+VERORDENING (Euratom) 2021/948 VAN DE RAAD van 27 mei 2021 tot vaststelling van een Europees instrument voor internationale samenwerking inzake nucleaire veiligheid, ter aanvulling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld op basis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 237/2014
---+Preamble: 1
---+TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
------+Artikel 2 Doelstellingen van het instrument
---------+Artikel 2 1
---------+Artikel 2 2
------+Artikel 3 Samenhang, consistentie en complementariteit
---------+Artikel 3 1
---------+Artikel 3 2
---------+Artikel 3 3
------+Artikel 4 Begroting van het instrument
------+Artikel 5 Beleidskader
---+TITEL II TENUITVOERLEGGING VAN HET INSTRUMENT
------+Artikel 6 Meerjarige indicatieve programma’s
---------+Artikel 6 1
---------+Artikel 6 2
---------+Artikel 6 3
---------+Artikel 6 4
---------+Artikel 6 5
---------+Artikel 6 6
---------+Artikel 6 7
------+Artikel 7 Jaarlijkse actieplannen en maatregelen
---------+Artikel 7 1
---------+Artikel 7 2
---------+Artikel 7 3
---------+Artikel 7 4
------+Artikel 8 Ondersteunende maatregelen
---------+Artikel 8 1
---------+Artikel 8 2
------+Artikel 9 Samenwerkingsmethoden
------+Artikel 10 Vormen van en uitvoeringsmethoden voor Uniefinanciering
---------+Artikel 10 1
---------+Artikel 10 2
---------+Artikel 10 3
------+Artikel 11 In aanmerking komende personen en entiteiten
---------+Artikel 11 1
---------+Artikel 11 2
---------+Artikel 11 3
---------+Artikel 11 4
---------+Artikel 11 5
---------+Artikel 11 6
---------+Artikel 11 7
---------+Artikel 11 8
---------+Artikel 11 9
------+Artikel 12 Criteria voor internationale samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid
---------+Artikel 12 1
---------+Artikel 12 2
---------+Artikel 12 3
---------+Artikel 12 4
------+Artikel 13 Begunstigden van samenwerking
---------+Artikel 13 1
---------+Artikel 13 2
------+Afdeling 14 Monitoring, verslaglegging en evaluatie
---------+Afdeling 14 1
---------+Afdeling 14 2
---+TITEL III SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 15 Comité
---------+Artikel 15 1
---------+Artikel 15 2
---------+Artikel 15 3
------+Artikel 16 Informatie, communicatie en zichtbaarheid en afwijking van de zichtbaarheidsvereisten
------+Artikel 17 EDEO
------+Artikel 18 Intrekking
------+Artikel 19 Overgangsbepalingen
---------+Artikel 19 1
---------+Artikel 19 2
---------+Artikel 19 3
---------+Artikel 19 4
------+Artikel 20 Inwerkingtreding
|
English -
European Union -
Environment -
VERORDENING (Euratom) 2021/948 VAN DE RAAD van 27 mei 2021 tot vaststelling van een Europees instrument voor internationale samenwerking inzake nucleaire veiligheid, ter aanvulling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld op basis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 237/2014
VERORDENING (Euratom) 2021/948 VAN DE RAAD
van 27 mei 2021
tot vaststelling van een Europees instrument voor internationale samenwerking inzake nucleaire veiligheid, ter aanvulling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld op basis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 237/2014
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Preamble: 1
|
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 203,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1)
|
De Unie dient haar waarden en belangen wereldwijd hoog te houden en uit te dragen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen en beginselen van het externe optreden van de Unie, zoals verankerd in artikel 3, lid 5, en de artikelen 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
|
|
(2)
|
Met het oog op de uitvoering van het nieuwe internationale kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie en de Europese consensus inzake ontwikkeling is Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad (2) erop gericht de samenhang en doeltreffendheid van het externe optreden van de Unie te vergroten door haar inspanningen te concentreren via een gestroomlijnd instrument om de tenuitvoerlegging van de verschillende beleidslijnen inzake extern optreden te verbeteren.
|
|
(3)
|
Het Europees instrument voor internationale samenwerking inzake nucleaire veiligheid (“het instrument”), dat een aanvulling vormt op het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/947, moet als doelstelling hebben een hoog niveau van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming te bevorderen, alsmede de toepassing van efficiënte en effectieve veiligheidscontroles op nucleair materiaal in derde landen, voortbouwend op de activiteiten binnen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“de Gemeenschap”). In het kader van deze doelstelling strekt de verordening ertoe de transparantie in besluitvormingsprocessen van autoriteiten van derde landen op nucleair gebied te bevorderen.
|
|
(4)
|
Het instrument moet een looptijd krijgen van zeven jaar om het gelijk te laten lopen met het meerjarig financieel kader dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (3).
|
|
(5)
|
Deze verordening maakt deel uit van het kader voor de planning van de samenwerking en moet een aanvulling vormen op de uit hoofde van Verordening (EU) 2021/947 gefinancierde maatregelen voor samenwerking op nucleair gebied.
|
|
(6)
|
De lidstaten zijn partij bij het op 1 juli 1968 ondertekende Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en passen het aanvullende protocol toe op hun respectieve veiligheidscontroleovereenkomst met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (“de IAEA”).
|
|
(7)
|
Met het oog op het in stand houden en bevorderen van een continue verbetering van de nucleaire veiligheid en de regulering daarvan, heeft de Raad de Richtlijnen 2009/71/Euratom (4), 2011/70/Euratom (5) en 2013/59/Euratom (6) vastgesteld. Deze richtlijnen vormen — samen met de hoge standaard voor nucleaire veiligheid en voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof die in de Gemeenschap wordt toegepast — goede voorbeelden om derde landen aan te sporen vergelijkbare hoge normen vast te stellen.
|
|
(8)
|
De Gemeenschap en haar lidstaten zijn partij bij het op 17 juni 1994 aangenomen Verdrag inzake nucleaire veiligheid en het op 5 september 1997 aangenomen Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval.
|
|
(9)
|
De Gemeenschap moet overeenkomstig hoofdstuk 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“het Euratomverdrag”) nauw blijven samenwerken met de IAEA ten aanzien van nucleaire veiligheid en nucleaire veiligheidscontroles, ter bevordering van de doelstellingen van de hoofdstukken 3 en 7 van titel II van het Euratomverdrag. De Gemeenschap werkt samen met andere internationale organisaties en programma’s die soortgelijke doelstellingen nastreven.
|
|
(10)
|
Dit instrument moet voorzien in acties ter ondersteuning van deze doelstellingen en voortbouwen op de acties die voorheen werden gesteund uit hoofde van Verordening (Euratom) nr. 237/2014 (7). De doelstellingen in kwestie betreffen het bevorderen van een doeltreffende cultuur van nucleaire veiligheid en de toepassing van de strengste nucleaire-veiligheids- en stralingsbeschermingsnormen en de continue verbetering van de nucleaire veiligheid, verantwoordelijk en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, en de ontmanteling en sanering van voormalige nucleaire terreinen en installaties, alsmede efficiënte en doeltreffende veiligheidscontroles voor nucleair materiaal in derde landen, met name de toetredende staten, de kandidaat-lidstaten, mogelijke kandidaten en landen van het Europees nabuurschapsbeleid.
|
|
(11)
|
De uitvoering van deze verordening moet, waar relevant, gebaseerd zijn op overleg met de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten, met name de bevoegde reguleringsinstanties op het gebied van de veiligheid van kerninstallaties, met de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid en via het Comité van het Europees instrument voor internationale samenwerking inzake nucleaire veiligheid, alsmede op dialoog met de partnerlanden. Bij de uitvoering van deze verordening moet rekening worden gehouden met de conclusies van de Raad van 9 december 2008 over bijstand aan derde landen op het gebied van nucleaire veiligheid en nucleaire beveiliging.
|
|
(12)
|
De resultaten van het externe optreden van de Gemeenschap moeten worden gemonitord en geëvalueerd op basis van vooraf gedefinieerde, transparante, landspecifieke en meetbare indicatoren, afgestemd op de bijzondere kenmerken en de doelstellingen van het instrument, en moeten bij voorkeur worden gebaseerd op het EU-resultatenkader voor internationale samenwerking en ontwikkeling. De indicatoren moeten kwaliteits-, prestatie- en resultaatgericht zijn, zodat begunstigde landen worden gehouden tot meer verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht ten aanzien van de Unie en haar lidstaten voor wat betreft de behaalde resultaten op het vlak van de toepassing van veiligheidsbevorderende maatregelen.
|
|
(13)
|
De Unie en de Gemeenschap moeten ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, zodat hun externe optreden optimaal effect sorteert. Dat moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de externe financieringsinstrumenten van de Unie, en door synergieën met andere beleidslijnen en programma’s van de Unie. Met het oog op een maximale impact van de gecombineerde interventies voor het bereiken van een gemeenschappelijke doelstelling moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid om financiering te combineren met andere programma’s van de Unie, mits de bijdragen niet dezelfde kosten dekken.
|
|
(14)
|
Bij deze verordening worden de financiële middelen vastgesteld voor de gehele looptijd van dit instrument, dat voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag moet vormen het in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen, (8) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure.
|
|
(15)
|
Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9) (“het Financieel Reglement”) is op dit instrument van toepassing. Het Financieel Reglement stelt regels vast voor de uitvoering van de Uniebegroting, waaronder regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirect beheer, financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties, financiële steun en de vergoeding van externe deskundigen.
|
|
(16)
|
De voorschriften en procedures van Verordening (EU) 2021/947 moeten, indien van toepassing, gelden voor de uitvoering van deze verordening, en de uitvoeringsbepalingen van onderhavige verordening moeten overeenkomen met die van die verordening.
|
|
(17)
|
De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 106 bis van het Euratomverdrag en artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en zij voorzien in controles van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op grond van artikel 106 bis van het Euratomverdrag en artikel 322 VWEU vastgestelde voorschriften bevatten tevens een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting.
|
|
(18)
|
De vormen van en de uitvoeringsmethoden voor Uniemiddelen in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten worden overwogen, alsook financiering die niet gekoppeld is aan kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement.
|
|
(19)
|
Jaarlijkse actieplannen en maatregelen dienen werkprogramma’s overeenkomstig het Financieel Reglement te zijn. Jaarlijkse actieplannen bestaan uit een reeks maatregelen die in één document worden samengevoegd.
|
|
(20)
|
Om ervoor te zorgen dat de steun voor het betrokken beleidsgebied ononderbroken doorloopt en dat de uitvoering van start kan gaan vanaf het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf het begin van het begrotingsjaar 2021.
|
|
(21)
|
Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (11), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (12) en (EU) 2017/1939 (13) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, onder meer op het gebied van preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, voor zover van toepassing, met administratieve sancties. In het bijzonder heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid om administratieve onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, in te stellen om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.
Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd over te gaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (14). Personen en entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen. Daarom moeten overeenkomsten met derde landen en gebieden en met internationale organisaties, alsmede contracten of overeenkomsten die voortvloeien uit de uitvoering van deze verordening, bepalingen bevatten die de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en het EOM uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen om audits en controles en verificaties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, en die waarborgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van Uniemiddelen, gelijkwaardige rechten verlenen.
|
|
(22)
|
Verordening (Euratom) nr. 237/2014 moet derhalve worden ingetrokken.
|
|
(23)
|
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (15).
|
|
(24)
|
De verwijzingen naar instrumenten voor externe bijstand in Besluit 2010/427/EU van de Raad (16) moeten worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening en naar de daarin genoemde verordeningen. De Commissie moet erop toezien dat deze verordening wordt uitgevoerd overeenkomstig Besluit 2010/427/EU.
|
|
(25)
|
Bij de acties waarin deze verordening voorziet, moeten de door de beperkende maatregelen van de Unie vastgestelde voorwaarden en procedures nauwgezet in acht worden genomen,
|
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 mei 2021.
Voor de Raad
De voorzitter
P. SIZA VIEIRA
|
|
TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN
|
TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN
|
|
TITEL II TENUITVOERLEGGING VAN HET INSTRUMENT
|
TITEL II TENUITVOERLEGGING VAN HET INSTRUMENT
|
|
TITEL III SLOTBEPALINGEN
|
TITEL III SLOTBEPALINGEN
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|