+RICHTLIJN (EU) 2015/2193 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Toepassingsgebied
------+Artikel 2 1
------+Artikel 2 2
------+Artikel 2 3
------+Artikel 2 4
---+Artikel 3 Definities
------+Article 3 (1)
------+Article 3 (2)
------+Article 3 (3)
------+Article 3 (4)
------+Article 3 (5)
------+Article 3 (6)
------+Article 3 (7)
------+Article 3 (8)
------+Article 3 (9)
------+Article 3 (10)
------+Article 3 (11)
------+Article 3 (12)
------+Article 3 (13)
------+Article 3 (14)
------+Article 3 (15)
------+Article 3 (16)
------+Article 3 (17)
------+Article 3 (18)
------+Article 3 (19)
------+Article 3 (20)
------+Article 3 (21)
------+Article 3 (22)
------+Article 3 (23)
------+Article 3 (24)
---+Artikel 4 Samentelling
------+Artikel 4 —
------+Artikel 4 —
---+Artikel 5 Vergunning en registratie
------+Artikel 5 1
------+Artikel 5 2
------+Artikel 5 3
------+Artikel 5 4
------+Artikel 5 5
------+Artikel 5 6
------+Artikel 5 7
------+Artikel 5 8
---+Artikel 6 Emissiegrenswaarden
------+Artikel 6 1
------+Artikel 6 2
------+Artikel 6 3
------+Artikel 6 4
------+Artikel 6 5
------+Artikel 6 6
------+Artikel 6 7
------+Artikel 6 8
------+Artikel 6 9
------+Artikel 6 10
------+Artikel 6 11
------+Artikel 6 12
------+Artikel 6 13
---+Artikel 7 Verplichtingen van de exploitant
------+Artikel 7 1
------+Artikel 7 2
------+Artikel 7 3
------+Artikel 7 4
------+Artikel 7 5
------+Artikel 7 6
------+Artikel 7 7
------+Artikel 7 8
------+Artikel 7 9
---+Artikel 8 Nalevingscontrole
------+Artikel 8 1
------+Artikel 8 2
------+Artikel 8 3
---+Artikel 9 Veranderingen aan middelgrote stookinstallaties
---+Artikel 10 Bevoegde instanties
---+Artikel 11 Verslaglegging
------+Artikel 11 1
------+Artikel 11 2
------+Artikel 11 3
------+Artikel 11 4
------+Artikel 11 5
---+Artikel 12 Toetsing
------+Artikel 12 1
------+Artikel 12 2
------+Artikel 12 3
---+Artikel 13 Wijziging van de bijlagen
---+Artikel 14 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 14 1
------+Artikel 14 2
------+Artikel 14 3
------+Artikel 14 4
------+Artikel 14 5
---+Artikel 15 Comitéprocedure
------+Artikel 15 1
------+Artikel 15 2
------+Artikel 15 3
---+Artikel 16 Sancties
---+Artikel 17 Omzetting
------+Artikel 17 1
------+Artikel 17 2
---+Artikel 18 Inwerkingtreding
---+Artikel 19 Adressaten
---+BIJLAGE I
------+1. Nominaal thermisch ingangsvermogen (MW) van de middelgrote stookinstallatie.
------+2. Type middelgrote stookinstallatie (dieselmotor, gasturbine, dual-fuelmotor, andere motor, andere …
------+3. Type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde …
------+4. De begindatum van de exploitatie van de middelgrote stookinstallatie of, indien de exacte …
------+5. Sector waarin de middelgrote stookinstallatie werkt of de inrichting waarin zij wordt gebruikt …
------+6. Het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de middelgrote stookinstallatie en de …
------+7. Ingeval gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling op grond van artikel 6, lid 3, of artikel 6 …
------+8. De naam en de statutaire zetel van de exploitant en, in geval van vaste middelgrote …
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
------+1. Periodieke metingen moeten ten minste worden verricht: — om de drie jaar voor middelgrote …
------+2. Als alternatief voor de in punt 1 vermelde frequenties mogen er voor middelgrote …
------+3. Er hoeven alleen metingen worden verricht voor: a) verontreinigende stoffen waarvoor een …
------+4. De eerste metingen worden verricht binnen vier maanden na de vergunningverlening voor of de …
------+5. Als alternatief voor de in punt 1, punt 2 en punt 3, onder a), bedoelde metingen, kunnen, wat …
------+6. Als alternatief voor de in punt 1 bedoelde periodieke metingen mogen lidstaten continue metingen …
------+7. Steekproeven en analyses van verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters alsmede …
------+1. In het geval van periodieke metingen worden de in artikel 6 bedoelde emissiegrenswaarden geacht …
------+2. In het geval van continue metingen wordt de naleving van de in artikel 6 bedoelde …
------+3. Voor de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten gedurende …
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN (EU) 2015/2193 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN (EU) 2015/2193 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2015

inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) (het actieprogramma) wordt onderkend dat emissies van verontreinigende stoffen in de lucht in de afgelopen decennia aanzienlijk zijn verminderd, maar dat tegelijkertijd het niveau van luchtverontreiniging op veel plaatsen in Europa nog steeds problematisch hoog is en dat de burgers van de Unie nog steeds zijn blootgesteld aan luchtverontreinigende stoffen die hun gezondheid en welzijn kunnen aantasten. Volgens het actieprogramma hebben ecosystemen nog steeds te lijden onder overmatige afzetting van stikstof en zwavel ten gevolge van emissies door vervoer, niet-duurzame landbouwpraktijken en elektriciteitsproductie. De luchtvervuiling ligt op veel plaatsen in de Unie nog steeds boven de grenswaarden die de Unie heeft vastgesteld, en de normen van de Unie voor luchtkwaliteit voldoen nog steeds niet aan de doelstellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie.

(2)

Om een gezonde omgeving voor iedereen te bewerkstelligen roept het actieprogramma op tot lokale maatregelen, die moeten worden aangevuld met adequaat beleid op zowel nationaal als Unie-niveau. Dit betekent met name dat er meer inspanningen moeten worden ondernomen om volledige naleving van de Uniewetgeving inzake luchtkwaliteit te bewerkstelligen en dat er strategische doelstellingen en maatregelen na 2020 moeten worden vastgesteld.

(3)

Uit wetenschappelijke beoordelingen blijkt dat luchtverontreiniging de gemiddelde levensverwachting van de EU-burgers met acht maanden inkort.

(4)

Voor de emissies van verontreinigende stoffen door het stoken van brandstof in middelgrote stookinstallaties is er geen algemene regelgeving op Unieniveau, hoewel deze emissies in steeds grotere mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, met name omdat het klimaat- en energiebeleid aanzet tot een steeds groter gebruik van biomassa als brandstof.

(5)

Het stoken van brandstof in bepaalde kleine stookinstallaties en apparaten wordt geregeld bij uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad (5). Er zijn dringend verdere maatregelen nodig in het kader van Richtlijn 2009/125/EG om de resterende lacune in de regelgeving te dichten. Het stoken van brandstof in grote stookinstallaties valt vanaf 7 januari 2013 onder Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), terwijl Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) tot 31 december 2015 van toepassing blijft op grote stookinstallaties die onder artikel 30, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU vallen.

(6)

De Commissie heeft in haar verslag aan het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2013 over de uitgevoerde evaluaties op grond van artikel 30, lid 9, en artikel 73 van Richtlijn 2010/75/EU over industriële emissies, betreffende de emissies uit de intensieve veehouderij en stookinstallaties, geconcludeerd dat, wat betreft het stoken van brandstof in middelgrote stookinstallaties, er een duidelijk potentieel voor een kosteneffectieve vermindering van de emissies in de lucht is aangetoond.

(7)

De internationale verplichtingen van de Unie inzake luchtverontreiniging met het oog op het verminderen van verzuring, eutrofiëring, ozon op leefniveau en emissies van stofdeeltjes, zijn verankerd in het Protocol van Göteborg bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, dat in 2012 werd gewijzigd om de bestaande verbintenissen inzake het verminderen van de emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden, ammoniak en vluchtige organische stoffen te versterken en nieuwe verbintenissen inzake het verminderen van de emissie van stofdeeltjes (PM 2,5) op te nemen, waaraan vanaf 2020 voldaan moet worden.

(8)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 18 december 2013 over het programma „Schone lucht voor Europa” wordt gepleit voor maatregelen om emissies van luchtverontreinigende stoffen door middelgrote stookinstallaties te verminderen, waarmee het regelgevingskader voor de sector stookinstallaties voltooid wordt. Het programma „Schone lucht voor Europa” vervolledigt de agenda 2020 inzake het verminderen van verontreiniging, die is vastgesteld in de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 21 september 2005 getiteld „Thematische strategie inzake luchtverontreinigingen”, en bevat doelstellingen voor het verminderen van de impact tot 2030. Om al die strategische doelstellingen te bereiken moet er een regelgevingsagenda worden vastgesteld waarin ook maatregelen voorkomen voor de beheersing van emissies door middelgrote stookinstallaties.

(9)

Middelgrote stookinstallaties moeten zodanig worden ontwikkeld en geëxploiteerd dat energie-efficiëntie wordt bevorderd. Dergelijke overwegingen, alsmede economische overwegingen, technische mogelijkheden en de levenscyclus van bestaande middelgrote stookinstallaties moeten in ogenschouw worden genomen bij de aanpassing van de middelgrote stookinstallaties of wanneer besloten wordt tot grote investeringen.

(10)

Om ervoor te zorgen dat de exploitatie van een middelgrote stookinstallatie niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, mogen maatregelen ter beperking van emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in de lucht niet resulteren in een toename van de emissie van andere verontreinigende stoffen, zoals koolmonoxide.

(11)

Middelgrote stookinstallaties die reeds zijn onderworpen aan voor de gehele Unie geldende minimumeisen, zoals installaties waarvoor een samentelregel geldt krachtens hoofdstuk III van Richtlijn 2010/75/EU, of installaties waar vaste of vloeibare afvalstoffen worden verbrand of meeverbrand, en daardoor vallen onder hoofdstuk IV van die richtlijn, moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(12)

Ook bepaalde andere middelgrote stookinstallaties zouden op basis van hun technische kenmerken of het gebruik ervan voor specifieke activiteiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn moeten worden uitgesloten.

(13)

Aangezien middelgrote stookinstallaties die raffinaderijbrandstoffen, alleen of in combinatie met andere brandstoffen voor de productie van energie, stoken in raffinaderijen voor minerale olie en gasraffinaderijen, en terugwinningsinstallaties in installaties voor pulpproductie, onderworpen zijn aan de met de beste beschikbare technieken (BBT) samenhangende emissieniveaus zoals vastgesteld in de conclusies over BBT die reeds zijn opgesteld uit hoofde van Richtlijn 2010/75/EU, dient deze richtlijn niet van toepassing te zijn op dergelijke installaties.

(14)

Deze richtlijn is van toepassing op stookinstallaties, met inbegrip van een samenstel van twee of meer nieuwe middelgrote stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en minder dan 50 MW. Afzonderlijke stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van minder dan 1 MW mogen niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het totaal nominaal thermisch vermogen van een samenstel van stookinstallaties. Om een lacune in de regelgeving te voorkomen, moet deze richtlijn ook van toepassing zijn op een samenstel van nieuwe middelgrote stookinstallaties waarvan het totaal nominaal thermisch vermogen 50 MW of meer is, onverminderd hoofdstuk III van Richtlijn 2010/75/EU.

(15)

Ten einde de emissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in de lucht te beheersen, mag een middelgrote stookinstallatie alleen worden gebruikt als er een vergunning voor is verleend of als deze ten minste door de bevoegde autoriteit, op basis van informatie verstrekt door de exploitant is geregistreerd.

(16)

Om de emissies in de lucht door middelgrote stookinstallaties te kunnen beheersen moeten er in deze richtlijn emissiegrenswaarden en monitoringvoorschriften worden vastgesteld.

(17)

De emissiegrenswaarden als bedoeld in bijlage II mogen niet van toepassing zijn op middelgrote stookinstallaties die zich op de Canarische Eilanden, de Franse overzeese gebieden, de Azoren en Madeira bevinden vanwege de technische en logistieke aspecten ten gevolge van de geïsoleerde locatie van zulke installaties. De betrokken lidstaten dienen emissiegrenswaarden voor zulke installaties vast te stellen met het oog op het verminderen van de emissies in de lucht en de mogelijke risico's voor de volksgezondheid en het milieu.

(18)

Teneinde bestaande middelgrote stookinstallaties voldoende tijd te gunnen voor de technische aanpassing aan de eisen van deze richtlijn, dienen de emissiegrenswaarden pas na een bepaalde termijn vanaf de datum van toepassing van deze richtlijn op die installaties van toepassing te zijn.

(19)

Teneinde rekening te houden met bepaalde specifieke omstandigheden indien de toepassing van emissiegrenswaarden zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, moeten lidstaten in staat zijn middelgrote stookinstallaties die gebruikt worden in noodgevallen en die slechts gedurende beperkte perioden worden geëxploiteerd vrij te stellen van naleving van de emissiegrenswaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(20)

Vanwege infrastructurele beperkingen voor bestaande middelgrote stookinstallaties die deel uitmaken van kleine geïsoleerde systemen (SIS) of geïsoleerde microsystemen (MIS) en de noodzaak om hun onderlinge koppeling te faciliteren, moet aan deze installaties meer tijd gegeven worden om zich aan te passen aan de emissiegrenswaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(21)

Aangezien de algemene voordelen van stadsverwarming in termen van bijdrage tot verminderd huishoudelijk gebruik van brandstoffen die sterke luchtverontreiniging veroorzaken, en in termen van verbetering van de energie-efficiëntie en CO2-emissieverlaging, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn aan bestaande middelgrote stookinstallaties die een substantieel deel van hun warmteproductie leveren aan een publiek net van stadsverwarming meer tijd te geven om zich aan te passen aan de emissiegrenswaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(22)

Aangezien de recente investeringen in biomassa installaties die gericht zijn op het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en die al geleid hebben tot verminderde emissie van verontreinigende stoffen, en ten einde rekening te houden met de eraan gerelateerde investeringscycli, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn meer tijd te geven aan deze installaties om zich aan te passen aan de emissiegrenswaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(23)

Gezien de essentiële rol van gascompressiestations voor de betrouwbaarheid en de veilige exploitatie van nationale gastransmissienetwerken en de specifieke beperkingen die verband houden met hun upgrade, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn aan middelgrote stookinstallaties die dergelijke stations aandrijven meer tijd te geven om zich aan te passen aan de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(24)

Overeenkomstig artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) belet deze richtlijn de lidstaten niet om verdergaande beschermingsmaatregelen te handhaven of in te voeren. Zulke maatregelen kunnen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld in zones waar niet aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit wordt voldaan. In die gevallen moeten de lidstaten beoordelen of het noodzakelijk is strengere emissiegrenswaarden toe te passen dan de eisen die in deze richtlijn worden gesteld, als onderdeel van de ontwikkeling van luchtkwaliteitsplannen op grond van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad (8). Bij dergelijke beoordelingen moet rekening worden gehouden met het resultaat van de informatie-uitwisseling over de beste emissieverlagende prestaties die behaald kunnen worden met de beste beschikbare en nieuwe technologieën. De Commissie moet deze informatie-uitwisseling organiseren met lidstaten, de betrokken industrieën, inclusief exploitanten en technologieleveranciers, en niet-gouvernementele organisaties, inclusief de ngo's die zich inzetten voor bescherming van het milieu.

(25)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de exploitant van een middelgrote stookinstallatie in geval van niet-naleving van deze richtlijn de noodzakelijke maatregelen treft. De lidstaten moeten een systeem opzetten om na te gaan of middelgrote stookinstallaties aan de eisen van deze richtlijn voldoen.

(26)

Om te zorgen voor de effectieve tenuitvoerlegging en handhaving van deze richtlijn moeten inspecties, waar mogelijk, worden gecoördineerd met inspecties die op grond van overige Uniewetgeving vereist zijn, in voorkomend geval.

(27)

De bepalingen van deze richtlijn betreffende toegang tot informatie over de tenuitvoerlegging ervan moeten zodanig worden toegepast dat Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) volledige werking heeft.

(28)

Om de lasten voor de kleine en middelgrote ondernemingen die middelgrote stookinstallaties exploiteren, te beperken, moeten de administratieve verplichtingen voor exploitanten wat betreft informatieverstrekking, monitoring en verslaglegging evenredig zijn en overlapping voorkomen en toch doeltreffende controle op de naleving door de bevoegde autoriteit mogelijk maken.

(29)

Om de consistentie en coherentie van de door de lidstaten verstrekte informatie over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te verzekeren en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie te bevorderen, moet de Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, een elektronisch instrument voor verslaglegging ontwikkelen dat de lidstaten ook intern kunnen gebruiken, voor nationale verslaglegging en gegevensbeheer.

(30)

De Commissie moet beoordelen of de emissiegrenswaarden van bijlage II dienen te worden gewijzigd voor nieuwe middelgrote stookinstallaties, op basis van de nieuwste technologie. In dit verband moet de Commissie ook overwegen of het nodig is specifieke grenswaarden voor de emissie van andere verontreinigende stoffen zoals koolmonoxide en mogelijke minimumnormen inzake energie-efficiëntie vast te stellen.

(31)

Met het oog op een aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen teneinde de in bijlage III, deel 2, punt 2, opgenomen bepalingen inzake de beoordeling van de naleving aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(32)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn en om de verslagleggingsverplichtingen van de lidstaten te vereenvoudigen en te stroomlijnen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de nadere vaststelling van de technische verslagleggingsformats. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(33)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk verbetering van de milieukwaliteit en de volksgezondheid, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege omvang of de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(34)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”) zijn erkend. Met name wordt er met deze richtlijn naar gestreefd de toepassing van artikel 37 van het Handvest inzake milieubescherming te garanderen.

(35)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (11), hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT

Artikel 1 Onderwerp

Artikel 1

Onderwerp

In deze richtlijn worden regels vastgesteld om emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en stof in de lucht door middelgrote stookinstallaties te beheersen en aldus emissies in de lucht en de mogelijke risico's voor de volksgezondheid en het milieu van die emissies te verminderen.

Deze richtlijn bevat ook regels voor het monitoren van de emissies van koolmonoxide (CO).

Artikel 2 Toepassingsgebied
Artikel 3 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

Artikel 4 Samentelling

Een samenstel van twee of meer nieuwe middelgrote stookinstallaties wordt voor de toepassing van deze richtlijn als één middelgrote stookinstallatie beschouwd en hun nominaal thermisch ingangsvermogen wordt samengeteld voor de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen van de installatie, indien:

Artikel 5 Vergunning en registratie
Artikel 6 Emissiegrenswaarden
Artikel 7 Verplichtingen van de exploitant
Artikel 8 Nalevingscontrole
Artikel 9 Veranderingen aan middelgrote stookinstallaties

Artikel 9

Veranderingen aan middelgrote stookinstallaties

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging op de hoogte stelt van elke in de middelgrote stookinstallatie door te voeren geplande verandering die de toepasselijke emissiegrenswaarden zou beïnvloeden.

De bevoegde autoriteit actualiseert de vergunning of de registratie, naargelang van het geval.

Artikel 10 Bevoegde instanties

Artikel 10

Bevoegde instanties

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 11 Verslaglegging
Artikel 12 Toetsing
Artikel 13 Wijziging van de bijlagen

Artikel 13

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen tot wijziging van bijlage III, deel 2, punt 2, vast te stellen teneinde dat aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

Artikel 14 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 15 Comitéprocedure
Artikel 16 Sancties

Artikel 16

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 19 december 2017 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen ervan mee.

Artikel 17 Omzetting
Artikel 18 Inwerkingtreding

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19 Adressaten

Artikel 19

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.


(1)   PB C 451 van 16.12.2014, blz. 134.

(2)   PB C 415 van 20.11.2014, blz. 23.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 7 oktober 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 november 2015.

(4)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(5)  Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(6)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(7)  Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(10)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(11)   PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(12)  Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).

(15)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

BIJLAGE I

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE II

EMISSIEGRENSWAARDEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6

Alle in deze bijlage opgenomen emissiegrenswaarden zijn vastgesteld bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een gestandaardiseerd O2-gehalte van 6 % voor middelgrote stookinstallaties op vaste brandstoffen, 3 % voor middelgrote stookinstallaties, andere dan motoren en gasturbines, op vloeibare en gasvormige brandstoffen, en 15 % voor motoren en gasturbines.

DEEL 1

Emissiegrenswaarden voor bestaande middelgrote stookinstallaties

Tabel 1

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor bestaande middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder, andere dan motoren en gasturbines

Verontreinigende stof

Vaste biomassa

Andere vaste brandstoffen

Gasolie

Andere vloeibare brandstoffen dan gasolie

Aardgas

Andere gasvormige brandstoffen dan aardgas

SO2

200 (1)  (2)

1 100

—

350

—

200 (3)

NOx

650

650

200

650

250

250

Stof

50

50

—

50

—

—


Tabel 2

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor bestaande middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW, andere dan motoren en gasturbines

Verontreinigende stof

Vaste biomassa

Andere vaste brandstoffen

Gasolie

Andere vloeibare brandstoffen dan gasolie

Aardgas

Andere gasvormige brandstoffen dan aardgas

SO2

200 (4)  (5)

400 (6)

—

350 (7)

—

35 (8)  (9)

NOX

650

650

200

650

200

250

Stof

30 (10)

30 (10)

—

30

—

—


Tabel 3

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor bestaande motoren en gasturbines

Verontreinigende stof

Type middelgrote stookinstallatie

Gasolie

Andere vloeibare brandstoffen dan gasolie

Aardgas

Andere gasvormige brandstoffen dan aardgas

SO2

Motoren en gasturbines

—

120

—

15 (11)  (12)

NOX

Motoren

190 (13)  (14)

190 (13)  (15)

190 (16)

190 (16)

Gasturbines (17)

200

200

150

200

Stof

Motoren en gasturbines

—

10 (18)

—

—

DEEL 2

Emissiegrenswaarden voor nieuwe middelgrote stookinstallaties

Tabel 1

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor nieuwe middelgrote stookinstallaties, andere dan motoren en gasturbines

Verontreinigende stof

Vaste biomassa

Andere vaste brandstoffen

Gasolie

Andere vloeibare brandstoffen dan gasolie

Aardgas

Andere gasvormige brandstoffen dan aardgas

SO2

200 (19)

400

—

350 (20)

—

35 (21)  (22)

NOx

300 (23)

300 (23)

200

300 (24)

100

200

Stof

20 (25)

20 (25)

—

20 (26)

—

—


Tabel 2

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor nieuwe motoren en gasturbines

Verontreinigende stof

Type middelgrote stookinstallatie

Gasolie

Andere vloeibare brandstoffen dan gasolie

Aardgas

Andere gasvormige brandstoffen dan aardgas

SO2

Motoren en gasturbines

—

120 (27)

—

15 (28)

NOX

Motoren (29)  (30)

190 (31)

190 (31)  (32)

95 (33)

190

Gasturbines (34)

75

75 (35)

50

75

Stof

Motoren en gasturbines

—

10 (36)  (37)

—

—


(1)  De waarde is niet van toepassing in het geval van installaties die uitsluitend met houtachtige vaste biomassa stoken.

(2)  300 mg/Nm3 in het geval van installaties die met stro stoken.

(3)  400 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit cokesovens in de ijzer- en staalindustrie.

(4)  De waarde is niet van toepassing in het geval van installaties die uitsluitend met houtachtige vaste biomassa stoken.

(5)  300 mg/Nm3 in het geval van installaties die met stro stoken.

(6)   1 100 mg/Nm3) in het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en 20 MW of minder.

(7)  Tot 1 januari 2030, 850 mg/Nm3 in het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en 20 MW of minder, die met zware stookolie stoken.

(8)  400 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit cokesovens en 200 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit hoogovens in de ijzer- en staalindustrie.

(9)  170 mg/Nm3 in het geval van biogas.

(10)  50 mg/Nm3 in het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en 20 MW of minder.

(11)  60 mg/Nm3 in het geval van biogas.

(12)  130 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit cokesovens, en 65 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit hoogovens in de ijzer- en staalindustrie.

(13)   1 850 mg/Nm3 in de volgende gevallen:

i)

voor dieselmotoren waarvan de bouw vóór 18 mei 2006 aanving;

ii)

voor dual-fuelmotoren in de vloeibare-brandstofmodus.

(14)  250 mg/Nm3 in het geval van motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder.

(15)  250 mg/Nm3 in het geval van motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder; 225 mg/Nm3 in het geval van motoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW en 20 MW of minder.

(16)  380 mg/Nm3 voor dual-fuelmotoren in de gasmodus.

(17)  De emissiegrenswaarden zijn alleen van toepassing bij een belasting van meer dan 70 %.

(18)  20 mg/Nm3 in het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 20 MW of minder.

(19)  De waarde is niet van toepassing in het geval van installaties die uitsluitend met houtachtige vaste biomassa stoken.

(20)  Tot 1 januari 2025, 1 700 mg/Nm3 in het geval van installaties die deel uitmaken van kleine geïsoleerde systemen (SIS) en micro-geïsoleerde systemen (MIS).

(21)  400 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit cokesovens, en 200 mg/Nm3 in het geval van gassen met lage calorische waarde uit hoogovens in de ijzer- en staalindustrie.

(22)  100 mg/Nm3 in het geval van biogas.

(23)  500 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder.

(24)  Tot 1 januari 2025, 450 mg/Nm3 wanneer wordt gestookt met zware stookolie die tussen 0,2 % en 0,3 % N bevat, en 360 mg/Nm3 wanneer wordt gestookt met zware stookolie die minder dan 0,2 % N bevat, in het geval van installaties die deel uitmaken van SIS en MIS.

(25)  50 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder; 30 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW of meer en 20 MW of minder.

(26)  50 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder.

(27)  Tot 1 januari 2025, 590 mg/Nm3 voor dieselmotoren die deel uitmaken van SIS en MIS.

(28)  40 mg/Nm3 in het geval van biogas.

(29)  Motoren die tussen 500 en 1 500 uren per jaar in bedrijf zijn, kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om deze emissiegrenswaarden na te leven, mits daarbij primaire maatregelen ter beperking van de emissie van NOx worden toegepast en aan de in voetnoot 4 vermelde emissiegrenswaarden wordt voldaan.

(30)  Tot 1 januari 2025 in SIS en MIS, 1 850 mg/Nm3 voor dual-fuelmotoren in de vloeibarebrandstofmodus en 380 mg/Nm3 in de gasmodus; 1 300 mg/Nm3 voor dieselmotoren met ≤ 1 200 omw./min. met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of minder; en 1 850 mg/Nm3 voor dieselmotoren met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW; 750 mg/Nm3 voor dieselmotoren met > 1 200 omw./min.

(31)  225 mg/Nm3 voor dual-fuelmotoren in de vloeibare-brandstofmodus.

(32)  225 mg/Nm3 voor dieselmotoren met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of minder met ≤ 1 200 omw./min.

(33)  190 mg/Nm3 voor dual-fuelmotoren in de gasmodus.

(34)  De emissiegrenswaarden zijn alleen van toepassing bij een belasting van meer dan 70 %.

(35)  Tot 1 januari 2025, 550 mg/Nm3 voor installaties die deel uitmaken van SIS en MIS.

(36)  Tot 1 januari 2025, 75 mg/Nm3 voor dieselmotoren die deel uitmaken van SIS en MIS.

(37)  20 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en 5 MW of minder.

BIJLAGE III

BIJLAGE III

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis