+RICHTLIJN (EU) 2018/2001 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Bindend algemeen streefcijfer van de Unie voor 2030
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Article 3 3a.
------+Article 3 3b.
------+Article 3 3c.
------+Article 3 3d.
------+Artikel 3 4.
------+Article 3 4a.
------+Artikel 3 5.
------+Artikel 3 6.
---+Artikel 4 Steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
------+Artikel 4 4.
------+Artikel 4 5.
------+Artikel 4 6.
------+Artikel 4 7.
------+Artikel 4 8.
------+Artikel 4 9.
---+Artikel 5 Openstelling van steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
---+Artikel 6 Stabiliteit van de financiële steun
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
---+Artikel 7 Berekening van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
------+Artikel 7 5.
------+Artikel 7 6.
---+Artikel 8 Unieplatform voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en statistische overdrachten tussen lidstaten
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
------+Artikel 8 5.
---+Artikel 9 Gezamenlijke projecten tussen lidstaten
------+Artikel 9 1.
------+Article 9 1a.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
------+Artikel 9 5.
------+Artikel 9 6.
------+Article 9 7a.
---+Artikel 10 Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
---+Artikel 11 Gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
------+Artikel 11 4.
------+Artikel 11 5.
------+Artikel 11 6.
------+Artikel 11 7.
------+Artikel 11 8.
---+Artikel 12 Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
---+Artikel 13 Gezamenlijke steunregelingen
------+Artikel 13 1.
------+Artikel 13 2.
------+Artikel 13 3.
------+Artikel 13 4.
---+Artikel 14 Capaciteitsverhogingen
---+Artikel 15 Administratieve procedures, voorschriften en regels
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Article 15 2a.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 8.
------+Artikel 15 9.
---+Artikel 15 bis Integratie van hernieuwbare energie in gebouwen
------+Artikel 15 bis 1.
------+Artikel 15 bis 2.
------+Artikel 15 bis 3.
------+Artikel 15 bis 4.
------+Artikel 15 bis 5.
------+Artikel 15 bis 6.
---+Artikel 15 ter In kaart brengen van gebieden die nodig zijn voor nationale bijdragen aan het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030
------+Artikel 15 ter 1.
------+Artikel 15 ter 2.
------+Artikel 15 ter 3.
------+Artikel 15 ter 4.
---+Artikel 15 quater Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
------+Artikel 15 quater 1.
------+Artikel 15 quater 2.
------+Artikel 15 quater 3.
------+Artikel 15 quater 4.
------+Artikel 15 quater 5.
---+Artikel 15 quinquies Inspraak van het publiek
------+Artikel 15 quinquies 1.
------+Artikel 15 quinquies 2.
---+Artikel 15 sexies Gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur die nodig is om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren
------+Artikel 15 sexies 1.
------+Artikel 15 sexies 2.
------+Artikel 15 sexies 3.
------+Artikel 15 sexies 4.
------+Artikel 15 sexies 5.
---+Artikel 16 Organisatie en belangrijkste beginselen van de vergunningsprocedure
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
------+Artikel 16 3.
------+Artikel 16 4.
------+Artikel 16 5.
------+Artikel 16 6.
------+Artikel 16 7.
------+Artikel 16 8.
------+Artikel 16 9.
---+Artikel 16 bis Vergunningsprocedure in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
------+Artikel 16 bis 1.
------+Artikel 16 bis 2.
------+Artikel 16 bis 3.
------+Artikel 16 bis 4.
------+Artikel 16 bis 5.
------+Artikel 16 bis 6.
---+Artikel 16 ter Vergunningsprocedure buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
------+Artikel 16 ter 1.
------+Artikel 16 ter 2.
---+Artikel 16 quater Bespoediging van de vergunningsprocedure voor repowering
------+Artikel 16 quater 1.
------+Artikel 16 quater 2.
------+Artikel 16 quater 3.
---+Artikel 16 quinquies Vergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie
------+Artikel 16 quinquies 1.
------+Artikel 16 quinquies 2.
---+Artikel 16 sexies Vergunningsprocedure voor de installatie van warmtepompen
------+Artikel 16 sexies 1.
------+Artikel 16 sexies 2.
------+Artikel 16 sexies 3.
------+Artikel 16 sexies 4.
---+Artikel 16 septies Hoger openbaar belang
---+Artikel 17 Eenvoudigekennisgevingsprocedure voor netaansluitingen
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
---+Artikel 18 Informatie en opleiding
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
------+Artikel 18 3.
------+Artikel 18 4.
------+Artikel 18 5.
------+Artikel 18 6.
---+Artikel 19 Garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare bronnen
------+Artikel 19 1.
------+Artikel 19 2.
------+Artikel 19 3.
------+Artikel 19 4.
------+Artikel 19 5.
------+Artikel 19 6.
------+Artikel 19 7.
------+Artikel 19 8.
------+Artikel 19 9.
------+Artikel 19 10.
------+Artikel 19 11.
------+Artikel 19 12.
------+Artikel 19 13.
------+Article 19 13a.
---+Artikel 20 Toegang tot en beheer van de netwerken
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
------+Artikel 20 3.
---+Artikel 20 bis Bevorderen van de systeemintegratie van hernieuwbare elektriciteit
------+Artikel 20 bis 1.
------+Artikel 20 bis 2.
------+Artikel 20 bis 3.
------+Artikel 20 bis 4.
------+Artikel 20 bis 5.
---+Artikel 21 Zelfverbruikers van hernieuwbare energie
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
------+Artikel 21 3.
------+Artikel 21 4.
------+Artikel 21 5.
------+Artikel 21 6.
------+Artikel 21 7.
---+Artikel 22 Hernieuwbare-energiegemeenschappen
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
------+Artikel 22 5.
------+Artikel 22 6.
------+Artikel 22 7.
---+Artikel 22 bis Integratie van hernieuwbare energie in de industrie
------+Artikel 22 bis 1.
------+Artikel 22 bis 2.
------+Artikel 22 bis 3.
---+Artikel 22 ter Voorwaarden voor de verlaging van het streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industriesector
------+Artikel 22 ter 1.
------+Artikel 22 ter 2.
---+Artikel 23 Integratie van hernieuwbare energie in verwarming en koeling
------+Artikel 23 1.
------+Article 23 1a.
------+Article 23 1b.
------+Artikel 23 2.
------+Artikel 23 3.
------+Artikel 23 4.
------+Artikel 23 5.
------+Artikel 23 6.
---+Artikel 24 Stadsverwarming en -koeling
------+Artikel 24 1.
------+Artikel 24 2.
------+Artikel 24 3.
------+Artikel 24 4.
------+Article 24 4a.
------+Article 24 4b.
------+Artikel 24 5.
------+Artikel 24 6.
------+Artikel 24 7.
------+Artikel 24 8.
------+Artikel 24 9.
------+Artikel 24 10.
---+Artikel 25 Toename van hernieuwbare energie en reductie van de broeikasgasintensiteit in de vervoerssector
------+Artikel 25 1.
------+Artikel 25 2.
------+Artikel 25 3.
------+Artikel 25 4.
---+Artikel 26 Specifieke regels voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen
------+Artikel 26 1.
------+Artikel 26 2.
---+Artikel 27 Berekeningsvoorschriften in de vervoerssector en met betrekking tot hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, ongeacht hun eindgebruik
------+Artikel 27 1.
------+Artikel 27 2.
------+Artikel 27 3.
------+Artikel 27 4.
------+Artikel 27 5.
------+Artikel 27 6.
---+Artikel 28 Overige bepalingen inzake hernieuwbare energie in de vervoerssector
------+Artikel 28 1.
------+Artikel 28 5.
------+Artikel 28 6.
------+Artikel 28 7.
---+Artikel 29 Duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen
------+Artikel 29 1.
------+Artikel 29 2.
------+Artikel 29 3.
------+Artikel 29 4.
------+Artikel 29 5.
------+Artikel 29 6.
------+Artikel 29 7.
------+Article 29 7a.
------+Article 29 7b.
------+Artikel 29 8.
------+Artikel 29 9.
------+Artikel 29 10.
------+Artikel 29 11.
------+Artikel 29 12.
------+Artikel 29 13.
------+Artikel 29 14.
------+Artikel 29 15.
---+Artikel 29 bis Broeikasgasemissiereductiecriteria voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof
------+Artikel 29 bis 1.
------+Artikel 29 bis 2.
------+Artikel 29 bis 3.
---+Artikel 30 Verificatie van de naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria
------+Artikel 30 1.
------+Artikel 30 2.
------+Artikel 30 3.
------+Artikel 30 4.
------+Artikel 30 5.
------+Artikel 30 6.
------+Artikel 30 7.
------+Artikel 30 8.
------+Artikel 30 9.
------+Artikel 30 10.
---+Artikel 31 Berekening van het broeikasgaseffect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen
------+Artikel 31 1.
------+Artikel 31 2.
------+Artikel 31 3.
------+Artikel 31 4.
------+Artikel 31 5.
------+Artikel 31 6.
---+Artikel 31 bis Uniedatabank
------+Artikel 31 bis 1.
------+Artikel 31 bis 2.
------+Artikel 31 bis 3.
------+Artikel 31 bis 4.
------+Artikel 31 bis 5.
------+Artikel 31 bis 6.
---+Artikel 32 Uitvoeringshandelingen
---+Artikel 33 Toezicht door de Commissie
------+Artikel 33 1.
------+Artikel 33 2.
------+Artikel 33 3.
------+Article 33 3a.
------+Artikel 33 4.
---+Artikel 34 Comitéprocedure
------+Artikel 34 1.
------+Artikel 34 2.
------+Artikel 34 3.
---+Artikel 35 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 35 1.
------+Artikel 35 2.
------+Artikel 35 3.
------+Artikel 35 4.
------+Artikel 35 5.
------+Artikel 35 6.
------+Artikel 35 7.
---+Artikel 36 Omzetting
------+Artikel 36 1.
------+Artikel 36 2.
------+Artikel 36 3.
---+Artikel 37 Intrekkingen
---+Artikel 38 Inwerkingtreding
---+Artikel 39 Adressaten
---+BIJLAGE I
---+ANNEX IA NATIONAL HEATING AND COOLING SHARES OF ENERGY FROM RENEWABLE SOURCES IN GROSS FINAL CONSUMPTION OF ENERGY FOR 2020-2030
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III ENERGIE-INHOUD VAN BRANDSTOFFEN
---+BIJLAGE IV
---+BIJLAGE V
---+BIJLAGE VI
---+BIJLAGE VII BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE DIE WORDT GEBRUIKT VOOR VERWARMING EN KOELING
---+BIJLAGE VIII
---+BIJLAGE IX
---+BIJLAGE X
---+BIJLAGE XI
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN (EU) 2018/2001 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
RICHTLIJN (EU) 2018/2001 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 11 december 2018
ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen
(herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 1 Onderwerp
|
Artikel 1
In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts wordt een bindend streefcijfer van de Unie vastgesteld voor het totale aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van de Unie van energie in 2030. De richtlijn stelt ook regels vast voor financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, zelfverbruik van dergelijke elektriciteit, het gebruik van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector en de vervoersector, regionale samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten met derde landen, garanties van oorsprong, administratieve procedures en voorlichting en opleiding. De richtlijn stelt ook duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria vast voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
|
|
Artikel 2 Definities
|
Artikel 2
Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de relevante definities van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (
1
).
De volgende definities gelden eveneens:
▼M2
1)
„energie uit hernieuwbare bronnen” of „hernieuwbare energie”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas;
1 bis)
„rondhout van industriële kwaliteit”: zaagstammen, stammen voor fineer, rond of gesplitst pulphout, alsook alle andere rondhout dat geschikt is voor industrieel gebruik, met uitzondering van rondhout dat vanwege zijn kenmerken, zoals soort, afmetingen, kromming en noestdichtheid, niet geschikt is voor industrieel gebruik zoals gedefinieerd en naar behoren gemotiveerd door de lidstaten volgens de relevante toestand van de bossen en de marktomstandigheden;
▼B
2)
„omgevingsenergie”: van nature voorkomende thermische energie en geaccumuleerde energie in het milieu met afgebakende grenzen, die in de omgevingslucht, met uitzondering van afvoerlucht, of in oppervlakte- of rioolwater kan worden opgeslagen;
3)
„geothermische energie”: in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak opgeslagen energie;
▼M2
4)
„bruto-eindverbruik van energie”: de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte, en het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;
▼B
5)
„steunregeling”: een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze; dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groencertificaten, en rechtstreekse prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en degressieve of vaste premiebetalingen;
6)
„verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen”: een steunregeling waarbij energieproducenten worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in hun productie op te nemen, energieleveranciers worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de levering op te nemen of energieconsumenten worden verplicht een bepaald gedeelte van hun energieverbruik uit hernieuwbare bronnen te halen, met inbegrip van regelingen waarbij middels het gebruik van groencertificaten aan deze eisen kan worden voldaan;
7)
„financieringsinstrument”: een financieringsinstrument als gedefinieerd in artikel 2, punt 29, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (
2
);
8)
„kmo”: een kleine, middelgrote of micro-onderneming als gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (
3
);
9)
„afvalwarmte en -koude”: onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties of in de tertiaire sector wordt opgewekt, die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of -koelingssysteem, wanneer een warmtekrachtkoppelingsproces is gebruikt of zal worden gebruikt of warmtekrachtkoppeling niet haalbaar is;
▼M2
9 bis)
„gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie”: een specifieke locatie of gebied, te land, ter zee of op binnenwateren, die/dat een lidstaat heeft aangewezen als bijzonder geschikt voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie;
9 ter)
„apparatuur voor zonne-energie”: apparatuur die zonne-energie omzet in thermische of elektrische energie, met name apparatuur voor thermische en fotovoltaïsche zonne-energie;
▼B
10)
„repowering”: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen;
11)
„distributiesysteembeheerder”: een beheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/72/EG en in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad (
4
);
12)
„garantie van oorsprong”: een elektronisch document dat uitsluitend tot doel heeft de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is op basis van hernieuwbare bronnen;
13)
„restenergiemix”: de totale jaarlijkse energiemix voor een lidstaat, met uitzondering van het aandeel dat onder de geschrapte garanties van oorsprong valt;
14)
„zelfverbruiker van hernieuwbare energie”: een eindafnemer die actief is op zijn afgebakende locatie of, indien een lidstaat dat toestaat, op andere locaties, die voor eigen verbruik hernieuwbare elektriciteit opwekt en zelfopgewekte hernieuwbare elektriciteit mag opslaan of verkopen, op voorwaarde dat dit voor een niet-huishoudelijke zelfverbruiker hernieuwbare energie niet zijn primaire commerciële of professionele activiteit is;
▼M2
14 bis)
„biedzone”: een biedzone als gedefinieerd in artikel 2, punt 65, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (
5
);
14 ter)
„innovatieve technologie voor hernieuwbare energie”: technologie voor de opwekking van hernieuwbare energie die ten minste op één manier vergelijkbare geavanceerde technologie voor hernieuwbare energie verbetert of die een technologie voor hernieuwbare energie die niet ten volle is gecommercialiseerd of die een duidelijke risicograad inhoudt, exploiteerbaar maakt;
14 quater)
„slimme-metersysteem”: een slimme-metersysteem als gedefinieerd in artikel 2, punt 23, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (
6
);
14 quinquies)
„oplaadpunt”: een oplaadpunt als gedefinieerd in artikel 2, punt 48, van Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad (
7
);
14 sexies)
„marktdeelnemer”: een marktdeelnemer als gedefinieerd in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) 2019/943;
14 septies)
„elektriciteitsmarkt”: elektriciteitsmarkten als gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn (EU) 2019/944;
14 octies)
„thuisbatterij”: een standalone oplaadbare batterij met een nominale capaciteit van meer dan 2 kWh, die geschikt is voor installatie en gebruik in een huishoudelijke omgeving;
14 nonies)
„batterij voor een elektrisch voertuig”: een batterij voor een elektrisch voertuig als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 14), van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad (
8
);
14 decies)
„industriële batterij”: een industriële batterij als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 13), van Verordening (EU) 2023/1542;
14 undecies)
„conditie”: conditie als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 28), van Verordening (EU) 2023/1542;
14 duodecies)
„laadniveau”: laadniveau als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 27), van Verordening (EU) 2023/1542;
14 terdecies)
„instelpunt voor het vermogen”: de dynamische informatie in het beheersysteem van een batterij waarin de elektrische vermogensinstellingen zijn voorgeschreven waarbij de batterij optimaal zou moeten werken tijdens het opladen of ontladen, zodat de conditie en het operationele gebruik ervan worden geoptimaliseerd;
14 quaterdecies)
„slim opladen”: een laadbeurt waarbij de intensiteit van de aan de batterij geleverde elektriciteit dynamisch wordt aangepast, op basis van via elektronische communicatie ontvangen informatie;
14 quindecies)
„regulerende instantie”: een regulerende instantie als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2019/943;
14 sexdecies)
„tweerichtingsladen”: tweerichtingsladen als gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2023/1804;
14 septdecies)
„oplaadpunt voor normaal vermogen”: een oplaadpunt voor normaal vermogen als gedefinieerd in artikel 2, punt 37, van Verordening (EU) 2023/1804;
14 octodecies)
„hernieuwbare-energieafnameovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een natuurlijke of rechtspersoon ermee instemt hernieuwbare energie rechtstreeks van een producent te kopen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, hernieuwbarestroomafnameovereenkomsten en afnameovereenkomsten voor hernieuwbare verwarming en koeling;
▼B
15)
„gezamenlijk optredende zelfverbruikers van hernieuwbare energie”: een groep van ten minste twee gezamenlijk optredende zelfverbruikers van hernieuwbare energie, overeenkomstig punt 14, die zijn gevestigd in hetzelfde gebouw of appartementsgebouw;
16)
„hernieuwbare-energiegemeenschap”: een juridische entiteit
a)
die, in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht, gebaseerd is op open en vrijwillige deelname, autonoom is en daadwerkelijk wordt gecontroleerd door aandeelhouders of leden die zijn gevestigd in de nabijheid van de hernieuwbare-energieprojecten die in eigendom zijn van en ontwikkeld zijn door die juridische entiteit;
b)
waarvan de aandeelhouders of leden natuurlijke personen, kmo's of lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, zijn;
c)
waarvan het hoofddoel is het verschaffen van voordelen op milieugebied of op economisch of sociaal gebied aan haar aandeelhouders of leden of aan de lokale gebieden waar zij actief is, en niet het realiseren van winst;
17)
„hernieuwbarestroomafnameovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een natuurlijke of rechtspersoon persoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een energieproducent af te nemen;
18)
„peer-to-peerhandel” in hernieuwbare energie: de verkoop van hernieuwbare energie tussen marktdeelnemers door middel van een overeenkomst met vooraf bepaalde voorwaarden voor de automatische uitvoering en afwikkeling van de transactie, rechtstreeks tussen deelnemers of indirect via een gecertificeerde derde marktdeelnemer, zoals een aankoopgroepering. Het recht peer-to-peerhandel te drijven laat de rechten en plichten van de betrokken partijen als eindafnemers, producenten, leveranciers of aankoopgroeperingen onverlet;
▼M2
18 bis)
„industrie”: bedrijven en producten die vallen onder secties B, C en F en onder sectie J, afdeling 63, van de statistische nomenclatuur van economische activiteiten (NACE rev. 2), als vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (
9
);
18 ter)
„niet-energetisch gebruik”: het gebruik van brandstoffen als grondstof in een industrieel proces, en niet voor het produceren van energie;
▼B
19)
„stadsverwarming” of „stadskoeling”: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit centrale of decentrale productiebronnen via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
20)
„efficiënte stadsverwarming en -koeling”: efficiënte stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU;
21)
„hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”: hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU;
22)
„energieprestatiecertificaat”: energieprestatiecertificaat als gedefinieerd in artikel 2, punt 12, van Richtlijn 2010/31/EU;
▼M2
22 bis)
„hernieuwbare brandstoffen”: biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biomassabrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;
22 ter)
„energie-efficiëntie eerst”: energie-efficiëntie eerst als gedefinieerd in artikel 2, punt 18), van Verordening (EU) 2018/1999;
▼B
23)
„afvalstof”: afvalstof als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG met uitzondering van stoffen die doelbewust zijn gewijzigd of besmet om aan die definitie te voldoen;
24)
„biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;
25)
„agrarische biomassa”: van landbouw afkomstige biomassa;
26)
„bosbiomassa”: van bosbouw afkomstige biomassa;
27)
„biomassabrandstoffen”: gasvormige of vaste brandstoffen die uit biomassa worden geproduceerd;
28)
„biogas”: gasvormige brandstof die uit biomassa wordt geproduceerd;
29)
„bioafval”: bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG;
30)
„oorsprongsgebied”: het geografisch omschreven gebied waar het
►C5
basismateriaal ◄ voor bosbiomassa vandaan komt, waarvan betrouwbare en onafhankelijke informatie beschikbaar is en waar de omstandigheden voldoende homogeen zijn voor het beoordelen van het risico inzake de duurzaamheids- en rechtmatigheidskenmerken van de bosbiomassa;
31)
„herbebossing”: het herstel van een bosareaal langs natuurlijke of kunstmatige weg, nadat de vorige begroeiing door het omhakken ervan of als gevolg van natuurlijke oorzaken, zoals brand of storm, is verwijderd;
32)
„vloeibare biomassa”: uit biomassa geproduceerde vloeibare brandstof voor andere energiedoeleinden dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling;
33)
„biobrandstof”: uit biomassa geproduceerde vloeibare brandstof voor vervoer;
34)
„geavanceerde biobrandstoffen”: brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde
►C5
basismaterialen ◄ ;
35)
„brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof”: vloeibare en gasvormige brandstoffen die worden geproduceerd uit vloeibare of vaste afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong die niet geschikt zijn voor terugwinning van materialen in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, of uit afvalverwerkings- en uitlaatgas van niet-hernieuwbare oorsprong die worden geproduceerd als een onvermijdelijk en onbedoeld gevolg van het productieproces in industriële installaties;
▼M2
36)
„hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong”: vloeibare en gasvormige brandstoffen waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa;
▼B
37)
„biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik”: biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen waarvan de
►C5
basismaterialen ◄ zijn geproduceerd in het kader van regelingen die verplaatsingseffecten van op voedsel- en voedergewassen gebaseerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermijden middels verbeterde landbouwmethodes, evenals door middel van het verbouwen van gewassen op arealen die voordien niet werden gebruikt voor het verbouwen van gewassen, en die werden geproduceerd overeenkomstig de in artikel 29 vastgestelde duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen;
38)
„brandstofleverancier”: de entiteit die de markt brandstof levert en die brandstof langs een punt voert waar accijns wordt geheven of, in het geval van elektriciteit of indien er geen accijns verschuldigd is of indien naar behoren gerechtvaardigd, elke andere relevante, door een lidstaat aangewezen entiteit;
39)
„zetmeelrijke gewassen”: gewassen die hoofdzakelijk granen bevatten (ongeacht of enkel de granen dan wel de volledige plant worden gebruikt, zoals in het geval van snijmaïs), knollen en wortelgewassen (zoals aardappelen, aardperen, zoete aardappelen, cassave en yamswortelen) en stengelknolgewassen (zoals taro en cocoyam);
40)
„voedsel- en voedergewassen”: zetmeelrijke gewassen, suikergewassen of oliegewassen die als hoofdgewas op landbouwgrond worden geteeld, met uitzondering van residuen, afvalstoffen of lignocellulosisch materiaal, en tussenteelten, zoals tussengewassen en bodembedekkende gewassen, worden niet aangemerkt als hoofdgewassen mits het gebruik van dergelijke tussenteelten niet leidt tot vraag naar meer land;
41)
„lignocellulosisch materiaal”: materiaal bestaande uit lignine, cellulose en hemicellulose, zoals biomassa afkomstig van bossen, houtachtige energiegewassen en residuen en afvalstoffen van de houtsector;
42)
„non-food cellulosemateriaal”:
►C5
basismaterialen ◄ hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet) en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen, gewassen van kunstweiden, industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval; gewassen van kunstweiden en bodembedekkende gewassen moeten worden gezien als tijdelijke, kortstondige weilanden met een mengeling van gras en klaver met een laag zetmeelgehalte bedoeld voor de productie van veevoeder en de verhoging van de vruchtbaarheid van de grond zodat er hogere opbrengsten van akkerbouwgewassen worden verkregen;
43)
„residu”: een stof die niet het rechtstreekse doel van een productieproces zijnde eindproduct is; het vormt geen hoofddoel van het productieproces en het proces is niet opzettelijk gewijzigd voor het produceren ervan;
44)
„van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen”: residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij en de bosbouw, en die geen residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking omvatten;
▼M2
44 bis)
„bosplantage”: een bosplantage als gedefinieerd in artikel 2, punt 11), van Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad (
10
);
44 ter)
„osmose-energie”: energie die wordt gegenereerd door het verschil in zoutconcentratie tussen twee vloeistoffen, zoals zoet en zout water;
44 quater)
„systeemefficiëntie”: de selectie van energie-efficiënte oplossingen waarbij deze ook een kosteneffectief decarbonisatietraject, extra flexibiliteit en een efficiënt gebruik van hulpbronnen mogelijk maken;
44 quinquies)
„energieopslag op één locatie”: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
44 sexies)
„elektrisch voertuig op zonne-energie”: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit enkel niet-perifere elektromotoren als energieconvertor, met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem dat extern kan worden opgeladen, en met in het voertuig geïntegreerde fotovoltaïsche panelen;
▼B
45)
„feitelijke waarde”: de broeikasgasemissiereductie die bereikt wordt met bepaalde of met alle stappen van een specifiek productieproces voor biobrandstof, vloeibare biomassa of biomassabrandstof als berekend volgens de in deel C van bijlage V of deel B van bijlage VI vastgelegde werkwijze;
46)
„typische waarde”: een raming van de broeikasgasemissie en broeikasgasemissiereductie voor een bepaalde productieketen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, die representatief is voor het verbruik in de Unie;
47)
„standaardwaarde”: een waarde die is afgeleid van een typische waarde middels toepassing van tevoren vastgestelde factoren en die, onder in deze richtlijn welomschreven voorwaarden, gebruikt mag worden in plaats van een feitelijke waarde.
|
|
Artikel 3 Bindend algemeen streefcijfer van de Unie voor 2030
|
|
|
Artikel 4 Steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen
|
|
|
Artikel 5 Openstelling van steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen
|
|
|
Artikel 6 Stabiliteit van de financiële steun
|
|
|
Artikel 7 Berekening van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen
|
|
|
Artikel 8 Unieplatform voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en statistische overdrachten tussen lidstaten
|
|
|
Artikel 9 Gezamenlijke projecten tussen lidstaten
|
|
|
Artikel 10 Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten
|
|
|
Artikel 11 Gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen
|
|
|
Artikel 12 Gevolgen van gezamenlijke projecten tussen lidstaten en derde landen
|
|
|
Artikel 13 Gezamenlijke steunregelingen
|
|
|
Artikel 14 Capaciteitsverhogingen
|
Artikel 14
Met het oog op de toepassing van artikel 9, lid 2, en artikel 11, lid 2, onder b), worden eenheden energie uit hernieuwbare bronnen die zijn toe te schrijven aan de capaciteitsverhoging van een installatie behandeld alsof ze geproduceerd zijn door een afzonderlijke installatie die operationeel is geworden op het ogenblik waarop de capaciteitsverhoging heeft plaatsgevonden.
|
|
Artikel 15 Administratieve procedures, voorschriften en regels
|
|
|
Artikel 15 bis Integratie van hernieuwbare energie in gebouwen
|
|
|
Artikel 15 ter In kaart brengen van gebieden die nodig zijn voor nationale bijdragen aan het algemeen streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie voor 2030
|
|
|
Artikel 15 quater Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
|
|
|
Artikel 15 quinquies Inspraak van het publiek
|
|
|
Artikel 15 sexies Gebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur die nodig is om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren
|
|
|
Artikel 16 Organisatie en belangrijkste beginselen van de vergunningsprocedure
|
|
|
Artikel 16 bis Vergunningsprocedure in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
|
|
|
Artikel 16 ter Vergunningsprocedure buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie
|
|
|
Artikel 16 quater Bespoediging van de vergunningsprocedure voor repowering
|
|
|
Artikel 16 quinquies Vergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie
|
|
|
Artikel 16 sexies Vergunningsprocedure voor de installatie van warmtepompen
|
|
|
Artikel 16 septies Hoger openbaar belang
|
Artikel 16 septies
Uiterlijk op 21 februari 2024, totdat klimaatneutraliteit is bereikt, zorgen de lidstaten ervoor dat in de vergunningsprocedure, de planning, bouw en exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van dergelijke installaties op het net, het bijbehorende net zelf, en opslagactiva worden vermoed van hoger belang te zijn en de volksgezondheid en de openbare veiligheid te dienen, wanneer rechtmatige belangen in afzonderlijke gevallen worden afgewogen voor de toepassing van artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, punt c), van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/147/EG. De lidstaten kunnen in bepaalde gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden de toepassing van dit artikel beperken tot bepaalde delen van hun grondgebied, tot bepaalde soorten technologie of tot projecten met bepaalde technische kenmerken, overeenkomstig de prioriteiten die zijn vastgesteld in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die zijn ingediend op grond van de artikelen 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke beperkingen, samen met de redenen hiervoor.
|
|
Artikel 17 Eenvoudigekennisgevingsprocedure voor netaansluitingen
|
|
|
Artikel 18 Informatie en opleiding
|
|
|
Artikel 19 Garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare bronnen
|
|
|
Artikel 20 Toegang tot en beheer van de netwerken
|
|
|
Artikel 20 bis Bevorderen van de systeemintegratie van hernieuwbare elektriciteit
|
|
|
Artikel 21 Zelfverbruikers van hernieuwbare energie
|
|
|
Artikel 22 Hernieuwbare-energiegemeenschappen
|
|
|
Artikel 22 bis Integratie van hernieuwbare energie in de industrie
|
|
|
Artikel 22 ter Voorwaarden voor de verlaging van het streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industriesector
|
|
|
Artikel 23 Integratie van hernieuwbare energie in verwarming en koeling
|
|
|
Artikel 24 Stadsverwarming en -koeling
|
|
|
Artikel 25 Toename van hernieuwbare energie en reductie van de broeikasgasintensiteit in de vervoerssector
|
|
|
Artikel 26 Specifieke regels voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen
|
|
|
Artikel 27 Berekeningsvoorschriften in de vervoerssector en met betrekking tot hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, ongeacht hun eindgebruik
|
|
|
Artikel 28 Overige bepalingen inzake hernieuwbare energie in de vervoerssector
|
|
|
Artikel 29 Duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen
|
|
|
Artikel 29 bis Broeikasgasemissiereductiecriteria voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische en brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof
|
|
|
Artikel 30 Verificatie van de naleving van de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria
|
|
|
Artikel 31 Berekening van het broeikasgaseffect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen
|
|
|
Artikel 31 bis Uniedatabank
|
|
|
Artikel 32 Uitvoeringshandelingen
|
Artikel 32
De in de artikel 29, lid 2, tweede alinea, artikel 29, lid 8, artikel 30, lid 5, eerste alinea, artikel 30, lid 6, tweede alinea, artikel 30, lid 8, eerste alinea, artikel 31, lid 4, eerste alinea, en artikel 31, lid 6, van deze richtlijn, bedoelde uitvoeringsmaatregelen houden ten volle rekening met de bepalingen betreffende broeikasgasemissiereducties overeenkomstig artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad (
28
).
|
|
Artikel 33 Toezicht door de Commissie
|
|
|
Artikel 34 Comitéprocedure
|
|
|
Artikel 35 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
|
|
|
Artikel 36 Omzetting
|
|
|
Artikel 37 Intrekkingen
|
Artikel 37
Richtlijn 2009/28/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage X, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van 1 juli 2021 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting in nationaal recht van de in bijlage X, deel B, genoemde richtlijnen, en onverminderd de verplichtingen van de lidstaten in 2020 als bepaald in artikel 3, lid 1 en deel A van bijlage I bij Richtlijn 2009/28/EG.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XI.
|
|
Artikel 38 Inwerkingtreding
|
Artikel 38
Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
|
|
Artikel 39 Adressaten
|
Artikel 39
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
|
|
BIJLAGE I
|
BIJLAGE I
TOTALE NATIONALE STREEFCIJFERS VOOR HET AANDEEL ENERGIE UIT HERNIEUWBARE BRONNEN IN HET BRUTO-EINDVERBRUIK VAN ENERGIE IN 2020
(
31
)
A. Algemene nationale streefcijfers
|
|
Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2005 (S2005)
|
Streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie, 2020 (S2020)
|
|
België
|
2,2 %
|
13 %
|
|
Bulgarije
|
9,4 %
|
16 %
|
|
Tsjechië
|
6,1 %
|
13 %
|
|
Denemarken
|
17,0 %
|
30 %
|
|
Duitsland
|
5,8 %
|
18 %
|
|
Estland
|
18,0 %
|
25 %
|
|
Ierland
|
3,1 %
|
16 %
|
|
Griekenland
|
6,9 %
|
18 %
|
|
Spanje
|
8,7 %
|
20 %
|
|
Frankrijk
|
10,3 %
|
23 %
|
|
Kroatië
|
12,6 %
|
20 %
|
|
Italië
|
5,2 %
|
17 %
|
|
Cyprus
|
2,9 %
|
13 %
|
|
Letland
|
32,6 %
|
40 %
|
|
Litouwen
|
15,0 %
|
23 %
|
|
Luxemburg
|
0,9 %
|
11 %
|
|
Hongarije
|
4,3 %
|
13 %
|
|
Malta
|
0,0 %
|
10 %
|
|
Nederland
|
2,4 %
|
14 %
|
|
Oostenrijk
|
23,3 %
|
34 %
|
|
Polen
|
7,2 %
|
15 %
|
|
Portugal
|
20,5 %
|
31 %
|
|
Roemenië
|
17,8 %
|
24 %
|
|
Slovenië
|
16,0 %
|
25 %
|
|
Slowakije
|
6,7 %
|
14 %
|
|
Finland
|
28,5 %
|
38 %
|
|
Zweden
|
39,8 %
|
49 %
|
|
▼M2 —————
|
|
|
ANNEX IA NATIONAL HEATING AND COOLING SHARES OF ENERGY FROM RENEWABLE SOURCES IN GROSS FINAL CONSUMPTION OF ENERGY FOR 2020-2030
|
ANNEX IA
NATIONAL HEATING AND COOLING SHARES OF ENERGY FROM RENEWABLE SOURCES IN GROSS FINAL CONSUMPTION OF ENERGY FOR 2020-2030
|
|
Additional top-ups to Article 23(1)
(in percentage points)
for the period 2021-2025 (*1)
|
Additional top-ups to Article 23(1)
(in percentage points)
for the period 2026-2030 (*2)
|
Resulting shares including top-ups without waste heat and cold
(in percentage points)
|
|
Belgium
|
1,0
|
0,7
|
1,8
|
|
Bulgaria
|
0,7
|
0,4
|
1,5
|
|
Czechia
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Denmark
|
1,2
|
1,1
|
1,6
|
|
Germany
|
1,0
|
0,7
|
1,8
|
|
Estonia
|
1,3
|
1,2
|
1,7
|
|
Ireland
|
2,3
|
2,0
|
3,1
|
|
Greece
|
1,3
|
1,0
|
2,1
|
|
Spain
|
0,9
|
0,6
|
1,7
|
|
France
|
1,3
|
1,0
|
2,1
|
|
Croatia
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Italy
|
1,1
|
0,8
|
1,9
|
|
Cyprus
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Latvia
|
0,7
|
0,6
|
1,1
|
|
Lithuania
|
1,7
|
1,6
|
2,1
|
|
Luxembourg
|
2,3
|
2,0
|
3,1
|
|
Hungary
|
0,9
|
0,6
|
1,7
|
|
Malta
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Netherlands
|
1,1
|
0,8
|
1,9
|
|
Austria
|
1,0
|
0,7
|
1,8
|
|
Poland
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Portugal
|
0,7
|
0,4
|
1,5
|
|
Romania
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Slovenia
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Slovakia
|
0,8
|
0,5
|
1,6
|
|
Finland
|
0,6
|
0,5
|
1,0
|
|
Sweden
|
0,7
|
0,7
|
0,7
|
(*1)
The flexibilities of Article 23(2), points (b) and (c), where they were taken into account when calculating the top-ups and resulting shares.
(*2)
The flexibilities of Article 23(2), points (b) and (c), where they were taken into account when calculating the top-ups and resulting shares.
|
|
|
BIJLAGE II
|
BIJLAGE II
NORMALISERINGSREGEL VOOR HET IN AANMERKING NEMEN VAN ELEKTRICITEIT DIE IS OPGEWEKT MET WATERKRACHT EN WINDENERGIE
Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met waterkracht in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:
►C1
◄ waarbij:
|
N
|
=
|
referentiejaar;
|
|
QN(norm)
|
=
|
de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat in jaar N;
|
|
Qi
|
=
|
de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle waterkrachtcentrales van de lidstaat, gemeten in GWh, met uitzondering van productie door middel van pompaccumulatie waarbij gebruik wordt gemaakt van water dat eerder omhoog is gepompt;
|
|
Ci
|
=
|
de totale geïnstalleerde capaciteit, exclusief pompaccumulatie, van alle waterkrachtcentrales van de lidstaat aan het eind van jaar i, gemeten in MW.
|
Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met onshorewindenergie in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:
►C1
◄ waarbij:
|
N
|
=
|
referentiejaar;
|
|
QN(norm)
|
=
|
de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle onshorewindturbines van de lidstaat in jaar N;
|
|
Qi
|
=
|
de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle onshorewindturbines van de lidstaat, gemeten in GWh;
|
|
Cj
|
=
|
de totale geïnstalleerde capaciteit van alle onshorewindturbines van de lidstaat aan het eind van jaar j, gemeten in MW;
|
|
n
|
=
|
4 of het aantal jaren voorafgaand aan het jaar N waarvoor capaciteits- en productiegegevens beschikbaar zijn voor de lidstaat in kwestie, als dat aantal lager is.
|
Voor het in aanmerking nemen van elektriciteit die is opgewekt met offshorewindenergie in een bepaalde lidstaat wordt de volgende formule toegepast:
►C1
◄ waarbij:
|
N
|
=
|
referentiejaar;
|
|
QN(norm)
|
=
|
de genormaliseerde elektriciteit die is opgewekt door alle offshorewindturbines van de lidstaat in jaar N;
|
|
Qi
|
=
|
de hoeveelheid elektriciteit die in jaar i werkelijk is opgewekt door alle offshorewindturbines van de lidstaat, gemeten in GWh;
|
|
Cj
|
=
|
de totale geïnstalleerde capaciteit van alle offshorewindturbines van de lidstaat aan het eind van jaar j, gemeten in MW;
|
|
n
|
=
|
4 of het aantal jaren voorafgaand aan het jaar N waarvoor capaciteits- en productiegegevens beschikbaar zijn voor de lidstaat in kwestie, als dat aantal lager is.
|
|
|
BIJLAGE III ENERGIE-INHOUD VAN BRANDSTOFFEN
|
BIJLAGE III
ENERGIE-INHOUD VAN BRANDSTOFFEN
|
Brandstof
|
Energie-inhoud per gewicht
(calorische onderwaarde, MJ/kg)
|
Energie-inhoud per volume
(calorische onderwaarde, MJ/l)
|
|
BRANDSTOFFEN UIT BIOMASSA EN/OF BIOMASSAVERWERKING
|
|
|
|
Biopropaan
|
46
|
24
|
|
Zuivere plantaardige olie (olie die uit oliehoudende planten is verkregen door persing, extractie of vergelijkbare procedés, ruw of geraffineerd, maar niet chemisch gemodificeerd)
|
37
|
34
|
|
Biodiesel — vetzuurmethylester (methylester geproduceerd uit olie uit biomassa)
|
37
|
33
|
|
Biodiesel — vetzuurethylester (ethylester geproduceerd uit olie uit biomassa)
|
38
|
34
|
|
Biogas dat kan worden gezuiverd tot de kwaliteit van aardgas
|
50
|
—
|
|
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van diesel
|
44
|
34
|
|
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van benzine
|
45
|
30
|
|
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof
|
44
|
34
|
|
Waterstofbehandelde (thermochemisch met waterstof behandelde) olie uit biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas
|
46
|
24
|
|
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van diesel
|
43
|
36
|
|
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van benzine
|
44
|
32
|
|
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof
|
43
|
33
|
|
Gelijktijdig verwerkte (in een raffinaderij gelijktijdig met fossiele brandstoffen verwerkte) olie uit al dan niet gepyrolyseerde biomassa, ter vervanging van vloeibaar petroleumgas
|
46
|
23
|
|
HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD KUNNEN WORDEN UIT VERSCHILLENDE HERNIEUWBARE BRONNEN, WAARONDER BIOMASSA
|
|
|
|
Methanol uit hernieuwbare bronnen
|
20
|
16
|
|
Ethanol uit hernieuwbare bronnen
|
27
|
21
|
|
Propanol uit hernieuwbare bronnen
|
31
|
25
|
|
Butanol uit hernieuwbare bronnen
|
33
|
27
|
|
Fischer-Tropschdiesel (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van diesel)
|
44
|
34
|
|
Fischer-Tropschbenzine (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van benzine)
|
44
|
33
|
|
Fischer-Tropschvliegtuigbrandstof (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen, geproduceerd uit biomassa, ter vervanging van vliegtuigbrandstof)
|
44
|
33
|
|
Vloeibaar Fischer-Tropschpetroleumgas (een synthetische koolwaterstof of een mengsel van synthetische koolwaterstoffen ter vervanging van vloeibaar petroleumgas)
|
46
|
24
|
|
DME (dimethylether)
|
28
|
19
|
|
Waterstof uit hernieuwbare bronnen
|
120
|
—
|
|
ETBE (ethyl-tertiair-butylether op basis van ethanol)
|
36 (waarvan 33 % uit hernieuwbare bronnen)
|
27 (waarvan 33 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
MTBE (methyl-tertiair-butylether op basis van methanol)
|
35 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)
|
26 (waarvan 22 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
TAEE (ethyl-tertiair-amylether op basis van ethanol)
|
38 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)
|
29 (waarvan 29 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
TAME (methyl-tertiair-amylether op basis van methanol)
|
36 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)
|
28 (waarvan 18 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
THxEE (hexyl-tertiair-ethylether op basis van ethanol)
|
38 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)
|
30 (waarvan 25 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
THxME (hexyl-tertiair-methylether op basis van methanol)
|
38 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)
|
30 (waarvan 14 % uit hernieuwbare bronnen)
|
|
NIET-HERNIEUWBARE BRANDSTOFFEN
|
|
|
|
Benzine
|
43
|
32
|
|
Dieselolie
|
43
|
36
|
|
Vliegtuigbrandstof
|
43
|
34
|
|
Waterstof uit niet-hernieuwbare bronnen
|
120
|
—
|
|
|
BIJLAGE IV
|
BIJLAGE IV
▼M2
OPLEIDING EN CERTIFICERING VAN INSTALLATEURS EN ONTWERPERS VAN INSTALLATIES VOOR HERNIEUWBARE ENERGIE
De in artikel 18, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen en opleidingsprogramma’s worden gebaseerd op de volgende criteria:
1.
Het certificeringsproces of gelijkwaardige kwalificatieproces zijn transparant en duidelijk gedefinieerd door de lidstaat of het door de lidstaat aangeduide administratief orgaan.
1 bis.
De door de certificeringsinstellingen afgegeven certificaten worden duidelijk geformuleerd en zijn voor werknemers en professionals die zich willen laten certificeren eenvoudig herkenbaar.
1 ter.
Het certificeringsproces stelt installateurs in staat de benodigde theoretische en praktische kennis te verwerven en ervoor te zorgen dat zij over de vaardigheden beschikken die nodig zijn om kwalitatief hoogwaardige installaties te installeren die betrouwbaar functioneren.
2.
Installateurs van systemen die gebruikmaken van biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische energie, fotovoltaïsche zonne-energie en thermische zonne-energie, waaronder energieopslag, en oplaadpunten worden gecertificeerd op basis van een geaccrediteerd opleidingsprogramma of een geaccrediteerde opleidingsverstrekker of van gelijkwaardige kwalificatieregelingen.
3.
De accreditering van het opleidingsprogramma of de opleidingsverstrekker gebeurt door de lidstaat of de door de lidstaat aangeduide administratieve organen. Het accrediteringsorgaan ziet toe op de continuïteit, inclusiviteit en regionale of nationale dekking van de door de opleidingsverstrekker aangeboden programma’s voor opleiding, met inbegrip van om- en bijscholings- en herscholingsprogramma’s.
De opleidingsverstrekker beschikt over passende technische voorzieningen om praktische opleidingen te verstrekken, inclusief voldoende laboratoriumapparatuur, of over overeenkomstige faciliteiten om praktische opleidingen te verstrekken.
De opleidingsverstrekker biedt naast de basisopleiding ook kortere opfris- en bijscholingscursussen aan in de vorm van opleidingsmodules waarmee installateurs en ontwerpers nieuwe competenties kunnen opdoen en hun vaardigheden met betrekking tot verschillende soorten technologie en combinaties daarvan kunnen verbreden en diversifiëren. De opleidingsverstrekker ziet erop toe dat de opleiding wordt aangepast aan nieuwe technologie voor hernieuwbare energie in gebouwen, de industrie en de landbouw. De opleidingsverstrekker erkent verworven relevante vaardigheden.
De opleidingsprogramma’s en -modules worden opgezet met het oog op een leven lang leren op het gebied van installaties voor hernieuwbare energie en sluiten aan bij beroepsopleidingen voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt en volwassenen die zich willen omscholen of op zoek zijn naar een nieuwe baan.
De opleidingsprogramma’s worden zo opgezet dat ze het behalen van kwalificaties op het gebied van verschillende soorten technologie en oplossingen faciliteren, en dat eenzijdige specialisatie in een bepaald merk of een bepaalde technologie wordt voorkomen. De opleidingen mogen worden verstrekt door de fabrikant van de apparatuur of het systeem, of door een instelling of vereniging.
▼B
4.
De opleiding op basis waarvan een installateur wordt gecertificeerd of gekwalificeerd wordt bevonden, moet een theoretisch en een praktisch gedeelte omvatten. Aan het einde van de opleiding moet de installateur over de nodige vaardigheden beschikken om de relevante apparatuur en systemen te installeren volgens de prestatie- en betrouwbaarheidsvereisten van de klant, om vakmanschap van hoge kwaliteit te leveren en om aan alle toepasselijke voorschriften en normen te voldoen, inclusief die op het vlak van de energie- en milieukeur.
▼M2
5.
De opleiding eindigt met een examen en het uitreiken van een certificaat of kwalificatiebewijs. Het examen omvat een beoordeling van het praktische vermogen van de installateur om ketels of kachels op biomassa, warmtepompen, ondiepe geothermische installaties, installaties voor fotovoltaïsche of thermische zonne-energie, met inbegrip van energieopslag, of oplaadpunten met succes te installeren, zodat aan de vraag kan worden voldaan.
▼B
6.
In de in artikel 18, lid 3, bedoelde certificatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen wordt terdege rekening gehouden met de volgende richtsnoeren:
a)
Geaccrediteerde opleidingsprogramma's moeten worden aangeboden aan installateurs met werkervaring, die de volgende typen opleiding hebben gevolgd of volgen:
i)
in het geval van installateurs van ketels en kachels op biomassa zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter, buizenfitter, technicus of monteur van sanitaire, verwarmings- of koelingsapparatuur;
ii)
in het geval van installateurs van warmtepompen zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of koeltechnicus met basisvaardigheden elektriciteit en loodgieterij (buizen snijden, solderen van buisverbindingen, verlijmen van buisverbindingen, isoleren, fittings dichten, testen op lekken en installeren van verwarmings- of koelingssystemen);
iii)
in het geval van installateurs van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie zijn de volgende opleidingen vereist: loodgieter of elektricien met vaardigheden op het gebied van loodgieterij, elektriciteit en dakwerken, inclusief kennis van het solderen van buisverbindingen, het verlijmen van buisverbindingen, het dichten van fittings, het testen van loodgieterij op lekken, het aansluiten van bekabeling, en vertrouwd zijn met basismaterialen voor dakwerken en met methoden voor afvonken en dichten, of
iv)
een beroepsopleiding die de installateur de vaardigheden verschaft die overeenstemmen met een driejarige opleiding in de onder a), b) of c) vermelde vaardigheden en die bestaat uit theoretische en praktische cursussen.
b)
Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van ketels en kachels op biomassa moet een overzicht verschaffen van de marktsituatie van biomassa en betrekking hebben op de ecologische aspecten, biomassabrandstoffen, logistieke aspecten, brandbeveiliging, desbetreffende subsidies, verbrandingstechnieken, opstarttechnieken, optimale hydraulische oplossingen, vergelijking van kosten en baten en opstelling, installatie en onderhoud van ketels en kachels op biomassa. De opleiding moet ook zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor biomassatechnieken en -brandstoffen, zoals pellets, en van nationaal en Unierecht met betrekking tot biomassa.
c)
▼M2
Het theoretisch gedeelte van de opleiding tot installateur van warmtepompen zou een overzicht moeten verschaffen van de marktsituatie van warmtepompen en betrekking hebben op geothermische energiebronnen en de ondergrondtemperaturen in verschillende regio’s, het vaststellen van de thermische geleiding van bodemlagen en rotsen, regelgeving betreffende het gebruik van geothermische energiebronnen, de haalbaarheid van het gebruik van warmtepompen in gebouwen en het bepalen van het meest geschikte warmtepompsysteem, alsook kennis van de technische vereisten en de vereisten inzake veiligheid, luchtfiltering, aansluiting op de warmtebron en systeemontwerp, ook in combinatie met zonne-energie-installaties. De opleiding zou ook moeten zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen voor warmtepompen en van relevant nationaal en Unierecht. De installateur zou moeten aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:
▼B
i)
een basiskennis van de fysische en operationele beginselen van een warmtepomp, met inbegrip van de kenmerken van de warmtepompcyclus: het verband tussen de lage temperatuur van de warmteput, de hoge temperatuur van de warmtebron en de efficiëntie van het systeem, de vaststelling van de prestatiecoëfficiënt en het seizoensgebonden rendement (SPF);
ii)
een begrip van de onderdelen van een warmtepompcyclus en hun functie, inclusief de compressor, expansieklep, verdamper, condensator, bevestigingen en fittings, smeerolie, koelvloeistof, en de mogelijkheden tot oververhitting en onderkoeling en koeling met warmtepompen, en
▼M2
iii)
het vermogen om in typische installatiesituaties correct gedimensioneerde onderdelen te kiezen, inclusief het bepalen van de typische waarden voor de warmtebelasting van verschillende gebouwen en voor de productie van warm water op basis van energieverbruik, het bepalen van de capaciteit van de warmtepomp voor de warmtebelasting voor warmwaterproductie, voor de opslagmassa van het gebouw en voor de levering van onderbreekbare stroom; het vermogen om oplossingen voor energieopslag te bepalen, onder meer via de buffertank en het volume daarvan en de integratie van een tweede verwarmingssysteem;
iv)
begrip van haalbaarheids- en ontwerpstudies;
v)
begrip van boorwerkzaamheden, in het geval van geothermische warmtepompen.
d)
Het theoretische gedeelte van de opleiding tot installateur van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie zou een overzicht moeten verschaffen van de marktsituatie van zonne-energieproducten en een vergelijking van kosten en baten, en betrekking hebben op ecologische aspecten, onderdelen, kenmerken en de dimensionering van zonne-energiesystemen, de selectie van nauwkeurige systemen en de dimensionering van onderdelen, het bepalen van de vraag naar warmte, opties voor het integreren van oplossingen voor energieopslag, brandbescherming, desbetreffende subsidies, en het ontwerp, de installatie en het onderhoud van installaties voor fotovoltaïsche en thermische zonne-energie. De opleiding zou ook moeten zorgen voor een goede kennis van alle Europese normen inzake deze technologie, en van certificaten zoals Solar Keymark, en het daarmee verband houdende nationale en Unierecht. De installateur zou moeten aantonen dat hij over de volgende essentiële vaardigheden beschikt:
▼B
i)
het vermogen om veilig te werken, met de juiste gereedschappen en apparatuur, om de veiligheidsvoorschriften en -normen toe te passen en om te identificeren welke gevaren inzake loodgieterij, elektriciteit en andere gevaren gepaard gaan met zonne-installaties;
▼M2
ii)
het vermogen om systemen te identificeren en onderdelen die specifiek zijn voor actieve en passieve systemen, met inbegrip van het mechanische ontwerp, en om de locatie van de onderdelen, het systeemontwerp en de configuratie te bepalen, alsook opties voor het integreren van oplossingen voor energieopslag, onder meer door de combinatie met laadstations;
▼B
iii)
het vermogen om de juiste plaats, oriëntatie en hoek voor de installatie van warmwaterketels op fotovoltaïsche en thermische zonne-energie te bepalen, rekening houdende met schaduwwerking, toegankelijkheid voor zonlicht, structurele integriteit, geschiktheid van de installatie voor het gebouw of het klimaat, geschiktheid van verschillende installatiemethoden voor verschillende daktypen en het evenwicht van de voor de installatie benodigde systeemapparatuur, en
iv)
met name voor fotovoltaïsche systemen: het vermogen om het ontwerp van de elektriciteitsinstallatie aan te passen, inclusief het vaststellen van ontwerpspanningen, het selecteren van de geschikte spanning en oppervlaktegeleiding van elk elektrisch circuit, het bepalen van de juiste grootte en de locatie van alle randapparatuur en subsystemen en het selecteren van een geschikt aansluitpunt.
e)
Het installateurscertificaat moet beperkt zijn in de tijd; om de certificering te behouden, moet een opfriscursus of -seminar worden gevolgd.
|
|
BIJLAGE V
|
BIJLAGE V
REGELS VOOR HET BEREKENEN VAN HET EFFECT VAN BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN HUN FOSSIELE REFERENTIEBRANDSTOFFEN OP DE BROEIKASGASEMISSIE
A. TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR BIOBRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD ZIJN ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
67 %
|
59 %
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
77 %
|
73 %
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*))
|
73 %
|
68 %
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*))
|
79 %
|
76 %
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*))
|
58 %
|
47 %
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*))
|
71 %
|
64 %
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
48 %
|
40 %
|
|
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
55 %
|
48 %
|
|
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
40 %
|
28 %
|
|
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
69 %
|
68 %
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
47 %
|
38 %
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
53 %
|
46 %
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
37 %
|
24 %
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*))
|
67 %
|
67 %
|
|
Suikerrietethanol
|
70 %
|
70 %
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair-butylether (ETBE)
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair-ethylether (TAEE)
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
52 %
|
47 %
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
57 %
|
52 %
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
55 %
|
50 %
|
|
▼C1
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
33 %
|
20 %
|
|
▼B
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
51 %
|
45 %
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
88 %
|
84 %
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (**)
|
84 %
|
78 %
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
51 %
|
47 %
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
58 %
|
54 %
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
55 %
|
51 %
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
34 %
|
22 %
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
53 %
|
49 %
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
87 %
|
83 %
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (**)
|
83 %
|
77 %
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
59 %
|
57 %
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
65 %
|
64 %
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
63 %
|
61 %
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
40 %
|
30 %
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
59 %
|
57 %
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
98 %
|
98 %
|
|
(*) Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(**) Geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1) en waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen
|
(1)
Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).
|
B. GERAAMDE TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR TOEKOMSTIGE BIOBRANDSTOFFEN DIE IN 2016 NIET OF ALLEEN IN VERWAARLOOSBARE HOEVEELHEDEN OP DE MARKT WAREN, VOOR ZOVER ZE ZIJN GEPRODUCEERD ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Ethanol uit graanstro
|
85 %
|
83 %
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
83 %
|
83 %
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
82 %
|
82 %
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
83 %
|
83 %
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
82 %
|
82 %
|
|
▼C1
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
84 %
|
84 %
|
|
▼B
|
|
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
83 %
|
83 %
|
|
▼C1
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
84 %
|
84 %
|
|
▼B
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
83 %
|
83 %
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
89 %
|
89 %
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
89 %
|
89 %
|
|
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
89 %
|
89 %
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
89 %
|
89 %
|
|
Het gedeelte methyl-tertiair-butylether (MTBE) uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
C. METHODE
1. Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brandstoffen, biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor vervoer worden als volgt berekend:
a)
Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt berekend:
E = eec + el + ep + etd + eu – esca – eccs – eccr,
waarbij
|
E
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;
|
|
eec
|
=
|
emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;
|
|
el
|
=
|
de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;
|
|
ep
|
=
|
emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
|
|
etd
|
=
|
emissies ten gevolge van vervoer en distributie;
|
|
eu
|
=
|
emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;
|
|
esca
|
=
|
emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;
|
|
eccs
|
=
|
emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
|
|
eccr
|
=
|
emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2.
|
Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.
b)
Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van vloeibare biomassa worden op dezelfde manier berekend als die door biobrandstoffen (E), maar met de nodige uitbreiding die nodig is voor de omzetting van energie in de geproduceerde elektriciteit en/of warmte en koeling, nl. als volgt:
i)
Voor energie-installaties die alleen warmte leveren:
ii)
Voor energie-installaties die alleen elektriciteit leveren:
waarbij
|
ECh,el
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
|
|
E
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór deeindomzetting ervan.
|
|
ηel
|
=
|
Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
ηh
|
=
|
Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse input van vloeibare biomassa, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
iii)
Voor de elektriciteit of de mechanische energie van energie-installaties die tegelijk nuttige warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:
iv)
Voor de nuttige warmte van energie-installaties die tegelijk warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:
waarbij
|
ECh,el
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
|
|
E
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies van de vloeibare biomassa vóór deeindomzetting ervan.
|
|
ηel
|
=
|
Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
ηh
|
=
|
Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
Cel
|
=
|
De exergiefractie in de elektriciteit, en/of de mechanische energie, vastgesteld op 100 % (Cel = 1).
|
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement (exergiefractie in de nuttige warmte).
|
Het Carnotrendement, Ch, voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen wordt gedefinieerd als:
waarbij
|
Th
|
=
|
Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
|
|
T0
|
=
|
Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 °C)
|
Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 °C (423,15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546
|
Voor deze berekening gelden de volgende definities:
a)
„warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
b)
„nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;
c)
„economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
2. Broeikasgasemissies ten gevolge van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend:
a)
broeikasgasemissies ten gevolge van biobrandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ.
b)
broeikasgasemissies ten gevolge van vloeibare biomassa (EC) in grammen CO2-equivalent per MJ eindenergie (warmte of elektriciteit), g CO2eq/MJ.
Wanneer verwarming en koeling tegelijk met elektriciteit worden geproduceerd, worden de emissies toegewezen aan warmte en elektriciteit (zoals in punt 1, onder b)), ongeacht of de warmte feitelijk voor verwarming dan wel voor koeling wordt gebruikt (
32
).
Wanneer de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van de winning of de teelt van
►C5
basismaterialen ◄ eec worden uitgedrukt in eenheden g CO2eq/ton droog
►C5
basismateriaal ◄ , wordt het aantal gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ, als volgt berekend (
33
):
waarbij
De emissies per droge ton
►C5
basismateriaal ◄ worden als volgt berekend:
3. Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend:
a)
Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen:
REDUCTIE = (EF(t) – EB)/EF(t),
waarbij
|
EB
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de biobrandstof; alsmede
|
|
EF(t)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor vervoer
|
b)
Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa voor verwarming, koeling en elektriciteitsproductie:
REDUCTIE = (ECF(h&c,el,) – ECB(h&c,el)/ECF (h&c,el),
waarbij
|
ECB(h&c,el)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van de warmte of elektriciteit, en
|
|
ECF(h&c,el)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor nuttige warmte of elektriciteit.
|
4. Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:
|
CO2
|
:
|
1
|
|
N2O
|
:
|
298
|
|
CH4
|
:
|
25
|
5. Emissies door de teelt of het ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of teelt zelf, door het verzamelen, drogen en opslaan van de grondstoffen, van afval en lekken, en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt van landbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit het gebruik van regionale gemiddelden voor de emissies ten gevolge van de teelt die zijn opgenomen in de in artikel 31, lid 4, bedoelde verslagen of de informatie over de gedesaggregeerde standaardwaarden die in de bijlage zijn opgenomen als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden. Bij gebrek aan relevante informatie in die verslagen is het toegestaan gemiddelden te berekenen op basis van plaatselijke landbouwpraktijken die bijvoorbeeld op de gegevens van een groep landbouwbedrijven zijn gebaseerd, als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
▼M2
6. Voor de doeleinden van de in punt 1, a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, betere gewassen en gewasrotatie, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars, zoals Compost en mestfermentatiedigestaat, indien zij geen risico op negatieve gevolgen voor de biodiversiteit opleveren. Tevens wordt sterk en verifieerbaar bewijs geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbiciden (
34
).
▼B
7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:
el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (
35
)
waarbij
|
el
|
=
|
op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen of vloeibare biomassa (megajoule)). „Akkerland” (1) en „land voor vaste gewassen” (2) worden beschouwd als één landgebruik;
|
|
CSR
|
=
|
de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;
|
|
CSA
|
=
|
de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;
|
|
P
|
=
|
de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar), en
|
|
eB
|
=
|
bonus van 29 g CO2eq/MJ biobrandstof of vloeibare biomassa indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.
|
(1)
Akkerland als gedefinieerd door het IPCC.
(2)
Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.
|
8. De bonus van 29 g CO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:
a)
in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden werd gebruikt, en
b)
ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.
De bonus van 29 g CO2eq/MJ geldt voor een periode van twintig jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder b) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen.
9. Onder „ernstig aangetast land” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden.
10. De Commissie evalueert uiterlijk op 31 december 2020 de richtsnoeren voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond (
36
) op basis van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen — deel 4 en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 525/2013 en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (
37
). Deze richtsnoeren dienen als basis voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de toepassing van deze richtlijn.
11. Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken, en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt, waaronder de emissies van CO2 die overeenstemmen met de koolstofgehalten van fossiele inputs, ongeacht of die tijdens het proces daadwerkelijk worden verbrand.
Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.
Emissies ten gevolge van de verwerking omvatten, in voorkomend geval, emissies ten gevolge van het drogen van tussenproducten en -materialen.
12. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 5 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.
13. De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa.
Emissies van andere broeikasgassen dan CO2 (N2O en CH4) van de gebruikte brandstof zullen worden opgenomen in de eu-factor voor vloeibare biomassa.
14. Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2, eccs, die nog niet is meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof indien opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (
38
).
▼M2
15. Emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, houdt rechtstreeks verband met de productie van de biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, en wordt beperkt tot emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om CO2 uit fossiele brandstoffen in de productie en levering van commerciële producten en diensten voor 1 januari 2036 te vervangen.
▼B
16. Wanneer een warmte-krachtkoppelingsinstallatie — die warmte en/of elektriciteit levert aan een brandstofproductieproces waarvoor emissies worden berekend — een overschot aan elektriciteit en/of nuttige warmte produceert, worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de elektriciteit en de nuttige warmte, afhankelijk van de temperatuur van de warmte (die een functie is van het nut van de warmte). Het nuttige deel van de warmte wordt gevonden door de energie-inhoud ervan te vermenigvuldigen met het Carnotrendement, Ch, als volgt berekend:
waarbij
|
Th
|
=
|
Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
|
|
T0
|
=
|
Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 °C)
|
Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 °C (423,15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement voor warmte op 150 °C (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546
|
Voor de doeleinden van die berekening wordt de werkelijke efficiëntie gebruikt, gedefinieerd als de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid mechanische energie, elektriciteit en warmte, respectievelijk gedeeld door de jaarlijkse energie-input.
Voor die berekening gelden de volgende definities:
a)
„warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
b)
„nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;
c)
„economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
17. Als een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit en warmte). De broeikasgasintensiteit van een overschot aan nuttige warmte of een overschot aan elektriciteit is dezelfde als de broeikasgasintensiteit van warmte of elektriciteit die aan het brandstofproductieproces wordt geleverd en wordt bepaald uit de berekening van de broeikasgasintensiteit van alle inputs en emissies, met inbegrip van de
►C5
basismaterialen ◄ en CH4- en N2O-emissies, naar en van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie, boiler of ander apparaat dat warmte of elektriciteit levert voor het brandstofproductieproces. In het geval van warmtekrachtkoppeling wordt de berekening overeenkomstig punt 16 uitgevoerd.
▼M2
18. Met het oog op de in punt 17 vermelde berekeningen zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, etd, eccs en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als er in een eerdere stap van het proces van de levenscyclus een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies. In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt er met het oog op die berekening rekening gehouden met alle bijproducten die niet onder het toepassingsgebied van punt 17 vallen.
Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud van nul te hebben.
Als algemene regel geldt dat afval en residuen, waaronder alle in bijlage IX opgenomen afvalstoffen en residuen, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of ze tot tussenproducten worden verwerkt voordat ze tot eindproducten worden verwerkt.
In het geval van biomassabrandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.
▼B
19. Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biobrandstoffen, 94 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (EF(t)).
Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor elektriciteitsproductie de waarde 183 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (ECF(e)).
Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor vloeibare biomassa voor de productie van nuttige warmte, alsmede voor de productie van verwarming en/of koeling de waarde 80 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof (ECF(h&c)).
D. GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR BIOBRANDSTOFFEN EN VLOEIBARE BIOMASSA
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec
” zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage met inbegrip van N2O-bodememissies
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol
|
9,6
|
9,6
|
|
Maisethanol
|
25,5
|
25,5
|
|
Ethanol van andere granen dan mais
|
27,0
|
27,0
|
|
Suikerrietethanol
|
17,1
|
17,1
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
32,0
|
32,0
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
26,1
|
26,1
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
21,2
|
21,2
|
|
▼C1
|
|
Biodiesel uit palmolie
|
26,0
|
26,0
|
|
▼B
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*1)
|
0
|
0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
33,4
|
33,4
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
26,9
|
26,9
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
22,1
|
22,1
|
|
▼C1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie
|
27,3
|
27,3
|
|
▼B
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*1)
|
0
|
0
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
33,4
|
33,4
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
27,2
|
27,2
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
22,2
|
22,2
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie
|
27,1
|
27,1
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
(*1)
Geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec
” — alleen voor N2O bodememissies (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor teeltemissies in de „eec
”-tabel)
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol
|
4,9
|
4,9
|
|
Maisethanol
|
13,7
|
13,7
|
|
Ethanol van andere granen dan mais
|
14,1
|
14,1
|
|
Suikerrietethanol
|
2,1
|
2,1
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
17,6
|
17,6
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
12,2
|
12,2
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
13,4
|
13,4
|
|
Biodiesel uit palmolie
|
16,5
|
16,5
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*1)
|
0
|
0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
18,0
|
18,0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
12,5
|
12,5
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
13,7
|
13,7
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie
|
16,9
|
16,9
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*1)
|
0
|
0
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
17,6
|
17,6
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
12,2
|
12,2
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
13,4
|
13,4
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie
|
16,5
|
16,5
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
(*1)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking: „ep
”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
18,8
|
26,3
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
9,7
|
13,6
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
13,2
|
18,5
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
7,6
|
10,6
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
27,4
|
38,3
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
15,7
|
22,0
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
20,8
|
29,1
|
|
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
14,8
|
20,8
|
|
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
28,6
|
40,1
|
|
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,8
|
2,6
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
21,0
|
29,3
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
15,1
|
21,1
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
30,3
|
42,5
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,5
|
2,2
|
|
Suikerrietethanol
|
1,3
|
1,8
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
11,7
|
16,3
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
11,8
|
16,5
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
12,1
|
16,9
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
30,4
|
42,6
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
13,2
|
18,5
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
9,3
|
13,0
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*2)
|
13,6
|
19,1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
10,7
|
15,0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
10,5
|
14,7
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
10,9
|
15,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
27,8
|
38,9
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
9,7
|
13,6
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
10,2
|
14,3
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*2)
|
14,5
|
20,3
|
|
▼C1
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
3,7
|
5,2
|
|
▼B
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
3,8
|
5,4
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
4,2
|
5,9
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
22,6
|
31,7
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
4,7
|
6,5
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0,6
|
0,8
|
(*1)
Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(*2)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden uitsluitend voor olie-extractie (deze zijn reeds opgenomen in de gedesaggregeerde waarden voor de verwerkingsemissies in de „ep
”-tabel)
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
3,0
|
4,2
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
2,9
|
4,0
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
3,2
|
4,4
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
20,9
|
29,2
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
3,7
|
5,1
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*1)
|
4,3
|
6,1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
3,1
|
4,4
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
3,0
|
4,1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
3,3
|
4,6
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
21,9
|
30,7
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
3,8
|
5,4
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*1)
|
4,3
|
6,0
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
3,1
|
4,4
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
3,0
|
4,2
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
3,4
|
4,7
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
21,8
|
30,5
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
3,8
|
5,3
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0
|
0
|
(*1)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: „etd
”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
2,3
|
2,3
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
2,3
|
2,3
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale\ (*1))
|
2,3
|
2,3
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
2,3
|
2,3
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
2,3
|
2,3
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
2,3
|
2,3
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
2,2
|
2,2
|
|
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
2,2
|
2,2
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
2,2
|
2,2
|
|
Suikerrietethanol
|
9,7
|
9,7
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
1,8
|
1,8
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
2,1
|
2,1
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
8,9
|
8,9
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
6,9
|
6,9
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
6,9
|
6,9
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
1,9
|
1,9
|
|
▼C1
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*2)
|
1,6
|
1,6
|
|
▼B
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
1,7
|
1,7
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
2,0
|
2,0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
9,2
|
9,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
7,0
|
7,0
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
7,0
|
7,0
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
1,7
|
1,7
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*2)
|
1,5
|
1,5
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
1,4
|
1,4
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
1,7
|
1,7
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
8,8
|
8,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
6,7
|
6,7
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
6,7
|
6,7
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
1,4
|
1,4
|
(*1)
Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(*2)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie van alleen de uiteindelijke brandstof. Deze zijn reeds opgenomen in de tabel „emissies ten gevolge van vervoer en distributie etd
”, zoals vastgesteld in deel C van deze bijlage, maar de volgende waarden zijn nuttig als een
►C7
economische actor ◄ alleen de werkelijke vervoersemissies voor het vervoer van gewassen of olie wil aangeven.
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
1,6
|
1,6
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
1,6
|
1,6
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
1,6
|
1,6
|
|
Suikerrietethanol
|
6,0
|
6,0
|
|
Het gedeelte ethyl-tertiair-butylether (ETBE) uit hernieuwbare bronnen
|
Wordt geacht gelijk te zijn aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte amyl-tertiair-ethylether (TAEE) uit hernieuwbare bronnen
|
Wordt geacht gelijk te zijn aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
1,3
|
1,3
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*2)
|
1,3
|
1,3
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
1,2
|
1,2
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*2)
|
1,2
|
1,2
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
0,8
|
0,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
0,8
|
0,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
0,8
|
0,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
0,8
|
0,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
0,8
|
0,8
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
0,8
|
0,8
|
(*1)
Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(*2)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
30,7
|
38,2
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
21,6
|
25,5
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
25,1
|
30,4
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, aardgas als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
19,5
|
22,5
|
|
Suikerbietethanol (geen biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
39,3
|
50,2
|
|
Suikerbietethanol (met biogas uit spoeling, bruinkool als procesbrandstof in WKK-centrale (*1))
|
27,6
|
33,9
|
|
Maisethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
48,5
|
56,8
|
|
Maisethanol, (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
42,5
|
48,5
|
|
Maisethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
56,3
|
67,8
|
|
Maisethanol (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
29,5
|
30,3
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)
|
50,2
|
58,5
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
44,3
|
50,3
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
59,5
|
71,7
|
|
▼C1
|
|
Ethanol van andere granen dan mais (bosbouwresiduen als procesbrandstof in WKK-installatie (*1))
|
30,7
|
31,4
|
|
Suikerrietethanol
|
28,1
|
28,6
|
|
▼B
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
|
|
Biodiesel uit koolzaad
|
45,5
|
50,1
|
|
Biodiesel uit zonnebloemen
|
40,0
|
44,7
|
|
Biodiesel uit sojabonen
|
42,2
|
47,0
|
|
▼C1
|
|
Biodiesel uit palmolie (open effluentvijver)
|
63,3
|
75,5
|
|
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
46,1
|
51,4
|
|
▼B
|
|
Biodiesel uit afgewerkte bak- en braadolie
|
11,2
|
14,9
|
|
▼C1
|
|
Biodiesel van dierlijk vet (*2)
|
15,2
|
20,7
|
|
▼B
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad
|
45,8
|
50,1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen
|
39,4
|
43,6
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit sojabonen
|
42,2
|
46,5
|
|
▼C1
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
62,1
|
73,2
|
|
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
44,0
|
47,9
|
|
▼B
|
|
Waterstofbehandelde olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
11,9
|
16,0
|
|
Waterstofbehandelde olie uit dierlijk vet (*2)
|
16,0
|
21,8
|
|
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad
|
38,5
|
40,0
|
|
Zuivere plantaardige olie uit zonnebloemen
|
32,7
|
34,3
|
|
Zuivere plantaardige olie uit sojabonen
|
35,2
|
36,9
|
|
▼C1
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (open effluentvijver)
|
56,4
|
65,5
|
|
Zuivere plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)
|
38,5
|
40,3
|
|
▼B
|
|
Zuivere olie uit afgewerkte bak- en braadolie
|
2,0
|
2,2
|
(*1)
Standaardwaarden voor processen die gebruikmaken van WKK gelden alleen als alle proceswarmte van WKK afkomstig is.
(*2)
Opmerking: geldt alleen voor biobrandstoffen vervaardigd uit dierlijke bijproducten die als categorie 1- en categorie 2-materiaal zijn ingedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009, waarvoor de emissies in verband met de hygiënisatie bij het uitsmelten niet in aanmerking worden genomen.
|
E. GERAAMDE GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR TOEKOMSTIGE BIOBRANDSTOFFEN EN VLOEIBARE BIOMASSA DIE IN 2016 NIET OF ALLEEN IN VERWAARLOOSBARE HOEVEELHEDEN OP DE MARKT WAREN
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt: „eec
”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage met inbegrip van N2O-emissies (inclusief spaanders van afvalhout of geteeld hout)
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
1,8
|
1,8
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
3,3
|
3,3
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,2
|
8,2
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
3,3
|
3,3
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,2
|
8,2
|
|
▼B
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
3,1
|
3,1
|
|
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
7,6
|
7,6
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
3,1
|
3,1
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
7,6
|
7,6
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,5
|
2,5
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,5
|
2,5
|
|
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,5
|
2,5
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,5
|
2,5
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor N2O-bodememissies (opgenomen in de „eec
”-tabel met gedesaggregeerde standaardwaarden voor teeltgebonden emissies)
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
4,4
|
4,4
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
4,4
|
4,4
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
4,1
|
4,1
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
4,1
|
4,1
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking: „ep
”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
4,8
|
6,8
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0,1
|
0,1
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
0,1
|
0,1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0,1
|
0,1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
0,1
|
0,1
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
DME uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Dimethylether DME uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
0
|
0
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: „etd
”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
7,1
|
7,1
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
12,2
|
12,2
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,4
|
8,4
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
12,2
|
12,2
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,4
|
8,4
|
|
▼C1
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
12,1
|
12,1
|
|
▼B
|
|
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,6
|
8,6
|
|
▼C1
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
12,1
|
12,1
|
|
▼B
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
8,6
|
8,6
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
7,7
|
7,7
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
7,9
|
7,9
|
|
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
7,7
|
7,7
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
7,9
|
7,9
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie van alleen de uiteindelijke brandstof. Deze zijn reeds opgenomen in de tabel „emissies ten gevolge van vervoer en distributie etd
”, zoals vastgesteld in deel C van deze bijlage, maar de volgende waarden zijn nuttig indien een
►C7
economische actor ◄ alleen vervoersemissies voor
►C5
basismaterialenvervoer ◄ wenst aan te geven.
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
1,6
|
1,6
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
1,2
|
1,2
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
1,2
|
1,2
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
1,2
|
1,2
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
1,2
|
1,2
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
2,0
|
2,0
|
|
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
2,0
|
2,0
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
2,0
|
2,0
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
2,0
|
2,0
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,0
|
2,0
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,0
|
2,0
|
|
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,0
|
2,0
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
2,0
|
2,0
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie
|
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Ethanol uit graanstro
|
13,7
|
15,7
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
15,6
|
15,6
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
16,7
|
16,7
|
|
▼C1
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
15,6
|
15,6
|
|
▼B
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
16,7
|
16,7
|
|
▼C1
|
|
Dimethylether (DME) uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
15,2
|
15,2
|
|
▼B
|
|
Dimethylether (DME) uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
16,2
|
16,2
|
|
▼C1
|
|
Methanol uit afvalhout in vrijstaande installatie
|
15,2
|
15,2
|
|
▼B
|
|
Methanol uit geteeld hout in vrijstaande installatie
|
16,2
|
16,2
|
|
Fischer-Tropschdiesel uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
10,2
|
10,2
|
|
Fischer-Tropschbenzine uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
10,4
|
10,4
|
|
Dimethylether (DME) uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
10,2
|
10,2
|
|
Methanol uit vergassing van zwart residuloog, geïntegreerd in cellulosefabriek
|
10,4
|
10,4
|
|
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen
|
Gelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie
|
|
|
BIJLAGE VI
|
BIJLAGE VI
REGELS VOOR HET BEREKENEN VAN HET EFFECT VAN BIOMASSABRANDSTOFFEN EN DE FOSSIELE REFERENTIEBRANDSTOFFEN ERVAN OP DE BROEIKASGASEMISSIE
A. TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VAN BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIES VOOR BIOMASSABRANDSTOFFEN DIE GEPRODUCEERD ZIJN ZONDER NETTO KOOLSTOFEMISSIES DOOR VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK
|
HOUTSPAANDERS
|
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
|
Houtspaanders van bosresiduen
|
1 tot en met 500 km
|
93 %
|
89 %
|
91 %
|
87 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
89 %
|
84 %
|
87 %
|
81 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
82 %
|
73 %
|
78 %
|
67 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
67 %
|
51 %
|
60 %
|
41 %
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
77 %
|
65 %
|
73 %
|
60 %
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
89 %
|
83 %
|
87 %
|
81 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
85 %
|
78 %
|
84 %
|
76 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
78 %
|
67 %
|
74 %
|
62 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
63 %
|
45 %
|
57 %
|
35 %
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
91 %
|
87 %
|
90 %
|
85 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
88 %
|
82 %
|
86 %
|
79 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
80 %
|
70 %
|
77 %
|
65 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
65 %
|
48 %
|
59 %
|
39 %
|
|
Houtspaanders van stamhout
|
1 tot en met 500 km
|
93 %
|
89 %
|
92 %
|
88 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
90 %
|
85 %
|
88 %
|
82 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
82 %
|
73 %
|
79 %
|
68 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
67 %
|
51 %
|
61 %
|
42 %
|
|
Houtspaanders van industriële residuen
|
1 tot en met 500 km
|
94 %
|
92 %
|
93 %
|
90 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
91 %
|
87 %
|
90 %
|
85 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
83 %
|
75 %
|
80 %
|
71 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
69 %
|
54 %
|
63 %
|
44 %
|
|
HOUTPELLETS (*1)
|
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen
|
Geval 1
|
1 tot en met 500 km
|
58 %
|
37 %
|
49 %
|
24 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
58 %
|
37 %
|
49 %
|
25 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
55 %
|
34 %
|
47 %
|
21 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
50 %
|
26 %
|
40 %
|
11 %
|
|
Geval 2a
|
1 tot en met 500 km
|
77 %
|
66 %
|
72 %
|
59 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
77 %
|
66 %
|
72 %
|
59 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
75 %
|
62 %
|
70 %
|
55 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
69 %
|
54 %
|
63 %
|
45 %
|
|
Geval 3a
|
1 tot en met 500 km
|
92 %
|
88 %
|
90 %
|
85 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
92 %
|
88 %
|
90 %
|
86 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
90 %
|
85 %
|
88 %
|
81 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
84 %
|
76 %
|
81 %
|
72 %
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)
|
Geval 1
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
52 %
|
28 %
|
43 %
|
15 %
|
|
Geval 2a
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
70 %
|
56 %
|
66 %
|
49 %
|
|
Geval 3a
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
85 %
|
78 %
|
83 %
|
75 %
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)
|
Geval 1
|
1 tot en met 500 km
|
54 %
|
32 %
|
46 %
|
20 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
52 %
|
29 %
|
44 %
|
16 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
47 %
|
21 %
|
37 %
|
7 %
|
|
Geval 2a
|
1 tot en met 500 km
|
73 %
|
60 %
|
69 %
|
54 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
71 %
|
57 %
|
67 %
|
50 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
66 %
|
49 %
|
60 %
|
41 %
|
|
Geval 3a
|
1 tot en met 500 km
|
88 %
|
82 %
|
87 %
|
81 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
86 %
|
79 %
|
84 %
|
77 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
80 %
|
71 %
|
78 %
|
67 %
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)
|
Geval 1
|
1 tot en met 500 km
|
56 %
|
35 %
|
48 %
|
23 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
54 %
|
32 %
|
46 %
|
20 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
49 %
|
24 %
|
40 %
|
10 %
|
|
Geval 2a
|
1 tot en met 500 km
|
76 %
|
64 %
|
72 %
|
58 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
74 %
|
61 %
|
69 %
|
54 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
68 %
|
53 %
|
63 %
|
45 %
|
|
Geval 3a
|
1 tot en met 500 km
|
91 %
|
86 %
|
90 %
|
85 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
89 %
|
83 %
|
87 %
|
81 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
83 %
|
75 %
|
81 %
|
71 %
|
|
Stamhout
|
Geval 1
|
1 tot en met 500 km
|
57 %
|
37 %
|
49 %
|
24 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
58 %
|
37 %
|
49 %
|
25 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
55 %
|
34 %
|
47 %
|
21 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
50 %
|
26 %
|
40 %
|
11 %
|
|
Geval 2a
|
1 tot en met 500 km
|
77 %
|
66 %
|
73 %
|
60 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
77 %
|
66 %
|
73 %
|
60 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
75 %
|
63 %
|
70 %
|
56 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
70 %
|
55 %
|
64 %
|
46 %
|
|
Geval 3a
|
1 tot en met 500 km
|
92 %
|
88 %
|
91 %
|
86 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
92 %
|
88 %
|
91 %
|
87 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
90 %
|
85 %
|
88 %
|
83 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
84 %
|
77 %
|
82 %
|
73 %
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie
|
Geval 1
|
1 tot en met 500 km
|
75 %
|
62 %
|
69 %
|
55 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
75 %
|
62 %
|
70 %
|
55 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
72 %
|
59 %
|
67 %
|
51 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
67 %
|
51 %
|
61 %
|
42 %
|
|
Geval 2a
|
1 tot en met 500 km
|
87 %
|
80 %
|
84 %
|
76 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
87 %
|
80 %
|
84 %
|
77 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
85 %
|
77 %
|
82 %
|
73 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
79 %
|
69 %
|
75 %
|
63 %
|
|
Geval 3a
|
1 tot en met 500 km
|
95 %
|
93 %
|
94 %
|
91 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
95 %
|
93 %
|
94 %
|
92 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
93 %
|
90 %
|
92 %
|
88 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
88 %
|
82 %
|
85 %
|
78 %
|
(*1)
Geval 1 verwijst naar processen waarin een aardgasketel wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. De elektriciteit voor de pelletfabriek wordt door het net geleverd.
Geval 2a verwijst naar processen waarin een houtspaanderketel, die wordt gestookt met voorgedroogde spaanders, wordt gebruikt om te voorzien in proceswarmte. De elektriciteit voor de pelletfabriek wordt door het net geleverd.
Geval 3a verwijst naar processen waarin een WKK, die wordt gestookt met voorgedroogde houtspaanders, wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van stroom en warmte.
|
|
LANDBOUWKETENS
|
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
Warmte
|
Elektriciteit
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m3 (*1)
|
1 tot en met 500 km
|
95 %
|
92 %
|
93 %
|
90 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
89 %
|
83 %
|
86 %
|
80 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
77 %
|
66 %
|
73 %
|
60 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
57 %
|
36 %
|
48 %
|
23 %
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m3 (*2)
|
1 tot en met 500 km
|
95 %
|
92 %
|
93 %
|
90 %
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
93 %
|
89 %
|
92 %
|
87 %
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
88 %
|
82 %
|
85 %
|
78 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
78 %
|
68 %
|
74 %
|
61 %
|
|
Stropellets
|
1 tot en met 500 km
|
88 %
|
82 %
|
85 %
|
78 %
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
86 %
|
79 %
|
83 %
|
74 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
80 %
|
70 %
|
76 %
|
64 %
|
|
Bagassebriketten
|
500 tot en met 10 000 km
|
93 %
|
89 %
|
91 %
|
87 %
|
|
Meer dan 10 000 km
|
87 %
|
81 %
|
85 %
|
77 %
|
|
Palmpitschroot
|
Meer dan 10 000 km
|
20 %
|
-18 %
|
11 %
|
-33 %
|
|
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)
|
Meer dan 10 000 km
|
46 %
|
20 %
|
42 %
|
14 %
|
(*1)
Deze groep van materialen omvat landbouwresiduen met een lage volumedichtheid en bestaat uit materialen zoals strobalen, haverdoppen, rijstdoppen en bagassebalen (niet-limitatieve lijst).
(*2)
De groep van landbouwresiduen met een hogere volumedichtheid omvat materialen zoals maiskolven, notendoppen, sojabonendoppen en palmpitdoppen (niet-limitatieve lijst).
|
|
BIOGAS VOOR ELEKTRICITEIT (*1)
|
|
Biogasproductie-installatie
|
Technologische optie
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Natte mest (1)
|
Geval 1
|
Open digestaat (2)
|
146 %
|
94 %
|
|
Gesloten digestaat (3)
|
246 %
|
240 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
136 %
|
85 %
|
|
Gesloten digestaat
|
227 %
|
219 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
142 %
|
86 %
|
|
Gesloten digestaat
|
243 %
|
235 %
|
|
Volledige maisplant (4)
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
36 %
|
21 %
|
|
Gesloten digestaat
|
59 %
|
53 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
34 %
|
18 %
|
|
Gesloten digestaat
|
55 %
|
47 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
28 %
|
10 %
|
|
Gesloten digestaat
|
52 %
|
43 %
|
|
Bioafval
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
47 %
|
26 %
|
|
Gesloten digestaat
|
84 %
|
78 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
43 %
|
21 %
|
|
Gesloten digestaat
|
77 %
|
68 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
38 %
|
14 %
|
|
Gesloten digestaat
|
76 %
|
66 %
|
(*1)
Geval 1 verwijst naar ketens waarin de electriciteit en warmte die nodig zijn voor het proces worden geleverd door de WKK-motor zelf.
Geval 2 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door de WKK-motor zelf. In sommige lidstaten mogen exploitanten geen subsidies aanvragen voor de brutoproductie, en geval 1 is de meest waarschijnlijke configuratie.
Geval 3 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door een biogasketel. Dit geval heeft betrekking op bepaalde installaties waarin de WKK-motor zich niet ter plaatse bevindt en biogas wordt verkocht (maar niet wordt omgezet in biomethaan).
(1)
De waarden voor biogasproductie uit mest bevatten negatieve emissies voor de emissies die worden gereduceerd door het beheer van onverwerkte mest. De in aanmerking genomen waarde voor esca is gelijk aan – 45 g CO2eq/MJ mest die wordt gebruikt voor anaerobe vergisting.
(2)
Open opslag van digestaat leidt tot bijkomende emissies van CH4 en N2O. De omvang van deze emissies is afhankelijk van omgevingsomstandigheden, substraattypes en de efficiëntie van de vergisting.
(3)
Gesloten opslag betekent dat het door het vergistingsproces verkregen digestaat wordt opgeslagen in een gasdichte tank, en dat het bijkomende biogas dat vrijkomt tijdens de opslag wordt beschouwd als gerecupereerd voor de productie van extra elektriciteit of biomethaan. Dat proces omvat geen broeikasgasemissies.
(4)
Volledige maisplant betekent mais die als voeder wordt geoogst en in silo's wordt opgeslagen voor bewaring.
|
|
BIOGAS VOOR ELEKTRICITEIT — MENGSELS VAN MEST EN MAIS
|
|
Biogasproductie-installatie
|
Technologische optie
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Mest — Mais
80 %-20 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
72 %
|
45 %
|
|
Gesloten digestaat
|
120 %
|
114 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
67 %
|
40 %
|
|
Gesloten digestaat
|
111 %
|
103 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
65 %
|
35 %
|
|
Gesloten digestaat
|
114 %
|
106 %
|
|
Mest — Mais
70 %-30 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
60 %
|
37 %
|
|
Gesloten digestaat
|
100 %
|
94 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
57 %
|
32 %
|
|
Gesloten digestaat
|
93 %
|
85 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
53 %
|
27 %
|
|
Gesloten digestaat
|
94 %
|
85 %
|
|
Mest — Mais
60 %-40 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
53 %
|
32 %
|
|
Gesloten digestaat
|
88 %
|
82 %
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
50 %
|
28 %
|
|
Gesloten digestaat
|
82 %
|
73 %
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
46 %
|
22 %
|
|
Gesloten digestaat
|
81 %
|
72 %
|
|
BIOMETHAAN VOOR VERVOER (*1)
|
|
Biomethaanproductie-installatie
|
Technologische opties
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Natte mest
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
117 %
|
72 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
133 %
|
94 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
190 %
|
179 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
206 %
|
202 %
|
|
Volledige maisplant
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
35 %
|
17 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
51 %
|
39 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
52 %
|
41 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
68 %
|
63 %
|
|
Bioafval
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
43 %
|
20 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
59 %
|
42 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
70 %
|
58 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
86 %
|
80 %
|
(*1)
De broeikasgasemissiereducties van biomethaan hebben alleen betrekking op gecomprimeerd biomethaan betreffende de fossiele referentiebrandstof voor vervoer van 94 g CO2eq/MJ.
|
|
BIOMETHAAN — MENGSELS VAN MEST EN MAIS (*1)
|
|
Biomethaanproductie-installatie
|
Technologische opties
|
Broeikasgasemissiereducties — typische waarde
|
Broeikasgasemissiereducties — standaardwaarde
|
|
Mest — Mais
80 %-20 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding (1)
|
62 %
|
35 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas (2)
|
78 %
|
57 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
97 %
|
86 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
113 %
|
108 %
|
|
Mest — Mais
70 %-30 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
53 %
|
29 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
69 %
|
51 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
83 %
|
71 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
99 %
|
94 %
|
|
Mest — Mais
60 %-40 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
48 %
|
25 %
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
64 %
|
48 %
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
74 %
|
62 %
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
90 %
|
84 %
|
(*1)
De broeikasgasemissiereducties voor biomethaan hebben alleen betrekking op gecomprimeerd biomethaan betreffende de fossiele referentiebrandstof voor vervoer van 94 g CO2eq/MJ.
(1)
Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Swing Adsorption (PSA), Pressure Water Scrubbing (PWS), Membranes, Cryogenic, en Organic Physical Scrubbing (OPS). Het omvat een emissie van 0,03 MJ CH4/MJ biomethaan voor de emissie van methaan in de rookgassen.
(2)
Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Water Scrubbing (PWS) voor het recyclen van water, Pressure Swing Adsorption (PSA), Chemical Scrubbing, Organic Physical Scrubbing (OPS), Membranes en Cryogenic upgrading. Voor deze categorie wordt geen rekening gehouden met methaanemissies (als het rookgas methaan bevat, wordt dit verbrand).
|
B. METHODE
1. Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend:
a)
Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van biomassabrandstoffen vóór omzetting in elektriciteit, verwarming en koeling worden als volgt berekend:
E = eec + el + ep + etd + eu – esca – eccs – eccr,
waarbij
|
E
|
=
|
de totale emissies door de productie van de brandstof vóór energieomzetting;
|
|
eec
|
=
|
emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;
|
|
el
|
=
|
de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;
|
|
ep
|
=
|
emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
|
|
etd
|
=
|
emissies ten gevolge van vervoer en distributie;
|
|
eu
|
=
|
emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;
|
|
esca
|
=
|
emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;
|
|
eccs
|
=
|
emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
|
|
eccr
|
=
|
emissiereducties door het afvangen en vervangen van CO2;
|
Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.
b)
In geval van co-vergisting van verschillende substraten in een biogasinstallatie voor de productie van biogas of biomethaan worden de typische en standaardwaarden voor broeikasgasemissies als volgt berekend:
▼B
waarbij
|
E
|
=
|
broeikasgasemissies per MJ biogas of biomethaan die worden geproduceerd uit co-vergisting van een bepaald mengsel van substraten
|
|
Sn
|
=
|
aandeel
►C5
basismateriaal ◄ n in energie-inhoud
|
|
En
|
=
|
emissie in gCO2/MJ voor keten n zoals bepaald in deel D van deze bijlage (*)
|
▼B
waarbij
|
Pn
|
=
|
energieopbrengst [MJ] per kilogram natte input van
►C5
basismateriaal ◄ n (**)
|
|
Wn
|
=
|
wegingsfactor van substraat n gedefinieerd als:
|
waarbij
|
In
|
=
|
jaarlijkse input aan de vergister van substraat n [ton verse materie]
|
|
AMn
|
=
|
jaarlijkse gemiddelde vochtigheid van substraat n [kg water/kg verse materie]
|
|
SMn
|
=
|
standaardvochtigheid voor substraat n (***).
|
(*) Voor dierenmest die wordt gebruikt als substraat wordt een bonus van 45 g CO2eq/MJ mest (-54 kg CO2eq/t verse materie) toegevoegd met het oog op een beter landbouw- en mestbeheer.
(**) De volgende waarden van Pn worden gebruikt voor de berekening van typische en standaardwaarden:
P(Mais): 4,16 [MJbiogas/kgnatte mais @ 65 % vochtigheid]
P(Mest): 0,50 [MJbiogas/kgnatte mest @ 90 % vochtigheid]
P(Bioafval): 3,41 [MJbiogas/kgnat bioafval @ 76 % vochtigheid]
(***) De onderstaande waarden van de standaardvochtigheid voor substraat SMn worden gebruikt:
SM(Mais): 0,65 [kg water/kg verse materie]
SM(Mest): 0,90 [kg water/kg verse materie]
SM(Bioafval): 0,76 [kg water/kg verse materie]
c)
In geval van co-vergisting van n substraten in een biogasinstallatie voor de productie van elektriciteit of biomethaan worden de feitelijke broeikasgasemissies van biogas en biomethaan als volgt berekend:
waarbij
|
E
|
=
|
de totale emissies door de productie van het biogas of de biomethaan vóór energieomzetting;
|
|
Sn
|
=
|
aandeel
►C5
basismateriaal ◄ n, in fractie van de input aan de vergister
|
|
eec,n
|
=
|
emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van
►C5
basismateriaal ◄ n;
|
|
etd,
►C5
basismateriaal ◄ ,n
|
=
|
emissies ten gevolge van het vervoer van
►C5
basismateriaal ◄ n naar de vergister;
|
|
el,n
|
=
|
op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door wijzigingen in landgebruik, voor
►C5
basismateriaal ◄ n;
|
|
esca
|
=
|
emissiereductie door beter landbouwbeheer van
►C5
basismateriaal ◄ n (*);
|
|
ep
|
=
|
emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
|
|
etd,product
|
=
|
emissies ten gevolge van vervoer en distributie van biogas en/of biomethaan;
|
|
eu
|
=
|
emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, namelijk tijdens de verbranding uitgestoten broeikasgassen;
|
|
eccs
|
=
|
emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2; alsmede
|
|
eccr
|
=
|
emissiereducties door het afvangen en vervangen van CO2;
|
(*) Voor esca wordt een bonus van 45 g CO2eq/MJ mest toegevoegd met het oog op een beter landbouw- en mestbeheer indien dierenmest wordt gebruikt als een substraat voor de productie van biogas en biomethaan.
d)
Broeikasgasemissies door het gebruik van biomassabrandstoffen bij de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, met inbegrip van de omzetting van energie in de geproduceerde elektriciteit en/of warmte en koeling, worden als volgt berekend:
i)
Voor energie-installaties die alleen warmte leveren:
ii)
Voor energie-installaties die alleen elektriciteit leveren:
waarbij
|
ECh,el
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
|
|
E
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies van de brandstof vóór de eindomzetting ervan.
|
|
ηel
|
=
|
Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
ηh
|
=
|
Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse brandstofinput, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
iii)
Voor de elektriciteit of de mechanische energie van energie-installaties die tegelijk nuttige warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren:
iv)
Voor de nuttige warmte van energie-installaties die tegelijk warmte en elektriciteit en/of mechanische energie leveren.
waarbij
|
ECh,el
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies uit de uiteindelijke energiegrondstof.
|
|
E
|
=
|
Totaal aan broeikasgasemissies van de brandstof vóór de eindomzetting ervan.
|
|
ηel
|
=
|
Het elektrisch rendement, gedefinieerd als de op jaarbasis geproduceerde elektriciteit, gedeeld door de jaarlijkse energie-input, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
ηh
|
=
|
Het warmterendement, gedefinieerd als de jaarlijkse nuttige warmteafgifte, gedeeld door de jaarlijkse energie-input, op basis van de energie-inhoud daarvan.
|
|
Cel
|
=
|
De exergiefractie in de elektriciteit, en/of de mechanische energie, vastgesteld op 100 % (Cel = 1).
|
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement (exergiefractie in de nuttige warmte).
|
Het Carnotrendement, Ch, voor nuttige warmte bij verschillende temperaturen wordt gedefinieerd als:
waarbij
|
Th
|
=
|
Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
|
|
T0
|
=
|
Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 oC)
|
Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 oC (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement voor warmte op 150 oC (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546
|
Voor deze berekening gelden de volgende definities:
i)
„warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
ii)
„nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;
iii)
„economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan.
2. Broeikasgasemissies ten gevolge van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend
a)
broeikasgasemissies ten gevolge van biomassabrandstoffen, E, worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ.
b)
broeikasgasemissies ten gevolge van verwarming of elektriciteit, geproduceerd uit biomassabrandstoffen, EC, worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ eindenergie (warmte of elektriciteit), g CO2eq/MJ.
Wanneer verwarming en koeling tegelijk met elektriciteit worden geproduceerd, worden de emissies toegewezen aan warmte en elektriciteit (zoals in punt 1, onder d)), ongeacht of de warmte feitelijk voor verwarming dan wel voor koeling wordt gebruikt (
39
).
Wanneer de broeikasgasemissies die het gevolg zijn van de winning of de teelt van
►C5
basismaterialen ◄ eec worden uitgedrukt in eenheden g CO2/ton droog
►C5
basismateriaal ◄ , wordt het aantal gram CO2-equivalent per MJ brandstof, g CO2eq/MJ, als volgt berekend (
40
):
waarbij
De emissies per ton droog
►C5
basismateriaal ◄ worden als volgt berekend:
3. Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biomassabrandstoffen worden als volgt berekend:
a)
Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van als transportbrandstoffen gebruikte biomassabrandstoffen:
REDUCTIE = (EF(t) – EB)/EF(t)
waarbij
|
EB
|
=
|
de totale emissies als transportbrandstoffen gebruikte biomassabrandstoffen; alsmede
|
|
EF(t)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor vervoer
|
b)
Broeikasgasemissiereducties ten gevolge van het gebruik van biomassabrandstoffen voor verwarming, koeling en elektriciteitsproductie:
REDUCTIE = (ECF(h&c,el) – ECB(h&c,el))/ECF (h&c,el),
waarbij
|
ECB(h&c,el)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van de warmte of elektriciteit,
|
|
ECF(h&c,el)
|
=
|
de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de fossiele referentiebrandstof voor nuttige warmte of elektriciteit.
|
4. Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan deze gassen:
CO2: 1
N2O: 298
CH4: 25
5. Emissies door het winnen, oogsten of telen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van winnen, oogsten of telen zelf, door het verzamelen, drogen en opslaan van de grondstoffen, van afval en lekken, en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt van landbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit regionale gemiddelden voor de emissies ten gevolge van de teelt die zijn opgenomen in de in artikel 31, lid 4, van deze richtlijn bedoelde verslagen of de informatie over de gedesaggregeerde standaardwaarden die in de bijlage zijn opgenomen als alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden. Bij gebrek aan relevante informatie in die verslagen is het toegestaan gemiddelden te berekenen op basis van plaatselijke landbouwpraktijken die bijvoorbeeld op de gegevens van een groep landbouwbedrijven zijn gebaseerd, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
Ramingen van de emissies ten gevolge van de teelt en oogst van bosbouwbiomassa kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor de teelt- en oogstgebonden emissies die worden berekend voor geografische gebieden op nationaal niveau, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
▼M2
6. Voor de doeleinden van de in punt 1, a), bedoelde berekening wordt alleen rekening gehouden met de broeikasgasemissiereducties ten gevolge van verbeterd landbouwbeheer, esca, zoals overschakelen op weinig of geen grondbewerking, betere gewassen en gewasrotatie, het gebruik van groenbemesting, met inbegrip van het beheer van residuen van landbouwgewassen, en het gebruik van biologische bodemverbeteraars, zoals Compost en mestfermentatiedigestaat, indien zij geen risico op negatieve gevolgen voor de biodiversiteit opleveren. Tevens wordt sterk en verifieerbaar bewijs geleverd dat de bodemkoolstof is toegenomen of dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze in de periode waarin de betrokken grondstoffen werden geteeld, is toegenomen, rekening houdend met de emissies wanneer dergelijke praktijken leiden tot toegenomen gebruik van kunstmest en herbiciden (
41
).
▼B
7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van deze emissies wordt de volgende regel toegepast:
el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (
42
)
waarbij
|
el
|
=
|
op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik (gemeten als massa CO2-equivalent per eenheid energie uit biomassabrandstoffen). „Akkerland” (
43
) en „land voor vaste gewassen” (
44
) worden beschouwd als één landgebruik;
|
|
CSR
|
=
|
de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;
|
|
CSA
|
=
|
de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;
|
|
P
|
=
|
de productiviteit van het gewas (meten als energie van de biomassabrandstof per landeenheid per jaar), en
|
|
eB
|
=
|
bonus van 29 g CO2eq/MJ biomassabrandstof indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.
|
8. De bonus van 29 g CO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:
a)
in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of enige andere activiteit werd gebruikt; alsmede
b)
ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.
De bonus van 29 g CO2eq/MJ geldt voor een periode van twintig jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder b) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen.
9. Onder „ernstig aangetast land” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden.
10. In overeenstemming met bijlage V, deel C, punt 10, bij deze richtlijn worden koolstofvoorraden in de grond berekend op grond van Besluit 2010/335/EU van de Commissie (
45
) dat voorziet in richtsnoeren voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond met betrekking tot deze richtlijn, op basis van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen — deel 4, en overeenkomstig de Verordeningen (EU) nr. 525/2013 en (EU) 2018/841.
11. Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken, en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt, waaronder de CO2-emissies van die overeenstemmen met de koolstofgehalten van fossiele inputs, ongeacht of die tijdens het proces daadwerkelijk worden verbrand.
Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de productie-installatie voor vaste of gasvormige biomassabrandstof is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.
Emissies ten gevolge van de verwerking omvatten, in voorkomend geval, emissies ten gevolge van het drogen van tussenproducten en -materialen.
12. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer van grondstoffen en halfafgewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee uit hoofde van punt 5 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.
13. De CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biomassabrandstoffen. Emissies van andere broeikasgassen dan CO2 (N2O en CH4) van de gebruikte brandstof zullen worden opgenomen in de eu-factor voor vloeibare biomassa.
14. Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van CO2, eccs, die nog niet is meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof indien opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG.
▼M2
15. Emissiereductie door het afvangen en vervangen van CO2, eccr, houdt rechtstreeks verband met de productie van biomassabrandstoffen waaraan deze wordt toegeschreven, en wordt beperkt tot emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om CO2 uit fossiele brandstoffen in de productie en levering van commerciële producten en diensten voor 1 januari 2036 te vervangen.
▼B
16. Wanneer een warmtekrachtkoppelingseenheid — die warmte en/of elektriciteit levert aan een biomassabrandstofproductieproces waarvoor emissies worden berekend — een overschot aan elektriciteit en/of nuttige warmte produceert, worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de elektriciteit en de nuttige warmte, afhankelijk van de temperatuur van de warmte (die een functie is van het nut van de warmte). Het nuttige deel van de warmte wordt gevonden door de energie-inhoud ervan te vermenigvuldigen met het Carnotrendement, Ch, als volgt berekend:
waarbij
|
Th
|
=
|
Temperatuur, gemeten in absolute temperatuur (kelvin) of de nuttige warmte op het leveringspunt.
|
|
T0
|
=
|
Omgevingstemperatuur, vastgesteld op 273,15 kelvin (gelijk aan 0 oC)
|
Indien het overschot aan warmte wordt afgevoerd voor verwarming van gebouwen, bij een temperatuur van minder dan 150 oC (423.15 kelvin), kan Ch ook als volgt worden gedefinieerd:
|
Ch
|
=
|
Het Carnotrendement voor warmte op 150 oC (423,15 kelvin), wat neerkomt op: 0,3546
|
Voor die berekening wordt de werkelijke efficiëntie gebruikt, gedefinieerd als de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid mechanische energie, elektriciteit en warmte, respectievelijk gedeeld door de jaarlijkse energie-input.
Voor deze berekening gelden de volgende definities:
a)
„warmtekrachtkoppeling”: gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
b)
„nuttige warmte”: warmte die wordt geproduceerd om aan een economisch gerechtvaardigde vraag naar warmte voor verwarming of koeling te voldoen;
c)
„economisch gerechtvaardigde vraag”: de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overschrijdt en waaraan in andere gevallen tegen marktvoorwaarden zou worden voldaan
17. Als een proces voor de productie van biomassabrandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit en warmte). De broeikasgasintensiteit van een overschot aan nuttige warmte of een overschot aan elektriciteit is dezelfde als de broeikasgasintensiteit van warmte of elektriciteit die aan het biomassabrandstofproductieproces wordt geleverd en wordt bepaald uit de berekening van de broeikasgasintensiteit van alle inputs en emissies, met inbegrip van de
►C5
basismaterialen ◄ en CH4- en N2O-emissies, naar en van de warmtekrachtkoppelingsinstallatie, boiler of ander apparaat dat warmte of elektriciteit levert voor het brandstofproductieproces. In het geval van warmtekrachtkoppeling wordt de berekening overeenkomstig punt 16 uitgevoerd.
▼M2
18. Met het oog op de in punt 17 vermelde berekeningen zijn de te verdelen emissies eec + el + esca + fracties van ep, etd, eccs en eccr die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als er in een eerdere stap van het proces van de levenscyclus een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.
In het geval van biogas en biomethaan wordt er met het oog op die berekening rekening gehouden met alle bijproducten die niet onder het toepassingsgebied van punt 17 vallen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud van nul te hebben.
Als algemene regel geldt dat afval en residuen, waaronder alle in bijlage IX opgenomen afvalstoffen en residuen, worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld, ongeacht of ze tot tussenproducten worden verwerkt voordat ze tot eindproducten worden verwerkt.
In het geval van biomassabrandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, andere dan de combinatie van verwerkingsbedrijven met boilers of warmtekrachtinstallaties die warmte en/of elektriciteit leveren aan het verwerkingsbedrijf, is de raffinaderij de analyse-eenheid voor de doeleinden van de in punt 17 bedoelde berekening.
▼B
19. Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen voor elektriciteitsproductie de waarde 183 g CO2eq/MJ elektriciteit gebruikt, of 212 g CO2eq/MJ elektriciteit voor de ultraperifere gebieden, voor de fossiele referentiebrandstof ECF(el).
Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van nuttige warmte, alsook van verwarming en/of koeling, de waarde 80 g CO2eq/MJ warmte gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof ECF(h).
Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van nuttige warmte, waarin een rechtstreekse fysieke vervanging van kolen kan worden aangetoond, de waarde 124 g CO2eq/MJ warmte gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof ECF(h).
Met het oog op de in punt 3 vermelde berekening wordt voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt als transportbrandstoffen de waarde 94 g CO2eq/MJ gebruikt voor de fossiele referentiebrandstof EF(t).
C. GEDESAGGREGEERDE STANDAARDWAARDEN VOOR BIOMASSABRANDSTOFFEN
Houtbriketten of pellets
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
|
Houtspaanders van bosresiduen
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
1,6
|
3,0
|
0,4
|
0,0
|
1,9
|
3,6
|
0,5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
1,6
|
5,2
|
0,4
|
0,0
|
1,9
|
6,2
|
0,5
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
1,6
|
10,5
|
0,4
|
0,0
|
1,9
|
12,6
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
1,6
|
20,5
|
0,4
|
0,0
|
1,9
|
24,6
|
0,5
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
4,4
|
0,0
|
11,0
|
0,4
|
4,4
|
0,0
|
13,2
|
0,5
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
3,9
|
0,0
|
3,5
|
0,4
|
3,9
|
0,0
|
4,2
|
0,5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
3,9
|
0,0
|
5,6
|
0,4
|
3,9
|
0,0
|
6,8
|
0,5
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
3,9
|
0,0
|
11,0
|
0,4
|
3,9
|
0,0
|
13,2
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
3,9
|
0,0
|
21,0
|
0,4
|
3,9
|
0,0
|
25,2
|
0,5
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
2,2
|
0,0
|
3,5
|
0,4
|
2,2
|
0,0
|
4,2
|
0,5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
2,2
|
0,0
|
5,6
|
0,4
|
2,2
|
0,0
|
6,8
|
0,5
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
2,2
|
0,0
|
11,0
|
0,4
|
2,2
|
0,0
|
13,2
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
2,2
|
0,0
|
21,0
|
0,4
|
2,2
|
0,0
|
25,2
|
0,5
|
|
Houtspaanders van stamhout
|
1 tot en met 500 km
|
1,1
|
0,3
|
3,0
|
0,4
|
1,1
|
0,4
|
3,6
|
0,5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
1,1
|
0,3
|
5,2
|
0,4
|
1,1
|
0,4
|
6,2
|
0,5
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
1,1
|
0,3
|
10,5
|
0,4
|
1,1
|
0,4
|
12,6
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
1,1
|
0,3
|
20,5
|
0,4
|
1,1
|
0,4
|
24,6
|
0,5
|
|
Houtspaanders van residuen uit de houtindustrie
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
0,3
|
3,0
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
3,6
|
0,5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
0,3
|
5,2
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
6,2
|
0,5
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
0,3
|
10,5
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
12,6
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
0,3
|
20,5
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
24,6
|
0,5
|
Houtbriketten of pellets
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
|
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer en distributie
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer en distributie
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
25,8
|
2,9
|
0,3
|
0,0
|
30,9
|
3,5
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
25,8
|
2,8
|
0,3
|
0,0
|
30,9
|
3,3
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
25,8
|
4,3
|
0,3
|
0,0
|
30,9
|
5,2
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
25,8
|
7,9
|
0,3
|
0,0
|
30,9
|
9,5
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
12,5
|
3,0
|
0,3
|
0,0
|
15,0
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
12,5
|
2,9
|
0,3
|
0,0
|
15,0
|
3,5
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
12,5
|
4,4
|
0,3
|
0,0
|
15,0
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
12,5
|
8,1
|
0,3
|
0,0
|
15,0
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
2,4
|
3,0
|
0,3
|
0,0
|
2,8
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
2,4
|
2,9
|
0,3
|
0,0
|
2,8
|
3,5
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
2,4
|
4,4
|
0,3
|
0,0
|
2,8
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
2,4
|
8,2
|
0,3
|
0,0
|
2,8
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Eucalyptus — geval 1)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
3,9
|
24,5
|
4,3
|
0,3
|
3,9
|
29,4
|
5,2
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Eucalyptus — geval 2a)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
5,0
|
10,6
|
4,4
|
0,3
|
5,0
|
12,7
|
5,3
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Eucalyptus — geval 3a)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
5,3
|
0,3
|
4,4
|
0,3
|
5,3
|
0,4
|
5,3
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — bemest — geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
3,4
|
24,5
|
2,9
|
0,3
|
3,4
|
29,4
|
3,5
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
3,4
|
24,5
|
4,3
|
0,3
|
3,4
|
29,4
|
5,2
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
3,4
|
24,5
|
7,9
|
0,3
|
3,4
|
29,4
|
9,5
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — bemest — geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
4,4
|
10,6
|
3,0
|
0,3
|
4,4
|
12,7
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
4,4
|
10,6
|
4,4
|
0,3
|
4,4
|
12,7
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
4,4
|
10,6
|
8,1
|
0,3
|
4,4
|
12,7
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — bemest — geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
4,6
|
0,3
|
3,0
|
0,3
|
4,6
|
0,4
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
4,6
|
0,3
|
4,4
|
0,3
|
4,6
|
0,4
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
4,6
|
0,3
|
8,2
|
0,3
|
4,6
|
0,4
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — niet bemest — geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
2,0
|
24,5
|
2,9
|
0,3
|
2,0
|
29,4
|
3,5
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
2,0
|
24,5
|
4,3
|
0,3
|
2,0
|
29,4
|
5,2
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
2,0
|
24,5
|
7,9
|
0,3
|
2,0
|
29,4
|
9,5
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — niet bemest — geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
2,5
|
10,6
|
3,0
|
0,3
|
2,5
|
12,7
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
2,5
|
10,6
|
4,4
|
0,3
|
2,5
|
12,7
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
2,5
|
10,6
|
8,1
|
0,3
|
2,5
|
12,7
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten van hakhout met een korte omlooptijd
(Populier — niet bemest — geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
2,6
|
0,3
|
3,0
|
0,3
|
2,6
|
0,4
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
2,6
|
0,3
|
4,4
|
0,3
|
2,6
|
0,4
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
2,6
|
0,3
|
8,2
|
0,3
|
2,6
|
0,4
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
1,1
|
24,8
|
2,9
|
0,3
|
1,1
|
29,8
|
3,5
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
1,1
|
24,8
|
2,8
|
0,3
|
1,1
|
29,8
|
3,3
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
1,1
|
24,8
|
4,3
|
0,3
|
1,1
|
29,8
|
5,2
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
1,1
|
24,8
|
7,9
|
0,3
|
1,1
|
29,8
|
9,5
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
1,4
|
11,0
|
3,0
|
0,3
|
1,4
|
13,2
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
1,4
|
11,0
|
2,9
|
0,3
|
1,4
|
13,2
|
3,5
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
1,4
|
11,0
|
4,4
|
0,3
|
1,4
|
13,2
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
1,4
|
11,0
|
8,1
|
0,3
|
1,4
|
13,2
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
1,4
|
0,8
|
3,0
|
0,3
|
1,4
|
0,9
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
1,4
|
0,8
|
2,9
|
0,3
|
1,4
|
0,9
|
3,5
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
1,4
|
0,8
|
4,4
|
0,3
|
1,4
|
0,9
|
5,3
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
1,4
|
0,8
|
8,2
|
0,3
|
1,4
|
0,9
|
9,8
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
14,3
|
2,8
|
0,3
|
0,0
|
17,2
|
3,3
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
14,3
|
2,7
|
0,3
|
0,0
|
17,2
|
3,2
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
14,3
|
4,2
|
0,3
|
0,0
|
17,2
|
5,0
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
14,3
|
7,7
|
0,3
|
0,0
|
17,2
|
9,2
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
6,0
|
2,8
|
0,3
|
0,0
|
7,2
|
3,4
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
6,0
|
2,7
|
0,3
|
0,0
|
7,2
|
3,3
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
6,0
|
4,2
|
0,3
|
0,0
|
7,2
|
5,1
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
6,0
|
7,8
|
0,3
|
0,0
|
7,2
|
9,3
|
0,3
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
0,2
|
2,8
|
0,3
|
0,0
|
0,3
|
3,4
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
0,2
|
2,7
|
0,3
|
0,0
|
0,3
|
3,3
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
0,2
|
4,2
|
0,3
|
0,0
|
0,3
|
5,1
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
0,2
|
7,8
|
0,3
|
0,0
|
0,3
|
9,3
|
0,3
|
Landbouwketens
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
|
|
|
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer en distributie
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
Teelt
|
Verwerking
|
Vervoer en distributie
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m3
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
0,9
|
2,6
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
3,1
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
0,9
|
6,5
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
7,8
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
0,9
|
14,2
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
17,0
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
0,9
|
28,3
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
34,0
|
0,3
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m3
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
0,9
|
2,6
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
3,1
|
0,3
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
0,0
|
0,9
|
3,6
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
4,4
|
0,3
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
0,9
|
7,1
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
8,5
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
0,9
|
13,6
|
0,2
|
0,0
|
1,1
|
16,3
|
0,3
|
|
Stropellets
|
1 tot en met 500 km
|
0,0
|
5,0
|
3,0
|
0,2
|
0,0
|
6,0
|
3,6
|
0,3
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
5,0
|
4,6
|
0,2
|
0,0
|
6,0
|
5,5
|
0,3
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
5,0
|
8,3
|
0,2
|
0,0
|
6,0
|
10,0
|
0,3
|
|
Bagassebriketten
|
500 tot en met 10 000 km
|
0,0
|
0,3
|
4,3
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
5,2
|
0,5
|
|
Meer dan 10 000 km
|
0,0
|
0,3
|
8,0
|
0,4
|
0,0
|
0,4
|
9,5
|
0,5
|
|
Palmpitschroot
|
Meer dan 10 000 km
|
21,6
|
21,1
|
11,2
|
0,2
|
21,6
|
25,4
|
13,5
|
0,3
|
|
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)
|
Meer dan 10 000 km
|
21,6
|
3,5
|
11,2
|
0,2
|
21,6
|
4,2
|
13,5
|
0,3
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biogas voor elektriciteitsproductie
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Technologie
|
TYPISCHE WAARDE [g CO2eq/MJ]
|
STANDAARDWAARDE [g CO2eq/MJ]
|
|
Teelt
|
Verwerking
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
Vervoer
|
Mestcredits
|
Teelt
|
Verwerking
|
Niet-CO2-emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof
|
Vervoer
|
Mestcredits
|
|
Natte mest (1)
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
0,0
|
69,6
|
8,9
|
0,8
|
– 107,3
|
0,0
|
97,4
|
12,5
|
0,8
|
– 107,3
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
0,0
|
8,9
|
0,8
|
– 97,6
|
0,0
|
0,0
|
12,5
|
0,8
|
– 97,6
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
0,0
|
74,1
|
8,9
|
0,8
|
– 107,3
|
0,0
|
103,7
|
12,5
|
0,8
|
– 107,3
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
4,2
|
8,9
|
0,8
|
– 97,6
|
0,0
|
5,9
|
12,5
|
0,8
|
– 97,6
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
0,0
|
83,2
|
8,9
|
0,9
|
– 120,7
|
0,0
|
116,4
|
12,5
|
0,9
|
– 120,7
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
4,6
|
8,9
|
0,8
|
– 108,5
|
0,0
|
6,4
|
12,5
|
0,8
|
– 108,5
|
|
Volledige maisplant (2)
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
15,6
|
13,5
|
8,9
|
0,0 (3)
|
—
|
15,6
|
18,9
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
15,2
|
0,0
|
8,9
|
0,0
|
—
|
15,2
|
0,0
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
15,6
|
18,8
|
8,9
|
0,0
|
—
|
15,6
|
26,3
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
15,2
|
5,2
|
8,9
|
0,0
|
—
|
15,2
|
7,2
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
17,5
|
21,0
|
8,9
|
0,0
|
—
|
17,5
|
29,3
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
17,1
|
5,7
|
8,9
|
0,0
|
—
|
17,1
|
7,9
|
12,5
|
0,0
|
—
|
|
Bioafval
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
0,0
|
21,8
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
30,6
|
12,5
|
0,5
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
0,0
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
0,0
|
12,5
|
0,5
|
—
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
0,0
|
27,9
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
39,0
|
12,5
|
0,5
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
5,9
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
8,3
|
12,5
|
0,5
|
—
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
0,0
|
31,2
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
43,7
|
12,5
|
0,5
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
0,0
|
6,5
|
8,9
|
0,5
|
—
|
0,0
|
9,1
|
12,5
|
0,5
|
—
|
(1)
De waarden voor biogasproductie uit mest bevatten negatieve emissies voor de emissies die worden gereduceerd door het beheer van onverwerkte mest. De in aanmerking genomen waarde voor esca is gelijk aan – 45 g CO2eq/MJ mest die wordt gebruikt voor anaerobe vergisting.
(2)
Volledige maisplant betekent mais die als voeder wordt geoogst en in silo's wordt opgeslagen voor bewaring.
(3)
Het vervoer van landbouwgrondstoffen naar de verwerkingsinstallatie is opgenomen in de waarde voor „teelt” overeenkomstig de methode in het verslag van de Commissie van 25 februari 2010 betreffende de duurzaamheidseisen voor het gebruik van vaste en gasvormige biomassa bij elektriciteitsproductie, verwarming en koeling. De waarde voor vervoer van silomais stemt overeen met 0,4 g CO2eq/MJ biogas.
|
Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biomethaan
|
Biomethaanproductie-installatie
|
Technologische optie
|
TYPISCHE WAARDE [g CO2eq/MJ]
|
STANDAARDWAARDE [g CO2eq/MJ]
|
|
Teelt
|
Verwerking
|
Omzetting
|
Vervoer
|
Compressie in tankstation
|
Mestcredits
|
Teelt
|
Verwerking
|
Omzetting
|
Vervoer
|
Compressie in tankstation
|
Mestcredits
|
|
Natte mest
|
Open digestaat
|
Geen rookgasverbranding
|
0,0
|
84,2
|
19,5
|
1,0
|
3,3
|
– 124,4
|
0,0
|
117,9
|
27,3
|
1,0
|
4,6
|
– 124,4
|
|
Rookgasverbranding
|
0,0
|
84,2
|
4,5
|
1,0
|
3,3
|
– 124,4
|
0,0
|
117,9
|
6,3
|
1,0
|
4,6
|
– 124,4
|
|
Gesloten digestaat
|
geen rookgasverbranding
|
0,0
|
3,2
|
19,5
|
0,9
|
3,3
|
– 111,9
|
0,0
|
4,4
|
27,3
|
0,9
|
4,6
|
– 111,9
|
|
Rookgasverbranding
|
0,0
|
3,2
|
4,5
|
0,9
|
3,3
|
– 111,9
|
0,0
|
4,4
|
6,3
|
0,9
|
4,6
|
– 111,9
|
|
Volledige maisplant
|
Open digestaat
|
geen rookgasverbranding
|
18,1
|
20,1
|
19,5
|
0,0
|
3,3
|
—
|
18,1
|
28,1
|
27,3
|
0,0
|
4,6
|
—
|
|
Rookgasverbranding
|
18,1
|
20,1
|
4,5
|
0,0
|
3,3
|
—
|
18,1
|
28,1
|
6,3
|
0,0
|
4,6
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
geen rookgasverbranding
|
17,6
|
4,3
|
19,5
|
0,0
|
3,3
|
—
|
17,6
|
6,0
|
27,3
|
0,0
|
4,6
|
—
|
|
Rookgasverbranding
|
17,6
|
4,3
|
4,5
|
0,0
|
3,3
|
—
|
17,6
|
6,0
|
6,3
|
0,0
|
4,6
|
—
|
|
Bioafval
|
Open digestaat
|
geen rookgasverbranding
|
0,0
|
30,6
|
19,5
|
0,6
|
3,3
|
—
|
0,0
|
42,8
|
27,3
|
0,6
|
4,6
|
—
|
|
Rookgasverbranding
|
0,0
|
30,6
|
4,5
|
0,6
|
3,3
|
—
|
0,0
|
42,8
|
6,3
|
0,6
|
4,6
|
—
|
|
Gesloten digestaat
|
geen rookgasverbranding
|
0,0
|
5,1
|
19,5
|
0,5
|
3,3
|
—
|
0,0
|
7,2
|
27,3
|
0,5
|
4,6
|
—
|
|
Rookgasverbranding
|
0,0
|
5,1
|
4,5
|
0,5
|
3,3
|
—
|
0,0
|
7,2
|
6,3
|
0,5
|
4,6
|
—
|
D. TOTALE TYPISCHE EN STANDAARDWAARDEN VOOR BIOMASSABRANDSTOFKETENS
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
|
|
Houtspaanders van bosresiduen
|
1 tot en met 500 km
|
5
|
6
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
7
|
9
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
12
|
15
|
|
Meer dan 10 000 km
|
22
|
27
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
16
|
18
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
8
|
9
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
10
|
11
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
15
|
18
|
|
Meer dan 10 000 km
|
25
|
30
|
|
Houtspaanders van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest)
|
1 tot en met 500 km
|
6
|
7
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
8
|
10
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
14
|
16
|
|
Meer dan 10 000 km
|
24
|
28
|
|
Houtspaanders van stamhout
|
1 tot en met 500 km
|
5
|
6
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
7
|
8
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
12
|
15
|
|
Meer dan 10 000 km
|
22
|
27
|
|
Houtspaanders van industriële residuen
|
1 tot en met 500 km
|
4
|
5
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
6
|
7
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
11
|
13
|
|
Meer dan 10 000 km
|
21
|
25
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
29
|
35
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
29
|
35
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
30
|
36
|
|
Meer dan 10 000 km
|
34
|
41
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
16
|
19
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
16
|
19
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
17
|
21
|
|
Meer dan 10 000 km
|
21
|
25
|
|
Houtbriketten of pellets van bosresiduen (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
6
|
7
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
6
|
7
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
7
|
8
|
|
Meer dan 10 000 km
|
11
|
13
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 1)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
33
|
39
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 2a)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
20
|
23
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Eucalyptus — geval 3a)
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
10
|
11
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
31
|
37
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
32
|
38
|
|
Meer dan 10 000 km
|
36
|
43
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
18
|
21
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
20
|
23
|
|
Meer dan 10 000 km
|
23
|
27
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — bemest — geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
8
|
9
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
10
|
11
|
|
Meer dan 10 000 km
|
13
|
15
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
30
|
35
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
31
|
37
|
|
Meer dan 10 000 km
|
35
|
41
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
16
|
19
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
18
|
21
|
|
Meer dan 10 000 km
|
21
|
25
|
|
Houtbriketten of pellets van hakhout met een korte omlooptijd (Populier — niet bemest — geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
6
|
7
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
8
|
9
|
|
Meer dan 10 000 km
|
11
|
13
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
29
|
35
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
29
|
34
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
30
|
36
|
|
Meer dan 10 000 km
|
34
|
41
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
16
|
18
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
15
|
18
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
17
|
20
|
|
Meer dan 10 000 km
|
21
|
25
|
|
Houtbriketten of pellets van stamhout (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
5
|
6
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
5
|
6
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
7
|
8
|
|
Meer dan 10 000 km
|
11
|
12
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 1)
|
1 tot en met 500 km
|
17
|
21
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
17
|
21
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
19
|
23
|
|
Meer dan 10 000 km
|
22
|
27
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 2a)
|
1 tot en met 500 km
|
9
|
11
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
9
|
11
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
10
|
13
|
|
Meer dan 10 000 km
|
14
|
17
|
|
Houtbriketten of pellets van residuen uit de houtindustrie (geval 3a)
|
1 tot en met 500 km
|
3
|
4
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
3
|
4
|
|
2 500 tot en met 10 000
|
5
|
6
|
|
Meer dan 10 000 km
|
8
|
10
|
Geval 1 verwijst naar processen waarin een aardgasketel wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. Proceselektriciteit wordt aangekocht van het net.
Geval 2a verwijst naar processen waarin een ketel die wordt gestookt met houtspaanders wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van proceswarmte. Proceselektriciteit wordt aangekocht van het net.
Geval 3a verwijst naar processen waarin een WKK, die wordt gestookt met houtspaanders, wordt gebruikt om de pelletfabriek te voorzien van warmte en stroom.
|
Biomassabrandstofproductie-installatie
|
Afstand transport
|
Broeikasgasemissies — typische waarde (g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde (g CO2eq/MJ)
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid < 0,2 t/m3 (1)
|
1 tot en met 500 km
|
4
|
4
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
8
|
9
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
15
|
18
|
|
Meer dan 10 000 km
|
29
|
35
|
|
Landbouwresiduen met een dichtheid > 0,2 t/m3 (2)
|
1 tot en met 500 km
|
4
|
4
|
|
500 tot en met 2 500 km
|
5
|
6
|
|
2 500 tot en met 10 000 km
|
8
|
10
|
|
Meer dan 10 000 km
|
15
|
18
|
|
Stropellets
|
1 tot en met 500 km
|
8
|
10
|
|
500 tot en met 10 000 km
|
10
|
12
|
|
Meer dan 10 000 km
|
14
|
16
|
|
Bagassebriketten
|
500 tot en met 10 000 km
|
5
|
6
|
|
Meer dan 10 000 km
|
9
|
10
|
|
Palmpitschroot
|
Meer dan 10 000 km
|
54
|
61
|
|
Palmpitschroot (geen CH4-emissies van oliefabriek)
|
Meer dan 10 000 km
|
37
|
40
|
(1)
Deze groep van materialen omvat landbouwresiduen met een lage volumedichtheid en bestaat uit materialen zoals strobalen, haverdoppen, rijstdoppen en bagassebalen (niet-limitatieve lijst).
(2)
De groep van landbouwresiduen met een hogere volumedichtheid omvat materialen zoals maiskolven, notendoppen, sojabonendoppen en palmpitdoppen (niet-limitatieve lijst).
|
Typische en standaardwaarden — biogas voor elektriciteit
|
Biogasproductie-installatie
|
Technologische optie
|
Typische waarde
|
Standaardwaarde
|
|
Broeikasgasemissies
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies
(g CO2eq/MJ)
|
|
Biogas voor elektriciteit uit natte mest
|
Geval 1
|
Open digestaat (1)
|
– 28
|
3
|
|
Gesloten digestaat (2)
|
– 88
|
– 84
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
– 23
|
10
|
|
Gesloten digestaat
|
– 84
|
– 78
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
– 28
|
9
|
|
Gesloten digestaat
|
– 94
|
– 89
|
|
Biogas voor elektriciteit uit volledige maisplant
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
38
|
47
|
|
Gesloten digestaat
|
24
|
28
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
43
|
54
|
|
Gesloten digestaat
|
29
|
35
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
47
|
59
|
|
Gesloten digestaat
|
32
|
38
|
|
Biogas voor elektriciteit uit bioafval
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
31
|
44
|
|
Gesloten digestaat
|
9
|
13
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
37
|
52
|
|
Gesloten digestaat
|
15
|
21
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
41
|
57
|
|
Gesloten digestaat
|
16
|
22
|
(1)
Open opslag van digestaat leidt tot bijkomende emissies van methaan, die afhankelijk zijn van het weer, het substraat en de efficiëntie van de vergisting. Bij deze berekeningen worden de waarden geacht gelijk te zijn aan 0,05 MJ CH4/MJ biogas voor mest, 0,035 MJ CH4/MJ biogas voor mais en 0,01 MJ CH4/MJ biogas voor bioafval.
(2)
Gesloten opslag betekent dat het door het vergistingsproces verkregen digestaat wordt opgeslagen in een gasdichte tank, en het bijkomende biogas dat vrijkomt tijdens de opslag wordt beschouwd als gerecupereerd voor de productie van extra elektriciteit of biomethaan.
|
Typische en standaardwaarden voor biomethaan
|
Biomethaanproductie-installatie
|
Technologische optie
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Biomethaan uit natte mest
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding (1)
|
– 20
|
22
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas (2)
|
– 35
|
1
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
– 88
|
– 79
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
– 103
|
– 100
|
|
Biomethaan uit volledige maisplant
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
58
|
73
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
43
|
52
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
41
|
51
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
26
|
30
|
|
Biomethaan uit bioafval
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
51
|
71
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
36
|
50
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
25
|
35
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
10
|
14
|
(1)
Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Swing Adsorption (PSA), Pressure Water Scrubbing (PWS), Membranes, Cryogenic, en Organic Physical Scrubbing (OPS). Het omvat een emissie van 0,03 MJ CH4/MJ biomethaan voor de emissie van methaan in de rookgassen.
(2)
Deze categorie omvat de volgende categorieën van technologieën voor de omzetting van biogas in biomethaan: Pressure Water Scrubbing (PWS) wanneer water wordt gerecycled, Pressure Swing Adsorption (PSA), Chemical Scrubbing, Organic Physical Scrubbing (OPS), Membranes en Cryogenic upgrading. Voor deze categorie wordt geen rekening gehouden met methaanemissies (als het rookgas methaan bevat, wordt dit verbrand).
|
Typische en standaardwaarden — biogas voor elektriciteit — mengsels van mest en mais: broeikasgasemissies, waarbij aandelen worden toegewezen op basis van de verse materie
|
Biogasproductie-installatie
|
Technologische opties
|
Broeikasgasemissies — typische waarde
(g CO2eq/MJ)
|
Broeikasgasemissies — standaardwaarde
(g CO2eq/MJ)
|
|
Mest — Mais
80 %-20 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
17
|
33
|
|
Gesloten digestaat
|
– 12
|
– 9
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
22
|
40
|
|
Gesloten digestaat
|
– 7
|
– 2
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
23
|
43
|
|
Gesloten digestaat
|
– 9
|
– 4
|
|
Mest — Mais
70 %-30 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
24
|
37
|
|
Gesloten digestaat
|
0
|
3
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
29
|
45
|
|
Gesloten digestaat
|
4
|
10
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
31
|
48
|
|
Gesloten digestaat
|
4
|
10
|
|
Mest — Mais
60 %-40 %
|
Geval 1
|
Open digestaat
|
28
|
40
|
|
Gesloten digestaat
|
7
|
11
|
|
Geval 2
|
Open digestaat
|
33
|
47
|
|
Gesloten digestaat
|
12
|
18
|
|
Geval 3
|
Open digestaat
|
36
|
52
|
|
Gesloten digestaat
|
12
|
18
|
Opmerkingen
Geval 1 verwijst naar ketens waarin de stroom en warmte die nodig zijn voor het proces worden geleverd door de WKK-motor zelf.
Geval 2 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door de WKK-motor zelf. In sommige lidstaten mogen exploitanten geen subsidies aanvragen voor de brutoproductie, en geval 1 is de meest waarschijnlijke configuratie.
Geval 3 verwijst naar ketens waarin de elektriciteit die nodig is voor het proces wordt afgenomen van het net en de proceswarmte wordt geleverd door een biogasketel. Dit geval heeft betrekking op bepaalde installaties waarin de WKK-motor zich niet ter plaatse bevindt en biogas wordt verkocht (maar niet wordt omgezet in biomethaan).
Typische en standaardwaarden — biomethaan — mengsels van mest en mais: Broeikasgasemissies, waarbij aandelen worden toegewezen op basis van de verse materie
|
Biomethaanproductie-installatie
|
Technologische opties
|
Typische waarde
|
Standaardwaarde
|
|
(g CO2eq/MJ)
|
(g CO2eq/MJ)
|
|
Mest — Mais
80 %-20 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
32
|
57
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
17
|
36
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
– 1
|
9
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
– 16
|
– 12
|
|
Mest — Mais
70 %-30 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
41
|
62
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
26
|
41
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
13
|
22
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
– 2
|
1
|
|
Mest — Mais
60 %-40 %
|
Open digestaat, geen rookgasverbranding
|
46
|
66
|
|
Open digestaat, verbranding van rookgas
|
31
|
45
|
|
Gesloten digestaat, geen rookgasverbranding
|
22
|
31
|
|
Gesloten digestaat, rookgasverbranding
|
7
|
10
|
Indien biomethaan gecomprimeerd wordt gebruikt als transportbrandstof, moet een waarde van 3,3 g CO2eq/MJ biomethaan worden toegevoegd aan de typische waarden en een waarde van 4,6 g CO2eq/MJ biomethaan aan de standaardwaarden.
|
|
BIJLAGE VII BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE DIE WORDT GEBRUIKT VOOR VERWARMING EN KOELING
|
BIJLAGE VII
BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE DIE WORDT GEBRUIKT VOOR VERWARMING EN KOELING
DEEL A: BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE VAN WARMTEPOMPEN DIE WORDEN GEBRUIKT VOOR VERWARMING
De door warmtepompen uit de omgeving onttrokken hoeveelheid aerothermische, geothermische of hydrothermische energie die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, ERES, wordt berekend volgens de volgende formule:
ERES = Qusable * (1 — 1/SPF)
waarbij
|
—
|
Qusable
|
=
|
de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt geleverd door warmtepompen die aan de in
►M2
artikel 7, lid 3 ◄ , bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;
|
|
—
|
SPF
|
=
|
het geraamde gemiddelde seizoensgebonden rendement voor deze warmtepompen;
|
|
—
|
η
|
=
|
de verhouding tussen de totale bruto-elektriciteitsproductie en het verbruik van primaire energie voor elektriciteitsproductie, berekend als een EU-gemiddelde op basis van Eurostatgegevens.
|
DEEL B: BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE DIE WORDT GEBRUIKT VOOR KOELING
1.
DEFINITIES
Bij de berekening van hernieuwbare energie voor koeling gelden de volgende definities:
(1)
„koeling”: onttrekking van warmte uit een gesloten of binnenruimte (comforttoepassing) of uit een proces om de ruimte- of procestemperatuur te verlagen tot of te houden op een bepaalde temperatuur (vaste waarde); voor koelsystemen wordt de onttrokken warmte uitgestoten en opgenomen in de omgevingslucht, het omgevingswater of de bodem, waar de omgeving (lucht, bodem en water) een put is voor de onttrokken warmte en zo als koudebron fungeert;
(2)
„koelsysteem”: een samenstel van onderdelen bestaande uit een warmteonttrekkingsysteem, een of meer koelapparaten en een warmteuitstootsysteem, in het geval van actieve koeling aangevuld met een koelmiddel in de vorm van vloeistoffen die samen een bepaalde warmteoverdracht creëren en aldus een vereiste temperatuur waarborgen;
a)
voor ruimtekoeling is het koelsysteem ofwel een los koelsysteem ofwel een koelsysteem dat een koelgenerator bevat, en is koeling een van de primaire functies;
b)
voor proceskoeling bevat het koelsysteem een koelgenerator en is koeling een van de primaire functies;
(3)
„vrije koeling”: een koelsysteem dat gebruikmaakt van een natuurlijke koudebron om warmte uit de te koelen ruimte of het te koelen proces te onttrekken door middel van het vervoer van vloeistof(fen) met pomp(en) en/of ventilator(en), en waarvoor geen koelgenerator hoeft te worden gebruikt;
(4)
„koelgenerator”: het deel van een koelsysteem dat een temperatuurverschil genereert waarmee warmte kan worden onttrokken uit de te koelen ruimte of het te koelen proces, met behulp van een dampcompressiecyclus, een sorptiecyclus of door een andere thermodynamische cyclus aangedreven; deze wordt gebruikt wanneer de koudebron niet beschikbaar of ontoereikend is;
(5)
„actieve koeling”: de onttrekking van warmte uit een ruimte of proces waarvoor energie-input vereist is om aan de koelvraag te voldoen, die wordt gebruikt als de natuurlijke energiestroom niet beschikbaar of ontoereikend is en met of zonder koelgenerator kan plaatsvinden;
(6)
„passieve koeling”: de verwijdering van warmte door de natuurlijke energiestroom via geleiding, convectie, straling of stofoverdracht, zonder dat een koelvloeistof moet worden verplaatst om warmte te onttrekken en uit te stoten of om een lagere temperatuur te genereren met een koelgenerator, inclusief het verminderen van de behoefte aan koeling door bouwontwerpkenmerken zoals isolatie, vegetatiedak of -muur, schaduw of een grotere bouwmassa, door ventilatie of door het gebruik van ventilatoren;
(7)
„ventilatie”: de natuurlijke of mechanische verplaatsing van lucht om omgevingslucht aan te voeren in een ruimte om een geschikte binnenluchtkwaliteit te waarborgen, inclusief temperatuur;
(8)
„ventilator”: een product dat een fan en een elektrische motor bevat om lucht te verplaatsen en “s zomers comfort te bieden door de luchtsnelheid rond het menselijk lichaam te verhogen, met verkoelend effect;
(9)
„hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling”: de koelvoorziening die met een bepaalde energie-efficiëntie wordt gegenereerd, uitgedrukt als in primaire energie berekend seizoensgebonden rendement;
(10)
„warmteput” of „koudebron”: een externe natuurlijke put waarin de uit de ruimte of het proces onttrokken warmte wordt overgedragen; dat kan gaan om omgevingslucht, omgevingswater in de vorm van natuurlijke of kunstmatige wateren en geothermische formaties onder het vaste aardoppervlak;
(11)
„warmteonttrekkingsysteem”: een apparaat dat warmte onttrekt uit de te koelen ruimte of het te koelen proces, zoals een verdamper in een dampcompressiecyclus;
(12)
„koelapparaat”: een apparaat bestemd voor actieve koeling;
(13)
„warmteuitstootsysteem”: een apparaat waarbij de uiteindelijke warmteoverdracht van het koelmiddel naar de warmteput plaatsvindt, zoals de lucht-koelmiddel-condensor in een luchtgekoelde dampcompressiecyclus;
(14)
„energie-input”: de energie die nodig is om de vloeistof te transporteren (vrije koeling), of de energie die nodig is om de vloeistof te transporteren en om de koelgenerator aan te drijven (actieve koeling met een koelgenerator);
(15)
„stadskoeling”: de distributie van thermische energie in de vorm van gekoelde vloeistoffen vanuit centrale of gedecentraliseerde productiebronnen via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het koelen van ruimten of processen;
(16)
„primair seizoensgebonden rendement”: een meeteenheid van het omzettingsrendement van primaire energie van het koelsysteem;
(17)
„equivalent aantal uren werking”: het aantal uren dat een koelsysteem onder maximale belasting draait om de hoeveelheid koeling te produceren die het in werkelijkheid tijdens een jaar onder uiteenlopende belasting produceert;
(18)
„Klimaatgraaddagen”: de klimaatwaarden berekend op basis van 18 °C die als input wordt gebruikt om het equivalent aantal uren werking te bepalen.
2.
TOEPASSINGSGEBIED
1.
Bij de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling, tellen de lidstaten de actieve koeling, inclusief stadskoeling, zowel vrije koeling als met gebruik van een koelgenerator.
2.
De lidstaten laten buiten beschouwing:
a)
passieve koeling, hoewel in het geval ventilatielucht wordt gebruikt als warmtetransportmedium voor koeling, de overeenkomstige koelvoorziening, die door een koelgenerator of door vrije koeling kan worden geleverd, deel uitmaakt van de berekening van hernieuwbare koeling;
b)
de volgende koeltechnologieën of -processen:
i)
koeling in vervoermiddelen (
46
);
ii)
koelsystemen waarvan de primaire functie de productie of de opslag van aan bederf onderhevige materialen bij gespecificeerde temperaturen (koelen en vriezen) is;
iii)
koelsystemen met instelpunten voor ruimte- of proceskoelingstemperatuur lager dan 2 °C;
iv)
koelsystemen met instelpunten voor ruimte- of proceskoelingstemperatuur hoger dan 30 °C;
v)
koeling van afvalwarmte uit energieopwekking, industriële processen en de tertiaire sector (
47
);
c)
energie die wordt gebruikt voor de koeling in krachtcentrales, de productie van cement, ijzer en staal, afvalwaterbehandelingsinstallaties, IT-installaties (zoals datacentra), krachtcentrales voor vervoer en distributie, en vervoersinfrastructuren.
De lidstaten mogen meer categorieën koelsystemen buiten beschouwing laten bij de berekening van hernieuwbare energie voor koeling om natuurlijke koudebronnen in specifieke geografische gebieden uit milieuoverwegingen te vrijwaren, zoals de bescherming van rivieren of meren tegen het risico van oververhitting.
3.
METHODE VOOR DE BEREKENING VAN HERNIEUWBARE ENERGIE VOOR INDIVIDUELE EN VOOR STADSKOELING
Uitsluitend koelsystemen die werken boven de minimale efficiëntie-eis, zoals uitgedrukt als primair seizoensgebonden rendement (SPFp) in punt 3.2, tweede alinea, worden geacht hernieuwbare energie te produceren.
3.1.
Hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling
De hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling (ERES-C) wordt berekend volgens de volgende formule:
waarbij
de hoeveelheid warmte is die door het koelsysteem in de omgevingslucht, het omgevingswater of de bodem wordt afgegeven (
48
);
EINPUT
het energieverbruik van het koelsysteem is, inclusief het energieverbruik van de hulpsystemen voor gemeten systemen, zoals stadskoeling;
de door het koelsysteem geleverde koelenergie is (
49
);
wordt op het niveau van het koelsysteem gedefinieerd als het aandeel van de koelvoorziening dat conform de SPF-vereisten als hernieuwbaar kan worden beschouwd, uitgedrukt als een percentage. Het SPF wordt bepaald zonder rekening te houden met distributieverliezen. Voor stadskoeling betekent dit dat het SPF wordt bepaald per koelgenerator of op het niveau van het vrijekoelingssysteem. Voor koelsystemen waar het standaard-SPF kan worden toegepast, worden de F(1)- en F(2)-coëfficiënten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2281 (
50
) van de Commissie en de bijbehorende mededeling van de Commissie (
51
) niet als correctiefactor gebruikt.
Voor 100 % door hernieuwbare warmte aangedreven koeling (absorptie en adsorptie) moet de geleverde koeling als volledig hernieuwbaar worden beschouwd.
De berekeningen die nodig zijn voor en worden toegelicht in de punten 3.2 tot en met 3.4.
3.2.
Berekening van het aandeel van het seizoensgebonden rendement dat als hernieuwbare energie kan worden aangemerkt —
SSPF
is het aandeel van de koelvoorziening dat als hernieuwbaar kan worden geteld. neemt toe als de SPFp-waarden stijgen. SPFp
(
52
) wordt gedefinieerd conform Verordening (EU) 2016/2281 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 206/2012 (
53
) van de Commissie, met dien verstande dat de standaard primaire-energiefactor voor elektriciteit in Richtlijn 2012/27/EU (
54
) van het Europees Parlement en de Raad (als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002) is geactualiseerd tot 2,1. De grensvoorwaarden van NEN-norm EN14511 worden gebruikt.
De minimale efficiëntie-eis van het koelsysteem, uitgedrukt als primair seizoensgebonden rendement is niet minder dan 1,4 (SPFpLOW
). Voor een van 100 % mag de minimale efficiëntie-eis van het koelsysteem niet minder dan 6 (SPFpHIGH
) zijn. Voor alle andere koelsystemen wordt de volgende berekening toegepast:
SPFp is de efficiëntie van het koelsysteem, uitgedrukt als primair seizoensgebonden rendement;
is het minimale primair seizoensgebonden rendement, uitgedrukt in primaire energie en op basis van standaardkoelsystemen (minimumeisen inzake ecologisch ontwerp);
is de bovengrens voor seizoensgebonden rendement, uitgedrukt in primaire energie en op basis van beste praktijken voor vrije koeling die in stadskoeling wordt gebruikt (
55
).
3.3.
Berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling met gebruik van standaard- en gemeten SPFp
Standaard- en gemeten SPF
Gestandaardiseerde SPF-waarden zijn beschikbaar voor elektrische dampcompressie-koelgeneratoren en dampcompressie-koelgeneratoren die een verbrandingsmotor gebruiken op grond van de eisen inzake ecologisch ontwerp in Verordening (EU) nr. 206/2012 en Verordening (EU) 2016/2281. De waarden zijn beschikbaar voor deze koelgeneratoren tot 2 MW voor comfortkoeling en tot 1,5 MW voor proceskoeling. Voor andere technologieën en vermogensschalen zijn geen standaardwaarden beschikbaar. Wat stadskoeling betreft, zijn er geen standaardwaarden beschikbaar maar zijn er metingen gebruikt en beschikbaar; aan de hand daarvan kunnen SPF-waarden ten minste op jaarbasis worden berekend.
Om de hoeveelheid hernieuwbare koeling te berekenen, kunnen standaard SPF-waarden worden gebruikt, indien beschikbaar. Indien standaardwaarden niet beschikbaar zijn of wanneer meting de normale praktijk is, worden SPF-meetwaarden gebruikt, gescheiden door de drempelwaarden voor het koelvermogen. Voor koelgeneratoren met een koelvermogen van minder dan 1,5 MW kan het standaard-SPF worden gebruikt, en het gemeten SPF wordt gebruikt voor stadskoeling, voor koelgeneratoren met een koelvermogen gelijk aan of hoger dan 1,5 MW en voor koelgeneratoren waarvoor geen standaardwaarden beschikbaar zijn.
Bovendien wordt het gemeten SPF bepaald voor alle koelsystemen zonder standaard-SPF, die alle vrije koeloplossingen en door warmte aangedreven koelgeneratoren omvatten, om van de berekeningsmethode voor hernieuwbare koeling gebruik te maken.
Definitie van standaard SPF-waarden
SPF-waarden worden uitgedrukt in primaire energie-efficiëntie die aan de hand van Verordening (EU) 2016/2281 wordt berekend met gebruikmaking van primaire energiefactoren om de ruimtekoelingefficiëntie voor de verschillende soorten koelgeneratoren te bepalen (
56
). De primaire energiefactor in Verordening (EU) 2016/2281 wordt berekend als 1/η, waarbij η de gemiddelde verhouding tussen de totale bruto-elektriciteitsproductie en het primaire energieverbruik voor elektriciteitsproductie in de hele EU is. Met de wijziging van de standaard primaire-energiefactor voor elektriciteit, in punt 1) van de bijlage bij Richtlijn (EU) 2018/2002 tot wijziging van voetnoot 3 in bijlage IV bij Richtlijn 2012/27/EU „coëfficiënt” genoemd, wordt de primaire energiefactor van 2,5 in Verordening (EU) 2016/2281 bij de berekening van de SPF-waarden vervangen door 2,1.
Als primaire-energiedragers, zoals warmte of gas, worden gebruikt als energietoevoer om de koelgenerator aan te drijven, is de standaard primaire-energiefactor (1/η) 1, om aan te geven dat er geen energie wordt omgezet, η = 1.
De normalebedrijfsomstandigheden en de andere parameters die nodig zijn om het SPF te bepalen, zijn in Verordening (EU) 2016/2281 en Verordening 206/2012 gedefinieerd, afhankelijk van de categorie koelgenerator. De grensvoorwaarden van NEN-norm EN14511 worden gebruikt.
Voor omgekeerde koelgeneratoren (omgekeerde warmtepompen), die van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/2281 zijn uitgesloten omdat hun verwarmingsfunctie valt onder Verordening (EU) nr. 813/2013 (
57
) van de Commissie wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, wordt dezelfde SPF-berekening gebruikt die in Verordening (EU) 2016/2281 is gedefinieerd voor gelijkaardige niet-omgekeerde koelgeneratoren.
Zo wordt het SPFp voor elektrische dampcompressie-koelgeneratoren gedefinieerd als volgt (de index p wordt gebruikt om aan te geven dat het SPF in primaire energie is gedefinieerd):
—
voor ruimtekoeling:
—
voor proceskoeling:
waarbij
—
de seizoensgebonden energie-efficiëntieverhouding (
58
) (SEER) en de seizoensgebonden energieprestatieverhouding (SEPR) seizoensgebonden rendementen in eindenergie zijn, gedefinieerd volgens Verordening (EU) 2016/2281 en Verordening (EU) 206/2012;
—
η de gemiddelde verhouding tussen de totale bruto-elektriciteitsproductie en het primaire energieverbruik voor de elektriciteitsproductie in de EU (η = 0.475 en 1/η = 2,1) is.
F(1) en F(2) zijn correctiefactoren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2281 en de bijbehorende mededeling van de Commissie. Deze coëfficiënten zijn niet van toepassing op proceskoeling in Verordening (EU) 2016/2281, aangezien de eindenergiemaatstaven van de SEPR rechtstreeks worden gebruikt. Zonder aangepaste waarden worden voor de SEER-omzetting dezelfde waarden als voor de SEPR-omzetting gebruikt.
SPF-grensvoorwaarden
Om het SPF van de koelgeneratoren te definiëren, worden de in Verordening (EU) 2016/2281 en Verordening (EU) 206/2012 bepaalde grensvoorwaarden gebruikt. In het geval van water-lucht- en waterkoelingsgeneratoren is de energie-input die nodig is om de koudebron beschikbaar te maken, via de F(2)-correctiefactor opgenomen. De SPF-grensvoorwaarden worden getoond in afbeelding 1. Deze grensvoorwaarden zijn van toepassing op vrijekoelingsystemen en systemen met koelgeneratoren.
Deze grensvoorwaarden zijn gelijk aan die voor warmtepompen (gebruikt in verwarmingsmodus) in Besluit 2013/114/EU van de Commissie (
59
). Het verschil is dat voor warmtepompen het elektriciteitsverbruik dat overeenkomt met het bijkomende elektriciteitsverbruik (thermostaat-uit-stand, stand by-stand, uitgeschakeld, carterverwarmingstand) niet in aanmerking wordt genomen voor de beoordeling van het SPF. Voor koeling worden evenwel zowel de standaard SPF-waarden als het gemeten SPF gebruikt, en omdat bij het gemeten SPF het bijkomende gebruik in aanmerking wordt genomen, moet het bijkomende elektriciteitsverbruik in beide situaties worden opgenomen.
Voor stadskoeling worden koudeverliezen bij de distributie en het elektriciteitsverbruik van de distributiepomp tussen de koelinstallatie en het substation niet in de raming van het SPF opgenomen.
In het geval van luchtkoelingsystemen die ook de ventilatiefunctie waarborgen, wordt de koelvoorziening als gevolg van de ventilatieluchtstroom niet in aanmerking genomen. Het ventilatorvermogen voor de ventilatie wordt ook verdisconteerd naar rato van de ventilatieluchtstroom ten opzichte van de koelluchtstroom.
.tifAfbeelding 1 — Illustratie van SPF-grensvoorwaarden voor koelgenerator met gebruik van standaard-SPF en stadskoeling (en andere grote koelsystemen die gebruikmaken van gemeten SPF), waarbij EINPUT_AUX de energie-input naar de ventilator en/of pomp en EINPUT_CG de energie-input naar de koelgenerator is.
In het geval van luchtkoelingsystemen met interne koudeterugwin, wordt de koelvoorziening als gevolg van de koudeterugwin niet in aanmerking genomen. Het ventilatorvermogen van de warmtewisselaar voor koudeterugwin wordt verdisconteerd naar rato van de drukverliezen van de warmtewisselaar voor koudeterugwin ten opzichte van de totale drukverliezen van het luchtkoelsysteem.
3.4.
Berekening met gebruik van standaardwaarden
Voor individuele koelsystemen met een vermogen van minder dan 1,5 MW waarvoor een standaard SPF-waarde beschikbaar is, mag een vereenvoudigde methode worden gebruikt om de totale geleverde koelenergie te ramen.
Volgens de vereenvoudigde methode is de door het koelsysteem geleverde koelenergie (QCsupply) het nominale koelvermogen (Pc
) vermenigvuldigd met het equivalent aantal uren werking (EFLH). Een enkele graaddag-waarde mag worden gebruikt voor een heel land, of afzonderlijke waarden voor verschillende klimaatzones, mits voor deze klimaatzones nominale vermogens en SPF’s beschikbaar zijn.
De volgende standaardmethoden kunnen worden gebruikt om EFLH te berekenen:
—
voor ruimtekoeling in de woningsector: EFLH = 96 + 0.85 * CDD
—
voor ruimtekoeling in de tertiaire sector: EFLH = 475 + 0.49 * CDD
—
voor proceskoeling: EFLH = τs * (7300 + 0.32 * CDD)
waarbij
τs een activiteitsfactor is om de werktijd van de specifieke processen in aanmerking te nemen (bv. het hele jaar τs = 1, niet tijdens het weekend τs = 5/7). Er is geen standaardwaarde.
3.4.1.
Berekening met gebruik van meetwaarden
Systemen waarvoor geen standaardwaarden bestaan, koelsystemen met een vermogen van meer dan 1,5 MW en stadskoelingsystemen moeten hun hernieuwbare koeling berekenen op basis van de volgende meetwaarden:
gemeten energie-input: de gemeten energie-input omvat alle energiebronnen voor het koelsysteem, bv. elektriciteit, gas, warmte enz. voor de koelgenerator. Dit omvat ook de in het koelsysteem gebruikte hulppompen en ventilatoren, maar niet die voor de distributie van koeling naar een gebouw of een proces. In het geval van luchtkoeling met een ventilatiefunctie wordt alleen de extra energie-input als gevolg van de koeling als energie-input van het koelsysteem opgenomen;
gemeten koelenergievoorziening: de koelenergievoorziening wordt gemeten als de output van het koelsysteem minus koudeverliezen om de nettokoelenergievoorziening aan een gebouw of proces (de eindgebruiker van de koeling) te schatten. De koudeverliezen omvatten verliezen in een stadskoelingsysteem en in het koeldistributiesysteem in een gebouw of bedrijfsterrein. In het geval van luchtkoeling met een ventilatiefunctie is de koelenergievoorziening exclusief het effect van de aanvoer van frisse lucht voor ventilatie.
De metingen moeten worden uitgevoerd voor het specifieke jaar waarover verslag moet worden gedaan, te weten alle energie-input en de gehele koelenergievoorziening voor het hele jaar.
3.4.2.
Stadskoeling: aanvullende voorschriften
Voor stadskoelingsystemen wordt de nettokoelvoorziening op het niveau van de afnemer in aanmerking genomen bij de bepaling van de nettokoelvoorziening, uitgedrukt als QC_Supply_net
. Thermische verliezen in het distributienet (Qc_LOSS
) worden als volgt van de brutokoelvoorziening afgetrokken: (Qc_Supply_gross
)
QC_Supply_net
= Qc_Supply_gross-
- Qc_LOSS
3.4.2.1.
Verdeling in subsystemen
Stadskoelsystemen kunnen worden onderverdeeld in subsystemen die ten minste één koelgenerator of vrij koelsysteem omvatten. Hiervoor moeten de koelenergievoorziening en de energie-input voor elk subsysteem en de toewijzing van koudeverliezen per subsysteem als volgt worden gemeten:
3.4.2.2.
Hulpapparatuur
Bij de verdeling van een koelsysteem in subsystemen wordt de hulpapparatuur (bv. bediening, pompen en ventilatoren) van de koelgenerator(en) en/of de/het vrije koelsyste(e)m(en) in de/hetzelfde syste(e)m(en) opgenomen. Aanvullende energie in verband met de koeldistributie binnen het gebouw, bv. hulppompen en eindeenheden (bv. ventilatorluchtkoelers, ventilatoren van luchtbehandelingseenheden) wordt niet in aanmerking genomen.
Het primaire energieverbruik van hulpapparatuur die niet aan een specifiek subsysteem kan worden toegekend, bv. netpompen van stadskoeling die de door alle koelgeneratoren geleverde koelenergie leveren, worden, op dezelfde wijze als koudeverliezen in het netwerk, als volgt in verhouding tot het aandeel in de door de koelgeneratoren en/of de vrije koelsystemen van elk subsysteem geleverde energie, aan ieder koelsubsysteem toegewezen:
waarbij
EINPUT_AUX1_i
het aanvullende energieverbruik van het subsysteem „i” is;
EINPUT_AUX12
het aanvullende energieverbruik van het gehele koelsysteem is, die niet aan een specifiek koelsubsysteem kan worden toegewezen.
3.5.
Berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling voor de algemene aandelen hernieuwbare energie en voor de aandelen hernieuwbare energie voor verwarming en koeling
Voor de berekening van de algemene aandelen hernieuwbare energie wordt de hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling opgeteld bij de teller „bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen” en bij de noemer „bruto-eindverbruik van energie”.
Voor de berekening van de aandelen hernieuwbare energie voor verwarming en koeling wordt de hoeveelheid hernieuwbare energie voor koeling opgeteld bij de teller „bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling” en bij de noemer „bruto-eindverbruik van energie voor verwarming en koeling”.
3.6.
Richtsnoeren voor de ontwikkeling van nauwkeurigere methoden en berekeningen
Er wordt van uitgegaan, en het wordt zelfs aangemoedigd, dat de lidstaten voor zowel SPF als EFLH hun eigen berekeningen maken. Dergelijke nationale/regionale benaderingen moeten gebaseerd zijn op nauwkeurige aannames en representatieve steekproeven van voldoende omvang, hetgeen resulteert in een aanzienlijk verbeterde raming van hernieuwbare energie ten opzichte van de raming die is verkregen uit de in deze gedelegeerde handeling beschreven methode. Dergelijke verbeterde methoden kunnen gebaseerd zijn op gedetailleerde berekeningen op basis van technische gegevens waarbij rekening wordt gehouden met onder meer het jaar van installatie, het type compressor en de grootte van de machine, de manier waarop de pomp werkt, het distributiesysteem, de koppeling van generatoren en het regionale klimaat. De lidstaten die alternatieve methoden en/of waarden gebruiken, delen die aan de Commissie mee, vergezeld van een verslag waarin de methode en de gebruikte gegevens worden beschreven. De Commissie zal die documenten zo nodig vertalen en op haar transparantieplatform bekendmaken.
|
|
BIJLAGE VIII
|
BIJLAGE VIII
DEEL A. VOORLOPIGE GERAAMDE EMISSIES VAN
►C5
BASISMATERIALEN ◄ VOOR BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN BIOMASSABRANDSTOFFEN TEN GEVOLGE VAN INDIRECTE VERANDERING IN LANDGEBRUIK (g CO2eq/MJ) (
60
)
|
►C5
Basismateriaalgroep ◄
|
Gemiddelde (1)
|
Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte (2)
|
|
Granen en andere zetmeelrijke gewassen
|
12
|
8 tot en met 16
|
|
Suikers
|
13
|
4 tot en met 17
|
|
Oliegewassen
|
55
|
33 tot en met 66
|
(1)
De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde
►C5
basismateriaalwaarden ◄ .
(2)
De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4 en 33 g CO2eq/MJ). Het 95e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten boven 16, 17 en 66 g CO2eq/MJ).
|
DEEL B. BIOBRANDSTOFFEN, VLOEIBARE BIOMASSA EN BIOMASSABRANDSTOFFEN WAARVAN DE GERAAMDE EMISSIES TEN GEVOLGE VAN INDIRECTE VERANDERINGEN IN LANDGEBRUIK GEACHT WORDEN NUL TE ZIJN
Van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uitgaande van de volgende categorieën
►C5
basismaterialen ◄ worden de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht nul te zijn:
1)
►C5
basismaterialen ◄ die niet zijn vermeld in deel A van deze bijlage.
2)
►C5
basismaterialen ◄ waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in landgebruik, d.w.z. een verandering in één van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: bosland, grasland, wetland, bouwland, woongebieden of overig land, alsook bouwland voor vaste gewassen (
61
). In een dergelijk geval moet een „emissiewaarde ten gevolge van directe verandering in landgebruik (el)” worden berekend overeenkomstig bijlage V, deel C, punt 7.
|
|
BIJLAGE IX
|
BIJLAGE IX
Deel A.
►M2
►C5
Basismaterialen ◄ voor de productie van biogas voor vervoer en geavanceerde biobrandstoffen: ◄
a)
Algen wanneer zij worden gekweekt op het land in vijvers of fotobioreactoren.
b)
De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.
c)
Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.
d)
De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde
►C5
basismaterialen ◄ .
f)
Dierlijke mest en zuiveringsslib.
g)
Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.
k)
Draf van druiven en droesem.
n)
Kolfspillen waaruit de maïskiemen zijn verwijderd.
o)
Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie.
p)
Ander non-food cellulosemateriaal.
q)
Ander lignocellulosisch materiaal met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.
▼M3
r)
Foezelolie uit alcoholische distillatie.
s)
Ruwe methanol van kraftpulp afkomstig van de productie van houtpulp.
t)
Tussengewassen, zoals vanggewassen en bodembedekkers die worden geteeld in gebieden waar de productie van voedsel- en voedergewassen vanwege een korte vegetatieperiode beperkt is tot één oogst en op voorwaarde dat het gebruik ervan de vraag naar extra grond niet aanwakkert, en mits het gehalte aan organisch materiaal in de bodem gehandhaafd blijft, wanneer deze worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen voor de luchtvaartsector.
u)
Gewassen die op ernstig aangetaste grond worden geteeld, met uitzondering van voedsel- en voedergewassen, wanneer deze worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen voor de luchtvaartsector.
▼B
Deel B.
►M2
►C4
►C5
Basismaterialen ◄ voor de productie van biobrandstoffen en biogas voor vervoer, waarvan de bijdrage tot het behalen van de in artikel 25, lid 1, eerste alinea, punt a), bedoelde streefcijfers wordt beperkt: ◄
◄
a)
Gebruikte bak- en braadolie.
b)
Dierlijke vetten, ingedeeld als categorieën 1 en 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009.
▼M3
c)
Beschadigde gewassen die niet geschikt zijn voor gebruik in de voedsel- of voederketen, met uitzondering van stoffen die opzettelijk zijn gewijzigd of zijn verontreinigd om aan deze definitie te voldoen.
d)
Stedelijk afvalwater en andere derivaten dan zuiveringsslib.
e)
Gewassen die op ernstig aangetaste grond worden geteeld, met uitzondering van de in deel A van deze bijlage vermelde voedsel- en voedergewassen, wanneer deze niet worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen voor de luchtvaartsector.
f)
Tussengewassen, zoals vanggewassen en bodembedekkers, met uitzondering van de in deel A van deze bijlage vermelde grondstoffen, die worden geteeld in gebieden waar de productie van voedsel- en voedergewassen vanwege een korte vegetatieperiode beperkt is tot één oogst en op voorwaarde dat het gebruik ervan de vraag naar extra grond niet aanwakkert, en mits het gehalte aan organisch materiaal in de bodem gehandhaafd blijft, wanneer deze niet worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen voor de luchtvaartsector.
▼B
|
|
BIJLAGE X
|
BIJLAGE X
DEEL A
Ingetrokken richtlijn en een lijst van de opeenvolgende wijzigingen daarvan (als bedoeld in artikel 37)
|
Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16)
|
|
|
Richtlijn 2013/18/EU van de Raad
(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 230)
|
|
|
Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1)
|
Alleen artikel 2
|
DEEL B
Termijnen voor omzetting in nationaal recht
(als bedoeld in artikel 36)
|
Richtlijn
|
Omzettingstermijn
|
|
2009/28/EG
|
25 juni 2009
|
|
2013/18/EU
|
1 juli 2013
|
|
(EU) 2015/1513
|
10 september 2017
|
|
|
BIJLAGE XI
|
BIJLAGE XI
CONCORDANTIETABEL
|
Richtlijn 2009/28/EG
|
Deze richtlijn
|
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 2, eerste alinea
|
Artikel 2, eerste alinea
|
|
Artikel 2, tweede alinea, aanhef
|
Artikel 2, tweede alinea, aanhef
|
|
Artikel 2, tweede alinea, onder a)
|
Artikel 2, tweede alinea, punt 1
|
|
Artikel 2, tweede alinea, onder b)
|
—
|
|
—
|
Artikel 2, tweede alinea, punt 2
|
|
Artikel 2, tweede alinea, onder c)
|
Artikel 2, tweede alinea, punt 3
|
|
Artikel 2, tweede alinea, onder d)
|
—
|
|
Artikel 2, tweede alinea, onder e), f), g), h), i), j), k), l), m), n), o), p), q), r), s), t), u), v) en w)
|
Artikel 2, tweede alinea, punten 24, 4, 19, 32, 33, 12, 5, 6, 45, 46, 47, 23, 39, 41, 42, 43, 36, 44 en 37
|
|
—
|
Artikel 2, tweede alinea, punten 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18h, 20, 21, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 34, 35, 38 en 40
|
|
Artikel 3
|
—
|
|
—
|
Artikel 3
|
|
Artikel 4
|
—
|
|
—
|
Artikel 4
|
|
—
|
Artikel 5
|
|
—
|
Artikel 6
|
|
Artikel 5, lid 1
|
Artikel 7, lid 1
|
|
Artikel 5, lid 2
|
—
|
|
Artikel 5, lid 3
|
Artikel 7, lid 2
|
|
Artikel 5, lid 4, eerste, tweede, derde en vierde alinea
|
Artikel 7, lid 3, eerste, tweede, derde en vierde alinea
|
|
—
|
Artikel 7, lid 3, vijfde en zesde alinea
|
|
—
|
Artikel 7, lid 4
|
|
Artikel 5, lid 5
|
Artikel 27, lid 1, eerste alinea, onder c)
|
|
Artikel 5, leden 6 en 7
|
Artikel 7, leden 5 en 6
|
|
Artikel 6, lid 1
|
Artikel 8, lid 1
|
|
—
|
Artikel 8, leden 2 en 3
|
|
Artikel 6, leden 2 en 3
|
Artikel 8, leden 4 en 5
|
|
Artikel 7, leden 1, 2, 3, 4 en 5
|
Artikel 9, leden 1, 2, 3, 4 en 5
|
|
—
|
Artikel 9, lid 6
|
|
Artikel 8
|
Artikel 10
|
|
Artikel 9, lid 1
|
Artikel 11, lid 1
|
|
Artikel 9, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c)
|
Artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c)
|
|
—
|
Artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder d)
|
|
Artikel 10
|
Artikel 12
|
|
Artikel 11, leden 1, 2 en 3
|
Artikel 13, leden 1, 2 en 3
|
|
—
|
Artikel 13, lid 4
|
|
Artikel 12
|
Artikel 14
|
|
Artikel 13, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 15, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 13, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 15, lid 1, tweede alinea
|
|
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder a) en b)
|
—
|
|
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, onder c), d), e) en f)
|
Artikel 15, lid 1, tweede alinea, onder a), b), c) en d)
|
|
Artikel 13, leden 2, 3, 4 en 5
|
Artikel 15, leden 2, 3, 4 en 5
|
|
Artikel 13, lid 6, eerste alinea
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea
|
|
Artikel 13, lid 6, tweede, derde, vierde en vijfde alinea
|
—
|
|
—
|
Artikel 15, leden 7 en 8
|
|
—
|
Artikel 16
|
|
—
|
Artikel 17
|
|
Artikel 14
|
Artikel 18
|
|
Artikel 15, lid 1
|
Artikel 19, lid 1
|
|
Artikel 15, lid 2, eerste, tweede en derde alinea
|
Artikel 19, lid 2, eerste, tweede en derde alinea
|
|
—
|
Artikel 19, lid 2, vierde en vijfde alinea
|
|
Artikel 15, lid 2, vierde alinea
|
Artikel 19, lid 2, zesde alinea
|
|
Artikel 15, lid 3
|
—
|
|
—
|
Artikel 19, leden 3 en 4
|
|
Artikel 15, leden 4 en 5
|
Artikel 19, leden 5 en 6
|
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder a)
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder a)
|
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder b), i)
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), i)
|
|
—
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), ii)
|
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder b), ii)
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder b), iii)
|
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea, onder c), d), e) en f)
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, onder c), d), e) en f)
|
|
—
|
Artikel 19, lid 7, tweede alinea
|
|
Artikel 15, lid 7
|
Artikel 19, lid 8
|
|
Artikel 15, lid 8
|
—
|
|
Artikel 15, leden 9 en 10
|
Artikel 19, leden 9 en 10
|
|
—
|
Artikel 19, lid 11
|
|
Artikel 15, lid 11
|
Artikel 19, lid 12
|
|
Artikel 15, lid 12
|
—
|
|
—
|
Artikel 19, lid 13
|
|
Artikel 16, leden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8
|
—
|
|
Artikel 16, leden 9, 10 en 11
|
Artikel 20, leden 1, 2 en 3
|
|
—
|
Artikel 21
|
|
—
|
Artikel 22
|
|
—
|
Artikel 23
|
|
—
|
Artikel 24
|
|
—
|
Artikel 25
|
|
—
|
Artikel 26
|
|
—
|
Artikel 27
|
|
—
|
Artikel 28
|
|
Artikel 17, lid 1, eerste en tweede alinea
|
Artikel 29, lid 1, eerste en tweede alinea
|
|
—
|
Artikel 29, lid 1, derde, vierde en vijfde alinea
|
|
—
|
Artikel 29, lid 2
|
|
Artikel 17, lid 2, eerste en tweede alinea
|
—
|
|
Artikel 17, lid 2, derde alinea
|
Artikel 29, lid 10, derde alinea
|
|
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, onder a)
|
Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder a)
|
|
—
|
Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder b)
|
|
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, onder b) en c)
|
Artikel 29, lid 3, eerste alinea, onder c) en d)
|
|
—
|
Artikel 29, lid 3, tweede alinea
|
|
Artikel 17, lid 4
|
Artikel 29, lid 4
|
|
Artikel 17, lid 5
|
Artikel 29, lid 5
|
|
Artikel 17, leden 6 en 7
|
—
|
|
—
|
Artikel 29, leden 6, 7, 8, 9, 10 en 11
|
|
Artikel 17, lid 8
|
Artikel 29, lid 12
|
|
Artikel 17, lid 9
|
—
|
|
—
|
Artikel 29, leden 13 en 14
|
|
Artikel 18, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 30, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 18, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)
|
Artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder a), c) en d)
|
|
—
|
Artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder b)
|
|
—
|
Artikel 30, lid 1, tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 2
|
—
|
|
—
|
Artikel 30, lid 2
|
|
Artikel 18, lid 3, eerste alinea
|
Artikel 30, lid 3, eerste alinea
|
|
Artikel 18, lid 3, tweede en derde alinea
|
—
|
|
Artikel 18, lid 3, vierde en vijfde alinea
|
Artikel 30, lid 3, tweede en derde alinea
|
|
Artikel 18, lid 4, eerste alinea
|
—
|
|
Artikel 18, lid 4, tweede en derde alinea
|
Artikel 30, lid 4, eerste en tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 4, vierde alinea
|
—
|
|
Artikel 18, lid 5, eerste en tweede alinea
|
Artikel 30, lid 7, eerste en tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 5, derde alinea
|
Artikel 30, lid 8, eerste en tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 5, vierde alinea
|
Artikel 30, lid 5, derde alinea
|
|
—
|
Artikel 30, lid 6, eerste alinea
|
|
Artikel 18, lid 5, vijfde alinea
|
Artikel 30, lid 6, tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 6, eerste en tweede alinea
|
Artikel 30, lid 5, eerste en tweede alinea
|
|
Artikel 18, lid 6, derde alinea
|
—
|
|
Artikel 18, lid 6, vierde alinea
|
Artikel 30, lid 6, derde alinea
|
|
—
|
Artikel 30, lid 6, vierde alinea
|
|
Artikel 18, lid 6, vijfde alinea
|
Artikel 30, lid 6, vijfde alinea
|
|
Artikel 18, lid 7
|
Artikel 30, lid 9, eerste alinea
|
|
—
|
Artikel 30, lid 9, tweede alinea
|
|
Artikel 18, leden 8 en 9
|
—
|
|
—
|
Artikel 30, lid 10
|
|
Artikel 19, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 31, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 19, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)
|
Artikel 31, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c)
|
|
—
|
Artikel 31, lid 1, eerste alinea, onder d)
|
|
Artikel 19, leden 2, 3 en 4
|
Artikel 31, leden 2, 3 en 4
|
|
Artikel 19, lid 5
|
—
|
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea
|
Artikel 31, lid 5, eerste alinea
|
|
Artikel 19, lid 7, eerste alinea, eerste, tweede, derde en vierde streepje
|
—
|
|
Artikel 19, lid 7, tweede en derde alinea
|
Artikel 31, lid 5, tweede en derde alinea
|
|
Artikel 19, lid 8
|
Artikel 31, lid 6
|
|
Artikel 20
|
Artikel 32
|
|
Artikel 22
|
—
|
|
Artikel 23, leden 1 en 2
|
Artikel 33, leden 1 en 2
|
|
Artikel 23, leden 3, 4, 5, 6, 7 en 8
|
—
|
|
Artikel 23, lid 9
|
Artikel 33, lid 3
|
|
Artikel 23, lid 10
|
Artikel 33, lid 4
|
|
Artikel 24
|
—
|
|
Artikel 25, lid 1
|
Artikel 34, lid 1
|
|
Artikel 25, lid 2
|
Artikel 34, lid 2
|
|
Artikel 25, lid 3
|
Artikel 34, lid 3
|
|
Artikel 25 bis, lid 1
|
Artikel 35, lid 1
|
|
Artikel 25 bis, lid 2
|
Artikel 35, leden 2 en 3
|
|
Artikel 25 bis, lid 3
|
Artikel 35, lid 4
|
|
—
|
Artikel 35, lid 5
|
|
Artikel 25 bis, leden 4 en 5
|
Artikel 35, leden 6 en 7
|
|
Artikel 26
|
—
|
|
Artikel 27
|
Artikel 36
|
|
—
|
Artikel 37
|
|
Artikel 28
|
Artikel 38
|
|
Artikel 29
|
Artikel 39
|
|
Bijlage I
|
Bijlage I
|
|
Bijlage II
|
Bijlage II
|
|
Bijlage III
|
Bijlage III
|
|
Bijlage IV
|
Bijlage IV
|
|
Bijlage V
|
Bijlage V
|
|
Bijlage VI
|
—
|
|
—
|
Bijlage VI
|
|
Bijlage VII
|
Bijlage VII
|
|
Bijlage VIII
|
Bijlage VIII
|
|
Bijlage IX
|
Bijlage IX
|
|
—
|
Bijlage X
|
|
—
|
Bijlage XI
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|