+VERORDENING (EU) 2024/1787 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
---------+Artikel 1 1
---------+Artikel 1 2
---------+Artikel 1 3
------+Artikel 2 Definities
---------+Artikel 2 1)
---------+Artikel 2 2)
---------+Artikel 2 3)
---------+Artikel 2 4)
---------+Artikel 2 5)
---------+Artikel 2 6)
---------+Artikel 2 7)
---------+Artikel 2 8)
---------+Artikel 2 9)
---------+Artikel 2 10)
---------+Artikel 2 11)
---------+Artikel 2 12)
---------+Artikel 2 13)
---------+Artikel 2 14)
---------+Artikel 2 15)
---------+Artikel 2 16)
---------+Artikel 2 17)
---------+Artikel 2 18)
---------+Artikel 2 19)
---------+Artikel 2 20)
---------+Artikel 2 21)
---------+Artikel 2 22)
---------+Artikel 2 23)
---------+Artikel 2 24)
---------+Artikel 2 25)
---------+Artikel 2 26)
---------+Artikel 2 27)
---------+Artikel 2 28)
---------+Artikel 2 29)
---------+Artikel 2 30)
---------+Artikel 2 31)
---------+Artikel 2 32)
---------+Artikel 2 33)
---------+Artikel 2 34)
---------+Artikel 2 35)
---------+Artikel 2 36)
---------+Artikel 2 37)
---------+Artikel 2 38)
---------+Artikel 2 39)
---------+Artikel 2 40)
---------+Artikel 2 41)
---------+Artikel 2 42)
---------+Artikel 2 43)
---------+Artikel 2 44)
---------+Artikel 2 45)
---------+Artikel 2 46)
---------+Artikel 2 47)
---------+Artikel 2 48)
---------+Artikel 2 49)
---------+Artikel 2 50)
---------+Artikel 2 51)
---------+Artikel 2 52)
---------+Artikel 2 53)
---------+Artikel 2 54)
---------+Artikel 2 55)
---------+Artikel 2 56)
---------+Artikel 2 57)
---------+Artikel 2 58)
---------+Artikel 2 59)
---------+Artikel 2 60)
---------+Artikel 2 61)
---------+Artikel 2 62)
---------+Artikel 2 63)
------+Artikel 3 Door exploitanten gemaakte kosten
---------+Artikel 3 1
---------+Artikel 3 2
---+HOOFDSTUK 2 BEVOEGDE INSTANTIES EN ONAFHANKELIJKE VERIFICATIE
------+Artikel 4 Bevoegde instanties
---------+Artikel 4 1
---------+Artikel 4 2
---------+Artikel 4 3
------+Artikel 5 Taken van de bevoegde instanties
---------+Artikel 5 1
---------+Artikel 5 2
---------+Artikel 5 3
---------+Artikel 5 4
------+Artikel 6 Inspecties
---------+Artikel 6 1
---------+Artikel 6 2
---------+Artikel 6 3
---------+Artikel 6 4
---------+Artikel 6 5
---------+Artikel 6 6
---------+Artikel 6 7
------+Artikel 7 Klachten
---------+Artikel 7 1
---------+Artikel 7 2
---------+Artikel 7 3
---------+Artikel 7 4
---------+Artikel 7 5
------+Artikel 8 Verificatieactiviteiten en verificatieverklaring
---------+Artikel 8 1
---------+Artikel 8 2
---------+Artikel 8 3
---------+Artikel 8 4
---------+Artikel 8 5
------+Artikel 9 Onafhankelijkheid en accreditatie of machtiging van verificateurs
---------+Artikel 9 1
---------+Artikel 9 2
---------+Artikel 9 3
---------+Artikel 9 4
------+Artikel 10 Gebruik en delen van informatie
---------+Artikel 10 1
---------+Artikel 10 2
---+HOOFDSTUK 3 METHAANEMISSIES IN DE SECTOREN OLIE EN GAS
------+Artikel 11 Toepassingsgebied
------+Artikel 12 Monitoring en rapportage
---------+Artikel 12 1
---------+Artikel 12 2
---------+Artikel 12 3
---------+Artikel 12 4
---------+Artikel 12 5
---------+Artikel 12 6
---------+Artikel 12 7
---------+Artikel 12 8
------+Artikel 13 Algemene beperkingsverplichting
------+Artikel 14 Lekdetectie en -reparatie
---------+Artikel 14 1
---------+Artikel 14 2
---------+Artikel 14 3
---------+Artikel 14 4
---------+Artikel 14 5
---------+Artikel 14 6
---------+Artikel 14 7
---------+Artikel 14 8
---------+Artikel 14 9
---------+Artikel 14 10
---------+Artikel 14 11
---------+Artikel 14 12
---------+Artikel 14 13
---------+Artikel 14 14
---------+Artikel 14 15
---------+Artikel 14 16
---------+Artikel 14 17
------+Artikel 15 Grenzen aan afblazen en affakkelen
---------+Artikel 15 1
---------+Artikel 15 2
---------+Artikel 15 3
---------+Artikel 15 4
---------+Artikel 15 5
---------+Artikel 15 6
---------+Artikel 15 7
---------+Artikel 15 8
------+Artikel 16 Rapportage van voorvallen van afblazen en affakkelen
---------+Artikel 16 1
---------+Artikel 16 2
------+Artikel 17 Vernietigings- en verwijderingsrendementseisen
---------+Artikel 17 1
---------+Artikel 17 2
---------+Artikel 17 3
---------+Artikel 17 4
------+Artikel 18 Inactieve putten, tijdelijk gedichte putten, permanent gedichte en verlaten putten
---------+Artikel 18 1
---------+Artikel 18 2
---------+Artikel 18 3
---------+Artikel 18 4
---------+Artikel 18 5
---------+Artikel 18 6
---------+Artikel 18 7
---------+Artikel 18 8
---------+Artikel 18 9
---------+Artikel 18 10
---------+Artikel 18 11
---------+Artikel 18 12
---+HOOFDSTUK 4 METHAANEMISSIES IN DE KOLENSECTOR
------+Section I Monitoring and reporting in active coal mines
---------+Artikel 19 Toepassingsgebied
------------+Artikel 19 1
------------+Artikel 19 2
------------+Artikel 19 3
---------+Artikel 20 Monitoring en rapportage
------------+Artikel 20 1
------------+Artikel 20 2
------------+Artikel 20 3
------------+Artikel 20 4
------------+Artikel 20 5
------------+Artikel 20 6
------------+Artikel 20 7
------+Section II Mitigation of methane emissions resulting from active underground coal mines
---------+Artikel 21 Toepassingsgebied
---------+Artikel 22 Beperkingsmaatregelen
------------+Artikel 22 1
------------+Artikel 22 2
------------+Artikel 22 3
------------+Artikel 22 4
---------+Artikel 23 Rapportage van voorvallen van afblazen en affakkelen
------------+Artikel 23 1
------------+Artikel 23 2
------+Section III Methane emissions from closed underground coal mines and abandoned underground coal mines
---------+Artikel 24 Toepassingsgebied
------------+Artikel 24 a)
------------+Artikel 24 b)
------------+Artikel 24 c)
---------+Artikel 25 Monitoring en rapportage
------------+Artikel 25 1
------------+Artikel 25 2
------------+Artikel 25 3
------------+Artikel 25 4
------------+Artikel 25 5
------------+Artikel 25 6
------------+Artikel 25 7
------------+Artikel 25 8
---------+Artikel 26 Beperkingsmaatregelen
------------+Artikel 26 1
------------+Artikel 26 2
------------+Artikel 26 3
------------+Artikel 26 4
---+HOOFDSTUK 5 METHAANEMISSIES VAN RUWE OLIE, AARDGAS EN KOLEN DIE IN DE UNIE IN DE HANDEL WORDEN GEBRACHT
------+Artikel 27 Vereisten voor importeurs
---------+Artikel 27 1
---------+Artikel 27 2
------+Artikel 28 Gelijkwaardigheid van monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen
---------+Artikel 28 1
---------+Artikel 28 2
---------+Artikel 28 3
---------+Artikel 28 4
---------+Artikel 28 5
---------+Artikel 28 6
---------+Artikel 28 7
---------+Artikel 28 8
------+Artikel 29 Methaanintensiteit van de productie van ruwe olie, aardgas en steenkool
---------+Artikel 29 1
---------+Artikel 29 2
---------+Artikel 29 3
---------+Artikel 29 4
---------+Artikel 29 5
---------+Artikel 29 6
------+Artikel 30 Transparantiedatabank voor methaan en methaanprestatieprofielen
---------+Artikel 30 1
---------+Artikel 30 2
---------+Artikel 30 3
---------+Artikel 30 4
---------+Artikel 30 5
---------+Artikel 30 6
------+Artikel 31 Mondiaal monitoringinstrument voor methaan en snellereactiemechanisme
---------+Artikel 31 1
---------+Artikel 31 2
---------+Artikel 31 3
---------+Artikel 31 4
---------+Artikel 31 5
---+HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 32 Normen en technische voorschriften
---------+Artikel 32 1
---------+Artikel 32 2
------+Artikel 33 Sancties
---------+Artikel 33 1
---------+Artikel 33 2
---------+Artikel 33 3
---------+Artikel 33 4
---------+Artikel 33 5
---------+Artikel 33 6
---------+Artikel 33 7
---------+Artikel 33 8
------+Artikel 34 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
---------+Artikel 34 1
---------+Artikel 34 2
---------+Artikel 34 3
---------+Artikel 34 4
---------+Artikel 34 5
---------+Artikel 34 6
------+Artikel 35 Comitéprocedure
---------+Artikel 35 1
---------+Artikel 35 2
---------+Artikel 35 3
------+Artikel 36 Monitoring, evaluatie en verslaglegging door de Commissie
---------+Artikel 36 1
---------+Artikel 36 2
---------+Artikel 36 3
------+Artikel 37 Wijziging van Verordening (EU) 2019/942
------+Artikel 38 Inwerkingtreding
---+ANNEX I Leak detection and repair surveys as referred to in Article 14
------+1. For all aboveground and underground components, excluding distribution and transmission networks …
------+2. For all components of distribution and transmission networks, LDAR surveys shall be carried out …
------+3. For all offshore components, LDAR surveys shall be carried out at the following minimum …
------+4. For all other components, type 1 LDAR surveys shall be carried-out every 6 months and type 2 …
------+1. manufacturer information about the device;
------+2. information about the leak detection capabilities, reliability and limitations of the device …
------+3. a description of where, when and how the device will be used.
---+ANNEX II Leak detection repair and monitoring schedules as referred to in Article 14
---+ANNEX III Reporting of venting events and flaring events as referred to in Article 16
---+ANNEX IV Inspections of flare stacks and other combustion devices
---+BIJLAGE IV Inspecties van fakkelpijpen en andere verbrandingsapparatuur
------+1. in het geval van brandende fakkelpijpen of andere verbrandingsapparatuur: of de verbranding …
------+2. in het geval van niet-brandende fakkelpijpen of andere verbrandingsapparatuur: of de …
------+3. De inventarissen met betrekking tot permanent gedichte en verlaten putten omvatten ook het …
---+ANNEX VI Reports for active coal mines as referred to in Article 20
---+ANNEX VII Reporting of venting events and flaring events in drainage stations as referred to in Article 23
---+ANNEX VIII Inventories, reports and mitigations plans for closed underground coal mines and abandoned underground coal mines as referred to in Articles 24, 25 and 26
------+1. For each site, the inventory of closed underground coal mines and abandoned underground coal …
------+2. The measurements referred to in point 1.5 shall be taken in accordance with the following …
------+1. name and address of the operator, owner or licensee, as applicable;
------+2. address of the site;
------+3. methane emissions from all point emission sources outlined in Part 1, including: (a) type of …
------+1. The mitigation plan referred to in Article 26(1) shall include at least the following elements …
------+2. The mitigation plan may include an overview of the mitigation practices used to reduce methane …
---+ANNEX IX Information to be provided by importers in accordance with Article 27(1), Article 28(1), (2) and (3), and Article 29(1)
English - European Union - Energy - Environment -

VERORDENING (EU) 2024/1787 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 juni 2024 inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EU) 2024/1787 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juni 2024

inzake de vermindering van methaanemissies in de energiesector en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Methaan wordt wat betreft de totale bijdrage aan de klimaatverandering alleen door koolstofdioxide (CO2) overtroffen en is verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de huidige opwarming van de aarde. De hoeveelheid methaan in de atmosfeer is het afgelopen decennium mondiaal sterk toegenomen.

(2)

In zijn zesde evaluatierapport meldt de in het kader van de Verenigde Naties (VN) opgerichte Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change – IPCC) dat de emissies van antropogeen methaangas tussen nu en 2030 sterk moet worden verminderd om de aardopwarming te beperken tot 1,5 oC. Uit dat rapport blijkt dat methaan gemiddeld weliswaar minder lang in de atmosfeer blijft (tien tot twaalf jaar) dan CO2 (honderden jaren), maar over een periode van 20 jaar een broeikasgaseffect heeft dat meer dan 80 maal groter dan is dan dat van CO2. Methaan heeft volgens de IPCC over een periode van 100 jaar een aardopwarmingsvermogen van 29,8, acht keer zoveel als dat van CO2; over een periode van 20 jaar bedraagt het aardopwarmingsvermogen 82,5 het vijfvoud van CO2.

(3)

Uit het “Air quality in Europe – 2020” report van het Europees Milieuagentschap blijkt dat methaan een precursorgas is voor troposferisch ozon en bijdraagt aan luchtverontreiniging. Methaanemissies verminderen is niet alleen goed voor het milieu en het klimaat maar ook voor de bescherming van de menselijke gezondheid.

(4)

Volgens recente ramingen van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (United Nations Environment Programme – UNEP) en de Climate and Clean Air Coalition (CCAC) zou een vermindering van de methaanemissies met 45 % tussen nu en 2030, op basis van de beschikbare gerichte maatregelen en aanvullende maatregelen in lijn met de duurzameontwikkelingsdoelen van de VN de opwarming van de aarde tegen 2045 met 0,3 oC kunnen beperken.

(5)

Volgens de online gegevensdienst “World Energy Balances” van het Internationaal Energieagentschap is de Unie ’s werelds grootste importeur van fossiele energie en als dusdanig een belangrijke aanjager van wereldwijde methaanemissies.

(6)

In de Europese Green Deal wordt een uitgebreide reeks elkaar onderling versterkende maatregelen en initiatieven gecombineerd die ertoe moeten leiden dat uiterlijk in 2050 in de Unie klimaatneutraliteit wordt behaald. In haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal heeft de Commissie aangegeven dat het koolstofvrij maken van de gassector zou worden vergemakkelijkt, onder meer door de kwestie van energiegerelateerde methaanemissies aan te pakken. In oktober 2020 stelde de Commissie een EU-strategie vast om de methaanemissies te verminderen (de “methaanstrategie”), die maatregelen bevat om de methaanemissies in de Unie, onder meer in de energiesector, en op wereldschaal terug te dringen. In Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4) is de doelstelling opgenomen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de hele economie te bereiken en is een bindende EU-doelstelling vastgelegd om de nettobroeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) in de Unie uiterlijk in 2030 met ten minste 55 % te reduceren ten opzichte van de niveaus van 1990. Uit de effectbeoordeling bij het voorstel voor deze verordening blijkt, op basis van de aannames van de voorkeursbeleidsoptie voor het wetgevingsvoorstel inzake methaan in combinatie met de aannames van het “Fit for 55”-wetgevingspakket, dat de totale voor 2030 geraamde methaanemissies die aan olie, gas en steenkool zijn gerelateerd op een vanuit sociaal en milieuoogpunt kosteneffectieve manier met 77 % kunnen worden verminderd. Dat zou een bijdrage leveren aan het beperken van de klimaatopwarming tot 1,5 oC en zou de Unie in staat stellen het voortouw te nemen in de strijd tegen methaanemissies en tegelijk haar energiezekerheid te versterken.

(7)

De methaanemissies zijn opgenomen in de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen van de Unie voor 2030, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1119, en de bindende nationale emissiereductiestreefcijfers uit hoofde van Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (5). Er bestaat momenteel echter geen rechtskader van de Unie dat voorziet in specifieke maatregelen voor de vermindering van de antropogene methaanemissies in de energiesector. Daarnaast heeft Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) slechts betrekking op methaanemissies van de raffinage van minerale olie en gas en niet op methaanemissies van andere activiteiten in de energiesector.

(8)

In deze context moet deze verordening van toepassing zijn op de vermindering van de methaanemissies bij de upstreamexploratie en -productie van olie en fossiel gas, bij inactieve putten, tijdelijk gedichte putten en permanent gedichte en verlaten putten, bij het verzamelen en verwerken van fossiel gas, bij de transmissie, distributie en ondergrondse opslag van aardgas alsmede bij installaties voor vloeibaar aardgas (liquefied natural gas – LNG). Deze verordening moet eveneens van toepassing zijn op actieve ondergrondse en bovengrondse kolenmijnen en op gesloten of verlaten ondergrondse kolenmijnen.

(9)

Regels voor de nauwkeurige meting, monitoring, rapportage en verificatie van de methaanemissies in de sectoren olie, aardgas en kolen, alsook voor de vermindering van die emissies, onder meer door middel van lekdetectie en -reparatieonderzoeken (“LDAR”) en beperkingen voor afblazen en affakkelen, waarbij de bescherming van werknemers tegen methaanemissies wordt gewaarborgd, moeten worden opgenomen in een passend rechtskader van de Unie. De in deze verordening vastgelegde regels moeten de transparantie met betrekking tot de import van fossiele energie in de Unie verbeteren en overal ter wereld bijdragen tot een breder gebruik van oplossingen voor de beperking van methaanemissies. Voor het aardopwarmingsvermogen moet zowel een tijdshorizon van 20 jaar als van 100 jaar worden gehanteerd.

(10)

De naleving van de verplichtingen van deze verordening zal waarschijnlijk investeringen vereisen van entiteiten, en de kosten die met die investeringen gepaard gaan, moeten in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van tarieven, met inachtneming van efficiëntiebeginselen. De noodzakelijke kosten mogen geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten meebrengen.

(11)

Elke lidstaat moet ten minste één bevoegde instantie aanwijzen om toezicht te houden op de daadwerkelijke naleving van de verplichtingen van deze verordening door exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs en moet de Commissie in kennis stellen van die aanwijzing en eventuele veranderingen hiervan. De aangewezen bevoegde instanties moeten over voldoende financiële en personele middelen beschikken en alle nodige maatregelen nemen om de naleving van deze verordening te waarborgen overeenkomstig de hun specifiek toegewezen taken. De bevoegde instanties moeten een contactpunt opzetten. Rekening houdend met de grensoverschrijdende aard van de activiteiten in de energiesector en de methaanemissies moeten de bevoegde instanties onderling en met de Commissie samenwerken. In die context moeten de Commissie en de bevoegde instanties samen een netwerk van overheidsinstanties opzetten die deze verordening toepassen teneinde nauwe samenwerking te bevorderen, met de noodzakelijke voorzieningen voor het uitwisselen van informatie en beste praktijken en om overleg mogelijk te maken.

(12)

Om een vlotte en doeltreffende uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet de Commissie de lidstaten ondersteunen via het bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad (7) ingestelde instrument voor technische ondersteuning, dat technische expertise op maat biedt voor het ontwerpen en uitvoeren van hervormingen, zoals hervormingen om de vermindering van methaanemissies in de energiesector te bevorderen. Die technische steun kan bijvoorbeeld een versterking van de administratieve capaciteit, de harmonisering van de wetgevingskaders en het delen van relevante beste praktijken omvatten.

(13)

Om de uitvoering van de taken van de bevoegde instanties te waarborgen, moeten exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs die bevoegde instanties alle noodzakelijke ondersteuning bieden. Daarnaast moeten exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs alle noodzakelijke door de bevoegde instanties vastgestelde maatregelen nemen, binnen de door die instanties bepaalde of een andere met hen overeengekomen periode.

(14)

Inspecties, met inbegrip van het onderzoeken van documenten en akten, emissiemetingen en controles ter plaatse, moeten een van de belangrijkste mechanismen zijn waarover de bevoegde instanties beschikken. Inspecties moeten regelmatig plaatsvinden, op basis van een door de bevoegde instanties uitgevoerde evaluatie van de risico’s, zoals de aan elke locatie verbonden milieurisico’s. De bevoegde instanties moeten rekening houden met de bestaande controlemechanismen en de beste praktijken waarover zij beschikken. Daarnaast moeten inspecties worden uitgevoerd om gegronde klachten en gevallen van niet-naleving te onderzoeken en ervoor te zorgen dat reparaties of vervangingen van componenten en beperkingsmaatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig deze verordening, en moet regelmatig worden gecontroleerd of importeurs deze verordening naleven. Wanneer de bevoegde instanties een ernstige inbreuk op de vereisten van deze verordening vaststellen, moeten zij een kennisgeving uitvaardigen van de door de exploitant, onderneming, mijnexploitant of importeur te nemen corrigerende maatregelen. Bij wijze van alternatief moeten de bevoegde instanties een exploitant, onderneming, mijnexploitant of importeur kunnen verplichten hun ter goedkeuring een reeks corrigerende maatregelen voor te leggen waarmee de inbreuk wordt aangepakt. De bevoegde instanties moeten documentatie van de inspecties bewaren en de desbetreffende informatie moet openbaar toegankelijk worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (8).

(15)

Om de ernst van een inbreuk op deze verordening te bepalen, moeten de bevoegde instanties rekening houden met de milieuschade en de gevolgen voor de menselijke veiligheid en gezondheid, alsook met de waarschijnlijkheid dat de inbreuk een aanzienlijke impact heeft op de betrouwbaarheid en degelijkheid van de gegevens in het kader van de monitoring- en rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening.

(16)

Gezien de beperkte afstand van sommige bronnen van methaanemissies tot stedelijke of residentiële gebieden en de gevolgen daarvan voor de gezondheid, het milieu en het klimaat, moeten natuurlijke of rechtspersonen bij de bevoegde instanties naar behoren gemotiveerde klachten kunnen indienen over mogelijke inbreuken op deze verordening. In dat verband moet gebruik kunnen worden gemaakt van het Europees e-justitieportaal om door de lidstaten verstrekte relevante informatie beschikbaar te stellen, met name de contactgegevens van de bevoegde instanties, de belangrijkste stappen van de klachtenprocedure en de te volgen rechten en basisregels. De bevoegde instanties moeten klagers op de hoogte houden van de procedure en de genomen beslissingen en klagers moeten binnen een redelijke termijn na de indiening van de klacht een definitieve beslissing ontvangen.

(17)

Een degelijk verificatiekader versterkt de geloofwaardigheid van de gerapporteerde gegevens. Daarnaast vereisen de mate van gedetailleerdheid en de technische complexiteit van metingen van methaanemissies een goede verificatie van methaanemissiegegevens die door exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs gerapporteerd worden. Hoewel zelfverificatie mogelijk is, zorgt verificatie door een derde voor meer onafhankelijkheid en transparantie. Daarnaast kan hiermee worden gezorgd voor een geharmoniseerde reeks competenties en een mate van deskundigheid waarover misschien niet alle openbare entiteiten beschikken. Verificateurs moeten worden geaccrediteerd door accreditatie-instanties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (9) of anderszins zijn gemachtigd op een wijze die vergelijkbaar is met Verordening (EG) nr. 765/2008. Onafhankelijke verificateurs moeten er aldus voor zorgen dat de door exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs opgestelde emissieverslagen accuraat zijn en in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgestelde vereisten. De verificatieactiviteiten moeten worden afgestemd op de relevante Europese of andere internationale normen en methoden voor verificateurs en hun activiteiten, en moeten terdege rekening houden met de aard van de geverifieerde activiteiten. De verificateurs moeten de gegevens in de emissieverslagen evalueren om de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en nauwkeurigheid van de gegevens te beoordelen. Om de nauwkeurigheid van de gegevens te waarborgen, moeten verificateurs, voor zover relevant, aangekondigde en onaangekondigde controles ter plaatse uitvoeren. De verificateurs moeten losstaan van de bevoegde instanties en moeten onafhankelijk zijn van de exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs, die hun alle noodzakelijke steun moeten verlenen om verificatieactiviteiten mogelijk te maken of te faciliteren, met name wat betreft de toegang tot locaties en de presentatie van documentatie of gegevens.

(18)

Bij het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden uit hoofde van deze verordening moeten de Commissie, de bevoegde instanties en de verificateurs rekening houden met de informatie die internationaal beschikbaar wordt gesteld, bijvoorbeeld door het Internationaal waarnemingscentrum voor methaanemissies (International Methane Emissions Observatory – IMEO), met name met betrekking tot methoden voor gegevensaggregatie en de analyse en verificatie van methoden en statistische processen die door exploitanten, ondernemingen, mijnexploitanten en importeurs worden gebruikt om hun gerapporteerde emissiegegevens te kwantificeren. De referentiecriteria in dit verband kunnen het rapportagekader van het Oil and Gas Methane Partnership (OGMP), technische richtsnoeren en rapportagesjablonen omvatten.

(19)

Het IMEO werd in oktober 2020 opgericht door de Unie, in samenwerking met het UNEP, de CCAC en het Internationaal Energieagentschap, en werd tijdens de G20-top in oktober 2021 gepresenteerd. Het IMEO is ermee belast gegevens over antropogene methaanemissies op wereldschaal te verzamelen, op elkaar af te stemmen, te verifiëren en te publiceren. Het IMEO zou een rol kunnen spelen bij de identificatie van superuitstoters door middel van een systeem voor vroegtijdige opsporing en waarschuwing.

(20)

Als partij bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change – UNFCCC) (10) en de Overeenkomst van Parijs (11) die uit hoofde van dat verdrag is gesloten, is de Unie verplicht jaarlijks een inventarisverslag van antropogene broeikasgasemissies te verstrekken waarin de nationale broeikasgasinventarissen van de lidstaten zijn samengevoegd en dat is opgesteld met gebruik van goede methoden die zijn geaccepteerd door de IPCC.

(21)

Op grond van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (12) moeten de lidstaten aan de Commissie verslag uitbrengen over de broeikasgasinventarisgegevens en hun nationale prognoses. Op grond van die verordening moet verslaglegging worden uitgevoerd aan de hand van de UNFCCC-rapportagerichtsnoeren en is die vaak gebaseerd op standaardemissiefactoren in plaats van op directe metingen op bronniveau, wat onzekerheid oplevert met betrekking tot de oorsprong, frequentie en omvang van de emissies.

(22)

De landgegevens die op grond van de rapportagebepalingen van het UNFCCC zijn gerapporteerd, worden ingediend bij het secretariaat van het UNFCCC volgens verschillende rapportageniveaus in lijn met de richtsnoeren van de IPCC. In die context stelt de IPCC over het algemeen voor om methoden van hogere niveaus te gebruiken voor emissiebronnen die een aanzienlijke invloed hebben op de totale inventaris van broeikasgassen van een land in termen van absoluut niveau, ontwikkeling of onzekerheid.

(23)

De niveaus hebben een verschillende methodische complexiteit. Er zijn drie niveaus beschikbaar. Voor de methoden van niveau 1 worden normaal gesproken standaardemissiefactoren gebruikt en zij vereisen de eenvoudigste en minst opgesplitste activiteitengegevens. Voor hogere niveaus worden gewoonlijk uitgebreidere methoden gebruikt, evenals bron-, technologie-, regio- of landspecifieke emissiefactoren, die vaak worden gebaseerd op metingen en die doorgaans verder uitgesplitste activiteitengegevens vereisen. Meer specifiek vereist niveau 2 het gebruik van landspecifieke in plaats van standaardemissiefactoren, terwijl niveau 3 gegevens of metingen per installatie vereist en de toepassing van een rigoureuze bottom-upbeoordeling per soort bron op het niveau van de individuele faciliteit omvat. In 2019 heeft de IPCC in de verfijning van de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen gesteld dat de overgang van niveau 1 naar niveau 3 de zekerheid van de metingen van methaangerelateerde emissies vergroot.

(24)

De lidstaten passen verschillende praktijken toe met betrekking tot het niveau waarop zij hun energiegerelateerde methaanemissies rapporteren aan het UNFCCC-secretariaat. De rapportage op niveau 2 voor grote emissiebronnen is in overeenstemming met de rapportagerichtsnoeren van de IPCC, aangezien niveau 2 wordt beschouwd als methode van een hoger niveau. Rapportage op niveau 1, het laagste niveau, is in verschillende lidstaten nog steeds gangbaar voor methaanemissies van kolen, gas en olie. Daardoor verschillen de ramingsmethoden en de rapportage van energiegerelateerde methaanemissies van lidstaat tot lidstaat.

(25)

Momenteel vormen door de industrie geleide vrijwillige initiatieven in veel landen nog steeds de belangrijkste benadering voor de kwantificering en beperking van de methaanemissies. Een belangrijk door de energiesector geleid initiatief is het OGMP, een vrijwillig initiatief op het gebied van de meting en rapportage van methaanemissies dat in 2014 in het leven is geroepen door het UNEP en de CCAC en waarin de Commissie in de raad van bestuur is vertegenwoordigd. Het OGMP is gericht op de vaststelling van beste praktijken om de beschikbaarheid van mondiale informatie over de kwantificering van de methaanemissies en het beheer ervan te verbeteren en om de beperkingsmaatregelen om de methaanemissies te verminderen, te bevorderen. Bij de werkzaamheden van het OGMP met betrekking tot de ontwikkeling van normen en methoden zijn regeringen, het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven betrokken. Tot nu toe zijn meer dan 115 ondernemingen, die activa in meer dan 60 landen op vijf continenten bezitten en die meer dan 35 % van de mondiale productie van olie en aardgas en meer dan 70 % van de LNG-stromen vertegenwoordigen, lid geworden van OGMP 2.0 van het UNEP. Het OGMP 2.0-kader is de meest recente iteratie van een dynamische norm voor methaanemissies en kan een geschikte basis bieden voor normen voor methaanemissies, gestoeld op gedegen wetenschappelijke normen.

(26)

Tegen die achtergrond is het noodzakelijk om de meting van de methaanemissies en de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens, met inbegrip van informatie over de belangrijkste bronnen van methaanemissies die verband houden met energie die in de Unie wordt geproduceerd en verbruikt, te verbeteren. Bovendien moeten de beschikbaarheid van gegevens op bronniveau en de degelijke kwantificering van de methaanemissies worden gewaarborgd, waarmee de betrouwbaarheid van de rapportage en de ruimte voor passende beperkingsmaatregelen worden vergroot.

(27)

Met het oog op de doeltreffendheid van de kwantificering en rapportage moeten exploitanten en ondernemingen verplicht worden de methaanemissies per bron te kwantificeren en te rapporteren en om samengevoegde gegevens beschikbaar te stellen aan de lidstaten, zodat de lidstaten in staat zijn de nauwkeurigheid van hun inventaris en rapporten te verbeteren. Daarnaast is een doeltreffende verificatie van de gerapporteerde gegevens noodzakelijk. Om de administratieve lasten voor exploitanten en ondernemingen tot een minimum te beperken, moeten zij jaarlijks rapporteren.

(28)

Deze verordening bouwt voort op de relevante onderdelen van het OGMP 2.0-kader, draagt bij aan de verzameling van betrouwbare en degelijke gegevens die een toereikende basis zouden vormen voor de monitoring van methaanemissies, en voorziet indien nodig in aanvullende maatregelen om methaanemissies verder te in te perken.

(29)

Het OGMP 2.0-kader telt vijf rapportageniveaus. De rapportage op bronniveau begint op niveau 3, dat vergelijkbaar is met niveau 3 van het UNFCCC. Hiervoor mogen generieke emissiefactoren worden gebruikt. De rapportage op niveau 4 van het OGMP 2.0 vereist rechtstreekse metingen van de methaanemissies op bronniveau, waarbij specifieke emissiefactoren mogen worden gebruikt. De rapportage op niveau 5 van het OGMP 2.0 vereist metingen op locatieniveau naast kwantificering op bronniveau van de methaanemissies. Daarnaast vereist het OGMP 2.0-kader dat bedrijven directe metingen van methaanemissies binnen drie jaar na het toetreden tot het OGMP 2.0 rapporteren voor operationele activa en binnen vijf jaar voor niet-operationele activa. De termijnen waarbinnen exploitanten en ondernemingen de uit hoofde van deze verordening vereiste verslagen moeten indienen, moeten worden vastgelegd, voortbouwend op de aanpak van OGMP 2.0 met betrekking tot rapportage op bronniveau en rekening houdend met het feit dat een groot aantal bedrijven in de Unie reeds tot het OGMP 2.0 is toegetreden. Naast de kwantificering op bronniveau maakt de kwantificering op locatieniveau de beoordeling, verificatie en afstemming van ramingen op bronniveau per locatie mogelijk, hetgeen het vertrouwen in de gerapporteerde emissies versterkt. Net zoals in het OGMP 2.0-kader moet worden verlangd dat metingen op locatieniveau worden afgestemd op kwantificering op bronniveau.

(30)

Volgens gegevens van de broeikasgasinventaris van de Unie, die gebaseerd is op de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 gerapporteerde nationale broeikasgasinventarissen, wordt meer dan de helft van alle directe methaanemissies van de energiesector veroorzaakt door onopzettelijke emissies in de atmosfeer. In het geval van olie en aardgas vertegenwoordigen onopzettelijke emissies het grootste deel van de methaanemissies.

(31)

Onopzettelijke methaanlekken in de atmosfeer kunnen optreden tijdens het boren en winnen, alsook tijdens de verwerking, opslag, transmissie en distributie aan eindgebruikers. Dergelijke lekken komen ook voor bij inactieve putten, tijdelijk gedichte putten of permanent gedichte en verlaten putten. Sommige methaanemissies kunnen het resultaat zijn van onvolkomenheden in of de normale slijtage van technische componenten, zoals verbindingsstukken, flenzen en kleppen, of van beschadigde componenten, bijvoorbeeld na een ongeluk. Corrosie kan ook leiden tot lekken in de wanden van drukapparatuur.

(32)

Om methaanemissies te verminderen, moeten exploitanten alle passende beperkingsmaatregelen nemen om de methaanemissies van hun activiteiten tot een minimum te minimaliseren.

(33)

Meer in het bijzonder worden methaanemissies als gevolg van lekken meestal verminderd door LDAR-onderzoeken, die eerst worden uitgevoerd om lekken op te sporen en vervolgens om deze te herstellen of om lekkende onderdelen te vervangen. Exploitanten moeten derhalve periodiek LDAR-onderzoeken uitvoeren, onder meer van de componenten voor het afblazen van methaan, om slecht functionerende apparatuur op te sporen.

(34)

Met het oog daarop moet een geharmoniseerde benadering worden ontwikkeld om te zorgen voor een gelijk speelveld voor alle exploitanten in de Unie. Die benadering moet minimumvereisten voor LDAR-onderzoeken omvatten, en tegelijkertijd een passende mate van flexibiliteit bieden aan de lidstaten en exploitanten. Die flexibiliteit is essentieel om innovatie en de ontwikkeling van nieuwe componenten, nieuwe LDAR-technologieën en nieuwe detectiemethoden mogelijk te maken en zo een technologische lock-in te voorkomen, die ten koste van de milieubescherming zou gaan. Er ontstaan nog steeds nieuwe LDAR-technologieën en nieuwe detectiemethoden en de lidstaten moeten de innovatie in deze sector aanmoedigen, zodat de componenten met de laagste emissies, nauwkeurige en ook kosteneffectieve componenten, LDAR-technologieën en detectiemethoden kunnen worden gebruikt.

(35)

In de verplichtingen met betrekking tot LDAR-onderzoeken moeten goede praktijken tot uiting komen. LDAR-onderzoeken moeten voornamelijk gericht zijn op het opsporen en zo snel mogelijk dichten van lekken door de reparatie of vervanging van lekkende componenten, in plaats van op het kwantificeren hiervan en gebieden met een hoger risico op lekken moeten vaker worden gecontroleerd. Het bepalen van de frequentie van LDAR-onderzoeken en de beslissing om een component te repareren of te vervangen moeten niet alleen worden gebaseerd op de noodzaak aan reparatie of vervanging van componenten waarbij methaan ontsnapt boven de methaanemissiedrempel, maar ook op operationele overwegingen, rekening houdend met veiligheidsrisico’s. Wanneer een groter risico voor de veiligheid of een groter risico op methaanemissies wordt vastgesteld, moeten de bevoegde instanties kunnen aanbevelen dat bepaalde componenten frequenter aan LDAR-onderzoeken worden onderworpen of worden vervangen door technologie met een kleiner risico op lekken. Alle lekken, ongeacht de omvang, moeten worden onderzocht en gecontroleerd, aangezien kleinere lekken groter kunnen worden. Na reparatie van een lek moet worden bevestigd of die reparatie doeltreffend was. Om het gebruik van nieuwe of meer geavanceerde componenten of detectietechnologieën voor methaanemissies mogelijk te maken, moet worden gespecificeerd vanaf welke hoeveelheid methaanverliezen een reparatie vereist is, terwijl exploitanten moeten kunnen kiezen welke detectieapparatuur wordt gebruikt. Waar passend moet in het kader van LDAR-onderzoeken gebruik kunnen worden gemaakt van detectietechnologieën, zoals continue monitoring, zolang die voldoet aan de eisen voor geavanceerde detectietechnologieën van deze verordening. De best presterende exploitanten die olie of aardgas produceren of verwerken, moeten verschillende LDAR-onderzoeksfrequenties kunnen hanteren, mits aan de voorwaarden van deze verordening wordt voldaan en de bevoegde instanties daarmee instemmen.

(36)

LDAR-onderzoeken moeten worden uitgevoerd aan de hand van passende beschikbare technologieën en detectietechnieken om lekken op te sporen: zo dicht mogelijk bij elke afzonderlijke potentiële emissiebron voor bovengrondse componenten en componenten boven zeeniveau; als eerste stap op het raakvlak tussen de grond en de atmosfeer en, indien een potentieel lek wordt gedetecteerd, als tweede stap zo dicht mogelijk bij de emissiebron voor ondergrondse componenten, en door toepassing van de beste commercieel beschikbare detectietechnieken voor offshorecomponenten onder zeeniveau of onder de zeebedding.

(37)

Wat ondergrondse componenten betreft, verlopen LDAR-onderzoeken doorgaans in twee stappen. Als eerste stap wordt een eerste lekdetectie uitgevoerd en wordt een keuze gemaakt tussen het afgraven van de grond of een sonderingsboring indien de pijpleiding rechtstreeks toegankelijk is. Exploitanten graven de grond af of voeren een boring uit als het lek minstens de eerste lekdetectiedrempel haalt. Als tweede stap wordt een tweede lekdetectie uitgevoerd en wordt bepaald of het lek al dan niet moet worden gerepareerd. Exploitanten repareren het lek als het minstens de tweede lekdetectiedrempel haalt.

(38)

Minimale detectielimieten moeten waarborgen dat de detectieapparatuur voldoende gevoelig is om lekken te detecteren zoals uit hoofde van deze verordening vereist. Die minimale detectielimieten en de te gebruiken detectietechnieken moeten door de Commissie worden vastgesteld, rekening houdend met de verschillende soorten componenten en LDAR-onderzoeken, voor alle categorieën componenten en samen met de detectiedrempels die voor de eerste stap van de LDAR-onderzoeken voor ondergrondse componenten van toepassing zijn.

(39)

Reparaties of vervangingen moeten onmiddellijk na de detectie van een lek op of boven de in deze verordening bepaalde drempel of zo spoedig mogelijk daarna worden uitgevoerd. Hoewel soms rekening moet worden gehouden met uitzonderlijke veiligheids-, administratieve en technische aspecten, moet het nodige bewijsmateriaal worden verstrekt om eventuele vertragingen bij de reparatie te rechtvaardigen. Bij reparaties of vervangingen moet gebruik worden gemaakt van de beste commercieel beschikbare technologieën die een duurzame bescherming bieden tegen toekomstige lekkage.

(40)

Kleinschalig verbonden systemen zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (13) kunnen worden geconfronteerd met problemen op het gebied van voorzieningszekerheid en netstabiliteit wanneer een systeem wordt stilgelegd. Om dergelijke risico’s voor de voorzieningszekerheid te voorkomen, moeten reparatie- of vervangingswerkzaamheden worden uitgevoerd tijdens geplande stilleggingen.

(41)

In het licht van het sterke broeikasgasemissie-effect ervan, moet afblazen worden verboden, behalve in noodgevallen, bij defecten of tijdens bepaalde specifieke gebeurtenissen waarbij enig afblazen onvermijdbaar en strikt noodzakelijk is. Om ervoor te zorgen dat exploitanten geen apparatuur gebruiken die voor afblazen ontworpen is, moeten technologische normen worden vastgesteld die het gebruik van alternatieven met lagere emissies mogelijk maken.

(42)

Wanneer affakkelen plaatsvindt tijdens de normale productie van olie, aardgas en kolen, en bij gebrek aan geschikte faciliteiten of geologie die het mogelijk maakt het geproduceerde gas opnieuw te injecteren, ter plaatse te gebruiken of naar een markt te verzenden, wordt dit als routinematig affakkelen beschouwd. Routinematig afblazen moet worden verboden. Affakkelen moet worden toegestaan wanneer dit het enige alternatief voor afblazen is en wanneer afblazen niet verboden is. Het verbieden van routinematig affakkelen zou ook de beschikbaarheid van aardgas voor gasmarkten vergroten. Afblazen is schadelijker voor het milieu dan affakkelen omdat de geloosde gassen doorgaans hoge gehaltes methaan bevatten, terwijl methaan bij affakkelen oxideert tot CO2, dat een lager aardopwarmingsvermogen heeft. Indien geen andere keuze beschikbaar is, moet affakkelen daarom de voorkeur krijgen boven afblazen.

(43)

Het gebruik van affakkelen als alternatief voor afblazen vereist dat affakkelapparatuur methaan op efficiënte wijze kan verbranden. Daarom moet ook een vereiste voor de verbrandingsefficiëntie worden opgenomen voor gevallen waarin affakkelen toegestaan is, en moet affakkelapparatuur met een vernietigings- en verwijderingsrendement van minder dan 99 % worden uitgefaseerd. Het gebruik van automatische ontstekers of permanente aansteekvlammen, die zorgen voor een betrouwbaardere ontsteking, aangezien de wind hierop geen invloed heeft, moet ook verplicht worden gesteld.

(44)

Het opnieuw injecteren van methaan, het gebruiken op de locatie of het verzenden naar een markt moet altijd de voorkeur krijgen boven afblazen of affakkelen. Exploitanten die afblazen, moeten aan de bevoegde instanties bewijs overleggen dat het methaan opnieuw injecteren, gebruiken op de locatie, opslag voor later gebruik, verzenden naar een markt en affakkelen niet mogelijk waren en exploitanten die affakkelen moeten aan de bevoegde instanties bewijs overleggen dat het methaan opnieuw injecteren, gebruiken op de locatie, opslag voor later gebruik of verzenden naar een markt niet mogelijk waren.

(45)

Exploitanten moeten belangrijke voorvallen van afblazen en affakkelen onverwijld melden bij de bevoegde instanties en bij die instanties jaarlijks uitgebreidere verslagen indienen over alle voorvallen van afblazen en affakkelen. Zij moeten er bovendien voor zorgen dat de afblaas- en affakkelapparatuur en hulpmiddelen in overeenstemming zijn met de in het Unierecht vastgelegde normen.

(46)

Methaanemissies van inactieve, tijdelijk gedichte putten en permanent gedichte en verlaten putten leveren risico’s op voor de volksgezondheid, veiligheid en het milieu. Daarom moeten de verplichtingen inzake monitoring, met inbegrip van kwantificering, indien drukmonitoringapparatuur aanwezig is, drukmonitoring en rapportage, van toepassing blijven en moeten deze putten en locaties, naargelang het geval, permanent worden gedicht, teruggewonnen en hersteld. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten een dominante rol spelen, met name om inventarissen op te stellen en, indien de verantwoordelijke partij niet kan worden geïdentificeerd, methaanemissies te rapporteren en binnen duidelijke termijnen beperkingsplannen op te stellen.

(47)

Voor permanent gedichte en verlaten putten moet toereikende documentatie worden verstrekt waaruit blijkt dat er geen methaanemissies ontsnappen uit alle putten die binnen 30 jaar voorafgaand aan en op of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening permanent zijn gedicht en verlaten en, indien dergelijke documentatie beschikbaar is, voor putten die reeds langer dan 30 jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening permanent zijn gedicht en verlaten. Die documentatie moet ten minste een kwantificering bevatten op basis van emissiefactoren of monsters, dan wel betrouwbaar bewijs leveren van permanente ondergrondse insluiting overeenkomstig ISO 16530-1:2017, de toepasselijke internationale norm inzake putintegriteit voor de aardolie- en aardgasindustrie.

(48)

Indien de bevoegde instanties betrouwbaar bewijs ontvangen van de materiële hoeveelheden methaanemissies in een inactieve offshoreput, in een tijdelijk gedichte put of in een permanent gedichte en verlaten put, naargelang het geval, dat door een onafhankelijke derde partij is bevestigd, moeten de bevoegde instanties een besluit nemen over de toepassing van de verplichtingen voor tijdelijk gedichte putten met betrekking tot die put.

(49)

Het aantal inactieve putten, tijdelijk gedichte putten en permanent gedichte en verlaten putten op het grondgebied van de lidstaten varieert aanzienlijk en sommige lidstaten hebben zeer veel van zulke putten op hun grondgebied. Zij moeten daarom een meer geleidelijke aanpak kunnen volgen om te voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot het opstellen van inventarissen van dergelijke putten teneinde de evenredigheid van de kosten en administratieve lasten in verband met die inventarisatie te waarborgen.

(50)

Aangezien de waarschijnlijkheid dat methaanlekkage uit offshoreputten het oppervlak bereikt afhankelijk is van verschillende factoren en doorgaans afneemt met de waterdiepte en aangezien er meer middelen nodig zijn om offshoreputten te onderzoeken en daarbij in te grijpen naarmate de waterdiepte en de afstand tot de kust toenemen, moeten vrijstellingen van bepaalde verplichtingen uit hoofde van deze verordening worden overwogen voor offshoreputten op grotere waterdiepte, indien degelijk bewijs kan worden geleverd dat de impact van potentiële methaanemissies uit die putten waarschijnlijk verwaarloosbaar is.

(51)

Uit de gegevens van de broeikasgasinventaris van de Unie blijkt dat methaanemissies van kolenmijnen de grootste bron van methaanemissies in de energiesector van de Unie zijn. In 2019 waren rechtstreekse emissies uit de kolensector goed voor 31 % van alle methaanemissies, wat bijna gelijk is aan het percentage rechtstreekse emissies van olie en fossiel gas, namelijk 33 %.

(52)

Er bestaat momenteel geen Uniebrede specifieke wetgeving om de methaanemissies van de kolensector te beperken, ondanks het feit dat een brede reeks beperkingstechnologieën beschikbaar is. Er is op het niveau van de Unie of internationaal niveau geen specifieke monitorings-, rapportage- en verificatienorm voor kolen. In de Unie maakt de rapportage van de methaanemissies van de kolenindustrie deel uit van de rapportage van de broeikasgasemissies van de lidstaten. Gegevens van ondergrondse kolenmijnen worden daarnaast opgenomen in het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (14).

(53)

Uit recente studies blijkt dat methaanemissies voornamelijk verband houden met ondergrondse mijnbouwactiviteiten, zowel in actieve als in verlaten mijnen. In actieve ondergrondse koolmijnen wordt de methaanconcentratie in de lucht voortdurend gecontroleerd, aangezien deze een gevaar vormt voor de gezondheid en veiligheid. In het geval van ondergrondse kolenmijnen vindt het overgrote deel van de methaanemissies plaats door middel van de ventilatie en drainage- of ontgassingssystemen, de twee belangrijkste manieren om de methaanconcentraties in de luchtroutes van de mijn te verlagen.

(54)

Nadat de productie is stopgezet en een kolenmijn gesloten of verlaten is, blijft methaan vrijkomen; dit methaan wordt ook wel methaan uit verlaten mijnen (abandoned mine methane – AMM,) genoemd. Die methaanemissies vinden normaal gesproken plaats bij goed afgebakende puntbronnen, zoals ventilatieschachten of drukontlastingsgaten. Met de verhoogde klimaatambitie en de overgang van de energieproductie op minder koolstofintensieve bronnen, zullen de AMM-emissies in de Unie waarschijnlijk toenemen. Volgens ramingen komt er zelfs tien jaar nadat de mijnbouwactiviteiten zijn stopgezet nog methaan uit niet-ondergelopen kolenmijnen vrij op een niveau dat ongeveer 40 % van de emissies op het moment van de sluiting bedraagt. Bovendien is de behandeling van AMM nog steeds versnipperd vanwege verschillende eigendoms- en exploitatierechten en -verplichtingen in de Unie. De lidstaten moeten derhalve inventarissen opstellen van gesloten ondergrondse kolenmijnen en verlaten ondergrondse kolenmijnen waarvan de activiteiten na 3 augustus 1954 zijn stopgezet, en de geïdentificeerde verantwoordelijke partij moet worden verplicht apparaten te installeren om de methaanemissies te meten.

(55)

Actieve bovengrondse kolenmijnen in de Unie produceren bruinkool en stoten minder methaan uit dan ondergrondse kolenmijnen. Bruinkoolmijnen in de Unie zijn voornamelijk dagbouwkolenmijnen, met uitzondering van één ondergrondse bruinkoolmijn in één lidstaat. Volgens de broeikasgasinventaris van de Unie stootten actieve bovengrondse kolenmijnen in 2019 166 kiloton methaan uit, ten opzichte van 828 kiloton methaan voor ondergrondse kolenmijnen. De methaanemissies van bovengrondse kolenmijnen zijn moeilijk te meten omdat methaan de neiging heeft om zich over een breed gebied te verspreiden. Daarom worden de methaanemissies van bovengrondse kolenmijnen ondanks de beschikbaarheid van passende technologie zelden gemeten. De methaanemissies van bovengrondse kolenmijnen kunnen worden afgeleid aan de hand van bekkenspecifieke emissiefactoren voor kolen en, voor een grotere nauwkeurigheid, met gebruik van mijn- of voorraadspecifieke emissiefactoren, aangezien het vermogen om methaan vast te houden binnen eenzelfde kolenbekken kan verschillen per afzetting. Emissiefactoren kunnen worden afgeleid door het gasgehalte te meten van monsters die uit aders verkregen zijn door middel van exploratieboringen. Mijnexploitanten moeten derhalve de methaanemissies in bovengrondse kolenmijnen kwantificeren op basis van dergelijke emissiefactoren.

(56)

De methaanemissies van volledig ondergelopen ondergrondse kolenmijnen nemen in de loop der tijd doorgaans aanzienlijk af naarmate de hydrogeologische omstandigheden zich stabiliseren na de sluiting van die mijnen en nadat zij zijn volgelopen. Daarom moeten dergelijke kolenmijnen in naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen worden vrijgesteld van de kwantificeringsverplichting.

(57)

Mijnexploitanten moeten continue metingen en kwantificeringen van de methaanemissies van ventilatieschachten in ondergrondse kolenmijnen en continue metingen van afgeblazen en afgefakkeld methaan in drainagestations uitvoeren. Zij moeten specifieke emissiefactoren gebruiken voor bovengrondse kolenmijnen en die gegevens rapporteren aan de bevoegde instanties.

(58)

Beperking van methaanemissies kan het beste worden verwezenlijkt voor actieve en gesloten ondergrondse kolenmijnen of verlaten ondergrondse kolenmijnen. Momenteel zijn de technologische mogelijkheden om de methaanemissies van actieve bovengrondse kolenmijnen en gesloten of verlaten bovengrondse kolenmijnen effectief te beperken begrensd. Om het onderzoek en de ontwikkeling op het gebied van beperkingstechnologieën voor methaanemissies in de toekomst te ondersteunen, moet echter een doeltreffende en gedetailleerde monitoring, rapportage en verificatie van de omvang van die methaanemissies plaatsvinden.

(59)

Actieve ondergrondse kolenmijnen zijn stoomkolen- of cokeskolenmijnen. Stoomkolen wordt hoofdzakelijk gebruikt als energiebron en cokeskolen als brandstof en reactant in de staalproductie. Zowel voor stoomkolen- als cokeskolenmijnen moeten metingen, rapportages en verificaties en beperkingsmaatregelen met betrekking tot methaanemissies plaatsvinden. Die beperkingsmaatregelen moeten worden uitgevoerd door het afblazen en affakkelen uit te faseren. Beperkingsmaatregelen mogen de veiligheid van werknemers niet in het gedrang brengen.

(60)

Voor actieve ondergrondse kolenmijnen moeten beperkingsmaatregelen worden uitgevoerd door middel van een uitfasering van affakkelapparatuur met een vernietigings- en verwijderingsrendement op ontwerpniveau van minder dan 99 %. Hoewel het laten onderlopen van gesloten of verlaten ondergrondse kolenmijnen methaanemissies kan voorkomen, gebeurt dit niet systematisch en brengt het milieurisico’s met zich. In die kolenmijnen moet affakkelapparatuur met een vernietigings- en verwijderingsrendement op ontwerpniveau van minder dan 99 % ook worden uitgefaseerd. Omdat een uniforme aanpak voor verlaten ondergrondse kolenmijnen vanwege geologische beperkingen en milieuoverwegingen niet haalbaar is, moeten de lidstaten een eigen beperkingsplan opstellen, rekening houdend met die beperkingen en de technische haalbaarheid van de AMM-beperking.

(61)

Om de methaanemissies van actieve kolenmijnen te verminderen, moeten de lidstaten kunnen bekijken of een systeem kan worden ingevoerd met stimulansen om de methaanemissies te verminderen, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels. Met dergelijke regelingen zouden investeringen in methaanafvang en -injectie in het net kunnen worden gestimuleerd en kunnen methaanemissies van ventilatieschachten en affakkelen worden beperkt. De lidstaten moeten kunnen overwegen of een specifiek vergoedings- en heffingsysteem kan worden ingevoerd om investeringen in methaanemissieverminderingen te faciliteren, onder meer als onderdeel van staatssteunprogramma’s voor de ontmanteling van kolenproductiecapaciteit, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels.

(62)

In gesloten of verlaten kolenmijnen moet de toepassing van bestaande beste beperkingspraktijken om methaanemissies te verminderen worden toegestaan, zoals de ontwikkeling van geothermie- en warmteopslagprojecten in ondergelopen kolenmijnen, waterkrachttoepassingen in niet-ondergelopen kolenmijnen, het afvangen van methaanemissies door ontgassing, het gebruik van veiligheidsrelevante ontgassingsapparatuur, het gebruik van mijngas voor energieproductie of de opstuwing van mijnwater en andere mogelijke toepassingen.

(63)

De Unie is voor 70 % van haar steenkoolverbruik, 97 % van haar olieverbruik en 90 % van haar verbruik van fossiel gas afhankelijk van import. Hoewel het aandeel van de mondiale antropogene methaanemissies in Europa naar schatting ongeveer 6 % bedraagt, dragen het verbruik van en de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen aanzienlijk bij aan de methaanemissies van de Unie.

(64)

De aardopwarmingseffecten die door methaanemissies worden veroorzaakt, zijn grensoverschrijdend. Hoewel sommige derde landen die fossiele energie produceren in eigen land beginnen op te treden om de methaanemissies van hun energiesector te verminderen, vallen veel producenten uit derde landen en exporteurs niet onder enige regelgeving op hun respectievelijke binnenlandse markt. Zij hebben duidelijke stimulansen nodig om hun methaanemissies te beperken. Daarom moet transparante informatie over de methaanemissies die gepaard gaan met de productie van ruwe olie, aardgas en steenkool die in de Unie in de handel worden gebracht, beschikbaar worden gesteld aan de markten en het bredere publiek.

(65)

Momenteel is de beschikbaarheid van nauwkeurige gegevens over de internationale methaanemissies, gerapporteerd op UNFCCC-niveau 3 of op basis van vergelijkbare methoden, beperkt. Veel derde landen die fossiele energie exporteren, hebben nog geen volledige inventarisgegevens ingediend bij het UNFCCC-secretariaat. Bovendien is er bewijs dat de methaanemissies van de olie- en gasproductie in de afgelopen 20 jaar mondiaal sterk zijn toegenomen, namelijk van 65 tot 80 Mt/jaar.

(66)

Zoals aangekondigd in de methaanstrategie, streeft de Unie naar samenwerking met haar energiepartners en andere belangrijke importerende en exporterende derde landen van fossiele energie om de methaanemissies op mondiaal niveau aan te pakken. De energiediplomatie op het gebied van de methaanemissies heeft reeds belangrijke resultaten opgeleverd. In september 2021 hebben de Unie en de Verenigde Staten het mondiale methaanpact aangekondigd, dat in november 2021 tijdens de VN-klimaatconferentie (COP 26) is gelanceerd. Het mondiale methaanpact vormt een politieke verbintenis om samen te werken teneinde de wereldwijde methaanemissies tussen nu en 2030 collectief met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2020, en teneinde omvattende binnenlandse maatregelen te nemen om die doelstelling te bereiken. Het omvat tevens een verbintenis om de beste beschikbare inventarismethoden te gebruiken om de methaanemissies te kwantificeren. Meer dan 100 landen, goed voor bijna de helft van de wereldwijde antropogene methaanemissies, hebben zich al bij het mondiale methaanpact aangesloten.

(67)

Het IMEO speelt een belangrijke rol bij het vergroten van de transparantie over de wereldwijde methaanemissies in de energiesector en de Commissie moet met het IMEO blijven samenwerken.

(68)

Terwijl de Unie haar diplomatieke werkzaamheden voortzet om tot mondiale verbintenissen voor een aanzienlijke vermindering van de methaanemissies te komen, moedigt zij daarnaast alle inspanningen aan om die emissies wereldwijd aanzienlijk te verminderen, met name in de landen die fossiele energie aan de Unie leveren.

(69)

Importeurs van ruwe olie, aardgas en kolen in de Unie moeten derhalve worden verplicht aan de bevoegde instanties informatie te verstrekken over maatregelen in verband met de meting, rapportage, verificatie en beperking van de methaanemissies door de exporteurs naar de Unie en producenten uit derde landen, en met name over de toepassing van regelgevings- of vrijwillige maatregelen om de methaanemissies van producenten van ruwe olie, aardgas en kolen uit derde landen te beheersen, waaronder LDAR-onderzoeken of maatregelen om het afblazen en affakkelen van methaan in de hand te houden en te beperken. De niveaus van metingen en rapportages die in de informatievereisten voor importeurs worden bepaald, moeten overeenkomen met de vereisten die op marktdeelnemers in de Unie worden toegepast. Bovendien mag de verplichting voor importeurs om informatie te verstrekken over maatregelen om methaanemissies te beheersen niet zwaarder wegen dan de overeenkomstige verplichting voor exploitanten in de Unie. De lidstaten moeten de informatie over die maatregelen aan de Commissie verstrekken. Op basis van die informatie moet de Unie een transparantiedatabank voor methaan opzetten en beheren, waarin onder meer door producenten in de Unie en door importeurs van ruwe olie, aardgas en steenkool gerapporteerde informatie wordt opgenomen. Een dergelijke databank zou een informatiebron vormen voor aankoopbesluiten van importeurs van ruwe olie, aardgas en kolen, alsook voor andere belanghebbenden en het publiek. Naast de transparantiedatabank voor methaan moet de Commissie methaanprestatieprofielen ontwikkelen die de gegevens bevatten over methaanemissies met betrekking tot ruwe olie, aardgas en steenkool die in de Unie in de handel worden gebracht. Die profielen moeten ook een beoordeling bevatten van de inspanningen die door producenten in de Unie, importeurs en producenten in derde landen en exporteurs van fossiele energie naar de Unie worden geleverd om hun methaanemissies te meten, te rapporteren en te verminderen. Die profielen moeten voorts informatie bevatten over de regelgevende maatregelen die zijn genomen door derde landen die ruwe olie, aardgas en steenkool produceren ten aanzien van meting, rapportage, verificatie en beperking.

(70)

Daarnaast moet de Commissie een mondiaal monitoringinstrument voor methaan opzetten dat informatie verstrekt over het bestaan, de omvang en de locatie van gebeurtenissen met hoge methaanemissies uit energiebronnen, alsook een snellereactiemechanisme om gebeurtenissen met zeer hoge emissies binnen of buiten de Unie aan te pakken. In dat verband moet de Commissie rekening houden met alle terdege gestaafde informatie die lidstaten of derden over gebeurtenissen met zeer hoge emissies hebben ontvangen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om dergelijke informatie met de Commissie te delen. Die instrumenten moeten reële en aantoonbare resultaten verder aanmoedigen dankzij de uitvoering van maatregelen om de methaanemissies te reguleren en doeltreffende beperkingsmaatregelen door ondernemingen in de Unie en exporteurs van fossiele energie naar de Unie. Die instrumenten moeten kunnen voortbouwen op bestaande internationale instrumenten of kaders. Met die instrumenten, moeten gegevens van verschillende gecertificeerde gegevensverstrekkers en diensten worden gebundeld, onder meer van het IMEO en de Copernicus-component van het bij Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad (15) vastgestelde ruimtevaartprogramma van de Unie. Zij moeten informatie verstrekken ten behoeve van de bilaterale dialogen van de Commissie met relevante derde landen over beleid en maatregelen op het gebied van methaanemissies.

(71)

Samen moeten de transparantiedatabank voor methaan, de methaanprestatieprofielen, het mondiaal monitoringinstrument voor methaan en het snellereactiemechanisme bijdragen tot meer transparantie voor kopers in de Unie, hen in staat stellen geïnformeerde aankoopbeslissingen te nemen en betere mogelijkheden creëren voor een groter gebruik van oplossingen voor methaanemissiebeperking overal ter wereld. Daarnaast moeten die instrumenten verdere stimulansen bieden voor ondernemingen uit derde landen om internationale normen voor de meting en rapportage van methaanemissies toe te passen, zoals de binnen het OGMP 2.0-kader vastgestelde normen of om doeltreffende metings-, rapportage- en beperkingsmaatregelen vast te stellen, en verificatie mogelijk te maken.

(72)

Nieuwe contracten voor de levering van ruwe olie, aardgas of steenkool die door importeurs uit de Unie worden gesloten, moeten de toepassing van regels voor het monitoren, rapporteren en verifiëren van methaanemissies die gelijkwaardig zijn aan die welke in deze verordening zijn vastgesteld in derde landen bevorderen. Er moeten regels worden vastgesteld om leveranciers uit derde landen en importeurs in de Unie in staat te stellen aan te tonen dat die maatregelen gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgelegde eisen met betrekking tot in de Unie ingevoerde ruwe olie, aardgas of steenkool. Hoewel clausules in die zin niet in het geval van bestaande overeenkomsten kunnen worden opgenomen, kunnen dergelijke clausules worden opgenomen in nieuwe overeenkomsten of in bestaande overeenkomsten die worden verlengd, zelfs als dat stilzwijgend gebeurt. In dit verband zouden ondernemingen baat hebben bij door de Commissie aanbevolen modelclausules.

(73)

De gelijkwaardigheid van de monitoring, rapportage en verificatie van methaanemissies moet niet alleen kunnen worden bereikt door maatregelen die door individuele ondernemingen worden toegepast, maar ook op het niveau van derde landen, door middel van bestaande rechtskaders inzake monitoring, rapportage en verificatie. De Commissie moet daarom de bevoegdheid krijgen om de vereisten vast te stellen met betrekking tot het bewijs dat in dat verband door derde landen moet worden verstrekt, door actief samen te werken met alle exporterende derde landen en terdege rekening te houden met eventuele andere omstandigheden in die derde landen en met de verplichtingen van de Unie uit hoofde van internationaal recht. De Commissie moet ook de bevoegdheid krijgen om in voorkomend geval de gelijkwaardigheid voor bepaalde derde landen vast te stellen en in te trekken.

(74)

Er moet worden gedacht aan instrumenten, met inbegrip van dialogen over gebeurtenissen met zeer hoge emissies, besluiten inzake de gelijkwaardigheid van monitoring, rapportage en verificatie en de goedkeuring van samenwerkingskaders, om de correcte uitvoering te waarborgen van de verplichtingen van importeurs en van in derde landen gevestigde producenten of exporteurs die ruwe olie, aardgas of steenkool leveren aan de Unie. De Commissie moet instrumenten kunnen voorstellen om samen te werken met derde landen. Die instrumenten moeten, in voorkomend geval, worden vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de Verdragen.

(75)

De Commissie mag geen dialoog aangaan met derde landen over gebeurtenissen met zeer hoge emissies, moet afzien van het vaststellen van gelijkwaardigheidsbesluiten en mag niet aanbevelen onderhandelingen te openen over een samenwerkingskader indien daardoor het risico zou ontstaan dat uit hoofde van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) of artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgestelde beperkende maatregelen inzake de import van ruwe olie, aardgas en steenkool, worden omzeild.

(76)

Zodra de transparantiedatabank voor methaan, de methaanprestatieprofielen, het mondiaal monitoringinstrument voor methaan en het snellereactiemechanisme zijn ingevoerd, moet de Commissie de methode vaststellen voor de berekening van de methaanintensiteit van de productie van ruwe olie, aardgas en steenkool. Die methode moet openbaar gemaakt worden. De Commissie moet op basis daarvan het potentiële effect van verschillende niveaus van maximale methaanintensiteitswaarden op de energievoorzieningszekerheid en op het concurrentievermogen van de economie van de Unie beoordelen.

(77)

De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om verplichte maximale methaanintensiteitswaarden en -klassen vast te stellen in verband met de productie van ruwe olie, aardgas en steenkool die in de Unie in de handel worden gebracht, op basis van de methode voor de berekening van de methaanintensiteit van de productie van ruwe olie, aardgas en steenkool en van de beoordeling van het potentiële effect van de vaststelling van maximale methaanintensiteitswaarden. Die waarden moeten worden vastgesteld op niveaus die de vermindering van de wereldwijde methaanemissies bevorderen, waarbij de energievoorzieningszekerheid op Unie- en nationaal niveau behouden blijft, niet-discriminerende behandeling wordt gewaarborgd en het concurrentievermogen van de economie van de Unie wordt beschermd.

(78)

Om een geharmoniseerde uitvoering van deze verordening te waarborgen en een gemeenschappelijk technisch kader te creëren voor alle actoren in de olie-, gas- en steenkoolsector, moet de Commissie, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (16), overwegen de betrokken Europese normalisatieorganisaties te verzoeken geharmoniseerde normen op te stellen voor de meting en kwantificering van methaanemissies in de sectoren olie, gas en steenkool, voor LDAR-onderzoeken en voor afblaas- en affakkelapparatuur. Die normen moeten voor de toepassing van deze verordening bindend worden teneinde te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak tussen exploitanten, ondernemingen en mijnexploitanten en de partijen die betrokken zijn bij het waarborgen van de naleving van deze verordening, met name de Commissie, bevoegde instanties en verificateurs. Indien de vaststelling van geharmoniseerde normen niet haalbaar is of die normen de naleving van de voorschriften van deze verordening niet waarborgen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om technische voorschriften vast te stellen om de nodige vereisten te dekken. Tot de datum van toepassing van die normen of technische voorschriften moeten exploitanten, ondernemingen en mijnexploitanten de meest geavanceerde praktijken in de sector en de beste beschikbare technologieën toepassen.

(79)

De lidstaten moeten voorschriften vaststellen inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij worden uitgevoerd. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Die sancties moeten geldboetes en dwangsommen kunnen omvatten. Om te zorgen voor een aanzienlijk afschrikkend effect, moeten ze passend zijn voor het soort inbreuk, het uit de inbreuk voortvloeiende economische voordeel, het soort en de ernst van de milieuschade en het effect op de menselijke veiligheid en gezondheid. Bij het opleggen van sancties moeten de bevoegde instanties rekening houden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk. Sancties moeten op niet-discriminerende wijze en in overeenstemming met het Unierecht, internationaal recht en nationaal recht worden opgelegd. De toepasselijke procedurele waarborgen en de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten worden geëerbiedigd.

(80)

Omwille van de consistentie moet een lijst worden vastgesteld van de soorten inbreuken waarvoor sancties moeten worden opgelegd. Om een consistente sanctietoepassing in alle lidstaten te bevorderen, moeten voorts gemeenschappelijke niet-limitatieve en indicatieve criteria worden vastgesteld voor de toepassing van sancties. Het afschrikkende effect van sancties moet worden versterkt door te voorzien in de mogelijkheid om de informatie over de door de lidstaten opgelegde sancties bekend te maken, met inachtneming van Verordeningen (EU) 2016/679 (17) en (EU) 2018/1725 (18) van het Europees Parlement en de Raad indien de sancties aan natuurlijke personen worden opgelegd.

(81)

Als gevolg van de bepalingen die vereisen dat rekening wordt gehouden met de investeringen van gereguleerde entiteiten bij de vaststelling van de tarieven, moet Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad (19) worden gewijzigd om aan het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (Agency for the Cooperation of Energy Regulators – ACER) de taak toe te vertrouwen om een reeks indicatoren en referentiewaarden beschikbaar te maken voor de vergelijking van de investeringskosten per eenheid in verband met de meting, kwantificering, monitoring, rapportage, verificatie en vermindering van de methaanemissies voor vergelijkbare projecten.

(82)

Teneinde de elementen te definiëren van de uitfasering van afblazen en affakkelen in cokeskolenmijnen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door te voorzien in beperkingen voor het afblazen van methaan uit ventilatieschachten voor cokeskolenmijnen. Daarnaast moet, om het mogelijk te maken verdere informatie van importeurs te verkrijgen, waar nodig, aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de informatie die door importeurs moet worden verstrekt te wijzigen of aan te vullen. Voorts moet, teneinde de methode vast te stellen voor de berekening van de methaanintensiteit op het niveau van de producent in verband met ruwe olie, aardgas en steenkool die in de Unie in de handel worden gebracht, alsook van maximale methaanintensiteitswaarden en -klassen, aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen. Tot slot moet, teneinde een geharmoniseerde uitvoering van deze verordening te waarborgen, aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door geharmoniseerde normen en technische voorschriften vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (20). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(83)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend om nadere regels vast te stellen met betrekking tot modellen voor de rapportage van methaanemissies, minimale detectielimieten en detectietechnieken voor detectieapparatuur en drempelwaarden voor de eerste stap van LDAR-onderzoeken, alsook de procedure en vereisten en individuele besluiten met betrekking tot de gelijkwaardigheid van monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen in derde landen, overeenkomstig artikel 291 VWEU. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (21).

(84)

De Commissie moet de toepassing van deze verordening monitoren en evalueren en een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag moeten met name de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze verordening, het bereikte verminderingsniveau van methaanemissies en de vraag of er behoefte is aan aanvullende of alternatieve maatregelen worden beoordeeld. In dat verslag moet rekening worden gehouden met de toepasselijke Uniewetgeving op gerelateerde gebieden. Afhankelijk van de conclusies in dat verslag en in het kader van de evaluatie van deze verordening, kan de Commissie overwegen om, waar passend, wetgevingsvoorstellen in te dienen.

(85)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de nauwkeurige meting, kwantificering, monitoring, rapportage en verificatie, alsmede de vermindering van de methaanemissies in de energiesector in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van die maatregelen, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2024.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

H. LAHBIB

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 2 BEVOEGDE INSTANTIES EN ONAFHANKELIJKE VERIFICATIE HOOFDSTUK 2 BEVOEGDE INSTANTIES EN ONAFHANKELIJKE VERIFICATIE
HOOFDSTUK 3 METHAANEMISSIES IN DE SECTOREN OLIE EN GAS HOOFDSTUK 3 METHAANEMISSIES IN DE SECTOREN OLIE EN GAS
HOOFDSTUK 4 METHAANEMISSIES IN DE KOLENSECTOR HOOFDSTUK 4 METHAANEMISSIES IN DE KOLENSECTOR
HOOFDSTUK 5 METHAANEMISSIES VAN RUWE OLIE, AARDGAS EN KOLEN DIE IN DE UNIE IN DE HANDEL WORDEN GEBRACHT HOOFDSTUK 5 METHAANEMISSIES VAN RUWE OLIE, AARDGAS EN KOLEN DIE IN DE UNIE IN DE HANDEL WORDEN GEBRACHT
HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN
ANNEX I Leak detection and repair surveys as referred to in Article 14

ANNEX I

Leak detection and repair surveys as referred to in Article 14

ANNEX II Leak detection repair and monitoring schedules as referred to in Article 14

ANNEX II

Leak detection repair and monitoring schedules as referred to in Article 14

Repair schedule

The repair schedule shall include at least the following elements:

(1)

inventory and identification of all components that have been checked;

(2)

results of the inspection in terms of whether a methane loss has been detected and, if so, the size of the loss;

(3)

for components found in a LDAR survey to be emitting at or above the thresholds set out in Article 14(8), an indication of whether repair or replacement was undertaken during the LDAR survey and if not why, taking into account the elements that can justify a delayed repair or replacement, as referred to in Article 14(9), and repair schedule indicating the date of repair or replacement;

(4)

for components found to be emitting below the thresholds set out in Article 14(8) in a previous LDAR survey, but found to be emitting at or above such thresholds during post-LDAR monitoring, to check whether the size of loss of methane has changed, an indication whether repair or replacement was undertaken immediately and if not, why not, taking into account the elements that can justify a delayed repair or replacement, as referred to in Article 14(9), and the repair schedule indicating the date of repair or replacement.

That repair schedule shall be followed by a post-repair monitoring schedule to indicate when repairs or replacements were effectively carried out.

Monitoring schedule

The monitoring schedule shall include at least the following elements:

(1)

inventory and identification of all components that have been checked;

(2)

results of the inspection in terms of whether a methane loss has been detected and, if so, the size of the loss;

(3)

for components found to be emitting at or above the thresholds set out in Article 14(8) in a previous LDAR survey, information about the repair or replacement undertaken and results of post-repair monitoring to check if the repair or replacement was successful;

(4)

for components found to be emitting below the thresholds set out in Article 14(8) in a previous LDAR survey, results of post-LDAR monitoring to check whether the size of loss of methane has evolved and recommendations on the basis of those results.

ANNEX III Reporting of venting events and flaring events as referred to in Article 16

ANNEX III

Reporting of venting events and flaring events as referred to in Article 16

Operators shall notify to the competent authorities at least the following information regarding venting events and flaring events:

(1)

name of the operator;

(2)

location, name and type of asset;

(3)

equipment involved;

(4)

date(s) and time(s) when the event was discovered or started and terminated;

(5)

quantification of the volume of vented or flared methane;

(6)

destruction and removal efficiency by design level and type of flare stack or other combustion device used;

(7)

cause and nature of the event;

(8)

measures taken to limit the duration and magnitude of the event;

(9)

corrective actions taken to eliminate the cause and recurrence of such events;

(10)

results of inspections to take place once every 2 weeks of flare stacks or other combustion devices and of the remote or automated monitoring systems, as applicable, carried out in accordance with Article 17, in particular, where an irregularity has been identified;

(11)

decision to replace venting equipment and replacement schedule, where applicable.

ANNEX IV Inspections of flare stacks and other combustion devices

ANNEX IV

Inspections of flare stacks and other combustion devices

Inspections of flare stacks or other combustion devices shall include a comprehensive Audio, Visual and Olfactory inspection, including external visual inspection of flare stacks or other combustion devices, listening for pressure and liquid leaks and smelling for unusual and strong odours.

The following observations shall be included in the report:

(1)

in the case of lit flare stacks or other combustion devices: whether combustion is considered adequate or inadequate;

(2)

in the case of unlit flare stacks or other combustion devices: whether the unlit flare has a gas vent or not; where the flare stack or other combustion device is equipped with a remote or automated monitoring system, methane emissions shall be calculated on the basis of the flow rate and uncombusted methane in case there is a gas vent.

For the purposes of point (1), inadequate combustion means combustion with visible emissions that exceed a total of 5 minutes during any 2 consecutive hours or, in the case of a flare stack or other combustion device equipped with a remote or automated monitoring system, combustion with visible emissions that exceed a total of 5 minutes during any 2 consecutive hours recorded on a live basis.

BIJLAGE IV Inspecties van fakkelpijpen en andere verbrandingsapparatuur

BIJLAGE IV

Inspecties van fakkelpijpen en andere verbrandingsapparatuur

ANNEX VI Reports for active coal mines as referred to in Article 20

ANNEX VI

Reports for active coal mines as referred to in Article 20

Part 1

The reports for active underground coal mines shall include at least the following elements:

(1)

name and address of the mine operator;

(2)

address of the coal mine;

(3)

tonnage of each coal type produced by the coal mine;

(4)

for all ventilation shafts utilised by the coal mine:

(a)

name (if any);

(b)

period of use, if different from the reporting period;

(c)

coordinates;

(d)

purpose (intake, exhaust);

(e)

technical specifications of the measurement equipment used for the measurement and quantification of methane emissions and optimum operating conditions specified by the manufacturer;

(f)

proportion of time when continuous measurement equipment was operating;

(g)

reference to the applicable standards or technical prescriptions for:

—

methane measurement equipment sampling position,

—

measurement of flow rates,

—

measurement of methane concentrations;

(h)

methane emissions registered by the continuous measurement equipment (in tonnes);

(i)

methane emissions registered through monthly sampling (in tonnes/hour), including information on:

—

sampling date,

—

sampling technique,

—

readings of atmospheric conditions (pressure, temperature, humidity), taken at an appropriate distance to reflect the conditions in which continuous measurement equipment is operating;

(j)

where the coal mine is joined to another coal mine by any means allowing for a flux of air between the coal mines, name of that coal mine;

(5)

post-mining emission factors and description of the method used for their calculation;

(6)

post-mining emissions (in tonnes).

Part 2

The reports for active surface coal mines shall include at least the following elements:

(1)

name and address of the mine operator;

(2)

address of the coal mine;

(3)

tonnage of each coal type produced by the coal mine;

(4)

map of all deposits used by the coal mine, outlining the borders of those deposits;

(5)

for each coal deposit:

(a)

name (if any);

(b)

period of use, if different from the reporting period;

(c)

outline of the experimental method used to determine methane emissions due to mining activities, including the choice of methodology to account for methane emissions from surrounding strata;

(6)

post-mining emission factors and description of the method used for their calculation;

(7)

post-mining emissions.

Part 3

The reports for drainage stations shall include at least the following elements:

(1)

name and address of the mine operator;

(2)

tonnage of methane transported by a mine or mines drainage system, per mine;

(3)

tonnage of vented methane;

(4)

tonnage of flared methane;

(5)

destruction and removal efficiency by design level of the flare stack or other combustion device;

(6)

use of captured methane.

ANNEX VII Reporting of venting events and flaring events in drainage stations as referred to in Article 23

ANNEX VII

Reporting of venting events and flaring events in drainage stations as referred to in Article 23

Drainage station operators shall report to the competent authorities at least the following elements regarding venting events and flaring events:

(1)

name and address of the drainage station operator;

(2)

time when the event was detected;

(3)

cause of the event;

(4)

justification for using venting instead of flaring, if applicable;

(5)

tonnage of vented or flared methane, or an estimate if quantification is not possible.

ANNEX VIII Inventories, reports and mitigations plans for closed underground coal mines and abandoned underground coal mines as referred to in Articles 24, 25 and 26

ANNEX VIII

Inventories, reports and mitigations plans for closed underground coal mines and abandoned underground coal mines as referred to in Articles 24, 25 and 26

ANNEX IX Information to be provided by importers in accordance with Article 27(1), Article 28(1), (2) and (3), and Article 29(1)

ANNEX IX

Information to be provided by importers in accordance with Article 27(1), Article 28(1), (2) and (3), and Article 29(1)

Importers shall provide the following information:

(1)

name and address of the exporter and, if different from the exporter, name and address of the producer;

(2)

exporting third countries and regions, as classified in the Union nomenclature of territorial units for statistics (NUTS) level 1, where the products were produced, and countries and regions, as classified in the NUTS level 1, through which the products were transported before they were placed on the Union market;

(3)

as regards crude oil and natural gas, information whether the producer or the exporter, as applicable, is carrying out source- and site-level measurement and quantification, whether that data are subject to independent third-party verification, whether its methane emissions are reported, either independently or as part of commitments to report national greenhouse gas inventories in line with UNFCCC requirements, and whether they are in compliance with UNFCCC reporting requirements or with OGMP 2.0 standards; a copy of the latest report on methane emissions, including, where available, the information referred to in Article 12(4), where provided in such report; and the method of quantification (such as UNFCCC tiers or OGMP 2.0 levels) used in the report for each type of methane emission;

(4)

as regards crude oil and natural gas, information whether the producer or the exporter, as applicable, applies regulatory or voluntary measures to control its methane emissions, including measures such as LDAR surveys or measures to control and restrict venting events and flaring events, including a description of those measures, together with, where available, relevant reports from LDAR surveys and from venting events and flaring events with respect to the last available calendar year;

(5)

as regards coal, information whether the producer or the exporter, as applicable, carries out source-level methane emissions measurement and quantification, whether those methane emissions are calculated and quantified in accordance with Annex VI, whether that data are subject to independent third-party verification, whether its methane emissions are reported, either independently or as part of commitments to report national greenhouse gas inventories in line with UNFCCC requirements, and whether they are in compliance with UNFCCC reporting requirements or in compliance with a European or other international standard for monitoring, reporting and verification of methane emissions; a copy of the latest report on methane emissions, including, where available the information referred to in Article 20(6); and the method of quantification (such as UNFCCC tiers) used in the report for each type of methane emission;

(6)

as regards coal, whether the producer or the exporter applies regulatory or voluntary measures to control its methane emissions, including measures to control and restrict venting events and flaring events; and, where available, the volumes of vented and flared methane calculated for each coal mine at least during the last calendar year and the existing mitigation plans for each coal mine, together with a description of those measures, including, where available, reports from venting events and flaring events with respect to the last available calendar year;

(7)

name of the entity that carried out the independent third-party verification of the reports referred to in points (3) and (5), if any;

(8)

information under Article 28(1) or (2), as applicable, showing that the crude oil, natural gas or coal is subject to monitoring, reporting and verification measures at producer level that are equivalent to those set out in this Regulation for contracts concluded or renewed on or after 4 August 2024 and information on the efforts undertaken to ensure that crude oil, natural gas or coal supplied under contracts concluded before 4 August 2024 is subject to monitoring, reporting and verification measures at producer level that are equivalent to those set out in this Regulation;

(9)

information whether the model clauses referred to in Article 28(3) are used in the supply contracts, specifying which model clauses;

(10)

information under Article 29(1) on the methane intensity of the production of crude oil, natural gas and coal placed on the Union market under the relevant supply contracts.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis