+RICHTLIJN (EU) 2016/2284 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Doelstellingen en onderwerp
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
---+Artikel 2 Toepassingsgebied
------+Artikel 2 1.
------+Artikel 2 2.
---+Artikel 3 Definities
---+Artikel 4 Nationale emissiereductieverbintenissen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
---+Artikel 5 Vormen van flexibiliteit
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
------+Artikel 5 6.
------+Artikel 5 7.
------+Artikel 5 8.
---+Artikel 6 Nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
------+Artikel 6 5.
------+Artikel 6 6.
------+Artikel 6 7.
------+Artikel 6 8.
------+Artikel 6 9.
------+Artikel 6 10.
---+Artikel 7 Financiële steun
---+Artikel 8 Nationale emissie-inventarissen en –prognoses en informatieve inventarisrapporten
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
------+Artikel 8 5.
------+Artikel 8 6.
------+Artikel 8 7.
---+Artikel 9 Monitoring van de effecten van luchtverontreiniging
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
---+Artikel 10 Rapportering door de lidstaten
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
------+Artikel 10 4.
---+Artikel 11 Verslagen van de Commissie
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
---+Artikel 12 Europees Forum voor schone lucht
---+Artikel 13 Evaluatie
------+Artikel 13 1.
------+Artikel 13 2.
------+Artikel 13 3.
---+Artikel 14 Toegang tot informatie
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
---+Artikel 15 Samenwerking met derde landen en coördinatie binnen internationale organisaties
---+Artikel 16 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
------+Artikel 16 3.
------+Artikel 16 4.
------+Artikel 16 5.
------+Artikel 16 6.
---+Artikel 17 Comitéprocedure
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
---+Artikel 18 Sancties
---+Artikel 19 Wijziging van Richtlijn 2003/35/EG
---+Artikel 20 Omzetting
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
---+Artikel 21 Intrekking en overgangsbepalingen
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
---+Artikel 22 Inwerkingtreding
---+Artikel 23 Adressaten
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+ANNEX IV
---+BIJLAGE IV
---+ANNEX VI
---+Verklaring van de Commissie over de evaluatie van methaanemissies
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN (EU) 2016/2284 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN (EU) 2016/2284 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 december 2016

betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Doelstellingen en onderwerp
Artikel 2 Toepassingsgebied
Artikel 3 Definities

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„emissie” : uitstoot van stoffen uit een puntbron of een diffuse bron in de atmosfeer;

2.

„antropogene emissies” : emissies in de atmosfeer van verontreinigende stoffen ten gevolge van menselijke activiteiten;

3.

„ozonprecursoren” : stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, methaan en koolmonoxide;

4.

„luchtkwaliteitsdoelstellingen” : de grenswaarden, streefwaarden en blootstellingsconcentratieverplichtingen voor de luchtkwaliteit zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

5.

„zwaveldioxide” of „SO2” : alle zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, waaronder zwaveltrioxide (SO3), zwavelzuur (H2SO4) en gereduceerde zwavelverbindingen zoals zwavelwaterstof (H2S), mercaptanen en dimethylsulfiden;

6.

„stikstofoxiden” of „NOx” : stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide;

7.

„vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan” of „NMVOS” : alle organische verbindingen met uitzondering van methaan die fotochemische oxidatiemiddelen kunnen vormen door reactie met stikstofoxiden in aanwezigheid van zonlicht;

8.

„fijnstof” of „PM2,5” : deeltjes met een aerodynamische diameter gelijk aan of kleiner dan 2,5 μm (μm);

9.

„zwarte koolstof” : koolstofhoudende stofdeeltjes die licht absorberen;

10.

„nationale emissiereductieverbintenis” : de verplichting van de lidstaten om emissies van een bepaalde stof te verminderen; het geeft de emissiereductie weer die ten minste moet worden bereikt in een vooropgesteld kalenderjaar, als een percentage van de totale vrijgekomen emissies tijdens het referentiejaar (2005);

11.

„landings- en startcyclus” : de cyclus die het taxiën na landing en voor vertrek, starten, opstijgen, aanvliegen en landen en alle andere manoeuvres van het vliegtuig die plaatsvinden beneden een hoogte van 3 000 voet, omvat;

12.

„internationale zeevaart” : reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land;

13.

„zone met verontreinigingsbeheersing” : een gebied op zee dat zich uitstrekt over ten hoogste 200 zeemijl vanaf de referentielijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten en dat door een lidstaat is ingesteld met het oog op het voorkomen, verminderen en beheersen van verontreiniging afkomstig van vaartuigen overeenkomstig de toepasselijke internationale regels en standaarden;

14.

„brongerelateerde Uniewetgeving ter beheersing van de luchtverontreiniging” : Uniewetgeving die is gericht op het verminderen van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die onder deze richtlijn vallen, door mitigerende maatregelen aan de bron te treffen.

Artikel 4 Nationale emissiereductieverbintenissen
Artikel 5 Vormen van flexibiliteit
Artikel 6 Nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging
Artikel 7 Financiële steun

Artikel 7

Financiële steun

De Commissie streeft ernaar de toegang tot bestaande financieringsinstrumenten van de Unie te bevorderen, overeenkomstig de voor die instrumenten geldende wettelijke bepalingen, ter ondersteuning van maatregelen die moeten worden genomen om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken.

Die financieringsinstrumenten van de Unie omvatten huidige en toekomstige financieringsmogelijkheden uit hoofde van, onder meer:

a) 

het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie;

b) 

de Europese structuur- en investeringsfondsen, waaronder relevante financiering uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

c) 

instrumenten voor de financiering van milieu- en klimaatactie, zoals het Life-programma.

De Commissie onderzoekt of het mogelijk is één loket in te stellen waar belanghebbenden op eenvoudige wijze de beschikbaarheid van financieringsinstrumenten van de Unie kunnen nagaan en de daarmee verband houdende toegangsprocedures voor projecten die luchtverontreinigingsproblemen aanpakken.

Artikel 8 Nationale emissie-inventarissen en –prognoses en informatieve inventarisrapporten
Artikel 9 Monitoring van de effecten van luchtverontreiniging
Artikel 10 Rapportering door de lidstaten
Artikel 11 Verslagen van de Commissie
Artikel 12 Europees Forum voor schone lucht

Artikel 12

Europees Forum voor schone lucht

De Commissie zet een Europees Forum voor schone lucht op om bij te dragen aan de sturing en bevordering van de gecoördineerde uitvoering van de wetgeving en de beleidsmaatregelen van de Unie met betrekking tot de verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij alle belanghebbenden, waaronder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op alle relevante niveaus, de Commissie, de industrie, het maatschappelijk middenveld en de wetenschappelijke gemeenschap, op gezette tijden worden bijeengebracht. Het Europees Forum voor schone lucht wisselt ervaringen en goede praktijken uit, onder meer inzake de reductie van de emissies uit huisverwarming en wegvervoer, die leerrijk en stimulerend kunnen zijn voor de nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging en de uitvoering ervan.

Artikel 13 Evaluatie
Artikel 14 Toegang tot informatie
Artikel 15 Samenwerking met derde landen en coördinatie binnen internationale organisaties

Artikel 15

Samenwerking met derde landen en coördinatie binnen internationale organisaties

De Unie en in voorkomend geval de lidstaten streven, onverminderd artikel 218 VWEU, naar bilaterale en multilaterale samenwerking met derde landen en naar coördinatie met relevante internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (United Nations Environment Programme — UNEP), de VN/ECE, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (Food and Agriculture Organization of the United Nations — FAO), de Internationale Maritieme Organisatie (International Maritime Organization — IMO) en de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (International Civil Aviation Organization — ICAO), door onder meer informatie uit te wisselen op het gebied van technisch en wetenschappelijk onderzoek en technische en wetenschappelijke ontwikkeling, om aldus een betere basis voor het faciliteren van emissiereducties te verkrijgen.

Artikel 16 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 17 Comitéprocedure
Artikel 18 Sancties

Artikel 18

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 19 Wijziging van Richtlijn 2003/35/EG

Artikel 19

Wijziging van Richtlijn 2003/35/EG

In bijlage I bij Richtlijn 2003/35/EG wordt het volgende punt toegevoegd:

„g) artikel 6, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG ( *1 ).

Artikel 20 Omzetting
Artikel 21 Intrekking en overgangsbepalingen
Artikel 22 Inwerkingtreding

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op 31 december 2016.

Artikel 23 Adressaten

Artikel 23

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I




BIJLAGE I

MONITORING EN RAPPORTAGE VAN EMISSIES IN DE ATMOSFEER



Tabel A

Voorschriften inzake de jaarlijkse emissierapportage als bedoeld in artikel 8, lid 1, eerste alinea

Onderdeel

Verontreinigende stoffen

Tijdreeks

Rapportagedata

Totale nationale emissies per NFR (1) broncategorie (2)

— SO2, NOx, NMVOS, NH3, CO

— zware metalen (Cd, Hg, Pb) (3)

— POP's (4) (totale PAK's (5), benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen indeen(1,2,3-cd)pyreen, dioxine/furaan, PCB's (6), HCB (7))

Jaarlijks, vanaf 1990 tot aan rapportagejaar minus 2 (X-2)

15 februari (9)

Totale nationale emissies per NFR-broncategorie (2)

—  PM2,5, PM10 (8) en, indien voorhanden, zwarte koolstof

Jaarlijks, vanaf 2000 tot aan rapportagejaar minus 2 (X-2)

15 februari (9)

(1)   

Rapportagenomenclatuur (nomenclature for reporting — NFR) zoals vastgesteld in het LRTAP-verdrag.

(2)   

natuurlijke emissies worden gerapporteerd overeenkomstig de methoden uit het LRTAP-verdrag en het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen (EMEP/EEA air pollutant emission inventory guidebook). Zij worden niet opgenomen in de nationale totalen en worden afzonderlijk gerapporteerd.

(3)   

Cd (cadmium), Hg (kwik), Pb (lood).

(4)   

POP's (persistente organische verontreinigende stoffen).

(5)   

PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen).

(6)   

PCB's (polychloorbifenylen).

(7)   

HCB (hexachloorbenzeen).

(8)   

„PM10”: deeltjes met een aerodynamische diameter gelijk aan of kleiner dan 10 μm (μm).

(9)   

in het geval van fouten worden de rapportages uiterlijk binnen vier weken opnieuw ingediend met een duidelijke toelichting op de aangebrachte wijzigingen.



Tabel B

Voorschriften inzake de jaarlijkse emissierapportage als bedoeld in artikel 8, lid 1, tweede alinea

Onderdeel

Verontreinigende stoffen

Tijdreeks

Rapportagedatum

Totale nationale emissies per NFR-broncategorie (1)

— zware metalen (As, Cr, Cu, Ni, Se en Zn en hun verbindingen) (2)

— totale stof in suspensie (TSP (3))

Jaarlijks, vanaf 1990 (2000 voor TSP) tot aan rapportagejaar minus 2 (X-2)

15 februari

(1)   

natuurlijke emissies worden gerapporteerd overeenkomstig de methoden uit het LRTAP-verdrag en het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen (EMEP/EEA air pollutant emission inventory guidebook). Zij worden niet opgenomen in de nationale totalen en worden afzonderlijk gerapporteerd.

(2)   

As (arseen), Cr (chroom), Cu (koper), Ni (nikkel), Se (selenium), Zn (zink).

(3)   

TSP (total suspended particles (totale stof in suspensie)).

▼M1



Tabel C

Voorschriften inzake de rapportage van emissies en prognoses, als bedoeld in artikel 8, lid 2

Onderdeel

Verontreinigende stoffen

Tijdreeks/streefjaren

Rapportagedata

Nationale rastergegevens van emissies per broncategorie (GNFR)

— SO2, NOx, NMVOS, CO, NH3, PM10, PM2,5

— zware metalen (Cd, Hg, Pb)

— POP’s (totaal PAK’s, HCB, PCB’s, dioxine/furaan)

— zwarte koolstof (indien voorhanden)

Om de vier jaar voor rapportagejaar minus 2 (X-2)

vanaf 2017

1 mei (1)

Grote puntbronnen (Large Point Sources — LPS) per broncategorie (GNFR)

— SO2, NOx, NMVOS, CO, NH3, PM10, PM2,5

— zware metalen (Cd, Hg, Pb)

— POP’s (totaal PAK’s, HCB, PCB’s, dioxine/furaan)

— zwarte koolstof (indien voorhanden)

Om de vier jaar voor rapportagejaar minus 2 (X-2)

vanaf 2017

1 mei (1)

Emissieprognoses per NFR-broncategorie

— SO2, NOx, NH3, NMVOS, PM2,5 en, indien voorhanden, zwarte koolstof

Om de twee jaar, met betrekking tot de projectiejaren 2020, 2025, 2030 en, indien beschikbaar, 2040 en 2050

vanaf 2017

15 maart

(1)   

In het geval van fouten worden de rapportages binnen vier weken opnieuw ingediend met een duidelijke toelichting op de aangebrachte wijzigingen.

▼B



Tabel D

Voorschriften inzake de jaarlijkse rapportage door middel van het informatief inventarisrapport als bedoeld in artikel 8, lid 3

Onderdeel

Verontreinigende stoffen

Tijdreeks/streefjaren

Rapportagedata

Informatief inventarisatierapport

— SO2, NOx, NMVOS, NH3, CO, PM2,5, PM10

— zware metalen (Cd, Hg, Pb) en zwarte koolstof

— POP's (totale PAK's, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen indeen(1,2,3-cd)pyreen, dioxine/furaan, PCB's, HCB)

— Indien voorhanden, zware metalen (As, Cr, Cu, Ni, Se en Zn en hun verbindingen) en TSP (totale stof in suspensie)

Alle jaren

(zoals aangeven in de tabellen A-B-C)

15 maart

BIJLAGE II




BIJLAGE II

NATIONALE EMISSIEREDUCTIEVERBINTENISSEN



Tabel A

Lidstaat

SO2-reductie t.o.v. 2005

NOx-reductie t.o.v. 2005

NMVOS-reductie t.o.v. 2005

Voor elk jaar vanaf 2020 tot en met 2029

 

Voor elk jaar vanaf 2030

Voor elk jaar vanaf 2020 tot en met 2029

 

Voor elk jaar vanaf 2030

Voor elk jaar vanaf 2020 tot en met 2029

 

Voor elk jaar vanaf 2030

België

43 %

 

66 %

41 %

 

59 %

21 %

 

35 %

Bulgarije

78 %

 

88 %

41 %

 

58 %

21 %

 

42 %

Tsjechië

45 %

 

66 %

35 %

 

64 %

18 %

 

50 %

Denemarken

35 %

 

59 %

56 %

 

68 %

35 %

 

37 %

Duitsland

21 %

 

58 %

39 %

 

65 %

13 %

 

28 %

Estland

32 %

 

68 %

18 %

 

30 %

10 %

 

28 %

Griekenland

74 %

 

88 %

31 %

 

55 %

54 %

 

62 %

Spanje

67 %

 

88 %

41 %

 

62 %

22 %

 

39 %

Frankrijk

55 %

 

77 %

50 %

 

69 %

43 %

 

52 %

Kroatië

55 %

 

83 %

31 %

 

57 %

34 %

 

48 %

Ierland

65 %

 

85 %

49 %

 

69 %

25 %

 

32 %

Italië

35 %

 

71 %

40 %

 

65 %

35 %

 

46 %

Cyprus

83 %

 

93 %

44 %

 

55 %

45 %

 

50 %

Letland

8 %

 

46 %

32 %

 

34 %

27 %

 

38 %

Litouwen

55 %

 

60 %

48 %

 

51 %

32 %

 

47 %

Luxemburg

34 %

 

50 %

43 %

 

83 %

29 %

 

42 %

Hongarije

46 %

 

73 %

34 %

 

66 %

30 %

 

58 %

Malta

77 %

 

95 %

42 %

 

79 %

23 %

 

27 %

Nederland

28 %

 

53 %

45 %

 

61 %

8 %

 

15 %

Oostenrijk

26 %

 

41 %

37 %

 

69 %

21 %

 

36 %

Polen

59 %

 

70 %

30 %

 

39 %

25 %

 

26 %

Portugal

63 %

 

83 %

36 %

 

63 %

18 %

 

38 %

Roemenië

77 %

 

88 %

45 %

 

60 %

25 %

 

45 %

Slovenië

63 %

 

92 %

39 %

 

65 %

23 %

 

53 %

Slowakije

57 %

 

82 %

36 %

 

50 %

18 %

 

32 %

Finland

30 %

 

34 %

35 %

 

47 %

35 %

 

48 %

Zweden

22 %

 

22 %

36 %

 

66 %

25 %

 

36 %

Verenigd Koninkrijk

59 %

 

88 %

55 %

 

73 %

32 %

 

39 %

EU-28

59 %

 

79 %

42 %

 

63 %

28 %

 

40 %

(*1)   

Lidstaten die ervoor kunnen kiezen om het op basis van de gebruikte hoeveelheid brandstof berekende totaal aan nationale emissies te gebruiken als criterium voor naleving van het LRTAP-verdrag, kunnen die keuze behouden met het oog op de samenhang tussen het internationale recht en het Unierecht.



Tabel B

Lidstaat

NH3-reductie t.o.v. 2005

PM2,5-reductie t.o.v. 2005

Voor elk jaar vanaf 2020 tot en met 2029

 

Voor elk jaar vanaf 2030

Voor elk jaar vanaf 2020 tot en met 2029

 

Voor elk jaar vanaf 2030

België

2 %

 

13 %

20 %

 

39 %

Bulgarije

3 %

 

12 %

20 %

 

41 %

Tsjechië

7 %

 

22 %

17 %

 

60 %

Denemarken

24 %

 

24 %

33 %

 

55 %

Duitsland

5 %

 

29 %

26 %

 

43 %

Estland

1 %

 

1 %

15 %

 

41 %

Griekenland

7 %

 

10 %

35 %

 

50 %

Spanje

3 %

 

16 %

15 %

 

50 %

Frankrijk

4 %

 

13 %

27 %

 

57 %

Kroatië

1 %

 

25 %

18 %

 

55 %

Ierland

1 %

 

5 %

18 %

 

41 %

Italië

5 %

 

16 %

10 %

 

40 %

Cyprus

10 %

 

20 %

46 %

 

70 %

Letland

1 %

 

1 %

16 %

 

43 %

Litouwen

10 %

 

10 %

20 %

 

36 %

Luxemburg

1 %

 

22 %

15 %

 

40 %

Hongarije

10 %

 

32 %

13 %

 

55 %

Malta

4 %

 

24 %

25 %

 

50 %

Nederland

13 %

 

21 %

37 %

 

45 %

Oostenrijk

1 %

 

12 %

20 %

 

46 %

Polen

1 %

 

17 %

16 %

 

58 %

Portugal

7 %

 

15 %

15 %

 

53 %

Roemenië

13 %

 

25 %

28 %

 

58 %

Slovenië

1 %

 

15 %

25 %

 

60 %

Slowakije

15 %

 

30 %

36 %

 

49 %

Finland

20 %

 

20 %

30 %

 

34 %

Zweden

15 %

 

17 %

19 %

 

19 %

Verenigd Koninkrijk

8 %

 

16 %

30 %

 

46 %

EU-28

6 %

 

19 %

22 %

 

49 %

(*1)   

Lidstaten die ervoor kunnen kiezen om het op basis van de gebruikte hoeveelheid brandstof berekende totaal aan nationale emissies te gebruiken als criterium voor naleving van het LRTAP-verdrag, kunnen die keuze behouden met het oog op de samenhang tussen het internationale recht en het Unierecht.

BIJLAGE III




BIJLAGE III

INHOUD VAN DE NATIONALE PROGRAMMA'S TER BEHEERSING VAN DE LUCHTVERONTREINIGING ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 6 EN 10

DEEL 1

Minimuminhoud van nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging

1. De initiële nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging als bedoeld in de artikelen 6 en 10 bevatten ten minste:

a) 

het nationale beleidskader voor luchtkwaliteit en -verontreiniging in het kader waarvan het programma is ontwikkeld, waaronder:

i) 

de beleidsprioriteiten en hun relatie met de op andere relevante beleidsterreinen vastgestelde prioriteiten, waaronder klimaatverandering en, waar van toepassing, landbouw, industrie en vervoer;

ii) 

de aan de nationale, regionale en lokale autoriteiten toegewezen verantwoordelijkheden;

iii) 

de vooruitgang die is geboekt met de huidige beleidslijnen en maatregelen voor de vermindering van emissies en de verbetering van de luchtkwaliteit, en de mate van nakoming van de nationale verplichtingen en Unieverplichtingen;

iv) 

de geprojecteerde verdere ontwikkeling uitgaande van de veronderstelling dat er geen veranderingen worden aangebracht in de reeds vastgestelde beleidslijnen en maatregelen;

b) 

de overwogen beleidsopties om te voldoen aan de emissiereductieverbintenissen voor de periode tussen 2020 en 2029 en vanaf 2030 en verder en aan de intermediaire emissieniveaus voor 2025, en om bij te dragen aan de verdere verbetering van de luchtkwaliteit en de analyse ervan, met inbegrip van de analysemethode; indien voorhanden, het individuele of gecombineerde effect van het beleid en de maatregelen inzake emissiereducties, luchtkwaliteit en milieu, en de daaraan gerelateerde onzekerheden;

c) 

de voor vaststelling geselecteerde beleidslijnen en maatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor de vaststelling, de uitvoering en de herziening ervan en de verantwoordelijke bevoegde autoriteiten;

d) 

in voorkomend geval een toelichting waarom de indicatieve emissieniveaus voor 2025 niet gehaald kunnen worden zonder maatregelen die buitensporige kosten met zich brengen;

e) 

in voorkomend geval, een overzicht van het gebruik van de in artikel 5 bedoelde vormen van flexibiliteit en de eventuele gevolgen van dat gebruik voor het milieu;

f) 

een beoordeling van de wijze waarop de geselecteerde beleidslijnen en maatregelen zorgen voor samenhang met op andere relevante beleidsterreinen opgestelde plannen en programma's.

2. De geactualiseerde versies van het nationale programma ter beheersing van de luchtverontreiniging als bedoeld in de artikelen 6 en 10 bevatten tenminste:

a) 

een beoordeling van de vooruitgang bij de uitvoering van het programma, de emissiereductie en de concentratievermindering;

b) 

alle belangrijke veranderingen in de beleidscontext, de beoordelingen, het programma of het tijdschema voor de uitvoering ervan.

DEEL 2

Emissiereductiemaatregelen als bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede alinea

De lidstaten houden rekening met het toepasselijke Ammoniak-richtsnoer, en maken gebruik van de best beschikbare technieken overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU.

A.   Maatregelen voor de beheersing van ammoniakemissies

1. De lidstaten stellen een nationale gedragscode op voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies, rekening houdend met de gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de reductie van ammoniakemissies van de VN/ECE van 2014, waarin ten minste de volgende punten zijn opgenomen:

a) 

stikstofbeheer met inachtneming van de gehele stikstofkringloop;

b) 

veevoederstrategieën;

c) 

technieken voor het emissiearm verspreiden van mest;

d) 

systemen voor het emissiearm opslaan van mest;

e) 

emissiearme dierenverblijfsystemen;

f) 

mogelijkheden voor het beperken van ammoniakemissies bij het gebruik van minerale meststoffen.

2. De lidstaten kunnen een nationaal stikstofbudget opstellen om toezicht te houden op de veranderingen in de totale verliezen van reactief stikstof uit de landbouw, waaronder ammoniak, stikstofoxiden, ammonium, nitraten en nitrieten, op basis van de beginselen die zijn vastgesteld in het document met richtsnoeren voor stikstofbudgetten van de VN/ECE ( 9 ).

3. De lidstaten verbieden het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat en kunnen de ammoniakemissies uit anorganische meststoffen verminderen aan de hand van de volgende benaderingen:

a) 

het vervangen van meststoffen op basis van ureum door meststoffen op basis van ammoniumnitraat;

b) 

daar waar meststoffen op basis van ureum nog steeds worden gebruikt, het toepassen van methoden waarvan is aangetoond dat zij een ammoniakemissiereductie opleveren van ten minste 30 % in vergelijking met de toepassing van de in het Ammoniak-richtsnoer vermelde referentiemethode;

c) 

het bevorderen van de vervanging van anorganische meststoffen door organische meststoffen en, waar anorganische meststoffen nog steeds worden gebruikt, het verspreiden ervan overeenkomstig de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen of het grasland, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het bestaande nutriëntengehalte in de bodem en de nutriënten uit andere meststoffen.

4. De lidstaten kunnen de ammoniakemissies uit dierlijke mest verminderen aan de hand van de volgende benaderingen:

a) 

het verminderen van emissies uit de toediening van drijfmest en vaste mest aan bouwland of grasland, door het toepassen van methoden die een emissiereductie opleveren van ten minste 30 % in vergelijking met de in het Ammoniak-richtsnoer omschreven referentiemethode en onder de volgende voorwaarden:

i) 

mest en drijfmest worden uitsluitend verspreid volgens de te verwachten stikstof- en fosforbehoeften van het gewas of het grasland, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het bestaande nutriëntengehalte in de bodem en de nutriënten uit andere meststoffen;

ii) 

mest en drijfmest worden niet verspreid op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land;

iii) 

op grasland verspreide drijfmest wordt toegediend met behulp van een sleepslang of sleepvoet of door middel van oppervlakkige of diepe injectie;

iv) 

op bouwland verspreide mest en drijfmest worden binnen vier uur na verspreiding in de bodem verwerkt;

b) 

het verminderen van emissies uit de opslag van mest buiten dierenverblijven aan de hand van de volgende benaderingen:

i) 

voor nieuwe, na 1 januari 2022 gebouwde drijfmestopslaginrichtingen, het gebruiken van emissiearme opslagsystemen of -technieken waarvan is aangetoond dat zij een ammoniakemissiereductie opleveren van ten minste 60 % in vergelijking met de in het Ammoniak-richtsnoer omschreven referentiemethode, en voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen van ten minste 40 %;

ii) 

het overdekken van opslagplaatsen voor vaste mest;

iii) 

ervoor zorgen dat landbouwbedrijven over voldoende mestopslagcapaciteit beschikken om de mest uitsluitend te verspreiden gedurende voor de gewasgroei geschikte perioden;

c) 

het verminderen van emissies uit dierenverblijven, door het gebruiken van systemen waarvan is aangetoond dat zij een ammoniakemissiereductie opleveren van ten minste 20 % in vergelijking met de in het Ammoniak-richtsnoer omschreven referentiemethode;

d) 

het verminderen van emissies uit mest, door het toepassen van eiwitarme voederstrategieën waarvan is aangetoond dat zij een ammoniakemissiereductie opleveren van ten minste 10 % in vergelijking met de in het Ammoniak-richtsnoer omschreven referentiemethode.

B.   Emissiereductiemaatregelen ter beheersing van de emissies van fijnstof en zwarte koolstof

1. Onverminderd bijlage II inzake randvoorwaarden bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ) kunnen de lidstaten het in de open lucht verbranden van oogstresten en -afval en bosbouwresten verbieden.

De lidstaten monitoren en handhaven de uitvoering van elk overeenkomstig de eerste alinea uitgevoerd verbod. Uitzonderingen op dit verbod zijn beperkt tot preventieve programma's ter voorkoming van ongecontroleerde branden, ter bestrijding van plagen of ter bescherming van de biodiversiteit.

2. De lidstaten kunnen een nationale gedragscode opstellen met adviezen voor goede landbouwpraktijken voor een goed beheer van oogstafval op basis van de volgende benaderingen:

a) 

het verbeteren van de bodemstructuur door het inbrengen van oogstafval;

b) 

verbeterde technieken voor het inbrengen van oogstafval;

c) 

alternatief gebruik van oogstafval;

d) 

het verbeteren van het nutriëntengehalte en de bodemstructuur door het inbrengen van mest overeenkomstig hetgeen is vereist voor een optimale groei van planten, waardoor het verbranden van mest wordt vermeden (stalmest, ligstro).

C.   Preventie van effecten voor kleine landbouwbedrijven

Bij het nemen van de onder A en B beschreven maatregelen zorgen de lidstaten ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met de effecten voor kleine en microlandbouwbedrijven.

Lidstaten kunnen kleine en microlandbouwbedrijven bijvoorbeeld van die maatregelen vrijstellen, waar mogelijk en passend gezien de toepasselijke reductieverbintenissen.

ANNEX IV




ANNEX IV

METHODOLOGIES FOR THE PREPARATION AND UPDATING OF NATIONAL EMISSION INVENTORIES AND PROJECTIONS, INFORMATIVE INVENTORY REPORTS AND ADJUSTED NATIONAL EMISSION INVENTORIES REFERRED TO IN ARTICLES 5 AND 8

For the pollutants referred to in Annex I, Member States shall prepare national emission inventories, adjusted national emission inventories where relevant, national emission projections, spatially disaggregated national emission inventories, large point source inventories and informative inventory reports, using the methodologies adopted by Parties to the LRTAP Convention (EMEP Reporting Guidelines), and are requested to use the EMEP/EEA air pollutant emission inventory Guidebook (EMEP/EEA Guidebook) referred to therein. In addition, supplementary information, in particular the activity data, needed for the assessment of the national emission inventories and projections shall be prepared in accordance with the same guidelines.

Reliance upon the EMEP Reporting Guidelines is without prejudice to the additional arrangements specified in this Annex and to the requirements on reporting nomenclature, time series and reporting dates specified in Annex I.

PART 1

National annual emission inventories

1. National emission inventories shall be transparent, consistent, comparable, complete and accurate.

2. Emissions from identified key categories shall be calculated in accordance with the methodologies defined in the EMEP/EEA Guidebook and with the aim of using a Tier 2 or higher (detailed) methodology.

Member States may use other scientifically based and compatible methodologies for establishing national emission inventories where those methodologies produce more accurate estimates than the default methodologies set out in the EMEP/EEA Guidebook.

3. For emissions from transport, Member States shall calculate and report emissions consistent with national energy balances reported to Eurostat.

4. Emissions from road transport shall be calculated and reported on the basis of the fuels sold ( 11 ) in the Member State concerned. In addition, Member States may also report emissions from road transport based on fuels used or kilometres driven in the Member State.

5. Member States shall report their annual national emissions expressed in the applicable unit specified in the NFR reporting template of the LRTAP Convention.

PART 2

National emission projections

1. National emission projections shall be transparent, consistent, comparable, complete and accurate and reported information shall include at least the following:

(a) 

clear identification of the adopted and planned policies and measures included in the projections;

(b) 

where appropriate, the results of sensitivity analysis performed for the projections;

(c) 

a description of methodologies, models, underlying assumptions and key input and output parameters.

▼M1

2. Projections of emissions shall be estimated and reported by NFR source category. Where not possible due to lack of sufficiently detailed data, a justification for reporting at a more aggregated level shall be included in the Informative Inventory Report. Member States shall provide a ‘with measures’ (adopted measures) projection and, where relevant, a ‘with additional measures’ (planned measures) projection for each pollutant in accordance with the guidance established in the EMEP/EEA Guidebook.

▼B

3. National emission projections shall be consistent with the national annual emission inventory for the year x-3 and with projections reported under Regulation (EU) No 525/2013 of the European Parliament and of the Council ( 12 ).

PART 3

Informative inventory report

The informative inventory reports shall be prepared in accordance with the EMEP Reporting Guidelines and reported using the template for inventory reports as specified therein. The inventory report shall include, as a minimum, the following information:

(a) 

descriptions, references and sources of information of the specific methodologies, assumptions, emission factors and activity data, as well as the rationale for their selection;

(b) 

a description of the national key categories of emission sources;

(c) 

information on uncertainties, quality assurance and verification;

(d) 

a description of the institutional arrangements for inventory preparation;

(e) 

recalculations and planned improvements;

(f) 

if relevant, information on the use of the flexibilities provided for under Article 5(1), (2), (3) and (4);

(g) 

if relevant, information on the reasons for deviating from the reduction trajectory determined in accordance with Article 4(2), as well as the measures to converge back on the trajectory;

(h) 

an executive summary.

PART 4

Adjustment of national emission inventories

1. A Member State that proposes an adjustment to its national emission inventory in accordance with Article 5(1) shall include in its proposal to the Commission, at least, the following supporting documentation:

(a) 

evidence that the concerned national emission reduction commitment/s is/are exceeded;

(b) 

evidence of the extent to which the adjustment to the emission inventory reduces the exceedance and contributes to compliance with the concerned national emission reduction commitment/s;

(c) 

an estimation of whether and when the concerned national emission reduction commitment/s is/are expected to be attained based on national emission projections without the adjustment;

(d) 

evidence that the adjustment is consistent with one or several of the following three circumstances. Reference can be made, as appropriate, to relevant previous adjustments:

(i) 

in the case of new emission source categories:

— 
evidence that the new emission source category is acknowledged in scientific literature and/or the EMEP/EEA Guidebook;
— 
evidence that this source category was not included in the relevant historic national emission inventory at the time when the emission reduction commitment was set;
— 
evidence that emissions from a new source category contribute to a Member State being unable to meet its emission reduction commitments, supported by a detailed description of the methodology, data and emission factors used to arrive at that conclusion;
(ii) 

in the case of significantly different emission factors used for determining emissions from specific source categories:

— 
a description of the original emission factors, including a detailed description of the scientific basis upon which the emission factor was derived;
— 
evidence that the original emission factors were used for determining the emission reductions at the time when they were set;
— 
a description of the updated emission factors, including detailed information on the scientific basis upon which the emission factor was derived;
— 
a comparison of emission estimates made using the original and the updated emission factors, demonstrating that the change in emission factors contributes to a Member State being unable to meet its reduction commitments;
— 
the rationale for deciding whether the changes in emission factors are significant;
(iii) 

in the case of significantly different methodologies used for determining emissions from specific source categories:

— 
a description of the original methodology used, including detailed information on the scientific basis upon which the emission factor was derived;
— 
evidence that the original methodology was used for determining the emission reductions at the time when they were set;
— 
a description of the updated methodology used, including a detailed description of the scientific basis or reference upon which it has been derived;
— 
a comparison of emission estimates made using the original and updated methodologies demonstrating that the change in methodology contributes to a Member State being unable to meet its reduction commitment;
— 
the rationale for deciding whether the change in methodology is significant.

2. Member States may submit the same supporting information for adjustment procedures based on similar preconditions, provided that each Member State submits the required individual country-specific information as set out in paragraph 1.

3. Member States shall recalculate adjusted emissions to ensure consistency, to the extent possible, of the time series for every year that the adjustment/s is/are applied.

BIJLAGE IV




BIJLAGE IV

METHODEN VOOR HET OPSTELLEN EN ACTUALISEREN VAN DE NATIONALE EMISSIE-INVENTARI INFORMATIEVE INVENTARISRAPPORTEN EN AANGEPASTE NATIONALE EMISSIE-INVENTARISSEN ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 5 EN 8

De lidstaten stellen nationale emissie-inventarissen, in voorkomend geval aangepaste nationale emissie-inventarissen, nationale emissieprognoses, ruimtelijk gedesaggregeerde nationale emissie-inventarissen en inventarissen van grote puntbronnen en informatieve inventarisrapporten op voor de verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage I, met gebruikmaking van de methoden die zijn vastgesteld door de partijen bij het LRTAP-verdrag (rapportagerichtsnoeren van EMEP), en worden verzocht gebruik te maken van het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen (EMEP/EEA-richtsnoer) waarnaar daarin wordt verwezen. Bovendien worden in overeenstemming met dezelfde richtsnoeren aanvullende gegevens opgesteld, met name de activiteitengegevens, die nodig zijn voor de beoordeling van de nationale emissie-inventarissen en emissieprognoses.

De toepassing van de rapportagerichtsnoeren van EMEP laat de in deze bijlage bepaalde aanvullende regelingen evenals de rapportagevoorschriften inzake nomenclatuur, tijdreeksen en rapportagedata als omschreven in bijlage I onverlet.

DEEL 1

Nationale jaarlijkse emissie-inventarissen

1. De nationale emissie-inventarissen zijn transparant, consistent, vergelijkbaar, volledig en nauwkeurig.

2. De emissies van de geïdentificeerde hoofdcategorieën worden berekend overeenkomstig de methoden die zijn vastgesteld in het EMEP/EEA-richtsnoer, waarbij ernaar wordt gestreefd de Tier 2- of een hogere (meer gedetailleerde) methode toe te passen.

De lidstaten kunnen voor het tot stand brengen van nationale emissie-inventarissen andere compatibele wetenschappelijke methoden gebruiken als die methoden nauwkeurigere ramingen opleveren dan de in het EMEP/EEA-richtsnoer vastgestelde standaardmethoden.

3. De emissies door vervoer worden door de lidstaten berekend en gerapporteerd in overeenstemming met de aan Eurostat meegedeelde nationale energiebalansen.

4. De emissies van het wegvervoer worden berekend en gerapporteerd op basis van de in de betrokken lidstaat verkochte hoeveelheid brandstof ( 11 ). Daarnaast kunnen de lidstaten de emissies van het wegvervoer ook rapporteren op basis van de gebruikte hoeveelheid brandstof of het aantal in de lidstaat afgelegde kilometers.

5. De lidstaten rapporteren hun jaarlijkse nationale emissies in de toepasselijke eenheid als omschreven in het NFR-rapportagemodel van het LRTAP-verdrag.

DEEL 2

Nationale emissieprognoses

1. De nationale emissieprognoses zijn transparant, consistent, vergelijkbaar, volledig en nauwkeurig en de gerapporteerde informatie bevat ten minste:

a) 

een duidelijke identificatie van de in de prognoses opgenomen, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen;

b) 

waar passend, de resultaten van een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd met betrekking tot de prognoses;

c) 

een beschrijving van de methoden, modellen, onderliggende aannames en belangrijkste input- en outputparameters.

▼M1

2. De emissieprognoses worden geraamd en gerapporteerd per NFR-broncategorie. Als dit door een gebrek aan voldoende gedetailleerde gegevens niet mogelijk is, wordt in het informatief inventarisrapport een motivering voor een rapportage op een meer geaggregeerd niveau opgenomen. De lidstaten verstrekken per verontreinigende stof een prognose „met bestaande maatregelen” (vastgestelde maatregelen) en, indien van toepassing, een prognose „met aanvullende maatregelen” (geplande maatregelen) in overeenstemming met de richtsnoeren als vastgesteld in het EMEP/EEA-richtsnoer.

▼B

3. De nationale emissieprognoses zijn in overeenstemming met de nationale jaarlijkse emissie-inventaris voor het jaar x-3 en met de prognoses die zijn gerapporteerd uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ).

DEEL 3

Informatief inventarisrapport

De informatieve inventarisrapporten worden opgesteld in overeenstemming met de rapportagerichtsnoeren van EMEP en gerapporteerd met gebruikmaking van het daarin opgenomen model voor inventarisrapporten. Het inventarisrapport bevat ten minste de volgende informatie:

a) 

beschrijvingen, referenties en informatiebronnen met betrekking tot de specifieke methoden, veronderstellingen, emissiefactoren en activiteitsgegevens, alsmede een motivering van de gemaakte keuze;

b) 

een omschrijving van de nationale hoofdcategorieën van emissiebronnen;

c) 

informatie over onzekerheden, kwaliteitsborging en verificatie;

d) 

een beschrijving van de institutionele regelingen inzake de opstelling van de inventaris;

e) 

herberekeningen en geplande verbeteringen;

f) 

indien van toepassing, informatie over het gebruik van de vormen van flexibiliteit op grond van artikel 5, leden 1, 2, 3 en 4;

g) 

indien van toepassing, informatie over de redenen waarom wordt afgeweken van het in overeenstemming met artikel 4, lid 2, vastgestelde reductietraject, alsook de maatregelen om op dit traject terug te keren;

h) 

een samenvatting.

DEEL 4

Aanpassing van de nationale emissie-inventarissen

1. Een lidstaat die een aanpassing van zijn nationale emissie-inventaris voorstelt in overeenstemming met artikel 5, lid 1, voegt bij zijn voorstel aan de Commissie ten minste de volgende ondersteunende documenten:

a) 

bewijs dat de betreffende nationale emissiereductieverbintenis(sen) is/zijn overschreden;

b) 

bewijs van de mate waarin de aanpassing van de emissie-inventaris de overschrijding vermindert en bijdraagt aan de naleving van de desbetreffende nationale emissiereductieverbintenis(sen);

c) 

een beoordeling van de vraag of en wanneer naar verwachting aan de desbetreffende nationale emissiereductieverbintenis(sen) zal zijn voldaan op basis van de nationale emissieprognoses zonder de aanpassing;

d) 

bewijs dat de aanpassing overeenkomt met een of meer van de drie onderstaande omstandigheden. Daarbij kan in voorkomend geval worden verwezen naar relevante eerdere aanpassingen:

i) 

in het geval van nieuwe emissiebroncategorieën:

— 
bewijs dat de nieuwe emissiebroncategorie is erkend in de wetenschappelijke literatuur en/of in het EMEP/EEA-richtsnoer;
— 
bewijs dat deze broncategorie niet was opgenomen in de relevante historische nationale emissie-inventaris op het moment dat de emissiereductieverbintenis werd vastgesteld;
— 
bewijs dat de emissies van nieuwe broncategorieën ertoe bijdragen dat een lidstaat niet kan voldoen aan zijn emissiereductieverbintenissen, en dat wordt gestaafd door een gedetailleerde beschrijving van de methoden, gegevens en emissiefactoren die zijn gebruikt om tot die conclusie te komen;
ii) 

in het geval van significant verschillende emissiefactoren die zijn gebruikt voor het bepalen van de emissies van specifieke broncategorieën:

— 
een omschrijving van de oorspronkelijke emissiefactoren, waaronder een nauwkeurige omschrijving van de wetenschappelijke grondslag waar de emissiefactor van is afgeleid;
— 
bewijs dat de oorspronkelijke emissiefactoren zijn gebruikt voor het bepalen van de emissiereducties op het moment dat deze werden vastgesteld;
— 
een omschrijving van de geactualiseerde emissiefactoren, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de wetenschappelijke grondslag waar de emissiefactor van is afgeleid;
— 
een vergelijking tussen de emissieramingen die zijn gemaakt met behulp van de oorspronkelijke en de geactualiseerde emissiefactoren, waaruit blijkt dat een lidstaat mede als gevolg van de wijziging in de emissiefactoren niet aan zijn reductieverbintenissen kan voldoen;
— 
de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit of de veranderingen in de emissiefactoren al dan niet significant zijn;
iii) 

in het geval van significant verschillende methoden die worden gebruikt voor het bepalen van de emissies van specifieke broncategorieën:

— 
een omschrijving van de oorspronkelijk gebruikte methoden, met inbegrip van nauwkeurige informatie over de wetenschappelijke grondslag waar de emissiefactor van is afgeleid;
— 
bewijs dat de oorspronkelijke methoden zijn gebruikt voor het bepalen van de emissiereducties op het moment dat deze werden vastgesteld;
— 
een omschrijving van de gebruikte geactualiseerde methoden, met inbegrip van een nauwkeurige omschrijving van de wetenschappelijke grondslag of referentie waarvan deze is afgeleid;
— 
een vergelijking tussen de emissieramingen die zijn gemaakt met behulp van de oorspronkelijke en de geactualiseerde methoden, waaruit blijkt dat een lidstaat mede als gevolg van de wijziging in de methoden niet aan zijn reductieverbintenis kan voldoen;
— 
de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit of de verandering in de methoden al dan niet significant is.

2. De lidstaten kunnen dezelfde ondersteunende informatie indienen voor aanpassingsprocedures die zijn gebaseerd op vergelijkbare voorwaarden, mits elke lidstaat de verzochte individuele landenspecifieke informatie verstrekt als vervat in lid 1.

3. De lidstaten maken een herberekening van de aangepaste emissies om zo veel mogelijk te zorgen voor consistentie van de tijdreeksen voor elk jaar dat de aanpassing(en) word(t)en toegepast.

ANNEX VI




ANNEX VI

CORRELATION TABLE



Directive 2001/81/EC

This Directive

Article 1

Article 1

Article 2, 1st subparagraph, and 2nd subparagraph, points (c), (d) and (e)

Article 2

Article 3, point (e)

Article 3, point (1)

—

Article 3, points (2), (3), (4), (5), (8), (9), (12) and (13)

Article 3, point (i)

Article 3, point (6)

Article 3, point (k)

Article 3, point (7)

Article 3, point (h)

Article 3, point (10)

Article 3, point (g)

Article 3, point (11)

Article 4

Article 4(1) and (2)

Article 2, 2nd subparagraph, points (a) and (b)

Article 4(3)

—

Article 5

Article 6(1)

Article 6(1)

Article 6(2)

Article 6(2), (5) to(10)

Article 6(3)

Article 6(3) and (4)

—

Article 7

Article 7(1)

Article 8(1), first subparagraph

—

Article 8(1), second subparagraph, (2) to (4)

Article 7(2)

Article 8(5)

Article 7(3)

Article 8(6)

Article 7(4)

Article 8(7)

—

Article 9

Article 8(2)

Article 10(1)

Article 8(1)

Article 10(2)

—

Article 10(3) and (4)

Article 9

Article 11

—

Article 12

Article 10

Article 13

Article 6(4)

Article 14(1)

Article 7(3) and Article 8(3)

Article 14(2) and (3)

Article 11

Article 15

Article 13(3)

Article 16

Article 13(1) and (2)

Article 17

Article 14

Article 18

—

Article 19

Article 15

Article 20

—

Article 21

Article 16

Article 22

Article 17

Article 23

Article 8(1) and Annex III

Annex I

Annex I

Annex II

—

Annexes III, V and VI

Annex III

Annex IV

Verklaring van de Commissie over de evaluatie van methaanemissies


Verklaring van de Commissie over de evaluatie van methaanemissies

De Commissie is van mening dat er omwille van de luchtkwaliteit gegronde redenen zijn om de ontwikkeling van methaanemissies in de lidstaten te blijven evalueren, teneinde ozonconcentraties in de EU te beperken en de vermindering van methaan internationaal te bevorderen.

De Commissie bevestigt dat zij voornemens is om de gevolgen die methaanemissies hebben op het vervullen van de doelstellingen van artikel 1, lid 2, van de NEC-richtlijn verder te beoordelen op basis van de gemelde nationale emissiewaarden, en om maatregelen ter vermindering van die emissies in overweging te nemen en daartoe, waar dat gepast is, een wetsvoorstel in te dienen. In haar beoordeling zal de Commissie rekening houden met een aantal studies die momenteel op dit vlak worden verricht en naar verwachting in 2017 zullen worden afgerond, alsook met verdere internationale ontwikkelingen op dit gebied.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis