+VERORDENING (EU) 2023/1804 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
------+Artikel 1 3.
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor lichte elektrische voertuigen
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
------+Artikel 3 6.
------+Artikel 3 7.
------+Artikel 3 8.
------+Artikel 3 9.
------+Artikel 3 10.
------+Artikel 3 11.
---+Artikel 4 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor zware elektrische voertuigen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
------+Artikel 4 4.
------+Artikel 4 5.
------+Artikel 4 6.
------+Artikel 4 7.
------+Artikel 4 8.
------+Artikel 4 9.
---+Artikel 5 Laadinfrastructuur
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
------+Artikel 5 6.
------+Artikel 5 7.
------+Artikel 5 8.
------+Artikel 5 9.
------+Artikel 5 10.
------+Artikel 5 11.
---+Artikel 6 Streefcijfers voor waterstoftankinfrastructuur voor wegvoertuigen
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
------+Artikel 6 5.
---+Artikel 7 Infrastructuur voor het tanken van waterstof
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
---+Artikel 8 Infrastructuur voor vloeibaar methaan voor wegvoertuigen
---+Artikel 9 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in zeehavens
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
---+Artikel 10 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in binnenhavens
---+Artikel 11 Streefcijfers voor de levering van vloeibaar methaan in zeehavens
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
---+Artikel 12 Streefcijfers voor de levering van elektriciteit aan stilstaande luchtvaartuigen
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
------+Artikel 12 4.
---+Artikel 13 Spoorweginfrastructuur
---+Artikel 14 Nationale beleidskaders
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
------+Artikel 14 4.
------+Artikel 14 5.
------+Artikel 14 6.
------+Artikel 14 7.
------+Artikel 14 8.
------+Artikel 14 9.
------+Artikel 14 10.
------+Artikel 14 11.
---+Artikel 15 Nationale rapportage
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 4.
---+Artikel 16 Inhoud, structuur en formaat van nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen
---+Artikel 17 Beoordeling van de nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
------+Artikel 17 3.
------+Artikel 17 4.
------+Artikel 17 5.
------+Artikel 17 6.
---+Artikel 18 Voortgangsbewaking
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
---+Artikel 19 Informatie voor gebruikers
------+Artikel 19 1.
------+Artikel 19 2.
------+Artikel 19 3.
------+Artikel 19 4.
------+Artikel 19 5.
---+Artikel 20 Gegevensverstrekking
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
------+Artikel 20 3.
------+Artikel 20 4.
------+Artikel 20 5.
------+Artikel 20 6.
------+Artikel 20 7.
------+Artikel 20 8.
---+Artikel 21 Gemeenschappelijke technische specificaties
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
------+Artikel 21 3.
------+Artikel 21 4.
------+Artikel 21 5.
------+Artikel 21 6.
---+Artikel 22 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
------+Artikel 22 5.
------+Artikel 22 6.
---+Artikel 23 Comitéprocedure
------+Artikel 23 1.
------+Artikel 23 2.
---+Artikel 24 Verslaglegging en evaluatie
------+Artikel 24 1.
------+Artikel 24 2.
------+Artikel 24 3.
---+Artikel 25 Intrekking
------+Artikel 25 1.
------+Artikel 25 2.
---+Artikel 26 Inwerkingtreding en toepassing
---+BIJLAGE I Rapportage
---+BIJLAGE II Technische specificaties
---+BIJLAGE III Rapportagevereisten inzake het aandeel elektrische voertuigen en de uitrol van openbaar toegankelijke laadinfrastructuur
---+BIJLAGE IV Concordantietabel
English - European Union - Environment -

VERORDENING (EU) 2023/1804 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EU) 2023/1804 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 september 2023

betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU

(Voor de EER relevante tekst)

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Onderwerp
Artikel 2 Definities

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1) 

“toegankelijkheid van gegevens”: de mogelijkheid om gegevens te allen tijde in een machineleesbaar formaat op te vragen en te verkrijgen;

2) 

“ad-hocprijs”: de prijs die de exploitant van een laad- of tankpunt aan een eindgebruiker aanrekent om op ad-hocbasis te laden of te tanken;

3) 

“langs het TEN-T-wegennetwerk”:

a) 

met betrekking tot elektrische laadstations: dat zij zich bevinden op het TEN-T-wegennetwerk of binnen een rijafstand van 3 km vanaf de dichtstbijzijnde afrit van een TEN-T-weg; en

b) 

met betrekking tot waterstoftankstations: dat zij zich bevinden op het TEN-T-wegennetwerk of binnen een rijafstand van 10 km vanaf de dichtstbijzijnde afrit van een TEN-T-weg;

4) 

“alternatieve brandstoffen”: brandstoffen of energiebronnen die, ten minste gedeeltelijk, dienen als vervanging voor fossiele oliebronnen in de energie die gebruikt wordt voor vervoer en die kunnen bijdragen tot de decarbonisatie daarvan en tot betere milieuprestaties van de vervoerssector, met inbegrip van:

a) 

“alternatieve brandstoffen voor emissievrije voertuigen, treinen, vaartuigen of luchtvaartuigen”:

— 
elektriciteit,
— 
waterstof,
— 
ammoniak,
b) 

“hernieuwbare brandstoffen”:

— 
biomassabrandstoffen, waaronder biogas, en biobrandstoffen als gedefinieerd in artikel 2, respectievelijk punten 27), 28) en 33), van Richtlijn (EU) 2018/2001,
— 
uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde synthetische en paraffinehoudende brandstoffen, waaronder ammoniak,
c) 

“niet-hernieuwbare alternatieve brandstoffen en fossiele overgangsbrandstoffen”

— 
aardgas, in gasvorm (compressed natural gas — CNG) en in vloeibare vorm (liquefied natural gas — LNG),
— 
vloeibaar gemaakt petroleumgas (liquefied petroleum gas — LPG), en
— 
uit niet-hernieuwbare energiebronnen geproduceerde synthetische en paraffinehoudende brandstoffen;
5) 

“standplaats van een luchtvaartuig aan de gate”: een standplaats in een aangewezen zone van het luchthavenplatform die is uitgerust met een passagiersbrug;

6) 

“buitenstandplaats van een luchtvaartuig”: een standplaats in een aangewezen zone van het luchthavenplatform die niet is uitgerust met een passagiersbrug;

7) 

“luchthaven van het TEN-T-kernnetwerk of luchthaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een luchthaven als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

8) 

“automatische authenticatie”: de authenticatie van een voertuig bij een laadpunt via de laadconnector of telematica;

9) 

“beschikbaarheid van gegevens”: het bestaan van gegevens in een digitaal machineleesbaar formaat;

10) 

“batterijelektrisch voertuig”: een elektrisch voertuig dat uitsluitend op de elektromotor rijdt, zonder secundaire voortstuwingsbron;

11) 

“bidirectioneel laden”: een slim laadproces waarbij de richting van de elektriciteitsstroom kan worden omgekeerd, waardoor elektriciteit ook van de batterij naar het laadpunt waarop zij is aangesloten kan stromen;

12) 

“connector”: de fysieke interface tussen het laad- of tankpunt en het voertuig, via welke de brandstof of elektrische energie wordt uitgewisseld;

13) 

“commercieel luchtvervoer”: commercieel luchtvervoer als gedefinieerd in artikel 3, punt 24), van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

14) 

“containerschip”: een schip dat uitsluitend is ontworpen voor het vervoer van containers in ruimen en op het dek;

15) 

“betaling op basis van een contract”: een betaling door de eindgebruiker van een laad- of tankdienst aan een aanbieder van mobiliteitsdiensten op basis van een contract dat is afgesloten tussen die eindgebruiker en die aanbieder van mobiliteitsdiensten;

16) 

“gegevensgebruiker”: elke overheidsinstantie, wegenautoriteit, wegexploitant, exploitant van laad- en tankpunten, onderzoeks- of niet-gouvernementele organisatie, aanbieder van mobiliteitsdiensten, elk e-roamingplatform, elke aanbieder van digitale kaarten of elke andere entiteit die geïnteresseerd is in het gebruik van gegevens om informatie te verstrekken, diensten te creëren of onderzoek of analyse uit te voeren met betrekking tot infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;

17) 

“digitaal verbonden laadpunt”: een laadpunt dat realtime informatie kan verzenden en ontvangen, dat in twee richtingen met het elektriciteitsnet en met het elektrisch voertuig kan communiceren, en dat op afstand kan worden gemonitord en beheerd, onder meer om de laadsessie te starten en te stoppen en om de elektriciteitsstromen te meten;

18) 

“distributiesysteembeheerder” (DSO): distributiesysteembeheerder in de zin van artikel 2, punt 29), van Richtlijn (EU) 2019/944;

19) 

“distributeur”: een distributeur als gedefinieerd in artikel 3, punt 43, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 );

20) 

“dynamische gegevens”: gegevens die vaak of op regelmatige basis wijzigen;

21) 

“elektrisch wegsysteem”: een fysieke installatie op een weg voor het overbrengen van elektriciteit naar een rijdend elektrisch voertuig;

22) 

“elektrisch voertuig”: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen;

23) 

“elektriciteitsvoorziening aan stilstaande luchtvaartuigen”: de levering van elektriciteit via een gestandaardiseerde vaste of mobiele interface aan luchtvaartuigen die op een standplaats van een luchtvaartuig aan de gate of op een buitenstandplaats van een luchtvaartuig zijn geparkeerd;

24) 

“eindgebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die alternatieve brandstof koopt voor direct gebruik in een voertuig;

25) 

“e-roaming”: de uitwisseling van gegevens en betalingen tussen de exploitant van een laad- of tankpunt en een aanbieder van mobiliteitsdiensten van wie een eindgebruiker een laad- of tankdienst koopt;

26) 

“e-roamingplatform”: een platform dat marktspelers, met name aanbieders van mobiliteitsdiensten en exploitanten van laad- of tankpunten, met elkaar verbindt om hen in staat te stellen aan elkaar diensten te verlenen, met inbegrip van e-roaming;

27) 

“Europese norm”: een Europese norm als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), b), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

28) 

“algemene luchtvaart”: alle andere burgerluchtvaartactiviteiten dan geregelde luchtdiensten en niet-geregelde luchtvervoersactiviteiten tegen vergoeding of betaling van huur;

29) 

“brutotonnage (GT)”: brutotonnage als gedefinieerd in artikel 3, punt e), van Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 );

30) 

“zwaar voertuig”: een motorvoertuig van categorie M2 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), ii), een motorvoertuig van categorie M3 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), iii), een motorvoertuig van categorie N2 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), ii), of een motorvoertuig van categorie N3 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), iii), van Verordening (EU) 2018/858;

31) 

“laadpunt met hoog vermogen”: een laadpunt met een laadvermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht naar een elektrisch voertuig;

32) 

“een hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS 74), dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

33) 

“licht voertuig”: een motorvoertuig van categorie M1 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), i), of een motorvoertuig van categorie N1 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), i), van Verordening (EU) 2018/858;

34) 

“vloeibaar methaan”: LNG, vloeibaar biogas of synthetisch vloeibaar methaan, met inbegrip van mengsels van die brandstoffen;

35) 

“fabrikant”: een fabrikant als gedefinieerd in artikel 3, punt 40, van Verordening (EU) 2018/858;

36) 

“aanbieder van mobiliteitsdiensten”: een rechtspersoon die tegen vergoeding diensten verleent aan eindgebruikers, met inbegrip van het verkopen van laad- of tankdiensten;

37) 

“laadpunt met normaal vermogen”: een laadpunt met een laadvermogen van maximaal 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht naar een elektrisch voertuig;

38) 

“nationaal toegangspunt”: een digitale interface die is opgezet door een lidstaat en een centraal toegangspunt voor gegevens vormt;

39) 

“exploitant van een laadpunt”: de entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer en de exploitatie van een laadpunt en die een laaddienst levert aan eindgebruikers, onder meer namens en voor rekening van een aanbieder van mobiliteitsdiensten;

40) 

“exploitant van een tankpunt”: de entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer en de exploitatie van een tankpunt en die een tankdienst levert aan eindgebruikers, onder meer namens en voor rekening van een aanbieder van mobiliteitsdiensten;

41) 

“passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert, met inbegrip van cruiseschepen, hogesnelheidspassagiersvaartuigen en roropassagiersschepen;

42) 

“betalingsdienst”: een betalingsdienst als gedefinieerd in artikel 4, punt 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 );

43) 

“plug-in hybride voertuig”: elektrisch voertuig met een conventionele verbrandingsmotor in combinatie met een elektrisch aandrijfsysteem dat via een externe elektrische energiebron kan worden opgeladen;

44) 

“laadvermogen”: het theoretische maximumvermogen, uitgedrukt in kW, dat een laadpunt, -station of -pool dan wel een walstroomvoorziening kan leveren aan voertuigen of vaartuigen die zijn aangesloten op dat punt, dat station, die pool of die voorziening;

45) 

“openbaar toegankelijke infrastructuur voor alternatieve brandstoffen”: infrastructuur voor alternatieve brandstoffen op een locatie of in een ruimte die toegankelijk is voor het publiek, ongeacht of die infrastructuur voor alternatieve brandstoffen zich op openbaar dan wel op privéterrein bevindt, ongeacht de eventuele beperkingen of voorwaarden voor de toegang tot de locatie of ruimte en ongeacht de gebruiksvoorwaarden van die infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;

46) 

“Quick-responscode” (QR-code): een ISO/IEC 18004:2015-conforme codering en visualisatie van gegevens;

47) 

“ad-hoclaadbeurt”: een door een eindgebruiker aangekochte laaddienst waarvoor hij niet verplicht is zich te registreren, een schriftelijke overeenkomst te sluiten of een commerciële relatie met de exploitant van dat laadpunt aan te gaan die verder gaat dan de loutere aankoop van de laaddienst;

48) 

“laadpunt”: een vaste of mobiele, al dan niet op het net aangesloten interface voor het overbrengen van elektriciteit naar een elektrisch voertuig die eventueel weliswaar beschikt over een of meer connectoren zodat zij compatibel is met verschillende typen connectoren maar die slechts in staat is één elektrisch voertuig tegelijk op te laden, met uitzondering van apparaten met een laadvermogen lager dan of gelijk aan 3,7 kW die niet in de eerste plaats voor het opladen van elektrische voertuigen zijn bestemd;

49) 

“laadpunt, -station of -pool voor lichte voertuigen”: een laadpunt, -station of -pool dat of die bestemd is voor het opladen van lichte voertuigen, vanwege het specifieke ontwerp van de connectoren/stekkers of vanwege het ontwerp van de parkeerplaats naast het laadpunt, het laadstation of de laadpool, of vanwege beide;

50) 

“laadpunt, -station of -pool voor zware voertuigen”: een laadpunt, -station of -pool dat of die bestemd is voor het opladen van zware voertuigen, hetzij vanwege het specifieke ontwerp van de connectoren/stekkers, hetzij vanwege het ontwerp van de parkeerplaats naast het laadpunt, het laadstation of de laadpool, hetzij vanwege beide;

51) 

“laadpool”: een of meer laadstations op een specifieke locatie;

52) 

“laadstation”: een fysieke installatie op een specifieke locatie, bestaande uit een of meer laadpunten;

53) 

“laaddienst”: de verkoop of levering van elektriciteit, met inbegrip van aanverwante diensten, via een openbaar toegankelijk laadpunt;

54) 

“laadsessie”: het volledige proces van het opladen van een voertuig op een openbaar toegankelijk laadpunt vanaf het moment waarop het voertuig wordt aangesloten tot het moment waarop het wordt losgekoppeld;

55) 

“ad-hoctankbeurt”: een door een eindgebruiker aangekochte tankdienst waarvoor hij niet verplicht is zich te registreren, een schriftelijke overeenkomst te sluiten of een commerciële relatie met de exploitant van dat tankpunt aan te gaan die verder gaat dan de loutere aankoop van de tankdienst;

56) 

“tankpunt”: een tankfaciliteit voor de levering van een vloeibare of gasvormige brandstof via een vaste of mobiele installatie, waaraan slechts één voertuig, één trein, één vaartuig of één luchtvaartuig tegelijk kan worden bijgetankt;

57) 

“tankdienst”: de verkoop of levering van een vloeibare of gasvormige brandstof via een openbaar toegankelijk tankpunt;

58) 

“tanksessie”: het volledige proces van het tanken van een voertuig op een openbaar toegankelijk tankpunt vanaf het moment waarop het voertuig wordt aangesloten tot het moment waarop het wordt losgekoppeld;

59) 

“tankstation”: één fysieke installatie op een specifieke locatie, bestaande uit een of meer tankpunten;

60) 

“regulerende instantie”: de door elke lidstaat op grond van artikel 57, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944 aangewezen regulerende instantie;

61) 

“hernieuwbare energie”: energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 1), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

62) 

“roropassagiersschip”: een schip dat over de nodige voorzieningen beschikt om weg- of spoorvoertuigen het vaartuig op en af te laten rijden en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

63) 

“veilig en beveiligd parkeerterrein”: een parkeerplaats die toegankelijk is voor bestuurders die goederen of personen vervoeren en die is gecertificeerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1012 van de Commissie ( 5 );

64) 

“walstroomvoorziening”: de levering van walstroom door middel van een gestandaardiseerde, vaste of mobiele interface aan zeeschepen of binnenschepen die aangemeerd zijn aan de kade;

65) 

“slim opladen”: een laadbeurt waarbij de intensiteit van de aan de batterij geleverde elektriciteit realtime wordt aangepast op basis van via elektronische communicatie ontvangen informatie;

66) 

“statische gegevens”: gegevens die niet vaak of niet op regelmatige basis wijzigen;

67) 

“uitgebreid TEN-T-netwerk”: een uitgebreid netwerk in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

68) 

“TEN-T-kernnetwerk”: een kernnetwerk in de zin van artikel 38 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

69) 

“binnenhaven van het TEN-T-kernnetwerk of binnenhaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een binnenhaven van het TEN-T-kernnetwerk of van het uitgebreide TEN-T-netwerk, als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

70) 

“zeehaven van het TEN-T-kernnetwerk of zeehaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een zeehaven van het TEN-T-kernnetwerk of van het uitgebreide TEN-T-netwerk, als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

71) 

“transmissiesysteembeheerder”: een transmissiesysteembeheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 35), van Richtlijn (EU) 2019/944;

72) 

“stedelijk knooppunt”: een stedelijk knooppunt als gedefinieerd in artikel 3, punt p), van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

Artikel 3 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor lichte elektrische voertuigen
Artikel 4 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor zware elektrische voertuigen
Artikel 5 Laadinfrastructuur
Artikel 6 Streefcijfers voor waterstoftankinfrastructuur voor wegvoertuigen
Artikel 7 Infrastructuur voor het tanken van waterstof
Artikel 8 Infrastructuur voor vloeibaar methaan voor wegvoertuigen

Artikel 8

Infrastructuur voor vloeibaar methaan voor wegvoertuigen

Tot en met 31 december 2024 zorgen de lidstaten ervoor dat er minstens op het TEN-T-kernnetwerk een passend aantal openbaar toegankelijke tankpunten voor vloeibaar methaan uitgerold zijn om ervoor te zorgen dat zware voertuigen op vloeibaar methaan in de hele Unie kunnen rijden, voor zover daar vraag naar is en tenzij de kosten buitensporig zijn ten opzichte van de baten, waaronder de voordelen voor het milieu.

Artikel 9 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in zeehavens
Artikel 10 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in binnenhavens

Artikel 10

Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in binnenhavens

De lidstaten zien erop toe dat:

a) 

uiterlijk op 31 december 2024 ten minste één walstroomvoorziening voor binnenschepen beschikbaar is in alle binnenhavens van het TEN-T-kernnetwerk;

b) 

uiterlijk op 31 december 2029 ten minste één walstroomvoorziening voor binnenschepen beschikbaar is in alle binnenhavens van het uitgebreide TEN-T-netwerk.

Artikel 11 Streefcijfers voor de levering van vloeibaar methaan in zeehavens
Artikel 12 Streefcijfers voor de levering van elektriciteit aan stilstaande luchtvaartuigen
Artikel 13 Spoorweginfrastructuur

Artikel 13

Spoorweginfrastructuur

Ten aanzien van spoorweginfrastructuur die niet onder Verordening (EU) nr. 1315/2013 valt, beoordelen de lidstaten de ontwikkeling van technologieën voor alternatieve brandstoffen en aandrijfsystemen voor spoorwegtracés die om technische of kostenefficiëntieredenen niet volledig kunnen worden geëlektrificeerd, zoals door waterstof of batterijen aangedreven treinen, en, indien relevant, eventuele behoeften aan laad- en tankinfrastructuur.

Artikel 14 Nationale beleidskaders
Artikel 15 Nationale rapportage
Artikel 16 Inhoud, structuur en formaat van nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen

Artikel 16

Inhoud, structuur en formaat van nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen

Uiterlijk op 14 oktober 2024 stelt de Commissie richtsnoeren en modellen vast betreffende de inhoud, de structuur en de vorm van de nationale beleidskaders die de lidstaten op grond van artikel 14 moeten indienen en de inhoud van de nationale voortgangsverslagen die de lidstaten op grond van artikel 15, lid 1, moeten indienen. De Commissie kan richtsnoeren en modellen vaststellen om de doeltreffende toepassing van alle andere bepalingen van deze verordening in de Unie te faciliteren.

Artikel 17 Beoordeling van de nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen
Artikel 18 Voortgangsbewaking
Artikel 19 Informatie voor gebruikers
Artikel 20 Gegevensverstrekking
Artikel 21 Gemeenschappelijke technische specificaties
Artikel 22 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 23 Comitéprocedure
Artikel 24 Verslaglegging en evaluatie
Artikel 25 Intrekking
Artikel 26 Inwerkingtreding en toepassing

Artikel 26

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 13 april 2024.

BIJLAGE I Rapportage




BIJLAGE I

Rapportage

Het in artikel 15, lid 1, van de verordening bedoelde nationale voortgangsverslag bevat ten minste de volgende elementen:

1. 

streefcijfers

a) 

de prognose van de aantallen voertuigen op 31 december 2025, 2030 en 2035 voor:

— 
lichte voertuigen, uitgesplitst in lichte elektrische voertuigen, lichte plug-in hybride voertuigen en lichte waterstofvoertuigen;
— 
zware voertuigen, uitgesplitst in zware elektrische voertuigen en zware waterstofvoertuigen;
b) 

streefcijfers voor 31 december 2025, 2027, 2030 en 2035 voor:

— 
laadinfrastructuur voor lichte elektrische voertuigen: aantal laadstations en laadvermogen (classificatie van laadstations overeenkomstig bijlage III);
— 
in voorkomend geval, ontwikkeling van niet publiek toegankelijke laadstations voor lichte elektrische voertuigen;
— 
laadinfrastructuur voor zware elektrische voertuigen: aantal laadstations en laadvermogen;
— 
in voorkomend geval, ontwikkeling van niet publiek toegankelijke laadstations voor zware elektrische voertuigen;
— 
waterstoftankstations: aantal tankstations, capaciteit van die stations en beschikbare connectoren;
— 
wegtankstations voor vloeibaar methaan: aantal tankstations en capaciteit van die stations;
— 
tankpunten voor vloeibaar methaan in zeehavens van het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide TEN-T-netwerk, met vermelding van de locatie (haven) en capaciteit per haven;
— 
walstroomvoorzieningen in zeehavens van het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide TEN-T-netwerk, met vermelding van de exacte locatie (haven) en capaciteit van elke installatie in de haven;
— 
walstroomvoorziening in binnenhavens van het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide TEN-T-netwerk, met vermelding van de locatie (haven) en capaciteit;
— 
elektriciteitsvoorziening voor stilstaande luchtvaartuigen, aantal installaties per luchthaven van het TEN-T-kernnetwerk of luchthaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk;
— 
in voorkomend geval, andere nationale streefcijfers en doelstellingen waarvoor geen Uniebrede bindende nationale streefcijfers zijn vastgesteld. Voor infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in havens, luchthavens en bij het spoor moeten de locatie en capaciteit/omvang van de installatie worden gerapporteerd;
2. 

benuttingspercentage: voor de in punt 1, b), genoemde categorieën, verslag uitbrengen over het gebruik van die infrastructuur;

3. 

de mate waarin de nationale streefdoelen voor het aandeel van alternatieve brandstoffen in de verschillende vervoerswijzen (weg, spoor, water en lucht) zijn gehaald:

— 
voor alle toepasselijke vervoerswijzen, de mate van waarin de in punt 1, b), bedoelde doelstellingen voor de uitrol van infrastructuur zijn verwezenlijkt, met name laadstations, elektrische wegsystemen (indien van toepassing), waterstoftankstations, walstroomvoorziening in zee- en binnenhavens, bunkeren van vloeibaar methaan in zeehavens van het TEN-T-kernnet, andere infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in havens, elektriciteitsvoorziening aan stilstaande luchtvaartuigen;
— 
voor laadpunten, de verhouding tussen openbare en particuliere infrastructuur;
— 
de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in stedelijke knooppunten;
4. 

de evaluatie van de gevallen waarin de lidstaten hebben gebruikgemaakt van de afwijkingen waarin artikel 3, leden 6, 7 en 8, artikel 4, leden 6, 7 en 8, en artikel 6, lid 4, voorzien;

5. 

juridische maatregelen: informatie over juridische maatregelen, d.w.z. wettelijke, regelgevende en bestuursrechtelijke maatregelen ter ondersteuning van de uitrol van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, zoals bouwvergunningen, vergunningen voor parkeerplaatsen, certificering van de milieuprestaties van ondernemingen en concessies voor laad- en tankstations;

6. 

informatie over beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het nationale beleidskader, met inbegrip van:

— 
directe stimulansen voor de aanschaf van door alternatieve brandstoffen aangedreven vervoermiddelen of voor de installatie/bouw van infrastructuur;
— 
belastingvoordelen ter bevordering van het gebruik van door alternatieve brandstoffen aangedreven vervoermiddelen en van de betrokken infrastructuur;
— 
het uitschrijven van openbare aanbestedingen ter ondersteuning van alternatieve brandstoffen, met inbegrip van gezamenlijke aanbestedingen;
— 
niet-financiële stimulansen aan de vraagzijde, bijvoorbeeld bevoorrechte toegang tot gebieden waarvoor beperkingen gelden, parkeerbeleid of specifieke rijstroken;
7. 

overheidsondersteuning van de uitrol en productie, met inbegrip van:

— 
jaarlijks budget uit de overheidsbegroting voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, uitgesplitst per brandstoftype en vervoerswijze (weg, spoor, water en lucht);
— 
jaarlijks budget uit de overheidsbegroting ter ondersteuning van productiefaciliteiten voor alternatieve brandstoftechnologieën, uitgesplitst per brandstoftype;
— 
eventuele specifieke behoeften in de beginfase van de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;
8. 

onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO&D); jaarlijkse overheidsbegroting ter ondersteuning van OTO&D voor alternatieve brandstoffen.

BIJLAGE II Technische specificaties




BIJLAGE II

Technische specificaties

▼M1

0. Definities:

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:

(a) 

“geïnstalleerd”: de eerste plaatsing van alle relevante laadpuntapparatuur, met inbegrip van hardware, software en bijbehorende elektrische infrastructuur, zoals aansluitingen voor elektriciteitsvoorziening, transformatoren en andere elektrische systemen, om het opladen van elektrische voertuigen mogelijk te maken;

(b) 

“gerenoveerd”: een ingrijpende of volledige vervanging van relevante laadpuntapparatuur.

▼M1

1.1. Laadpunten met normaal vermogen voor lichte elektrische voertuigen:

— 
wisselstroomlaadpunten (AC) met normaal vermogen voor lichte elektrische voertuigen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met contactdozen of voertuigconnectoren van type 2 voor laadmodus 3, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-2:2022, of, als het vermogen ervan lager dan of gelijk aan 3,7 kW is en het hoofddoel het laden van elektrische voertuigen in modus 2 is, met contactdozen die voldoen aan norm IEC 60884-1:2022; wisselstroomlaadpunten (AC) met normaal vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-2:2017 voldoen totdat ze worden gerenoveerd;
— 
gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen voor lichte elektrische voertuigen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van het gecombineerd laadsysteem “Combo 2” voor laadmodus 4, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-3:2022; gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-3:2014 voldoen totdat ze worden gerenoveerd.

1.2. Laadpunten met hoog vermogen voor lichte elektrische voertuigen:

— 
wisselstroomlaadpunten (AC) met hoog vermogen voor lichte elektrische voertuigen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van type 2 voor laadmodus 3, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-2:2022; wisselstroomlaadpunten (AC) met hoog vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-2:2017 voldoen totdat ze worden gerenoveerd;
— 
gelijkstroomlaadpunten (DC) met hoog vermogen voor lichte elektrische voertuigen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van het gecombineerd laadsysteem “Combo 2” voor laadmodus 4, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-3:2022; gelijkstroomlaadpunten (DC) met hoog vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-3:2014 voldoen totdat ze worden gerenoveerd.

1.3. Laadpunten voor elektrische voertuigen van categorie L:

1.3.1. Openbaar toegankelijke wisselstroomlaadpunten (AC) voor elektrische voertuigen van categorie L met een vermogen dat minder dan of gelijk aan 3,7 kW is, moeten ter wille van de interoperabiliteit met ten minste één van de volgende zaken zijn uitgerust:

(a) 

contactdozen of voertuigconnectoren van type 3A, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-2:2022 (voor laadmodus 3);

(b) 

contactdozen die voldoen aan norm IEC 60884-1:2022 (voor laadmodus 1 of 2).

1.3.2. Openbaar toegankelijke wisselstroomlaadpunten (AC) voor elektrische voertuigen van categorie L met een vermogen van meer dan 3,7 kW die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met contactdozen of voertuigconnectoren van type 2 voor laadmodus 3, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-2:2022; openbaar toegankelijke wisselstroomlaadpunten (AC) voor elektrische voertuigen van categorie L met een vermogen van meer dan 3,7 kW die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-2:2017 voldoen totdat ze worden gerenoveerd.

1.3.3. Openbaar toegankelijke gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen en met hoog vermogen voor elektrische voertuigen van categorie L die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van het gecombineerd laadsysteem “Combo 2” voor laadmodus 4, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-3:2022; openbaar toegankelijke gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen en met hoog vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-3:2014 voldoen totdat ze worden gerenoveerd.

1.4. Laadpunten met normaal vermogen en laadpunten met hoog vermogen voor elektrische bussen:

— 
wisselstroomlaadpunten (AC) met normaal vermogen en met hoog vermogen voor elektrische bussen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met connectoren van type 2 voor laadmodus 3, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-2:2022; wisselstroomlaadpunten (AC) met normaal vermogen en met hoog vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-2:2017 voldoen totdat ze worden gerenoveerd;
— 
gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen en met hoog vermogen voor elektrische bussen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van het gecombineerd laadsysteem “Combo 2” voor laadmodus 4, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-3:2022; gelijkstroomlaadpunten (DC) met normaal vermogen en met hoog vermogen die vóór die datum zijn geïnstalleerd, blijven aan norm EN IEC 62196-3:2014 voldoen totdat ze worden gerenoveerd.

▼B

1.5. Automatische contactinterface voor conductief laden van elektrische bussen in modus 4, overeenkomstig norm EN 61851-23-1:2020, moeten ten minste zijn uitgerust met mechanische en elektrische interfaces zoals nader omschreven in norm EN 50696:2021, voor:

— 
op de infrastructuur gemonteerd automatisch connectiesysteem (ACD) (schaarstroomafnemer)
— 
op het dak van het voertuig gemonteerd automatisch connectiesysteem (ACD);
— 
onder het voertuig gemonteerd automatisch connectiesysteem (ACD);
— 
op de infrastructuur gemonteerd automatisch connectiesysteem (ACD) dat aansluit op de zijkant of het dak van het voertuig.

▼M1

1.6. Laadpunten met hoog vermogen voor zware elektrische voertuigen:

— 
gelijkstroomlaadpunten (DC) met hoog vermogen voor laadinfrastructuur die elektriciteit kan leveren aan zowel lichte als zware elektrische voertuigen, moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste zijn uitgerust met voertuigconnectoren van het gecombineerd laadsysteem “Combo 2” voor laadmodus 4, zoals beschreven in norm EN IEC 62196-3:2022.

1.7. Technische specificaties betreffende inductief statisch draadloos laden van lichte elektrische voertuigen:

Laadpunten voor inductief statisch draadloos laden van lichte elektrische voertuigen moeten ter wille van de interoperabiliteit voldoen aan:

— 
EN IEC 61980-1:2021 Electric vehicle wireless power transfer (WPT) systems — Part 1: General requirements;
— 
EN IEC 61980-2:2023 Electric vehicle wireless power transfer (WPT) systems — Part 2: Specific requirements for magnetic field wireless power transfer (MF-WPT) system communication and activities;
— 
EN IEC 61980-3:2022 Electric vehicle wireless power transfer (WPT) systems — Part 3: Specific requirements for magnetic field wireless power transfer (MF-WPT) systems.

▼B

1.8. Technische specificaties betreffende inductief statisch draadloos laden van zware elektrische voertuigen.

1.9. Technische specificaties betreffende inductief dynamisch draadloos laden van personenauto’s en lichte elektrische voertuigen.

1.10. Technische specificaties betreffende inductief dynamisch draadloos laden van zware elektrische voertuigen.

1.11. Technische specificaties betreffende inductief statisch draadloos laden van elektrische bussen.

1.12. Technische specificaties betreffende inductief dynamisch draadloos laden van elektrische bussen.

1.13. Technische specificaties betreffende elektrische wegsystemen voor dynamische stroomvoorziening van zware elektrische voertuigen via een bovenleiding en stroomafnemer.

▼M1

1.14. Technische specificaties betreffende elektrische wegsystemen voor dynamische stroomvoorziening van lichte en zware elektrische voertuigen via geleidende rails in het wegdek:

Laadinfrastructuur voor wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC) bestemd voor elektrische wegsystemen (ERS) voor dynamische stroomvoorziening via geleidende rails in het wegdek voor lichte en zware elektrische voertuigen die zijn uitgerust met apparatuur voor het afnemen van stroom uit het wegdek, teneinde het voor wegvoertuigen mogelijk te maken om geleidingsstroom af te nemen van een in het wegdek ingebouwd geleidespoor, moet ter wille van de interoperabiliteit voldoen aan:

— 
CLC/TS 50717:2022 Technical requirements for current collectors for ground-level feeding system on road vehicles in operation.

▼B

1.15. Technische specificaties betreffende het wisselen van de accu’s van elektrische voertuigen van categorie L.

1.16. Indien technisch haalbaar, technische specificaties betreffende het wisselen van de accu’s van elektrische personenauto’s en lichte elektrische voertuigen.

1.17. Indien technisch haalbaar, technische specificaties betreffende het wisselen van de accu’s van zware elektrische voertuigen.

1.18. Technische specificaties betreffende de toegankelijkheid van laadstations voor gebruikers met een handicap.

2. Technische specificaties voor de communicatie binnen de sector van het opladen van elektrische voertuigen

▼M1

2.1. Technische specificaties betreffende communicatie tussen het elektrisch voertuig en het laadpunt (communicatie tussen voertuig en netwerk):

2.1.1. Openbaar toegankelijke laadpunten voor wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC) voor lichte en zware elektrische voertuigen die geïnstalleerd of gerenoveerd worden met ingang van 8 januari 2026 moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste voldoen aan de volgende normen:

— 
EN ISO 15118-1:2019 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 1: Algemene informatie en definitie van gebruik;
— 
EN ISO 15118-2:2016 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 2: Netwerk- en applicatieprotocoleisen;
— 
EN ISO 15118-3:2016 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 3: Eisen aan de fysieke en gegevensverbindingslaag;
— 
EN ISO 15118-4:2019 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 4: Conformiteitsbeproeving voor netwerk- en applicatieprotocol;
— 
EN ISO 15118-5:2019 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 5: Conformiteitsbeproeving voor fysieke laag en gegevensverbindingslaag.

2.1.2. Openbaar toegankelijke laadpunten voor wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC) voor lichte en zware elektrische voertuigen die vanaf 1 januari 2027 worden geïnstalleerd of gerenoveerd, moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste voldoen aan norm EN ISO 15118-20:2022 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 20: Netwerklaag- en applicatielaageisen van de 2e generatie. Als dergelijke laadpunten automatische authenticatie- en autorisatiediensten aanbieden, zoals plug & charge, voldoen ze ter wille van interoperabiliteit en beveiliging aan zowel norm EN ISO 15118-2:2016 als norm EN ISO 15118-20:2022.

2.1.3. Particuliere laadpunten voor wisselstroom (AC) en gelijkstroom (DC) voor lichte en zware elektrische voertuigen die vanaf 1 januari 2027 worden geïnstalleerd of gerenoveerd, moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste voldoen aan de volgende normen:

(a) 

EN IEC 61851-1:2019 Laden via een geleidende verbinding van elektrische voertuigen — Deel 1: Algemene eisen (voor laadmodus 2);

(b) 

EN ISO 15118-20:2022 Wegvoertuigen — Communicatie-interface tussen voertuig en elektriciteitsnetwerk — Deel 20: Netwerklaag- en applicatielaageisen van de 2e generatie (voor laadmodus 3 of 4).

▼B

2.2. Technische specificaties betreffende de communicatie tussen het laadpunt en het beheersysteem voor laadpunten (back-end-communicatie).

2.3. Technische specificaties betreffende de communicatie tussen exploitanten van laadpunten, aanbieders van elektromobiliteitsdiensten en e-roamingplatforms.

2.4. Technische specificaties betreffende de communicatie tussen exploitanten van laadpunten en distributiesysteembeheerders.

3. Technische specificaties betreffende waterstofvoorziening voor wegvoertuigen

▼M1

3.1. De technische specificaties voor connectoren voor tankpunten die gasvormige (gecomprimeerde) waterstof leveren voor lichte voertuigen, moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste voldoen aan de interoperabiliteitseisen die zijn beschreven in norm EN 17127:2024.

▼B

3.2. De kwaliteitskenmerken van waterstof die door waterstoftankpunten wordt verstrekt voor gebruik in motorvoertuigen moeten voldoen aan de eisen als beschreven in norm EN 17124:2022. Ook de methoden die waarborgen dat aan de vereiste waterstofkwaliteit wordt voldaan, worden in die norm beschreven.

▼M1

3.3. 

Het waterstoftankalgoritme moet voldoen aan de eisen van norm EN 17127:2024.

▼B

3.4. Na afronding van de certificeringsprocessen overeenkomstig norm EN ISO 17268:2020, moeten connectoren voor het tanken van motorvoertuigen met gasvormige waterstof ten minste aan die norm voldoen.

▼M1

3.5. De technische specificaties voor connectoren voor tankpunten die gasvormige (gecomprimeerde) waterstof leveren voor zware voertuigen, moeten ter wille van de interoperabiliteit ten minste voldoen aan de eisen die zijn beschreven in norm EN 17127:2024.

▼B

3.6. Technische specificaties betreffende connectoren voor tankpunten die vloeibare waterstof leveren aan zware voertuigen.

4. Technische specificaties betreffende methaan voor het wegvervoer

4.1. Tankpunten voor gecomprimeerd aardgas (CNG) voor motorvoertuigen moeten voldoen aan een vuldruk (bedrijfsdruk) van 20,0 MPa (200 bar) bij 15 °C. Een maximale vuldruk van 26,0 MPa met “temperatuurcompensatie” is toegestaan overeenkomstig norm EN ISO 16923:2018.

4.2. Het connectorprofiel moet voldoen aan Reglement nr. 110 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot de delen I en II van norm EN ISO 14469:2017.

4.3. Tankpunten voor vloeibaar methaan voor motorvoertuigen moeten voldoen aan een vuldruk die lager is dan de maximaal toelaatbare werkdruk van de tank van het voertuig, zoals bedoeld in norm EN ISO 16924:2018, “Aardgasvulstations — LNG-stations voor het vullen van voertuigen”. Bovendien moet het connectorprofiel voldoen aan norm EN ISO 12617:2017 “Wegvoertuigen — Brandstofvulaansluiting voor vloeibaar aardgas (LNG) - Vulaansluiting voor 3,1 MPa”.

5. Technische specificaties betreffende de elektriciteitsvoorziening voor het zeevervoer en de binnenvaart

5.1. Walstroomvoorzieningen voor zeeschepen - inclusief het ontwerp, de installatie en het testen van de systemen - moeten ten minste voldoen aan de technische specificaties van norm IEC/IEEE 80005-1:2019/AMD1:2022 voor walstroomvoorzieningen met hoogspanning.

5.2. Stekkers, contactdozen en scheepskoppelcontactsystemen voor walstroomvoorzieningen met hoogspanning moeten ten minste voldoen aan de technische specificaties van norm IEC 62613-1:2019.

5.3. Walstroomvoorzieningen voor binnenschepen moeten ten minste voldoen aan norm EN 15869-2:2019 of norm EN 16840:2017, afhankelijk van de energie-eisen.

5.4. Technische specificaties betreffende walstroomlaadpunten voor batterijen van zeeschepen, met interconnectiviteit en systeeminteroperabiliteit voor zeeschepen.

5.5. Technische specificaties betreffende walstroomlaadpunten voor batterijen van binnenschepen, met interconnectiviteit en systeeminteroperabiliteit voor binnenschepen.

5.6. Technische specificaties betreffende de communicatie-interface tussen schip en haven in geautomatiseerde walstroomvoorzieningen (on-shore power supply — OPS) en systemen voor het opladen van batterijen van zeeschepen.

5.7. Technische specificaties betreffende de communicatie-interface tussen schip en haven in geautomatiseerde walstroomvoorzieningen (on-shore power supply - OPS) en systemen voor het opladen van batterijen van binnenschepen.

5.8. Indien technisch haalbaar, technische specificaties betreffende het opladen en wisselen van accu’s bij walstroomstations voor binnenschepen.

6. Technische specificaties betreffende het bunkeren van waterstof voor het zeevervoer en de binnenvaart

6.1. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van gasvormige (gecomprimeerde) waterstof als brandstof voor zeeschepen op waterstof.

6.2. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van gasvormige (gecomprimeerde) waterstof als brandstof voor binnenschepen op waterstof.

6.3. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van vloeibare waterstof als brandstof voor zeeschepen op waterstof.

6.4. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van vloeibare waterstof als brandstof voor binnenschepen op waterstof.

7. Technische specificaties betreffende het bunkeren van methanol voor het zeevervoer en de binnenvaart

7.1. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van methanol als brandstof voor zeeschepen.

7.2. Technische specificaties betreffende tankpunten en het bunkeren van methanol als brandstof voor binnenschepen.

8. Technische specificaties betreffende het bunkeren van ammoniak voor het zeevervoer en de binnenvaart

8.1. Technische specificaties voor tankpunten en het bunkeren van ammoniak als brandstof voor zeeschepen.

8.2. Technische specificaties voor tankpunten en het bunkeren van ammoniak als brandstof voor binnenschepen.

9. Technische specificaties betreffende tankpunten voor vloeibaar methaan voor het zeevervoer en de binnenvaart

9.1. Tankpunten voor vloeibaar methaan voor zeeschepen die niet vallen onder de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gas in bulk vervoeren (IGC-code), moeten ten minste voldoen aan norm EN ISO 20519:2017.

9.2. Tankpunten voor vloeibaar methaan voor binnenschepen moeten uitsluitend ter wille van interoperabiliteit ten minste voldoen aan norm EN ISO 20519:2017 (delen 5.3 tot en met 5.7).

10. Technische specificaties betreffende de etikettering van brandstoffen

10.1. Het etiket “Brandstoffen — Aanduiding van compatibiliteit met voertuigen — Grafische weergave bedoeld om consumenten te informeren” moet conform zijn met norm EN 16942:2016 + A1:2021.

10.2. De “identificatie van compatibiliteit van voertuigen en infrastructuren - Grafische weergave voor consumenteninformatie over EV-voeding” moet ten minste conform zijn met norm EN 17186:2019.

10.3. De gemeenschappelijke methodologie voor prijsvergelijking per eenheid van alternatieve brandstoffen als vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/732 van de Commissie ( 8 ).

10.4. Technische specificatie voor elektrische laadstations en waterstoftankfaciliteiten voor spoorvervoer.

BIJLAGE III Rapportagevereisten inzake het aandeel elektrische voertuigen en de uitrol van openbaar toegankelijke laadinfrastructuur




BIJLAGE III

Rapportagevereisten inzake het aandeel elektrische voertuigen en de uitrol van openbaar toegankelijke laadinfrastructuur

1. De lidstaten werken in hun rapportage over de aantallen elektrische voertuigen met de volgende categorieën:

— 
batterijelektrische voertuigen, met afzonderlijke cijfers voor de categorieën M1, N1, M2/3 en N2/3,
— 
plug-in hybride voertuigen, met afzonderlijke cijfers voor de categorieën M1, N1, M2/3 en N2/3.

2. De lidstaten werken in hun rapportage over de uitrol van openbaar toegankelijke laadpunten met de volgende categorieën:



Categorie

Subcategorie

Maximaal laadvermogen

Definitie op grond van artikel 2 van deze verordening

Categorie 1 (AC)

Traag wisselstroomlaadpunt,

eenfasig

P < 7,4 kW

Laadpunt met normaal vermogen

Wisselstroomlaadpunt met gemiddelde

snelheid, driefasig

7,4 kW ≤ P ≤ 22 kW

Snel

wisselstroomlaadpunt, driefasig

P > 22 kW

Laadpunt met hoog vermogen

Categorie 2 (DC)

Traag gelijkstroomlaadpunt

P < 50 kW

Snel gelijkstroomlaadpunt

50 kW ≤ P < 150 kW

Niveau 1 — Ultrasnel gelijkstroomlaadpunt

150 kW ≤ P < 350 kW

Niveau 2 — Ultrasnel gelijkstroomlaadpunt

P ≥ 350 kW

3. De volgende gegevens worden afzonderlijk verstrekt voor openbaar toegankelijke laadinfrastructuur voor lichte en zware voertuigen:

— 
aantal laadpunten, te rapporteren voor elk van de categorieën in punt 2;
— 
aantal laadstations, te rapporteren voor elk van de categorieën in punt 2;
— 
totaal geaggregeerd laadvermogen van de laadstations.
BIJLAGE IV Concordantietabel




BIJLAGE IV

Concordantietabel



Richtlijn 2014/94/EU

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 14

Artikel 4

Artikelen 3, 4, 5, 9 en 10

Artikel 5

Artikel 6

—

Artikel 7

Artikel 6

Artikelen 8 en 11

—

Artikel 12

—

Artikel 13

Artikel 7

Artikel 19

Artikel 8

Artikel 22

Artikel 9

Artikel 23

Artikel 10

Artikelen 15, 16 en 24

—

Artikel 17

—

Artikel 18

—

Artikel 20

—

Artikel 21

—

Artikel 25

Artikel 11

—

Artikel 12

Artikel 26

Artikel 13

—

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

—

Bijlage III

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis