+VERORDENING (EU) 2018/1139 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (Voor de EER relevante tekst)
---+HOOFDSTUK I BEGINSELBEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp en doelstellingen
---------+Artikel 1 1.
---------+Artikel 1 2.
---------+Artikel 1 3.
------+Artikel 2 Toepassingsgebied
---------+Artikel 2 1.
---------+Artikel 2 2.
---------+Artikel 2 3.
---------+Artikel 2 4.
---------+Artikel 2 5.
---------+Artikel 2 6.
---------+Artikel 2 7.
---------+Artikel 2 8.
---------+Artikel 2 9.
---------+Artikel 2 10.
---------+Artikel 2 11.
------+Artikel 3 Definities
------+Artikel 4 Beginselen voor maatregelen op basis van deze verordening
---------+Artikel 4 1.
---------+Artikel 4 2.
---+HOOFDSTUK II BEHEER VAN DE LUCHTVAARTVEILIGHEID
------+Artikel 5 Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart
---------+Artikel 5 1.
---------+Artikel 5 2.
------+Artikel 6 Het Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart
---------+Artikel 6 1.
---------+Artikel 6 2.
---------+Artikel 6 3.
------+Artikel 7 Nationaal programma voor de veiligheid
---------+Artikel 7 1.
---------+Artikel 7 2.
---------+Artikel 7 3.
------+Artikel 8 Nationaal plan voor de veiligheid van de luchtvaart
---------+Artikel 8 1.
---------+Artikel 8 2.
---+HOOFDSTUK III MATERIËLE VOORSCHRIFTEN
------+AFDELING I Luchtwaardigheid en milieubescherming
---------+Artikel 9 Essentiële eisen
------------+Artikel 9 1.
------------+Artikel 9 2.
---------+Artikel 10 Naleving
------------+Artikel 10 1.
------------+Artikel 10 2.
---------+Artikel 11 Ontwerp van producten
---------+Artikel 12 Ontwerp van onderdelen
---------+Artikel 13 Ontwerp van niet-geïnstalleerde apparatuur
---------+Artikel 14 Individuele luchtvaartuigen
------------+Artikel 14 1.
------------+Artikel 14 2.
---------+Artikel 15 Organisaties
------------+Artikel 15 1.
------------+Artikel 15 2.
------------+Artikel 15 3.
------------+Artikel 15 4.
------------+Artikel 15 5.
---------+Artikel 16 Personeel
------------+Artikel 16 1.
------------+Artikel 16 2.
------------+Artikel 16 3.
---------+Artikel 17 Uitvoeringshandelingen inzake luchtwaardigheid
------------+Artikel 17 1.
------------+Artikel 17 2.
------------+Artikel 17 3.
---------+Artikel 18 Afwijkingen
------------+Artikel 18 1.
------------+Artikel 18 2.
---------+Artikel 19 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 19 1.
------------+Artikel 19 2.
------------+Artikel 19 3.
------------+Artikel 19 4.
------+SECTION II Aircrew
---------+Artikel 20 Essentiële eisen
---------+Artikel 21 Toepassingsgebied
------------+Artikel 21 1.
------------+Artikel 21 2.
------------+Artikel 21 3.
------------+Artikel 21 4.
------------+Artikel 21 5.
------------+Artikel 21 6.
---------+Artikel 22 Cabinepersoneel
------------+Artikel 22 1.
------------+Artikel 22 2.
------------+Artikel 22 3.
------------+Artikel 22 4.
------------+Artikel 22 5.
------------+Artikel 22 6.
---------+Artikel 23 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van piloten en cabinepersoneel
------------+Artikel 23 1.
------------+Artikel 23 2.
---------+Artikel 24 Opleidingsorganisaties en luchtvaartgeneeskundige centra
------------+Artikel 24 1.
------------+Artikel 24 2.
------------+Artikel 24 3.
------------+Artikel 24 4.
------------+Artikel 24 5.
------------+Artikel 24 6.
---------+Artikel 25 Vluchtnabootsingsinstrumenten
------------+Artikel 25 1.
------------+Artikel 25 2.
------------+Artikel 25 3.
------------+Artikel 25 4.
------------+Artikel 25 5.
---------+Artikel 26 Instructeurs en examinatoren
------------+Artikel 26 1.
------------+Artikel 26 2.
------------+Artikel 26 3.
------------+Artikel 26 4.
------------+Artikel 26 5.
---------+Artikel 27 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van de opleiding, toetsing, controle en medische keuring
------------+Artikel 27 1.
------------+Artikel 27 2.
------------+Artikel 27 3.
---------+Artikel 28 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 28 1.
------------+Artikel 28 2.
------+AFDELING III Vluchtuitvoeringen
---------+Artikel 29 Essentiële eisen
---------+Artikel 30 Luchtvaartuigexploitanten
------------+Artikel 30 1.
------------+Artikel 30 2.
------------+Artikel 30 3.
------------+Artikel 30 4.
------------+Artikel 30 5.
------------+Artikel 30 6.
------------+Artikel 30 7.
---------+Artikel 31 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van vluchtuitvoeringen
------------+Artikel 31 1.
------------+Artikel 31 2.
------------+Artikel 31 3.
---------+Artikel 32 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 32 1.
------------+Artikel 32 2.
------------+Artikel 32 3.
------+AFDELING IV Luchtvaartterreinen
---------+Artikel 33 Essentiële eisen
---------+Artikel 34 Certificering van luchtvaartterreinen
------------+Artikel 34 1.
------------+Artikel 34 2.
------------+Artikel 34 3.
------------+Artikel 34 4.
------------+Artikel 34 5.
---------+Artikel 35 Veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen
------------+Artikel 35 1.
------------+Artikel 35 2.
------------+Artikel 35 3.
------------+Artikel 35 4.
---------+Artikel 36 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van luchtvaartterreinen en veiligheidsgerelateerde apparatuur voor luchthaventerreinen
------------+Artikel 36 1.
------------+Artikel 36 2.
------------+Artikel 36 3.
---------+Artikel 37 Organisaties
------------+Artikel 37 1.
------------+Artikel 37 2.
---------+Artikel 38 Bescherming van de omgeving van luchtvaartterreinen
------------+Artikel 38 1.
------------+Artikel 38 2.
------------+Artikel 38 3.
---------+Artikel 39 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 39 1.
------------+Artikel 39 2.
------------+Artikel 39 3.
------+AFDELING V ATM/ANS
---------+Artikel 40 Essentiële eisen
------------+Artikel 40 1.
------------+Artikel 40 2.
---------+Artikel 41 Verleners van ATM/ANS
------------+Artikel 41 1.
------------+Artikel 41 2.
------------+Artikel 41 3.
------------+Article 41 3a.
------------+Artikel 41 4.
------------+Artikel 41 5.
------------+Artikel 41 6.
---------+Artikel 42 Organisaties die betrokken zijn bij het ontwerpen, produceren of onderhouden van ATM/ANS-systemen en ATM/ANS-componenten
------------+Artikel 42 1.
------------+Artikel 42 2.
------------+Artikel 42 3.
------------+Artikel 42 4.
---------+Artikel 43 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van verleners van ATM/ANS en van organisaties die betrokken zijn bij het ontwerpen, produceren of onderhouden van ATM/ANS-systemen en ATM/ANS-componenten
------------+Artikel 43 1.
------------+Artikel 43 2.
------------+Artikel 43 3.
------------+Artikel 43 4.
---------+Artikel 44 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van het gebruik van het luchtruim en het ontwerp van luchtruimstructuren
------------+Artikel 44 1.
------------+Artikel 44 2.
------------+Artikel 44 3.
---------+Artikel 45 ATM/ANS-systemen en ATM/ANS-componenten
------------+Artikel 45 1.
------------+Artikel 45 2.
---------+Artikel 46 Ontwerp van luchtruimstructuren
---------+Artikel 47 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 47 1.
------------+Artikel 47 2.
------------+Artikel 47 3.
------+AFDELING VI Luchtverkeersleiders
---------+Artikel 48 Essentiële eisen
---------+Artikel 49 Luchtverkeersleiders
------------+Artikel 49 1.
------------+Artikel 49 2.
------------+Artikel 49 3.
------------+Artikel 49 4.
------------+Artikel 49 5.
---------+Artikel 50 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van luchtverkeersleiders
------------+Artikel 50 1.
------------+Artikel 50 2.
------------+Artikel 50 3.
---------+Artikel 51 Organisaties voor de opleiding van luchtverkeersleiders en luchtvaartgeneeskundige centra
------------+Artikel 51 1.
------------+Artikel 51 2.
------------+Artikel 51 3.
------------+Artikel 51 4.
---------+Artikel 52 Instructeurs, beoordelaars en luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen
------------+Artikel 52 1.
------------+Artikel 52 2.
------------+Artikel 52 3.
------------+Artikel 52 4.
---------+Artikel 53 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van de opleiding, toetsing, controle en medische keuring
------------+Artikel 53 1.
------------+Artikel 53 2.
------------+Artikel 53 3.
---------+Artikel 54 Gedelegeerde bevoegdheden
------+AFDELING VII Onbemande luchtvaartuigen
---------+Artikel 55 Essentiële eisen voor onbemande luchtvaartuigen
---------+Artikel 56 Naleving door onbemande luchtvaartuigen
------------+Artikel 56 1.
------------+Artikel 56 2.
------------+Artikel 56 3.
------------+Artikel 56 4.
------------+Artikel 56 5.
------------+Artikel 56 6.
------------+Artikel 56 7.
------------+Artikel 56 8.
---------+Artikel 57 Uitvoeringshandelingen ten aanzien van onbemande luchtvaartuigen
---------+Artikel 58 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 58 1.
------------+Artikel 58 2.
------------+Artikel 58 3.
------+AFDELING VIII Luchtvaartuigen die door een exploitant van een derde land worden gebruikt voor vluchten naar, binnen of vanuit de Unie
---------+Artikel 59 Toepasselijke regels
---------+Artikel 60 Naleving
------------+Artikel 60 1.
------------+Artikel 60 2.
------------+Artikel 60 3.
---------+Artikel 61 Gedelegeerde bevoegdheden
------------+Artikel 61 1.
------------+Artikel 61 2.
---+HOOFDSTUK IV Gemeenschappelijk systeem voor certificering, toezicht en handhaving
------+Artikel 62 Certificering, toezicht en handhaving
---------+Artikel 62 1.
---------+Artikel 62 2.
---------+Article 62 2a.
---------+Artikel 62 3.
---------+Artikel 62 4.
---------+Artikel 62 5.
---------+Artikel 62 6.
---------+Artikel 62 7.
---------+Artikel 62 8.
---------+Artikel 62 9.
---------+Artikel 62 10.
---------+Artikel 62 11.
---------+Artikel 62 12.
---------+Artikel 62 13.
---------+Artikel 62 14.
---------+Artikel 62 15.
------+Artikel 63 Pool van Europese luchtvaartinspecteurs
---------+Artikel 63 1.
---------+Artikel 63 2.
---------+Artikel 63 3.
---------+Artikel 63 4.
---------+Artikel 63 5.
---------+Artikel 63 6.
------+Artikel 64 Overdracht van verantwoordelijkheid op verzoek van lidstaten
---------+Artikel 64 1.
---------+Artikel 64 2.
---------+Artikel 64 3.
---------+Artikel 64 4.
---------+Artikel 64 5.
---------+Artikel 64 6.
---------+Artikel 64 7.
---------+Artikel 64 8.
------+Artikel 65 Overdracht van de verantwoordelijkheid op verzoek van organisaties die in meer dan één lidstaat actief zijn
---------+Artikel 65 1.
---------+Artikel 65 2.
---------+Artikel 65 3.
---------+Artikel 65 4.
---------+Artikel 65 5.
---------+Artikel 65 6.
------+Artikel 66 Mechanisme voor toezichtondersteuning
---------+Artikel 66 1.
---------+Artikel 66 2.
---------+Artikel 66 3.
---------+Artikel 66 4.
---------+Artikel 66 5.
------+Artikel 67 Geldigheid en erkenning van certificaten en verklaringen
---------+Artikel 67 1.
---------+Artikel 67 2.
---------+Artikel 67 3.
---------+Artikel 67 4.
------+Artikel 68 Aanvaarding van certificaten van derde landen
---------+Artikel 68 1.
---------+Artikel 68 2.
---------+Artikel 68 3.
------+Artikel 69 Gekwalificeerde instanties
---------+Artikel 69 1.
---------+Artikel 69 2.
---------+Artikel 69 3.
---------+Artikel 69 4.
---------+Artikel 69 5.
------+Artikel 70 Voorzorgsclausules
---------+Artikel 70 1.
---------+Artikel 70 2.
---------+Artikel 70 3.
---------+Artikel 70 4.
------+Artikel 71 Bepalingen inzake flexibiliteit
---------+Artikel 71 1.
---------+Artikel 71 2.
---------+Artikel 71 3.
------+Artikel 72 Verzameling, uitwisseling en analyse van informatie
---------+Artikel 72 1.
---------+Artikel 72 2.
---------+Artikel 72 3.
---------+Artikel 72 4.
---------+Artikel 72 5.
---------+Artikel 72 6.
---------+Artikel 72 7.
------+Artikel 73 Bescherming van informatiebronnen
---------+Artikel 73 1.
---------+Artikel 73 2.
---------+Artikel 73 3.
---------+Artikel 73 4.
---------+Artikel 73 5.
---------+Artikel 73 6.
------+Artikel 74 Register van informatie
---------+Artikel 74 1.
---------+Artikel 74 2.
---------+Artikel 74 3.
---------+Artikel 74 4.
---------+Artikel 74 5.
---------+Artikel 74 6.
---------+Artikel 74 7.
---------+Artikel 74 8.
---+HOOFDSTUK V HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR DE VEILIGHEID VAN DE LUCHTVAART
------+AFDELING I Taken
---------+Artikel 75 Oprichting en functies van het Agentschap
------------+Artikel 75 1.
------------+Artikel 75 2.
---------+Artikel 76 Maatregelen van het Agentschap
------------+Artikel 76 1.
------------+Artikel 76 2.
------------+Artikel 76 3.
------------+Artikel 76 4.
------------+Artikel 76 5.
------------+Artikel 76 6.
------------+Artikel 76 7.
---------+Artikel 77 Luchtwaardigheids- en milieucertificering
------------+Artikel 77 1.
------------+Artikel 77 2.
------------+Artikel 77 3.
---------+Artikel 78 Certificering van bemanningsleden
------------+Artikel 78 1.
------------+Artikel 78 2.
---------+Artikel 79 Certificering van veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen
---------+Artikel 80 ATM/ANS
------------+Artikel 80 1.
------------+Artikel 80 2.
---------+Artikel 81 Certificering van organisaties voor de opleiding van luchtverkeersleiders
---------+Artikel 82 Luchtvaartuigexploitanten uit derde landen en internationaal veiligheidstoezicht
------------+Artikel 82 1.
------------+Artikel 82 2.
------------+Artikel 82 3.
---------+Artikel 83 Onderzoeken door het Agentschap
------------+Artikel 83 1.
------------+Artikel 83 2.
------------+Artikel 83 3.
------------+Artikel 83 4.
---------+Artikel 84 Boeten en dwangsommen
------------+Artikel 84 1.
------------+Artikel 84 2.
------------+Artikel 84 3.
------------+Artikel 84 4.
------------+Artikel 84 5.
------------+Artikel 84 6.
---------+Artikel 85 Toezicht op de lidstaten
------------+Artikel 85 1.
------------+Artikel 85 2.
------------+Artikel 85 3.
------------+Artikel 85 4.
------------+Artikel 85 5.
------------+Artikel 85 6.
------------+Artikel 85 7.
------------+Artikel 85 8.
------------+Artikel 85 9.
---------+Artikel 86 Onderzoek en innovatie
------------+Artikel 86 1.
------------+Artikel 86 2.
------------+Artikel 86 3.
------------+Artikel 86 4.
------------+Artikel 86 5.
---------+Artikel 87 Milieubescherming
------------+Artikel 87 1.
------------+Artikel 87 2.
------------+Artikel 87 3.
------------+Artikel 87 4.
---------+Artikel 88 Onderlinge afhankelijkheid tussen veiligheid en beveiliging van de luchtvaart
------------+Artikel 88 1.
------------+Artikel 88 2.
------------+Artikel 88 3.
---------+Artikel 89 Onderlinge afhankelijkheden tussen de veiligheid van de burgerluchtvaart en sociaal-economische factoren
------------+Artikel 89 1.
------------+Artikel 89 2.
------------+Artikel 89 3.
---------+Artikel 90 Internationale samenwerking
------------+Artikel 90 1.
------------+Artikel 90 2.
------------+Artikel 90 3.
------------+Artikel 90 4.
------------+Artikel 90 5.
------------+Artikel 90 6.
---------+Artikel 91 Het beheer van crises in de luchtvaart
------------+Artikel 91 1.
------------+Artikel 91 2.
---------+Artikel 92 Luchtvaartopleiding
------------+Artikel 92 1.
------------+Artikel 92 2.
---------+Artikel 93 Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim
------+AFDELING II Interne structuur
---------+Artikel 94 Rechtspersoonlijkheid, vestigingsplaats en plaatselijke kantoren
------------+Artikel 94 1.
------------+Artikel 94 2.
------------+Artikel 94 3.
------------+Artikel 94 4.
------------+Artikel 94 5.
---------+Artikel 95 Personeel
------------+Artikel 95 1.
------------+Artikel 95 2.
---------+Artikel 96 Voorrechten en immuniteiten
---------+Artikel 97 Aansprakelijkheid
------------+Artikel 97 1.
------------+Artikel 97 2.
------------+Artikel 97 3.
------------+Artikel 97 4.
------------+Artikel 97 5.
---------+Artikel 98 Taken van de raad van beheer
------------+Artikel 98 1.
------------+Artikel 98 2.
------------+Artikel 98 3.
------------+Artikel 98 4.
------------+Artikel 98 5.
------------+Artikel 98 6.
---------+Artikel 99 Samenstelling van de raad van beheer
------------+Artikel 99 1.
------------+Artikel 99 2.
------------+Artikel 99 3.
------------+Artikel 99 4.
------------+Artikel 99 5.
---------+Artikel 100 Voorzitter van de raad van beheer
------------+Artikel 100 1.
------------+Artikel 100 2.
---------+Artikel 101 Vergaderingen van de raad van beheer
------------+Artikel 101 1.
------------+Artikel 101 2.
------------+Artikel 101 3.
------------+Artikel 101 4.
------------+Artikel 101 5.
------------+Artikel 101 6.
---------+Artikel 102 Stemregels in de raad van beheer
------------+Artikel 102 1.
------------+Artikel 102 2.
------------+Artikel 102 3.
------------+Artikel 102 4.
---------+Artikel 103 Uitvoerend directeur
------------+Artikel 103 1.
------------+Artikel 103 2.
------------+Artikel 103 3.
------------+Artikel 103 4.
------------+Artikel 103 5.
------------+Artikel 103 6.
------------+Artikel 103 7.
------------+Artikel 103 8.
---------+Artikel 104 Verantwoordlijkheden van de uitvoerend directeur
------------+Artikel 104 1.
------------+Artikel 104 2.
------------+Artikel 104 3.
------------+Artikel 104 4.
---------+Artikel 105 Bevoegdheden van de kamer van beroep
------------+Artikel 105 1.
------------+Artikel 105 2.
---------+Artikel 106 Leden van de kamer van beroep
------------+Artikel 106 1.
------------+Artikel 106 2.
------------+Artikel 106 3.
------------+Artikel 106 4.
------------+Artikel 106 5.
------------+Artikel 106 6.
---------+Artikel 107 Uitsluiting en wraking
------------+Artikel 107 1.
------------+Artikel 107 2.
------------+Artikel 107 3.
------------+Artikel 107 4.
---------+Artikel 108 Besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld
------------+Artikel 108 1.
------------+Artikel 108 2.
------------+Artikel 108 3.
---------+Artikel 109 Personen die beroep kunnen instellen
---------+Artikel 110 Termijn en vorm
---------+Artikel 111 Prejudiciële herziening
------------+Artikel 111 1.
------------+Artikel 111 2.
---------+Artikel 112 Onderzoek van het beroep
------------+Artikel 112 1.
------------+Artikel 112 2.
---------+Artikel 113 Beslissingen over het beroep
---------+Artikel 114 Beroep bij het Hof van Justitie
------------+Artikel 114 1.
------------+Artikel 114 2.
------------+Artikel 114 3.
------------+Artikel 114 4.
------+AFDELING III Werkmethoden
---------+Artikel 115 Procedures voor het opstellen van adviezen, certificeringsspecificaties en andere gedetailleerde specificaties, aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren
------------+Artikel 115 1.
------------+Artikel 115 2.
------------+Artikel 115 3.
---------+Artikel 116 Besluitvorming
------------+Artikel 116 1.
------------+Artikel 116 2.
---------+Artikel 117 Jaarlijkse en meerjarige programmering
------------+Artikel 117 1.
------------+Artikel 117 2.
------------+Artikel 117 3.
------------+Artikel 117 4.
---------+Artikel 118 Geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag
------------+Artikel 118 1.
------------+Artikel 118 2.
---------+Artikel 119 Transparantie en communicatie
------------+Artikel 119 1.
------------+Artikel 119 2.
------------+Artikel 119 3.
------------+Artikel 119 4.
------------+Artikel 119 5.
------------+Artikel 119 6.
------+AFDELING IV Financiële eisen
---------+Artikel 120 Begroting
------------+Artikel 120 1.
------------+Artikel 120 2.
------------+Artikel 120 3.
------------+Artikel 120 4.
------------+Artikel 120 5.
------------+Artikel 120 6.
------------+Artikel 120 7.
------------+Artikel 120 8.
------------+Artikel 120 9.
------------+Artikel 120 10.
------------+Artikel 120 11.
------------+Artikel 120 12.
---------+Artikel 121 Uitvoering en controle van de begroting
------------+Artikel 121 1.
------------+Artikel 121 2.
------------+Artikel 121 3.
------------+Artikel 121 4.
------------+Artikel 121 5.
------------+Artikel 121 6.
------------+Artikel 121 7.
------------+Artikel 121 8.
------------+Artikel 121 9.
------------+Artikel 121 10.
---------+Artikel 122 Fraudebestrijding
------------+Artikel 122 1.
------------+Artikel 122 2.
------------+Artikel 122 3.
------------+Artikel 122 4.
------------+Artikel 122 5.
---------+Artikel 123 Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie
---------+Artikel 124 Evaluatie
------------+Artikel 124 1.
------------+Artikel 124 2.
------------+Artikel 124 3.
---------+Artikel 125 Financiële regels
---------+Artikel 126 Vergoedingen en heffingen
------------+Artikel 126 1.
------------+Artikel 126 2.
------------+Artikel 126 3.
------------+Artikel 126 4.
---+HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 127 Comitéprocedure
---------+Artikel 127 1.
---------+Artikel 127 2.
---------+Artikel 127 3.
---------+Artikel 127 4.
------+Artikel 128 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
---------+Artikel 128 1.
---------+Artikel 128 2.
---------+Artikel 128 3.
---------+Artikel 128 4.
---------+Artikel 128 5.
---------+Artikel 128 6.
------+Artikel 129 Deelneming van Europese derde landen
------+Artikel 130 Zetelovereenkomst en voorwaarden voor de werking
---------+Artikel 130 1.
---------+Artikel 130 2.
------+Artikel 131 Sancties
------+Artikel 132 Verwerking van persoonsgegevens
---------+Artikel 132 1.
---------+Artikel 132 2.
------+Artikel 133 Wijziging van Verordening (EG) nr. 2111/2005
---------+Article 133 ‘1.
---------+Artikel 133 2.
---------+Artikel 133 3.
------+Artikel 134 Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1008/2008
------+Artikel 135 Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 996/2010
---------+Artikel 135 1.
---------+Artikel 135 2.
---------+Artikel 135 3.
---------+Artikel 135 4.
---------+Artikel 135 5.
---------+Artikel 135 6.
------+Artikel 136 Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 376/2014
------+Artikel 137 Wijzigingen van Richtlijn 2014/30/EU
------+Artikel 138 Wijzigingen van Richtlijn 2014/53/EU
------+Artikel 139 Intrekkingen
---------+Artikel 139 1.
---------+Artikel 139 2.
---------+Artikel 139 3.
---------+Artikel 139 4.
------+Artikel 140 Overgangsbepalingen
---------+Artikel 140 1.
---------+Artikel 140 2.
---------+Artikel 140 3.
---------+Artikel 140 4.
---------+Artikel 140 5.
---------+Artikel 140 6.
------+Artikel 141 Inwerkingtreding
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV
---+BIJLAGE V
---+BIJLAGE VI
---+BIJLAGE VII
---+BIJLAGE VIII
---+BIJLAGE IX
---+BIJLAGE X
|
English -
European Union -
Aviation -
VERORDENING (EU) 2018/1139 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (Voor de EER relevante tekst)
VERORDENING (EU) 2018/1139 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 4 juli 2018
inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
HOOFDSTUK I BEGINSELBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK I BEGINSELBEPALINGEN
|
|
HOOFDSTUK II BEHEER VAN DE LUCHTVAARTVEILIGHEID
|
HOOFDSTUK II BEHEER VAN DE LUCHTVAARTVEILIGHEID
|
|
HOOFDSTUK III MATERIËLE VOORSCHRIFTEN
|
HOOFDSTUK III MATERIËLE VOORSCHRIFTEN
|
|
HOOFDSTUK IV Gemeenschappelijk systeem voor certificering, toezicht en handhaving
|
HOOFDSTUK IV Gemeenschappelijk systeem voor certificering, toezicht en handhaving
|
|
HOOFDSTUK V HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR DE VEILIGHEID VAN DE LUCHTVAART
|
HOOFDSTUK V HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR DE VEILIGHEID VAN DE LUCHTVAART
|
|
HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
|
|
BIJLAGE I
|
BIJLAGE I
Luchtvaartuigen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder d)
1. Categorieën bemande luchtvaartuigen waarop deze verordening niet van toepassing is:
a)
Historische luchtvaartuigen die aan de volgende criteria voldoen:
i)
luchtvaartuigen waarvan:
—
het oorspronkelijke ontwerp dateert van vóór 1 januari 1955, en
—
de productie is stopgezet vóór 1 januari 1975;
of
ii)
luchtvaartuigen met een duidelijk historisch belang, dat verband houdt met:
—
deelname aan een opmerkelijke historische gebeurtenis,
—
een belangrijke stap in de ontwikkeling van de luchtvaart, of
—
een belangrijke rol in de strijdkrachten van een lidstaat;
of
b)
luchtvaartuigen die specifiek ontworpen of gewijzigd zijn voor onderzoek, experimentele of wetenschappelijke doeleinden en die naar verwachting in zeer kleine hoeveelheden zullen worden geproduceerd;
c)
luchtvaartuigen, waaronder als bouwpakket geleverde luchtvaartuigen, waarvan ten minste 51 % van de fabricage- en assemblagetaken wordt uitgevoerd door een niet-beroepsbeoefenaar of een non-profitorganisatie van niet-beroepsbeoefenaars, voor eigen gebruik en zonder enig commercieel doel;
d)
luchtvaartuigen die in dienst van strijdkrachten zijn geweest, tenzij het een type luchtvaartuig betreft waarvoor het Agentschap een ontwerpnorm heeft vastgesteld;
e)
vliegtuigen die in landingsconfiguratie een meetbare overtreksnelheid of minimale constante vliegsnelheid van hoogstens 35 knopen gekalibreerde luchtsnelheid (Calibrated Air Speed, CAS) hebben, helikopters, paramotors, zweefvliegtuigen en gemotoriseerde zweefvliegtuigen met niet meer dan twee zitplaatsen en met een door de lidstaten geregistreerde maximumstartmassa (Maximum Take Off Mass, MTOM), van niet meer dan:
|
|
Vliegtuig/Helikopter/Paramotor/gemotoriseerde zweefvliegtuigen
|
Zweefvliegtuigen
|
Amfibie- of drijfvliegtuig/helikopter
|
Op het luchtframe gemonteerd Total Recovery Parachute System
|
|
Met één zitplaats
|
300 kg MTOM
|
250 kg MTOM
|
Bijkomende 30 kg MTOM
|
Bijkomende 15 kg MTOM
|
|
Met twee zitplaatsen
|
450 kg MTOM
|
400 kg MTOM
|
Bijkomende 45 kg MTOM
|
Bijkomende 25 kg MTOM
|
|
Wanneer een amfibie- of een drijfvliegtuig/helikopter dienst doet als drijfvliegtuig/helikopter en als landvliegtuig/helikopter, moet het onder de toepasselijke MTOM-grens blijven.
|
f)
gyrokopters met één of twee zitplaatsen, met een MTOM die niet hoger is dan 600 kg;
g)
replica's van luchtvaartuigen die voldoen aan de criteria onder a) of d) hierboven, waarvan het structureel ontwerp gelijk is aan het oorspronkelijke luchtvaartuig;
h)
ballonnen en luchtschepen met één of twee plaatsen en die zijn ontworpen voor een maximumvolume van, voor heteluchtballonnen ten hoogste 1 200 m3 en voor ander gas van ten hoogste 400 m3;
i)
elk ander bemand luchtvaartuig met een maximale lege massa, inclusief brandstof, van hoogstens 70 kg.
2. Voorts geldt deze verordening niet voor:
a)
met een kabel vastgemaakte luchtvaartuigen zonder aandrijfsysteem, wanneer de kabel ten hoogste 50 m lang is, en:
i)
de MTOM van het luchtvaartuig, nuttige lading meegerekend, minder dan 25 kg bedraagt, of
ii)
bij een luchtvaartuig lichter dan lucht, het luchtvaartuig is ontworpen voor een maximumvolume van minder dan 40 m3;
b)
met een kabel vastgemaakte luchtvaartuigen met een MTOM van niet meer dan 1 kg.
|
|
BIJLAGE II
|
BIJLAGE II
Essentiële eisen met betrekking tot luchtwaardigheid
1. PRODUCTINTEGRITEIT
De productintegriteit, met inbegrip van bescherming tegen bedreigingen van de informatiebeveiliging, moet voor de levensduur van het luchtvaartuig gewaarborgd zijn voor alle voorziene vluchtomstandigheden. De conformiteit met alle voorschriften moet aangetoond worden door middel van beoordeling of analyse, zo nodig ondersteund door tests.
1.1. Structuren en materialen
|
1.1.1.
|
De integriteit van de structuur moet worden gewaarborgd, binnen de operationele begrenzingen van het luchtvaartuig met inbegrip van het aandrijfsysteem, met een voldoende ruime marge, en gehandhaafd blijven tijdens de levensduur van het luchtvaartuig.
|
|
1.1.2.
|
Alle onderdelen van het luchtvaartuig waarvan een storing de structurele integriteit zou kunnen aantasten, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden zonder dat schadelijke vervormingen of storingen optreden. Dit heeft mede betrekking op alle onderdelen met een significante massa en de bevestigingsmiddelen daarvan.
a)
Alle belastingcombinaties die redelijkerwijze te verwachten zijn binnen en in voldoende mate ook buiten de gewichten, het zwaartepuntbereik, de operationele begrenzingen en de levensduur van het luchtvaartuig, moeten in aanmerking worden genomen. Dit heeft mede betrekking op belasting door windvlagen, manoeuvres, drukverandering, beweegbare oppervlakken, regel- en aandrijfsystemen, zowel tijdens de vlucht als op de grond.
b)
Belastingen en storingen die kunnen optreden bij noodlandingen op land of water moeten in aanmerking worden genomen.
c)
Naargelang de soort vluchtuitvoering, moet rekening worden gehouden met dynamische effecten voor de structurele reactie op die belastingen, waarbij rekening wordt gehouden met de omvang en configuratie van het luchtvaartuig.
|
|
1.1.3.
|
Het luchtvaartuig mag geen aero-elastische instabiliteit of buitensporige vibraties vertonen.
|
|
1.1.4.
|
De productieprocessen en de voor de bouw van het luchtvaartuig gebruikte materialen moeten resulteren in bekende, reproduceerbare structurele eigenschappen. Veranderingen in de materiaalprestaties in verband met de gebruiksomgeving moeten worden opgegeven.
|
|
1.1.5.
|
In de mate van het mogelijke moet worden gewaarborgd dat de effecten van cyclische belasting, verslechtering van de gebruiksomgeving, schade door ongevallen en diverse bronnen de structurele integriteit niet zozeer aantasten dat een aanvaardbaar sterkteniveau niet meer bereikt wordt. In dit verband moeten de nodige instructies worden gegeven om de permanente luchtwaardigheid te waarborgen.
|
1.2. Aandrijving
|
1.2.1.
|
De integriteit van het aandrijfsysteem (d.w.z. de motor en, waar van toepassing, de propeller) moet worden aangetoond voor de operationele begrenzingen van het aandrijfsysteem, met een voldoende ruime marge, en gehandhaafd blijven tijdens de levensduur van het aandrijfsysteem, rekening houdende met de rol van het aandrijfsysteem in het algemene veiligheidsconcept van het luchtvaartuig.
|
|
1.2.2.
|
Het aandrijfsysteem moet onder alle vluchtomstandigheden binnen de opgegeven grenzen zijn stuwkracht of vermogen leveren, de effecten en omstandigheden van de omgeving in aanmerking genomen.
|
|
1.2.3.
|
Het productieproces en de voor de productie van het aandrijfsysteem gebruikte materialen moeten resulteren in een bekend, reproduceerbaar structureel gedrag. Veranderingen in de materiaalprestaties in verband met de gebruiksomgeving moeten worden opgegeven.
|
|
1.2.4.
|
De effecten van cyclische belasting, verslechtering van de gebruiksomgeving en de operationele omstandigheden, en eventueel daarna optredende storingen aan onderdelen mogen de integriteit van het aandrijfsysteem niet zozeer aantasten dat aanvaardbare niveaus niet meer worden bereikt. In dit verband moeten de nodige instructies worden gegeven om de permanente luchtwaardigheid te waarborgen.
|
|
1.2.5.
|
Voor een veilige en juiste interface tussen aandrijfsysteem en luchtvaartuig moeten de nodige instructies, gegevens en voorschriften worden verstrekt.
|
1.3. Systemen en apparatuur (andere dan niet-geïnstalleerde apparatuur):
|
1.3.1.
|
Het luchtvaartuig mag geen ontwerpeigenschappen of kenmerken hebben waarvan gebleken is dat zij gevaarlijk zijn.
|
|
1.3.2.
|
Het luchtvaartuig, met inbegrip van de systemen en apparatuur die vereist zijn voor de beoordeling van het typeontwerp, of op grond van de vluchtuitvoeringsvoorschriften, moeten onder alle verwachte vluchtuitvoeringsomstandigheden binnen de operationele begrenzingen van het luchtvaartuig, met een voldoende ruime marge, de beoogde werking hebben, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de gebruiksomgeving van het systeem of de apparatuur. Andere systemen of apparatuur die niet vereist zijn voor de typecertificering of op grond van de vluchtuitvoeringsvoorschriften, mogen de veiligheid, ongeacht of zij al dan niet correct functioneren, niet aantasten, en het correct functioneren van andere systemen of apparatuur niet nadelig beïnvloeden. De systemen en apparatuur moeten kunnen worden bediend zonder dat daarvoor buitengewone vaardigheid of kracht nodig is.
|
|
1.3.3.
|
De systemen en apparatuur van het luchtvaartuig moeten afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang op zodanige wijze ontworpen zijn dat een catastrofale storingstoestand niet het gevolg kan zijn van één storing waarvan niet is aangetoond dat die uiterst onwaarschijnlijk is, en er moet een verband van omgekeerde evenredigheid bestaan tussen de kans op een storingstoestand en de ernst van de gevolgen daarvan voor het luchtvaartuig en de inzittenden. Met betrekking tot bovengenoemd criterium van één enkele storing wordt aanvaard dat naar behoren rekening moet worden gehouden met de afmetingen en brede configuratie van het luchtvaartuig, en dat daardoor voor sommige onderdelen en sommige systemen van helikopters en kleine vleugelvliegtuigen wellicht niet aan dit criterium van een enkele storing kan worden voldaan.
|
|
1.3.4.
|
De informatie die nodig is voor een veilig vluchtverloop en de informatie over onveilige factoren moet op duidelijke, consistente en ondubbelzinnige wijze aan de bemanning, dan wel, waar van toepassing, het onderhoudspersoneel, worden verstrekt. De systemen, apparatuur en bedieningsinrichtingen, met inbegrip van aanwijzingen en mededelingen, moeten zodanig ontworpen en geplaatst zijn dat er een zo gering mogelijke kans is op vergissingen die tot het ontstaan van gevaren zouden kunnen leiden.
|
|
1.3.5.
|
Er moeten in het ontwerp voorzorgsmaatregelen worden genomen om gevaren waarop een redelijke kans bestaat, met inbegrip van bedreigingen van de informatiebeveiliging, zowel in als buiten het luchtvaartuig, voor het luchtvaartuig en de inzittenden zo gering mogelijk te maken, hetgeen mede betrekking heeft op bescherming tegen de mogelijkheid van een significante storing aan, of de uitval van, niet-geïnstalleerde apparatuur.
|
1.4. Niet-geïnstalleerde apparatuur
|
1.4.1.
|
De veiligheidsfunctie of veiligheidsrelevante functie van niet-geïnstalleerde apparatuur moet in alle voorzienbare exploitatieomstandigheden vervuld worden zoals gepland, tenzij die functie ook met andere middelen kan worden vervuld.
|
|
1.4.2.
|
Niet-geïnstalleerde apparatuur moet kunnen worden bediend zonder dat daarvoor buitengewone vaardigheid of kracht nodig is.
|
|
1.4.3.
|
Niet-geïnstalleerde apparatuur, of die nu correct werkt of niet, mag de veiligheid niet aantasten, en de goede werking van andere apparatuur, systemen of uitrustingsstukken niet nadelig beïnvloeden.
|
1.5. Permanente luchtwaardigheid
|
1.5.1.
|
Alle nodige documenten, waaronder instructies voor permanente luchtwaardigheid moeten worden opgesteld en ter beschikking gesteld, teneinde te waarborgen dat de luchtwaardigheidsnorm voor het type luchtvaartuig en alle bijbehorende onderdelen gedurende de gehele levensduur van het luchtvaartuig gehandhaafd blijft.
|
|
1.5.2.
|
Er moeten middelen worden geboden om inspectie, afstelling, smering en demontage of vervanging van onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur mogelijk te maken wanneer dat nodig is voor de permanente luchtwaardigheid.
|
|
1.5.3.
|
De instructies voor permanente luchtwaardigheid moeten worden verstrekt in de vorm van een handboek of meerdere handboeken, naargelang de hoeveelheid te verstrekken gegevens. De handboeken moeten onderhouds- en herstellingsinstructies, onderhoudsinformatie en procedures voor probleemoplossing en inspecties omvatten, in een praktisch formaat.
|
|
1.5.4.
|
De instructies voor de permanente luchtwaardigheid moeten luchtwaardigheidsbeperkingen bevatten waarin alle verplichte termijnen voor vervanging, inspectie-intervallen en inspectieprocedures zijn vastgelegd.
|
2. LUCHTWAARDIGHEIDSASPECTEN VAN PRODUCTGEBRUIK
|
2.1.
|
Aangetoond moet worden dat voldoende aandacht is besteed aan de hieronder vermelde punten om tijdens het gebruik van het product veiligheid te waarborgen voor de personen aan boord of op de grond:
a)
Vastgesteld moet worden voor welke soorten vluchtuitvoering het luchtvaartuig is goedgekeurd en welke beperkingen en gegevens, met inbegrip van informatie aangaande milieubeperkingen en -prestaties, nodig zijn voor een veilige vluchtuitvoering;
b)
Het luchtvaartuig moet onder alle verwachte vluchtuitvoeringsomstandigheden, ook na het uitvallen van één of, indien van toepassing, meerdere aandrijfsystemen, veilig gecontroleerd en bestuurd kunnen worden. Er moet voldoende rekening worden gehouden met de kracht van de piloot, de inrichting van de cockpit, de belasting van de piloot en andere menselijke factoren, en met de vluchtfase en de duur van de vlucht;
c)
Een vloeiende overgang van de ene vluchtfase naar de andere moet mogelijk zijn zonder dat daarvoor onder aannemelijke vluchtuitvoeringsomstandigheden een buitengewone vaardigheid, oplettendheid, kracht of belasting van de piloot vereist is;
d)
Het luchtvaartuig moet dermate stabiel zijn, dat er geen buitensporige eisen aan de piloot worden gesteld, rekening houdende met de vluchtfase en de duur van de vlucht;
e)
Er moeten procedures worden vastgesteld voor normale vluchtuitvoeringen, storingen en noodgevallen;
f)
Er moet voorzien zijn in waarschuwingssignalen of andere tegenmaatregelen om overschrijding van de normale operationele begrenzingen te voorkomen, naargelang het type luchtvaartuig;
g)
Het luchtvaartuig en de systemen daarvan moeten zodanige eigenschappen hebben dat zij het bereiken van de uiterste operationele begrenzingen veilig kunnen doorstaan.
|
|
2.2.
|
Informatie over vluchtuitvoeringsbeperkingen en andere informatie die nodig is voor een veilige vluchtuitvoering moeten ter beschikking van de bemanningsleden staan.
|
|
2.3.
|
De producten mogen bij het gebruik niet blootstaan aan gevaar ten gevolge van ongunstige externe en interne omstandigheden, met inbegrip van omgevingsomstandigheden.
a)
Er mag in het bijzonder geen onveilige toestand voor het type vluchtuitvoering ontstaan als gevolg van blootstelling aan verschijnselen als, onder andere, ongunstige weersomstandigheden, bliksem, vogelinslag, gebieden met hoogfrequente straling, ozon enz., waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij gedurende het gebruik van het product zullen optreden, rekening houdende met de grootte en configuratie van het luchtvaartuig;
b)
Cabinecompartimenten, aangepast aan het type vluchtuitvoering, bieden de passagiers behoorlijke vervoersomstandigheden en passende bescherming tegen alle te voorziene gevaren die kunnen voortvloeien uit de vlucht of uit noodsituaties, met inbegrip van vuur, rook en giftige gassen en de gevolgen van een snelle drukverlaging, rekening houdende met de grootte en configuratie van het luchtvaartuig. Er moeten voorzieningen worden getroffen om inzittenden een redelijke kans te geven ernstig letsel te vermijden en het luchtvaartuig snel te verlaten en om hen te beschermen tegen de gevolgen van de remmende krachten in geval van een noodlanding op land of water. Er moet gezorgd worden voor duidelijke, ondubbelzinnige tekens of mededelingen, voor zover nodig, om de inzittenden te wijzen op het juiste veilige gedrag en de plaats en het juiste gebruik van veiligheidsvoorzieningen. De vereiste veiligheidsvoorzieningen moeten onmiddellijk toegankelijk zijn;
c)
Bemanningscompartimenten, aangepast aan het type vluchtuitvoering, moeten zijn ingericht met het oog op het vergemakkelijken van de voor de vlucht vereiste handelingen, onder meer door middelen die situationeel bewustzijn verschaffen, en van de beheersing van alle te voorziene situaties en noodgevallen. De omgeving van de bemanningscompartimenten mag het vermogen van de bemanning om haar taken uit te voeren niet in gevaar brengen, en het ontwerp moet zodanig zijn, dat storingen tijdens de vluchtuitvoering en onjuiste bediening van de besturingsorganen worden voorkomen.
|
3. ORGANISATIES (MET INBEGRIP VAN NATUURLIJKE PERSONEN DIE EEN ONTWERP-, PRODUCTIE- OF ONDERHOUDSACTIVITEIT UITOEFENEN OF ZICH BEZIGHOUDEN MET HET BEHEER VAN DE PERMANENTE LUCHTWAARDIGHEID)
|
3.1.
|
Naargelang het type activiteit worden aan organisaties goedkeuringen verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de organisatie beschikt over alle middelen die nodig zijn voor het toepassingsgebied van haar werkzaamheden. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, apparatuur, instrumenten en materiaal, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en een registratiesysteem;
b)
naargelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet de organisatie een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dat systeem;
c)
de organisatie moet regelingen treffen met andere bevoegde organisaties, voor zover nodig, om te waarborgen dat de essentiële eisen voor luchtwaardigheid van deze bijlage blijvend worden nageleefd;
d)
de organisatie moet een systeem van rapportering en/of afhandeling van voorvallen invoeren, als onderdeel van het onder b) bedoelde beheersysteem en de onder c) bedoelde regelingen, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor het melden van voorvallen moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.
|
|
3.2.
|
De voorwaarden in punt 3.1, onder c) en d), zijn niet van toepassing op organisaties voor onderhoudsopleiding.
|
|
3.3.
|
Natuurlijke personen die onderhoud verrichten moeten op het gebied van theoretische kennis, praktische vaardigheden en ervaring een niveau verwerven en handhaven dat geschikt is voor de activiteit.
|
|
|
BIJLAGE III
|
BIJLAGE III
Essentiële eisen met betrekking tot de milieuverenigbaarheid van producten
1. Producten moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij zo weinig mogelijk geluid maken, rekening houdend met punt 4.
2. Producten moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij zo weinig mogelijk emissies uitstoten, rekening houdend met punt 4.
3. Producten moeten zodanig zijn ontworpen, dat de emissies die voortvloeien uit de verdamping of lozing van vloeistoffen tot een minimum worden beperkt, rekening houdend met punt 4.
4. Er moet rekening worden gehouden met de wisselwerking tussen maatregelen in het ontwerp om het geluid tot een minimum te beperken, om emissies te beperken en om de lozing van vloeistoffen te beperken.
5. Wanneer het geluid en de emissies van vliegtuigen tot een minimum worden beperkt, dient rekening te worden gehouden met het totale bereik aan normale bedrijfsomstandigheden en geografische gebieden waar het lawaai en de emissies van belang zijn.
6. De systemen en apparatuur van luchtvaartuigen die vereist zijn om redenen van milieubescherming worden zodanig ontworpen, geproduceerd en onderhouden, dat ze in alle voorspelbare bedrijfsomstandigheden als bedoeld functioneren. Hun betrouwbaarheid staat in verhouding tot het beoogde effect op de milieuverenigbaarheid van het product.
7. De instructies, procedures, middelen, handleidingen, beperkingen en inspecties die nodig zijn om te waarborgen dat een luchtvaartproduct blijvend voldoet aan de essentiële eisen van deze bijlage, worden op duidelijke wijze vastgesteld en aan de beoogde gebruikers verstrekt.
8. De organisaties die betrokken zijn bij het ontwerp, de productie en het onderhoud van luchtvaartproducten:
a)
beschikken over alle middelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat een luchtvaartproduct voldoet aan de essentiële eisen van deze bijlage; en
b)
treffen regelingen met andere relevante organisaties om te zorgen dat een luchtvaartproduct voldoet aan de essentiële eisen van deze bijlage.
|
|
BIJLAGE IV
|
BIJLAGE IV
Essentiële eisen voor vliegtuigbemanningen
1. PILOTENOPLEIDING
1.1. Algemeen
Een persoon die wordt opgeleid om een luchtvaartuig te besturen moet in educatief, lichamelijk en mentaal opzicht voldoende zijn ontwikkeld om de relevante theoretische kennis en praktische vaardigheden te kunnen opdoen, onderhouden en aantonen.
1.2. Theoretische kennis
Een piloot moet een kennisniveau bereiken en onderhouden dat passend is voor de in het luchtvaartuig uit te voeren taken en dat in verhouding staat tot de risico's die verbonden zijn aan het type activiteit. Dergelijke kennis omvat ten minste het volgende:
b)
algemene kennis inzake luchtvaartuigen;
c)
technische zaken die verband houden met de betreffende categorie van luchtvaartuigen;
d)
vluchtprestaties en -planning;
e)
menselijke prestaties en beperkingen;
h)
operationele procedures, inclusief middelenbeheer;
k)
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van het herkennen en beheersen van bedreigingen en fouten.
1.3. Aantonen en onderhouden van theoretische kennis
|
1.3.1.
|
Het opdoen en onderhouden van theoretische kennis moet worden aangetoond aan de hand van voortdurende evaluaties tijdens de opleiding en, waar van toepassing, door middel van examens.
|
|
1.3.2.
|
Er moet een passend niveau van bekwaamheid in theoretische kennis worden gehandhaafd. De overeenstemming met deze eis wordt aangetoond door middel van regelmatige evaluaties, examens, tests of controles. De regelmaat waarmee deze examens, tests of controles worden uitgevoerd, moet in verhouding staan tot het risiconiveau van de activiteit.
|
1.4. Praktische vaardigheden
Een piloot moet de praktische vaardigheden verwerven en onderhouden die passend zijn voor zijn taken in het luchtvaartuig. Dergelijke vaardigheden moeten in verhouding staan tot de risico's die verbonden zijn met het type activiteit en moeten, naargelang de taken die in het luchtvaartuig worden uitgevoerd, het volgende omvatten:
a)
activiteiten vóór en tijdens de vlucht, waaronder bepaling van prestaties van het luchtvaartuig, bepaling van massa en zwaartepunt, inspectie en onderhoud van het luchtvaartuig, brandstof-/energieplanning, weerkundige beoordeling, routeplanning, luchtruimbeperkingen en beschikbaarheid van start- en landingsbanen;
b)
bewegingen op het luchtvaartterrein en in het circuit;
c)
voorzorgsmaatregelen en procedures ter voorkoming van botsingen;
d)
controle van het luchtvaartuig door middel van externe visuele referentie;
e)
vliegmanoeuvres, ook in kritieke situaties, en bijbehorende herstelmanoeuvres, voor zover technisch uitvoerbaar;
f)
normale en zijwindse start en landing;
g)
vliegen op uitsluitend instrumenten, naargelang het type activiteit;
h)
operationele procedures, waaronder teamvaardigheden en middelenbeheer, naargelang het type vluchtuitvoering, met een- of meerpersoonsbemanning;
i)
navigatie en toepassing van luchtvaartvoorschriften en bijbehorende procedures, met gebruik van, voor zover van toepassing, visuele referentie- of navigatiehulpmiddelen;
j)
abnormale en noodhandelingen, ook naar aanleiding van gesimuleerde defecten aan de apparatuur van het luchtvaartuig;
k)
samenwerking met luchtverkeersdiensten en naleving van communicatieprocedures;
l)
aspecten die specifiek zijn voor het type luchtvaartuig of de klasse luchtvaartuigen;
m)
aanvullende training in praktische vaardigheden die vereist kunnen zijn om de risico's in verband met specifieke activiteiten te verkleinen, en
n)
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van het herkennen en beheersen van bedreigingen en fouten, met gebruikmaking van een goede beoordelingsmethode in samenhang met de beoordeling van de technische vaardigheden.
1.5. Aantonen en onderhouden van praktische vaardigheden
|
1.5.1.
|
Een piloot moet aantonen dat hij in staat is de procedures en manoeuvres uit te voeren met een mate van bekwaamheid die passend is voor de taken die in het luchtvaartuig worden uitgeoefend, door:
a)
vluchten uit te voeren binnen de beperkingen van het luchtvaartuig;
b)
blijk te geven van goed inzicht en vliegerschap;
c)
luchtvaartkundige kennis toe te passen;
d)
te allen tijde het luchtvaartuig onder controle te houden zodat de succesvolle afloop van een procedure of manoeuvre is verzekerd, en
e)
niet-technische vaardigheden, met inbegrip van het herkennen en beheersen van bedreigingen en fouten, met gebruikmaking van een goede beoordelingsmethode in samenhang met de beoordeling van de technische vaardigheden.
|
|
1.5.2.
|
Er moet een passend niveau van bekwaamheid in praktische vaardigheden worden gehandhaafd. De overeenstemming met deze eis wordt aangetoond door middel van regelmatige evaluaties, examens, tests of controles. De regelmaat waarmee deze examens, tests of controles worden uitgevoerd, moet in verhouding staan tot het risiconiveau van de activiteit.
|
1.6. Taalvaardigheid
Een piloot moet over de taalvaardigheid beschikken die passend is voor de taken die in het luchtvaartuig worden uitgeoefend. Deze vaardigheid houdt in dat de piloot in staat is om:
a)
documenten met weerkundige informatie te begrijpen;
b)
luchtvaartkundige routekaarten, vertrek- en aankomstkaarten en bijbehorende documenten met luchtvaartinlichtingen te gebruiken, en
c)
tijdens alle fasen van de vlucht, ook tijdens de voorbereiding, te communiceren met andere leden van het cockpitpersoneel en met luchtvaartnavigatiediensten in de taal die wordt gebruikt voor radiocommunicatie tijdens de vlucht.
1.7. Vluchtnabootsingsinstrument
Indien een vluchtnabootsingsinstrument (FSTD) wordt gebruikt voor opleidingsdoeleinden, of om aan te tonen dat een piloot praktische vaardigheden heeft verworven of behouden, moet dat FSTD geschikt zijn voor een bepaald prestatieniveau op de gebieden die van belang zijn voor de uitvoering van de betreffende taak. Met name de nabootsing van de configuratie, besturingseigenschappen, prestaties van het luchtvaartuig en het gedrag van het boordsysteem moet in voldoende mate overeenkomen met die van het luchtvaartuig.
1.8. Opleidingscursus
|
1.8.1.
|
Opleiding moet worden verzorgd door middel van een cursus.
|
|
1.8.2.
|
Een opleidingscursus moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
voor ieder type cursus moet een syllabus worden opgesteld, en
b)
de opleidingscursus moet zijn onderverdeeld in theoretische kennis en praktische vlieginstructie (o.a. training met een synthetisch opleidingstoestel), voor zover van toepassing.
|
1.9. Instructeurs
1.9.1. Theoretische instructie
Theoretische instructie moet worden gegeven door naar behoren gekwalificeerde instructeurs. Zij moeten:
a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij opleiding geven, en
b)
in staat zijn passende instructietechnieken te gebruiken.
1.9.2. Vlieginstructie en instructie vluchtnabootsing
Vlieginstructie en instructie vluchtnabootsing moeten worden gegeven door passend gekwalificeerde instructeurs, die meer bepaald:
a)
voldoen aan de eisen op het vlak van theoretische kennis en ervaring die nodig zijn voor de instructies die worden gegeven;
b)
in staat zijn passende instructietechnieken te gebruiken;
c)
geoefend zijn in de instructietechnieken voor de vliegmanoeuvres en -procedures waarop de vlieginstructie gericht is;
d)
hebben aangetoond in staat te zijn instructie te geven op de terreinen waarvoor vlieginstructie wordt gegeven, zoals instructie met betrekking tot de handelingen en procedures vóór de vlucht, na de vlucht en op de grond, en
e)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen dat de instructienormen worden onderhouden en geactualiseerd.
Vlieginstructeurs die opleidingen voor luchtvaartuigen geven, moeten ook bevoegd zijn om als gezagvoerder op te treden in het luchtvaartuig waarvoor ze instructie geven, tenzij het gaat om een training voor een nieuw type luchtvaartuig.
1.10. Examinatoren
Personen die belast zijn met de beoordeling van de vaardigheid van piloten moeten:
a)
voldoen aan de eisen die worden gesteld aan vlieginstructeurs of instructeurs vluchtnabootsing, en
b)
het vermogen hebben om de prestaties van een piloot te beoordelen en vluchttests en -controles uit te voeren.
2. ERVARINGSEISEN — PILOTEN
Iemand die als lid van de cockpitbemanning instructeur of examinator optreedt moet voldoende ervaring voor de uitgeoefende functies verwerven en onderhouden, tenzij de op basis van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen voorschrijven dat bekwaamheid moet worden aangetoond overeenkomstig punt 1.5.
3. MEDISCHE GESCHIKTHEID — PILOTEN
3.1. Medische criteria
|
3.1.1.
|
Iedere piloot moet op periodieke basis aantonen dat hij medisch geschikt is om zijn taken te kunnen uitvoeren, rekening houdend met het type activiteit. Naleving van deze eis moet worden aangetoond door middel van een passende beoordeling welke is gebaseerd op beste praktijken uit de luchtvaartgeneeskunde en waarbij rekening wordt gehouden met het type activiteit en met eventuele negatieve mentale en lichamelijke gevolgen van het ouder worden.
Onder medische geschiktheid, waaronder zowel lichamelijke als mentale geschiktheid begrepen is, wordt verstaan dat de piloot geen aandoening of handicap heeft die het hem onmogelijk maakt:
a)
de taken uit te voeren die nodig zijn om een luchtvaartuig te besturen;
b)
op ieder moment de hem toegewezen taken uit te voeren, of
c)
zijn omgeving correct te interpreteren.
|
|
3.1.2.
|
Indien de medische geschiktheid niet volledig is aangetoond, kunnen corrigerende maatregelen worden toegepast die een gelijkwaardig niveau van vluchtveiligheid waarborgen.
|
3.2. Luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen
Een luchtvaartgeneeskundig keuringsarts moet:
a)
over kwalificaties en vergunningen beschikken voor het uitoefenen van de geneeskunde;
b)
onderwijs in de luchtvaartgeneeskunde hebben genoten en opfriscursussen in de luchtvaartgeneeskunde hebben gevolgd om te waarborgen dat de normen voor beoordeling up-to-date blijven, en
c)
praktijkkennis en -ervaring hebben opgedaan omtrent de omstandigheden waarin piloten hun taken uitoefenen.
3.3. Luchtvaartgeneeskundige centra
Luchtvaartgeneeskundige centra moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
ze moeten beschikken over alle middelen om te kunnen voldoen aan de verantwoordelijkheden die aan hun rechten zijn verbonden. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, apparatuur, instrumenten en materiaal, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en gegevensbeheer;
b)
naargelang het type van activiteiten en de grootte van de organisatie, een beheersysteem toepassen dat garandeert dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem, en
c)
regelingen met andere bevoegde organisaties treffen, voor zover relevant, om de blijvende naleving van deze eisen te waarborgen.
4. CABINEPERSONEELSLEDEN
4.1. Algemeen
Cabinepersoneelsleden moeten:
a)
worden opgeleid en met regelmatige tussenpozen gecontroleerd om een passend bekwaamheidsniveau te bereiken en te onderhouden, teneinde de hun toegewezen veiligheidstaken te kunnen vervullen, en
b)
met regelmatige tussenpozen worden beoordeeld op medische geschiktheid, teneinde de hun toegewezen veiligheidstaken veilig te kunnen vervullen. Naleving moet worden aangetoond door middel van passende beoordeling op basis van de beste luchtvaartgeneeskundige praktijken.
4.2. Opleidingscursus
|
4.2.1.
|
Wanneer dit passend is voor het type activiteit of bevoegdheden, moet een opleidingscursus worden georganiseerd.
|
|
4.2.2.
|
Een opleidingscursus moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
voor ieder type cursus moet een syllabus worden opgesteld, en
b)
de opleidingscursus moet zijn onderverdeeld in theoretische kennis en praktische vlieginstructie (o.a. training met een artificieel trainingshulpmiddel), voor zover van toepassing.
|
4.3. Instructeurs van cabinepersoneelsleden
Instructie moet worden gegeven door naar behoren gekwalificeerde instructeurs. Deze instructeurs moeten:
a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij opleiding geven;
b)
in staat zijn passende instructietechnieken te gebruiken, en
c)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen dat de instructienormen actueel blijven.
4.4. Examinatoren van cabinepersoneelsleden
Personen die verantwoordelijk zijn voor het examineren van cabinepersoneelsleden moeten:
a)
Voldoen aan de eisen voor instructeurs van cabinepersoneelsleden, en
b)
in staat zijn de prestaties van cabinepersoneelsleden te beoordelen en examens uit te voeren.
5. OPLEIDINGSORGANISATIES
Een opleidingsorganisatie die pilotenopleidingen of opleidingen voor cabinepersoneel verzorgt, moet aan de volgende eisen voldoen:
a)
ze moet beschikken over alle middelen die nodig zijn voor de verantwoordelijkheden die verbonden zijn met haar activiteit. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, apparatuur, instrumenten en materiaal, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en een gegevensbeheer;
b)
naargelang de verstrekte opleiding en de grootte van de organisatie moet de organisatie een beheersysteem toepassen om naleving van de essentiële eisen van deze bijlage te waarborgen, de veiligheidsrisico's beheren, waaronder risico's die samenhangen met de verslechtering van de trainingsstandaard, en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem, en
c)
voor zover nodig regelingen met andere relevante organisaties treffen, teneinde de blijvende naleving van die eisen te waarborgen.
|
|
BIJLAGE V
|
BIJLAGE V
Essentiële eisen met betrekking tot vluchtuitvoering
1. ALGEMEEN
|
1.1.
|
Een vlucht mag niet worden uitgevoerd indien de bemanningsleden en alle eventuele andere bij de voorbereiding en uitvoering betrokken leden van het vluchtuitvoeringspersoneel niet bekend zijn met de voor de uitoefening van hun taken toepasselijke wetten, bepalingen en procedures die gelden in het luchtruim waarin zal worden gevlogen, op de luchtvaartterreinen waarvan gebruik zal worden gemaakt, en met betrekking tot de luchtvaartnavigatiefaciliteiten die hiermee verband houden.
|
|
1.2.
|
Een vlucht moet op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de vluchtuitvoeringsprocedures vermeld in het vlieghandboek of, eventueel, het vluchthandboek, voor de voorbereiding en uitvoering van de vlucht worden gevolgd.
|
|
1.3.
|
Vóór iedere vlucht moeten de taken en verantwoordelijkheden van ieder bemanningslid worden bepaald. De gezagvoerder moet verantwoordelijk zijn voor de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig en voor de veiligheid van alle bemanningsleden, passagiers en vracht aan boord.
|
|
1.4.
|
Artikelen of stoffen die mogelijkerwijs een significant risico voor de gezondheid, veiligheid, eigendommen of het milieu opleveren, zoals gevaarlijke goederen, wapens en munitie, mogen door geen enkel luchtvaartuig worden vervoerd, tenzij er specifieke veiligheidsprocedures en -instructies worden toegepast om de bijbehorende risico's te verminderen.
|
|
1.5.
|
Alle noodzakelijke gegevens, documenten, verslagen en informatie waaruit blijkt dat aan de in punt 5.3 vermelde voorwaarden is voldaan, moeten voor iedere vlucht worden bewaard en beschikbaar blijven en worden beschermd tegen ongeoorloofde wijziging voor een minimumperiode die in overeenstemming is met het type vluchtuitvoering.
|
2. VLUCHTVOORBEREIDING
Een vlucht mag pas worden aangevangen nadat met redelijke middelen is nagegaan of aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
Bij de uitvoering van de vlucht moeten passende voorzieningen die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de vlucht en voor een veilig gebruik van het luchtvaartuig beschikbaar zijn, waaronder communicatievoorzieningen en navigatiehulpmiddelen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met beschikbare gegevens van luchtvaartinlichtingendiensten;
b)
De bemanning moet bekend zijn met, en de passagiers moeten op de hoogte worden gesteld van, de locatie en het gebruik van de relevante noodapparatuur. Bemanning en passagiers dienen voldoende specifieke informatie te krijgen over de noodprocedures en het gebruik van veiligheidsuitrusting in de cabine;
c)
De gezagvoerder moet ervan overtuigd zijn dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
i)
het luchtvaartuig is luchtwaardig, zoals vermeld in punt 6;
ii)
het luchtvaartuig is, voor zover vereist, op de juiste wijze geregistreerd en de toepasselijke certificaten in verband hiermee bevinden zich aan boord van het luchtvaartuig;
iii)
de in punt 5 vermelde instrumenten en uitrusting, welke vereist zijn voor de uitvoering van de vlucht in kwestie, zijn in het luchtvaartuig geïnstalleerd en operationeel, tenzij uit hoofde van de toepasselijke MEL of een gelijkwaardig document ontheffing van de betreffende eis is verleend;
iv)
de massa en de zwaartepuntlocatie van het luchtvaartuig zijn zodanig dat de vlucht kan worden uitgevoerd binnen de in de luchtwaardigheidsdocumentatie voorgeschreven limieten;
v)
alle handbagage, ruimbagage en vracht zijn op passende wijze geladen en vastgezet, en
vi)
de beperkingen voor vluchtuitvoering met het luchtvaartuig, als vermeld in punt 4, zullen op geen enkel moment tijdens de vlucht worden overschreden;
d)
Het cockpitpersoneel moet over informatie beschikken met betrekking tot de meteorologische omstandigheden op het luchtvaartterrein van vertrek, van bestemming en, voor zover van toepassing, op uitwijkluchtvaartterreinen, en met betrekking tot de omstandigheden en-route. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan mogelijk gevaarlijke atmosferische omstandigheden;
e)
Er moeten passende beschermingsmaatregelen en noodplannen beschikbaar zijn om mogelijk gevaarlijke atmosferische omstandigheden tijdens de vlucht het hoofd te bieden;
f)
Voor vluchten waarbij op basis van zichtvliegvoorschriften wordt gevlogen, moeten de meteorologische omstandigheden op de vliegroute zodanig zijn dat deze zichtvliegvoorschriften nageleefd kunnen worden. Voor vluchten waarbij op basis van instrumentvliegvoorschriften wordt gevlogen, moet van tevoren een luchtvaartterrein van bestemming en, voor zover van toepassing, een of meer uitwijkluchtvaartterreinen worden gekozen, met name rekening houdend met de voorspelde meteorologische omstandigheden, de beschikbaarheid van luchtvaartnavigatiediensten en grondfaciliteiten, en de procedures voor instrumentvluchten die zijn goedgekeurd door de staat waarin het luchtvaartterrein van bestemming en/of het uitwijkluchtvaartterrein is gelegen;
g)
Er moeten voldoende brandstof/energie en verbruiksgoederen aan boord zijn om te waarborgen dat de voorgenomen vlucht veilig kan worden voltooid, rekening houdend met de meteorologische omstandigheden, iedere mogelijke factor die de prestaties van het luchtvaartuig kan beïnvloeden en eventuele vertragingen die worden verwacht tijdens de vlucht. Daarnaast moet een reservevoorraad brandstof/energie worden meegenomen om het hoofd te kunnen bieden aan noodsituaties. Indien nodig moeten procedures voor brandstof-/energiebeheer tijdens de vlucht worden vastgelegd.
3. VLUCHTUITVOERINGEN
Met betrekking tot vluchtuitvoeringen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
a)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moet ieder bemanningslid tijdens de start en de landing en wanneer de gezagvoerder dit noodzakelijk acht in het belang van de veiligheid, gezeten zijn op de aan zijn functie verbonden plaats en moet hij gebruikmaken van het aanwezige beveiligingssysteem;
b)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moeten alle leden van het cockpitpersoneel die cockpitdienst hebben met vastgegespte veiligheidsgordels op hun post zijn en blijven, tenzij zij tijdens de vlucht hun post vanwege fysieke of operationele behoeften moeten verlaten;
c)
Indien van belang voor het betreffende type luchtvaartuig, moet de gezagvoerder tijdens start en landing, tijdens het taxiën en wanneer hij dit nodig acht in het belang van de veiligheid, ervoor zorgen dat iedere passagier naar behoren gezeten en vastgemaakt is;
d)
Een vlucht moet op zodanige wijze worden uitgevoerd dat op ieder moment van de vlucht voldoende separatie met andere luchtvaartuigen in acht wordt genomen en dat voldoende afstand tot obstakels wordt gehouden. Deze separatie moet ten minste voldoen aan de eisen voor het type vluchtuitvoering die zijn vastgesteld in de toepasselijke luchtverkeersregels;
e)
Een vlucht mag alleen worden voortgezet indien de omstandigheden zoals deze bekend zijn, ten minste gelijkwaardig blijven aan de omstandigheden vermeld in punt 2. Daarnaast mag bij een vlucht op basis van instrumentvliegvoorschriften de afdaling in de richting van een luchtvaartterrein alleen onder een bepaalde vastgelegde hoogte of voorbij een bepaalde positie worden voortgezet wanneer aan bepaalde voorgeschreven criteria met betrekking tot het zicht is voldaan;
f)
In een noodsituatie moet de gezagvoerder ervoor zorgen dat alle passagiers instructies krijgen voor het uitvoeren van de noodhandelingen die onder de omstandigheden geboden zijn;
g)
De gezagvoerder moet alle nodige maatregelen nemen om de gevolgen van storend gedrag van passagiers voor de vlucht tot een minimum te beperken;
h)
Een luchtvaartuig mag uitsluitend worden getaxied in de verkeerszone van een luchtvaartterrein, of de rotor mag uitsluitend op motorkracht worden ingeschakeld, indien de persoon die het luchtvaartuig bedient hiervoor voldoende bekwaam is;
i)
Indien nodig, moeten de toepasselijke procedures voor brandstof-/energiebeheer tijdens de vlucht worden toegepast.
4. PRESTATIES VAN LUCHTVAARTUIGEN EN VLUCHTUITVOERINGSBEPERKINGEN
|
4.1.
|
Een luchtvaartuig moet worden bediend in overeenstemming met de luchtwaardigheidsdocumenten en alle bijbehorende operationele procedures en beperkingen die zijn vermeld in het goedgekeurde vlieghandboek of in gelijkwaardige documentatie, naargelang de situatie. De bemanning moet het vlieghandboek of de gelijkwaardige documentatie tot haar beschikking hebben en deze moeten voor ieder luchtvaartuig geactualiseerd zijn.
|
|
4.2.
|
Onverminderd punt 4.1 mag voor vluchtuitvoeringen met helikopters een korte vlucht voorbij de HV-curve worden overschreden, voor zover de veiligheid gewaarborgd is.
|
|
4.3.
|
Het luchtvaartuig moet in overeenstemming met de toepasselijke milieudocumentatie worden bediend.
|
|
4.4.
|
Een vlucht mag uitsluitend worden aangevangen of voortgezet wanneer de voorziene prestaties van het luchtvaartuig, rekening houdende met alle factoren die een wezenlijke invloed hebben op het prestatieniveau van het luchtvaartuig, het mogelijk maken om, met de geplande operationele massa, alle vluchtfasen uit te voeren binnen de toepasselijke afstanden/zones en met de minimale hindernisvrije hoogte. Met name de volgende prestatiefactoren zijn van invloed op de start, vlucht en nadering/landing:
a)
vluchtuitvoeringsprocedures;
b)
drukhoogte op het luchtvaartterrein;
c)
weersomstandigheden (temperatuur, wind, neerslag en zichtbereik);
d)
afmeting, helling en staat van de start-/landingszone, en
e)
de staat van het luchtframe, de krachtbron en de systemen, rekening houdend met mogelijke achteruitgang.
|
|
4.5.
|
Met dergelijke factoren moet rekening worden gehouden, hetzij direct als operationele parameters, hetzij indirect door middel van toelatingen of marges, die kunnen worden vermeld in de programmering van prestatiegegevens, naargelang het type vluchtuitvoering.
|
5. INSTRUMENTEN, GEGEVENS EN APPARATUUR
|
5.1.
|
Een luchtvaartuig moet zijn uitgerust met alle navigatie-, communicatie- en overige uitrusting die nodig is voor de voorgenomen vlucht, rekening houdend met de luchtverkeersreglementen en -regels die van toepassing zijn tijdens iedere fase van de vlucht.
|
|
5.2.
|
Voor zover relevant moet een luchtvaartuig voorzien zijn van alle nodige medische, veiligheids-, evacuatie- en overlevingsuitrusting, rekening houdende met de risico's die verbonden zijn met de vluchtuitvoeringsgebieden, de routes die gevlogen worden, de vluchthoogte en de duur van de vlucht.
|
|
5.3.
|
Alle noodzakelijke gegevens voor de uitvoering van de vlucht door de bemanning moeten zijn geactualiseerd en beschikbaar zijn aan boord van het luchtvaartuig, rekening houdend met de toepasselijke luchtverkeersbepalingen en -regels, vluchthoogten en vluchtuitvoeringsgebieden.
|
6. PERMANENTE LUCHTWAARDIGHEID EN MILIEUVERENIGBAARHEID VAN PRODUCTEN
|
6.1.
|
Het luchtvaartuig mag uitsluitend worden gebruikt indien:
a)
het luchtvaartuig luchtwaardig is en zich in een staat bevindt tot het uitvoeren van een veilige en milieuverenigbare vluchtuitvoering;
b)
de operationele en nooduitrusting die nodig is voor de voorgenomen vlucht, in bruikbare toestand verkeert;
c)
het bewijs van luchtwaardigheid en, indien van toepassing, het geluidscertificaat van het luchtvaartuig geldig zijn, en
d)
het onderhoud van het luchtvaartuig is uitgevoerd in overeenstemming is met de toepasselijke eisen.
|
|
6.2.
|
Vóór iedere vlucht of reeks opeenvolgende vluchten moet het luchtvaartuig worden geïnspecteerd (aan de vlucht voorafgaande inspectie) om te bepalen of het geschikt is voor de voorgenomen vlucht.
|
|
6.3.
|
Het luchtvaartuig mag uitsluitend worden gebruikt indien het voor gebruik is vrijgegeven door gekwalificeerde personen of organisaties, na onderhoud. Bij het luchtwaardig verklaren, na ondertekening, van een luchtvaartuig moeten met name de belangrijkste gegevens omtrent het uitgevoerde onderhoud worden vermeld.
|
|
6.4.
|
Gegevens die nodig zijn om de luchtwaardigheid en milieuverenigbaarheid van het luchtvaartuig aan te tonen, moeten worden bijgehouden en beschermd tegen ongeoorloofde wijziging gedurende de periode die overeenstemt met de van toepassing zijnde eisen inzake permanente luchtwaardigheid, totdat de informatie wordt vervangen door nieuwe informatie die gelijkwaardig is qua reikwijdte en gedetailleerdheid, maar in geen geval minder dan 24 maanden.
|
|
6.5.
|
Alle wijzigingen en reparaties moeten in overeenstemming zijn met de essentiële eisen voor luchtwaardigheid en, indien van toepassing, de milieuverenigbaarheid van producten. De gegevens waarmee wordt aangetoond dat producten beantwoorden aan de eisen inzake luchtwaardigheid en milieuverenigbaarheid, moeten worden bijgehouden en beschermd tegen ongeoorloofde wijziging.
|
|
6.6.
|
Het is de verantwoordelijkheid van de luchtvaartuigexploitant om ervoor te zorgen dat een derde partij die onderhoud uitvoert, voldoet aan de eisen van de exploitant inzake veiligheid en beveiliging.
|
7. BEMANNINGSLEDEN
|
7.1.
|
De grootte en de samenstelling van de bemanning dienen te worden bepaald op basis van de volgende factoren:
a)
de in de certificering vastgelegde beperkingen van het luchtvaartuig, met inbegrip van de eventuele toepasselijke noodevacuatiedemonstratie;
b)
de configuratie van het luchtvaartuig, en
c)
het type en de duur van de vluchtuitvoeringen.
|
|
7.2.
|
De gezagvoerder moet over het gezag beschikken om alle bevelen te geven en iedere gepaste maatregel te nemen teneinde de vluchtuitvoering veilig te stellen en de veiligheid van het luchtvaartuig en van de personen en/of eigendommen die erin worden vervoerd te waarborgen.
|
|
7.3.
|
In een noodsituatie, waarbij de vluchtuitvoering of de veiligheid van het luchtvaartuig en/of de personen aan boord in gevaar komen, moet de gezagvoerder alle maatregelen nemen die hij/zij noodzakelijk acht in het belang van de veiligheid. Indien een dergelijke maatregel een schending van de plaatselijke regelgeving of procedures inhoudt, is het de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder om de bevoegde plaatselijke autoriteit hiervan onverwijld op de hoogte te brengen.
|
|
7.4.
|
Onverminderd punt 8.12 mogen, wanneer andere personen aan boord worden vervoerd, noodsituaties of abnormale situaties uitsluitend worden nagebootst indien deze personen naar behoren zijn geïnformeerd en zich vóór het instappen bewust zijn van de daarmee verbonden risico's.
|
|
7.5.
|
Geen enkel bemanningslid mag zijn vermogen tot het uitvoeren van zijn taken of het nemen van beslissingen, als gevolg van vermoeidheid, rekening houdend met onder meer opgebouwde vermoeidheid, slaaptekort, het aantal uitgevoerde vluchten, nachtdiensten of tijdzonewisselingen, dermate laten verslechteren dat de veiligheid van de vlucht in gevaar komt. De rustperioden moeten de bemanningsleden voldoende tijd verschaffen om de effecten van de voorafgaande dienst te overwinnen en goed uitgerust aan de volgende vluchtdienstperiode te kunnen beginnen.
|
|
7.6.
|
Een bemanningslid mag geen toegewezen taken aan boord van een luchtvaartuig uitvoeren wanneer hij/zij onder invloed is van psychoactieve stoffen of alcohol, of wanneer hij/zij niet in staat is deze taken uit te voeren als gevolg van letsel, vermoeidheid, medicatie, ziekte of andere soortgelijke oorzaken.
|
8. AANVULLENDE EISEN VOOR COMMERCIEEL LUCHTVERVOER EN ANDERE VLUCHTUITVOERINGEN WAARVOOR EEN CERTIFICAAT OF VERKLARING VEREIST IS, UITGEVOERD MET VLIEGTUIGEN, HELIKOPTERS OF LUCHTVAARTUIGEN MET KANTELROTOR(EN)
|
8.1.
|
Er mogen geen vluchten worden uitgevoerd tenzij aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
a)
de luchtvaartuigexploitant moet rechtstreeks of via overeenkomsten met derden beschikken over de middelen die nodig zijn gezien de schaal en het toepassingsgebied van de vluchtuitvoeringen. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen: luchtvaartuigen, faciliteiten, managementstructuur, personeel, apparatuur, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en een registratiesysteem;
b)
de luchtvaartuigexploitant mag uitsluitend gebruikmaken van voldoende gekwalificeerd en opgeleid personeel en moet voor de bemanningsleden en ander relevant personeel opleidings- en controleprogramma's verzorgen en onderhouden die nodig zijn om hun certificaten, bevoegdverklaringen en kwalificaties actueel te houden.
c)
naargelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet de luchtvaartuigexploitant een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, alsmede de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem;
d)
de luchtvaartuigexploitant moet een systeem voor het melden van voorvallen invoeren, als onderdeel van het onder c) bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor het melden van voorvallen moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.
|
|
8.2.
|
De vluchtuitvoering mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met een vluchthandboek van de luchtvaartuigexploitant. Een dergelijk handboek moet voor alle luchtvaartuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd alle nodige instructies, informatie en procedures bevatten die het vluchtuitvoeringspersoneel nodig heeft om zijn taken te kunnen uitoefenen. Beperkingen met betrekking tot vluchttijden, vluchtdiensttijden en rusttijden voor bemanningsleden dienen hierin te zijn vastgelegd. Het vluchthandboek en eventuele herzieningen ervan moeten in overeenstemming zijn met het goedgekeurde vlieghandboek en indien nodig worden aangepast.
|
|
8.3.
|
Voor zover van toepassing voert de luchtvaartuigexploitant procedures in om de gevolgen van storend gedrag van passagiers voor de veiligheid van de vlucht tot een minimum te beperken.
|
|
8.4.
|
De luchtvaartuigexploitant moet beveiligingsprogramma's opstellen en aanhouden die zijn aangepast aan het luchtvaartuig en aan het soort vluchtuitvoering en die met name betrekking hebben op:
a)
beveiliging van de cockpit;
b)
controlelijst voor het doorzoeken van luchtvaartuigen;
c)
opleidingsprogramma's, en
d)
bescherming van elektronische systemen en computersystemen tegen opzettelijke en onopzettelijke storing en misbruik.
|
|
8.5.
|
Indien beveiligingsmaatregelen de veiligheid van de vluchtuitvoering negatief kunnen beïnvloeden, moeten de risico's worden beoordeeld en moeten gepaste procedures worden opgesteld om de veiligheidsrisico's te beperken; het is mogelijk dat hiervoor gespecialiseerde apparatuur nodig is.
|
|
8.6.
|
De luchtvaartuigexploitant moet één piloot van het cockpitpersoneel aanwijzen als gezagvoerder.
|
|
8.7.
|
Vermoeidheid moet worden voorkomen door middel van een systeem voor vermoeidheidsbeheer. Voor een vlucht of een reeks vluchten dient een dergelijk systeem rekening te houden met de vluchttijd, vluchtdiensttijden, taken, en aangepaste rusttijden. De binnen het systeem voor vermoeidheidsbeheer gestelde limieten moeten rekening houden met alle relevante factoren die bijdragen aan vermoeidheid, zoals met name het aantal uitgevoerde vluchten, het reizen tussen verschillende tijdzones, slaaptekort, ontregeling van het dagritme, nachtdiensten, positie, totale (cumulatieve) diensttijd gedurende een bepaalde periode, verdeling van toegewezen taken onder bemanningsleden, en het feit of al dan niet gebruik wordt gemaakt van een uitgebreide bemanning.
|
|
8.8.
|
De luchtvaartuigexploitant dient ervoor te zorgen dat de in de punten 6.1, 6.4 en 6.5 vermelde taken worden gecontroleerd door een organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van de permanente luchtwaardigheid en die moet voldoen aan de eisen van bijlage II, punt 3.1, en bijlage III, punten 7 en 8.
|
|
8.9.
|
De luchtvaartuigexploitant dient ervoor te zorgen dat het krachten punt 6.3 vereiste certificaat van vrijgave voor gebruik wordt afgegeven door een organisatie die gekwalificeerd is voor het onderhoud van producten, onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur. Deze organisatie moet voldoen aan de eisen van bijlage II, punt 3.1.
|
|
8.10.
|
De in punt 8.8 bedoelde organisatie moet een organisatiehandboek opstellen dat, voor het gebruik door en de begeleiding van het betrokken personeel, een beschrijving bevat van alle procedures van de organisatie met betrekking tot permanente luchtwaardigheid.
|
|
8.11.
|
Er dient een systeem van controlelijsten beschikbaar te zijn voor gebruik, naargelang het geval, door bemanningsleden in alle fasen van de vluchtuitvoering met het luchtvaartuig in normale, abnormale en noodomstandigheden en -situaties. Voor iedere redelijkerwijs voorzienbare noodsituatie moeten procedures worden vastgelegd.
|
|
8.12.
|
Noodsituaties of abnormale situaties mogen niet worden nagebootst wanneer er passagiers of vracht worden vervoerd.
|
|
|
BIJLAGE VI
|
BIJLAGE VI
Essentiële eisen voor gekwalificeerde instanties
1. De gekwalificeerde instantie, de directeur ervan en het met de uitvoering van de certificerings- en toezichtstaken belaste personeel mogen, noch rechtstreeks, noch als gemachtigd vertegenwoordiger, worden betrokken bij het ontwerpen, produceren, verkopen of onderhouden van de producten, onderdelen, niet-geïnstalleerde apparatuur, componenten of systemen, noch bij de exploitatie of het gebruik ervan of de diensten die ermee worden verleend. Uitwisseling van technische informatie tussen de betrokken organisaties en de instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
De eerste alinea verhindert niet dat een organisatie die is opgezet met het oog op het bevorderen van de vliegsport of recreatieve luchtvaart in aanmerking komt voor accreditering als gekwalificeerde instantie, op voorwaarde dat zij tot tevredenheid van de accrediterende autoriteit aantoont dat zij passende regelingen heeft getroffen om belangenconflicten te voorkomen.
2. De gekwalificeerde instantie en het met de uitvoering van de certificerings- en toezichtstaken belaste personeel moeten hun taken met de grootst mogelijke beroepsintegriteit en technische bekwaamheid uitvoeren; zij dienen vrij te zijn van elke vorm van druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling en besluiten of de uitkomst van hun certificerings- en toezichtstaken kunnen beïnvloeden, met name door personen of groepen die betrokken zijn bij de resultaten van deze werkzaamheden.
3. De gekwalificeerde instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen om de met de uitvoering van het certificerings- en toezichtsproces verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor uitzonderlijke controles.
4. De gekwalificeerde instantie en het met onderzoek belaste personeel moeten:
a)
een goede technische en beroepsopleiding hebben genoten, of voldoende kennis of ervaring hebben opgedaan bij relevante activiteiten;
b)
voldoende kennis bezitten van de voorschriften betreffende de certificerings- en toezichtstaken die zij uitvoeren en voldoende ervaring met die taken hebben;
c)
de vereiste bekwaamheid hebben voor het opstellen van verklaringen, dossiers en rapporten die aantonen dat de certificerings- en toezichtstaken zijn uitgevoerd.
5. De onpartijdigheid van het personeel dat met de certificerings- en toezichtstaken is belast, moet worden gewaarborgd. De bezoldiging van dat personeel mag niet afhangen van het aantal onderzoeken dat het verricht, noch van de resultaten van die onderzoeken.
6. De gekwalificeerde instantie moet een aansprakelijkheidsverzekering afsluiten, tenzij haar aansprakelijkheid door een lidstaat overeenkomstig het nationale recht wordt gedragen.
7. De personeelsleden van de gekwalificeerde instantie dienen het beroepsgeheim te bewaren ten aanzien van alle informatie die hun ter kennis komt tijdens de uitvoering van hun taken op grond van deze verordening.
|
|
BIJLAGE VII
|
BIJLAGE VII
Essentiële eisen voor luchtvaartterreinen
1. FYSIEKE KENMERKEN, INFRASTRUCTUUR EN APPARATUUR
1.1. Bewegingsgebied
|
1.1.1.
|
Een luchtvaartterrein dient een daartoe aangewezen zone te hebben voor het starten en landen van luchtvaartuigen. Die zone moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
de start- en landingszone dient de juiste afmetingen en kenmerken te hebben voor de luchtvaartuigen waarvoor zij bestemd is;
b)
waar van toepassing dient de start- en landingszone voldoende draagvermogen te hebben voor een voortdurend gebruik door de daarvoor bestemde luchtvaartuigen. Zones die niet bestemd zijn voor voortdurend gebruik moeten enkel het gewicht van de luchtvaartuigen kunnen dragen;
c)
de start- en landingszone dient zodanig te zijn ontworpen dat water kan afvloeien, teneinde te voorkomen dat water dat blijft staan een onaanvaardbaar risico gaat vormen voor de vluchtuitvoering;
d)
de helling en veranderingen in de helling van de start- en landingszone mogen niet leiden tot onaanvaardbare risico's voor de vluchtuitvoering;
e)
de eigenschappen van het oppervlak van de start- en landingszone dienen geschikt te zijn voor gebruik door de daartoe bestemde luchtvaartuigen, en
f)
de start- en landingszone dient vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar risico kunnen opleveren voor de vluchtuitvoering.
|
|
1.1.2.
|
Wanneer er meerdere als zodanig aangewezen start- en landingszones zijn, dienen zij van dien aard te zijn dat zij geen onaanvaardbaar risico kunnen opleveren voor de vluchtuitvoering.
|
|
1.1.3.
|
De als zodanig aangewezen start- en landingszone dient omgeven te zijn door afgebakende zones. Deze zones zijn bedoeld om luchtvaartuigen te beschermen wanneer zij eroverheen vliegen tijdens de start of de landing, of om de gevolgen van te vroeg binnenkomen, van de baan af raken of te ver binnenkomen te beperken. Deze zones moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
a)
de afmetingen van deze zones moeten aangepast zijn aan de geplande vluchtuitvoeringen;
b)
de helling en veranderingen in de helling van deze zones mogen geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de vluchtuitvoering;
c)
de zones dienen vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar risico kunnen opleveren voor de vluchtuitvoering. Dit neemt niet weg dat breekbare apparatuur voor assistentie bij de vluchtuitvoering in die zone geplaatst mag worden, en
d)
elk van deze zones dient voldoende draagvermogen te hebben voor het beoogde doel.
|
|
1.1.4.
|
De zones van een luchtvaartterrein die bedoeld zijn voor het taxiën en parkeren van luchtvaartuigen, en hun onmiddellijke omgeving, dienen zodanig ontworpen te zijn dat onder alle voorziene omstandigheden veilige vluchtuitvoering mogelijk is met de luchtvaartuigen die geacht worden ervan gebruik te maken, en dienen te voldoen aan de volgende voorwaarden:
a)
zij dienen voldoende draagvermogen te hebben om het herhaaldelijk taxiën en parkeren van de daarvoor bestemde luchtvaartuigen aan te kunnen. De zones die enkel bedoeld zijn voor sporadisch gebruik, moeten enkel het gewicht van de luchtvaartuigen kunnen dragen;
b)
zij dienen zodanig ontworpen te zijn dat water kan afvloeien teneinde te voorkomen dat plassen een onaanvaardbaar risico vormen voor de vluchtuitvoering;
c)
de helling en veranderingen in de helling van deze zones mogen geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de vluchtuitvoering;
d)
de eigenschappen van het oppervlak van deze zones dienen geschikt te zijn voor gebruik door de daartoe bestemde luchtvaartuigen, en
e)
deze zones dienen vrij te zijn van objecten die een onaanvaardbaar risico kunnen opleveren voor luchtvaartuigen. Dit neemt niet weg dat parkeerapparatuur in specifiek daartoe aangewezen posities of gebieden van die zones mag worden geplaatst.
|
|
1.1.5.
|
Andere infrastructuur die bedoeld is voor gebruik door luchtvaartuigen, dient zodanig ontworpen te zijn dat zij geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de luchtvaartuigen die er gebruik van maken.
|
|
1.1.6.
|
Constructies, gebouwen, materieel of opslagterreinen dienen zodanig gesitueerd en ontworpen te zijn dat zij geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de vluchtuitvoering.
|
|
1.1.7.
|
Er moet worden gezorgd voor passende middelen om te voorkomen dat onbevoegde personen of voertuigen toegang krijgen tot het bewegingsgebied. Dit geldt ook voor dieren die zo groot zijn dat zij een onaanvaardbaar risico vormen voor de vluchtuitvoering, onverminderd nationale en internationale voorschriften inzake dierenbescherming.
|
1.2. Minimale hindernisvrije hoogte
|
1.2.1.
|
Ter bescherming van luchtvaartuigen die onderweg zijn naar een luchtvaartterrein om er te landen en van luchtvaartuigen die vertrekken van een luchtvaartterrein, dienen aankomst- en vertrekroutes of -zones te worden vastgesteld. Deze routes en zones zorgen ervoor dat luchtvaartuigen over de benodigde minimale hindernisvrije hoogte beschikken in het gebied rondom het luchtvaartterrein, waarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke fysieke kenmerken.
|
|
1.2.2.
|
Deze minimale hindernisvrije hoogte dient te zijn afgestemd op de vluchtfase en het type vluchtuitvoering. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de apparatuur die wordt gebruikt voor de positiebepaling van het luchtvaartuig.
|
1.3. Veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen, met inbegrip van visuele en niet-visuele hulpmiddelen
|
1.3.1.
|
Hulpmiddelen dienen geschikt te zijn voor het beoogde doel, herkenbaar te zijn en ondubbelzinnige informatie te geven aan gebruikers onder alle beoogde operationele omstandigheden.
|
|
1.3.2.
|
De veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen moet onder alle voorziene gebruiksomstandigheden de beoogde werking hebben. Zowel in normale gebruiksomstandigheden als in geval van een storing mag de veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de veiligheid van de luchtvaart.
|
|
1.3.3.
|
De hulpmiddelen en hun stroomvoorzieningssysteem moeten zodanig zijn ontworpen dat storingen niet leiden tot de overdracht van ongeschikte, misleidende of ontoereikende informatie aan gebruikers of tot de onderbreking van een essentiële dienst.
|
|
1.3.4.
|
Er dient te worden voorzien in geschikte beveiligingsmiddelen om schade aan of ontregeling van dergelijke hulpmiddelen te voorkomen.
|
|
1.3.5.
|
Stralingsbronnen en de eventuele aanwezigheid van beweeglijke of onbeweeglijke objecten mogen het functioneren van systemen voor luchtvaartcommunicatie, navigatie en radartoezicht niet verstoren of nadelig beïnvloeden.
|
|
1.3.6.
|
Aan de bevoegde medewerkers dient informatie ter beschikking te worden gesteld over het functioneren en het gebruik van de veiligheidsgerelateerde apparatuur van luchtvaartterreinen, met duidelijke vermelding van de omstandigheden die onaanvaardbare risico's voor de veiligheid van de luchtvaart opleveren.
|
1.4. Informatie over het luchtvaartterrein
|
1.4.1.
|
Relevante informatie over het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten dient te worden vastgelegd en geactualiseerd.
|
|
1.4.2.
|
De gegevens dienen nauwkeurig, leesbaar, volledig en ondubbelzinnig te zijn. Er moeten passende authenticiteits- en integriteitsniveaus worden aangehouden.
|
|
1.4.3.
|
De informatie dient tijdig ter beschikking worden gesteld van de gebruikers en de betrokken ANS-verleners, waarbij gebruik wordt gemaakt van een voldoende betrouwbare en snelle communicatiemethode.
|
2. EXPLOITATIE EN BEHEER
2.1. Verantwoordelijkheden van de exploitant van het luchtvaartterrein
De exploitant van een luchtvaartterrein is verantwoordelijk voor de exploitatie ervan. De exploitant van een luchtvaartterrein heeft de volgende verantwoordelijkheden:
a)
hij beschikt rechtstreeks of via regelingen met derden over alle benodigde middelen om te zorgen voor een veilige vluchtuitvoering met luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein. Die middelen omvatten onder meer: faciliteiten, personeel, uitrusting en materiaal, documentatie voor taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en administratie;
b)
de exploitant van een luchtvaartterrein verifieert dat te allen tijde wordt voldaan aan de eisen in punt 1 of neemt de juiste maatregelen om het risico van niet-naleving van deze eisen te beperken. Er worden procedures vastgesteld en toegepast om alle gebruikers tijdig van dergelijke maatregelen op de hoogte te stellen;
c)
de exploitant van een luchtvaartterrein zet een passend programma op voor het beheer van het risico van wilde dieren, rechtstreeks of via regelingen met derden, en voert dit programma uit;
d)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor, rechtstreeks of via regelingen met derden, dat bewegingen van voertuigen en personen in het bewegingsgebied en andere operationele zones worden gecoördineerd met de bewegingen van luchtvaartuigen om botsingen en schade aan luchtvaartuigen te voorkomen;
e)
in voorkomend geval zorgt de exploitant van een luchtvaartterrein ervoor dat procedures worden vastgesteld en uitgevoerd ter beperking van risico's in verband met de exploitatie van luchtvaartterreinen in de winter, bij ongunstige weersomstandigheden, bij verminderd zicht of tijdens de nacht;
f)
de exploitant van het luchtvaartterrein treft regelingen met andere relevante organisaties om te waarborgen dat de essentiële eisen voor luchtvaartterreinen van deze bijlage blijvend worden nageleefd. Deze organisaties omvatten, maar zijn niet beperkt tot: luchtvaartuigexploitanten, ANS-verleners, verleners van grondafhandelingsdiensten, AMS-verleners en andere organisaties wier activiteiten of producten van invloed kunnen zijn op de veiligheid van luchtvaartuigen;
g)
de exploitant van het luchtvaartterrein gaat na of organisaties die betrokken zijn bij de opslag en levering van brandstof/energie voor aandrijving aan luchtvaartuigen over procedures beschikken om te waarborgen dat niet-vervuilde brandstof/energie voor aandrijving van de juiste specificatie aan luchtvaartuigen wordt geleverd;
h)
er worden handboeken voor het bedienen en het onderhouden van apparatuur op luchtvaartterreinen beschikbaar gesteld en in de praktijk gebruikt. Deze handboeken bevatten onderhouds- en reparatie-instructies, klantendienstinformatie, informatie over het opsporen van storingen, en inspectieprocedures;
i)
de exploitant van een luchtvaartterrein zet, rechtstreeks dan wel via regelingen met derden, een effectief rampenplan voor het luchtvaartterrein op en voert dit uit. Dit plan is berekend op rampen die kunnen plaatsvinden op het luchtvaartterrein en in de onmiddellijke omgeving ervan. Dit plan wordt, indien nodig, gecoördineerd met het rampenplan van de gemeenschap;
j)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor, rechtstreeks of via regelingen met derden, dat het luchtvaartterrein beschikt over adequate reddings- en brandbestrijdingsdiensten. Deze diensten reageren met spoed op ongelukken en incidenten en beschikken over de nodige apparatuur, blusmiddelen en medewerkers;
k)
de exploitant van een luchtvaartterrein zet voor de exploitatie en het onderhoud van het luchtvaartterrein uitsluitend goed opgeleid en gekwalificeerd personeel in. Hij zorgt ook, rechtstreeks of via regelingen met derden, voor het uitvoeren en onderhouden van opleidings- en controleprogramma's om de vaardigheden van al het bevoegde personeel op peil te houden;
l)
de exploitant van een luchtvaartterrein zorgt ervoor dat elke persoon die zonder begeleiding toegang heeft tot het bewegingsgebied of andere operationele zones, hiervoor voldoende opgeleid en gekwalificeerd is;
m)
de reddings- en brandbestrijdingsmedewerkers zijn voldoende opgeleid en gekwalificeerd om in de luchtvaartterreinomgeving te functioneren. De exploitant van het luchtvaartterrein zet, rechtstreeks of via regelingen met derden, opleidings- en controleprogramma's op om de vaardigheden van dit personeel op peil te houden, en voert deze programma's uit, en
n)
iedere reddings- en brandbestrijdingsmedewerker die mogelijk in actie moet komen bij luchtvaartnoodsituaties toont op periodieke basis aan dat hij medisch geschikt is om zijn taken naar behoren te kunnen uitvoeren, rekening houdend met het type activiteit waar het om gaat. Onder medische geschiktheid, waaronder zowel lichamelijke als mentale geschiktheid valt, wordt verstaan dat de medewerker geen aandoening of handicap heeft die het hem onmogelijk maakt de volgende activiteiten uit te oefenen:
—
het uitvoeren van de taken die nodig zijn om in actie te komen bij luchtvaartnoodsituaties;
—
het op ieder willekeurig moment uitvoeren van aan de medewerker opgedragen taken, of
—
het op correcte wijze waarnemen van zijn omgeving.
2.2. Beheersystemen
|
2.2.1.
|
Naargelang het type activiteiten en de grootte van de organisatie moet de exploitant van het luchtvaartterrein een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem.
|
|
2.2.2.
|
De exploitant van het luchtvaartterrein moet een systeem voor het melden van voorvallen opzetten, als onderdeel van het in punt 2.2.1 bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Bij de analyse van informatie die via dit systeem wordt gemeld, zullen zo nodig de in punt 2.1, onder f), genoemde partijen worden betrokken. Het systeem voor het melden van voorvallen moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.
|
|
2.2.3.
|
De exploitant van het luchtvaartterrein dient een handboek voor het luchtvaartterrein op te stellen en te handelen overeenkomstig dat handboek. Een dergelijk handboek dient alle benodigde instructies, informatie en procedures voor het luchtvaartterrein, het beheersysteem en het operationele en onderhoudspersoneel te bevatten, zodat dit personeel zijn taken kan uitvoeren.
|
3. OMGEVING VAN HET LUCHTVAARTTERREIN
|
3.1.1.
|
Het luchtruim rondom de bewegingsgebieden van het luchtvaartterrein dient vrijgehouden te worden van obstakels, zodat de geplande vluchtuitvoeringen van luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit onaanvaardbare risico's oplevert door het ontstaan van obstakels rondom het luchtvaartterrein. Daartoe moeten vlakken voor het determineren van hindernissen worden bepaald, toegepast en permanent gecontroleerd teneinde eventuele hindernissen te identificeren.
|
|
3.1.2.
|
Bij elke inbreuk binnen deze vlakken dient te worden beoordeeld of het object al dan niet een onaanvaardbaar risico oplevert. Elk object dat een onaanvaardbaar risico oplevert, moet worden verwijderd ofwel dienen passende maatregelen te worden genomen om de luchtvaartuigen die van het luchtvaartterrein gebruikmaken, te beschermen.
|
|
3.1.3.
|
Eventueel nog steeds aanwezige obstakels dienen te worden bekendgemaakt en, voor zover nodig, gemarkeerd en zichtbaar gemaakt door middel van verlichting.
|
|
3.2.
|
Gevaren gerelateerd aan menselijke activiteiten en aan het gebruik van de grond, zoals vermeld in de volgende, niet uitputtende lijst, dienen te worden gemonitord. Het risico dat zij veroorzaken, dient te worden ingeschat en waar nodig ingeperkt:
a)
elke ontwikkeling of verandering in landgebruik in de omgeving van het luchtvaartterrein;
b)
de mogelijkheid van turbulentie veroorzaakt door obstakels;
c)
het gebruik van gevaarlijke, verwarrende en misleidende verlichting;
d)
verblinding door grote en sterk reflecterende oppervlakken;
e)
het instellen van gebieden die ruimte laten aan rondtrekkend wild in de omgeving van het bewegingsgebied, of
f)
bronnen van onzichtbare straling of de aanwezigheid van beweeglijke of vaste voorwerpen die het functioneren van systemen voor luchtvaartcommunicatie, navigatie en toezicht kunnen verstoren of nadelig kunnen beïnvloeden.
|
|
3.3.
|
De lidstaten zorgen ervoor dat er een rampenplan wordt opgesteld voor noodsituaties in de omgeving van het luchtvaartterrein.
|
4. GRONDAFHANDELINGSDIENSTEN
4.1. Verantwoordelijkheden van de verlener van grondafhandelingsdiensten
De verlener van grondafhandelingsdiensten is verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn activiteiten op het luchtvaartterrein. De verlener heeft de volgende verantwoordelijkheden:
a)
de dienstverlener beschikt over alle benodigde middelen om te zorgen voor veilige dienstverlening op het luchtvaartterrein. Deze middelen omvatten, maar zijn niet beperkt tot, faciliteiten, personeel, uitrusting en materieel;
b)
de dienstverlener leeft de procedures van het handboek voor het luchtvaartterrein na, onder meer wat betreft de bewegingen van zijn voertuigen, uitrusting en personeel en de risico's in verband met de exploitatie van luchtvaartterreinen in de winter, 's nachts en bij ongunstige weersomstandigheden;
c)
de dienstverlener verleent de grondafhandelingsdiensten in overeenstemming met de procedures en de instructies van de luchtvaartuigexploitant aan wie hij diensten verleent;
d)
de dienstverlener zorgt ervoor dat handboeken voor de bediening en het onderhoud van grondafhandelingsapparatuur beschikbaar zijn en in de praktijk worden gebruikt. Deze handboeken moeten bedienings-, onderhouds- en reparatie-instructies, klantendienstinformatie, informatie over het opsporen van storingen en inspectieprocedures bevatten;
e)
de dienstverlener maakt alleen gebruik van goed opgeleid en gekwalificeerd personeel. Hij zorgt ook, rechtstreeks of via overeenkomsten met derden, voor het opstellen en onderhouden van opleidings- en controleprogramma's om de vaardigheden van al het bevoegde personeel op peil te houden;
f)
de dienstverlener zorgt ervoor dat zijn personeel lichamelijk en mentaal geschikt is om zijn taken naar behoren te kunnen uitvoeren, rekening houdend met het type activiteit en met name met de mogelijke gevolgen voor de veiligheid en veiligheidsgerelateerde beveiliging.
4.2. Beheersystemen
|
4.2.1.
|
Naargelang het type activiteiten en de grootte van de organisatie moet de dienstverlener een beheersysteem uitvoeren en onderhouden dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem. Dat systeem wordt gecoördineerd met het beheersysteem van de exploitant van het luchtvaartterrein.
|
|
4.2.2.
|
De dienstverlener moet een systeem voor het melden van voorvallen opzetten, als onderdeel van het in punt 4.2.1 bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. De dienstverlener stuurt, zonder afbreuk te doen aan andere meldingsverplichtingen, alle voorvallen naar het meldingssysteem van de exploitant van het luchtvaartterrein, van de luchtvaartuigexploitant en, indien opportuun, van de verlener van luchtverkeersdiensten. Het systeem voor het melden van voorvallen moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.
|
|
4.2.3.
|
De dienstverlener moet een handboek opstellen en handelen in overeenstemming met dat handboek. Dit handboek dient alle noodzakelijke instructies, informatie en procedures te bevatten voor de dienstverleningsactiviteiten, voor het beheersysteem en voor de taakuitvoering door het personeel van de dienstverlener.
|
5. PLATFORMBEHEERSDIENSTEN (AMS)
|
5.1.
|
De verlener van AMS verleent zijn diensten in overeenstemming met de exploitatieprocedures in het handboek voor het luchtvaartterrein.
|
|
5.2.
|
Naargelang het type activiteit en de grootte van de organisatie, zorgt de verlener van AMS voor het opzetten en onderhouden van een beheersysteem, met inbegrip van een systeem voor veiligheidsbeheer, om de naleving van de essentiële eisen van deze bijlage te waarborgen.
|
|
5.3.
|
De verlener van AMS sluit formele regelingen met de exploitant van het luchtvaartterrein en met de verlener van luchtverkeersdiensten waarin de te leveren diensten inhoudelijk worden afgebakend.
|
|
5.4.
|
De verlener van AMS zet een systeem voor het melden van voorvallen op, als onderdeel van het onder 5.2 bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. De dienstverlener stuurt, zonder afbreuk te doen aan andere meldingsverplichtingen, alle voorvallen naar het meldingssysteem van de exploitant van het luchtvaartterrein en, indien opportuun, naar het meldingssysteem van de verlener van luchtverkeersdiensten.
|
|
5.5.
|
De verlener van AMS neemt deel aan de veiligheidsprogramma's die de exploitant van het luchtvaartterrein heeft opgezet.
|
6. ANDERE
Onverminderd de verantwoordelijkheden van de luchtvaartuigexploitant ziet de exploitant van het luchtvaartterrein erop toe dat, behoudens gevallen waarin luchtvaartuigen in een noodsituatie verkeren of moeten uitwijken naar een ander luchtvaartterrein of in andere, per afzonderlijk geval gespecificeerde omstandigheden, luchtvaartterreinen of delen daarvan niet worden gebruikt door luchtvaartuigen waarvoor het luchtvaartterrein qua ontwerp en vluchtuitvoeringsprocedures normaliter niet is bestemd.
|
|
BIJLAGE VIII
|
BIJLAGE VIII
Essentiële eisen voor ATM/ANS en luchtverkeersleiders
1. GEBRUIK VAN HET LUCHTRUIM
|
1.1.
|
De vluchtuitvoering met alle luchtvaartuigen, met uitzondering van die welke worden ingezet voor de in artikel 2, lid 3, onder a), vermelde activiteiten, dient in alle vluchtfasen of op het bewegingsgebied van een luchtvaartterrein, plaats te vinden overeenkomstig de gemeenschappelijke algemene vluchtuitvoeringsvoorschriften en alle procedures die van toepassing zijn op het gebruik van het luchtruim.
|
|
1.2.
|
Alle luchtvaartuigen, met uitzondering van die welke worden ingezet voor de in artikel 2, lid 3, onder a), vermelde activiteiten, dienen uitgerust te zijn met de vereiste componenten en dienovereenkomstig te worden gebruikt. Componenten die binnen het ATM/ANS-systeem worden gebruikt, dienen eveneens te voldoen aan de voorschriften in punt 3.
|
2. DIENSTEN
2.1. Luchtvaartinlichtingen en gegevens die aan luchtruimgebruikers worden verstrekt met het oog op luchtvaartnavigatie
|
2.1.1.
|
De gegevens die als bron worden gebruikt voor luchtvaartinlichtingen, dienen van voldoende kwaliteit, volledig en actueel te zijn en dienen tijdig te worden verstrekt.
|
|
2.1.2.
|
Luchtvaartinlichtingen dienen nauwkeurig, volledig, actueel, ondubbelzinnig, afkomstig van een legitieme bron en van passende integriteit te zijn en te worden verstrekt in een vorm die afgestemd is op de gebruikers.
|
|
2.1.3.
|
De verspreiding van dergelijke luchtvaartinlichtingen onder luchtruimgebruikers dient tijdig te geschieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van voldoende betrouwbare en snelle communicatiemiddelen die beschermd zijn tegen storingen en misbruik.
|
2.2. Meteorologische inlichtingen
|
2.2.1.
|
De gegevens die als bron worden gebruikt voor luchtvaartmeteorologische inlichtingen dienen van voldoende kwaliteit, volledig en actueel te zijn.
|
|
2.2.2.
|
Voor zover mogelijk dienen luchtvaartmeteorologische inlichtingen nauwkeurig, volledig, actueel, van passende integriteit en ondubbelzinnig te zijn om aan de behoeften van luchtruimgebruikers tegemoet te komen. Luchtvaartmeteorologische inlichtingen dienen afkomstig te zijn van een legitieme bron.
|
|
2.2.3.
|
De verspreiding van dergelijke luchtvaartmeteorologische inlichtingen onder luchtruimgebruikers dient tijdig te geschieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van voldoende betrouwbare en snelle communicatiemiddelen die beschermd zijn tegen storingen en misbruik.
|
2.3. Luchtverkeersdiensten
|
2.3.1.
|
De gegevens die als bron worden gebruikt voor het verlenen van luchtverkeersdiensten, dienen correct, volledig en actueel te zijn.
|
|
2.3.2.
|
De verlening van luchtverkeersdiensten dient voldoende nauwkeurig, volledig, actueel en ondubbelzinnig te zijn om tegemoet te komen aan de veiligheidsbehoeften van gebruikers.
|
|
2.3.3.
|
Geautomatiseerde instrumenten die informatie of advies aan gebruikers geven, dienen zodanig te worden ontworpen, geproduceerd en onderhouden dat zij geschikt zijn voor het beoogde doel.
|
|
2.3.4.
|
Luchtverkeersleidingsdiensten en de hieraan gerelateerde processen dienen voor een passende separatieafstand tussen luchtvaartuigen te zorgen, botsingen tussen luchtvaartuigen en obstakels op het bewegingsgebied van het luchtvaartterrein te voorkomen en, waar nodig, bij te dragen tot de bescherming tegen andere gevaren in de lucht. Deze diensten en processen dienen een prompte en tijdige coördinatie te waarborgen tussen alle relevante gebruikers en aangrenzende luchtruimsectoren.
|
|
2.3.5.
|
De communicatie tussen luchtverkeersdiensten en luchtvaartuigen en tussen relevante luchtverkeersdiensten onderling dient tijdig, duidelijk, correct en ondubbelzinnig te verlopen en beschermd te zijn tegen verstoring. De communicatie dient algemeen begrepen te worden en moet, indien van toepassing, door alle betrokken partijen worden bevestigd.
|
|
2.3.6.
|
Er dienen middelen beschikbaar te zijn om eventuele noodsituaties te detecteren en, zo nodig, een effectieve opsporings- en reddingsactie in gang te zetten. Deze middelen dienen ten minste adequate waarschuwingsmechanismen, coördinatiemaatregelen, procedures, middelen en personeel te omvatten om de verantwoordelijkheid efficiënt te vervullen.
|
▼M3
2.3a. Luchtverkeersgegevensdiensten
2.3a.1. De verzamelde luchtverkeersgegevens moeten van voldoende kwaliteit, volledig en actueel zijn, afkomstig zijn uit een rechtmatige bron en tijdig worden verstrekt.
2.3a.2. De luchtverkeersgegevensdiensten moeten voldoende hoge prestaties bereiken en in stand houden met betrekking tot de beschikbaarheid, integriteit, continuïteit en tijdige tegemoetkoming aan de behoeften van de gebruikers.
2.3a.3. De systemen en instrumenten voor het verlenen van luchtverkeersgegevensdiensten dienen zodanig te worden ontworpen, geproduceerd en onderhouden dat zij geschikt zijn voor het beoogde doel.
2.3a.4. De verspreiding van dergelijke gegevens dient tijdig te geschieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van voldoende betrouwbare en snelle communicatiemiddelen die beschermd zijn tegen storingen en misbruik.
▼B
2.4. Communicatiediensten
Communicatiediensten dienen te allen tijde over voldoende functionele capaciteit te beschikken wat de beschikbaarheid, integriteit, continuïteit en tijdige verlening ervan betreft. Zij dienen snel te functioneren en beveiligd te zijn tegen misbruik en storingen.
2.5. Navigatiediensten
Navigatiediensten dienen te allen tijde over voldoende functionele capaciteit te beschikken om informatie ten aanzien van begeleiding, positionering en, in voorkomend geval, timing te kunnen verstrekken. Tot de prestatiecriteria behoren onder andere nauwkeurigheid, integriteit, legitimiteit van de bron, beschikbaarheid en continuïteit van de dienst.
2.6. Plaatsbepalingsdiensten
Plaatsbepalingsdiensten dienen de respectieve posities te bepalen van luchtvaartuigen in de lucht en van andere luchtvaartuigen en grondvoertuigen op het luchtvaartterrein, waarbij voldoende prestaties moeten worden geleverd op het gebied van nauwkeurigheid, integriteit, legitimiteit van de bron, continuïteit en detectiekans.
2.7. Beheer van de luchtverkeersstromen
Bij het tactische beheer van de luchtverkeersstromen op het niveau van de Unie dient voldoende exacte en actuele informatie te worden gebruikt en verstrekt over de omvang en de aard van het geplande luchtverkeer dat van invloed is op de dienstverlening. Teneinde het risico op overbelasting in de lucht of op luchtvaartterreinen te beperken, coördineren deze beheersdiensten de luchtverkeersstromen, overleggen zij over mogelijke alternatieve routes of vertragen zij de verkeersstromen. Bij het beheren van de luchtverkeersstromen wordt beoogd de beschikbare capaciteit bij het gebruik van het luchtruim te optimaliseren en de processen voor het beheer van de luchtverkeersstromen te verbeteren. Het beheer wordt gebaseerd op veiligheid, transparantie en efficiëntie, zodat capaciteit tijdig op flexibele wijze ter beschikking wordt gesteld, conform het Europese luchtvaartnavigatieplan.
De in artikel 43 bedoelde maatregelen inzake beheer van de luchtverkeersstromen ondersteunen de operationele besluiten van verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchtvaartterreinexploitanten en luchtruimgebruikers en betreffen het volgende:
b)
gebruik van beschikbare luchtruimcapaciteit tijdens alle fasen van de vlucht, met inbegrip van en-route-slottoewijzing;
c)
routegebruik door het algemeen luchtverkeer, met inbegrip van:
—
het opstellen van één alomvattende publicatie voor route- en verkeersoriëntering,
—
opties voor de omleiding van algemeen luchtverkeer weg van gebieden waar congestie optreedt, en
—
voorrangsregels voor toegang tot het luchtruim voor het algemeen luchtverkeer, met name in tijden van congestie en crisis, en
d)
de samenhang tussen vluchtplannen en luchthavenslots, alsmede de noodzakelijke coördinatie met aangrenzende regio's, voor zover van toepassing.
▼M3
2.8. Luchtruimbeheer
Het aanwijzen van specifieke luchtruimsectoren voor een bepaald gebruik dient tijdig te worden gemonitord, gecoördineerd en bekendgemaakt, teneinde in alle omstandigheden het risico van een verlies aan separatieafstand tussen luchtvaartuigen te verminderen. Rekening houdend met de organisatie van de militaire activiteiten en de daaraan gerelateerde aspecten die onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen, dient het luchtruimbeheer tevens de uniforme toepassing van het concept van het flexibel gebruik van het luchtruim te ondersteunen, zoals dat door de ICAO is omschreven en ten uitvoer is gelegd bij Verordening (EU) 2024/2803 teneinde het luchtruimbeheer en het luchtverkeersbeheer binnen het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid te faciliteren.
▼B
2.9. Ontwerp van vliegprocedures
Vliegprocedures moeten goed worden ontworpen, geïnspecteerd en gevalideerd alvorens zij door luchtvaartuigen worden gebruikt.
3. SYSTEMEN EN COMPONENTEN
3.1. Algemeen
ATM/ANS-systemen en ATM/ANS-componenten die informatie vanuit en aan luchtvaartuigen en op de grond verstrekken, dienen zodanig te worden ontworpen, geproduceerd, geïnstalleerd, onderhouden, beschermd tegen ongeoorloofde interferentie, en gebruikt dat zij geschikt zijn voor het beoogde doel.
De systemen en procedures omvatten met name die welke nodig zijn om de volgende functies en diensten te ondersteunen:
b)
beheer van de luchtverkeersstromen;
c)
luchtverkeersdiensten, met name systemen voor het verwerken van vluchtgegevens, systemen voor het verwerken van bewakingsgegevens en mens/machine-interfacesystemen;
d)
communicatie, met inbegrip van grond-naar-grond/ruimte, lucht-naar-grond en lucht-naar-lucht/ruimtecommunicatie;
g)
luchtvaartinlichtingendiensten, en
h)
meteorologische diensten.
3.2. Integriteit, prestaties en betrouwbaarheid van systemen en onderdelen
De prestaties op het gebied van de integriteit en veiligheid van systemen en onderdelen, zowel aan boord van luchtvaartuigen als op de grond en in de ruimte, dienen geschikt te zijn voor het beoogde gebruik ervan. Zij moeten in alle voorzienbare operationele omstandigheden en gedurende hun gehele operationele levenscyclus te voldoen aan het vereiste operationele prestatieniveau.
ATM/ANS-systemen en ATM/ANS-componenten worden, met inachtneming van de toepasselijke en gevalideerde procedures, op een zodanige wijze ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt om te allen tijde en voor alle vluchtfasen het naadloos functioneren van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network, EATMN) te waarborgen. Dat naadloos functioneren kan met name de vorm hebben van het delen van informatie, waaronder relevante informatie over de operationele status, een gemeenschappelijk begrip van informatie, vergelijkbare verwerkingsprestaties en de bijbehorende procedures, die gemeenschappelijke operationele prestaties mogelijk maken die zijn overeengekomen voor het EATMN of delen daarvan.
Het EATMN en de systemen en componenten daarvan bieden op gecoördineerde wijze ondersteuning aan nieuwe overeengekomen en gevalideerde operationele concepten die de kwaliteit, duurzaamheid en doeltreffendheid van luchtvaartnavigatiediensten verbeteren, met name wat betreft veiligheid en capaciteit.
Voor zover dat nodig is voor een efficiënt beheer van het luchtruim en de regeling van luchtverkeersstromen en het veilige en efficiënte gebruik van het luchtruim door alle gebruikers, ondersteunen het EATMN en de systemen en componenten daarvan de toenemende invoering van civiel-militaire coördinatie, door toepassing van het concept van het flexibele gebruik van het luchtruim.
Om die doelstellingen te bereiken, moet het EATMN en de systemen en componenten daarvan bijdragen tot het tijdig uitwisselen van correcte en consistente informatie, in alle vluchtfasen, tussen de civiele en de militaire partijen, onverminderd beveiligingsoverwegingen of belangen op het gebied van het defensiebeleid, met inbegrip van eisen inzake vertrouwelijkheid.
3.3. Ontwerp van systemen en componenten
|
3.3.1.
|
Systemen en componenten dienen zodanig te zijn ontworpen dat zij aan de toepasselijke veiligheids- en beveiligingseisen voldoen.
|
|
3.3.2.
|
Systemen en onderdelen dienen gezamenlijk, afzonderlijk en qua onderlinge samenhang zodanig te zijn ontworpen dat de waarschijnlijkheid dat een storing tot een volledige uitval van het systeem leidt, omgekeerd evenredig is met de ernst van de gevolgen daarvan voor de veiligheid van de betreffende diensten.
|
|
3.3.3.
|
Systemen en onderdelen dienen zowel afzonderlijk als qua onderlinge samenhang zodanig te worden ontworpen dat rekening wordt gehouden met de beperkingen als gevolg van menselijke vermogens en prestaties.
|
|
3.3.4.
|
Systemen en componenten dienen zodanig te zijn ontworpen dat de systemen en componenten zelf en de gegevens die zij bevatten, beschermd zijn tegen. schadelijke interacties met interne en externe elementen.
|
|
3.3.5.
|
Informatie die nodig is voor het produceren, installeren, gebruiken en onderhouden van systemen en componenten dient op een duidelijke, consistente en ondubbelzinnige wijze aan het personeel te worden verstrekt. Dat geldt ook voor informatie met betrekking tot onveilige omstandigheden.
|
3.4. Ononderbroken dienstverlening
Veiligheidsniveaus van systemen en componenten dienen gewaarborgd te blijven tijdens de dienstverlening en bij eventuele wijzigingen van de dienstverlening.
4. KWALIFICATIES VAN LUCHTVERKEERSLEIDERS
4.1. Algemeen
Personen die een opleiding tot luchtverkeersleider of als leerling-luchtverkeersleider volgen, dienen qua opleiding en fysiek en mentaal voldoende bekwaam te zijn om de relevante theoretische kennis en praktische vaardigheden te verwerven, op peil te houden en in praktijk te brengen.
4.2. Theoretische kennis
|
4.2.1.
|
Luchtverkeersleiders dienen een kennisniveau te verwerven en op peil te houden dat afgestemd is op de uit te voeren functies en in verhouding staat tot de risico's die aan het betreffende type dienstverlening zijn verbonden.
|
|
4.2.2.
|
Het verwerven en bijhouden van theoretische kennis dient te worden aangetoond door continue beoordelingen tijdens de opleiding, of door passende examens.
|
|
4.2.3.
|
De theoretische kennis dient te allen tijde op peil te worden gehouden. Dit dient op basis van periodieke beoordelingen of examens te worden aangetoond. De frequentie van dergelijke examens dient in verhouding te staan tot het risiconiveau dat aan het betreffende type dienstverlening is verbonden.
|
4.3. Praktische vaardigheden
|
4.3.1.
|
Luchtverkeersleiders dienen de praktische vaardigheden te verwerven en op peil te houden die relevant zijn voor hun functies. Deze vaardigheden dienen in verhouding te staan tot de risico's die verbonden zijn aan het betreffende type dienstverlening en dienen, voor zover van toepassing op de uitgevoerde functies, ten minste de volgende punten te omvatten:
c)
uitzonderlijke en noodsituaties, en
|
|
4.3.2.
|
Luchtverkeersleiders dienen aan te tonen dat zij de noodzakelijke procedures en taken kunnen uitvoeren op een bekwaamheidsniveau dat afgestemd is op de betreffende functies.
|
|
4.3.3.
|
De praktische vaardigheden dienen te allen tijde op peil te worden gehouden. Dit wordt gecontroleerd op basis van periodieke beoordelingen. De frequentie van die beoordelingen staat in verhouding tot de complexiteit en het risiconiveau van het type dienstverlening en de uit te voeren taken.
|
4.4. Taalvaardigheid
|
4.4.1.
|
Luchtverkeersleiders dienen aan te tonen dat zij de Engelse taal zodanig spreken en begrijpen dat zij in staat zijn om, ook in noodsituaties, effectief over concrete en werkgerelateerde onderwerpen te communiceren. Dit geldt zowel voor voice-only-situaties (telefoon/radiotelefoon) als voor face-to-facesituaties.
|
|
4.4.2.
|
Indien dit noodzakelijk is voor het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten in een welbepaalde luchtruimsector, moeten de luchtverkeersleiders ook in staat zijn de betreffende nationale taal/talen te spreken en te begrijpen op een niveau zoals hierboven beschreven.
|
4.5. Synthetische opleidingstoestellen (Synthetic training devices — STD's)
Bij gebruik van STD voor praktische training inzake menselijke factoren of situatieherkenning, dan wel om aan te tonen dat bepaalde vaardigheden zijn verworven of nog steeds op peil zijn, dienen die hulpmiddelen zodanig te functioneren dat een adequate simulatie van de concrete werkomgeving en operationele situaties mogelijk is, afgestemd op de opleidingsdoelstellingen.
4.6. Opleidingscursus
|
4.6.1.
|
Opleidingen vinden plaats op basis van een cursus die theoretische en praktische instructies kan omvatten, inclusief eventuele training via STD.
|
|
4.6.2.
|
Voor elke type opleiding wordt een cursus vastgesteld en goedgekeurd.
|
4.7. Instructeurs
|
4.7.1.
|
De theorieopleiding wordt gegeven door instructeurs met de vereiste kwalificaties. Zij moeten:
a)
beschikken over passende kennis op het terrein waarop zij opleiding geven, en
b)
hebben aangetoond dat zij in staat zijn geschikte opleidingstechnieken te gebruiken.
|
|
4.7.2.
|
Opleiding met betrekking tot praktische vaardigheden wordt gegeven door instructeurs met de vereiste kwalificaties. Zij dienen:
a)
te voldoen aan de eisen inzake theoretische kennis en ervaring die nodig zijn om de opleiding te kunnen geven;
b)
te hebben aangetoond dat zij kunnen lesgeven en in staat zijn passende opleidingstechnieken te gebruiken;
c)
ervaring te hebben met opleidingstechnieken met betrekking tot de procedures waarvoor zij opleiding moeten geven, en
d)
regelmatig opfriscursussen volgen om ervoor te zorgen dat de instructievaardigheden worden onderhouden en geactualiseerd.
|
|
4.7.3.
|
Instructeurs die lesgeven in praktische vaardigheden, dienen zelf ook bevoegd te zijn of te zijn geweest om als luchtverkeersleider te fungeren.
|
4.8. Beoordelaars
|
4.8.1.
|
Personen die verantwoordelijk zijn voor het beoordelen van de vaardigheden van luchtverkeersleiders dienen:
a)
te hebben aangetoond over de vaardigheid te beschikken om het functioneren van luchtverkeersleiders te kunnen beoordelen en in dat verband tests en controles uit te voeren, en
b)
periodiek opfriscursussen te volgen om te waarborgen dat de beoordelingsnormen up-to-date worden gehouden.
|
|
4.8.2.
|
Beoordelaars die praktische vaardigheden beoordelen, dienen zelf ook bevoegd te zijn of te zijn geweest om als luchtverkeersleider te fungeren op de gebieden waarop beoordeling moet plaatsvinden.
|
4.9. Medische geschiktheid van luchtverkeersleiders
|
4.9.1.
|
Alle luchtverkeersleiders dienen periodiek aan te tonen dat zij medisch geschikt zijn om hun taken naar behoren uit te voeren. Die geschiktheid dient te blijken uit een passend onderzoek, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke mentale en lichamelijke achteruitgang als gevolg van leeftijd.
|
|
4.9.2.
|
Bij het aantonen van die medische geschiktheid, zowel fysiek als mentaal, dient ook te worden aangetoond dat er geen sprake is van een ziekte of handicap waardoor de persoon die luchtverkeersleidingsdiensten (ATC) verricht, niet in staat is:
a)
correct de taken uit te voeren die nodig zijn om ATC te verlenen;
b)
op enig moment de hem toebedeelde taken uit te voeren, of
c)
zijn omgeving correct waar te nemen.
|
|
4.9.3.
|
Indien de medische geschiktheid niet volledig kan worden aangetoond, kunnen maatregelen worden genomen om een gelijkwaardig veiligheidsniveau te waarborgen.
|
5. DIENSTVERLENERS EN OPLEIDINGSORGANISATIES
|
5.1.
|
Diensten mogen alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de dienstverlener moet rechtstreeks of via overeenkomsten met derden over de middelen beschikken die nodig zijn gezien de schaal en de omvang van de diensten. Die middelen omvatten maar zijn niet beperkt tot: systemen, faciliteiten, inclusief energievoorziening, beheerstructuur, personeel, apparatuur en het onderhoud daarvan, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en een operationeel registratiesysteem;
b)
de dienstverlener dient operationele handboeken op te stellen en up-to-date te houden met betrekking tot de diensten die hij verricht. Hij moet de diensten overeenkomstig die handboeken uitvoeren. Deze handboeken dienen alle noodzakelijke instructies, informatie en procedures te bevatten voor de dienstverleningsactiviteiten, voor het beheersysteem en voor de taakuitvoering door het operationele personeel;
▼M3
c)
naargelang het type van de activiteiten en de grootte van de organisatie moet de dienstverlener een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheids- en beveiligingsrisico’s beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem;
▼B
d)
de dienstverlener dient uitsluitend gebruik te maken van gekwalificeerd en goed opgeleid personeel en dient opleidings- en controleprogramma's voor dat personeel te hanteren en bij te houden;
e)
de dienstverlener dient formele interfaces tot stand te brengen met alle belanghebbenden die rechtstreeks van invloed zijn op de veiligheid van zijn diensten, teneinde te waarborgen dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan;
f)
de dienstverlener dient over een rampenplan te beschikken voor uitzonderlijke en noodsituaties die zich in het kader van de dienstverlening kunnen voordoen, met inbegrip van gevallen waarin een gebeurtenis significante verslechtering of onderbreking van de dienstverlening veroorzaakt;
g)
de dienstverlener dient een systeem voor het melden van voorvallen op te zetten, als onderdeel van het onder c) bedoelde beheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het systeem voor het melden van voorvallen moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht, en
h)
de dienstverlener dient regelingen te treffen om te controleren of alle gebruikte systemen en onderdelen te allen tijde voldoen aan de functionele veiligheidsvereisten.
|
|
5.2.
|
Diensten op het gebied van luchtverkeersleiding (ATC) mogen alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
op basis van een adequaat roostersysteem dient te worden voorkomen dat het personeel dat ATC-diensten verleent, vermoeid raakt. Bij dit roostersysteem dient rekening te worden gehouden met dienstperioden, diensttijden en aangepaste rustperioden. Bij de beperkingen die binnen het roostersysteem worden gehanteerd, dienen alle factoren in aanmerking te worden genomen die tot vermoeidheid kunnen leiden, zoals met name slaaptekort, ontregeling van het dagritme, nachtdiensten, cumulatieve werktijden gedurende bepaalde perioden en ook de onderlinge verdeling van toegewezen taken door het personeel;
b)
het voorkomen van stress bij het personeel dat ATC-diensten verleent, dient op basis van een opleidings- en preventieprogramma te worden beheerd;
c)
de ATC-dienstverlener dient over operationele procedures te beschikken om te controleren of de cognitieve oordeelsvorming van werknemers die luchtverkeersleidingsdiensten verlenen, niet wordt belemmerd en of zij medisch volledig geschikt zijn voor hun werkzaamheden, en
d)
de ATC-dienstverlener dient bij de planning en de feitelijke werkzaamheden niet alleen operationele en technische beperkingen in aanmerking te nemen, maar ook menselijke factoren.
|
|
5.3.
|
Diensten op het gebied van communicatie, navigatie en/of plaatsbepaling mogen alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarde is voldaan:
De dienstverlener dient alle relevante luchtruimgebruikers en ATC-eenheden tijdig te informeren over de operationele status van de luchtverkeersleidingsdiensten (en eventuele wijzigingen daarin).
|
|
5.4.
|
Opleidingsorganisaties Een organisatie die opleidingen verzorgt voor personeel dat luchtverkeersleidingsdiensten verleent, dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a)
ze moet beschikken over alle middelen die nodig zijn voor de verantwoordelijkheden die verbonden zijn met haar activiteit. Deze middelen omvatten maar zijn niet beperkt tot: faciliteiten, personeel, apparatuur, methodologie, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en gegevensbeheer;
b)
naargelang de verstrekte opleiding en de grootte van de organisatie moet de organisatie een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheersen, waaronder de risico's in verband met de verslechtering van de opleidingsstandaard en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem, en
c)
de organisatie dient, voor zover noodzakelijk, regelingen te treffen met andere relevante organisaties om te waarborgen dat de essentiële eisen van deze bijlage blijvend worden nageleefd.
|
6. LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE KEURINGSARTSEN EN LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE CENTRA
6.1. Luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen
Een luchtvaartgeneeskundig keuringsarts moet:
a)
over kwalificaties en vergunningen beschikken voor het uitoefenen van de geneeskunde;
b)
onderwijs in de luchtvaartgeneeskunde hebben genoten en opfriscursussen in de luchtvaartgeneeskunde hebben gevolgd om te waarborgen dat de normen voor beoordeling up-to-date blijven, en
c)
praktijkkennis en -ervaring hebben opgedaan omtrent de omstandigheden waarin luchtverkeersleiders hun activiteiten uitoefenen.
6.2. Luchtvaartgeneeskundige centra
Luchtvaartgeneeskundige centra moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
zij moeten beschikken over alle middelen om zich te kunnen kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten zijn verbonden. Het gaat daarbij onder meer om de volgende middelen: faciliteiten, personeel, apparatuur, instrumenten en materiaal, documentatie van taken, verantwoordelijkheden en procedures, toegang tot relevante gegevens en gegevensbeheer;
b)
naargelang het type van activiteiten en de grootte van de organisatie, moeten zij een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de essentiële eisen van deze bijlage wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem, en
c)
zij moeten regelingen met andere bevoegde organisaties treffen, voor zover nodig, om de blijvende naleving van de eisen van deze bijlage te waarborgen.
▼M3
7.
EISEN INZAKE FINANCIËLE DRAAGKRACHT, AANSPRAKELIJKHEID EN VERZEKERINGSDEKKING, EIGENDOM EN ORGANISATIESTRUCTUUR
Ter waarborging van een veilige en continue dienstverlening moeten verleners van ATM/ANS:
a)
aantonen dat zij over voldoende financiële draagkracht beschikken;
b)
over een passende aansprakelijkheidsverzekering beschikken, rekening houdend met hun juridische status en de beschikbare commerciële verzekeringsdekking, en
c)
voldoen aan de toepasselijke vereisten ten aanzien van eigendom en organisatiestructuur ter voorkoming van belangenconflicten, teneinde een niet-discriminerende dienstverlening te waarborgen.
▼B
|
|
BIJLAGE IX
|
BIJLAGE IX
Essentiële eisen voor onbemande luchtvaartuigen
1. ESSENTIËLE EISEN VOOR HET ONTWERPEN, PRODUCEREN, ONDERHOUDEN EN GEBRUIKEN VAN ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
|
1.1.
|
De exploitant en de piloot op afstand van een onbemand luchtvaartuig moeten op de hoogte zijn van de toepasselijke EU- en nationale regels voor de geplande vluchtuitvoering, met name op het gebied van veiligheid, privacy, gegevensbescherming, aansprakelijkheid, verzekering, beveiliging en milieubescherming. De exploitant en de piloot op afstand van een onbemand luchtvaartuig moeten kunnen waarborgen dat de vluchtuitvoering veilig plaatsvindt en dat een veilige afstand wordt aangehouden tussen het onbemande luchtvaartuig, mensen op de grond en andere luchtruimgebruikers. Dit houdt ook een goede kennis in van de instructies van de producent, van veilig en milieuvriendelijk gebruik van onbemande luchtvaartuigen in het luchtruim, en van alle relevante functies van het onbemande luchtvaartuig, alsmede van de toepasselijke luchtverkeersregels en ATM/ANS-procedures.
|
|
1.2.
|
Een onbemand luchtvaartuig moet zodanig zijn ontworpen en geproduceerd dat het geschikt is voor zijn bedoelde toepassing en kan worden bediend, afgesteld en onderhouden zonder personen in gevaar te brengen.
|
|
1.3.
|
Indien risico's met betrekking tot veiligheid, privacy, bescherming van persoonsgegevens, beveiliging of het milieu die voortvloeien uit de vluchtuitvoering moeten worden beperkt, moet het onbemande luchtvaartuig specifieke kenmerken en functies daarvoor hebben, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen van privacy en bescherming van persoonsgegevens „by design” en „by default”. Naargelang de behoeften moeten deze kenmerken en functies het mogelijk maken het luchtvaartuig gemakkelijk te identificeren en gemakkelijk de aard en het doel van de vluchtuitvoering vast te stellen; deze kenmerken en functies moeten er ook voor zorgen dat de toepasselijke beperkingen, verboden of voorwaarden worden nageleefd, met name met betrekking tot de vluchtuitvoering in bepaalde geografische zones, verder dan een bepaalde afstand verwijderd van de exploitant of op bepaalde hoogtes.
|
|
1.4.
|
De organisatie die verantwoordelijk is voor het produceren of het in de handel brengen van het onbemande luchtvaartuig moet aan de exploitant van een onbemand luchtvaartuig en, voor zover relevant, de onderhoudsorganisatie informatie verstrekken over de vluchtuitvoeringen waarvoor het onbemand luchtvaartuig is ontworpen, alsmede informatie over de operationele beperkingen en andere informatie die nodig is voor een veilige vluchtuitvoering, met inbegrip van de operationele en milieuprestaties, beperkingen inzake luchtwaardigheid en noodprocedures. Deze informatie moet op duidelijke, samenhangende en ondubbelzinnige wijze worden verstrekt. De vluchtuitvoeringsmogelijkheden met onbemande luchtvaartuigen waarvoor geen certificaat of verklaring vereist is, moeten de mogelijkheid bieden beperkingen op te leggen teneinde te voldoen aan de luchtverkeersregels die van toepassing zijn op dergelijke vluchtuitvoeringen.
|
2. AANVULLENDE ESSENTIËLE EISEN VOOR HET ONTWERPEN, PRODUCEREN, ONDERHOUDEN EN GEBRUIKEN VAN DE IN ARTIKEL 56, LEDEN 1 EN 5, BEDOELDE ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
Rekening houdend met de doelstellingen als neergelegd in artikel 1, moeten de volgende eisen worden nageleefd om veiligheid voor mensen op de grond en andere luchtruimgebruikers te waarborgen tijdens vluchtuitvoeringen met onbemande luchtvaartuigen, rekening houdende met het risiconiveau van de vluchtuitvoering, voor zover nodig:
2.1. Luchtwaardigheid
|
2.1.1.
|
Onbemande luchtvaartuigen dienen zodanig te zijn ontworpen of van kenmerken of bijzonderheden te zijn voorzien dat de veiligheid van de persoon die vluchten uitvoert met onbemande luchtvaartuigen of van derde partijen in de lucht of op de grond, daaronder begrepen eigendom, voldoende kan worden aangetoond.
|
|
2.1.2.
|
Onbemande luchtvaartuigen moeten over de nodige productintegriteit beschikken, in verhouding tot de risico's in alle te verwachten vluchtomstandigheden.
|
|
2.1.3.
|
Onbemande luchtvaartuigen moeten veilig kunnen worden gecontroleerd en bestuurd in alle te verwachten vluchtomstandigheden, ook als een of meer systemen uitvallen. Ook de menselijke factor moet in overweging worden genomen, met name de beschikbare kennis over factoren die bijdragen tot een veilig gebruik van technologie door mensen.
|
|
2.1.4.
|
Onbemande luchtvaartuigen en hun motoren, propellers, onderdelen, niet-geïnstalleerde apparatuur en apparatuur voor het op afstand bedienen van het onbemande luchtvaartuig, moeten volgens de verwachtingen functioneren in alle voorspelbare gebruiksomstandigheden, binnen de operationele begrenzingen van het luchtvaartuig, met een voldoende ruime marge.
|
|
2.1.5.
|
Onbemande luchtvaartuigsystemen en hun motoren, propellers, onderdelen, niet-geïnstalleerde apparatuur en apparatuur voor het op afstand bedienen van het onbemande luchtvaartuig, moeten, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, op zodanige wijze zijn ontworpen dat de kans op een storingstoestand en de ernst van de gevolgen daarvan voor mensen op de grond en andere luchtruimgebruikers worden beperkt op basis van de in artikel 4, lid 2, vastgestelde beginselen.
|
|
2.1.6.
|
Alle bij de vluchtuitvoering gebruikte apparatuur voor het op afstand bedienen van het onbemande luchtvaartuig moet van die aard zijn dat de vluchtuitvoering wordt gefaciliteerd, met inbegrip van middelen voor situationeel bewustzijn en voor het beheer van onverwachte situaties en noodgevallen.
|
|
2.1.7.
|
Organisaties die betrokken zijn bij het ontwerpen van onbemande luchtvaartuigen, motoren en propellers moeten voorzorgen nemen om de gevaren te beperken die voortvloeien uit interne of externe problemen met de onbemande luchtvaartuigen of hun systemen die, zoals de ervaring heeft geleerd, een effect hebben op de veiligheid. Dit heeft ook betrekking op bescherming tegen elektronische interferentie.
|
|
2.1.8.
|
Het productieproces en de materialen en de componenten die worden gebruikt bij het produceren van onbemande luchtvaartuigen moeten leiden tot passende en reproduceerbare eigenschappen en prestaties die beantwoorden aan de ontwerpeigenschappen.
|
2.2. Organisaties
Organisaties die betrokken zijn bij het ontwerpen, produceren en onderhouden en bij de vluchtuitvoering en aanverwante diensten en opleidingen op het gebied van onbemande luchtvaartuigen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
De organisatie moet over alle middelen beschikken die nodig zijn voor de omvang van haar werkzaamheden en zorgen voor overeenstemming met de essentiële eisen en met de in artikel 58 bedoelde uitvoeringshandeling en met de in artikel 57 bedoelde uitvoeringshandelingen, die relevant zijn voor haar activiteiten.
b)
De organisatie moet een beheersysteem toepassen dat waarborgt dat aan de toepasselijke essentiële eisen wordt voldaan, de veiligheidsrisico's beheren en streven naar voortdurende verbetering van dit systeem. Dat beheersysteem moet in verhouding staan tot het type activiteiten en de grootte van de organisatie.
c)
De organisatie moet een systeem voor de melding van voorvallen opzetten, als onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem, teneinde bij te dragen tot de voortdurende verbetering van de veiligheid. Het meldingssysteem moet in verhouding staan tot het type activiteiten en de grootte van de organisatie.
d)
De organisatie moet, voor zover relevant, regelingen treffen met andere organisaties om te waarborgen dat de toepasselijke essentiële eisen blijvend worden nageleefd.
2.3. Personen die betrokken zijn bij de bediening van onbemande luchtvaartuigen
Een persoon die betrokken is bij de bediening van een onbemand luchtvaartuig, met inbegrip van de piloot op afstand, moet over de vereiste kennis en vaardigheden beschikken om de veiligheid van de vluchtuitvoering te waarborgen, in verhouding tot het risico dat verbonden is aan het type vluchtuitvoering. Deze persoon moet ook aantonen dat hij medisch geschikt is, indien dit nodig is om de risico's van de desbetreffende vluchtuitvoering te beperken.
2.4. Vluchtuitvoeringen
|
2.4.1.
|
De exploitant van een onbemand luchtvaartuig is verantwoordelijk voor de vluchtuitvoering en moet alle passende maatregelen treffen om de veiligheid van de vluchtuitvoering te waarborgen.
|
|
2.4.2.
|
Vluchten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke wetten, regels en procedures voor het gebied, luchtruim, luchtvaartterrein of terrein waar de vluchtuitvoering gepland is, en, voor zover van toepassing, volgens de daarmee verband houdende ATM/ANS-systemen.
|
|
2.4.3.
|
Bij vluchtuitvoeringen met onbemande luchtvaartuigen moet de veiligheid van derde partijen op de grond en van andere luchtruimgebruikers worden gewaarborgd en moeten de risico's die voortvloeien uit interne en externe problemen, met inbegrip van omgevingsomstandigheden, tot een minimum worden beperkt door tijdens alle vluchtfasen voor passende separatie te zorgen.
|
|
2.4.4.
|
Een onbemand luchtvaartuig mag alleen worden gebruikt als het in luchtwaardige toestand verkeert en als de apparatuur en de andere componenten en diensten die nodig zijn voor de geplande vluchtuitvoering beschikbaar en in goede staat zijn.
|
|
2.4.5.
|
Onbemande luchtvaartuigen en vluchtuitvoeringen met onbemande luchtvaartuigen moeten in overeenstemming zijn met de krachtens het Unierecht gewaarborgde rechten.
|
|
2.4.6.
|
De exploitant van een onbemand luchtvaartuig moet erop toezien dat het luchtvaartuig over de nodige navigatie-, communicatie-, plaatsbepalings-, detectie- en ontwijkingsapparatuur beschikt, en over alle andere apparatuur die nodig wordt geacht voor de veiligheid van de geplande vluchtuitvoering, rekening houdende met de aard van de vluchtuitvoering en de luchtverkeersreglementen en -regels die van toepassing zijn tijdens iedere fase van de vlucht.
|
2.5. Essentiële eisen inzake elektromagnetische compatibiliteit en radiospectrum voor onbemande luchtvaartuigen, evenals de bijbehorende motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde uitrusting waarvan het ontwerp overeenkomstig artikel 56, lid 1, van die verordening is gecertificeerd, die alleen frequenties zouden mogen gebruiken die door het radioreglement van de Internationale Telecommunicatie-unie voor beschermd luchtvaartgebruik zijn toegewezen.
|
2.5.1.
|
Deze onbemande luchtvaartuigen, motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde uitrusting worden op zodanige wijze geproduceerd, rekening houdend met de stand van de techniek, dat wordt gewaarborgd dat:
a)
de elektromagnetische verstoringen die zij opwekken het niveau niet overschrijden waarboven radio- en telecommunicatieapparatuur en andere uitrusting niet meer overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren, en
b)
zij een zodanig niveau van ongevoeligheid voor de elektromagnetische verstoringen bezitten dat zij zonder onaanvaardbare verslechtering van het beoogd gebruik kunnen functioneren.
|
|
2.5.2.
|
Deze onbemande luchtvaartuigen, motoren, propellers, onderdelen en niet-geïnstalleerde uitrusting worden op zodanige wijze geproduceerd, rekening houdend met de stand van de techniek, dat wordt gewaarborgd dat zij het radiospectrum op effectieve wijze gebruiken en bijdragen tot een efficiënt gebruik van het radiospectrum om schadelijke interferentie te voorkomen:
|
3. ESSENTIËLE MILIEU-EISEN VOOR ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
Onbemande luchtvaartuigen dienen te voldoen aan de in bijlage III vervatte eisen inzake milieuprestaties.
4. ESSENTIËLE EISEN VOOR HET REGISTREREN VAN ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN EN HUN EXPLOITANTEN EN VOOR MARKERING VAN ONBEMANDE LUCHTVAARTUIGEN
|
4.1.
|
Onverminderd de verplichtingen waaraan de lidstaten krachtens het Verdrag van Chicago zijn gebonden, worden luchtvaartuigen waarvan het ontwerp krachtens artikel 56, lid 1, moet worden gecertificeerd, geregistreerd in overeenstemming met de in artikel 57 bedoelde uitvoeringshandelingen.
|
|
4.2.
|
De exploitanten van onbemande luchtvaartuigen worden geregistreerd in overeenstemming met de in artikel 57 bedoelde uitvoeringshandelingen, wanneer zij de exploitant zijn van een van de volgende soorten luchtvaartuigen:
a)
onbemande luchtvaartuigen die bij een botsing een kinetische energie van meer dan 80 joule kunnen overdragen;
b)
onbemande luchtvaartuigen waarvan de vluchtuitvoering risico's inhoudt met betrekking tot de privacy, de bescherming van persoonsgegevens, de beveiliging of het milieu;
c)
onbemande luchtvaartuigen waarvan het ontwerp krachtens artikel 56, lid 1, moet worden gecertificeerd;
|
|
4.3.
|
Indien krachtens punt 4.1 of punt 4.2 een registratie-eis geldt, wordt het betreffende onbemande luchtvaartuig afzonderlijk gemarkeerd en geïdentificeerd, in overeenstemming met de in artikel 57 bedoelde uitvoeringshandelingen.
|
|
|
BIJLAGE X
|
BIJLAGE X
Concordantietabel
|
Verordening (EG) nr. 216/2008
|
De onderhavige verordening
|
|
Artikel 1, lid 1
|
Artikel 2, leden 1 en 2
|
|
Artikel 1, lid 2
|
Artikel 2, lid 3
|
|
Artikel 1, lid 3
|
Artikel 2, lid 5
|
|
Artikel 2
|
Artikel 1
|
|
Artikel 3
|
Artikel 3
|
|
Artikel 4, lid 1, onder a)
|
Artikel 2, lid 1, onder a)
|
|
Artikel 4, lid 1, onder b)
|
Artikel 2, lid 1, onder b), i)
|
|
Artikel 4, lid 1, onder c)
|
Artikel 2, lid 1, onder b), ii)
|
|
—
|
Artikel 2, lid 1, onder b), iii)
|
|
Artikel 4, lid 1, onder d)
|
Artikel 2, lid 1, onder c)
|
|
Artikel 4, lid 2
|
Artikel 2, lid 2
|
|
Artikel 4, lid 3
|
Artikel 2, lid 1, onder b) en c)
|
|
Artikel 4, lid 3 bis
|
Artikel 2, lid 1, onder d) en e), en lid 2
|
|
—
|
Artikel 2, lid 4
|
|
—
|
Artikel 2, lid 6
|
|
Artikel 4, lid 3 ter
|
Artikel 2, lid 7
|
|
Artikel 4, lid 3 quater
|
Artikel 2, lid 1, onder g), en lid 2
|
|
Artikel 4, leden 4 en 5
|
Artikel 2, lid 3, onder d)
|
|
Artikel 4, lid 6
|
—
|
|
—
|
Artikel 2, leden 8 tot en met 11
|
|
—
|
Artikel 4
|
|
—
|
Artikel 5
|
|
—
|
Artikel 6
|
|
—
|
Artikel 7
|
|
—
|
Artikel 8
|
|
Artikel 5, leden 1, 2 en 3
|
Artikelen 9 tot en met 16
|
|
Artikel 5, lid 4, onder a) en b)
|
Artikel 18, lid 2
|
|
Artikel 5, lid 4, onder c)
|
Artikel 18, lid 1, onder b)
|
|
—
|
Artikel 18, lid 1, onder a)
|
|
Artikel 5, lid 5
|
Artikelen 17 en 19
|
|
Artikel 5, lid 6
|
Artikel 4
|
|
Artikel 6
|
Artikelen 9, lid 2, en 19, lid 3
|
|
Artikel 7, leden 1 en 2
|
Artikelen 20 en 21
|
|
Artikel 8, lid 4
|
Artikel 22
|
|
Artikel 7, leden 3 tot en met 7
|
Artikelen 23 tot en met 28
|
|
Artikel 8, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 29, artikel 30, leden 1 tot en met 3
|
|
—
|
Artikel 30, leden 4 tot en met 7
|
|
Artikel 8, lid 5
|
Artikelen 31 en 32
|
|
Artikel 8, lid 6
|
Artikel 4
|
|
Artikel 8 bis, leden 1 tot en met 5
|
Artikelen 33 tot en met 39
|
|
Artikel 8 bis, lid 6
|
Artikel 4
|
|
Artikel 8 ter, leden 1 tot en met 6
|
Artikelen 40 tot en met 47
|
|
Artikel 8 ter, lid 7
|
Artikel 4
|
|
Artikel 8 quater, leden 1 tot en met 10
|
Artikelen 48 tot en met 54
|
|
Artikel 8 quater, lid 11
|
Artikel 4
|
|
—
|
Artikelen 55 tot en met 58
|
|
Artikel 9
|
Artikelen 59 tot en met 61
|
|
Artikel 10, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 62, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 62, leden 3 tot en met 8
|
|
Artikel 10, lid 4
|
Artikel 62, lid 9
|
|
—
|
Artikel 62, leden 10 tot en met 12
|
|
Artikel 10, lid 5
|
Artikel 62, leden 13 tot en met 15
|
|
—
|
Artikel 63
|
|
—
|
Artikel 64
|
|
—
|
Artikel 65
|
|
—
|
Artikel 66
|
|
Artikel 11, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 67, leden 1 tot en met 3
|
|
Artikel 11, lid 4 tot en met 5 ter
|
—
|
|
Artikel 11, lid 6
|
Artikel 67, lid 4
|
|
Artikel 12
|
Artikel 68
|
|
Artikel 13
|
Artikel 69
|
|
Artikel 14, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 70
|
|
Artikel 14, leden 4 tot en met 7
|
Artikel 71
|
|
Artikel 15
|
Artikel 72
|
|
Artikel 16
|
Artikel 73
|
|
—
|
Artikel 74
|
|
Artikel 17
|
Artikel 75
|
|
Artikel 18
|
Artikel 76, leden 1 tot en met 5
|
|
Artikel 19
|
Artikel 76, leden 1 tot en met 5
|
|
Artikel 20
|
Artikel 77
|
|
Artikel 21
|
Artikel 78
|
|
Artikel 22, lid 1
|
Artikel 76, lid 6
|
|
Artikel 22, lid 2
|
Artikel 76, lid 7
|
|
—
|
Artikel 79
|
|
Artikel 22 bis
|
Artikel 80
|
|
Artikel 22 ter
|
Artikel 81
|
|
Artikel 23
|
Artikel 82, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 82, lid 3
|
|
Artikelen 24 en 54
|
Artikel 85
|
|
Artikel 25
|
Artikel 84
|
|
Artikel 26
|
Artikel 86, leden 1 tot en met 4
|
|
—
|
Artikel 86, lid 5
|
|
—
|
Artikel 87
|
|
—
|
Artikel 88
|
|
—
|
Artikel 89
|
|
Artikel 27
|
Artikel 90, leden 1 tot en met 3
|
|
—
|
Artikel 90, leden 4 tot en met 6
|
|
—
|
Artikel 91
|
|
—
|
Artikel 92
|
|
—
|
Artikel 93
|
|
Artikel 28, leden 1 en 2
|
Artikel 94, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 94, lid 3
|
|
Artikel 28, leden 3 en 4
|
Artikel 94, leden 4 en 5
|
|
Artikel 29, lid 1
|
Artikel 95, lid 1
|
|
Artikel 29, lid 2
|
Artikel 98, lid 2, onder m), en lid 6
|
|
Artikel 29, lid 3
|
—
|
|
—
|
Article 95, lid 2
|
|
Artikel 30
|
Artikel 96
|
|
Artikel 31
|
Artikel 97
|
|
Artikel 32, lid 1
|
Artikel 119, lid 3
|
|
Artikel 32, lid 2
|
Artikel 119, lid 6
|
|
Artikel 33
|
Artikel 98, leden 1 tot en met 5
|
|
Artikel 34, lid 1
|
Artikel 99, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 99, lid 3
|
|
Artikel 34, leden 2 en 3
|
Artikel 99, leden 4 en 5
|
|
Artikel 35
|
Artikel 100
|
|
Artikel 36
|
Artikel 101
|
|
Artikel 37, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 102, leden 1 tot en met 3
|
|
—
|
Artikel 102, lid 4
|
|
Artikel 38, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 104, leden 1 tot en met 3
|
|
—
|
Artikel 104, lid 4
|
|
Artikel 39
|
—
|
|
—
|
Artikel 103
|
|
Artikel 40
|
Artikel 105
|
|
Artikel 41, lid 1
|
—
|
|
Artikel 41, leden 2 en 3
|
Artikel 106, lid 1
|
|
Artikel 41, lid 4
|
—
|
|
Artikel 41, lid 5
|
Artikel 106, lid 6
|
|
Artikel 42
|
Artikel 106, leden 2 tot en met 5
|
|
Artikel 43
|
Artikel 107
|
|
Artikel 44
|
Artikel 108
|
|
Artikel 45
|
Artikel 109
|
|
Artikel 46
|
Artikel 110
|
|
Artikel 47
|
Artikel 111
|
|
Artikel 48
|
Artikel 112
|
|
Artikel 49
|
Artikel 113
|
|
Artikel 50
|
Artikel 114, leden 1, 2 en 4
|
|
Artikel 51
|
Artikel 114, lid 3
|
|
Artikel 52, leden 1 tot en met 3
|
Artikel 115
|
|
Artikel 52, lid 4
|
Artikel 76, lid 6
|
|
Artikel 53, leden 1 en 2
|
Artikel 116
|
|
Artikel 53, lid 3
|
Artikel 76, lid 6
|
|
Artikel 54
|
Artikel 85
|
|
Artikel 55
|
Artikel 83
|
|
Artikel 56
|
Artikel 117
|
|
Artikel 57
|
Artikel 118
|
|
Artikel 58, leden 1 en 2
|
Artikel 119, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 119, lid 4
|
|
Artikel 58, lid 3
|
Artikel 119, lid 5
|
|
Artikel 58, lid 4
|
Artikel 132, lid 2
|
|
Artikel 59, leden 1 tot en met 4
|
Artikel 120, leden 1 tot en met 4
|
|
—
|
Artikel 120, lid 5
|
|
Artikel 59, leden 5 tot en met 11
|
Artikel 120, leden 6 tot en met 12
|
|
Artikel 60
|
Artikel 121
|
|
Artikel 61
|
Artikel 122
|
|
—
|
Artikel 123
|
|
Artikel 62
|
Artikel 124
|
|
Artikel 63
|
Artikel 125
|
|
Artikel 64, leden 1 en 3
|
Artikel 126, lid 4
|
|
Artikel 64, lid 2
|
—
|
|
Artikel 64, lid 4
|
Artikel 126, lid 1
|
|
Artikel 64, lid 5
|
Artikel 126, lid 2
|
|
—
|
Artikel 126, lid 3
|
|
Artikel 65
|
Artikel 127
|
|
Artikel 65 bis
|
—
|
|
—
|
Artikel 128
|
|
Artikel 66
|
Artikel 129
|
|
—
|
Artikel 130
|
|
Artikel 67
|
—
|
|
Artikel 68
|
Artikel 131
|
|
—
|
Artikel 132, lid 1
|
|
Artikel 58, lid 4
|
Artikel 132, lid 2
|
|
Artikel 69
|
—
|
|
—
|
Artikel 133
|
|
—
|
Artikel 134
|
|
—
|
Artikel 135
|
|
—
|
Artikel 136
|
|
—
|
Artikel 137
|
|
—
|
Artikel 138
|
|
—
|
Artikel 139
|
|
—
|
Artikel 140
|
|
Artikel 70
|
Artikel 141
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|