+VERORDENING (EU) 2024/1991 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869 (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp
---------+Artikel 1 1
---------+Artikel 1 2
------+Artikel 2 Geografisch toepassingsgebied
---------+Artikel 2 a)
---------+Artikel 2 b)
---------+Artikel 2 c)
---------+Artikel 2 2
------+Artikel 3 Definities
---------+Artikel 3 1)
---------+Artikel 3 2)
---------+Artikel 3 3)
---------+Artikel 3 4)
---------+Artikel 3 5)
---------+Artikel 3 6)
---------+Artikel 3 7)
---------+Artikel 3 8)
---------+Artikel 3 9)
---------+Artikel 3 10)
---------+Artikel 3 11)
---------+Artikel 3 12)
---------+Artikel 3 13)
---------+Artikel 3 14)
---------+Artikel 3 15)
---------+Artikel 3 16)
---------+Artikel 3 17)
---------+Artikel 3 18)
---------+Artikel 3 19)
---------+Artikel 3 20)
---------+Artikel 3 21)
---------+Artikel 3 22)
---------+Artikel 3 23)
---------+Artikel 3 24)
---+HOOFDSTUK II HERSTELDOELEN EN -VERPLICHTINGEN
------+Artikel 4 Herstel van land-, kust- en zoetwaterecosystemen
---------+Artikel 4 1
---------+Artikel 4 2
---------+Artikel 4 3
---------+Artikel 4 4
---------+Artikel 4 5
---------+Artikel 4 6
---------+Artikel 4 7
---------+Artikel 4 8
---------+Artikel 4 9
---------+Artikel 4 10
---------+Artikel 4 11
---------+Artikel 4 12
---------+Artikel 4 13
---------+Artikel 4 14
---------+Artikel 4 15
---------+Artikel 4 16
---------+Artikel 4 17
------+Artikel 5 Herstel van mariene ecosystemen
---------+Artikel 5 1
---------+Artikel 5 2
---------+Artikel 5 3
---------+Artikel 5 4
---------+Artikel 5 5
---------+Artikel 5 6
---------+Artikel 5 7
---------+Artikel 5 8
---------+Artikel 5 9
---------+Artikel 5 10
---------+Artikel 5 11
---------+Artikel 5 12
---------+Artikel 5 13
---------+Artikel 5 14
------+Artikel 6 Energie uit hernieuwbare bronnen
---------+Artikel 6 1
---------+Artikel 6 2
------+Artikel 7 Nationale defensie
---------+Artikel 7 1
---------+Artikel 7 2
------+Artikel 8 Herstel van stedelijke ecosystemen
---------+Artikel 8 1
---------+Artikel 8 2
---------+Artikel 8 3
------+Artikel 9 Herstel van de natuurlijke verbindingen van rivieren en de natuurlijke functies van de bijbehorende overstromingsgebieden
---------+Artikel 9 1
---------+Artikel 9 2
---------+Artikel 9 3
---------+Artikel 9 4
------+Artikel 10 Herstel van bestuiverpopulaties
---------+Artikel 10 1
---------+Artikel 10 2
---------+Artikel 10 3
---------+Artikel 10 4
---------+Artikel 10 5
------+Artikel 11 Herstel van landbouwecosystemen
---------+Artikel 11 1
---------+Artikel 11 2
---------+Artikel 11 3
---------+Artikel 11 4
------+Artikel 12 Herstel van bosecosystemen
---------+Artikel 12 1
---------+Artikel 12 2
---------+Artikel 12 3
---------+Artikel 12 4
------+Artikel 13 Aanplant van drie miljard extra bomen
---------+Artikel 13 1
---------+Artikel 13 2
---+HOOFDSTUK III NATIONALE HERSTELPLANNEN
------+Artikel 14 Voorbereiding van de nationale herstelplannen
---------+Artikel 14 1
---------+Artikel 14 2
---------+Artikel 14 3
---------+Artikel 14 4
---------+Artikel 14 5
---------+Artikel 14 6
---------+Artikel 14 7
---------+Artikel 14 8
---------+Artikel 14 9
---------+Artikel 14 10
---------+Artikel 14 11
---------+Artikel 14 12
---------+Artikel 14 13
---------+Artikel 14 14
---------+Artikel 14 15
---------+Artikel 14 16
---------+Artikel 14 17
---------+Artikel 14 18
---------+Artikel 14 19
---------+Artikel 14 20
------+Artikel 15 Inhoud van het nationale herstelplan
---------+Artikel 15 1
---------+Artikel 15 2
---------+Artikel 15 3
---------+Artikel 15 4
---------+Artikel 15 5
---------+Artikel 15 6
---------+Artikel 15 7
------+Artikel 16 Indiening van het ontwerp van het nationale herstelplan
------+Artikel 17 Beoordeling van het nationale herstelplan
---------+Artikel 17 1
---------+Artikel 17 2
---------+Artikel 17 3
---------+Artikel 17 4
---------+Artikel 17 5
---------+Artikel 17 6
------+Artikel 18 Coördinatie van herstelmaatregelen in mariene ecosystemen
---------+Artikel 18 1
---------+Artikel 18 2
---------+Artikel 18 3
---------+Artikel 18 4
------+Artikel 19 Evaluatie van de nationale herstelplannen
---------+Artikel 19 1
---------+Artikel 19 2
---------+Artikel 19 3
---+HOOFDSTUK IV MONITORING EN VERSLAGLEGGING
------+Artikel 20 Monitoring
---------+Artikel 20 1
---------+Artikel 20 2
---------+Artikel 20 3
---------+Artikel 20 4
---------+Artikel 20 5
---------+Artikel 20 6
---------+Artikel 20 7
---------+Artikel 20 8
---------+Artikel 20 9
---------+Artikel 20 10
---------+Artikel 20 11
---------+Artikel 20 12
------+Artikel 21 Verslaglegging
---------+Artikel 21 1
---------+Artikel 21 2
---------+Artikel 21 3
---------+Artikel 21 4
---------+Artikel 21 5
---------+Artikel 21 6
---------+Artikel 21 7
---------+Artikel 21 8
---+HOOFDSTUK V GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN
------+Artikel 22 Wijziging van de bijlagen
---------+Artikel 22 1
---------+Artikel 22 2
---------+Artikel 22 3
---------+Artikel 22 4
---------+Artikel 22 5
---------+Artikel 22 6
---------+Artikel 22 7
------+Artikel 23 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
---------+Artikel 23 1
---------+Artikel 23 2
---------+Artikel 23 3
---------+Artikel 23 4
---------+Artikel 23 5
---------+Artikel 23 6
------+Artikel 24 Comitéprocedure
---------+Artikel 24 1
---------+Artikel 24 2
---+HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 25 Wijziging van Verordening (EU) 2022/869
------+Artikel 26 Evaluatie
---------+Artikel 26 1
---------+Artikel 26 2
------+Artikel 27 Tijdelijke schorsing
---------+Artikel 27 1
---------+Artikel 27 2
---------+Artikel 27 3
------+Artikel 28 Inwerkingtreding
---+BIJLAGE I LAND-, KUST- EN ZOETWATERECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LEDEN 1 EN 4
------+1. GROEP 1: Wetlands (aan de kust en in het binnenland)
------+2. GROEP 2: Grasland en overige weidehabitats
------+3. GROEP 3: Rivier-, meer-, alluviale, en oeverhabitats
------+4. GROEP 4: Bossen
------+5. GROEP 5: Steppe-, heide- en struikhabitats
------+6. GROEP 6: Rotsachtige en duinhabitats
---+BIJLAGE II MARIENE ECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LEDEN 1 EN 2
------+1. Groep 1: Zeegrasvelden
------+2. Groep 2: Bossen van macroalgen
------+3. Groep 3: Mossel- en oesterbanken
------+4. Groep 4: Kalkwiervelden
------+5. Groep 5: Spons-, koraal- en koraligene velden
------+6. Groep 6: Hydrothermale en koude submariene bronnen
------+7. Groep 7: Zachte sedimenten (niet dieper dan 1 000 meter diepte)
---+BIJLAGE III MARIENE SOORTEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 5
---+BIJLAGE IV LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR LANDBOUWECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, LID 2
---+BIJLAGE V NATIONALE INDEX VAN ALGEMENE BOERENLANDVOGELS
---+BIJLAGE VI LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR BOSECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 12, LEDEN 2 EN 3
---+BIJLAGE VII LIJST MET VOORBEELDEN VAN HERSTELMAATREGELEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 16
English - European Union - Environment -

VERORDENING (EU) 2024/1991 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869 (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EU) 2024/1991 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 juni 2024

inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op Unieniveau moet worden voorzien in regels voor het herstel van ecosystemen om het herstel van de biodiversiteit en de veerkracht van de natuur op het gehele grondgebied van de Unie te waarborgen. Het herstel van ecosystemen draagt ook bij aan de klimaatmitigatie en -adaptatiedoelstellingen van de Unie.

(2)

In de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”) is een ambitieus stappenplan vastgelegd om de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, met als doel het natuurlijke kapitaal van de Unie te beschermen, te behouden en te verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van burgers te beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. Als onderdeel van de Europese Green Deal wordt in de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020, getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen” de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 uiteengezet.

(3)

De Unie en haar lidstaten zijn partij bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (4). Zij zijn als zodanig verbonden aan de strategische langetermijnvisie die de Conferentie van de Partijen bij dat Verdrag tijdens de tiende vergadering van 18 tot 29 oktober 2010 heeft goedgekeurd bij Besluit X/2, “Strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020”, dat de biodiversiteit uiterlijk in 2050 moet worden gewaardeerd, behouden, hersteld en verstandig gebruikt, door ecosysteemdiensten te handhaven, een gezonde planeet in stand te houden en voordelen te verwezenlijken die essentieel zijn voor iedereen.

(4)

Het mondiale biodiversiteitskader, dat is goedgekeurd tijdens de vijftiende vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit op 7 tot en met 19 december 2022 bevat actiegerichte mondiale doelen voor dringend optreden voor het decennium tot 2030. Doelstelling 1 is te verzekeren dat alle gebieden worden bestreken door participatieve, geïntegreerde en biodiversiteitsinclusieve ruimtelijke ordening en/of doeltreffende beheersprocessen waarbij veranderingen in land- en zeegebruik worden aangepakt; het verlies van gebieden die van groot belang zijn voor de biodiversiteit, waaronder ecosystemen met een hoge ecologische integriteit, tussen nu en 2030 tot nagenoeg nul te brengen, met inachtneming van de rechten van inheemse volken en lokale gemeenschappen, zoals gesteld in de Verklaring van de Verenigde Naties (VN) over de rechten van inheemse volken. Doelstelling 2 is te waarborgen dat uiterlijk in 2030 minstens 30 % van de aangetaste land-, binnenwater- en mariene en kustecosystemen op doeltreffende wijze wordt hersteld teneinde de biodiversiteit en de functies en diensten van ecosystemen, de ecologische integriteit en de verbondenheid te verbeteren. Doelstelling 11 is de bijdragen van de natuur aan mensen, waaronder ecosysteemfuncties en -diensten zoals de regulering van lucht, water en het klimaat, bodemgezondheid, bestuiving en ziekterisicobeperking, alsook bescherming tegen natuurgevaren en-rampen, te herstellen, in stand te houden en te versterken door middel van natuurgebaseerde oplossingen en/of ecosysteemgerichte benaderingen ten behoeve van alle mensen en de natuur. Het mondiale biodiversiteitskader zal het mogelijk maken vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de resultaatgerichte doelstellingen voor 2050.

(5)

De duurzameontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, met name doelen 14.2, 15.1, 15.2 en 15.3, verwijzen naar de noodzaak om de instandhouding, het herstel en het duurzame gebruik te waarborgen van zoetwaterecosystemen op het land en in de binnenwateren en hun diensten, met name bossen, wetlands, bergen en drylands.

(6)

In zijn resolutie van 1 maart 2019 heeft de Algemene Vergadering van de VN de periode 2021-2030 uitgeroepen tot het VN-decennium voor het herstel van ecosystemen, met als doel de inspanningen om de aantasting van ecosystemen wereldwijd te voorkomen, een halt toe te roepen en om te keren, te ondersteunen en op te voeren en het bewustzijn omtrent het belang van het herstel van ecosystemen te vergroten.

(7)

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 heeft tot doel te verzekeren dat de biodiversiteit in Europa tegen 2030 op weg naar herstel wordt gebracht ten behoeve van de mensen, de planeet, het klimaat en onze economie. De strategie zet een ambitieus EU-natuurherstelplan v uiteen, waaronder een toezegging tot indiening van een voorstel voor juridisch bindende EU-doelen voor natuurherstel in het kader waarvan aangetaste ecosystemen moeten worden hersteld, met name die met het grootste potentieel om koolstof af te vangen en op te slaan, natuurrampen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

(8)

In zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 was het Europees Parlement zeer ingenomen met de toezegging om een wetgevingsvoorstel met bindende natuurhersteldoelen op te stellen, en was het voorts van mening dat er naast een algemeen hersteldoel ook ecosysteem-, habitat- en soortspecifieke hersteldoelen zouden moeten worden opgenomen die betrekking hebben op bossen, grasland, wetlands, veengebieden, bestuivers, vrij stromende rivieren, kustgebieden en mariene ecosystemen.

(9)

In zijn conclusies van 23 oktober 2020 erkende de Raad dat het voorkomen van een verdere achteruitgang van de huidige toestand van biodiversiteit en natuur essentieel zal zijn, maar niet voldoende om de natuur weer terug in ons leven te brengen. De Raad bevestigde dat er meer ambitie nodig is op het gebied van natuurherstel, zoals wordt voorgesteld door het nieuwe EU-natuurherstelplan, dat maatregelen bevat om de biodiversiteit buiten de beschermde gebieden te beschermen en te herstellen. De Raad verklaarde tevens te hebben gewacht op een voorstel voor juridische natuurhersteldoelen, waarvoor een effectbeoordeling moet worden uitgevoerd.

(10)

In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt toegezegd om minstens 30 % van het land, waaronder binnenwateren, en 30 % van de zee in de Unie wettelijk te beschermen, waarvan minstens een derde strikt moet worden beschermd, waaronder alle resterende primaire en oerbossen. In de criteria en richtsnoeren voor de aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden door de lidstaten (de “criteria en richtsnoeren”), die door de Commissie in 2022 in samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden zijn ontwikkeld, wordt benadrukt dat indien de herstelde gebieden, zodra het herstel volledig effect sorteert, voldoen of naar verwachting zullen voldoen aan de criteria voor beschermde gebieden, die herstelde gebieden ook moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen van de Unie inzake beschermde gebieden. In de criteria en richtsnoeren wordt ook benadrukt dat beschermde gebieden in belangrijke mate aan de hersteldoelen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 kunnen bijdragen door de voorwaarden te scheppen die moeten verzekeren dat herstelinspanningen succes hebben. Dit geldt met name voor gebieden die zich op natuurlijke wijze kunnen herstellen door de druk van menselijke activiteiten weg te nemen of te beperken. Het strikt beschermen van dergelijke gebieden, ook in het mariene milieu, zal in sommige gevallen volstaan om de natuurlijke waarden die zij herbergen te herstellen. Bovendien wordt in de criteria en richtsnoeren benadrukt dat van alle lidstaten wordt verwacht dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van de in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 opgenomen streefdoelen van de Unie inzake beschermde gebieden, in een mate die in verhouding staat tot de natuurlijke waarden die zij herbergen en het potentieel voor natuurherstel dat zij hebben.

(11)

In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt als streefdoel vastgelegd dat de instandhoudingstrends of -toestand van beschermde habitats en soorten niet verslechteren en dat minstens 30 % van de soorten en habitats die momenteel niet in een gunstige toestand verkeren, onder die categorie zal vallen of een sterke positieve trend zal vertonen om tegen 2030 onder die categorie te vallen. In de richtsnoeren die de Commissie in samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden heeft ontwikkeld om de bereiken van deze streefdoelen te ondersteunen, wordt benadrukt dat er voor de meeste van die habitats en soorten waarschijnlijk inspanningen voor instandhouding en herstel nodig zijn, hetzij door de huidige negatieve trends ervan tegen 2030 te stoppen, hetzij door de huidige stabiele of verbeterende trends te handhaven, hetzij door te voorkomen dat habitats en soorten met een gunstige staat van instandhouding achteruitgaan. In die richtsnoeren wordt voorts benadrukt dat die herstelinspanningen in de eerste plaats op nationaal of regionaal niveau moeten worden gepland, uitgevoerd en gecoördineerd en dat bij de selectie en prioritering van de soorten en habitats die tegen 2030 moeten worden verbeterd, synergieën met andere streefdoelen van de Unie en internationale streefdoelen, met name milieu- of klimaatdoelstellingen, moeten worden nagestreefd.

(12)

In het verslag van de Commissie van 15 oktober 2020 over de stand van de natuur in de Europese Unie werd opgemerkt dat de Unie er nog niet in is geslaagd de achteruitgang van beschermde habitattypen en soorten waarvan de instandhouding van Uniebelang is, te doen stoppen. Die achteruitgang wordt voornamelijk veroorzaakt door het opgeven van extensieve landbouw, de intensivering van beheerpraktijken, de verandering van hydrologische regimes, verstedelijking en verontreiniging, alsook niet-duurzame bosbouwactiviteiten en soortenexploitatie. Verder vormen uitheemse invasieve soorten en klimaatverandering grote en toenemende bedreigingen voor de inheemse fauna en flora in de Unie.

(13)

De Europese Green Deal zal leiden tot een geleidelijke en grondige transformatie van de economie van de Unie en haar lidstaten, wat een grote invloed zal hebben op het externe optreden van de Unie. Het is belangrijk dat de Unie haar handelsbeleid en haar uitgebreide netwerk van handelsovereenkomsten gebruikt om met partners samen te werken aan de bescherming van het milieu en de biodiversiteit, ook wereldwijd, en tegelijkertijd een gelijk speelveld te bevorderen.

(14)

Het is passend een overkoepelende doelstelling voor het herstel van ecosystemen vast te stellen om de economische en maatschappelijke transformatie, het scheppen van hoogwaardige banen en duurzame groei te bevorderen. Ecosystemen met een grote biodiversiteit, zoals wetlands, zoet water en bossen alsook landbouwecosystemen, ecosystemen met schaarse vegetatie, mariene, stedelijke en kustecosystemen leveren, indien zij in goede toestand verkeren, een scala aan essentiële ecosysteemdiensten, en de voordelen van het in goede toestand herstellen van aangetaste ecosystemen in alle land- en zeegebieden wegen ruimschoots op tegen de kosten van herstel. Die diensten dragen bij tot een breed scala aan sociaaleconomische voordelen, afhankelijk van de economische, sociale, culturele, regionale en lokale kenmerken.

(15)

De Statistische Commissie van de VN heeft tijdens haar 52e zitting in maart 2021 het systeem van milieu-economische rekeningen — ecosysteemboekhouding aangenomen. Dat systeem vormt een geïntegreerd en alomvattend statistisch kader voor het organiseren van gegevens over habitats en landschappen, het meten van de omvang, toestand en diensten van ecosystemen, het volgen van veranderingen in ecosysteemactiva en het koppelen van die informatie aan economische en andere menselijke activiteiten.

(16)

Het waarborgen van ecosystemen met een goede biodiversiteit en het aanpakken van klimaatverandering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De natuur en natuurgebaseerde oplossingen, waaronder natuurlijke koolstofvoorraden en -putten, zijn van fundamenteel belang voor de bestrijding van de klimaatcrisis. Tegelijkertijd zorgt de klimaatcrisis al voor een verandering van land- en mariene ecosystemen en moet de Unie zich voorbereiden op de toenemende intensiteit, frequentie en alomtegenwoordigheid van de effecten ervan. In het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (“IPCC”) over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 oC wordt erop gewezen dat sommige effecten langdurig of onomkeerbaar kunnen zijn. In het zesde beoordelingsverslag van de IPCC wordt gesteld dat het herstel van ecosystemen van fundamenteel belang zal zijn om klimaatverandering te helpen bestrijden en ook om de risico’s voor de voedselzekerheid te verminderen. Het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten beschouwde in zijn mondiaal evaluatieverslag van 2019 over biodiversiteit en ecosysteemdiensten klimaatverandering als een belangrijke oorzaak van veranderingen in de natuur. Het verwachtte dat de effecten van klimaatverandering in de komende decennia zullen toenemen en in bepaalde gevallen meer impact zullen hebben dan andere oorzaken van veranderingen in ecosystemen, zoals veranderingen in het gebruik van land en de zee.

(17)

Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (5) bevat een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050 en inzake negatieve emissies daarna, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan snelle en voorspelbare emissiereducties en tegelijkertijd verwijderingen per natuurlijke put moet worden verbeterd. Herstel van ecosystemen kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat natuurlijke koolstofputten worden behouden, beheerd en verbeterd en dat de biodiversiteit wordt bevorderd en tegelijkertijd de klimaatverandering wordt bestreden. Verordening (EU) 2021/1119 vereist ook dat de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten voortdurende vooruitgang verzekeren in het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. De verordening vereist ook dat de lidstaten klimaatadaptatie in alle beleidsterreinen integreren en dat zij ecosysteemgebaseerde aanpassing en natuurgebaseerde oplossingen bevorderen. Natuurgebaseerde oplossingen zijn oplossingen die worden geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn en die tegelijk milieu-, sociale en economische voordelen bieden en bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen zorgen voor meer diversere natuur en natuurlijke kenmerken en processen in steden, landschappen en zeelandschappen door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen. Natuurgebaseerde oplossingen moeten dus gunstig zijn voor de biodiversiteit en het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten ondersteunen.

(18)

In de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021, getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” wordt benadrukt dat natuurgebaseerde oplossingen moeten worden bevorderd en wordt erkend dat een kosteneffectieve klimaatadaptatie kan worden bereikt door het beschermen en herstellen van wetlands, veengebieden en kust- en mariene ecosystemen, het creëren van stedelijke groene ruimten, het aanleggen van groene daken en gevels, en het bevorderen en duurzaam beheren van bossen en landbouwgrond. Een groter aantal biodiverse ecosystemen zorgt voor grotere weerbaarheid tegen klimaatverandering en maakt het mogelijk om rampen doeltreffender te bestrijden en te voorkomen.

(19)

Het klimaatbeleid van de Unie wordt herzien om de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde koers te volgen om de netto-broeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) uiterlijk in 2030 met minstens 55 % te verminderen ten opzichte van 1990. Verordening (EU) 2023/839 van het Europees Parlement en de Raad (6) heeft met name tot doel de bijdrage van de landsector aan de algemene klimaatambitie voor 2030 te vergroten en brengt de doelstellingen wat betreft de boekhouding met betrekking tot emissies en verwijderingen in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in overeenstemming met gerelateerde beleidsinitiatieven op het gebied van biodiversiteit. Die verordening legt de nadruk op de noodzaak om natuurgebaseerde koolstofverwijderingen te beschermen en te verbeteren, de klimaatveerkracht van ecosystemen te vergroten, aangetaste bodems en ecosystemen te herstellen en veengebieden te vernatten. Zij heeft voorts tot doel de monitoring van en de verslaglegging over broeikasgasemissies en verwijderingen van land dat beschermd en hersteld moet worden, te verbeteren. In dat verband is het belangrijk dat ecosystemen in alle categorieën land, waaronder bossen, grasland, bouwland en wetlands, in goede toestand verkeren om koolstof op doeltreffende wijze te kunnen afvangen en opslaan.

(20)

Zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie van 23 maart 2022 getiteld “De voedselzekerheid waarborgen en de veerkracht van voedselsystemen versterken”, hebben geopolitieke ontwikkelingen verder aangetoond dat de veerkracht van voedselsystemen moet worden beschermd. Er is aangetoond dat het herstel van agro-ecosystemen op lange termijn positieve gevolgen heeft voor de voedselproductiviteit en dat het herstel van de natuur fungeert als een verzekeringspolis om de duurzaamheid en veerkracht van de Unie op lange termijn te waarborgen.

(21)

In het eindverslag van de Conferentie over de toekomst van Europa van mei 2022 roepen burgers de Unie op de biodiversiteit, het landschap en de oceanen te beschermen en te herstellen, verontreiniging uit te bannen en kennis, bewustzijn, onderwijs en dialogen over het milieu, klimaatverandering, energieverbruik en duurzaamheid te stimuleren.

(22)

Het herstel van ecosystemen zal, in combinatie met inspanningen om de handel in en de consumptie van wilde dieren en planten te verminderen, ook helpen om mogelijke toekomstige overdraagbare ziekten met zoönotisch potentieel te voorkomen en de weerbaarheid ertegen te vergroten, waardoor het risico op uitbraken en pandemieën afneemt, en zal bijdragen tot de ondersteuning van de inspanningen op Unie- en mondiaal niveau om de “één gezondheid”-benadering toe te passen, waarin het intrinsieke verband tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en een gezonde en veerkrachtige natuur wordt erkend.

(23)

Bodems maken integraal deel uit van landecosystemen. In de mededeling van de Commissie van 17 november 2021, getiteld “EU-bodemstrategie voor 2030: profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat” wordt gewezen op de noodzaak om aangetaste bodems te herstellen en de bodembiodiversiteit te verbeteren. Het Mondiaal Mechanisme, een orgaan dat is opgericht uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika (7) en het secretariaat van dat Verdrag hebben het programma voor het stellen van doelen inzake de bodemdegradatieneutraliteit opgezet om landen te helpen tussen nu en 2030 bodemdegradatieneutraliteit te realiseren.

(24)

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (8) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) hebben tot doel de bescherming, de instandhouding en het voortbestaan op lange termijn van de meest waardevolle en bedreigde soorten en habitats van Europa en de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken, te waarborgen. Natura 2000, dat in 1992 werd opgericht en het grootste gecoördineerde netwerk van beschermde gebieden ter wereld is, is het belangrijkste instrument voor de verwezenlijking van de doelstellingen van die twee richtlijnen. Deze verordening moet van toepassing zijn op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de Verdragen van toepassing zijn, en moet dan ook worden afgestemd op de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG alsook op Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (10).

(25)

De Commissie heeft een kader en richtsnoeren ontwikkeld voor het bepalen van de goede toestand van de op grond van Richtlijn 92/43/EEG beschermde habitattypen en voor het bepalen van voldoende kwaliteit en kwantiteit van de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen. Op basis van dat kader en die richtsnoeren kunnen hersteldoelen voor die habitattypen en habitats van soorten worden vastgesteld. Een dergelijk herstel zal echter niet volstaan om het verlies aan biodiversiteit om te buigen en alle ecosystemen te herstellen. Om de biodiversiteit van bredere ecosystemen te verbeteren, moeten er derhalve op basis van specifieke indicatoren aanvullende verplichtingen worden vastgesteld.

(26)

Voortbouwend op de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG en om de verwezenlijking van de in die richtlijnen vastgestelde doelstellingen te ondersteunen, moeten de lidstaten herstelmaatregelen treffen om te voorzien in het herstel van beschermde habitats en soorten, waaronder in het wild levende vogels, in alle gebieden van de Unie, ook in gebieden die buiten Natura 2000 vallen.

(27)

Richtlijn 92/43/EEG heeft tot doel de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten die voor de Unie van belang zijn, in een gunstige staat van instandhouding te houden of die staat te herstellen. Die richtlijn voorziet echter niet in een termijn om dat doel te realiseren. Richtlijn 2009/147/EG bevat evenmin een termijn voor het herstel van vogelpopulaties in de Unie.

(28)

Er moeten termijnen worden vastgesteld voor het nemen van herstelmaatregelen binnen en buiten Natura 2000-gebieden, teneinde de toestand van beschermde habitattypen in de gehele Unie geleidelijk te verbeteren en teneinde deze opnieuw te ontwikkelen totdat de gunstige referentieoppervlakte wordt bereikt die nodig is om een gunstige staat van instandhouding van die habitattypen in de Unie te realiseren. De lidstaten moeten bij het instellen van herstelmaatregelen, waar passend, tot 2030 prioriteit geven aan die gebieden met habitattypen die niet in goede toestand verkeren welke in Natura 2000-gebieden liggen, gezien de essentiële rol van die gebieden voor natuurbehoud en het feit dat er uit hoofde van bestaand Unierecht reeds een verplichting bestaat om doeltreffende systemen in te voeren om de doeltreffendheid van de herstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden op de lange termijn te waarborgen. Om de lidstaten de nodige flexibiliteit te bieden om grootschalige herstelinspanningen te leveren, moeten de lidstaten de mogelijkheid behouden om herstelmaatregelen te nemen in gebieden van habitattypen die niet in goede toestand verkeren en die buiten Natura 2000-gebieden liggen, wanneer specifieke plaatselijke omstandigheden en voorwaarden dit rechtvaardigen. Bovendien is het passend habitattypen te groeperen op basis van het ecosysteem waartoe zij behoren en de tijdgebonden en gekwantificeerde gebiedsgebonden doelen voor groepen habitattypen vast te stellen. Dit zou de lidstaten in staat stellen te kiezen welke habitats het eerst binnen de groep moeten worden hersteld.

(29)

De voorwaarden die worden vastgesteld voor de habitats van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallende soorten en voor habitats van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallende in het wild levende vogels moeten vergelijkbaar zijn, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de verbindingen die tussen beide habitats nodig zijn om de soortenpopulaties te laten gedijen.

(30)

De herstelmaatregelen voor habitattypen moeten toereikend en voor die habitattypen geschikt zijn om zo snel mogelijk een goede toestand te bereiken en gunstige referentieoppervlaktes te verwezenlijken opdat er een gunstige staat van instandhouding van die habitattypen wordt bereikt. Het is belangrijk dat de herstelmaatregelen de maatregelen zijn die nodig zijn om te voldoen aan de tijdgebonden en gekwantificeerde gebiedsgebonden doelen. Het is ook noodzakelijk dat de herstelmaatregelen voor habitats van de soorten toereikend en geschikt zijn om zo snel mogelijk voldoende kwaliteit en kwantiteit te bereiken teneinde een gunstige staat van instandhouding van de soorten te verwezenlijken.

(31)

Uit hoofde van deze verordening genomen herstelmaatregelen die beogen bepaalde in bijlage I genoemde habitattypen, zoals grasland-, heide- of wetlandhabitattypen, te herstellen of in stand te houden, zouden in sommige gevallen kunnen betekenen dat bossen worden verwijderd om terug te grijpen naar op instandhouding gericht beheer, dat activiteiten als maaien of grazen kan omvatten. Natuurherstel en ontbossing een halt toeroepen zijn beide belangrijke en elkaar versterkende milieudoelstellingen. Zoals vermeld in overweging 36 van Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad (11) zal de Commissie richtsnoeren ontwikkelen om de uitlegging van de in die verordening vastgestelde definitie van “landbouwgebruik” te verduidelijken, met name wat betreft de omzetting van bos naar grond die niet voor landbouwgebruik is bestemd.

(32)

Het is belangrijk te verzekeren dat de uit hoofde van deze verordening genomen herstelmaatregelen een concrete en meetbare verbetering van de toestand van de ecosystemen opleveren, zowel op het niveau van de afzonderlijke gebieden die worden hersteld als op nationaal en Unieniveau.

(33)

Om te verzekeren dat de herstelmaatregelen doelmatig zijn en dat de resultaten ervan mettertijd kunnen worden gemeten, is het, met het oog op de verbetering van de toestand van binnen het toepassingsgebied van bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG vallende habitats, en het opnieuw ontwikkelen van die habitats en de verbetering van hun verbondenheid, van wezenlijk belang dat de gebieden waarop dergelijke herstelmaatregelen van toepassing zijn, voortdurend verbeteren totdat een goede toestand is bereikt.

(34)

Het is evenzeer van wezenlijk belang dat de gebieden waarop herstelmaatregelen van toepassing zijn met het oog op de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van soorten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallen, alsook van de habitats van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallende in het wild levende vogels, voortdurend verbeteren om bij te dragen tot het realiseren van voldoende kwantiteit en kwaliteit van de habitats van die soorten.

(35)

Het is belangrijk te verzekeren dat de oppervlakten met binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallende habitattypen die in goede toestand verkeren op het Europese grondgebied van de lidstaten en de Unie als geheel, geleidelijk toenemen totdat de gunstige referentieoppervlakte voor elk habitattype is bereikt en minstens 90 % van dergelijke oppervlaktes op lidstaatniveau in goede toestand verkeert, zodat die habitattypen in de Unie een gunstige staat van instandhouding kunnen bereiken. Het moet de lidstaten, indien naar behoren gerechtvaardigd en voor habitattypen die veel voorkomen en wijdverspreid zijn in de Unie en meer dan 3 % van het Europese grondgebied van de betrokken lidstaat bestrijken, worden toegestaan om een percentage van minder dan 90 % toe te passen voor de oppervlakte die zich in een goede toestand moet bevinden voor in bijlage I bij deze verordening opgenomen individuele habitattypen, indien dat percentage het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding voor die habitattypen, zoals bepaald op grond van artikel 1, punt e), van Richtlijn 92/43/EEG, op nationaal biogeografisch niveau niet in de weg zou staan. Een lidstaat die deze afwijking toepast, moet dat rechtvaardigen in zijn nationale herstelplan.

(36)

Het is belangrijk te verzekeren dat de kwaliteit en kwantiteit van de habitats van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallende soorten en van habitats van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/147/EG vallen de in het wild levende vogels, op het Europese grondgebied van de lidstaten en de gehele Unie, geleidelijk verbeteren totdat ze voldoende zijn om het voortbestaan van die soorten op lange termijn te waarborgen.

(37)

Het is belangrijk dat de lidstaten maatregelen treffen die tot doel hebben te verzekeren dat gebieden met habitattypen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen en waarvoor herstelmaatregelen gelden, voortdurend verbeteren totdat er een goede toestand wordt bereikt, en dat de lidstaten maatregelen treffen die waarborgen dat zodra deze habitattypen een goede toestand hebben bereikt, ze daarna niet significant verslechteren, opdat het behoud ervan op lange termijn of het realiseren van een goede toestand niet in het gedrang komt. Het niet realiseren van die resultaten betekent niet dat niet is voldaan aan de verplichting om maatregelen te treffen die geschikt zijn om die resultaten te bereiken. Daarnaast is het van belang dat de lidstaten zich trachten in te spannen om significante verslechtering te voorkomen van gebieden met deze habitattypen die hetzij reeds in goede toestand verkeren, hetzij niet in goede toestand verkeren, maar waarvoor nog geen herstelmaatregelen gelden. Dergelijke maatregelen zijn belangrijk om te vermijden dat de herstelbehoeften in de toekomst niet verder worden vergroot en moeten gericht zijn op gebieden van habitattypen, zoals door de lidstaten in hun nationale herstelplan in kaart gebracht, waarvan het herstel noodzakelijk is om de hersteldoelen te verwezenlijken. Het is passend rekening te houden met de mogelijkheid van overmacht, zoals natuurrampen, die kunnen leiden tot de verslechtering van gebieden met die habitattypen, alsook met de mogelijkheid van onvermijdelijke habitattransformaties die rechtstreeks het gevolg zijn van klimaatverandering. Bij gebieden buiten Natura 2000 is het passend ook te kijken naar het resultaat van een plan of project van groot openbaar belang waarvoor geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn. Voor gebieden waarvoor herstelmaatregelen gelden, moet dit per geval worden bepaald. Voor Natura 2000-gebieden wordt voor plannen en projecten toestemming verleend overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG. Het is passend om te verzekeren dat de lidstaten, bij het ontbreken van alternatieven, de mogelijkheid behouden om op het niveau van elke biogeografische regio van hun grondgebied voor elk habitattype en elke habitat van een soort de niet-verslechteringseis toe te passen. Een dergelijke mogelijkheid moet onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan, onder meer dat er voor elke significante verslechtering compenserende maatregelen worden genomen. Indien een gebied, als het gewenste resultaat van een herstelmaatregel, wordt omgevormd van één habitattype naar een ander binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallend habitattype, mag het gebied niet als verslechterd worden beschouwd.

(38)

Voor de toepassing van de afwijkingen van de verplichtingen tot voortdurende verbetering en niet-verslechtering buiten Natura 2000 vallende gebieden uit hoofde van deze verordening moeten installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, de aansluiting ervan op het net, het bijbehorende net zelf en opslagvoorzieningen, door de lidstaten worden geacht van groot openbaar belang te zijn. De lidstaten moeten kunnen besluiten om de toepassing van dat uitgangspunt in naar behoren gerechtvaardigde en specifieke omstandigheden te beperken, zoals om redenen die verband houden met nationale defensie. Daarnaast moeten de lidstaten voor de toepassing van die afwijkingen dergelijke hernieuwbare-energieprojecten kunnen vrijstellen van de verplichting dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, mits de projecten voorwerp zijn geweest van een strategische milieubeoordeling of een milieueffectbeoordeling. Door dergelijke installaties als van groot openbaar belang te beschouwen en, in voorkomend geval, het vereiste om minder schadelijke alternatieve oplossingen te beoordelen, te beperken, zou voor dergelijke projecten een vereenvoudigde beoordeling kunnen worden verricht ten aanzien van de afwijkingen van de beoordeling van groot openbaar belang uit hoofde van deze verordening.

(39)

Activiteiten die enkel defensie of nationale veiligheid tot doel hebben moeten de hoogste prioriteit krijgen. Daarom moeten de lidstaten bij het treffen van herstelmaatregelen, gebieden die voor dergelijke activiteiten worden gebruikt, kunnen vrijstellen indien die maatregelen onverenigbaar worden geacht met de voortzetting van het militaire gebruik van de betrokken gebieden. Bovendien moeten de lidstaten, voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening inzake afwijkingen van de verplichtingen tot voortdurende verbetering en niet-verslechtering buiten Natura 2000 vallende gebieden, plannen en projecten met betrekking tot dergelijke activiteiten van groot openbaar belang kunnen achten. Daarnaast moeten de lidstaten dergelijke plannen en projecten kunnen vrijstellen van de verplichting dat er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen beschikbaar zijn. Als zij deze vrijstelling toepassen, moeten de lidstaten echter, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is, maatregelen treffen om de gevolgen van die plannen en projecten voor de habitattypen te mitigeren.

(40)

In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt benadrukt dat er krachtiger moet worden opgetreden om aangetaste mariene ecosystemen te herstellen, waaronder koolstofrijke ecosystemen en belangrijke paai- en kraamgebieden. In die strategie is ook uiteengezet dat de Commissie een nieuw actieplan voor de instandhouding van de visbestanden en de bescherming van de mariene ecosystemen zal voorstellen.

(41)

De in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen mariene habitattypen zijn ruim gedefinieerd en omvatten veel ecologisch verschillende subtypen met een verschillend herstelpotentieel, waardoor het voor de lidstaten moeilijk is passende herstelmaatregelen op het niveau van die habitattypen te treffen. De mariene habitattypen in bijlage I bij die richtlijn moeten daarom nader worden gespecificeerd aan de hand van relevante niveaus van de classificatie van mariene habitats in het Europese natuurinformatiesysteem (EUNIS). De lidstaten moeten gunstige referentieoppervlaktes vaststellen om de gunstige staat van instandhouding van elk van die habitattypen te bereiken, voor zover die referentieoppervlaktes niet reeds in andere wetgeving van de Unie aan de orde komen. De groep mariene habitattypen met zacht sediment, zijnde bepaalde brede bentische habitattypen die in Richtlijn 2008/56/EG zijn gespecificeerd, is breed vertegenwoordigd in de mariene wateren van verschillende lidstaten. Het moet de lidstaten daarom worden toegestaan de geleidelijk ingevoerde herstelmaatregelen te beperken tot een kleiner deel van de oppervlakte van deze habitattypen die niet in goede toestand verkeren, op voorwaarde dat dit niet verhindert dat een goede milieutoestand, zoals bepaald op grond van Richtlijn 2008/56/EG, wordt bereikt of behouden, met name rekening houdend met de overeenkomstig artikel 9, lid 3, van die richtlijn vastgestelde drempelwaarden voor descriptoren voor het bepalen van een goede milieutoestand zoals bedoeld in de punten 1 en 6 van bijlage I bij die richtlijn, voor de omvang van het verlies van deze habitattypen, voor negatieve effecten op de toestand van deze habitattypen en voor de maximaal toelaatbare omvang van die negatieve effecten.

(42)

Wanneer voor de bescherming van kust- en mariene habitats visserij- of aquacultuuractiviteiten moeten worden gereguleerd, is het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) van toepassing. In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12) is met name bepaald dat in het kader van het GVB op het visserijbeheer de ecosysteemgerichte benadering wordt toegepast, om te verzekeren dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. In die verordening is ook bepaald dat er met het GVB naar wordt gestreefd aantasting van het mariene milieu door aquacultuur- en visserijactiviteiten te voorkomen.

(43)

Om de doelstelling van voortdurend, langdurig en duurzaam herstel van de biodiversiteit en de veerkracht van de natuur te verwezenlijken, moeten de lidstaten de mogelijkheden die het GVB biedt, optimaal benutten. De lidstaten kunnen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie met betrekking tot de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee binnen de grens van 12 zeemijl niet-discriminerende maatregelen nemen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden, en om de staat van instandhouding van mariene ecosystemen te handhaven of te verbeteren. Daarnaast kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1380/2013, besluiten gemeenschappelijke aanbevelingen in te dienen voor instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om verplichtingen uit hoofde van de milieuwetgeving van de Unie na te komen. Een lidstaat die in zijn nationale herstelplan instandhoudingsmaatregelen opneemt die nodig zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van deze verordening en waarvoor gezamenlijke aanbevelingen moeten worden ingediend, moet overleg plegen en die gezamenlijke aanbevelingen indienen binnen een termijn die de tijdige vaststelling ervan mogelijk maakt voordat hun respectieve termijnen aflopen, teneinde de samenhang tussen de verschillende beleidsmaatregelen met betrekking tot de instandhouding van mariene ecosystemen te bevorderen. Dergelijke maatregelen moeten worden beoordeeld en vastgesteld overeenkomstig de regels en procedures van het GVB.

(44)

Op grond van Richtlijn 2008/56/EG moeten de lidstaten bilateraal en in het kader van regionale en subregionale samenwerkingsmechanismen samenwerken, onder meer via regionale zeeverdragen, met name het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (13), het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied (14), het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee (15) en het Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreinigingen dat op 21 april 1992 in Boekarest is ondertekend, alsook, wat visserijmaatregelen betreft, in de context van de regionale groepen die in het kader van het GVB zijn opgericht.

(45)

Het is belangrijk dat er herstelmaatregelen worden getroffen, ook voor de habitats van bepaalde mariene soorten, zoals haaien en roggen, die binnen het toepassingsgebied vallen van bijvoorbeeld het op 23 juni 1979 in Bonn ondertekende Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten of de lijsten van bedreigde soorten van de regionale zeeverdragen, maar buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG, aangezien zij een belangrijke rol spelen in het ecosysteem.

(46)

Om het herstel en de voorkoming van de achteruitgang van land-, zoetwater-, kust- en mariene habitats te ondersteunen, kunnen de lidstaten extra gebieden aanwijzen als “beschermde gebieden” of “strikt beschermde gebieden”, om andere doeltreffende gebiedsgebonden instandhoudingsmaatregelen uit te voeren en om maatregelen voor het behoud van particuliere grond te bevorderen.

(47)

Stedelijke ecosystemen maken ongeveer 22 % van het landoppervlak van de Unie uit en vormen het gebied waarin de meerderheid van de burgers van de Unie woont. Stedelijke groene ruimten omvatten onder meer stadsbossen, parken en tuinen, stadsboerderijen, met bomen omzoomde straten, stadsweiden en -heggen. Stedelijke ecosystemen voorzien, net als de andere door deze verordening bestreken ecosystemen, in belangrijke habitats voor biodiversiteit, met name voor planten, vogels en insecten, waaronder bestuivers. Zij leveren ook tal van andere vitale ecosysteemdiensten, waaronder beperking en beheersing van het risico op natuurrampen (zoals overstromingen en warmte-eilandeffecten), koeling, recreatie, filtering van lucht en water, alsook klimaatmitigatie en -adaptatie. Het uitbreiden van de stedelijke groene ruimte is een belangrijke parameter voor het meten van de toename van het vermogen van stedelijke ecosystemen om die essentiële diensten te bieden. Het vergroten van de groenbedekking in een stedelijk gebied vertraagt de waterafstroming, waardoor het risico op verontreiniging van waterlopen door overstorting van hemelwater wordt verminderd, helpt de zomertemperaturen te beperken en de klimaatbestendigheid te vergroten, en biedt de natuur extra ruimte om in te gedijen. Het vergroten van de stedelijke groene ruimte zal in veel gevallen de gezondheid van het stedelijke ecosysteem verbeteren. Gezonde stedelijke ecosystemen zijn dan weer van essentieel belang voor het ondersteunen van de gezondheid van andere belangrijke Europese ecosystemen, bijvoorbeeld door aansluiting op natuurgebieden in het omringende platteland, verbetering van de gezondheid van de waterlopen buiten de stad, het bieden van een toevluchtsoord en broedplaats voor vogel- en bestuiversoorten die verbonden zijn met landbouw- en boshabitats, en het bieden van belangrijke habitats voor trekvogels.

(48)

Maatregelen om te verzekeren dat het door stedelijke groene ruimten, met name bomen, bestreken gebied niet langer het risico loopt te worden verkleind, moeten sterk worden aangescherpt. Om te verzekeren dat stedelijke groene ruimten de nodige ecosysteemdiensten blijven leveren, moet het verlies ervan een halt worden toegeroepen en moeten zij worden hersteld en uitgebreid, onder meer door groene infrastructuur en natuurgebaseerde oplossingen, zoals groene daken en groene gevels, te integreren in het ontwerp van gebouwen. Op die manier kan een dergelijke integratie bijdragen aan niet alleen de instandhouding en toename van het door de stedelijke groene ruimte bestreken gebied, maar ook, indien de integratie ook bomen omvat, aan het oppervlak stedelijke boomkroonbedekking.

(49)

Wetenschappelijk bewijs wijst erop dat kunstlicht negatieve gevolgen heeft voor de biodiversiteit. Kunstlicht kan ook gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid. Bij het voorbereiden van hun nationale herstelplannen in het kader van deze verordening moeten de lidstaten kunnen overwegen lichtvervuiling in alle ecosystemen te stoppen, te verminderen of te verhelpen.

(50)

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 vereist dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om zoetwaterecosystemen en de natuurlijke functies van rivieren te herstellen. Het herstel van zoetwaterecosystemen moet inspanningen omvatten om de natuurlijke verbindingen van rivieren en hun oeverstroken en overstromingsgebieden te herstellen, onder meer door kunstmatige barrières weg te nemen om te helpen een gunstige staat van instandhouding te bereiken van rivieren, meren en alluviale habitats en in die habitats levende soorten die onder de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG vallen, en door de verwezenlijking van een van de voornaamste doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, namelijk het herstel van minstens 25 000 km aan vrij stromende rivieren, in vergelijking met 2020 toen de strategie werd vastgesteld. Bij het wegnemen van barrières moeten de lidstaten in de eerste plaats barrières wegnemen die niet langer nodig zijn voor de opwekking van hernieuwbare energie, de binnenvaart, de watervoorziening of andere gebruiksdoeleinden.

(51)

In de Unie is het aantal bestuivers de afgelopen decennia drastisch gedaald, waarbij van één op de drie bijensoorten en vlindersoorten de populatie afneemt en een op de tien soorten op het punt van uitsterven staat. Bestuivers bestuiven in het wild groeiende en geteelde gewassen en zijn daardoor van essentieel belang voor de werking van landecosystemen, het welzijn van de mens en de voedselzekerheid. Uit het verslag van 2021 dat is gebaseerd op de output van het project Integrated System for National Capital Accounting (“INCA”) dat gezamenlijk is opgezet door de diensten van de Commissie en het Europees Milieuagentschap, blijkt dat bijna 5 000 000 000 EUR van de jaarlijkse landbouwproductie van de Unie rechtstreeks is toe te schrijven aan bestuivende insecten.

(52)

Met haar mededeling van 1 juni 2018 lanceerde de Commissie het EU-initiatief inzake bestuivers, naar aanleiding van oproepen van het Europees Parlement en de Raad om de daling van het aantal bestuivers aan te pakken. Uit het voortgangsverslag van 27 mei 2021 over de uitvoering van het initiatief blijkt dat er aanzienlijke uitdagingen blijven bestaan bij het aanpakken van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers, waaronder het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Zowel het Europees Parlement in zijn resolutie van 9 juni, als de Raad in zijn conclusies van 17 december 2020 over Speciaal verslag 15/2020 van de Europese Rekenkamer riepen op tot krachtigere maatregelen om de daling van het aantal bestuivers aan te pakken, tot de instelling van een Uniebreed monitoringkader voor bestuivers en tot duidelijke doelstellingen en indicatoren met betrekking tot de verbintenis om de daling van het aantal bestuivers om te keren. In zijn speciaal verslag uit 2020 heeft de Europese Rekenkamer de Commissie aanbevolen passende governance- en monitoringmechanismen op te zetten voor maatregelen om bedreigingen voor bestuivers aan te pakken. In haar mededeling van 24 januari 2023 heeft de Commissie een herziening van het EU-initiatief inzake bestuivers gepresenteerd, getiteld “Herziening van het EU-initiatief inzake bestuivers. Een “New Deal” voor bestuivers”, waarin maatregelen uiteen worden gezet die de Unie en haar lidstaten moeten nemen om de achteruitgang van bestuivers tussen nu en 2030 om te buigen.

(53)

Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beoogt een van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers te reglementeren door middel van een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen in ecologisch kwetsbare gebieden, waarvan er veel onder deze verordening vallen, zoals gebieden die bestuiversoorten in stand houden die volgens de Europese rode lijsten van soorten met uitsterven worden bedreigd.

(54)

Duurzame, veerkrachtige en biodiverse landbouwecosystemen zijn nodig om te zorgen voor veilig, duurzaam, voedzaam en betaalbaar voedsel. Landbouwecosystemen met een rijke biodiversiteit vergroten tevens de weerbaarheid van de landbouw tegen klimaatverandering en milieurisico’s, waarborgen de voedselveiligheid en voedselzekerheid en scheppen nieuwe banen in plattelandsgebieden, met name banen die verband houden met biologische landbouw, plattelandstoerisme en recreatie. Derhalve moet de Unie de biodiversiteit van haar landbouwgrond verbeteren door middel van een reeks bestaande praktijken die gunstig zijn voor of verenigbaar zijn met verbetering van de biodiversiteit, onder meer door middel van het gebruik van extensieve landbouw. Extensieve landbouw is van vitaal belang voor de instandhouding van veel soorten en habitats in gebieden met een rijke biodiversiteit. Er zijn veel extensieve landbouwmethoden met talrijke en aanzienlijke voordelen voor de bescherming van de biodiversiteit, ecosysteemdiensten en landschapselementen, zoals precisielandbouw, biologische landbouw, agro-ecologie, agrobosbouw en laagintensief gebruikt blijvend grasland. Dergelijke praktijken zijn niet zozeer bedoeld om het gebruik van landbouwgrond een halt toe te roepen, maar eerder om dit soort gebruik aan te passen ten gunste van de werking en productiviteit van de landbouwecosystemen op lange termijn. Financieel aantrekkelijke financieringsregelingen voor eigenaren, landbouwers en andere grondbeheerders om vrijwillig aan dergelijke praktijken deel te nemen, zijn belangrijk om de voordelen van herstel op lange termijn te realiseren.

(55)

Er moeten herstelmaatregelen worden genomen om de biodiversiteit van landbouwecosystemen in de gehele Unie te verbeteren, ook in de gebieden waar geen binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallende habitattypen voorkomen. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van de toestand van landbouwecosystemen op basis waarvan specifieke doelen voor het herstel van landbouwecosystemen zouden kunnen worden vastgesteld, is het passend een algemene verplichting vast te stellen om de biodiversiteit in landbouwecosystemen te verbeteren en de naleving van die verplichting te meten op basis van een selectie van indicatoren uit de graslandvlinderindex, de voorraad organische koolstof in minerale bodems onder bouwland of het aandeel landbouwgrond met diversiteitsrijke landschapselementen.

(56)

Aangezien boerenlandvogels bekende en algemeen erkende belangrijke indicatoren voor de gezondheid van landbouwecosystemen zijn, is het passend doelen voor het herstel ervan vast te stellen. De verplichting om die doelen te halen, moet gelden voor de lidstaten en niet voor individuele landbouwers. De lidstaten moeten die doelen halen door doeltreffende herstelmaatregelen op landbouwgrond in te voeren en samen te werken met en steun te verlenen aan landbouwers en andere belanghebbenden bij het ontwerp en de uitvoering ervan in de praktijk.

(57)

Diversiteitsrijke landschapselementen op landbouwgrond, waaronder bufferstroken, roterende of niet-roterende braakgrond, houtwallen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, boomrijen, akkerranden, kleine stukken grond, sloten, waterlopen, kleine wetlands, terrassen, cairns, stapelmuren, kleine poelen en cultuurelementen, bieden plaats aan wilde planten en dieren, waaronder bestuivers, voorkomen bodemerosie en -uitputting, filteren lucht en water, ondersteunen klimaatmitigatie en -adaptatie alsook de landbouwproductiviteit van gewassen die van bestuiving afhankelijk zijn. Productieve elementen kunnen onder bepaalde voorwaarden als diversiteitsrijke landschapselementen worden beschouwd.

(58)

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft tot doel milieubescherming, waaronder biodiversiteit, te ondersteunen en te versterken. Een van de specifieke doelstellingen van het beleid is bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot de versterking van ecosysteemdiensten en tot de instandhouding van habitats en landschappen. De nieuwe GLB-conditionaliteitsnorm nr. 8 voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (“GLMC 8”) in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (16) vereist dat begunstigden van areaalgerelateerde betalingen minstens 4 % van het bouwland op bedrijfsniveau voorbehouden voor niet-productieve gebieden en kenmerken, zoals braakliggend land, en dat zij bestaande landschapselementen behouden. Het aandeel van 4 % dat moet worden toegekend aan de naleving van de GLMC 8-norm, kan worden verlaagd tot 3 % indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze verplichting zal ertoe bijdragen dat de lidstaten een positieve trend op het gebied van diversiteitsrijke landschapselementen op landbouwgrond bereiken. Daarnaast hebben de lidstaten in het kader van het GLB de mogelijkheid om ecoregelingen op te zetten voor landbouwpraktijken die landbouwers op landbouwarealen toepassen en die het onderhoud en de creatie van landschapselementen of niet-productieve arealen kunnen omvatten. Evenzo kunnen de lidstaten in hun strategische GLB-plannen ook agromilieuklimaatverbintenissen opnemen, waaronder een verbeterd beheer van landschapselementen dat verder gaat dan de GLMC 8-norm of ecoregelingen. Projecten onder het subprogramma Natuur en biodiversiteit van het LIFE-programma, die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/783 van het Europees Parlement en de Raad (17), zullen er ook toe bijdragen dat de biodiversiteit van Europa op landbouwgrond uiterlijk in 2030 op weg is naar herstel, door de uitvoering van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG en de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 te ondersteunen.

(59)

Het herstellen en het vernatten van organische bodems, zoals gedefinieerd in de IPCC-richtlijnen voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006, die voor landbouwdoeleinden, namelijk als grasland of voor de teelt van gewassen, worden gebruikt en die ontwaterde veengebieden vormen, helpen aanzienlijke voordelen voor de biodiversiteit te creëren en een belangrijke vermindering van broeikasgasemissies en andere milieuvoordelen te verwezenlijken, en dragen tegelijkertijd bij tot een divers agrarisch landschap. De lidstaten kunnen kiezen uit een brede waaier aan herstelmaatregelen voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt, gaande van het omzetten van bouwland in blijvend grasland en extensiveringsmaatregelen in combinatie met verminderde drainage tot volledige vernatting met de mogelijkheid om paludicultuur toe te passen, of het aanleggen van veenvormende vegetatie. De belangrijkste klimaatvoordelen vloeien voort uit het herstel en de vernatting van akkerland, gevolgd door het herstel van intensief grasland. Om een flexibele uitvoering van de hersteldoelstelling voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt mogelijk te maken, moeten de lidstaten de herstelmaatregelen en het vernatten van ontwaterde veengebieden in gebieden waar turf wordt gewonnen, alsook, tot op zekere hoogte, het herstel en het vernatten van ontwaterde veengebieden onder ander landgebruik, bijvoorbeeld bos, kunnen beschouwen als een bijdrage aan de verwezenlijking van de hersteldoelen voor ontwaterde veengebieden die voor landbouwdoeleinden worden gebruikt. Indien dit naar behoren gerechtvaardigd is als de vernatting van ontwaterde veengebieden voor landbouwdoeleinden niet kan worden uitgevoerd wegens aanzienlijke negatieve gevolgen voor gebouwen, infrastructuur, klimaatadaptatie of andere openbare belangen en het niet haalbaar is veengebieden te vernatten onder meer vormen van grondgebruik, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn de omvang van het vernatten van veengebieden te verminderen.

(60)

Om de voordelen van de biodiversiteit ten volle te benutten, moeten het herstel en de vernatting van ontwaterde veengebieden meer gebieden bestrijken dan de gebieden van de in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen habitattypen van wetlands die moeten worden hersteld en opnieuw ontwikkeld. Gegevens over de omvang van organische bodems en hun broeikasgasemissies en -verwijderingen worden gemonitord en beschikbaar gesteld via verslaglegging door de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de uit hoofde van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering ingediende nationale broeikasgasinventarissen van de lidstaten. Herstelde en vernatte veengebieden kunnen nog steeds op andere manieren productief worden gebruikt. Paludicultuur, het bedrijven van landbouw op natte veengebieden, kan bijvoorbeeld bestaan uit het telen van verschillende rietsoorten, bepaalde vormen van hout, het telen van blauwe bosbessen en veenbessen, landbouw op veenmos en begrazing door waterbuffels. Dergelijke praktijken moeten gebaseerd zijn op de beginselen van duurzaam beheer en gericht zijn op het verbeteren van de biodiversiteit, zodat zij zowel financieel als ecologisch gezien een hoge waarde kunnen hebben. Paludicultuur kan ook voordelig zijn voor verschillende bedreigde soorten in de Unie en zorgen voor betere verbindingen van wetlands en daarmee samenhangende soortenpopulaties in de Unie. De financiering van maatregelen voor het herstel en de vernatting van ontwaterde veengebieden en ter compensatie van mogelijke inkomstenderving kan afkomstig zijn uit een breed scala aan bronnen, waaronder uitgaven in het kader van de begroting van de Unie en financieringsprogramma’s van de Unie.

(61)

In de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030, die is uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 16 juli 2021, wordt gewezen op de noodzaak om de biodiversiteit van bossen te herstellen. Bossen en andere beboste gebieden beslaan meer dan 43,5 % van het landoppervlak van de Unie. Bosecosystemen met een rijke biodiversiteit zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, maar zijn onder meer door hun functie als koolstofvoorraden en koolstofputten ook een natuurlijke bondgenoot bij het aanpassen aan en het bestrijden van klimaatverandering en het aanpakken van klimaatgerelateerde risico’s. Zij leveren ook tal van andere vitale ecosysteemdiensten en bieden andere ecosysteemvoordelen, zoals de levering van (timmer)hout, voedsel en andere niet-houtproducten, klimaatregulering, stabilisatie van de bodem, erosiebeheersing en de zuivering van lucht en water.

(62)

Er moeten herstelmaatregelen worden genomen om de biodiversiteit van bosecosystemen in de gehele Unie te verbeteren, ook in de gebieden waar geen binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 92/43/EEG vallende habitattypen voorkomen. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van de toestand van bosecosystemen op basis waarvan specifieke doelen voor het herstel van bosecosystemen zouden kunnen worden vastgesteld, is het passend een algemene verplichting vast te stellen om de biodiversiteit in bosecosystemen te verbeteren en de naleving van die verplichting te meten op basis van de index van algemene bosvogels en een selectie andere indicatoren, waaronder staand dood hout, liggend dood hout, het aandeel bossen met een ongelijkjarige structuur, de bosverbondenheid, de voorraad organische koolstof, het aandeel door inheemse boomsoorten gedomineerde bossen en de diversiteit aan boomsoorten.

(63)

Bij het plannen en uitvoeren van de herstelmaatregelen die nodig zijn om de biodiversiteit in bosecosystemen te verbeteren en bij het vaststellen van bevredigende niveaus voor biodiversiteitsindicatoren voor bossen, moeten de lidstaten rekening houden met de risico’s van bosbranden, op basis van de lokale omstandigheden. De lidstaten moeten gebruikmaken van beste praktijken om dergelijke risico’s te beperken, met name zoals beschreven in de in 2021 gepubliceerde richtsnoeren van de Commissie inzake de preventie van bosbranden op land.

(64)

In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 is de verbintenis opgenomen om uiterlijk in 2030 in de Unie minstens drie miljard extra bomen te planten, met volledige inachtneming van de ecologische beginselen. De nieuwe EU-bosstrategie voor 2030, die is opgenomen in de mededeling van de Commissie van 16 juli 2021, bevat een routekaart voor de uitvoering van die verbintenis op basis van het algemene beginsel dat de juiste boom moet worden geplant en gekweekt op de juiste plaats en voor het juiste doel. Om de bijdragen aan en de vooruitgang op het gebied van de verbintenis te registreren is een online bomenteller beschikbaar waarin de lidstaten de aangeplante bomen moeten documenteren. Zoals vastgelegd in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en in de routekaart in de nieuwe EU-bosstrategie voor 2030, heeft de Commissie op 17 maart 2023 richtsnoeren uitgevaardigd voor biodiversiteitsvriendelijke bebossing, herbebossing en het planten van bomen. Die richtsnoeren, waarin het kader van de te overwegen ecologische beginselen wordt omschreven, hebben tot doel bij te dragen aan de verbintenis en via die weg de uitvoering van deze verordening te ondersteunen.

(65)

Hersteldoelen en -verplichtingen voor uit hoofde van de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG beschermde habitats en soorten, voor bestuivers en voor zoetwater-, stedelijke, landbouw- en bosecosystemen, moeten complementair zijn en in synergie werken, met het oog op de verwezenlijking van de overkoepelende doelstelling om ecosystemen in de land- en zeegebieden van de lidstaten te herstellen. De herstelmaatregelen die nodig zijn om één specifieke doelstelling te halen, zullen in veel gevallen bijdragen aan de verwezenlijking van andere doelstellingen of het nakomen van andere verplichtingen. De lidstaten moeten herstelmaatregelen daarom strategisch plannen zodat zij zo doeltreffend mogelijk bijdragen aan het herstel van de natuur in de hele Unie. Herstelmaatregelen moeten ook zodanig worden gepland dat zij gericht zijn op klimaatmitigatie en klimaatadaptatie en op de preventie en beheersing van de gevolgen van natuurrampen en bodemdegradatie. Zij moeten gericht zijn op het optimaliseren van de ecologische, economische en sociale functies van ecosystemen, waaronder hun productiviteitspotentieel, rekening houdend met hun bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van de betrokken regio’s en gemeenschappen. Om onbedoelde gevolgen te voorkomen, moeten de lidstaten ook rekening houden met de voorzienbare sociaaleconomische effecten en de geraamde voordelen van de uitvoering van de herstelmaatregelen. Het is belangrijk dat de lidstaten gedetailleerde nationale herstelplannen voorbereiden op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke bevindingen. Gedocumenteerde gegevens over de historische verspreiding en oppervlakte, en over de verwachte veranderingen in de milieuomstandigheden als gevolg van de klimaatverandering, moeten de basis vormen voor de vaststelling van gunstige referentieoppervlaktes voor habitattypen. Voorts is het belangrijk dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt in de voorbereiding van de plannen. De lidstaten moeten rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften op hun grondgebied, zodat met de plannen kan worden gereageerd op de relevante druk, bedreigingen en oorzaken van een verlies aan biodiversiteit, en moeten samenwerken om herstel en verbondenheid over de grenzen heen te waarborgen.

(66)

Om synergieën te verzekeren tussen de verschillende maatregelen die zijn en moeten worden genomen om de natuur in de Unie te beschermen, in stand te houden en te herstellen, moeten de lidstaten bij het voorbereiden van hun nationale herstelplannen rekening houden met: de voor Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsmaatregelen en de overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG opgestelde prioritaire actiekaders, de maatregelen voor het realiseren van een goede ecologische en chemische toestand van waterlichamen die zijn opgenomen in de overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) opgestelde stroomgebiedbeheerplannen, de overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG opgestelde mariene strategieën voor het realiseren van een goede milieutoestand voor alle mariene regio’s van de Unie, de in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad (19) opgestelde nationale programma’s ter beheersing van de luchtverontreiniging, de overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag inzake biologische diversiteit ontwikkelde nationale biodiversiteitsstrategieën en actieplannen, alsmede de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 opgestelde instandhoudingsmaatregelen en de overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (20) opgestelde technische maatregelen.

(67)

Om samenhang te verzekeren tussen de doelstellingen van deze verordening en Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (21), Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (22) en Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad (23) wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, moeten de lidstaten, met name bij het voorbereiden van nationale herstelplannen, rekening houden met het potentieel van projecten op het gebied van hernieuwbare energie om bij te dragen tot de verwezenlijking van de natuurhersteldoelstellingen.

(68)

Gelet op het belang de dubbele uitdagingen van het verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering consequent aan te pakken, moet bij het herstel van de biodiversiteit rekening worden gehouden met de inzet van hernieuwbare energie en vice versa. Het moet mogelijk zijn om herstelactiviteiten en de uitrol van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te combineren, onder meer in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en speciale netgebieden. Op grond van Richtlijn (EU) 2018/2001 moeten de lidstaten de uitrol van hernieuwbare energie op hun grondgebied gecoördineerd in kaart brengen om het binnenlandse potentieel en het beschikbare landoppervlak, de ondergrond, de zee of het binnenwater te identificeren die nodig zijn voor de installatie van installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen en de bijbehorende infrastructuur, zoals netwerkinfrastructuur en opslagfaciliteiten, waaronder thermische opslag, die nodig zijn om minstens hun nationale bijdrage aan het herziene streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 te halen. Dergelijke noodzakelijke gebieden, waaronder de bestaande installaties en samenwerkingsmechanismen, moeten in overeenstemming zijn met de geraamde trajecten en de totale geplande geïnstalleerde capaciteit per hernieuwbare energietechnologie die in de nationale energie- en klimaatplannen zijn vastgelegd. De lidstaten moeten een subgroep van dergelijke gebieden aanwijzen als gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie zijn specifieke locaties, zowel op land als op zee, die bijzonder geschikt zijn voor de bouw van installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, waar het gebruik van een specifiek type hernieuwbare energie naar verwachting geen significante milieueffecten zal hebben, gezien de bijzondere kenmerken van het geselecteerde gebied. De lidstaten moeten voorrang geven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, zoals daken en gevels van gebouwen, vervoersinfrastructuur en de onmiddellijke omgeving hiervan, parkeerterreinen, boerderijen, afvalterreinen, industrieterreinen, mijnen, kunstmatige binnenwaterlichamen, meren of reservoirs, en, in voorkomend geval, locaties voor de behandeling van stedelijk afvalwater alsmede aangetaste grond die niet bruikbaar is voor de landbouw. In Richtlijn (EU) 2018/2001 is ook bepaald dat de lidstaten een of meer plannen kunnen vaststellen om speciale infrastructuurgebieden aan te wijzen voor de ontwikkeling van de net- en opslagprojecten die nodig zijn om hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem te integreren, indien deze ontwikkeling naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben of indien dergelijke effecten naar behoren kunnen worden verzacht of, indien dat niet mogelijk is, gecompenseerd. Dergelijke gebieden moeten dienen ter ondersteuning van en aanvulling op de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Bij de aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en van speciale infrastructuurgebieden moeten de lidstaten beschermde gebieden vermijden en rekening houden met hun nationale herstelplannen. De lidstaten moeten de ontwikkeling van nationale herstelplannen afstemmen op de inventarisatie van de gebieden die nodig zijn voor het halen van minstens hun nationale bijdrage aan het streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 en, in voorkomend geval, op de aanwijzing van de gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de speciale netgebieden. Tijdens de voorbereiding van de nationale herstelplannen moeten de lidstaten synergieën te verzekeren met de opbouw van hernieuwbare energie en de bijbehorende infrastructuur en met de reeds aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en speciale netgebieden en verzekeren dat de werking van die gebieden, waaronder de in Richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalde vergunningsprocedures van dat van toepassing is op die gebieden, ongewijzigd blijft.

(69)

Om synergieën met reeds geplande of ingevoerde herstelmaatregelen in de lidstaten te waarborgen, moeten die herstelmaatregelen in de nationale herstelplannen worden erkend en in aanmerking worden genomen. Aangezien er in het zesde evaluatieverslag van het IPCC op is gewezen dat er dringend maatregelen voor het herstel van aangetaste ecosystemen moeten worden genomen, moeten de lidstaten die maatregelen tegelijk met de voorbereiding van de herstelplannen uitvoeren.

(70)

In de nationale herstelplannen en in de maatregelen tot herstel van habitats en de maatregelen ter voorkoming van verslechtering van habitats moet ook rekening worden gehouden met de resultaten van onderzoeksprojecten die relevant zijn voor de beoordeling van de toestand van ecosystemen, de vaststelling en invoering van herstelmaatregelen, en voor monitoringdoeleinden. Waar passend moet daarin ook rekening worden gehouden met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie, overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals sociale, economische en culturele vereisten en regionale en plaatselijke kenmerken, waaronder de bevolkingsdichtheid.

(71)

Er moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden van de Unie, zoals vermeld in artikel 349 VWEU, dat voorziet in specifieke maatregelen ter ondersteuning van deze gebieden. Zoals beoogd in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het beschermen en herstellen van de ecosystemen in de ultraperifere gebieden, gezien hun uitzonderlijk hoge biodiversiteitswaarde. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de daarmee gepaard gaande kosten voor de bescherming en het herstel van die ecosystemen en de afgelegen ligging, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte en het moeilijke reliëf en klimaat van de ultraperifere gebieden, met name bij het voorbereiden van de nationale herstelplannen. De lidstaten worden aangemoedigd om op vrijwillige basis specifieke herstelmaatregelen in te voeren in de buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallende ultraperifere gebieden.

(72)

Het Europees Milieuagentschap moet de lidstaten ondersteunen bij het voorbereiden van hun nationale herstelplannen en bij het toezicht op de voortgang bij het halen en nakomen van de hersteldoelen en -verplichtingen. De Commissie moet beoordelen of de nationale herstelplannen toereikend zijn om die doelen en verplichtingen te halen respectievelijk na te komen, teneinde de overkoepelende doelstellingen van de Unie te verwezenlijken om samen, als Uniedoel, in alle binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende gebieden en ecosystemen uiterlijk in 2030 minstens 20 % van de landoppervlaktes en minstens 20 % van de zeeoppervlaktes te bestrijken, en uiterlijk in 2050 alle ecosystemen die moeten worden hersteld, alsook de doelstelling om uiterlijk in 2030 van minstens 25 000 km rivieren weer vrij stromende rivieren te maken, en teneinde bij te dragen aan de toezegging om uiterlijk in 2030 minstens 3 miljard extra bomen in de Unie aan te planten.

(73)

Uit het verslag van 2020 over de stand van de natuur is gebleken dat een aanzienlijk deel van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad en artikel 12 van Richtlijn 2009/147/EG gerapporteerde informatie, met name over de staat van instandhouding en trends van de habitats en soorten die hieronder vallen, afkomstig is van peilingen of uitsluitend op het oordeel van deskundigen is gebaseerd. Uit dat verslag is tevens gebleken dat de toestand van verscheidene onder Richtlijn 92/43/EEG vallende habitattypen en soorten nog onbekend is. Het is noodzakelijk om deze kennishiaten op te vullen en te investeren in monitoring en controle om degelijke en op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde nationale herstelplannen te onderbouwen. Om de tijdigheid, doeltreffendheid en samenhang van de verschillende monitoringmethoden te vergroten, moet bij de monitoring en controle optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van door de Unie gefinancierde onderzoeks- en innovatieprojecten en van nieuwe technologieën, zoals monitoring ter plaatse en teledetectie met gebruikmaking van satellietgegevens en -diensten die worden verstrekt in het kader van de Egnos-, Galileo- en Copernicus-componenten van het ruimtevaartprogramma van de Unie, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad (24). De verwezenlijking van de hersteldoelen zal worden ondersteund door de EU-missies “Onze oceanen en wateren herstellen”, “Aanpassing aan klimaatverandering” en “Een bodemdeal voor Europa”, die zijn opgenomen in de mededeling van de Commissie van 29 september 2021 betreffende Europese missies.

(74)

Gelet op de bijzondere technische en financiële uitdagingen bij het in kaart brengen en monitoren van mariene milieus, moeten de lidstaten, in aanvulling op de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG en overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/56/EG gerapporteerde informatie, bij de beoordeling van de toestand van de in bijlage II bij deze verordening opgenomen mariene habitats kunnen gebruikmaken van informatie over druk en bedreigingen of andere relevante informatie als basis voor extrapolatie. Het moet ook mogelijk zijn een dergelijke aanpak te hanteren als basis voor het plannen van herstelmaatregelen in mariene habitats overeenkomstig deze verordening. De algemene beoordeling van de toestand van de in bijlage II bij deze verordening opgenomen mariene habitats moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare kennis en de meest recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.

(75)

Om te de monitoring te verzekeren van de voortgang bij de uitvoering van de nationale herstelplannen, de genomen herstelmaatregelen, de gebieden waarop herstelmaatregelen van toepassing zijn en de gegevens over de in kaart gebrachte belemmeringen voor de riviercontinuïteit, moet een systeem worden ingevoerd dat de lidstaten ertoe verplicht relevante gegevens over de resultaten van die monitoring te registreren, actueel te houden en toegankelijk te maken. Bij de elektronische rapportage van gegevens aan de Commissie moet worden gebruikgemaakt van het systeem Reportnet van het Europees Milieuagentschap en moet ernaar worden gestreefd de administratieve lasten voor alle entiteiten zoveel mogelijk te beperken. Om te een passende infrastructuur te verzekeren voor publieke toegang, verslaglegging en gegevensuitwisseling tussen overheidsinstanties moeten de lidstaten, in voorkomend geval, de gegevensspecificaties baseren op de specificaties zoals bedoeld in de Richtlijnen 2003/4/EG (25), 2007/2/EG (26) en (EU) 2019/1024 (27) van het Europees Parlement en de Raad.

(76)

Om een doeltreffende uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet de Commissie de lidstaten op verzoek ondersteunen via het instrument voor technische ondersteuning, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad (28), dat op maat gesneden technische ondersteuning biedt bij het ontwerpen en uitvoeren van hervormingen. De uit hoofde van dat instrument verleende technische ondersteuning omvat bijvoorbeeld een versterking van de administratieve capaciteit, een harmonisering van de rechtskaders en het delen van relevante beste praktijken.

(77)

De Commissie moet verslag uitbrengen over de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt bij het halen respectievelijk nakomen van de hersteldoelen en -verplichtingen van deze verordening, op basis van door het Europees Milieuagentschap opgestelde Uniebrede voortgangsverslagen en andere analyses en verslagen die door de lidstaten beschikbaar worden gesteld op relevante beleidsterreinen zoals natuur-, water- en marien beleid.

(78)

Om te verzekeren dat de in deze verordening vastgestelde doelen worden gehaald en de verplichtingen worden nagekomen, is het van het grootste belang dat er adequate particuliere en publieke investeringen in herstel worden gedaan. De lidstaten moeten derhalve uitgaven voor biodiversiteitsdoelstellingen, onder meer met betrekking tot de opportuniteits- en transitiekosten die voortvloeien uit de uitvoering van de nationale herstelplannen, in hun nationale begrotingen opnemen en nadenken over de vraag hoe zij de financiering van de Unie gaan gebruiken. Met betrekking tot financiering door de Unie dragen uitgaven in het kader van de begroting van de Unie en financieringsprogramma’s van de Unie, zoals het LIFE-programma, het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA), opgericht bij Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad (29), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), beide vastgesteld bij Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad (30), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds, beide vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad (31) en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, opgericht bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (32), alsook Horizon Europe, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (33), bij aan de biodiversiteitsdoelstellingen, met de ambitie om in 2024 7,5 % en in 2026 en 2027 10 % van de jaarlijkse uitgaven in het kader van het meerjarig financieel kader 2021-2027, dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (34) (het MFK 2021-2027) aan biodiversiteitsdoelstellingen te besteden. De herstel- en veerkrachtfaciliteit, die is ingesteld bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (35), is nog een bron van financiering voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en van ecosystemen. Met betrekking tot het LIFE-programma moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het passende gebruik van de strategische natuurprojecten als een specifiek instrument ter ondersteuning van de uitvoering van deze verordening, door de beschikbare financiële middelen op een doeltreffende en efficiënte manier te mainstreamen.

(79)

De voorbereiding van de nationale herstelplannen mag voor de lidstaten geen verplichting inhouden om financiering in het kader van het GLB, het GVB of andere financieringsprogramma’s of -instrumenten voor landbouw en visserij in het kader van het MFK 2021-2027 te herprogrammeren met het oog op de uitvoering van deze verordening.

(80)

Er is een reeks Unie-, nationale en particuliere initiatieven beschikbaar om particuliere financiering te stimuleren, zoals het bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (36) vastgestelde InvestEU-programma, dat mogelijkheden biedt om publieke en particuliere financiering aan te trekken ter ondersteuning van onder meer de verbetering van de natuur en de biodiversiteit door middel van groene en blauwe infrastructuurprojecten, alsook ter ondersteuning van koolstoflandbouw als groen bedrijfsmodel. De financiering van natuurherstelmaatregelen ter plaatse door middel van particuliere of publieke financiering, waaronder resultaatgerichte steun en innovatieve regelingen zoals certificeringsregelingen voor koolstofverwijdering, zou kunnen worden bevorderd. Particuliere investeringen zouden ook een impuls kunnen krijgen door middel van publieke investeringsregelingen, waaronder financieringsinstrumenten, subsidies en andere instrumenten, mits de staatssteunregels worden nageleefd.

(81)

Om de uitvoering van deze verordening te waarborgen, zijn toereikende particuliere en publieke investeringen voor natuurherstelmaatregelen van essentieel belang. Daarom moet de Commissie binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening in overleg met de lidstaten een verslag uitbrengen met een analyse van de lacunes bij de uitvoering van deze verordening. Dat verslag moet zo nodig vergezeld gaan van voorstellen voor adequate aanvullende maatregelen, ook op financieel gebied, om de vastgestelde lacunes aan te pakken, zoals de invoering van gerichte financiering, waarbij de prerogatieven van de medewetgevers met betrekking tot de vaststelling van het meerjarig financieel kader na 2027, onverlet worden gelaten.

(82)

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie staat het aan de rechterlijke instanties van de lidstaten om, overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde beginsel van loyale samenwerking, de rechterlijke bescherming te waarborgen van de aan het Unierecht ontleende rechten van een persoon. Voorts verplicht artikel 19, lid 1, VEU de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te waarborgen. De Unie en de lidstaten zijn partij bij het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de VN betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (37) (het “Verdrag van Aarhus”). Uit hoofde van het Verdrag van Aarhus moeten de lidstaten verzekeren dat het publiek, overeenkomstig het relevante nationale rechtsstelsel, toegang heeft tot de rechter.

(83)

De lidstaten moeten bij de voorbereiding en uitvoering van hun nationale herstelplannen een eerlijke en algemene maatschappelijke benadering bevorderen. Zij moeten de nodige maatregelen nemen om plaatselijke en regionale autoriteiten, grondeigenaren en grondgebruikers en hun verenigingen, maatschappelijke organisaties, bedrijven, onderzoeks- en onderwijsgemeenschappen, landbouwers, vissers, bosbouwers, investeerders en andere belanghebbenden evenals het grote publiek te betrekken bij alle fasen van de voorbereiding, evaluatie en uitvoering van de nationale herstelplannen, en om de dialoog en de verspreiding van wetenschappelijk onderbouwde informatie over biodiversiteit en de voordelen van herstel te bevorderen.

(84)

Op grond van Verordening (EU) 2021/2115 moeten strategische GLB-plannen bijdragen aan het realiseren van, en verenigbaar zijn met de nationale langetermijnstreefcijfers die zijn opgenomen in of voortvloeien uit de in bijlage XIII bij die verordening vermelde wetgevingshandelingen. Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) 2021/2115 uiterlijk op 31 december 2025 de lijst in bijlage XIII bij die verordening evalueert, moet zij rekening houden met deze verordening.

(85)

In overeenstemming met de verbintenis in het achtste milieuactieprogramma, dat is vastgesteld in Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad (38), moeten de lidstaten milieuonvriendelijke subsidies op nationaal niveau uitfaseren, waarbij zij optimaal gebruik moeten maken van marktconforme instrumenten en groene begrotings- en financieringsinstrumenten, waaronder de nodige instrumenten om een sociaal rechtvaardige transitie te waarborgen, en bedrijven en andere belanghebbenden moeten helpen bij de ontwikkeling van gestandaardiseerde boekhoudpraktijken voor natuurlijk kapitaal.

(86)

Met het oog op de noodzakelijke aanpassing van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanvulling van deze verordening door een wetenschappelijk onderbouwde methode voor de monitoring van de diversiteit van bestuivers en bestuiverpopulaties vast te stellen en bij te werken, en met betrekking tot de wijziging van de bijlagen I tot en met VII bij deze verordening door de groepen en lijsten van habitattypen, de lijst van mariene soorten, de lijst van soorten die wordt gebruikt voor de index van algemene boerenlandvogels, de beschrijving, eenheid en methode van biodiversiteitsindicatoren voor landbouwecosystemen en voor bosecosystemen, en de lijst met voorbeelden van herstelmaatregelen aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, teneinde rekening te houden met de ervaring uit de toepassing van deze verordening of teneinde de consistentie met de EUNIS-habitattypen te waarborgen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden effectbeoordelingen uitvoert en tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, volgens de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (39). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(87)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van de methoden voor de monitoring van de indicatoren voor de in bijlage IV bij deze verordening opgenomen landbouwecosystemen en van de indicatoren voor de in bijlage VI bij deze verordening opgenomen bosecosystemen, met betrekking tot het instellen van richtinggevende kaders voor het vaststellen van bevredigende niveaus van stedelijke groene ruimte, van stedelijke boomkroonbedekking in stedelijke ecosystemen, van bestuivers, van de biodiversiteitsindicatoren voor de in bijlage IV bij deze verordening opgenomen landbouwecosystemen, en van de indicatoren voor de in bijlage VI bij deze verordening opgenomen bosecosystemen, met betrekking tot het vastleggen van een uniform model voor de nationale herstelplannen, en het vastleggen van het model, de structuur en de gedetailleerde regelingen voor het elektronisch rapporteren van gegevens en informatie aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (40).

(88)

Om een snelle en doeltreffende respons mogelijk te maken wanneer zich een onvoorzienbare, uitzonderlijke en niet-uitgelokte gebeurtenis voordoet die buiten de macht van de Unie valt en die in de hele Unie ernstige gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van land dat nodig is om een voldoende landbouwproductie voor voedselconsumptie in de Unie te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de tijdelijke schorsing van de toepassing van de desbetreffende bepalingen van deze verordening, voor zover en zolang als dat strikt noodzakelijk is, tot maximaal twaalf maanden, met behoud van de doelstellingen van deze verordening. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(89)

De Commissie moet een evaluatie van deze verordening uitvoeren. Op grond van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet die evaluatie gebaseerd zijn op de criteria doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde, en de basis vormen voor effectbeoordelingen van mogelijkheden voor verder optreden. Bovendien moet de Commissie beoordelen of er aanvullende hersteldoelen moeten worden vastgesteld, op basis van gemeenschappelijke methoden voor de beoordeling van de toestand van ecosystemen die niet onder de artikelen 4 en 5 van deze verordening vallen, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke bevindingen.

(90)

Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad (41) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

(91)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het langdurige en duurzame herstel van biodiverse en veerkrachtige ecosystemen op het Europese grondgebied van de lidstaten te waarborgen, door middel van herstelmaatregelen die de lidstaten moeten nemen om uiterlijk in 2030 gezamenlijk te voldoen aan een Uniedoel voor het herstel van het landoppervlak en het zeeoppervlak, en uiterlijk in 2050 van alle te herstellen oppervlaktes, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2024.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

A. MARON

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK II HERSTELDOELEN EN -VERPLICHTINGEN HOOFDSTUK II HERSTELDOELEN EN -VERPLICHTINGEN
HOOFDSTUK III NATIONALE HERSTELPLANNEN HOOFDSTUK III NATIONALE HERSTELPLANNEN
HOOFDSTUK IV MONITORING EN VERSLAGLEGGING HOOFDSTUK IV MONITORING EN VERSLAGLEGGING
HOOFDSTUK V GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN HOOFDSTUK V GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN
HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN
BIJLAGE I LAND-, KUST- EN ZOETWATERECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LEDEN 1 EN 4

BIJLAGE I

LAND-, KUST- EN ZOETWATERECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LEDEN 1 EN 4

BIJLAGE II MARIENE ECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LEDEN 1 EN 2

BIJLAGE II

MARIENE ECOSYSTEMEN — HABITATTYPEN EN GROEPEN HABITATTYPEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LEDEN 1 EN 2

BIJLAGE III MARIENE SOORTEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 5

BIJLAGE III

MARIENE SOORTEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 5

1)   

dwergzaagrog (Pristis clavata);

2)   

kleintandzaagrog (Pristis pectinata);

3)   

gewone zaagrog (Pristis);

4)   

reuzenhaai (Cetorhinus maximus) en witte haai (Carcharodon carcharias);

5)   

gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus);

6)   

rifmanta (Mobula alfredi);

7)   

reuzenmanta (Mobula birostris);

8)   

duivelsrog (Mobula mobular);

9)   

Afrikaanse duivelsrog (Mobula rochebrunei);

10)   

gestekelde duivelsrog (Mobula japanica);

11)   

gladstaartduivelsrog (Mobula thurstoni);

12)   

langvinduivelsrog (Mobula eregoodootenkee);

13)   

sikkelvinduivelsrog (Mobula tarapacana);

14)   

kortvinduivelsrog (Mobula kuhlii);

15)   

Atlantische duivelsrog (Mobula hypostoma);

16)   

Noorse rog (Dipturus nidarosiensis);

17)   

witte rog (Rostroraja alba);

18)   

gitaarroggen (Rhinobatidae);

19)   

zee-engel (Squatina);

20)   

zalm (Salmo salar);

21)   

zeeforel (Salmo trutta);

22)   

houting (Coregonus oxyrhynchus).

BIJLAGE IV LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR LANDBOUWECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, LID 2

BIJLAGE IV

LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR LANDBOUWECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, LID 2

Indicator

Omschrijving, eenheden en methode voor de bepaling en monitoring van de indicator

Graslandvlinderindicator

Omschrijving: deze indicator omvat soorten die worden beschouwd als kenmerkend voor de Europese graslanden en die voorkomen in een groot deel van Europa, dat door het merendeel van de vlindermonitoringsprogramma’s wordt bestreken. De indicator is gebaseerd op het meetkundig gemiddelde van de ontwikkeling van de soorten.

Eenheid: index.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door Butterfly Conservation Europe, Van Swaay, C.A.M., Assessing Butterflies in Europe — Butterfly Indicators 1990-2018, technisch verslag, Butterfly Conservation Europe, 2020.

Voorraad organische koolstof in minerale akkerbodems

Omschrijving: deze indicator beschrijft de hoeveelheid organische koolstof in minerale akkerbodems op 0 cm tot 30 cm diepte.

Eenheid: ton organische koolstof per hectare.

Methode: zoals uiteengezet in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen, en zoals ondersteund door de Land Use and Coverage Area Frame Survey (Lucas) voor bodemgebruik, Jones A. e.a., LUCAS Soil 2022, technisch verslag van het JRC, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021.

Percentage van het landbouwareaal met diversiteitsrijke landschapselementen

Omschrijving: diversiteitsrijke landschapselementen, zoals bufferstroken, houtwallen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, boomrijen, akkerranden, kleine stukken grond, sloten, waterlopen, kleine wetlands, terrassen, cairns, stapelmuren, kleine poelen en cultuurelementen, zijn elementen van in een landbouwcontext aanwezige permanente natuurlijke of semi-natuurlijke vegetatie die ecosysteemdiensten verlenen en de biodiversiteit ondersteunen.

Daartoe moeten de landschapselementen aan zo min mogelijk negatieve externe verstoringen worden blootgesteld om verschillende taxa een veilige habitat te bieden, en moeten zij derhalve aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij mogen niet worden gebruikt voor productieve landbouw (waaronder begrazing of voederproductie), tenzij dit nodig is voor het behoud van de biodiversiteit; en

b)

zij mogen niet worden behandeld met meststoffen of bestrijdingsmiddelen, met uitzondering van behandeling met weinig input van vaste mest.

Braakland, ook tijdelijk braakliggend land, kan als diversiteitsrijk landschapselement worden beschouwd als het aan de criteria van de tweede alinea, punten a) en b), voldoet. Vruchtdragende bomen in het kader van duurzame agrobosbouw of bomen in extensieve oude boomgaarden op blijvend grasland en vruchtdragende elementen in heggen mogen eveneens als diversiteitsrijke landschapselementen worden beschouwd indien zij voldoen aan het criterium van de tweede alinea, punt b), en de oogst enkel plaatsvindt op momenten waarop de biodiversiteit niet in het gedrang komt.

Eenheid: percentage (aandeel van de oppervlakte cultuurgrond).

Methode: zoals ontwikkeld in het kader van indicator I.21 van bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115, zoals gebaseerd op de meest recente bijgewerkte versie van de Lucas voor landschapselementen, Ballin M. e.a., Redesign sample for Land Use/Cover Area frame Survey (LUCAS), Eurostat 2018, en voor braakliggend land, Farm Structure, Reference Metadata in Single Integrated Metadata Structure, onlinepublicatie, Eurostat, en, in voorkomend geval, voor diversiteitsrijke landschapselementen die niet onder bovengenoemde methode vallen, een methode ontwikkeld door de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 7, van deze verordening.

De Lucas-methode wordt periodiek bijgewerkt om een hogere betrouwbaarheid te garanderen van de gegevens die in de Unie en op nationaal niveau door de lidstaten worden gebruikt bij de uitvoering van hun nationale herstelplannen.

BIJLAGE V NATIONALE INDEX VAN ALGEMENE BOERENLANDVOGELS

BIJLAGE V

NATIONALE INDEX VAN ALGEMENE BOERENLANDVOGELS

Omschrijving

De index van algemene boerenlandvogels geeft een overzicht van de populatietrends van veelvoorkomende en wijdverspreide boerenlandvogels en is bedoeld om de biodiversiteitstoestand van landbouwecosystemen in Europa bij benadering te beoordelen. De nationale index van algemene boerenlandvogels is een samengestelde index op basis van meerdere soorten die de verandering meet van de relatieve populatiegrootte van boerenlandvogelsoorten op geselecteerde onderzoekslocaties op nationaal niveau. Die index omvat speciaal geselecteerde soorten die voor het foerageren, nestelen, of beide, afhankelijk zijn van akkerhabitats. De nationale indexen van veelvoorkomende boerenlandvogels zijn gebaseerd op soortenlijsten per lidstaat. De nationale index van algemene boerenlandvogels wordt berekend aan de hand van een basisjaar waarin de indexwaarde gewoonlijk op 100 wordt gesteld. De trendwaarden geven de algemene ontwikkeling van de populatiegrootte van de betrokken boerenlandvogels weer over een periode van jaren.

Methode: Brlík e.a., (2021), Long-term and large-scale multispecies dataset tracking population changes of common European breeding birds. Sci Data 8, 21. https://doi.org/10.1038/s41597-021-00804-2

“Lidstaten met van oudsher in sterkere mate uitgedunde populaties boerenlandvogels”: lidstaten waar de populatie van minstens de helft van de soorten die deel uitmaken van de nationale index van algemene boerenlandvogels, een negatieve langetermijntrend vertoont. In lidstaten waar voor bepaalde soorten geen informatie beschikbaar is over de langetermijntrends van de populatie, wordt informatie over de Europese status van soorten gebruikt.

Het gaat hierbij om de navolgende lidstaten:

Tsjechië

Denemarken

Duitsland

Estland

Spanje

Frankrijk

Italië

Luxemburg

Hongarije

Nederland

Finland

“Lidstaten met van oudsher in minder sterke mate uitgedunde populaties boerenlandvogels”: lidstaten waar de populatie van minder dan de helft van de soorten die deel uitmaken van de nationale index van algemene boerenlandvogels, een negatieve langetermijntrend vertoont. In lidstaten waar voor bepaalde soorten geen informatie beschikbaar is over de langetermijntrends van de populatie, wordt informatie over de Europese status van soorten gebruikt.

Het gaat hierbij om de navolgende lidstaten:

België

Bulgarije

Ierland

Griekenland

Kroatië

Cyprus

Letland

Litouwen

Malta

Oostenrijk

Polen

Portugal

Roemenië

Slovenië

Slowakije

Zweden

Lijst met in de index van algemene boerenlandvogels opgenomen vogels per lidstaat

België — Vlaanderen

België — Wallonië

Alauda arvensis

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Anthus pratensis

Emberiza citrinella

Corvus frugilegus

Falco tinnunculus

Emberiza citrinella

Haematopus ostralegus

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Hirundo rustica

Limosa

Lanius collurio

Linaria cannabina

Linaria cannabina

Motacilla flava

Miliaria calandra

Numenius arquata

Motacilla flava

Passer montanus

Passer montanus

Perdix perdix

Perdix perdix

Saxicola torquatus

Saxicola torquatus

Sylvia communis

Streptopelia turtur

Vanellus vanellus

Sturnus vulgaris

 

Sylvia communis

 

Vanellus vanellus

Bulgarije

Alauda arvensis

Carduelis

Coturnix

Corvus frugilegus

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Miliaria calandra

Motacilla flava

Perdix

Passer montanus

Sylvia communis

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Upupa epops

Tsjechië

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Ciconia ciconia

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Miliaria calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Denemarken

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis carduelis

Corvus corone

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Gallinago gallinago

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Miliaria calandra

Motacilla alba

Motacilla flava

Oenanthe oenanthe

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Sylvia communis

Sylvia curruca

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

Duitsland

Alauda arvensis

Athene noctua

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Limosa limosa

Lullula arborea

Miliaria calandra

Milvus milvus

Saxicola rubetra

Vanellus vanellus

Estland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Ierland

Carduelis carduelis

Columba oenas

Columba palumbus

Corvus cornix

Corvus frugilegus

Corvus monedula

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Fringilla coelebs

Hirundo rustica

Chloris chloris

Linaria cannabina

Motacilla alba

Passer domesticus

Phasianus colchicus

Pica pica

Saxicola torquatus

Sturnus vulgaris

Griekenland

Alauda arvensis

Apus apus

Athene noctua

Calandrella brachydactyla

Carduelis carduelis

Carduelis chloris

Ciconia ciconia

Corvus corone

Corvus monedula

Delichon urbicum

Emberiza cirlus

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco naumanni

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo daurica

Hirundo rustica

Lanius collurio

Lanius minor

Lanius senator

Linaria cannabina

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Melanocorypha calandra

Miliaria calandra

Motacilla flava

Oenanthe hispanica

Oenanthe oenanthe

Passer domesticus

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Pica pica

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia decaocto

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia melanocephala

Upupa epops

Spanje

Alauda arvensis

Alectoris rufa

Athene noctua

Calandrella brachydactyla

Carduelis carduelis

Cisticola juncidis

Corvus monedula

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Linaria cannabina

Melanocorypha calandra

Merops apiaster

Oenanthe hispanica

Passer domesticus

Passer montanus

Pica pica

Pterocles orientalis

Streptopelia turtur

Sturnus unicolor

Tetrax tetrax

Upupa epops

Frankrijk

Alauda arvensis

Alectoris rufa

Anthus campestris

Anthus pratensis

Buteo buteo

Corvus frugilegus

Coturnix coturnix

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Lanius collurio

Linaria cannabina

Lullula arborea

Melanocorypha calandra

Motacilla flava

Oenanthe oenanthe

Perdix perdix

Saxicola torquatus

Saxicola rubetra

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Kroatië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Anthus trivialis

Carduelis carduelis

Coturnix coturnix

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Jynx torquilla

Lanius collurio

Lanius senator

Linaria cannabina

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Miliaria calandra

Motacilla flava

Oenanthe hispanica

Oriolus oriolus

Passer montanus

Pica pica

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia turtur

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Italië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Calandrella brachydactyla

Carduelis carduelis

Carduelis chloris

Corvus cornix

Emberiza calandra

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Jynx torquilla

Lanius collurio

Luscinia megarhynchos

Melanocorypha calandra

Motacilla alba

Motacilla flava

Oriolus oriolus

Passer domesticus italiae

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Pica pica

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus unicolor

Sturnus vulgaris

Upupa epops

Cyprus

Alectoris chukar

Athene noctua

Carduelis carduelis

Cisticola juncidis

Clamator glandarius

Columba palumbus

Coracias garrulus

Corvus corone cornix

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Francolinus francolinus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Chloris chloris

Iduna pallida

Linaria cannabina

Oenanthe cypriaca

Parus major

Passer hispaniolensis

Pica pica

Streptopelia turtur

Sylvia conspicillata

Sylvia melanocephala

Letland

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis carduelis

Carpodacus erythrinus

Ciconia ciconia

Crex crex

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Locustella naevia

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Litouwen

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Carduelis carduelis

Ciconia ciconia

Crex crex

Emberiza citrinella

Hirundo rustica

Lanius collurio

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

Luxemburg

Alauda arvensis

Emberiza citrinella

Lanius collurio

Linaria cannabina

Passer montanus

Saxicola torquatus

Sylvia communis

Hongarije

Alauda arvensis

Anthus campestris

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Lanius collurio

Lanius minor

Locustella naevia

Merops apiaster

Motacilla flava

Perdix perdix

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Sylvia nisoria

Vanellus vanellus

Malta

Calandrella brachydactyla

Linaria cannabina

Cettia cetti

Cisticola juncidis

Coturnix coturnix

Emberiza calandra

Lanius senator

Monticola solitarius

Passer hispaniolensis

Passer montanus

Serinus serinus

Streptopelia decaocto

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia conspicillata

Sylvia melanocephala

Nederland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Athene noctua

Calidris pugnax

Carduelis carduelis

Corvus frugilegus

Coturnix coturnix

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Gallinago gallinago

Haematopus ostralegus

Hippolais icterina

Hirundo rustica

Limosa limosa

Miliaria calandra

Motacilla fl ava

Numenius arquata

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola torquatus

Spatula clypeata

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Tringa totanus

Turdus viscivorus

Vanellus vanellus

Oostenrijk

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus spinoletta

Anthus trivialis

Carduelis carduelis

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Jynx torquilla

Lanius collurio

Linaria cannabina

Lullula arborea

Miliaria calandra

Oenanthe oenanthe

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus citrinella

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

Polen

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Ciconia ciconia

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Limosa limosa

Linaria cannabina

Miliaria calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola torquatus

Saxicola rubetra

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Portugal

Athene noctua

Bubulcus ibis

Carduelis carduelis

Chloris chloris

Ciconia ciconia

Cisticola juncidis

Coturnix coturnix

Delichon urbicum

Emberiza cirlus

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius meridionalis

Linaria cannabina

Merops apiaster

Miliaria calandra

Milvus migrans

Passer domesticus

Pica pica

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Sturnus unicolor

Upupa epops

Roemenië

Alauda arvensis

Anthus campestris

Calandrella brachydactyla

Ciconia ciconia

Corvus frugilegus

Emberiza calandra

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Emberiza melanocephala

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Lanius collurio

Lanius minor

Linaria cannabina

Melanocorypha calandra

Motacilla flava

Passer montanus

Perdix perdix

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Slovenië

Acrocephalus palustris

Alauda arvensis

Anthus trivialis

Carduelis carduelis

Columba oenas

Columba palumbus

Emberiza calandra

Emberiza cirlus

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Galerida cristata

Hirundo rustica

Jynx torquilla

Lanius collurio

Linaria cannabina

Lullula arborea

Luscinia megarhynchos

Motacilla flava

Passer montanus

Phoenicurus phoenicurus

Picus viridis

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Upupa epops

Vanellus vanellus

Slowakije

Alauda arvensis

Carduelis carduelis

Emberiza calandra

Emberiza citrinella

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Chloris chloris

Lanius collurio

Linaria cannabina

Locustella naevia

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Saxicola torquatus

Serinus serinus

Streptopelia turtur

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Sylvia nisoria

Vanellus vanellus

Finland

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Corvus monedula

Crex crex

Delichon urbica

Emberiza hortulana

Hirundo rustica

Numenius arquata

Passer montanus

Saxicola rubertra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Turdus pilaris

Vanellus vanellus

Zweden

Alauda arvensis

Anthus pratensis

Corvus frugilegus

Emberiza citrinella

Emberiza hortulana

Falco tinnunculus

Hirundo rustica

Lanius collurio

Linaria cannabina

Motacilla flava

Passer montanus

Saxicola rubetra

Sturnus vulgaris

Sylvia communis

Vanellus vanellus

BIJLAGE VI LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR BOSECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 12, LEDEN 2 EN 3

BIJLAGE VI

LIJST VAN BIODIVERSITEITSINDICATOREN VOOR BOSECOSYSTEMEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 12, LEDEN 2 EN 3

Indicator

Omschrijving, eenheden en methode voor de bepaling en monitoring van de indicator

Staand dood hout

Omschrijving: deze indicator geeft de hoeveelheid niet-levende, staande houtige biomassa in bossen en andere beboste gebieden weer.

Eenheid: m3/ha.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010, en rekening houdend met de methode van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen.

Liggend dood hout

Omschrijving: deze indicator geeft de hoeveelheid niet-levende houtige biomassa weer die op de grond ligt in bossen en andere beboste gebieden.

Eenheid: m3/ha.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010, en rekening houdend met de methode van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen.

Aandeel bossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw

Omschrijving: deze indicator heeft betrekking op het aandeel productiebossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw ten opzichte van bossen met een gelijkmatige leeftijdsopbouw.

Eenheid: percentage productiebossen met een ongelijkmatige leeftijdsopbouw.

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

Bosverbondenheid

Omschrijving: de bosverbondenheid staat voor de mate van compactheid van het bosareaal uitgedrukt in een getal tussen 0 en 100.

Eenheid: index.

Methode: zoals ontwikkeld door de FAO, Vogt P., e.a., FAO — State of the World’s Forests: Forest Fragmentation, technisch verslag van het JRC, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2019.

Index van algemene bosvogels

Omschrijving: de bosvogelindicator beschrijft de ontwikkeling van de populatie van veelvoorkomende bosvogels in hun Europese verspreidingsgebied in de loop van de tijd. Deze samengestelde index is opgebouwd uit waarnemingsgegevens van vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de Europese boshabitats. De index is gebaseerd op een specifieke soortenlijst per lidstaat.

Eenheid: index.

Methode: Brlík e.a., Long-term and large-scale multispecies dataset tracking population changes of common European breeding birds, Sci Data 8, 21. 2021.

Voorraad organische koolstof

Omschrijving: deze indicator beschrijft de voorraad organische koolstof in de strooisellaag en in de minerale bodem op een diepte van 0 cm tot 30 cm in bosecosystemen.

Eenheid: ton organische koolstof per hectare.

Methode: zoals uiteengezet in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen, en zoals ondersteund door de Land Use and Coverage Area Frame Survey (Lucas) voor bodemgebruik, Jones A. e.a., LUCAS Soil 2022, technisch verslag van het JRC, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021.

Aandeel bossen dat wordt gedomineerd door inheemse boomsoorten

Omschrijving: het aandeel van bossen en andere beboste gebieden dat wordt gedomineerd (>50 % bedekt) door inheemse boomsoorten

Eenheid: percentage

Methode: zoals ontwikkeld en gebruikt door FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

Diversiteit aan boomsoorten

Omschrijving: deze indicator beschrijft het gemiddelde aantal boomsoorten dat voorkomt in bosgebieden

Eenheid: index

Methode: gebaseerd op FOREST EUROPE, State of Europe’s Forests 2020, en opgenomen in de beschrijving van nationale bosinventarissen in Tomppo E. e.a., National Forest Inventories, Pathways for Common Reporting, Springer, 2010.

BIJLAGE VII LIJST MET VOORBEELDEN VAN HERSTELMAATREGELEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 16

BIJLAGE VII

LIJST MET VOORBEELDEN VAN HERSTELMAATREGELEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 14, LID 16

1)   

Wetlands herstellen door drooggelegde veengebieden te vernatten, structuren voor de drainage van veengebieden te verwijderen, of veenafgravingen te ontpolderen en stop te zetten.

2)   

De hydrologische toestand verbeteren door de kwantiteit, kwaliteit en dynamiek van de oppervlaktewateren te vergroten en het grondwaterpeil te verhogen voor natuurlijke en semi-natuurlijke ecosystemen.

3)   

Ongewenste struikgroei of niet-inheemse aanplantingen verwijderen op graslanden, wetlands, in bossen en op schaars begroeid land.

4)   

Moeraslandbouw toepassen.

5)   

De hermeandering van rivieren en de heraansluiting op de rivier van kunstmatige meanders of hoefijzermeren.

6)   

Barrières in lengte- en dwarsrichting, zoals dijken en dammen, verwijderen, de rivierdynamiek meer ruimte geven en vrij stromende riviergedeelten in ere herstellen.

7)   

Natuurlijke rivierbeddingen, meren en laaglandwaterlopen herstellen, bijvoorbeeld door de kunstmatige fixatie van beddingen te verwijderen, de samenstelling van het substraat te optimaliseren en de habitatbedekking te verbeteren of te ontwikkelen.

8)   

Natuurlijke sedimentatieprocessen herstellen.

9)   

Oeverbuffers aanleggen, zoals ooibossen, bufferstroken, weiden of graslanden.

10)   

De ecologische kenmerken van bossen versterken, zoals grote, oude en stervende bomen (habitatbomen) en van de hoeveelheden liggend en staand dood hout.

11)   

Toewerken naar een gediversifieerde bosstructuur wat betreft bijvoorbeeld soortensamenstelling en -leeftijd, en natuurlijke regeneratie en opeenvolging van boomsoorten mogelijk maken.

12)   

De migratie van herkomsten en soorten ondersteunen waar dit nodig kan zijn vanwege klimaatverandering.

13)   

Bossen verder diversifiëren door mozaïeken van niet-boshabitats te herstellen, zoals open stukken grasland of heide, poelen of rotsachtige gebieden.

14)   

Bosbouwbenaderingen toepassen die dicht bij de natuur staan of gericht zijn op doorlopende bedekking; inheemse boomsoorten introduceren.

15)   

De ontwikkeling van oude inheemse bossen en volgroeide opstanden bevorderen, bijvoorbeeld door af te zien van het oogsten of door actief beheer dat de ontwikkeling van zelfregulerende functies en de nodige veerkracht bevordert.

16)   

Diversiteitsrijke landschapselementen — zoals bufferstroken, akkerranden met inheemse bloemen, heggen, bomen, kleine bossen, terrasmuren, poelen, habitatcorridors en stapstenen enz. — introduceren in bouwland en intensief gebruikt grasland.

17)   

Het op agro-ecologische wijze beheerde landbouwareaal vergroten, zoals biologische landbouw of agrobosbouw, de teelt van meerdere gewassen en gewasrotatie, en het geïntegreerde beheer van plagen en nutriënten.

18)   

Graslanden in voorkomend geval minder intensief begrazen of minder vaak maaien en weer overgaan op extensieve begrazing met landbouwhuisdieren en extensieve maairegimes waar die werden afgeschaft.

19)   

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen alsook van kunstmest en dierlijke mest stopzetten of verminderen.

20)   

Stoppen met het omploegen van grasland en met de introductie van zaden van productieve grassen.

21)   

Aanplantingen op vroegere dynamische duinsystemen in het binnenland verwijderen om de natuurlijke winddynamiek te herstellen ten gunste van open habitats.

22)   

Habitats beter op elkaar aansluiten om de ontwikkeling van soortenpopulaties, voldoende individuele of genetische uitwisseling alsook migratie van soorten en aanpassing aan klimaatverandering mogelijk te maken.

23)   

Ecosystemen in staat stellen hun eigen natuurlijke dynamiek te ontwikkelen, bijvoorbeeld door af te zien van de oogst en door de natuurlijke en wilde staat te bevorderen.

24)   

Invasieve uitheemse soorten verwijderen en beheersen en nieuwe introducties daarvan voorkomen of tot een minimum beperken.

25)   

De negatieve effecten van visserijactiviteiten op het mariene ecosysteem tot een minimum beperken, bijvoorbeeld door vistuig te gebruiken dat minder impact heeft op de zeebodem.

26)   

Belangrijke paai- en kraamgebieden van vissen herstellen.

27)   

Structuren of substraten aanleggen om de terugkeer van marien leven te stimuleren ter ondersteuning van het herstel van koraalriffen, oesterbanken of keienvelden.

28)   

Zeegrasvelden en kelpwouden herstellen door actieve stabilisatie van de zeebodem, door drukfactoren te verminderen en zo nodig weg te nemen, of door actieve vermeerdering en aanplant.

29)   

De populatiestand van kenmerkende inheemse soorten die van vitaal belang zijn voor de ecologie van mariene habitats herstellen of verbeteren door passieve of actieve herstelmaatregelen uit te voeren, bijvoorbeeld door het introduceren van jonge exemplaren.

30)   

Verschillende vormen van mariene verontreiniging verminderen, zoals nutriëntenbelasting, geluidsoverlast en plastic afval.

31)   

Stedelijke groene ruimten met ecologische kenmerken uitbreiden, zoals parken, bomen en bosgebieden, groendaken, graslanden met wilde bloemen, tuinen, stadstuinbouw, straten met bomen, stadsweiden en hagen, vijvers en waterlopen, rekening houdend met onder meer soortendiversiteit, inheemse soorten, lokale omstandigheden en bestendigheid tegen klimaatverandering.

32)   

Beëindiging, vermindering of sanering van verontreiniging door farmaceutische producten, gevaarlijke chemische stoffen, stedelijk en industrieel afvalwater en ander afval, waaronder zwerfvuil en plastic, alsook lichtvervuiling in alle ecosystemen.

33)   

Brownfields, voormalige industrieterreinen en steengroeven omvormen tot natuurgebieden.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis