssysteem onder normale rijomstandigheden op de weg, die verschillen van die waaronder de in de bijlagen II en VII beschreven typegoedkeuringstest is uitgevoerd, mag niet op significante wijze van het testresultaat afwijken.

5.  De fabrikant mag geen mechanische, elektrische, thermische of andere voorziening of procedure opzettelijk wijzigen, bijstellen of toevoegen die onder normale rijomstandigheden op de weg niet functioneert, met als enig doel aan de geluidsemissievoorschriften van deze verordening te voldoen.

6.  Bij de typegoedkeuringsaanvraag voegt de fabrikant een verklaring, opgesteld volgens het model in het aanhangsel van bijlage VII, dat het goed te keuren voertuigtype of vervangende geluidsdempingssyteem voldoet aan de voorschriften van dit artikel.

7.  De leden 1 tot en met 6 zijn niet van toepassing op voertuigen uit categorie N1 indien aan een van de volgende voorwaarden voldaan is:

a) de motorinhoud is niet groter dan 660 cm3 en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door gebruikmaking van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, is niet groter dan 35;

b) het laadvermogen is ten minste 850 kg en de verhouding vermogen/massa (PMR), berekend door gebruikmaking van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, is niet groter dan 40.

Artikel 7 Consumentenvoorlichting en labelling

Artikel 7

Consumentenvoorlichting en labelling

Fabrikanten en distributeurs van voertuigen streven ernaar dat het geluidsniveau in decibel (dB(A)), gemeten overeenkomstig deze verordening, voor elk voertuig, op een duidelijk zichtbare plaats op het verkooppunt en in het technische reclamemateriaal wordt vermeld.

In het licht van de met de toepassing van deze verordening opgedane ervaring verricht de Commissie uiterlijk op 1 juli 2018 een uitgebreide effectbeoordeling betreffende voorwaarden voor labelling van toepassing op niveaus van luchtvervuiling en geluidsoverlast, alsook betreffende consumenteninformatie. De Commissie brengt over haar bevindingen met betrekking tot genoemde beoordeling verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad, en dient, indien van toepassing, een wetgevingsvoorstel in.

Artikel 8 Akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS)

Artikel 8

Akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS)

Uiterlijk op 1 juli 2019, wordt door de fabrikanten in nieuwe hybride elektrische en puur elektrische voertuigtypen een AVAS geïnstalleerd dat voldoet aan de voorschriften van bijlage VIII. Uiterlijk 1 juli 2021wordt door de fabrikanten in alle nieuwe hybride elektrische en puur elektrische voertuigen een AVAS geïnstalleerd. Vóór die data zorgen de fabrikanten ervoor dat, wanneer zij ervoor kiezen om een AVAS in voertuigente installeren, die AVAS voldoen aan de voorschriften opgenomen in bijlage VIII.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde uiterlijk op 1 juli 2017 bijlage VIII te herzien en daarin nadere voorschriften over de prestaties van AVAS of actieve veiligheidssystemen op te nemen, met inachtneming van de werkzaamheden van de VN/ECE op dat gebied.

Artikel 9 Wijziging van de bijlagen

Artikel 9

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de bijlagen I, IV, VIII en X aan te passen aan de technische vooruitgang.

Artikel 10 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 10

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 8, tweede alinea, en in artikel 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar, met ingang van 16 juni 2014.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, tweede alinea, en in artikel 9, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 8, tweede alinea, of artikel 9, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 11 Herzieningsclausule

Artikel 11

Herzieningsclausule

De Commissie verricht en publiceert uiterlijk op 1 juli 2021 een gedetailleerd onderzoek over de grenswaarden van de geluidsniveaus. Het onderzoek is gebaseerd op voertuigen die aan de meest recente voorschriften voldoen. Op grond van de conclusies van dat onderzoek dient de Commissie, indien van toepassing, wetgevingsvoorstellen in.

Artikel 12 Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

Artikel 12

Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

De bijlagen IV, VI en XI bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage XI bij deze verordening.

Artikel 13 Overgangsbepalingen

Artikel 13

Overgangsbepalingen

1.  Tot 30 juni 2019, kan ISO 10844:1994 worden toegepast als een alternatief voor ISO 10844:2011 om na te gaan of de in bijlage II, punt 3.1.1, bedoelde testbaan aan de voorschriften voldoet.

2.  Tot 30 juni 2019 worden voertuigen met een standaard hybride aandrijflijn die een verbrandingsmotor hebben zonder mechanische koppeling aan de aandrijflijn, vrijgesteld van de voorschriften van artikel 6.

Artikel 14 Intrekking

Artikel 14

Intrekking

1.  Onverminderd artikel 4, lid 2, tweede alinea, en artikel 4, lid 4, tweede alinea, wordt Richtlijn 70/157/EEG ingetrokken met ingang van 1 juli 2027.

2.  Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XII bij deze verordening.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Artikel 15

Inwerkingtreding

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2016.

3.  Punt 3.1.1 van bijlage II is van toepassing met ingang van 1 juli 2019.

4.  Deel B van bijlage XI is van toepassing met ingang van 1 juli 2027.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

LIJST VAN DE BIJLAGEN

LIJST VAN DE BIJLAGEN

Bijlage I

EU-typegoedkeuring van een voertuigtype voor het geluidsniveau

Aanhangsel 1:

Inlichtingenformulier

Aanhangsel 2:

Model van het EU-typegoedkeuringscertificaat

Bijlage II

Methoden en instrumenten om het door motorvoertuigen geproduceerde geluid te meten

Aanhangsel:

Figuren

Bijlage III

Grenswaarden

Bijlage IV

Geluidsdempingssystemen met geluidsabsorberende vezelmaterialen

Aanhangsel:

Figuur 1 — Testapparatuur voor conditionering door pulsering

Bijlage V

Persluchtgeluid

Aanhangsel:

Figuur 1 — Microfoonposities voor persluchtgeluidsmetingen

Bijlage VI

Controle van de conformiteit van de productie van voertuigen

Bijlage VII

Meetmethode om de naleving van de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie te evalueren

Aanhangsel:

Modelverklaring van naleving van de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie

Bijlage VIII

Bepalingen betreffende het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (AVAS)

Bijlage IX

EU-typegoedkeuring wat het geluidsniveau van geluidsdempingssystemen als technische eenheden (vervangende geluidsdempingssystemen) betreft

Aanhangsel 1:

Inlichtingenformulier

Aanhangsel 2:

Model van het EU-typegoedkeuringscertificaat

Aanhangsel 3:

Model van het EU- typegoedkeuringsmerk

Aanhangsel 4:

Testapparatuur

Aanhangsel 5:

Meetpunten — tegendruk

Bijlage X

Controle van de conformiteit van de productie bij een vervangende geluidsdempingssysteem als aparte technische eenheid

Bijlage XI

Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

Bijlage XII

Concordantietabel

BIJLAGE I EU-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE VOORGELUIDSNIVEAU

BIJLAGE I

EU-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE VOORGELUIDSNIVEAU

1.   AANVRAAG VOOR EU-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIGTYPE

1.1.

De aanvraag voor EU-typegoedkeuring van een voertuigtype wat het geluidsniveau betreft overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Richtlijn 2007/46/EG, moet door de voertuigfabrikant worden ingediend.

1.2.

Een model van het inlichtingenformulier is opgenomen in aanhangsel 1.

1.3.

Een voertuig dat representatief is voor het type waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd, moet door de voertuigfabrikant aan de voor de tests verantwoordelijke technische dienst ter beschikking worden gesteld. De voor de tests verantwoordelijke technische dienst selecteert het voertuig dat representatief is voor het type, ten genoegen van de goedkeuringsinstantie. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

1.4.

Op verzoek van de technische dienst moeten eveneens een exemplaar van het geluidsdempingssysteem en een motor ter beschikking worden gesteld die ten minste dezelfde cilinderinhoud en hetzelfde nominale maximumvermogen heeft als die van het voertuig waarvoor typegoedkeuring wordt aangevraagd.

2.   OPSCHRIFTEN

2.1.

Op de onderdelen van het uit- en inlaatsysteem, met uitzondering van de bevestigingsdelen en pijpen, moeten de volgende opschriften worden aangebracht:

2.1.1.

de merknaam of de naam van de fabrikant van de systemen en onderdelen ervan;

2.1.2.

de door de fabrikant gegeven handelsbenaming.

2.2.

De in punten 2.1.1 en 2.1.2 bedoelde opschriften moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer het systeem op het voertuig is gemonteerd.

3.   VERLENING VAN EU-TYPEGOEDKEURING VOOR EEN VOERTUIGTYPE

3.1.

Indien aan de desbetreffende voorschriften is voldaan, wordt EU-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 9, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG verleend.

3.2.

Een model van het EU-typegoedkeuringscertificaat is opgenomen in aanhangsel 2.

3.3.

Aan elk goedgekeurd voertuigtype wordt een goedkeuringsnummer toegekend overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG. Dezelfde lidstaat mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.

3.3.1.

Indien het voertuigtype voldoet aan de grenswaarden van fase 1 in bijlage III, wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer gevolgd door de letter „A”. Indien het voertuigtype voldoet aan de grenswaarden van fase 2, bijlage III, wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer gevolgd door de letter „B”. Indien het voertiuigtype voldioet aan de grenswaarden van fase 3 in bijlage III, wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer gevolgd door de letter „C”.

4.   WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Bij wijzigingen van het overeenkomstig deze verordening goedgekeurde type zijn de artikelen 13 tot en met 16 en artikel 17, lid 4, van Richtlijn 2007/46/EG van toepassing.

5.   REGELINGEN INZAKE DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

5.1.

Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG moeten maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie te garanderen.

5.2.

Bijzondere bepalingen:

5.2.1.

De in bijlage VI vastgestelde tests komen overeen met die waarnaar in punt 2.3.5 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG wordt verwezen.

5.2.2.

Normaliter vinden de in punt 3 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde inspecties om de twee jaar plaats.

BIJLAGE II METHODEN EN INSTRUMENTEN OM HET DOOR MOTORVOERTUIGEN GEPRODUCEERDE GELUID TE METEN

BIJLAGE II

METHODEN EN INSTRUMENTEN OM HET DOOR MOTORVOERTUIGEN GEPRODUCEERDE GELUID TE METEN

1.   MEETMETHODEN

1.1.

Het geluid dat wordt geproduceerd door het voertuigtype dat voor EU-typegoedkeuring ter beschikking is gesteld, moet worden gemeten volgens de twee in deze bijlage beschreven methoden (een voor het rijdende en een voor het stilstaande voertuig). In het geval van een hybride elektrisch voertuig waarbij de verbrandingsmotor niet kan draaien wanneer het voertuig stilstaat, moet de geluidsemissie alleen rijdend worden gemeten

Bij voertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 2 800 kg moet een aanvullende meting van het persluchtgeluid van het stilstaande voertuig worden verricht overeenkomstig bijlage V, indien een dergelijk remsysteem deel uitmaakt van het voertuig.

1.2.

De waarden die bij de in punt 1.1 van deze bijlage beschreven tests zijn gemeten, moeten worden opgetekend in het testrapport en op een formulier volgens het model opgenomen in aanhangsel 2 van bijlage I.

2.   MEETINSTRUMENTEN

2.1.   Geluidsmetingen

Voor het meten van het geluidsniveau moet gebruik worden gemaakt van een precisiegeluidsniveaumeter die of van een gelijkwaardig meetsysteem dat voldoet aan de voorschriften voor instrumenten van klasse 1 (met inbegrip van het eventueel gebruikte aanbevolen windscherm). Die voorschriften worden beschreven in „IEC 61672-1:2002: Precisiegeluidsniveaumeters”, tweede uitgave, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC).

Voor de metingen moeten de „snelle” reactie van het geluidsmeetinstrument en de A-wegingscurve worden gebruikt, die eveneens in IEC 61672-1:2002 zijn beschreven. Indien een systeem wordt gebruikt met periodieke monitoring van het A-gewogen geluidsdrukniveau, moet het resultaat ten minste om de 30 ms (milliseconden) worden afgelezen.

De instrumenten moeten volgens de instructies van de fabrikant worden onderhouden en gekalibreerd.

2.2.   Naleving van de voorschriften

Als bewijs dat de geluidsmeetinstrumenten voldoen aan de voorschriften, moet een geldig certificaat van naleving worden overgelegd. Een certificaat van naleving wordt als geldig beschouwd indien de certificering van de naleving van de normen in de afgelopen twaalf maanden heeft plaatsgevonden voor de geluidskalibratievoorziening en in de afgelopen 24 maanden voor de instrumenten. Alle tests van de naleving van de voorschriften moeten worden uitgevoerd door een laboratorium dat gemachtigd is om kalibraties volgens de relevante normen te verrichten.

2.3.   Kalibratie van het volledige geluidsmeetsysteem voor een meetsessie

Aan het begin en aan het eind van elke meetsessie moet het volledige geluidsmeetsysteem worden gecontroleerd met een geluidskalibrator die voldoet aan de voorschriften voor geluidskalibratoren van precisieklasse 1 volgens IEC 60942: 2003. Zonder verdere bijstelling moet het verschil tussen de resultaten kleiner zijn dan of gelijk aan 0,5 dB. Indien die waarde wordt overschreden, mogen de resultaten van de metingen sinds de laatste bevredigende controle niet in aanmerking worden genomen.

2.4.   Instrumenten voor snelheidsmetingen

Het motortoerental moet worden gemeten met instrumenten die ten minste tot op ± 2 % nauwkeurig zijn bij de voor de metingen vereiste motortoerentallen.

De wegsnelheid van het voertuig moet worden gemeten met instrumenten die ten minste tot op ± 0,5 km/h nauwkeurig zijn bij het gebruik van continue meetapparatuur.

Indien bij de tests onafhankelijke snelheidsmetingen worden verricht, moeten die instrumenten ten minste tot op ± 0,2 km/h nauwkeurig zijn.

2.5.   Meteorologische instrumenten

De meteorologische instrumenten die worden gebruikt om de omgevingsomstandigheden tijdens de test te meten, moeten de volgende apparaten met ten minste de genoemde nauwkeurigheid omvatten:

— apparaat voor temperatuurmeting, ± 1 °C

— apparaat voor het meten van de windsnelheid, ± 1,0 m/s;

— apparaat voor meting van de luchtdruk: ± 5 hPa

— apparaat voor het meten van de relatieve vochtigheid, ± 5 %.

3.   MEETOMSTANDIGHEDEN

3.1.   Testterrein en omgevingsomstandigheden

3.1.1.

Het wegdek van de testbaan en de afmetingen van het testterrein moeten voldoen aan ISO 10844:2011. Het testterrein moet vrij zijn van poedersneeuw, hoog gras, losse grond en sintels. Er mogen geen obstakels zijn die het geluidsveld tussen de microfoon en de geluidsbron kunnen beïnvloeden. De persoon die de meetapparatuur afleest, moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze afwijkingen in de aanwijzingen van het meetapparaat veroorzaakt.

3.1.2.

De metingen mogen niet worden verricht onder slechte weersomstandigheden. Men moet zich ervan vergewissen dat de resultaten niet worden beïnvloed door windstoten.

De meteorologische instrumenten moeten naast het testgebied worden geplaatst, op een hoogte van 1,2 m ± 0,02 m. De metingen worden verricht bij een omgevingsluchttemperatuur van + 5 tot + 40 °C.

De tests mogen niet worden uitgevoerd wanneer de windsnelheid, met inbegrip van windstoten, tijdens de geluidsmeting ter hoogte van de microfoon meer dan 5 m/s bedraagt.

Tijdens de geluidsmeting moet een waarde worden opgetekend die representatief is voor temperatuur, windsnelheid en -richting, relatieve vochtigheid en luchtdruk.

Geluidspieken die geen verband lijken te houden met de kenmerken van het algemene geluidsniveau van het voertuig, moeten in de resultaten buiten beschouwing worden gelaten.

Onmiddellijk vóór en na een reeks voertuigtests moet het achtergrondgeluid gedurende 10 seconden worden gemeten. Deze metingen moeten met dezelfde microfoons en op dezelfde plaatsen worden verricht als tijdens de test. Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau moet worden geregistreerd.

Het achtergrondgeluid (met inbegrip van eventueel windgeluid) moet minimaal 10 dB minder bedragen dan het A-gewogen geluidsdrukniveau van het geteste voertuig. Indien het verschil tussen het omgevingsgeluid en het gemeten geluid 10 tot 15 dB(A) bedraagt, moet voor de berekening van de testresultaten de in onderstaande tabel aangegeven correctie van de op de geluidsniveaumeter afgelezen waarden worden afgetrokken.



Verschil tussen het omgevingsgeluid en het gemeten geluid, in dB(A)

10

11

12

13

14

15

Correctie, in dB(A)

0,5

0,4

0,3

0,2

0,1

0,0

3.2.   Voertuig

3.2.1.

Het geteste voertuig moet representatief zijn voor de voertuigen die in de handel worden gebracht en moet door de fabrikant geselecteerd zijn met instemming van de technische dienst, teneinde te voldoen aan de voorschriften van deze verordening De metingen moeten worden verricht zonder oplegger of aanhangwagen, behalve bij onscheidbare voertuigen. Op verzoek van de fabrikant kunnen metingen worden uitgevoerd op voertuigen met hefassen in opgeheven stand.

De metingen moeten worden verricht op voertuigen met de opgegeven testmassa mt volgens de onderstaande tabel:



Voertuigcategorie

Testmassa voertuig (mt)

M1

mt = mro

N1

mt = mro

N2, N3

mt = 50 kg per kW nominaal motorvermogen

Extra lading om de testmassa van het voertuig te bereiken, moet boven de aangedreven achteras(sen) worden geplaatst. Deze extra lading is beperkt tot 75 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand voor de achteras. De testmassa moet worden bereikt met een tolerantie van ± 5 %.

Indien het zwaartepunt van de extra lading niet op het middelpunt van de achteras kan worden afgesteld, mag de testmassa van het voertuig niet meer bedragen dan de som van de voor- en achteraslading in onbeladen toestand plus de extra lading.

De testmassa voor voertuigen met meer dan twee assen is dezelfde als die voor tweeassige voertuigen.

M2, M3

mt = mro — massa van de bijrijder (indien aanwezig)

of, indien de tests worden uitgevoerd op een incompleet voertuig zonder carrosserie,

mt = respectievelijk 50 kg per kW nominaal motorvermogen conform bovengenoemde voorwaarden (zie categorieën N2, N3)

3.2.2.

Op verzoek van de aanvrager wordt een voertuig van de categorie M2, M3, N2 of N3 geacht representatief voor het voltooide voertuig te zijn indien de tests worden uitgevoerd op een incompleet voertuig zonder carrosserie. Tijdens het testen van een incompleet voertuig dienen alle betrokken geluidsdempende materialen, panelen en geluidsbeperkende onderdelen en systemen op het voertuig te zijn gemonteerd zoals die door de fabrikant zijn ontworpen, behoudens een deel van de carrosserie dat in een latere fase wordt gebouwd.

Er wordt geen nieuwe test verlangd omdat een extra brandstoftank is aangebracht of de originele tank verplaatst is, op voorwaarde dat andere onderdelen of structuren van het voertuig die de geluidsemissies beïnvloeden niet gewijzigd zijn.

3.2.3.

De voorschriften inzake rolgeluidsemissies van banden zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 661/2009. De voor de test te gebruiken banden moeten representatief zijn voor het voertuig en moeten door de voertuigfabrikant worden geselecteerd en in het addendum bij aanhangsel 2 van bijlage I bij deze verordening worden vermeld. Zij moeten overeenkomen met een van de bandenmaten die voor het voertuig als originele uitrusting zijn aangewezen. De band moet tegelijkertijd met het voertuig in de handel verkrijgbaar zijn ( 6 ). De banden moeten tot de door de voertuigfabrikant voor de testmassa van het voertuig aanbevolen spanning worden opgepompt. De profieldiepte moet minstens 1,6 mm bedragen.

3.2.4.

Voordat met de metingen wordt begonnen, moet de motor in de normale bedrijfsomstandigheden worden gebracht.

3.2.5.

Als het voertuig met meer dan tweewielaandrijving is uitgerust, moet de test worden uitgevoerd in de aandrijving die bedoeld is voor normaal weggebruik.

3.2.6.

Als het voertuig met een of meer automatisch in werking tredende ventilatoren is uitgerust, mag tijdens de metingen aan dat systeem niet worden geraakt.

3.2.7.

Als het voertuig is uitgerust met een geluidsdempingssysteem dat vezelmateriaal bevat, moet dat systeem vóór de test worden geconditioneerd overeenkomstig bijlage IV.

4.   TESTMETHODEN

4.1.   Meten van het geluid van rijdende voertuigen

4.1.1.   Algemene testvoorwaarden

Op de testbaan worden twee lijnen getrokken: AA' en BB', evenwijdig aan lijn PP' en respectievelijk 10 m vóór en 10 m achter lijn PP'.

Aan elke kant van het voertuig en voor elke versnelling worden ten minste vier metingen verricht. Voor afstellingsdoeleinden mogen voorbereidende metingen worden verricht, maar deze worden buiten beschouwing gelaten.

De microfoon wordt opgesteld op 7,5 m ± 0,05 m van referentielijn CC' van de rijbaan en 1,2 m ± 0,02 m boven de grond.

De referentieas voor vrije veldomstandigheden (zie IEC 61672-1:2002) is horizontaal en loodrecht op het traject van het voertuig (lijn CC') gericht.

4.1.2.   Specifieke testvoorwaarden voor voertuigen

4.1.2.1.   Voertuigen van de categorieën M1, M2 ≤ 3 500 kg, en N1

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, lijn CC' zo dicht mogelijk volgen. Als het voertuig met meer dan tweewielaandrijving is uitgerust, wordt de test uitgevoerd in de aandrijving die bedoeld is voor normaal weggebruik.

Als het voertuig van een handgeschakelde hulptransmissie of een as met meerdere versnellingen is voorzien, wordt de stand voor een normale stadsrit gebruikt. In alle gevallen worden de overbrengingsverhoudingen voor langzaam rijden, parkeren en remmen uitgesloten.

De testmassa van het voertuig moet overeenkomen met die in de tabel van punt 3.2.1.

De testsnelheid vtest bedraagt 50 ± 1 km/h. De testsnelheid moet worden bereikt wanneer het referentiepunt zich op lijn PP' bevindt.

4.1.2.1.1.   Verhoudingsindex vermogen/massa (power to mass ratio, PMR)

PMR wordt berekend met de volgende formule:

PMR = (Pn/mt) × 1 000 waarbij Pn gemeten wordt in kW en mt in kg overeenkomstig punt 3.2.1. van deze bijlage.

PMR, zonder eenheid, wordt gebruikt om de acceleratie te berekenen.

4.1.2.1.2.   Berekening van de acceleratie

Berekeningen van de acceleratie zijn alleen van toepassing op voertuigen van de categorieën M1, N1 en M2 ≤ 3 500 kg.

Alle acceleraties worden berekend met verschillende snelheden van het voertuig op de testbaan De formules in kwestie worden gebruikt voor de berekening van awot i, awot i+1 en awot test. De snelheid op AA' of PP' wordt gedefinieerd als de voertuigsnelheid wanneer het referentiepunt AA' (vAA') of PP' (vPP') passeert. De snelheid op BB' wordt gedefinieerd op het moment dat de achterkant van het voertuig BB' passeert (vBB'). De methode die voor het berekenen van de acceleratie is toegepast, moet in het testrapport worden vermeld.

Afhankelijk van de definitie van het referentiepunt voor het voertuig wordt de lengte van het voertuig (lveh) in onderstaande formule anders berekend. Indien het referentiepunt zich aan de voorkant van het voertuig bevindt, dan l = lveh, in het midden:, dan l = 1/2 lveh en achteraan, dan: l = 0.

4.1.2.1.2.1

De berekeningsprocedure voor voertuigen met handgeschakelde, automatische, adaptieve of continu variabele transmissie (CVT) die met vergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, is de volgende:

awot test = ((vBB'/3,6)2 – (vAA'/3,6)2)/(2 * (20+l))

awot test gebruikt voor de selectie van de versnelling, is het gemiddelde van de vier awot test, i tijdens elke geldige meetrit.

Er mag preacceleratie worden toegepast. Het punt waarop het gaspedaal wordt ingetrapt vóór lijn AA' wordt in het testrapport vermeld.

4.1.2.1.2.2.

De berekeningsprocedure voor voertuigen met automatische, adaptieve of continu variabele transmissie (CVT) die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, is de volgende:

awot test gebruikt voor de selectie van de versnelling, is het gemiddelde van de vier awot test, i tijdens elke geldige meetrit.

Als voorzieningen of maatregelen zoals beschreven in punt 4.1.2.1.4.2 kunnen worden gebruikt om de werking van de transmissie zo te regelen dat aan de testvoorschriften wordt voldaan, wordt de awot test berekend met de volgende formule:

awot test = ((vBB'/3,6)2 – (vAA'/3,6)2)/(2 * (20+l))

Er mag preacceleratie worden toegepast.

Als geen voorzieningen of maatregelen zoals beschreven in punt 4.1.2.1.4.2 worden gebruikt, wordt de awot test berekend met de volgende formule:

awot_testPP-BB = ((vBB'/3,6)2 – (vPP'/3,6)2)/(2 * (10+l))

awot_testPP-BB : acceleratie tussen punt PP en BB

Er mag geen preacceleratie worden toegepast.

Het gaspedaal moet worden ingetrapt op de plaats waar het referentiepunt van het voertuig lijn AA' passeert.

4.1.2.1.2.3.

Doelacceleratie

De doelacceleratie aurban is de normale acceleratie in stadsverkeer en wordt uit statistisch onderzoek afgeleid. Deze functie is afhankelijk van de PMR van een voertuig.

De doelacceleratie aurban wordt berekend met de volgende formule:

a urban = 0,63 * log10 (PMR) – 0,09

4.1.2.1.2.4.

Referentieacceleratie

De referentieacceleratie awot ref is de vereiste acceleratie tijdens de acceleratietest op de testbaan. Deze functie is afhankelijk van de PMR van een voertuig. Die functie is voor specifieke voertuigcategorieën verschillend.

De referentieacceleratie awot ref wordt berekend met de volgende formule:

a wot ref = 1,59 * log10 (PMR) – 1,41 bij PMR ≥ 25

a wot ref = a urban = 0,63 * log10 (PMR) – 0,09 bij PMR < 25

4.1.2.1.3.   Partiële vermogensfactor kP

De partiële vermogensfactor kP (zie punt 4.1.3.1) wordt gebruikt voor de gewogen combinatie van de resultaten van de versnellingstest en de constante-snelheidstest voor voertuigen van de categorieën M1 en N1.

In andere gevallen dan een test met een enkele versnelling moet a wot ref in plaats van a wot test worden gebruikt (zie punt 4.1.3.1).

4.1.2.1.4.   Selectie van de overbrengingsverhouding

De selectie van de overbrengingsverhoudingen voor de test hangt af van het specifieke acceleratiepotentieel awot met vol gas, overeenkomstig de referentieacceleratie awot ref die vereist is voor de acceleratietest met vol gas.

Sommige voertuigen hebben verschillende softwareprogramma's of modi voor de transmissie (bv. sportief, winter, adaptief). Wanneer het voertuig verschillende modi heeft die tot geldige acceleraties leiden, moet de voertuigfabrikant tot tevredenheid van de technische dienst aantonen dat het voertuig wordt getest in de modus waarmee een acceleratie wordt bereikt die het dichtst in de buurt komt van a wot ref.

4.1.2.1.4.1.

Voertuigen met handgeschakelde, automatische, adaptieve of continue variabele transmissie (CVT) die met vergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest

De volgende voorwaarden voor de selectie van de overbrengingsverhoudingen zijn mogelijk:

a) indien één specifieke overbrengingsverhouding een acceleratie geeft die tot op ± 5 % nauwkeurig overeenkomt met de referentieacceleratie awot ref en 2,0 m/s2 niet overschrijdt, voer de test dan met die overbrengingsverhouding uit;

b) indien geen van de overbrengingsverhoudingen tot de vereiste acceleratie leidt, kies dan een overbrengingsverhouding i met een hogere acceleratie en een overbrengingsverhouding i+1 met een lagere acceleratie dan de referentieacceleratie. Indien de acceleratiewaarde in overbrengingsverhouding i niet meer dan 2,0 m/s2 bedraagt, gebruik dan beide overbrengingsverhoudingen voor de test. De wegingsverhouding met betrekking tot de referentieacceleratie awot ref wordt als volgt berekend:

waarin: k = (awot ref – awot (i+1))/(awot (i) – awot (i+1))

c) indien de acceleratiewaarde van overbrengingsverhouding i meer dan 2,0 m/s2 bedraagt, moet de eerste overbrengingsverhouding worden gebruikt die een acceleratie van minder dan 2,0 m/s2 geeft, tenzij overbrengingsverhouding i+1 een geringere acceleratie oplevert dan aurban. In dit geval moeten twee overbrengingsverhoudingen worden gebruikt, namelijk i en i+1, dus ook overbrengingsverhouding i met een acceleratie van meer dan 2,0 m/s2. In de andere gevallen mag geen andere overbrengingsverhouding worden gebruikt. Voor de berekening van de partiële vermogensfactor kP moet de tijdens de test bereikte acceleratie awot test worden gebruikt in plaats van awot ref.;

d) indien het voertuig een transmissie heeft waarbij slechts één overbrengingsverhouding kan worden geselecteerd, wordt de acceleratietest in die overbrengingsverhouding uitgevoerd. Voor de berekening van de partiële vermogensfactor kP wordt de bereikte acceleratie dan in plaats van awot ref gebruikt;

e) indien het nominale motortoerental in een overbrengingsverhouding wordt overschreden voordat het voertuig BB' passeert, moet de eerstvolgende hogere versnelling worden gebruikt.

4.1.2.1.4.2.

Voertuigen met automatische, adaptieve of continu variabele transmissie die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest.

De keuzehendel voor de versnellingen moet in de volledig automatische stand worden geplaatst.

De acceleratiewaarde awot test wordt berekend zoals gedefinieerd in punt 4.1.2.1.2.2.

Bij de test mag dan naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen naar een overbrengingsverhouding die in stadsverkeer niet wordt gebruikt, moet worden vermeden.

Het is dan ook toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken, waaronder andere standen van de keuzehendel voor de versnellingen, om te voorkomen dat wordt teruggeschakeld naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer normaliter niet wordt gebruikt.

De bereikte acceleratie awot test moet groter zijn dan of gelijk zijn aan aurban.

Zo mogelijk treft de fabrikant maatregelen om een acceleratiewaarde awot test van meer dan 2,0 m/s2 te vermijden.

De bereikte acceleratie a wot test wordt dan in plaats van awot ref gebruikt om de partiële vermogensfactor kp (zie punt 4.1.2.1.3) te berekenen.

4.1.2.1.5.   Acceleratietest

De fabrikant definieert de positie van het referentiepunt vóór lijn AA' waarbij het gaspedaal volledig wordt ingetrapt. Wanneer het referentiepunt van het voertuig het gedefinieerde punt bereikt, moet het gaspedaal zo snel mogelijk volledig worden ingetrapt. Het gaspedaal moet ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' bereikt. Het gaspedaal moet dan zo snel mogelijk worden losgelaten. Het punt waarop het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, wordt in het testrapport vermeld. De technische dienst moet de mogelijkheid hebben om voorafgaande tests uit te voeren.

Bij gelede voertuigen met twee onscheidbare delen die als een enkel voertuig worden beschouwd, moet bij het bepalen van het moment waarop lijn BB' wordt gepasseerd, de oplegger buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.2.1.6.   Constantesnelheidstest

De constantesnelheidstest moet worden uitgevoerd met dezelfde versnelling(en) als de acceleratietest en met een constante snelheid van 50 km/h met een tolerantie van ± 1 km/h tussen AA' en BB'. Tijdens de constantesnelheidstest moet het gaspedaal zo worden bediend dat tussen AA' en BB' een gespecificeerde constante snelheid wordt aangehouden. Als de versnelling voor de acceleratietest is vergrendeld, moet voor de constantesnelheidstest dezelfde versnelling worden vergrendeld.

De constantesnelheidstest is niet vereist voor voertuigen met een PMR < 25.

4.1.2.2.   Voertuigen van de categorieën M2 > 3 500 kg, M3, N2 en N3

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, lijn CC' zo dicht mogelijk volgen. De test moet zonder oplegger of aanhangwagen worden gereden. Indien een oplegger niet gemakkelijk van het trekkende voertuig kan worden gescheiden, mag de oplegger bij het passeren van lijn BB' niet in aanmerking worden genomen. Indien het voertuig bijvoorbeeld met een betonmolen of compressor is uitgerust, mag deze tijdens de test niet in werking zijn. De testmassa van het voertuig moet opgenomen zijn in de tabel van punt 3.2.1.

Doelvoorwaarden voor categorie M2 > 3 500 kg en categorie N2

Wanneer het referentiepunt lijn BB' passeert, moet het motortoerental nBB' 70 % tot 74 % bedragen van toerental S, waarbij de motor zijn nominale maximumvermogen ontwikkelt, en moet de snelheid van het voertuig 35 km/h ± 5 km/h bedragen. Tussen lijn AA' en lijn BB' moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd.

Doelvoorwaarden voor de categorieën M3 en N3:

Wanneer het referentiepunt lijn BB' passeert, moet het motortoerental nBB' 85 % tot 89 % bedragen van toerental S, waarbij de motor zijn nominale maximumvermogen ontwikkelt, en moet de snelheid van het voertuig 35 km/h ± 5 km/h bedragen. Tussen lijn AA' en lijn BB' moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd.

4.1.2.2.1.   Selectie van de overbrengingsverhouding

4.1.2.2.1.1.   Voertuigen met handgeschakelde transmissie

Er moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd. De keuze van de versnelling wordt bepaald door de doelvoorwaarden. Indien het verschil in snelheid de vermelde tolerantie overschrijdt, moeten twee versnellingen worden getest, namelijk één boven en één onder de beoogde snelheid.

Indien meer dan een versnelling aan de doelvoorwaarden voldoet, selecteer dan de versnelling die het dichtst bij 35 km/h ligt. Indien geen enkele versnelling aan de doelvoorwaarde voor vtest voldoet, moeten twee versnellingen worden getest, namelijk één boven en één onder vtest. Het beoogde motortoerental moet in alle omstandigheden worden bereikt.

Er moet voor een stabiele acceleratie worden gezorgd. Indien in een bepaalde versnelling niet stabiel kan worden geaccelereerd, moet die versnelling buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.2.2.1.2.   Voertuigen met automatische, adaptieve of continu variabele transmissie

De keuzehendel voor de versnellingen moet in de volledig automatische stand worden geplaatst. Bij de test mag dan naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer niet wordt gebruikt, moet worden vermeden. Het is dan ook toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken om te voorkomen dat wordt teruggeschakeld naar een overbrengingsverhouding die bij de gespecificeerde testvoorwaarde in stadsverkeer normaliter niet wordt gebruikt.

Als het voertuig een transmissie heeft die zo is ontworpen dat maar één versnelling (drive) kan worden geselecteerd, waardoor het motortoerental tijdens de test wordt beperkt, moet het voertuig maar met één beoogde snelheid worden getest. Als het voertuig een combinatie van motor en transmissie heeft die niet aan de voorschriften van punt 4.1.2.2.1.1 voldoet, moet het voertuig alleen met de beoogde snelheid worden getest. De voor de test beoogde voertuigsnelheid (vBB') bedraagt 35 km/h ± 5 km/h. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is toegestaan nadat het referentiepunt van het voertuig lijn PP' is gepasseerd. Er moeten twee tests worden uitgevoerd: een met de eindsnelheid van vtest = vBB' + 5 km/h, en een met de eindsnelheid van vtest = vBB' – 5 km/h. Het te rapporteren geluidsniveau is het resultaat van de test met het hoogste motortoerental dat tijdens het traject van AA' naar BB' is bereikt.

4.1.2.2.2.   Acceleratietest

Wanneer het referentiepunt van het voertuig lijn AA' bereikt, moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt (zonder automatisch naar een lagere versnelling te doen schakelen dan die welke normaliter in stadsverkeer wordt gebruikt) en volledig ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig BB' passeert. Het referentiepunt moet zich echter ten minste 5 m achter BB' bevinden. Dan moet het gaspedaal worden losgelaten.

Bij gelede voertuigen met twee onscheidbare delen die als een enkel voertuig worden beschouwd, moet bij het bepalen van het moment waarop lijn BB' wordt gepasseerd, de oplegger buiten beschouwing worden gelaten.

4.1.3.   Interpretatie van de resultaten

Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau dat bij iedere passage van het voertuig tussen de twee lijnen AA' en BB' wordt aangegeven, moet worden genoteerd. Indien een geluidspiek wordt geconstateerd die het algemene geluidsdrukniveau duidelijk overschrijdt, moet de meting buiten beschouwing worden gelaten. Aan elke kant van het voertuig en voor elke overbrengingsverhouding moeten ten minste vier metingen voor elke testvoorwaarde worden verricht. De linker- en rechtermeting mogen gelijktijdig of achtereenvolgens plaatsvinden. De eerste vier geldige opeenvolgende meetresultaten, binnen een bereik van 2 dB(A), waarmee ongeldige resultaten kunnen worden genegeerd (zie punt 3.1), worden gebruikt om het eindresultaat voor de desbetreffende kant van het voertuig te berekenen. Van de resultaten van elke kant wordt afzonderlijk het gemiddelde berekend. Het tussentijdse resultaat is de hoogste waarde van de twee gemiddelden, afgerond op één cijfer achter de komma.

De snelheidsmetingen op AA', BB' en PP' worden genoteerd en gebruikt in berekeningen tot het eerste significante cijfer achter de komma.

De berekende acceleratie awot test wordt genoteerd tot twee cijfers achter de komma.

4.1.3.1.   Voertuigen van de categorieën M1, N1 en M2 ≤ 3 500 kg

De waarden voor de acceleratietest en de constante-snelheidstest worden als volgt berekend:

Lwot rep = Lwot (i+1) + k * (Lwot(i) – Lwot (i+1))

Lcrs rep = Lcrs(i+1) + k * (Lcrs (i) – Lcrs (i+1))

waarin: k = (awot ref – awot (i+1))/(awot (i) – awot (i+1))

Bij een test met één overbrengingsverhouding zijn de waarden het testresultaat van elke test.

Het eindresultaat wordt berekend door Lwot rep en Lcrs rep te combineren. De formule is:

Lurban = Lwot rep – kP * (Lwot rep – Lcrs rep)

De wegingsfactor kP geeft de partiële vermogensfactor voor stadsritten. In andere gevallen dan tests met een enkele versnelling wordt kP als volgt berekend:

kP = 1 – (aurban/awot ref)

Indien voor de test maar één versnelling is gespecificeerd, wordt kP als volgt berekend:

kP = 1 – (aurban/awot test)

Wanneer awot test lager is dan aurban:

kP = 0

4.1.3.2.   Voertuigen van de categorieën M2 > 3 500 kg, M3, N2 en N3

Wanneer één versnelling wordt getest, moet het eindresultaat gelijk zijn aan het tussentijdse resultaat. Wanneer twee versnellingen worden getest, wordt het rekenkundige gemiddelde van de tussentijdse resultaten berekend.

4.2.   Meting van het door stilstaande voertuigen geëmitteerde geluid

4.2.1.   Geluidsniveau in de nabijheid van voertuigen

De meetresultaten moeten worden vermeld in het testrapport waarnaar in het addendum bij aanhangsel 2 van bijlage I wordt verwezen.

4.2.2.   Geluidsmetingen

Voor de metingen moet gebruik worden gemaakt van een precisiegeluidsniveaumeter of gelijkwaardig meetsysteem zoals gedefinieerd in punt 2.1.

4.2.3.

Testterrein — plaatselijke omstandigheden zoals aangegeven in figuren 2 en 3a tot 3d van het aanhangsel.

4.2.3.1.

In de nabijheid van de microfoon mogen er geen obstakels zijn die het akoestische veld kunnen beïnvloeden en niemand mag zich tussen de microfoon en de geluidsbron bevinden. De persoon die de meetapparatuur afleest, moet zich zodanig opstellen dat hij de meteruitslag niet beïnvloedt.

4.2.4.

Storend geluid en interferentie van de wind

De waarden die door omgevingsgeluid en wind op de meetinstrumenten worden geproduceerd, moeten ten minste 10 dB(A) onder het te meten geluidsniveau liggen. Op de microfoon mag een passend windscherm worden aangebracht mits rekening wordt gehouden met het effect ervan op de gevoeligheid van de microfoon (zie punt 2.1).

4.2.5.

Meetmethode

4.2.5.1.   Aard van de metingen en aantal

Het in A-gewogen decibels (dB(A)) uitgedrukte maximumgeluidsniveau moet worden gemeten gedurende de in punt 4.2.5.3.2.1 aangegeven tijd dat de motor draait.

Op elk meetpunt moeten ten minste drie metingen worden verricht.

4.2.5.2.   Positionering en voorbereiding van het voertuig

Het voertuig moet in het midden van de testzone worden geplaatst, met de keuzehendel voor de versnellingen in de neutrale stand en de koppeling ingeschakeld. Indien het ontwerp van het voertuig dit niet toelaat, moet het voertuig worden getest volgens de voorschriften van de fabrikant voor motortests in stilstand. Vóór elke reeks metingen moet de motor in de normale bedrijfstoestand worden gebracht zoals aangegeven door de fabrikant.

Als het voertuig met een of meer automatisch in werking tredende ventilatoren is uitgerust, mag tijdens de geluidsniveaumetingen aan dat systeem niet worden geraakt.

De motorkap of afdekking van de motorruimte moet worden gesloten.

4.2.5.3.

Geluidsmeting in de nabijheid van de uitlaat zoals aangegeven in de figuur 2 en figuren 3a tot en met 3 d van het aanhangsel van bijlage II

4.2.5.3.1.   Plaatsing van de microfoon

4.2.5.3.1.1.

De microfoon moet op 0,5 ± 0,01 m afstand van het referentiepunt van de uitlaatpijp zoals gedefinieerd in figuur 2 en figuren 3a tot en met 3 d van het aanhangsel, en onder een hoek van 45° (± 5°) ten opzichte van de stroomas van het uiteinde van de pijp worden geplaatst. De microfoon moet zich ter hoogte van het referentiepunt, maar ten minste 0,2 m van de grond bevinden. De referentieas van de microfoon moet in een vlak liggen dat evenwijdig is aan de grond en moet naar het referentiepunt op de uitlaatopening zijn gericht. Indien twee microfoonposities mogelijk zijn, wordt de plaats gekozen die zich lateraal het verst van de lengteas van het voertuig bevindt. Indien de stroomas van de uitlaatpijp zich onder een hoek van 90° ten opzichte van de lengteas van het voertuig bevindt, wordt de microfoon geplaatst op het punt dat het verst van de motor is verwijderd.

4.2.5.3.1.2.

Bij voertuigen die een uitlaat hebben met openingen die meer dan 0,3 m uit elkaar liggen, moeten voor elke opening metingen worden verricht. Het hoogste niveau moet worden geregistreerd.

4.2.5.3.1.3.

Bij uitlaten met twee of meer openingen die minder dan 0,3 m uit elkaar liggen en op dezelfde geluidsdemper zijn aangesloten, hoeft maar één meting te worden verricht; de positie van de microfoon wordt bepaald door de opening die zich het dichtst bij één uiterste buitenrand van het voertuig bevindt of, wanneer er geen dergelijke opening is, die zich het hoogst boven de grond bevindt.

4.2.5.3.1.4.

Bij voertuigen met een verticale uitlaat (bv. bedrijfsvoertuigen) wordt de microfoon ter hoogte van de uitlaatopening geplaatst. De as van de microfoon moet verticaal zijn en omhoog worden gericht. De microfoon moet 0,5 m ± 0,01 m van het referentiepunt van de uitlaatpijp worden geplaatst, maar nooit minder dan 0,2 m van de kant van het voertuig die zich het dichtst bij de uitlaat bevindt.

4.2.5.3.1.5.

Bij uitlaatopeningen die zich onder de voertuigcarrosserie bevinden, moet de microfoon minimaal 0,2 m van het dichtstbijzijnde deel van het voertuig worden geplaatst, op een punt dat zich het dichtst bij, maar nooit op minder dan 0,5 m van het referentiepunt van de uitlaatpijp bevindt, en 0,2 m boven de grond, en niet in het verlengde van de uitlaatgasstroom. Wanneer het fysisch niet mogelijk is, dient niet voldaan te worden aan het voorschrift van punt 4.2.5.3.1.1 met betrekking tot de hoek.

4.2.5.3.1.6.

Voorbeelden van de positie van de microfoon naargelang de plaats van de uitlaatpijp staan in figuren 3a tot en met 3d van het aanhangsel.

4.2.5.3.2.   Bedrijfsomstandigheden van de motor

4.2.5.3.2.1.   Beoogd motortoerental

— 75 % van het motortoerental S bij voertuigen met een nominaal motortoerental ≤ 5 000 min–1;

— 3 750 min–1 voor voertuigen met een nominaal motortoerental van meer dan 5 000 min–1 en minder dan 7 500 min–1;

— 50 % van het motortoerental S bij voertuigen met een nominaal motortoerental ≥ 7 500 min–1.

Indien het voertuig bovengenoemd motortoerental niet kan bereiken, ligt het beoogde motortoerental 5 % onder het maximummotortoerental voor de desbetreffende test in stilstand.

4.2.5.3.2.2.   Testprocedure

Het motortoerental wordt geleidelijk opgevoerd van het stationaire tot het beoogde toerental, met een maximumtolerantie van ± 3 % van het beoogde motortoerental, en wordt constant gehouden. Vervolgens wordt het gaspedaal snel losgelaten, zodat de motor weer op stationair toerental draait. Het geluidsniveau wordt gemeten tijdens een periode van werking waarin het toerental gedurende 1 seconde constant wordt gehouden en tijdens de gehele duur van de vertraging. Het hoogste tijdens deze periode van werking gemeten geluidsniveau, afgerond op één cijfer achter de komma, moet als testwaarde worden beschouwd.

4.2.5.3.2.3.   Validering van de test

De meting wordt als geldig beschouwd indien het motortoerental van de test ten minste 1 seconde lang niet meer dan ± 3 % van het beoogde motortoerental afwijkt.

4.2.6.

Resultaten

Voor elke testpositie worden ten minste drie metingen verricht. Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau dat bij elk van de drie metingen wordt aangegeven, wordt geregistreerd. De eerste drie geldige opeenvolgende meetresultaten, binnen een bereik van 2 dB(A), waarmee ongeldige resultaten kunnen worden genegeerd (rekening houdend met de specificaties van het testterrein in punt 3.1), worden gebruikt om het eindresultaat voor de desbetreffende meetpositie te bepalen. Het hoogste geluidsniveau, voor alle meetposities, en van de drie meetresultaten, vormt het eindresultaat.

5.

Geluidsemissie van rijdende hybride elektrische voertuigen van categorie M1, met een verbrandingsmotor die niet kan draaien wanneer het voertuig stilstaat (gegevens verstrekt teneinde het testen van het in het verkeer zijnde voertuig te vergemakkelijken).

5.1.

Teneinde de testen van in het verkeer zijnde hybride elektrische voertuigen (voertuigen met een verbrandingsmotor die niet kan draaien wanneer het voertuig stilstaat) te vergemakkelijken, wordt de volgende informatie betreffende volgens punt 4.1 van bijlage II uitgevoerde geluidsdrukniveaumetingen voor rijdende voertuigen beschouwd als referentiegegevens voor de controle op rijdende voertuigen:

a) versnelling (i) of, bij voertuigen die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, de voor de test gekozen stand van de versnelling;

b) stand van de bedieningsschakelaar tijdens de metingen van het geluidsdrukniveau Lwot,(i) (indien uitgerust met schakelaar);

c) preacceleratielengte lPA in m;

d) de gemiddelde snelheid van het voertuig in km/h aan het begin van de versnelling met volledig ingedrukt gaspedaal in versnelling (i), en

e) het geluidsdrukniveau in Lwot,(i) in dB(A) van de volgastests in versnelling (i), gedefinieerd als de hoogste van de twee waarden die het gemiddelde zijn van de meetresultaten bij elke microfoonpositie afzonderlijk.

5.2.

De referentiegegevens voor rijdende voertuigen worden opgenomen in het EU-typegoedkeuringscertificaat als aangegeven in punt 2.3 van het addendum bij aanhangsel 2 van bijlage I.

BIJLAGE III GRENSWAARDEN

BIJLAGE III

GRENSWAARDEN

Het overeenkomstig bijlage II gemeten geluidsniveau, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal, mag de volgende grenswaarden niet overschrijden:


Voertuigcategorie

Beschrijving van de voertuigcategorie

Grenswaarde uitgedrukt in dB(A)

[A-gewogen decibels]

 

 

Fase 1, van toepassing voor nieuwe voertuigtypen met ingang van 1 juli 2016

Fase 2, van toepassing voor nieuwe voertuigtypen met ingang van 1 juli 2020 en voor eerste registratie met ingang van 1 juli 2022

Fase 3, van toepassing voor nieuwe voertuigtypen met ingang van 1 juli 2024 en voor eerste registratie met ingang van 1 juli 2026

M

Voertuigen voor personenvervoer

 

 

 

M1

verhouding vermogen/massa

≤ 120 kW/t

72 (1)

70 (1)

68 (1)

M1

120 kW/1 000 kg < verhouding vermogen/massa ≤ 160 kW/1 000 kg

73

71

69

M1

160 kW/1 000 kg < verhouding vermogen/massa

75

73

71

M1

verhouding vermogen/massa > 200 kW/1 000 kg

aantal zitplaatsen ≤ 4

R-punt van de bestuurder ≤ 450 mm vanaf de vloer

75

74

72

M2

massa ≤ 2 500 kg

72

70

69

M2

2 500 kg < massa ≤ 3 500 kg

74

72

71

M2

3 500 kg < massa ≤ 5 000 kg

nominaal motorvermogen ≤ 135 kW

75

73

72

M2

3 500 kg < massa ≤ 5 000 kg;

nominaal motorvermogen > 135 kW

75

74

72

M3

nominaal motorvermogen ≤ 150 kW

76

74

73 (2)

M3

150 kW <nominaal motorvermogen ≤ 250 kW

78

77

76 (2)

M3

nominaal motorvermogen > 250 kW

80

78

77 (2)

N

Voertuigen voor goederenvervoer

 

 

 

N1

massa ≤ 2 500 kg

72

71

69

N1

2 500 kg < massa ≤ 3 500 kg

74

73

71

N2

nominaal motorvermogen ≤ 135 kW

77

75 (2)

74 (2)

N2

nominaal motorvermogen > 135 kW

78

76 (2)

75 (2)

N3

nominaal motorvermogen ≤ 150 kW

79

77

76 (2)

N3

150 kW <nominaal motorvermogen ≤ 250 kW

81

79

77 (2)

N3

nominaal motorvermogen > 250 kW

82

81

79 (2)

(1)   Van categorie N1 afgeleide M1-voertuigen:

(2)   + 2 jaar voor nieuwe voertuigen en + één jaar voor nieuwe voertuigregistratie.

Bij de grenswaarden wordt 1dB opgeteld (2 dB(A) voor voertuigen van de categorieën N3 en M3) bij voertuigen die voldoen aan de desbetreffende definitie van terreinvoertuigen in Richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel A, punt 4.

Bij voertuigen van categorie M1 gelden de hogere grenswaarden voor terreinvoertuigen alleen als de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand > 2 t.

Bij de grenswaarden wordt 2 dB(A) opgeteld voor voertuigen toegankelijk voor rolstoelen en gepantserde voertuigen zoals gedefinieerd in bijlage II van Richtlijn 2007/46/EG.

BIJLAGE IV GELUIDSDEMPINGSSYSTEMEN MET GELUIDSABSORBERENDE VEZELMATERIALEN

BIJLAGE IV

GELUIDSDEMPINGSSYSTEMEN MET GELUIDSABSORBERENDE VEZELMATERIALEN

1.   ALGEMEEN

Geluidsabsorberende vezelmaterialen mogen in geluidsdempingssystemen of onderdelen ervan worden gebruikt wanneer ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) het uitlaatgas is niet in contact met de vezelmaterialen;

b) het geluidsdempingssysteem of de onderdelen ervan zijn van dezelfde ontwerpfamilie als de systemen of onderdelen waarvan, tijdens het EU-typegoedkeuringsproces volgens de voorschriften van deze verordening voor een ander voertuigtype, is aangetoond dat zij niet onderhevig zijn aan slijtage.

Als geen van de in de eerste alinea, onder a) of b) vermelde voorwaarden is vervuld, moeten het volledige geluidsdempingssysteem of de onderdelen ervan op conventionele wijze worden geconditioneerd met een van de drie installaties en procedures in de punten 1.1, 1.2 en 1.3 omschreven.

Voor de toepassing van lid 1, onder b) wordt een groep geluidsdempingssystemen of onderdelen daarvan geacht tot dezelfde ontwerpfamilie te behoren als alle volgende kenmerken dezelfde zijn:

a) de aanwezigheid van een nettostroom van de uitlaatgassen door het absorberende vezelmateriaal waar zij mee in contact komen,

b) het type vezels,

c) de specificaties van het bindmiddel, indien aanwezig,

d) de gemiddelde afmetingen van de vezels,

e) de minimale pakkingsdichtheid van het bulkmateriaal in kg/m3,

f) het maximale contactoppervlak tussen de gasstroom en het absorberende materiaal.

1.1.   Continubedrijf op de weg over een afstand van 10 000 km

1.1.1.

50 ± 20 % van deze afstand wordt in de stad gereden en de rest op lange trajecten tegen hoge snelheid; et continubedrijf op de weg mag worden vervangen door een overeenkomstig programma op een testbaan.

1.1.2.

De twee snelheidsregimes worden ten minste tweemaal afgewisseld.

1.1.3.

Het volledige testprogramma omvat minstens 10 pauzes van ten minste drie uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te reproduceren.

1.2.   Conditionering op een testbank

1.2.1.

Het geluidsdempingssysteem of onderdelen ervan worden met standaarddelen en volgens de instructies van de voertuigfabrikant op het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig of op de in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor gemonteerd. Het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig wordt op een rollenbank geplaatst. De in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor wordt aan een testbank gekoppeld.

1.2.2.

De tests worden in zes perioden van zes-uur uitgevoerd, met tussen elke periode een pauze van minstens twaalf uur om afkoelingseffecten en eventuele condensatie te krijgen.

1.2.3.

Tijdens elke periode van zes uur laat men de motor achtereenvolgens:

a) vijf minuten stationair draaien;

b) één uur draaien bij 1/4 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

c) één uur draaien bij 1/2 belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

d) 10 minuten draaien bij volle belasting en 3/4 van het nominale maximumtoerental (S);

e) 15 minuten draaien bij 1/2 belasting en het nominale maximumtoerental (S);

f) 30 minuten draaien bij 1/4 belasting en het nominale maximumtoerental (S).

De totale duur van de zes handelingen bedraagt drie uur.

Elke periode omvat twee opeenvolgende dergelijke sequentiesets, telkens in de aangegeven volgorde van a) tot en met f).

1.2.4.

Tijdens de test mogen het geluidsdempingssysteem of de onderdelen ervan niet worden gekoeld door het aanblazen van lucht om de normale luchtstroom rond het voertuig te simuleren. Op verzoek van de fabrikant mogen het geluidsdempingssysteem of de onderdelen ervan echter wel worden gekoeld om de temperatuur die aan de inlaat van het systeem wordt gemeten wanneer het voertuig met de maximumsnelheid rijdt, niet te overschrijden.

1.3.   Conditionering door pulsering

1.3.1.

Het geluidsdempingssysteem of de onderdelen ervan worden op het in punt 1.3 van bijlage I bedoelde voertuig of op de in punt 1.4 van bijlage I bedoelde motor gemonteerd. In het eerste geval wordt het voertuig op een rollenbank geplaatst.

In het tweede geval wordt de motor op een testbank gemonteerd. De testapparatuur, waarvan in figuur 1 van het aanhangsel een gedetailleerd schema wordt gegeven, wordt op de uitlaatopening van het geluidsdempingssysteem aangesloten. Elk ander apparaat dat gelijkwaardige resultaten oplevert, wordt aanvaard.

1.3.2.

De testapparatuur wordt zodanig afgesteld dat de uitlaatgasstroom door de snelsluitklep 2 500 maal afwisselend wordt onderbroken en weer doorgelaten.

1.3.3.

De klep gaat open wanneer de uitlaatgastegendruk, gemeten op minstens 100 mm voorbij de inlaatflens, een waarde tussen 0,35 en 0,40 kPa bereikt. Zij sluit weer wanneer deze druk niet meer dan 10 % verschilt van de gestabiliseerde waarde met de klep open.

1.3.4.

De tijdvertragingsschakelaar wordt op de afvoertijd van de gassen ingesteld overeenkomstig punt 1.3.3.

1.3.5.

Het motortoerental moet 75 % bedragen van het toerental (S) waarbij de motor zijn maximumvermogen ontwikkelt.

1.3.6.

Het door de bank aangegeven vermogen moet 50 % bedragen van het volgasvermogen, gemeten bij 75 % van het motortoerental (S).

1.3.7.

Eventuele afvoergaten worden tijdens de test gesloten.

1.3.8.

De volledige test mag niet meer dan 48 uur duren.

Zo nodig zal om het uur een afkoelingsperiode worden ingelast.

BIJLAGE V PERSLUCHTGELUID

BIJLAGE V

PERSLUCHTGELUID

1.   MEETMETHODE

De meting wordt op de microfoonposities 2 en 6 overeenkomstig figuur 1 van het aanhangsel verricht aan het stilstaande voertuig. Het hoogste A-gewogen geluidsniveau wordt gemeten tijdens het afblazen van de drukregelaar en tijdens het ontluchten na het gebruik van zowel de bedrijfs- als de handrem.

Het geluid tijdens het afblazen van de drukregelaar wordt gemeten met de motor op stationair toerental. Het ontluchtingsgeluid wordt gemeten bij het gebruik van de bedrijfs- en de handrem; voor elke meting moet de luchtdrukeenheid op de hoogst toelaatbare werkdruk worden gebracht, waarna de motor wordt uitgeschakeld.

2.   EVALUATIE VAN DE RESULTATEN

Op elke microfoonpositie worden twee metingen verricht. Om onnauwkeurigheden van de meetapparatuur te compenseren wordt de afgelezen meetwaarde met 1 dB(A) verminderd en wordt de verminderde waarde als meetresultaat beschouwd. De resultaten worden als geldig beschouwd indien het verschil tussen de metingen op één microfoonpositie niet meer dan 2 dB(A) bedraagt. De hoogste gemeten waarde is het resultaat. Ligt deze waarde 1 dB(A) of meer boven de geluidsniveaugrenswaarde, dan moeten op de overeenkomstige microfoonpositie nog twee metingen worden uitgevoerd. In dit geval moeten drie van de vier meetresultaten voor die positie binnen de voorgeschreven geluidsniveaugrenswaarden liggen.

3.   GRENSWAARDE

Het geluidsniveau mag de grenswaarde van 72 dB(A) niet overschrijden.

BIJLAGE VI CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE VAN VOERTUIGEN

BIJLAGE VI

CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE VAN VOERTUIGEN

1.   ALGEMEEN

De voorschriften van deze bijlage stemmen overeen met de test die volgens punt 5 van bijlage I moet worden uitgevoerd om de conformiteit van de productie te controleren.

2.   TESTPROCEDURE

Het testterrein en de meetinstrumenten worden beschreven in bijlage II.

2.1.

De geteste voertuigen worden onderworpen aan de test voor het meten van het geluidsniveau van rijdende voertuigen volgens de beschrijving in punt 4.1 van bijlage II.

2.2.

Persluchtgeluid

Voertuigen met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 2 800 kg die uitgerust zijn met persluchtsystemen, moeten worden onderworpen aan een extra test voor het meten van het persluchtgeluid volgens de beschrijving in punt 1 van bijlage V.

2.3.

Aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (Additional Sound Emission Provisions — ASEP)

De voertuigfabrikant beoordeelt naar behoren of aan de ASEP wordt voldaan of mag de in bijlage VII beschreven test uitvoeren.

3.   BEMONSTERING EN EVALUATIE VAN DE RESULTATEN

Eén voertuig wordt geselecteerd en aan de tests van punt 2 van deze bijlage onderworpen. Indien het geluidsniveau van het beproefde voertuig de in bijlage III, en, waar passend, de in bijlage V, punt 3, opgenomen grenswaarden met niet meer dan 1 dB(A) overschrijdt, wordt het voertuigtype geacht te voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

Indien een van de testresultaten niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, worden nog twee voertuigen van hetzelfde type getest overeenkomstig punt 2 van deze bijlage.

Indien de testresultaten voor het tweede en het derde voertuig voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, wordt het voertuig geacht aan die voorschriften te voldoen.

Indien een van de testresultaten van het tweede of derde voertuig niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG, wordt het voertuigtype geacht niet te voldoen aan de voorschriften van deze verordening en moet de fabrikant de nodige maatregelen nemen om de conformiteit te herstellen.

BIJLAGE VII MEETMETHODE OM DE NALEVING VAN DE AANVULLENDE BEPALINGEN INZAKE GELUIDSEMISSIE TE EVALUEREN

BIJLAGE VII

MEETMETHODE OM DE NALEVING VAN DE AANVULLENDE BEPALINGEN INZAKE GELUIDSEMISSIE TE EVALUEREN

1.   ALGEMEEN

Deze bijlage beschrijft een meetmethode om te beoordelen of het voertuig voldoet aan de aanvullende bepalingen inzake geluidsemissie (ASEP) die in artikel 7 zijn vastgesteld.

Bij het indienen van een EU-typegoedkeuringsaanvraag is het niet verplicht deze tests uit te voeren. De fabrikant moet de verklaring van naleving in het aanhangsel ondertekenen. De goedkeuringsinstantie mag over die verklaring van naleving nadere informatie vragen en de hieronder beschreven tests uitvoeren.

Voor de procedure in deze bijlage moet een test worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage II. Die test moet op dezelfde testbaan en onder vrijwel dezelfde omstandigheden worden uitgevoerd als de tests die in deze bijlage worden voorgeschreven.

2.   MEETMETHODE

2.1   Meetinstrumenten en -omstandigheden

Tenzij anders is bepaald, zijn de meetinstrumenten, de meetomstandigheden en de toestand van het voertuig gelijkwaardig aan deze in de punten 2 en 3 van bijlage II.

Als het voertuig verschillende modi heeft die de geluidsemissie beïnvloeden, moeten alle modi aan de voorschriften van deze bijlage voldoen. Wanneer de fabrikant tests heeft uitgevoerd om tegenover de goedkeuringsinstantie aan te tonen dat die voorschriften worden nageleefd, moeten de tijdens die tests toegepaste modi in een testrapport moeten worden gerapporteerd.

2.2.   Testmethode

Tenzij anders is bepaald, worden de omstandigheden en procedures van de punten 4.1 tot en met 4.1.2.1.2.2 van bijlage II toegepast. Voor de toepassing van deze bijlage worden afzonderlijke testritten gemeten en geëvalueerd.

2.3.   Controlebereik

De bedrijfsomstandigheden zijn de volgende:

voertuigsnelheid VAA ASEP:

vAA ≥ 20 km/h

voertuigacceleratie awot ASEP:

awot ≤ 5,0 m/s2

motortoerental nBB ASEP

nBB ≤ 2,0 * PMR–0,222 * s of

nBB ≤ 0,9 * s, als dat lager is

voertuigsnelheid VBB ASEP:

indien nBB ASEP in één versnelling wordt bereikt

vAA ≥ 70 km/h

in alle andere gevallen

vAA ≥ 80 km/h

versnellingen

K ≤ overbrengingsverhouding i zoals bepaald in bijlage II.

Indien het voertuig, in de laagste geldige versnelling, bij minder dan 70 km/h het maximale motortoerental niet bereikt, bedraagt de snelheidsgrens 80 km/h.

2.4.   Overbrengingsverhoudingen

De ASEP gelden voor elke overbrengingsverhouding K die testresultaten binnen het in punt 2.3 gedefinieerde controlebereik oplevert.

Bij voertuigen met automatische, adaptieve of continu variabele transmissie die met onvergrendelde overbrengingsverhoudingen worden getest, mag bij de test naar een lagere versnelling met een hogere acceleratie worden geschakeld. Schakelen naar een hogere versnelling met een lagere acceleratie is niet toegestaan. Schakelen waardoor een voorwaarde wordt gecreëerd die niet voldoet aan de grensvoorwaarden, moet worden vermeden. In dat geval is het toegestaan elektronische of mechanische voorzieningen te installeren en te gebruiken, waaronder andere standen van de keuzehendel voor de versnellingen. Om de ASEP-test representatief en herhaalbaar te maken (voor de goedkeuringsautoriteit) moet het voertuig getest worden met kalibratie van de productieversnellingsbak.

2.5.   Doelvoorwaarden

De geluidsemissie moet worden gemeten in elke geldige overbrengingsverhouding op de vier hieronder aangegeven testpunten.

Het eerste testpunt P1 wordt bepaald met een beginsnelheid vAA van 20 km/h. Indien geen stabiele acceleratie kan worden verkregen, moet de snelheid in stappen van 5 km/h worden opgevoerd totdat een stabiele acceleratie wordt bereikt.

Het vierde testpunt P4 wordt bepaald door de maximale voertuigsnelheid op BB' in die overbrengingsverhouding binnen de grensvoorwaarden overeenkomstig punt 2.3.

De overige twee testpunten worden berekend met de volgende formule:

testpunt Pj: vBB_j = vBB_1 + ((j – 1)/3) * (vBB_4 – vBB_1) voor j = 2 en 3

waarin:

vBB_1

=

voertuigsnelheid op BB' van testpunt P1

vBB_4

=

voertuigsnelheid op BB' van testpunt P4

Tolerantie voor vBB_j: ± 3 km/h

Voor alle testpunten moeten de grensvoorwaarden van punt 2.3 worden vervuld.

2.6.   Test van het voertuig

Het traject van de middellijn van het voertuig moet gedurende de gehele test, vanaf het naderen van lijn AA' totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' passeert, lijn CC' zo dicht mogelijk volgen.

Op lijn AA' moet het gaspedaal volledig worden ingetrapt. Om een stabielere acceleratie te bereiken of om terugschakelen tussen lijn AA' en lijn BB' te vermijden, mag vóór lijn AA' preacceleratie worden toegepast. Het gaspedaal moet ingetrapt blijven totdat de achterkant van het voertuig lijn BB' bereikt.

Voor elke afzonderlijke testrit moeten de volgende parameters worden bepaald en genoteerd:

Het maximale A-gewogen geluidsdrukniveau aan weerskanten van het voertuig, aangegeven bij elke passage van het voertuig tussen de twee lijnen AA' en BB', moet op één cijfer achter de komma worden afgerond (Lwot,kj). Indien een geluidspiek wordt geconstateerd die het algemene geluidsdrukniveau duidelijk overschrijdt, moet de meting buiten beschouwing worden gelaten. De linker- en rechtermeting mogen gelijktijdig of afzonderlijk plaatsvinden.

De op AA' en BB' gemeten voertuigsnelheid moet met het eerste significante cijfer achter de komma worden gerapporteerd. (vAA,kj; vBB,kj).

In voorkomend geval moet het op AA' en BB' afgelezen motortoerental als een geheel getal worden gerapporteerd (nAA,kj; nBB,kj).

De berekende acceleratie wordt bepaald volgens de formule in punt 4.1.2.1.2 van bijlage II en wordt gerapporteerd tot twee cijfers achter de komma (awot,test,kj).

3.   ANALYSE VAN DE RESULTATEN

3.1.   Bepaling van het ankerpunt voor elke overbrengingsverhouding

Voor metingen in versnelling i en lager zijn de ankerpunten het maximale geluidsniveau Lwoti, het gerapporteerde motortoerental nwoti en de voertuigsnelheid vwoti op BB' van overbrengingsverhouding i van de acceleratietest in bijlage II.

Lanchor,i

=

Lwoti,bijlage II

nanchor,i

=

nBB,woti,bijlage II

vanchor,i

=

vBB,woti,bijlage II

Voor metingen in versnelling i+1 zijn de ankerpunten het maximale geluidsniveau Lwoti+1, het gerapporteerde motortoerental n woti+1 en de voertuigsnelheid vwoti+1op BB' van overbrengingsverhouding i+1 van de acceleratietest in bijlage II.

Lanchor,i+1

=

Lwoti+1,bijlage II

nanchor,i+1

=

nBB,woti+1,bijlage II

vanchor,i+1

=

vBB,woti+1,bijlage II

3.2.   Helling (slope) van de regressielijn voor elke versnelling

De geluidsmetingen moeten als functie van het motortoerental overeenkomstig punt 3.2.1 worden geëvalueerd.

3.2.1.   Berekening van de helling (slope) van de regressielijn voor elke versnelling

De lineaire-regressielijn wordt berekend aan de hand van het ankerpunt en de vier daaraan gerelateerde extra metingen.

image (in dB/1 000 min-1)

waarin

image

en;

image

nj = motortoerental gemeten op lijn BB'.

3.2.2.   Helling (slope) van de regressielijn voor elke versnelling

Slopek van een bepaalde versnelling voor de verdere berekening is het afgeleide resultaat van de berekening in punt 3.2.1, afgerond op het eerste cijfer achter de komma, maar niet hoger dan 5 dB/1 000 min-1.

3.3.   Berekening van de bij elke meting verwachte lineaire geluidsniveautoename

Het geluidsniveau LASEP,kj voor meetpunt j en versnelling k wordt berekend aan de hand van de voor elk meetpunt gemeten motortoerentallen en van de in punt 3.2 gespecificeerde helling ten aanzien van het specifieke ankerpunt voor elke overbrengingsverhouding.

Voor nBB_k,j ≤ nanchor,k:

LASEP_k,j = Lanchor_k + (Slopek – Y) * (nBB_k,j – nanchor,k)/1 000

Voor nBB_k,j > nanchor,k:

LASEP_k,j = Lanchor_k + (Slopek + Y) * (nBB_k,j – nanchor,k)/1 000

waarin Y = 1

3.4.   Monsters

Op verzoek van de goedkeuringsinstantie moeten twee extra ritten binnen de grensvoorwaarden overeenkomstig punt 2.3 worden uitgevoerd.

4.   INTERPRETATIE VAN DE RESULTATEN

Elke afzonderlijke geluidsmeting moet worden geëvalueerd.

Het geluidsniveau van elk gespecificeerd meetpunt mag de volgende grenswaarden niet overschrijden:

Lkj ≤ LASEP_k.j + x

waarin:

x

=

3 dB(A) voor een voertuig met niet-vergrendelbare automatische of niet vergrendelbare continu variabele transmissie

x

=

2 dB(A) + grenswaarde – Lurban van bijlage II voor alle andere voertuigen

Als het gemeten geluidsniveau op een punt de grenswaarde overschrijdt, moeten op hetzelfde punt twee aanvullende metingen worden verricht om de meetzekerheid te verifiëren. Het voertuig voldoet nog steeds aan de ASEP als het gemiddelde van de drie geldige metingen op dit specifieke punt voldoet aan de specificatie.

5.   REFERENTIEGELUIDSBEOORDELING

Het referentiegeluid wordt op één punt in één bepaalde versnelling beoordeeld, waarbij een acceleratieconditie wordt gesimuleerd met een beginsnelheid van 50 km/h en een eindsnelheid vbb van 61 km/h. De naleving van de ASEP op dit punt kan hetzij worden berekend aan de hand van de resultaten van punt 3.2.2 en de onderstaande specificatie, hetzij worden geëvalueerd door directe meting met behulp van de hieronder gespecificeerde versnelling.

5.1

Versnelling K wordt als volgt bepaald:

K

=

3 bij alle handgeschakelde transmissies en bij automatische transmissies met maximaal 5 versnellingen;

K

=

4 bij automatische transmissies met 6 of meer versnellingen.

Als er geen afzonderlijke versnellingen beschikbaar zijn, zoals bv. bij niet-vergrendelbare automatische of continuvariabele transmissies, wordt de overbrengingsverhouding voor verdere berekening bepaald aan de hand van het resultaat van de acceleratietest van bijlage II met behulp van het gerapporteerde motortoerental en de gerapporteerde voertuigsnelheid op lijn BB'.

5.2.

Bepaling van het referentiemotortoerental nref_K

Het referentiemotortoerental nref_K wordt berekend aan de hand van de overbrengingsverhouding van versnelling K bij de referentiesnelheid vref = 61 km/h.

5.3.

Berekening van Lref

Lref = Lanchor_K + SlopeK * (nref_K – nanchor_K)/1 000

Lref moet kleiner zijn dan of gelijk aan 76 dB(A).

Bij voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak met meer dan vier versnellingen vooruit en een motor met een maximaal nominaal nettovermogen van meer dan 140 kW en waarvan de verhouding maximaal nominaal nettovermogen/maximummassa meer dan 75 kW/t bedraagt, moet Lref kleiner zijn dan of gelijk aan 79 dB(A).

Bij voertuigen met een automatische versnellingsbak met meer dan vier versnellingen vooruit en een motor met een maximaal nominaal nettovermogen van meer dan 140 kW en waarvan de verhouding maximaal nominaal nettovermogen/maximummassa meer dan 75 kW/t bedraagt, moet Lref kleiner zijn dan of gelijk aan 78 dB(A).

6.   EVALUATIE VAN DE ASEP VOLGENS HET Lurban-PRINCIPE

6.1   Algemeen

Deze evaluatieprocedure is een door de fabrikant gekozen alternatief voor de in punt 3 van deze bijlage beschreven procedure en geldt voor alle voertuigtechnologieën. De fabrikant is verantwoordelijk voor het bepalen van de correcte wijze van testen. Tenzij anders is bepaald, worden alle tests en berekeningen uitgevoerd zoals aangegeven in bijlage II.

6.2.   Berekening van Lurban ASEP

Aan de hand van elke overeenkomstig deze bijlage gemeten Lwot ASEP wordt Lurban ASEP als volgt berekend:

a) bereken awot test ASEP zoals vastgelegd in punt 4.1.2.1.2.1, respectievelijk punt 4.1.2.1.2.2 van bijlage II;

b) bepaal de voertuigsnelheid (VBB ASEP) op BB tijdens de Lwot ASEP-test;

c) bereken kP ASEP als volgt:

kP ASEP = 1 – (aurban/awot test ASEP)

Testresultaten waarin awot test ASEP kleiner is dan aurban, worden buiten beschouwing gelaten;

d) bereken Lurban measured ASEP als volgt:

Lurban measured ASEP =

Lwot ASEP – kP ASEP * (Lwot ASEP – Lcrs)

Gebruik voor verdere berekening de Lurban van bijlage II zonder af te ronden, met één cijfer achter de komma (xx,x);

e) bereken Lurban normalized als volgt:

Lurban normalized = Lurban measured ASEP – Lurban

f) bereken Lurban ASEP als volgt:

Lurban measured ASEP =

Lurban normalized – (0,15 * (VBB ASEP – 50))

g) Naleving van de geluidsniveaugrenswaarden:

Lurban ASEP moet kleiner zijn dan of gelijk aan 3,0 dB.

BIJLAGE VIII

BIJLAGE VIII

BEPALINGEN BETREFFENDE HET AKOESTISCHE VOERTUIGWAARSCHUWINGSSYSTEEM (AVAS)

▼M2

DEEL I

Deze bijlage bevat bepalingen met betrekking tot het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) voor hybride elektrische en puur elektrische voertuigen.

I.1.

Onverminderd punt I.2, onder a) en b), en punt I.3, onder a) en b), zijn de bepalingen van deel II van toepassing op een AVAS dat:

a) in een vóór 1 juli 2019 goedgekeurd voertuigtype is geïnstalleerd;

b) geïnstalleerd is in een vóór 1 juli 2021 geregistreerd nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd.

I.2.

Onverminderd punt I.3, onder a) en b), zijn de bepalingen van deel III van toepassing op een AVAS dat:

a) is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor vóór 1 juli 2019 typegoedkeuring is verleend, als de fabrikant dat wenst;

b) is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd;

c) is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor na 1 juli 2019 en vóór 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend;

d) is geïnstalleerd in een vóór 1 september 2023 geregistreerd nieuw voertuig dat op het onder c) bedoelde type is gebaseerd.

I.3.

De bepalingen van deel IV zijn van toepassing op een AVAS dat:

a) is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor vóór 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend, als de fabrikant dat wenst;

b) is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd;

c) is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor op of na 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend;

d) is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder c) bedoelde type is gebaseerd;

e) is geïnstalleerd in een op of na 1 september 2023 geregistreerd nieuw voertuig.

▼M1

DEEL II

II.1.   Prestaties van het systeem

Als op een voertuig een AVAS is geïnstalleerd, moet het voldoen aan de voorschriften van de punten II.2 en II.3.

II.2.   Bedrijfsomstandigheden

a) Geluidsproductiemethode

In het minimumsnelheidsbereik van het voertuig, d.w.z. vanaf het starten tot ongeveer 20 km/h, en bij het achteruitrijden moet het AVAS automatisch een geluid produceren. Wanneer het voertuig is uitgerust met een verbrandingsmotor die binnen dat snelheidsbereik van het voertuig draait, mag het AVAS geen geluid produceren.

Bij voertuigen met een akoestisch waarschuwingssysteem voor achteruitrijden hoeft het AVAS bij het achteruitrijden geen geluid te produceren.

b) Schakelaar

Het AVAS moet worden voorzien van een voor de bestuurder gemakkelijk toegankelijke schakelaar om het systeem in of uit te kunnen schakelen. Bij het opnieuw starten van het voertuig moet het AVAS automatisch in de aan-stand terugkeren.

c) Demping

Tijdens bepaalde perioden waarin het voertuig wordt gebruikt, mag het geluidsniveau van het AVAS worden gedempt.

II.3.   Geluidstype en -volume

a) Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en andere weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag en moet lijken op het geluid van een voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust.

b) Het door het AVAS te produceren geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag, bijvoorbeeld door de automatische verandering van het geluidsniveau of de geluidskenmerken al naargelang de snelheid van het voertuig.

c) Het door het AVAS geproduceerde geluidsniveau mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden.

DEEL III

III.1.   Prestaties van het systeem

Het AVAS moet voldoen aan de voorschriften van de punten III.2 tot en met III.6.

III.2.   Bedrijfsomstandigheden

a) Geluidsproductiemethode

In het minimumsnelheidsbereik van het voertuig, d.w.z. vanaf het starten tot ongeveer 20 km/h, en bij het achteruitrijden moet het AVAS automatisch een geluid produceren. Wanneer het voertuig is uitgerust met een verbrandingsmotor die binnen dat snelheidsbereik van het voertuig draait, mag het AVAS geen geluid produceren.

Voertuigen waarvan het totale geluidsniveau, met een marge van + 3 dB(A), voldoet aan de voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138 ( 7 ), hoeven niet met een AVAS te worden uitgerust. De voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138 voor tertsbanden en die van punt 6.2.3 van VN/ECE-Reglement nr. 138 voor de frequentieverschuiving zoals gedefinieerd in punt 2.4 van datzelfde reglement („frequentieverschuiving”), zijn niet van toepassing op die voertuigen.

Bij voertuigen met een akoestisch waarschuwingssysteem voor achteruitrijden hoeft het AVAS bij het achteruitrijden geen geluid te produceren, mits dat geluid van het waarschuwingssysteem voldoet aan de voorschriften van punt 6.2, tweede alinea, en punt 6.2.2 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

Het geluid dat door het voor goedkeuring ter beschikking gestelde voertuigtype wordt geproduceerd, moet worden gemeten volgens de in bijlage 3 en in de punten 6.2.1.3 en 6.2.2.2 van VN/ECE-Reglement nr. 138 beschreven methoden.

b) Schakelaar

Het AVAS mag worden voorzien van een mechanisme waarmee de bestuurder de werking ervan kan stopzetten (een „pauzefunctie”); dat mechanisme moet voor de bestuurder gemakkelijk toegankelijk zijn om het systeem in of uit te kunnen schakelen. Wanneer een pauzefunctie aanwezig is, moet het AVAS bij het opnieuw starten van het voertuig automatisch in de aan-stand terugkeren.

Bovendien moet de pauzefunctie voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.6 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

c) Demping

Tijdens bepaalde perioden waarin het voertuig wordt gebruikt, mag het geluidsniveau van het AVAS worden gedempt. In die gevallen moet het geluidsniveau van het AVAS voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

III.3.   Geluidstype en -volume

a) Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en andere weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag, bijvoorbeeld door de automatische verandering van het geluidsniveau of de geluidskenmerken al naargelang de snelheid van het voertuig. Het geluid moet lijken op dat van een voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust.

Hiervoor gelden de volgende regels:

i) indien het AVAS-geluid wordt geproduceerd wanneer het voertuig in beweging is, moet het voldoen aan de voorschriften van de punten 6.2.1.1, 6.2.1.2, 6.2.1.3, 6.2.2.1, 6.2.2.2 en 6.2.3 van VN/ECE-Reglement nr. 138, al naargelang het geval;

ii) bij stilstand mag het voertuig een geluid produceren zoals beschreven in punt 6.2.4 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

b) De voertuigfabrikant mag de bestuurder de keuze bieden tussen verschillende geluiden die moeten voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.5 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

c) Het door het AVAS geproduceerde geluidsniveau mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden. Voorts gelden de voorschriften van punt 6.2.7 van VN/ECE-Reglement nr. 138.

d) Het totale door een voertuig geproduceerde geluidsniveau dat voldoet aan punt 2, onder a), tweede alinea, mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden.

III.4.   Voorschriften in verband met de testbaan

Tot en met 30 juni 2019 mag ISO-norm 10844:1994 als alternatief voor ISO-norm 10844:2014 worden toegepast om na te gaan of de in bijlage 3, punt 2.1.2, van VN/ECE-Reglement nr. 138 beschreven testbaan voldoet aan de voorschriften.

III.5.   Typegoedkeuringscertificaat

De voertuigfabrikant moet, als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat, alle volgende documenten verstrekken:

a) de mededeling zoals bedoeld in punt 5.3 van VN/ECE-Reglement nr. 138, volgens het model in bijlage 1 bij dat reglement;

b) de testresultaten van de AVAS-geluidsemissieniveaus, gemeten overeenkomstig dit reglement.

III.6.   Opschriften

Elk onderdeel van het AVAS moet voorzien zijn van de volgende opschriften:

a) de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant;

b) een specifiek identificatienummer.

De opschriften moeten onuitwisbaar en goed leesbaar zijn.

▼M2

DEEL IV

De bepalingen van deel III zijn van toepassing, met uitzondering van deel III, punt 2, onder b). Bovendien geldt het volgende:

Schakelaar

Elk mechanisme waarmee de bestuurder de werking van een AVAS kan stopzetten (een „pauzefunctie”), moet voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.6 van VN/ECE-Reglement nr. 138, supplement 1 op de oorspronkelijke versie van het Reglement, wijzigingenreeks 01 (PB L 204 van 5.8.2017, blz. 112).

▼B

ANNEX IX EU TYPE-APPROVAL IN RESPECT OF THE SOUND LEVEL OF SILENCING SYSTEMS AS SEPARATE TECHNICAL UNITS (REPLACEMENT SILENCING SYSTEMS)




ANNEX IX

EU TYPE-APPROVAL IN RESPECT OF THE SOUND LEVEL OF SILENCING SYSTEMS AS SEPARATE TECHNICAL UNITS (REPLACEMENT SILENCING SYSTEMS)

1.   APPLICATION FOR EU TYPE-APPROVAL

1.1.

The application of EU type-approval pursuant to Article 7(1) and (2) of Directive 2007/46/EC in respect of a replacement silencing system, or components thereof, as a separate technical unit intended for vehicles of categories M1 and N1 shall be submitted by the vehicle manufacturer or the manufacturer of the separate technical unit in question.

1.2.

A model for the information document is contained in Appendix 1.

1.3.

At the request of the technical service concerned, the applicant shall submit:

1.3.1

two examples of the system in respect of which application for EU type-approval has been made,

1.3.2.

a silencing system of the type originally fitted to the vehicle when EU type-approval was granted,

1.3.3.

a vehicle representative of the type to which the system is to be fitted, which meets the requirements of point 2.1 of Annex VI,

1.3.4.

a separate engine corresponding to the type of vehicle described.

2.   MARKINGS

2.4.1.

The replacement silencing system, or components thereof, excluding fixing hardware and pipes shall bear:

2.4.1.1.

the trade mark or trade name of the manufacturer of the replacement silencing system and its components,

2.4.1.2.

the manufacturer's trade description.

2.4.2.

These marks shall be clearly legible and indelible, even when the system is fitted to the vehicle.

3.   GRANTING OF EU TYPE-APPROVAL

3.1.

If the relevant requirements are satisfied, EU type-approval pursuant to Article 9(3) and, if applicable, Article 10(4) of Directive 2007/46/EC shall be granted.

3.2.

A model for the EU type-approval certificate is contained in Appendix 2.

3.3.

A type-approval number in accordance with Annex VII to Directive 2007/46/EC shall be assigned to each type of replacement silencing system, or components thereof, approved as a separate technical unit; section 3 of the type-approval number shall indicate the number of this Regulation. Furthermore, if the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 1 in Annex III only, section 3 of the type-approval number shall be followed by the character ‘A’. If the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 2 in Annex III only, section 3 of the type- approval number shall be followed by the character ‘B’. If the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 3 in Annex III, section 3 of the type- approval number shall be followed by the character ‘C’. The same Member State shall not assign the same number to another type of replacement silencing system, or components thereof.

4.   EU TYPE-APPROVAL MARK

4.1.

Every replacement silencing system, or components thereof, excluding fixing hardware and pipes, conforming to a type approved under this Regulation shall bear an EU type-approval mark.

4.2.

The EU type-approval mark shall consist of a rectangle surrounding the lower case letter ‘e’ followed by the distinguishing letter(s) or number of the Member State which has granted the approval:

‘1’ for Germany
‘2’ for France
‘3’ for Italy
‘4’ for the Netherlands
‘5’ for Sweden
‘6’ for Belgium
‘7’ for Hungary
‘8’ for the Czech Republic
‘9’ for Spain
‘11’ for the United Kingdom
‘12’ for Austria
‘13’ for Luxembourg
‘17’ for Finland
‘18’ for Denmark
‘19’ for Romania
‘20’ for Poland
‘21’ for Portugal
‘23’ for Greece
‘24’ for Ireland
‘25’ for Croatia
‘26’ for Slovenia
‘27’ for Slovakia
‘29’ for Estonia
‘32’ for Latvia
‘34’ for Bulgaria
‘36’ for Lithuania
‘49’ for Cyprus
‘50’ for Malta

It shall also include in the vicinity of the rectangle the ‘base approval number’ contained in section 4 of the type-approval number referred to in Annex VII to Directive 2007/46/EC, preceded by the two figures indicating the sequence number assigned to the most recent major technical amendment to this Regulation which was applicable at the time of the vehicle type-approval. For this Regulation in its original form, the sequence number is 00. Furthermore, that sequence number shall be preceded by the character ‘A’ if the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 1 in Annex III only, or the character ‘B’ if the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 2 in Annex III only, or the character ‘C’ if the replacement silencing system is intended to be fitted on vehicle types complying with the limit values of Phase 3 in Annex III.

4.3.

The mark shall be clearly legible and indelible even when the replacement silencing system, or components thereof, is fitted to the vehicle.

4.4.

A model for the EU type-approval mark is contained in Appendix 3.

5.   SPECIFICATIONS

5.1.   General specifications

5.1.1.

The replacement silencing system, or components thereof, shall be designed, constructed and capable of being mounted so as to ensure that the vehicle complies with this Regulation under normal conditions of use, notwithstanding any vibrations to which it may be subject.

5.1.2.

The silencing system, or components thereof, shall be designed, constructed and capable of being mounted so that reasonable resistance to the corrosion phenomenon to which it is exposed is obtained having regard to the conditions of use of the vehicle.

5.1.3.

Additional prescriptions related to tamperability and manually adjustable multi-mode exhaust or silencing systems

5.1.3.1.

All exhaust or silencing systems shall be constructed in a way that does not easily permit removal of baffles, exit-cones and other parts whose primary function is as part of the silencing/expansion chambers. Where incorporation of such a part is unavoidable, its method of attachment shall be such that removal is not facilitated easily (e.g. with conventional threaded fixings) and shall also be attached such that removal causes permanent/irrecoverable damage to the assembly.

5.1.3.2.

Exhaust or silencing systems with multiple, manually adjustable operating modes shall meet all requirements in all operating modes. The reported sound levels shall be those resulting from the mode with the highest sound levels.

5.2.   Specifications regarding sound levels

5.2.1.   Conditions of measurement

5.2.1.1.

The noise test of the silencing system and the replacement silencing system has to be executed with the same normal tyres, as defined in paragraph 2 of UNECE Regulation No 117. At the request of the manufacturer, the tests shall not be done with traction tyres, special use tyres or snow tyres, as defined in paragraph 2 of UNECE Regulation No 117. Such tyres could increase the sound level of the vehicle or would have a masking effect on the noise reduction performance comparison. The tyres may be of used condition but shall satisfy legal requirements for in-traffic use.

5.2.2.

The noise reduction performance of the replacement silencing system, or components thereof, shall be verified by means of the methods described in point 1 of Annex II. In particular, for the application of this point, reference shall be made to the amendment level of this Regulation which was in force at the time of type-approval of the new vehicle.

(a) 

Measurement with running vehicle

When the replacement silencing system, or components thereof, is mounted on the vehicle described in point 1.3.3, the sound levels obtained shall satisfy one of the following conditions:

(i) 

the value measured (rounded to the nearest integer) shall not exceed by more than 1 dB(A) the type-approval value obtained under this Regulation with the type of vehicle concerned;

(ii) 

the value measured (before any rounding to the nearest integer) shall not exceed by more than 1 dB(A) the noise value measured (before any rounding to the nearest integer) on the vehicle described in point 1.3.3., when this is fitted with a silencing system corresponding to the type fitted to the vehicle when submitted for type-approval under this Regulation.

Where back-to-back comparison of the replacement silencing system with the original system is chosen, for the application of point 4.1.2.1.4.2 and/or point 4.1.2.2.1.2 of Annex II, it is allowed to have a gear change to higher accelerations and the use of electronic or mechanical devices to prevent this downshift is not mandatory. If under these conditions the sound level of the test vehicle becomes higher than the COP values, the technical service will decide on the representativeness of the test vehicle.

(b) 

Measurement with stationary vehicle

When the replacement silencing system, or components thereof, is mounted on the vehicle described in point 1.3.3, the sound levels obtained shall satisfy one of the following conditions:

(i) 

the value measured (rounded to the nearest integer) shall not exceed by more than 2 dB(A) the type-approval value obtained under this Regulation with the type of vehicle concerned;

(ii) 

the value measured (before any rounding to the nearest integer) shall not exceed by more than 2 dB(A) the noise value measured (before any rounding to the nearest integer) on the vehicle described in point 1.3.3, when this is fitted with a silencing system corresponding to the type fitted to the vehicle when submitted for type-approval under this Regulation.

5.2.3.

Further to the requirements of Annex II, any replacement silencing system, or components thereof, has to fulfil the applicable specifications of Annex VII. For replacement silencing systems intended for vehicles type approved in accordance with Directive 70/157/EEC the requirements of Annex VII as well as the specifications of points 5.2.3.1 to 5.2.3.3 of this Annex do not apply.

5.2.3.1.

Where the replacement silencing system, or components thereof, is a system or components with variable geometry, in the application for type-approval the manufacturer shall provide a statement in conformity with the Appendix to Annex VII that the silencing system type to be approved complies with the requirements of point 5.2.3 of this Annex. The approval authority may require any relevant test to verify the compliance of the silencing system type to the additional sound emission provisions.

5.2.3.2.

Where the replacement silencing system, or components thereof, is not a system with variable geometry, it is sufficient in the application for type-approval that the manufacturer provides a statement in conformity with the Appendix to Annex VII that the silencing system type to be approved complies with the requirements of point 5.2.3 of this Annex.

5.2.3.3.

The compliance statement shall read as follows: ‘(Name of the manufacturer) attests that the silencing system of this type complies with the requirements of point 5.2.3 of Annex IX to Regulation (EU) No 540/2014. (Name of the manufacturer) makes this statement in good faith, after having performed an appropriate engineering evaluation of the sound emission performance over the applicable range of operating conditions.’

5.3.   Measurement of the vehicle performances

5.3.1.

The replacement silencing system, or components thereof, shall be such as to ensure that vehicle performance is comparable with that achieved with the original equipment silencing system or components thereof.

5.3.2.

The replacement silencing system or, depending on the manufacturer's choice, the components of that system shall be compared with an original silencing system, or components thereof, which are also in new condition, successively mounted on the vehicle mentioned in point 1.3.3.

5.3.3.

The verification shall be carried out by measuring the back pressure pursuant to point 5.3.4.

The value measured with the replacement silencing system shall not exceed the value measured with the original silencing system by more than 25 % under the conditions mentioned below.

5.3.4.

Test method

5.3.4.1.   Test method with engine

The measurements shall be conducted on the engine referred to in point 1.3.4 coupled to a dynamometer. With the throttle completely open, the bench shall be adjusted so as to obtain the engine speed (S) corresponding to the rated maximum power of the engine.

For the measurement of back pressure, the distance at which the pressure tap shall be placed from the exhaust manifold is indicated in Appendix 5.

5.3.4.2.   Test method with vehicle

The measurements shall be carried out on the vehicle referred to point 1.3.3. The test shall be conducted either on the road or on a roller dynamometer.

With the throttle completely open, the engine shall be loaded so as to obtain the engine speed corresponding to the rated maximum power of the engine (engine speed S).

For the measurement of back pressure, the distance at which the pressure tap shall be placed from the exhaust manifold is indicated in Appendix 5.

5.4.   Additional specifications regarding replacement silencing systems, or components thereof, containing acoustically absorbing fibrous materials

5.4.1.   General

Sound absorbing fibrous materials may only be used in silencing systems, or components thereof, where any of the following conditions are fulfilled:

(a) 

the exhaust gas is not in contact with the fibrous materials;

(b) 

the silencing system, or the components thereof, are of the same design family as systems, or components thereof, for which it has been proven, in the course of the type-approval process in accordance with the requirements of this Regulation, that they are not subject to deterioration.

Unless one of those conditions is fulfilled, the complete silencing system, or components thereof, shall be submitted to conventional conditioning using one of the three installations and procedures described below.

For the purposes of point (b) of the first subparagraph, a group of silencing system or silencing system components thereof shall be considered as being of the same design family when all of the following characteristics are the same:

(a) 

the presence of net gas flow of the exhaust gases through the absorbing fibrous material when in contact with that material;

(b) 

the type of the fibres;

(c) 

where applicable, binder material specifications;

(d) 

average fibre dimensions;

(e) 

minimum bulk material packing density in kg/m3;

(f) 

maximum contact surface between the gas flow and the absorbing material;

5.4.1.1.   Continuous road operation for 10 000 km

5.4.1.1.1.

50 ± 20 % of this operation shall consist of urban driving and the remaining operation shall be long-distance runs at high speed; continuous road operation may be replaced by a corresponding test-track programme.

The two speed regimes shall be alternated at least twice.

The complete test program shall include a minimum of 10 breaks of at least three-hour duration in order to reproduce the effects of cooling and any condensation which may occur.

5.4.1.2.   Conditioning on a test bench

5.4.1.2.1.

Using standard parts and observing the manufacturer's instructions, the silencing system, or components thereof, shall be fitted to the vehicle referred to in point 1.3.3 or the engine referred to in point 1.3.4. In the first case the vehicle shall be mounted on a roller dynamometer. In the second case, the engine shall be coupled to a dynamometer.

5.4.1.2.2.

The test shall be conducted in six six-hour periods with a break of at least 12 hours between each period in order to reproduce the effects of cooling and any condensation which may occur.

5.4.1.2.3.

During each six-hour period, the engine shall be run under the following conditions in turn:

(a) 

five minutes at idling speed;

(b) 

one-hour sequence under 1/4 load at 3/4 of rated maximum speed (S);

(c) 

one-hour sequence under 1/2 load at 3/4 of rated maximum speed (S);

(d) 

10-minute sequence under full load at 3/4 of rated maximum speed (S);

(e) 

15-minute sequence under 1/2 load at rated maximum speed (S);

(f) 

30-minute sequence under 1/4 load at rated maximum speed (S).

Each period shall comprise two sequenced sets of those conditions in consecutive order from (a) to (f).

5.4.1.2.4.

During the test, the silencing system, or components thereof, shall not be cooled by a forced draught simulation normal airflow around the vehicle.

Nevertheless, at the request of the manufacturer, the silencing system, or components thereof, may be cooled in order not to exceed the temperature recorded at its inlet when the vehicle is running at maximum speed.

5.4.1.3.   Conditioning by pulsation

5.4.1.3.1.

The silencing system, or components thereof, shall be fitted to the vehicle referred to in point 1.3.3 or to the engine referred to in point 1.3.4. In the first case, the vehicle shall be mounted on a roller dynamometer, and, in the second case, the engine shall be mounted on a dynamometer.

5.4.1.3.2.

The test apparatus, a detailed diagram of which is shown in Figure 1 of the Appendix to Annex IV shall be fitted at the outlet of the silencing system. Any other apparatus providing equivalent results is acceptable.

5.4.1.3.3.

The test apparatus shall be adjusted in such a way that the exhaust gas flow is alternately interrupted and re-established by the quick action valve for 2 500 cycles.

5.4.1.3.4.

The valve shall open when the exhaust gas back pressure, measured at least 100 mm downstream of the intake flange, reaches a value of between 35 and 40 kPa. It shall close when this pressure does not differ by more than 10 % from its stabilized value with the valve opened.

5.4.1.3.5.

The time-delay switch shall be set for the duration of gas exhaust resulting from the provisions laid down in point 5.4.1.3.4.

5.4.1.3.6.

Engine speed shall be 75 % of the speed (S) at which the engine develops maximum power.

5.4.1.3.7.

The power indicated by the dynamometer shall be 50 % of the full-throttle power measured at 75 % of engine speed (S).

5.4.1.3.8.

Any drain holes shall be closed off during the test.

5.4.1.3.9.

The entire test shall be completed within 48 hours. If necessary, one cooling period will be observed after each hour.

5.4.1.3.10.

After conditioning, the sound level is checked pursuant to point 5.2.

6.   EXTENSION OF EU TYPE-APPROVAL

The silencing system manufacturer or his representative may ask the administrative department which has granted the EU type-approval of the silencing system for one or several types of vehicles, for an extension of the approval to other types of vehicles.

The procedure is that set out in point 1. Notice of the extension of the EU type-approval (or refusal of extension) shall be communicated to the Member States in accordance with the procedure specified in Directive 2007/46/EC.

7.   MODIFICATION OF THE TYPE OF SILENCING SYSTEM

In the case of modifications of the type approved pursuant to this Regulation, Articles 13 to 16 and Article 17(4) of Directive 2007/46/EC shall apply.

8.   COP

8.1.

Measures to ensure the conformity of production shall be taken in accordance with the requirements laid down in Article 12 of Directive 2007/46/EC.

8.2.

Special provisions:

8.2.1.

The tests referred to point 2.3.5 of Annex X to Directive 2007/46/EC are those prescribed in Annex XI to this Regulation.

8.2.2.

The frequency of inspections referred to in point 3 of Annex X to Directive 2007/46/EC is normally once every two years.

9.   INFORMATION INTENDED FOR USERS AND TECHNICAL INSPECTION

9.1.

Each replacement silencing system shall be accompanied by a paper document issued by the manufacturer of the replacement silencing system or his representative. That paper document shall at least bear the following information:

(a) 

EU type-approval number of the replacement silencing system (the 5th section indicating the number of the extension of the type-approval can be omitted);

(b) 

EU type-approval mark;

(c) 

make (trade name of manufacturer);

(d) 

type and commercial description and/or part number;

(e) 

company name and address of manufacturer;

(f) 

name and address of the manufacturer's representative (if any);

(g) 

data of the vehicles for which the replacement silencing system is intended:

(i) 

make,

(ii) 

type,

(iii) 

type-approval number,

(iv) 

engine code,

(v) 

maximum engine power

(vi) 

kind of transmission

(vii) 

any restriction concerning the vehicles where the system can be mounted

(viii) 

sound level for the vehicle in motion in dB(A) and stationary sound level in dB(A) at min–1 (if deviating to the values of the vehicle type-approval);

(h) 

mounting instructions.

9.2.

If the paper document referred to in point 9.1 consists of more than of sheet of paper all sheets shall bear at least a reference to the EU type-approval number.

9.3.

The information concerning point 9.1(g) and (h) may be provided on the website of the manufacturer if the website address is indicated on the paper document.




Appendix 1

Information document No … relating to EU type-approval as separate technical unit of replacement silencing systems for motor vehicles (Regulation (EU) No 540/2014)

The following information, if applicable, shall be supplied in triplicate and include a list of contents. Any drawings shall be supplied in appropriate scale and in sufficient detail on size A4 or on a folder of A4 format. Photographs, if any, shall show sufficient detail.

If the systems, components or separate technical units have electronic controls, information concerning their performance shall be supplied.

0.   General

0.1. Make (trade name of manufacturer):

0.2. Type and general commercial description(s):

0.3 Means of identification of type, if marked on the separate technical unit ( 8 ):

0.3.1. Location of that marking:

0.5. Company name and address of manufacturer:

0.7. In the case of components and separate technical units, location and method of affixing of the EU type-approval mark:

0.8. Address(es) of assembly plant(s):

0.9. Name and address of the manufacturer's representative (if any):

1.   Description of the vehicle for which the device is intended (if the device is intended to be fitted to more than one vehicle type, the information requested under this point shall be supplied for each type concerned)

1.1. Make (trade name of manufacturer):

1.2. Type and general commercial description(s):

1.3. Means of identification of type, if marked on the vehicle:

1.4. Category of vehicle:

1.5. EU whole-vehicle type-approval number:

1.6 Power plant:

1.6.1. Manufacturer of the engine:

1.6.2. Manufacturer's engine code:

1.6.3. Maximum net power (g): … kW at … min–1 or maximum continuous rated power (electric motor): … kW

1.6.4. Pressure charger(s): original part or make and marking ( 9 ):

1.6.5. Air filter: original part or make and marking (9) :

1.6.6. Intake silencer(s): original part or make and marking (9) :

1.6.7. Exhaust silencer(s)): original part or make and marking (9) :

1.6.8. Catalyst: original part or make and marking (9) :

1.6.9. Particulate Trap(s): original part or make and marking (9) :

1.7. Transmission

1.7.1. Type (mechanical, hydraulic, electric, etc.):

1.8. Non-engine devices designed to reduce noise: original part or description (9) :

1.9. Sound-level values:

moving vehicle: … dB(A), speed stabilised before acceleration at … km/h;
stationary vehicle dB(A), at … min–1

1.10. Value of the back pressure: … Pa

1.11. Any restrictions in respect of use and mounting requirements:

2.

Remarks:

3.

Description of the device

3.1. A description of the replacement silencing system indicating the relative position of each system component, together with mounting instructions

3.2. Detailed drawings of each component, so that they can be easily located and identified, and reference to the materials used. These drawings shall indicate the place provided for the compulsory affixing of the EU type-approval mark

Date:

Signed:

Position in company:




Appendix 2

MODEL

EU type-approval certificate

(Maximum Format: A4 (210 × 297 mm))

Stamp of approval authority

Communication concerning the

— 
type-approval ( 10 )
— 
extension of type-approval (10) 
— 
refusal of type-approval (10) 
— 
withdrawal of type-approval (10) 

of a type of a separate technical unit of silencing systems with regard to Regulation (EU) No 540/2014

Type-approval number:

Reason for extension:

SECTION 1

0.1. Make (trade name of manufacturer):

0.2. Type and general commercial description(s):

0.3. Means of identification of type if marked on the separate technical unit ( 11 ):

0.3.1. Location of that marking:

0.4. Category of vehicle ( 12 ):

0.5. Company name and address of manufacturer:

0.7. In the case of components and separate technical units, location and method of affixing of the EU type-approval mark:

0.8. Address(es) of assembly plant(s):

0.9. Name and address of the manufacturer's representative (if any):

SECTION II

1. Additional information (where applicable): See Addendum

2. Technical service responsible for carrying out the tests:

3. Date of test report:

4. Number of test report:

5. Remarks (if any): See Addendum

6. Place:

7. Date:

8. Signature:

9. The index to the information package lodged with the approval authority, which may be obtained on request, is attached.



Attachments:

Information package

 

Test report




Addendum

to EU type-approval certificate No …

1.   Additional information

1.1. Description of the vehicle for which the device is intended (if the device is intended to be fitted to more than one vehicle type, the information requested under this point shall be supplied for each type concerned)

1.1.1. Make (trade name of manufacturer):

1.1.2. Type and general commercial description(s):

1.1.3. Means of identification of type, if marked on the vehicle:

1.1.4. Category of vehicle:

1.1.5. EU whole vehicle type-approval number:

1.2. Power plant:

1.2.1. Manufacturer of the engine:

1.2.2. Manufacturer's engine code:

1.2.3. Maximum net power (g): … kW at … min–1 or maximum continuous rated power (electric motor) … kW

2.   Test results

2.1. Sound level of moving vehicle: … dB(A)

2.2. Sound level of stationary vehicle: … dB(A) at … min–1

2.3. Value of the back pressure: … Pa

3.

Remarks:




Appendix 3

Model for the EU type-approval mark

image

The silencing system, or components thereof, bearing the above EU type-approval mark is a device which has been approved in Spain (e 9) pursuant to Regulation (EU) No 540/2014 under the base approval number 0148, complying with the limit values of Phase 2 in Annex III to that Regulation.

The figures used are only indicative.




Appendix 4

Test apparatus

image
1 

Inlet flange or sleeve — connection to the rear of complete silencing system to be tested.

2 

Regulation valve (hand operated).

3 

Compensating reservoir from 35 to 40 l.

4 

Pressure switch 5 kPa to 250 kPa — to open item 7.

5 

Time delay switch — to close item 7.

6 

Counter of impulses.

7 

Quick response valve — such as the valve of an exhaust brake system of 60 mm in diameter, operated by a pneumatic cylinder with an output of 120 N at 400 kPa. The response time, both when opening and closing, shall not exceed 0,5 s.

8 

Exhaust gas evacuation.

9 

Flexible pipe.

10 

Pressure gauge.

▼C1




Appendix 5

Measuring points — back pressure

Examples of possible measuring points for loss-of-pressure tests. The exact measuring point shall be specified in the test report. It shall be in an area where gas flow is regular.

1.   Figure 1

Single pipe

image

2.   Figure 2

Partly twin pipe 1

image

1 If not possible, refer to figure 3.

3.   Figure 3

Twin pipe

image

2 Two measuring points, one reading.

▼B

BIJLAGE X CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE BIJ EEN VERVANGENDE GELUIDSDEMPINGSSYSTEEM ALS APARTE TECHNISCHE EENHEID

BIJLAGE X

CONTROLE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE BIJ EEN VERVANGENDE GELUIDSDEMPINGSSYSTEEM ALS APARTE TECHNISCHE EENHEID

1.   ALGEMEEN

Deze voorschriften stemmen overeen met de test die overeenkomstig punt 8 van bijlage IX moet worden uitgevoerd om de conformiteit van de productie te controleren.

2.   TESTS EN PROCEDURES

De testmethoden, de meetinstrumenten en de wijze waarop de resultaten moeten worden geïnterpreteerd, zijn beschreven in punt 5 van bijlage IX. Het te testen vervangende geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan moet aan de in de punten 5.2, 5.3 en 5.4 van bijlage IX beschreven tests worden onderworpen.

3.   BEMONSTERING EN EVALUATIE VAN DE RESULTATEN

3.1.

Eén geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan wordt geselecteerd en aan de tests van punt 2 onderworpen. Indien de testresultaten voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage IX, wordt het type geluidsdempingssysteem of onderdeel ervan geacht aan die voorschriften te voldoen.

3.2.

Indien een van de testresultaten niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage IX, worden nog twee geluidsdempingssystemen of onderdelen daarvan van hetzelfde type getest overeenkomstig punt 2 bij deze bijlage.

3.3.

Indien de testresultaten voor het tweede en het derde geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan voldoen aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage IX, wordt het type geluidsdempingssysteem of onderdeel ervan geacht aan die voorschriften te voldoen.

3.4.

Indien een van de testresultaten van het tweede of derde geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan niet voldoet aan de productieconformiteitsvoorschriften van punt 8.1 van bijlage IX, wordt het type geluidsdempingssysteem of onderdelen daarvan geacht niet te voldoen aan de voorschriften van deze verordening en moet de fabrikant de nodige maatregelen nemen om de conformiteit te herstellen.

ANNEX XI AMENDMENTS TO DIRECTIVE 2007/46/EC




ANNEX XI

AMENDMENTS TO DIRECTIVE 2007/46/EC

Directive 2007/46/EC is hereby amended as follows:

Part A

1. Annex IV shall be amended as follows:

(a) 

the following row shall be inserted in the table in Part I:



Item

Subject

Regulatory act

Applicability

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

X

X

X

X

X

X’

 

 

 

 

(b) 

the following row shall be inserted in Table 1 of Appendix 1 of Part I:



Item

Subject

Regulatory act

Specific issues

Applicability and specific requirements

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

 

A’

(c) 

the following row shall be inserted in Table 2 of Appendix 1 of Part I:



Item

Subject

Regulatory act

Specific issues

Applicability and specific requirements

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

 

A’

2. In Annex VI, the following row shall be inserted in the table in the Appendix to Model A:



Item

Subject

Regulatory act reference

As amended by

Applicable to versions

‘1A

Sound Level

Regulation (EU) No 540/2014’

 

 

3. Annex XI shall be amended as follows:

(a) 

in Appendix 1, the following row shall be inserted in the table:



Item

Subject

Regulatory act reference

M1 ≤ 2 500 (1) kg

M1 > 2 500 (1) kg

M2

M3

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

H

G+H

G+H

G+H’

(b) 

in Appendix 2, the following row shall be inserted in the table:



Item

Subject

Regulatory act reference

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

X

X

X

X

X

X’

 

 

 

 

(c) 

in Appendix 3, the following row shall be inserted in the table:



Item

Subject

Regulatory act reference

M1

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

X’

(d) 

in Appendix 4, the following row shall be inserted in the table:



Item

Subject

Regulatory act reference

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

 

H

H

H

H

H’

 

 

 

 

(e) 

in Appendix 5, the following row shall be inserted in the table:



Item

Subject

Regulatory act reference

Mobile crane of category N 3

‘1A

Sound level

Regulation (EU) No 540/2014

T’

Part B

1. Annex IV shall be amended as follows:

(a) 

Item 1 in the table in Part I shall be deleted;

(b) 

Item 1 in Table 1 of Appendix 1 to Part I shall be deleted;

(c) 

Item 1 in Table 2 of Appendix 1 to Part I shall be deleted;

(d) 

Item 1 of the table in Part II shall be deleted.

2. In Annex VI, in the table in the Appendix to Model A, Item 1 shall be deleted.

3. Annex XI shall be amended as follows:

(a) 

Item 1 in the table in Appendix 1 shall be deleted;

(b) 

Item 1 in the table in Appendix 2 shall be deleted;

(c) 

Item 1 in the table in Appendix 3 shall be deleted;

(d) 

Item 1 in the table in Appendix 4 shall be deleted;

(e) 

Item 1 in the table in Appendix 5 shall be deleted.

ANNEX XII CORRELATION TABLE




ANNEX XII

CORRELATION TABLE



Directive 70/157/EEC

This Regulation

Article 1

—

Article 2

Article 4(1) and (2)

Article 2a

Article 4(3) and (4)

Article 3

—

Article 4

—

Article 5

—

Annex I, point 1

Annex I, point 1

Annex I, point 3

Annex I, point 2

Annex I, point 4

Annex I, point 3

Annex I, point 5

Annex I, point 4

Annex I, point 6

Annex I, point 5

Annex I, Appendix 1

Annex I, Appendix 1

Annex I, Appendix 2

Annex I, Appendix 2

Annex I, point 2

Annex III

Annex II, points 1, 2, 3 and 4

Annex IX, points 1, 2, 3 and 4

Annex II, points 5 and 6

Annex IX, points 7 and 8

Annex II, Appendix 1

Annex IX, Appendix 1

Annex II, Appendix 2

Annex IX, Appendix 2

Annex II, Appendix 3

Annex IX, Appendix 3

Annex III

—

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis