BIJLAGE I
Methoden voor de monitoring van broeikasgasemissies
A. BEREKENING VAN BROEIKASGASEMISSIES (ARTIKEL 9)
1.
Formules voor de berekening van broeikasgasemissies
Bij de berekening van de broeikasgasemissies passen maatschappijen de volgende formule toe:
Maatschappijen berekenen de CO2-emissies door de CO2-emissies van alle gebruikte brandstoffen i bij elkaar op te tellen en daarbij de volgende formule toe te passen:
Maatschappijen berekenen de CH4-emissies door de CH4-emissies als gevolg van de verbranding van alle gebruikte brandstoffen i, op te tellen bij de emissies die worden veroorzaakt door CH4-verlies en daarbij de volgende formule toe te passen:
Maatschappijen berekenen de N2O-emissies door de N2O-emissies van alle gebruikte brandstoffen i bij elkaar op te tellen en daarbij de volgende formule toe te passen:
Het brandstofverbruik wordt afzonderlijk berekend voor emissies van reizen tussen havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen, van reizen vanuit havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen, van reizen naar havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen, en voor emissies binnen havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen. Het brandstofverbruik van schepen op de aanlegplaats binnen havens die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen, wordt afzonderlijk berekend.
|
Begrip
|
Toelichting
|
|
GHGMRV
|
Broeikasgasemissies die uit hoofde van deze verordening moeten worden gerapporteerd, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, waarbij “CO2-equivalent” de rekeneenheid is die wordt gebruikt om de emissies van CO2, CH4 en N2O te berekenen op basis van hun aardopwarmingsvermogen, door hoeveelheden CH4 en N2O om te rekenen naar de equivalente hoeveelheid CO2 met hetzelfde aardopwarmingsvermogen.
|
|
|
Totale hoeveelheid uitgestoten CO2.
|
|
|
Totale hoeveelheid uitgestoten CH4.
|
|
|
Totale hoeveelheid uitgestoten N2O.
|
|
|
Aardopwarmingsvermogen van CH4 over honderd jaar, zoals bedoeld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1044 van de Commissie (1).
|
|
|
Aardopwarmingsvermogen van N2O over honderd jaar, zoals bedoeld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1044.
|
|
i
|
Index van de in de verslagperiode aan boord van het schip gebruikte brandstoffen.
|
|
j
|
Index van de emissiebronnen aan boord van het schip. Voor de toepassing van deze verordening omvatten de in aanmerking genomen bronnen ten minste de hoofdmotoren, hulpmotoren, gasturbines, boilers en generatoren van inerte gassen.
|
|
Mi
|
Brandstofverbruik, als totale massa van de specifieke brandstof i die wordt gebruikt (totaal voor alle emissiebronnen).
|
|
Mi, j
|
Brandstofverbruik, als massa van de specifieke brandstof i die wordt gebruikt in emissiebron j.
|
|
Cj
|
“Van tank tot kielzog”-emissiefactor van verloren gegane brandstof (coëfficiënt van niet-verbrande brandstof) als een percentage van de massa van de brandstof i die wordt gebruikt door de emissiebron j [%].
Cj omvat vluchtige en verloren gegane emissies. Vluchtige en verloren gegane emissies worden veroorzaakt door de hoeveelheid brandstof die de verbrandingskamer van de emissiebron niet bereikt of die niet door de emissiebron wordt verbruikt omdat zij onverbrand blijft, wordt afgeblazen of uit het systeem lekt.
|
|
Mi,NC
|
Totale massa brandstof i die niet is verbrand, maar vrijkomt in de atmosfeer.
|
|
|
Hoeveelheid niet-verbrande CH4 die vrijkomt in de atmosfeer. Bij het bepalen van dergelijke hoeveelheden passen maatschappijen de volgende formule toe:
|
|
|
CO2-emissiefactor “van tank tot kielzog” door brandstof i, zoals gedefinieerd in de tabel onder punt 2 van dit deel.
|
|
|
CH4-emissiefactor “van tank tot kielzog” door brandstof i, zoals gedefinieerd in de tabel onder punt 2 van dit deel.
|
|
|
N2O-emissiefactor “van tank tot kielzog” door brandstof i, zoals gedefinieerd in de tabel onder punt 2 van dit deel.
|
(1)
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1044 van de Commissie van 8 mei 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft waarden voor het aardopwarmingsvermogen en de richtsnoeren voor inventarisering en wat betreft het inventarisatiesysteem van de Unie, en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 666/2014 van de Commissie (PB L 230 van 17.7.2020, blz. 1).
|
2.
Standaardemissiefactoren
In onderstaande tabel:
—
betekent NB: “niet beschikbaar”;
—
staat een streepje voor: “niet van toepassing”.
Voor de toepassing van deze verordening gelden de standaardwaarden die zijn opgenomen in onderstaande tabel voor emissiefactoren voor brandstoffen en emissiebronnen die aan boord van het schip worden gebruikt.
Indien in een cel ofwel TM ofwel NB aangegeven staat, wordt de hoogste standaardwaarde van de brandstofklasse in dezelfde kolom gebruikt. Indien voor een bepaalde brandstofklasse in alle cellen in dezelfde kolom ofwel TM ofwel NB aangegeven staat, moet de standaardwaarde van het minst gunstige type fossiele brandstof worden gebruikt. Deze regel geldt niet voor kolom 6, waar TM of NB verwijst naar niet-beschikbare waarden voor de emissiebron. Indien er geen standaardwaarde voor Cj bestaat, wordt een gecertificeerde waarde overeenkomstig artikel 10, lid 6, van Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad (*) gebruikt.
Maatschappijen mogen afwijken van de standaardwaarden voor de emissiefactoren in de onderstaande tabel indien, in voorkomend geval, de voorwaarden en beperkingen van artikel 10, leden 5 en 6, van Verordening (EU) 2023/1805 zijn toegepast.
Voor niet-fossiele brandstoffen die niet in de onderstaande tabel zijn opgenomen, bepaalt de maatschappij de emissiefactoren overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie (**).
Indien brandstoffen worden gemengd, wordt elke brandstof afzonderlijk in aanmerking genomen.
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
|
Brandstofklasse
|
Brandstoftype
|
|
|
|
Cj
Als percentage van de massa van de door de emissiebron verbruikte brandstof
|
|
Fossiele brandstoffen
|
Zware stookolie
ISO 8217-klassen RME tot en met RMK
|
3,114
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
Lichte stookolie
ISO 8217-klassen RMA tot en met RMD
|
3,151
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
Dieselolie voor de scheepvaart
Gasolie voor de scheepvaart
ISO 8217-klassen DMX tot en met DMB
|
3,206
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
LNG
|
2,750
|
0
|
0,00011
|
3,1 voor LNG Otto (dualfuel middelhoog toerental)
|
|
1,7 voor LNG Otto (dualfuel laag toerental)
|
|
0,2 voor LNG Diesel (dualfuel laag toerental)
|
|
2,6 voor armmengsel-motoren met vonkontsteking (LBSI)
|
|
LPG (butaan)
|
3,03
|
TM
|
TM
|
NB
|
|
LPG (propaan)
|
3,00
|
TM
|
TM
|
NB
|
|
H2 (fossiel)
|
0
|
0
|
|
—
|
|
TM voor verbrandingsmotor (ICE)
|
|
NH3 (fossiel)
|
0
|
NB
|
TM
|
NB
|
|
Methanol (fossiel)
|
1,375
|
TM
|
TM
|
—
|
|
Biobrandstoffen
|
Ethanol
|
1,913
|
TM
|
TM
|
—
|
|
Biodiesel
|
2,834
|
TM
|
TM
|
—
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie (HV)
|
3,115
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
Vloeibaar biomethaan als transportbrandstof (bio-LPG)
|
2,750
|
0
|
0,00011
|
3,1 voor LNG Otto (dualfuel middelhoog toerental)
|
|
1,7 voor LNG Otto (dualfuel laag toerental)
|
|
0,2 voor LNG Diesel (dualfuel laag toerental)
|
|
2,6 voor armmengsel-motoren met vonkontsteking (LBSI)
|
|
Biomethanol
|
1,375
|
TM
|
TM
|
—
|
|
Andere
|
3,115
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
Bio-H2
|
0
|
0
|
0 voor brandstofcellen
|
—
|
|
TM voor ICE
|
|
Hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO) —
e-brandstoffen
|
e-diesel
|
3,206
|
0,00005
|
0,00018
|
—
|
|
e-methanol
|
1,375
|
TM
|
TM
|
—
|
|
e-LNG
|
2,750
|
0
|
0,00011
|
3,1 voor LNG Otto (dualfuel middelhoog toerental)
|
|
1,7 voor LNG Otto (dualfuel laag toerental)
|
|
0,2 voor LNG Diesel (dualfuel laag toerental)
|
|
2,6 voor armmengsel-motoren met vonkontsteking (LBSI)
|
|
e-H2
|
0
|
0
|
0 voor brandstofcellen
|
—
|
|
TM voor ICE
|
|
e-NH3
|
0
|
NB
|
TM
|
NB
|
|
e-LPG
|
NB
|
NB
|
NB
|
NB
|
|
e-DME
|
NB
|
NB
|
NB
|
—
|
Kolom 1 geeft de klasse van de brandstoffen aan.
Kolom 2 geeft de naam van de relevante brandstoftypen in elke klasse aan.
Kolom 3 bevat de emissiefactor EF voor kooldioxide in gCO2/gfuel.
Kolom 4 bevat de emissiefactor EF voor methaan in gCH4/gfuel.
Kolom 5 bevat de emissiefactor EF voor distikstofoxide in gN2O/gfuel.
Kolom 6 geeft het deel van de brandstof aan dat verloren gaat als vluchtige en niet-verbrande emissies (Cj), gemeten als percentage van de massa van de door de specifieke emissiebron gebruikte brandstof. Voor brandstoffen zoals LNG waarvoor vluchtige en verloren gegane emissies bestaan, wordt de hoeveelheid vluchtige en verloren gegane emissies zoals weergegeven in de tabel uitgedrukt in % van de massa van de gebruikte brandstof. De waarden van Cj in de tabel worden berekend bij 50 % van de volledige motorbelasting.
(*) Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 234 van 22.9.2023, blz. 48).
(**) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1).
▼M4
AA. BROEIKASGASEMISSIES VAN OFFSHORESCHEPEN
Broeikasgasemissies van offshoreschepen omvatten broeikasgasemissies die zij uitstoten tijdens de reis van hun laatste aanloophaven naar een aanloophaven onder de jurisdictie van een lidstaat, evenals van een aanloophaven onder de jurisdictie van een lidstaat naar de volgende aanloophaven en binnen aanloophavens onder de jurisdictie van een lidstaat door de volgende schepen, met uitzondering van ijsbrekers, die zijn ontworpen of gecertificeerd voor het verrichten van dienstverlenende activiteiten offshore of in offshore-installaties:
a)
ankerbehandelende sleep- en bevoorradingsschepen (AHTS-schepen);
b)
offshorebevoorradingsschepen;
c)
bemannings-/bevoorradingsschepen (CSV);
d)
pijpbevoorradingsschepen;
e)
platformbevoorradingsschepen;
g)
drijvende productie-, opslag- en verladingsplatformen (FPSO), olie;
h)
gasverwerkende schepen (FPSO);
i)
drijvende opslag- en verladingsplatformen (FSO), gas;
m)
offshoreconstructieschepen;
q)
pijpenleggers met extra kraancapaciteit;
s)
standby reddingsvaartuigen;
t)
vaartuigen ter ondersteuning bij het trenchen;
u)
schepen voor putstimulatie;
y)
installatieschepen voor windturbines op zee;
z)
onderhoudsvaartuigen voor ingebruikname (CSOV);
aa)
onderhoudsvaartuigen (SOV);
ac)
hydrografische onderzoeksvaartuigen;
▼M3
B. METHODEN VOOR HET VASTSTELLEN VAN BROEIKASGASEMISSIES
De maatschappij geeft in het monitoringplan aan welke monitoringmethode wordt gebruikt om de broeikasgasemissies te bepalen voor elk schip onder haar verantwoordelijkheid, en zorgt ervoor dat een gekozen methode consistent wordt toegepast.
De onderstaande methoden A, B, C en D, gebaseerd op de berekeningsmethode of de meetmethode, kunnen worden gebruikt.
In de berekeningsaanpak (methoden A, B en C) worden de emissies berekend met behulp van de formules in deel A. Daartoe wordt het werkelijke brandstofverbruik voor elke reis bepaald met behulp van een van de hierna beschreven methode A, B of C en gebruikt voor de berekening. Bij de keuze van een van de methoden A, B en C wordt rekening gehouden met bronnen van onzekerheid en de daarmee samenhangende mate van onzekerheid. De maatschappij voert regelmatig passende controleactiviteiten uit, waaronder kruiscontroles tussen de bunkerhoeveelheid zoals vermeld op de bunkerafleveringsbon (BLN) en de bunkerhoeveelheid zoals aangegeven bij metingen aan boord, en neemt corrigerende maatregelen indien opmerkelijke afwijkingen worden vastgesteld.
In de meetaanpak (methode D) worden directe metingen van broeikasgasemissies gebruikt.
Elke combinatie van methoden A, B, C en D die de verificateur heeft beoordeeld, mag worden gebruikt als dit de algehele nauwkeurigheid van de meting verhoogt.
1.
Methode A: BLN en periodieke inventarisaties van brandstoftanks
Deze methode is gebaseerd op de hoeveelheid en het type brandstof zoals aangeduid op de BLN in combinatie met periodieke inventarisaties van de brandstoftanks op basis van de aflezing van de tanks. De brandstof aan het begin van de periode, plus leveringen, minus de aan het eind van de periode beschikbare brandstof en de uit de opslag genomen brandstof tussen het begin en het einde van de periode, vormen samen de in die periode verbruikte brandstof.
De periode omvat de tijd tussen het aandoen van twee havens of de tijd die in een haven wordt doorgebracht. Voor de brandstof die in een periode is gebruikt, moeten het brandstoftype en het zwavelgehalte worden gespecificeerd.
Deze methode wordt niet toegepast wanneer geen BLN’s beschikbaar zijn aan boord van schepen, in het bijzonder wanneer vracht wordt gebruikt als brandstof, bijvoorbeeld door verdamping van vloeibaar aardgas (LNG).
Krachtens bestaande voorschriften van bijlage VI bij Marpol, moet de BLN verplicht gedurende drie jaar na de levering van de brandstof aan boord worden bewaard en direct beschikbaar kunnen worden gesteld. De periodieke inventarisatie van de brandstoftanks aan boord is gebaseerd op de aflezing van de brandstoftanks. Om de hoeveelheid ten tijde van de aflezing van de brandstoftank te bepalen, wordt gebruikgemaakt van tanktabellen voor elk type brandstoftank. De onzekerheid in verband met de BLN wordt gespecificeerd in het monitoringplan. De aflezing van de brandstoftank vindt plaats met behulp van geschikte methoden, zoals geautomatiseerde systemen, peilingen en peilinstrumenten. De methode voor het peilen van de tank en de bijbehorende onzekerheid worden gespecificeerd in het monitoringplan.
Als de hoeveelheid getankte brandstof of de in de tanks resterende hoeveelheid brandstof wordt bepaald in volume-eenheden, uitgedrukt in kubieke meter, rekent de maatschappij die hoeveelheid om van volume naar massa aan de hand van de reële dichtheidswaarden. De maatschappij bepaalt de reële dichtheid met behulp van een van de volgende methoden:
a)
meetsystemen aan boord van het schip;
b)
de dichtheid die door de brandstofleverancier bij het tanken van de brandstof wordt gemeten en op de brandstoffactuur of BLN wordt vastgelegd;
c)
de dichtheid die tijdens een testanalyse in een geaccrediteerd laboratorium voor het testen van brandstof wordt gemeten, indien beschikbaar.
De reële dichtheid wordt uitgedrukt in kg/kubieke meter en wordt bepaald bij de temperatuur die voor de meting in kwestie relevant is. Wanneer geen reële waarden voor dichtheid beschikbaar zijn, wordt een standaarddichtheidswaarde voor het betreffende brandstoftype toegepast na beoordeling door de verificateur.
2.
Methode B: monitoring van de bunkerbrandstoftanks aan boord
Deze methode is gebaseerd op de aflezing van brandstoftanks, voor alle brandstoftanks aan boord. De tanks worden dagelijks afgelezen wanneer het schip op zee is en telkens wanneer het schip brandstof laadt of lost.
De cumulatieve variaties van het niveau in de brandstoftank tussen twee aflezingen vormen de in die periode verbruikte brandstof.
De periode omvat de tijd tussen het aandoen van twee havens of de tijd die in een haven wordt doorgebracht. Voor de brandstof die in een periode is gebruikt, moeten het brandstoftype en het zwavelgehalte worden gespecificeerd.
De aflezing van de brandstoftank vindt plaats met behulp van geschikte methoden, zoals geautomatiseerde systemen, peilingen en peilinstrumenten. De methode voor het peilen van de tank en de bijbehorende onzekerheid worden gespecificeerd in het monitoringplan.
Als de hoeveelheid getankte brandstof of de in de tanks resterende hoeveelheid brandstof wordt bepaald in volume-eenheden, uitgedrukt in kubieke meter, rekent de maatschappij die hoeveelheid om van volume naar massa aan de hand van de reële dichtheidswaarden. De maatschappij bepaalt de reële dichtheid met behulp van een van de volgende methoden:
a)
meetsystemen aan boord van het schip;
b)
de dichtheid die door de brandstofleverancier bij het tanken van de brandstof wordt gemeten en op de brandstoffactuur of BLN wordt vastgelegd;
c)
de dichtheid die tijdens een testanalyse in een geaccrediteerd laboratorium voor het testen van brandstof wordt gemeten, indien beschikbaar.
De reële dichtheid wordt uitgedrukt in kg/kubieke meter en wordt bepaald bij de temperatuur die voor de meting in kwestie relevant is. Wanneer geen reële waarden voor dichtheid beschikbaar zijn, wordt een standaarddichtheidswaarde voor het betreffende brandstoftype toegepast na beoordeling door de verificateur.
3.
Methode C: stroommeters voor toepasselijke verbrandingsprocessen
Deze methode is gebaseerd op de gemeten brandstofstromen aan boord van het schip. De gegevens van alle stroommeters die gekoppeld zijn aan relevante bronnen van broeikasgasemissies worden gecombineerd om het brandstofverbruik voor een specifieke periode te bepalen.
De periode omvat de tijd tussen het aandoen van twee havens of de tijd die in een haven wordt doorgebracht. Voor de brandstof die in een periode is gebruikt, moeten het brandstoftype en het zwavelgehalte worden gemonitord.
De toegepaste kalibratiemethoden en de bij de stroommeters behorende onzekerheid worden gespecificeerd in het monitoringplan.
Indien de hoeveelheid verbruikte brandstof wordt bepaald in volume-eenheden, uitgedrukt in kubieke meter, rekent de maatschappij die hoeveelheid van volume om naar massa met behulp van reële dichtheidswaarden. De maatschappij bepaalt de reële dichtheid met behulp van een van de volgende methoden:
a)
meetsystemen aan boord van het schip;
b)
de dichtheid die door de brandstofleverancier bij het tanken van de brandstof wordt gemeten en op de brandstoffactuur of BLN wordt vastgelegd;
c)
de dichtheid die tijdens een testanalyse in een geaccrediteerd laboratorium voor het testen van brandstof wordt gemeten, indien beschikbaar.
De reële dichtheid wordt uitgedrukt in kg/kubieke meter en wordt bepaald bij de temperatuur die voor de meting in kwestie relevant is. Wanneer geen reële waarden voor dichtheid beschikbaar zijn, wordt een standaarddichtheidswaarde voor het betreffende brandstoftype toegepast na beoordeling door de verificateur.
4.
Methode D: directe meting van broeikasgasemissies
De directe metingen van broeikasgasemissies kunnen worden gebruikt voor reizen en voor broeikasgasemissies binnen havens die zich onder de jurisdictie van een lidstaat bevinden. Voor schepen waarvoor de CO2-rapportage is gebaseerd op deze methode, toegepast op alle bronnen van emissies aan boord van het schip, wordt het brandstofverbruik berekend met behulp van de gemeten CO2-emissies en de toepasselijke emissiefactoren van de betreffende brandstoffen en emissiebronnen.
Deze methode is gebaseerd op de bepaling van de broeikasgasemissiestromen in uitlaatgasafvoeren (uitlaten) door de concentraties broeikasgasemissies van de uitlaatgassen te vermenigvuldigen met de stroomsnelheid van de uitlaatgassen.
De toepassing van deze methode om de emissies van een broeikasgas te bepalen, belet maatschappijen niet om een andere van de in dit deel beschreven methoden toe te passen op een ander broeikasgas.
De toegepaste kalibratiemethoden en de bij de gebruikte apparatuur behorende onzekerheid worden gespecificeerd in het monitoringplan.
C. GEGEVENSBEHEER EN -CONTROLE
1.
Controlesysteem
1.1. Om te waarborgen dat de uit de gegevensstroomactiviteiten voortvloeiende verslagen geen onjuistheden bevatten en in overeenstemming zijn met het monitoringplan en deze verordening, moet de maatschappij een risicobeoordeling uitvoeren om bronnen van risico’s op fouten in de gegevensstroom, van primaire gegevens tot definitieve gegevens in het emissierapport, vast te stellen, moet zij een doeltreffend controlesysteem opzetten en draagt zij zorg voor het documenteren en toepassen daarvan.
De maatschappij stelt de in de eerste alinea bedoelde risicobeoordeling op verzoek ter beschikking van de verantwoordelijke administrerende autoriteit. De maatschappij stelt die risicobeoordeling ook beschikbaar ten behoeve van verificatie.
1.2. In het kader van punt 1.1, eerste alinea, stelt de maatschappij, afzonderlijk van het monitoringplan, schriftelijke procedures vast voor gegevensstroomactiviteiten en controleactiviteiten, documenteert zij deze, voert zij deze uit en onderhoudt zij ze, en neemt zij in het monitoringplan verwijzingen naar en een beschrijving van die procedures op. De maatschappij stelt alle schriftelijke documentatie van de procedures op verzoek ter beschikking van de verantwoordelijke administrerende autoriteit. De maatschappij stelt die documentatie ook beschikbaar ten behoeve van verificatie.
1.3. De in punt 1.2 bedoelde controleactiviteiten omvatten, indien van toepassing:
a)
kwaliteitsborging van de betreffende meetapparatuur;
b)
kwaliteitsborging van IT-systemen zodat de betreffende systemen zo worden ontworpen, gedocumenteerd, getest, geïmplementeerd, gecontroleerd en onderhouden dat een betrouwbare, nauwkeurige en tijdige verwerking van de gegevens gewaarborgd is, rekening houdend met de overeenkomstig punt 1.1 vastgestelde risico’s;
c)
scheiding van taken in de gegevensstroom- en controleactiviteiten en beheer van de nodige vaardigheden;
d)
interne toetsingen en validatie van gegevens;
e)
correcties en corrigerende maatregelen;
f)
controle van uitbestede processen;
g)
archivering en documentatie, met inbegrip van het beheer van documentversies.
1.4. Voor de toepassing van punt 1.3, a), draagt de maatschappij er zorg voor dat alle gebruikte meetapparatuur regelmatig en voorafgaand aan het gebruik wordt gekalibreerd, bijgesteld en gecontroleerd op grond van meetnormen die zijn afgeleid van internationale meetnormen, voor zover beschikbaar, en evenredig met de vastgestelde risico’s.
Als onderdelen van de meetsystemen niet kunnen worden gekalibreerd, vermeldt de maatschappij die onderdelen in het monitoringplan en stelt zij alternatieve controleactiviteiten voor.
Wanneer wordt vastgesteld dat de apparatuur niet aan de prestatievereisten voldoet, treft de maatschappij onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen.
1.5. Voor de toepassing van punt 1.3, d), toetst en valideert de maatschappij de gegevens die voortvloeien uit de in punt 1.2 bedoelde gegevensstroomactiviteiten.
Deze toetsing en validatie van gegevens omvat het volgende:
a)
een controle van de volledigheid van de gegevens;
b)
een vergelijking van de gegevens die de maatschappij gedurende verscheidene jaren heeft verzameld, bewaakt en gerapporteerd;
c)
een vergelijking van gegevens en waarden die resulteren uit verschillende monitoringmethoden wanneer meer dan één monitoringmethode wordt toegepast.
1.6. Voor de toepassing van punt 1.3, e), zorgt de maatschappij ervoor, indien gegevensstroom- of controleactiviteiten niet doeltreffend blijken of niet voldoen aan de regels die zijn vastgesteld in de documentatie van de procedures voor die activiteiten, dat passende corrigerende maatregelen worden getroffen en dat de betreffende gegevens onverwijld worden gecorrigeerd.
1.7. Voor de toepassing van punt 1.3, f), treft de maatschappij, indien zij een of meer gegevensstroom- of controleactiviteiten zoals bedoeld in punt 1.1 uitbesteedt, alle volgende maatregelen:
a)
de kwaliteit van de uitbestede gegevensstroom- en controleactiviteiten controleren overeenkomstig deze verordening;
b)
passende vereisten aangeven voor de output van de uitbestede processen en voor de in die processen gebruikte methoden;
c)
de kwaliteit van de in punt b) bedoelde resultaten en methoden controleren;
d)
ervoor zorgen dat uitbestede activiteiten zo worden uitgevoerd dat zij afgestemd zijn op de intrinsieke risico’s en de controlerisico’s die zijn vastgesteld in de in punt 1.1 bedoelde risicobeoordeling.
1.8. De maatschappij ziet toe op de doeltreffendheid van het controlesysteem, onder meer door interne toetsingen uit te voeren en rekening te houden met de bevindingen van de verificateur tijdens de verificatie van emissieverslagen en van verslagen zoals bedoeld in artikel 11, lid 2.
Wanneer de maatschappij vaststelt dat het controlesysteem ondoeltreffend of niet in overeenstemming met de vastgestelde risico’s is, tracht zij het controlesysteem te verbeteren en werkt zij het monitoringplan of de onderliggende schriftelijke procedures voor gegevensstroomactiviteiten, risicobeoordelingen en controleactiviteiten dienovereenkomstig bij.
2.
Gegevenslacunes
2.1. Wanneer gegevens die relevant zijn voor de bepaling van de broeikasgasemissies van een schip voor een of meer reizen ontbreken, gebruikt de maatschappij vervangende gegevens die zijn berekend overeenkomstig de alternatieve methode(n) die is (zijn) aangegeven in het monitoringplan dat door de verificateur is beoordeeld en, indien van toepassing, door de verantwoordelijke administrerende autoriteit is goedgekeurd.
Wanneer gegevens ontbreken die relevant zijn voor de bepaling van de broeikasgasemissies van een schip voor een of meer reizen, waarvoor in het monitoringplan geen alternatieve monitoringmethoden of alternatieve gegevensbronnen worden genoemd voor ondersteunende gegevens of het dichten van de gegevenslacune, gebruikt de maatschappij een geschikte ramingsmethode voor het vaststellen van conservatieve vervangende gegevens voor de betreffende periode en de ontbrekende parameter.
2.2. Als het om technische redenen tijdelijk niet mogelijk is om het door de verificateur gunstig beoordeelde en, indien van toepassing, door de verantwoordelijke administrerende autoriteit goedgekeurde monitoringplan toe te passen, past de maatschappij voor het uitvoeren van de ondersteunende controles een methode toe die is gebaseerd op de alternatieve gegevensbronnen die in het monitoringplan worden vermeld of, indien in het monitoringplan geen alternatieven zijn opgenomen, een alternatieve methode die vervangende gegevens of een conservatieve raming oplevert, totdat weer aan de voorwaarden voor de toepassing van het goedgekeurde monitoringplan is voldaan.
De maatschappij treft alle noodzakelijke maatregelen voor de onverwijlde toepassing van het monitoringplan.
2.3. Wanneer een ramingsmethode overeenkomstig punt 2.1 wordt toegepast, of bij een tijdelijke afwijking van het monitoringplan overeenkomstig punt 2.2, stelt de maatschappij onverwijld een schriftelijke procedure op om in de toekomst dit soort gegevenslacunes te kunnen vermijden en past zij het monitoringplan aan overeenkomstig artikel 7.