+RICHTLIJN 2009/125/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Doel en toepassingsgebied
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
------+Artikel 1 3.
------+Artikel 1 4.
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 ►C1In de handel brengen◄en/of in gebruik nemen
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
---+Artikel 4 Verantwoordelijkheden van de importeur
---+Artikel 5 Markering en EG-verklaring van overeenstemming
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
---+Artikel 6 Vrij verkeer
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
---+Artikel 7 Vrijwaringsclausule
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
------+Artikel 7 5.
------+Artikel 7 6.
------+Artikel 7 7.
------+Artikel 7 8.
---+Artikel 8 Overeenstemmingsbeoordeling
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
---+Artikel 9 Vermoeden van overeenstemming
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
---+Artikel 10 Geharmoniseerde normen
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
------+Artikel 10 4.
---+Artikel 11 Voorschriften inzake componenten en subeenheden
---+Artikel 12 Administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
---+Artikel 13 Kleine en middelgrote bedrijven
------+Artikel 13 1.
------+Artikel 13 2.
------+Artikel 13 3.
---+Artikel 14 Informatie voor de consument
---+Artikel 15 Uitvoeringsmaatregelen
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 4.
------+Artikel 15 5.
------+Artikel 15 6.
------+Artikel 15 7.
------+Artikel 15 8.
------+Artikel 15 9.
------+Artikel 15 10.
---+Artikel 16 Werkprogramma
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
---+Artikel 17 Zelfregulering
---+Artikel 18 Overlegforum
---+Artikel 19 Comité
------+Artikel 19 1.
------+Artikel 19 2.
------+Artikel 19 3.
---+Artikel 20 Sancties
---+Artikel 21 Toetsing
---+Artikel 22 Vertrouwelijkheid
---+Artikel 23 Omzetting
------+Artikel 23 1.
------+Artikel 23 2.
---+Artikel 24 Intrekking
---+Artikel 25 Inwerkingtreding
---+Artikel 26 Adressaten
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV
---+BIJLAGE V
---+BIJLAGE VI
---+BIJLAGE VII
---+BIJLAGE VIII
---+BIJLAGE IX
---+BIJLAGE X
English - European Union - Energy -

RICHTLIJN 2009/125/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN 2009/125/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 oktober 2009

betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Doel en toepassingsgebied
Artikel 2 Definities

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„energiegerelateerd product”, hierna „product” genoemd : elk ►C1  in de handel gebracht ◄ en/of in gebruik genomen goed dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om in onder deze richtlijn vallende energiegerelateerde producten te worden ingebouwd en die ten behoeve van eindgebruikers ►C1  in de handel ◄ worden ►C1  gebracht ◄ en/of in gebruik worden genomen als losse onderdelen waarvan de milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;

2.

„componenten en subeenheden” : onderdelen die bedoeld zijn om in producten te worden ingebouwd, en die niet als losse onderdelen ten behoeve van eindgebruikers ►C1  in de handel ◄ worden ►C1  gebracht ◄ en/of in gebruik worden genomen of waarvan de milieuprestaties niet onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;

3.

„uitvoeringsmaatregelen” : op basis van deze richtlijn vastgestelde maatregelen tot vaststelling van ecologische ontwerpvoorschriften voor gedefinieerde producten of voor milieuaspecten daarvan;

4.

„ ►C1  in de handel brengen ◄ ” : een product voor het eerst op de communautaire markt aanbieden, tegen vergoeding of kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan binnen de Gemeenschap, ongeacht de verkooptechniek;

5.

„ingebruikneming” : eerste gebruik door de eindgebruiker van een product in de Gemeenschap, overeenkomstig het gebruiksdoel;

6.

„fabrikant” : natuurlijk of rechtspersoon die onder deze richtlijn vallende producten vervaardigt en verantwoordelijk is voor de overeenstemming van het product met deze richtlijn met het oog op het ►C1  in de handel brengen ◄ en/of het in gebruik nemen ervan onder zijn eigen naam of handelsmerk of voor eigen gebruik. Bij het ontbreken van een fabrikant zoals gedefinieerd in de eerste zin van dit punt of van een importeur zoals omschreven in punt 8, wordt een natuurlijk of rechtspersoon die de onder deze richtlijn vallende producten ►C1  in de handel brengt ◄ en/of in gebruik neemt, als fabrikant beschouwd;

7.

„gevolmachtigde” : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijk of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem alle of een deel van de verplichtingen en formaliteiten in verband met deze richtlijn te vervullen;

▼C1

8.

„importeur” : in de Gemeenschap gevestigde natuurlijk of rechtspersoon die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product uit een derde land in de communautaire handel brengt;

▼B

9.

„materialen” : alle materialen die tijdens de levenscyclus van een product worden gebruikt;

10.

„productontwerp” : de reeks processen waarbij wettelijke, technische, veiligheids-, functionele, markt- of andere voorschriften waaraan een product moet voldoen, in de technische specificatie van dat product worden omgezet;

11.

„milieuaspect” : een element of functie van een product dat of die tijdens de levenscyclus ervan met het milieu kan interageren;

12.

„milieueffect” : elke verandering in het milieu die geheel of gedeeltelijk het gevolg van producten is en zich voordoet tijdens hun levenscyclus;

13.

„levenscyclus” : de opeenvolgende en onderling met elkaar verbonden stadia van een product vanaf het gebruik van grondstoffen tot de uiteindelijke verwijdering;

14.

„hergebruik” : elke handeling waarbij producten of componenten ervan die aan het einde van hun eerste gebruiksmogelijkheid zijn gekomen, worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor ze waren ontworpen, met inbegrip van het voortgezette gebruik van producten die naar inzamelcentra, distributeurs, recycleercentra of fabrikanten worden teruggebracht, alsmede het hergebruik van producten na revisie;

15.

„recycling” : herverwerking van afvalstoffen in een productieproces voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden, met uitsluiting van energieterugwinning;

16.

„energieterugwinning” : het gebruik van brandbaar afval als middel om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder ander afval, maar met terugwinning van de warmte;

17.

„terugwinning” : elk van de toepasselijke werkzaamheden vermeld in bijlage II B bij Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 inzake afvalstoffen ( 1 );

18.

„afvalstoffen” : elke stof of elk voorwerp van de in bijlage I bij Richtlijn 2006/12/EG vermelde categorieën waarvan de houder zich ontdoet of van plan is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

19.

„gevaarlijke afvalstoffen” : alle afvalstoffen waarop artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen ( 2 ) van toepassing is;

20.

„ecologisch profiel” : een beschrijving, overeenkomstig de op het product toepasselijke uitvoeringsmaatregel, van de over de gehele levenscyclus aan een product verbonden inputs en outputs (zoals grondstoffen, emissies en afvalstoffen) die uit het oogpunt van hun milieueffect significant zijn en in meetbare fysische grootheden worden uitgedrukt;

21.

„milieuprestaties” van een product : de resultaten van het beheer van de milieuaspecten van het product door de fabrikant, zoals weergegeven in het technische documentatiedossier van het product;

22.

„verbetering van de milieuprestaties” : het proces bestaande in het verbeteren van de milieuprestaties van een product over opeenvolgende generaties, hoewel niet noodzakelijkerwijze met betrekking tot alle milieuaspecten van het product tegelijkertijd;

23.

„ecologisch ontwerp” : de integratie van milieuaspecten in het productontwerp met het doel de milieuprestaties van het product over zijn gehele levenscyclus te verbeteren;

24.

„voorschrift inzake ecologisch ontwerp” : elk voorschrift met betrekking tot een product of het ontwerp van een product dat wordt vastgesteld met het doel de milieuprestaties ervan te verbeteren, of elk voorschrift inzake het verstrekken van informatie betreffende de milieuaspecten van een product;

25.

„generiek voorschrift inzake ecologisch ontwerp” : elk voorschrift inzake ecologisch ontwerp dat is gebaseerd op het ecologische profiel als geheel en waarbij geen grenswaarden voor bepaalde milieuaspecten worden vastgesteld;

26.

„specifiek voorschrift inzake ecologisch ontwerp” : een gekwantificeerd en meetbaar voorschrift inzake ecologisch ontwerp betreffende een bepaald milieuaspect van een product, zoals het energieverbruik tijdens het gebruik, berekend voor een gegeven eenheid van geleverde prestatie;

27.

„geharmoniseerde norm” : een technische specificatie die op basis van een mandaat van de Commissie door een erkende normalisatie-instelling is goedgekeurd overeenkomstig de in Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften ( 3 ) vastgestelde procedure voor het vaststellen van een Europees voorschrift, waarvan de inachtneming niet verplicht is.

Artikel 3 ►C1In de handel brengen◄en/of in gebruik nemen
Artikel 4 Verantwoordelijkheden van de importeur

Artikel 4

Verantwoordelijkheden van de importeur

Indien de fabrikant niet in de Gemeenschap is gevestigd en in afwezigheid van een gevolmachtigde, dient de importeur ervoor te zorgen:

a) 

dat het ►C1  in de handel gebrachte ◄ en/of in gebruik genomen product voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn en aan de toepasselijke uitvoeringsmaatregel, en

b) 

dat de verklaring van overeenstemming en de technische documentatie worden bijgehouden en ter beschikking worden gesteld.

Artikel 5 Markering en EG-verklaring van overeenstemming
Artikel 6 Vrij verkeer
Artikel 7 Vrijwaringsclausule
Artikel 8 Overeenstemmingsbeoordeling
Artikel 9 Vermoeden van overeenstemming
Artikel 10 Geharmoniseerde normen
Artikel 11 Voorschriften inzake componenten en subeenheden

Artikel 11

Voorschriften inzake componenten en subeenheden

Op grond van uitvoeringsmaatregelen kan een fabrikant of zijn gevolmachtigde die componenten en subeenheden ►C1  in de handel brengt ◄ en/of in gebruik neemt, worden verplicht aan de fabrikant van producten die onder een uitvoeringsmaatregel vallen, relevante informatie te verstrekken over de materiaalsamenstelling en het verbruik van energie, materialen en/of hulpbronnen van de componenten of subeenheden.

Artikel 12 Administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie
Artikel 13 Kleine en middelgrote bedrijven
Artikel 14 Informatie voor de consument

Artikel 14

Informatie voor de consument

Overeenkomstig de geldende uitvoeringsmaatregel dragen fabrikanten er zorg voor dat de afnemers van producten in een door hen geschikt geachte vorm worden geïnformeerd over:

a) 

de rol die zij kunnen spelen bij een duurzaam gebruik van het product, en

b) 

het ecologische profiel van het product en de voordelen van een ecologisch ontwerp, voor zover de uitvoeringsmaatregelen zulks vereisen.

Artikel 15 Uitvoeringsmaatregelen
Artikel 16 Werkprogramma
Artikel 17 Zelfregulering

Artikel 17

Zelfregulering

Vrijwillige overeenkomsten of andere zelfreguleringsmaatregelen die als alternatieven voor uitvoeringsmaatregelen in het kader van deze richtlijn worden gepresenteerd, worden ten minste op basis van bijlage VIII beoordeeld.

Artikel 18 Overlegforum

Artikel 18

Overlegforum

De Commissie draagt er zorg voor dat zij bij de uitvoering van haar activiteiten ten aanzien van iedere uitvoeringsmaatregel oog heeft voor een evenwichtige deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten en alle belanghebbende partijen van dat product of die productgroep zoals het bedrijfsleven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de ambachtelijke industrie, handelaars, kleinhandelaars, importeurs, milieuorganisaties en consumentenorganisaties. Zij dragen met name bij tot de vaststelling en herziening van uitvoeringsmaatregelen, de beoordeling van de doeltreffendheid van de gevestigde markttoezichtmechanismen en de evaluatie van vrijwillige overeenkomsten en andere zelfreguleringsmaatregelen. Deze partijen komen bijeen in een overlegforum. De Commissie stelt het reglement van orde van het forum vast.

Artikel 19 Comité
Artikel 20 Sancties

Artikel 20

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast die gelden voor inbreuken op de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, rekening houdend met de mate van niet-naleving en de hoeveelheden niet-conforme producten die ►C1  in ◄ de communautaire ►C1  handel ◄ werden ►C1  gebracht ◄ . De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 20 november 2010 in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van elke latere wijziging van die bepalingen.

Artikel 21 Toetsing

Artikel 21

Toetsing

Uiterlijk in 2012 evalueert de Commissie de doeltreffendheid van deze richtlijn en de uitvoeringsmaatregelen ervan, met inbegrip van onder meer:

a) 

de methode voor de vaststelling en het bereik van significante milieuparameters, zoals hulpbronnenefficiëntie, waarbij de hele levenscyclus van producten in aanmerking wordt genomen;

b) 

de drempel voor uitvoeringsmaatregelen;

c) 

markttoezichtmechanismen, en

d) 

elke gestimuleerde vorm van zelfregulering.

Naar aanleiding van deze toetsing, en in het bijzonder op grond van de ervaring met de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze richtlijn, beoordeelt de Commissie, na raadpleging van het in artikel 18 genoemde overlegforum, of het wenselijk is het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot niet-energiegerelateerde producten, teneinde een significante vermindering van de milieueffecten ervan gedurende de hele levenscyclus van die producten te verwezenlijken, en legt zij zo nodig aan het Europees Parlement en de Raad voorstellen tot wijziging voor.

Artikel 22 Vertrouwelijkheid

Artikel 22

Vertrouwelijkheid

De in artikel 11 en in bijlage I, deel 2, genoemde voorschriften betreffende informatieverstrekking door de fabrikant en/of zijn gevolmachtigde zijn evenredig en houden rekening met de rechtmatige geheimhouding van commercieel gevoelige gegevens.

Artikel 23 Omzetting
Artikel 24 Intrekking

Artikel 24

Intrekking

Richtlijn 2005/32/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IX, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage X.

Artikel 25 Inwerkingtreding

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 26 Adressaten

Artikel 26

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I




BIJLAGE I

Methode voor het vaststellen van generieke eisen inzake ecologisch ontwerp

(zoals bedoeld in artikel 15, lid 6)

Generieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp hebben tot doel de milieuprestatie van het product te verbeteren; zij zijn gericht op de significante milieuaspecten ervan en stellen geen grenswaarden vast. De in deze bijlage bedoelde methode wordt toegepast wanneer het niet passend is grenswaarden voor de beoogde productgroep vast te stellen. Bij de opstelling van ontwerpmaatregelen die moeten worden voorgelegd aan het comité zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, bepaalt de Commissie welke significante milieuaspecten in de uitvoeringsmaatregelen moeten worden gespecificeerd.

Bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen waarin overeenkomstig artikel 15 generieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp worden vastgesteld, bepaalt de Commissie, voor zover nodig voor het product waarop de uitvoeringsmaatregel van toepassing is, welke van de in deel 1 vermelde parameters voor ecologisch ontwerp, welke van de in deel 2 vermelde voorschriften inzake informatieverstrekking en welke van de in deel 3 vermelde voorschriften voor de fabrikant van toepassing zijn.

Deel 1.    Parameters voor ecologisch ontwerp voor producten

1.1. Bij de vaststelling van de significante milieuaspecten worden de volgende fasen in de levenscyclus van het product in aanmerking genomen voor zover zij betrekking hebben op het productontwerp:

a) 

selectie en gebruik van grondstoffen;

b) 

fabricage;

c) 

verpakking, transport en distributie;

d) 

installatie en onderhoud;

e) 

gebruik, en

f) 

einde van de levensduur, met andere woorden, de toestand van een product dat aan het einde van zijn eerste gebruiksmogelijkheid is gekomen tot aan zijn definitieve verwijdering.

1.2. Voor elke fase worden in voorkomend geval de volgende milieuaspecten beoordeeld:

a) 

voorspeld verbruik van materialen, energie en andere hulpbronnen zoals drinkwater;

b) 

verwachte lucht-, water- of bodememissies;

c) 

verwachte verontreiniging door fysische effecten zoals geluid, trillingen, straling of elektromagnetische velden;

d) 

verwachte productie van afvalstoffen, en

e) 

mogelijkheden voor hergebruik, recycling en terugwinning van materialen en/of energie, rekening houdend met Richtlijn 2002/96/EG.

1.3. Met name de volgende parameters moeten, waar van toepassing en zo nodig aangevuld met andere, worden gebruikt voor het beoordelen van het potentieel voor verbetering betreffende de in punt 1.2 bedoelde milieuaspecten:

a) 

gewicht en omvang van het product;

b) 

gebruik van materialen afkomstig van recyclingactiviteiten;

c) 

verbruik van energie, water en andere hulpbronnen over de gehele levenscyclus;

d) 

gebruik van stoffen die als gevaarlijk voor de gezondheid en/of het milieu zijn ingedeeld overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen ( 5 ) en rekening houdend met de wetgeving inzake het in de handel brengen en het gebruik van specifieke stoffen, zoals Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten ( 6 ) of Richtlijn 2002/95/EG;

e) 

hoeveelheid en aard van de verbruiksgoederen die nodig zijn voor correct gebruik en onderhoud;

f) 

gemak waarmee hergebruik en recycling plaatsvinden, af te meten aan: aantal gebruikte materialen en componenten, gebruik van standaardcomponenten, voor demontage benodigde tijd, complexiteit van de voor demontage benodigde gereedschappen, gebruik van standaardcodering voor componenten en materialen met het oog op de identificatie van voor hergebruik en recycling geschikte componenten en materialen (inclusief ISO-markering van kunststofonderdelen), gebruik van gemakkelijk recycleerbare materialen, gemakkelijke toegang tot waardevolle en andere recycleerbare componenten en materialen, gemakkelijke toegang tot componenten en materialen die gevaarlijke stoffen bevatten;

g) 

inbouw van gebruikte componenten;

h) 

niet-toepassing van technische oplossingen die nadelig zijn voor hergebruik en recycling van componenten en gehele apparaten;

i) 

verlenging van de levensduur, af te meten aan: gegarandeerde minimumlevensduur, minimumtermijn voor de beschikbaarheid van reserveonderdelen, modulariteit, mogelijkheid tot upgraden, repareerbaarheid;

j) 

hoeveelheden geproduceerde afvalstoffen en hoeveelheden geproduceerde gevaarlijke afvalstoffen;

k) 

luchtemissies (broeikasgassen, verzurende stoffen, vluchtige organische verbindingen, stoffen die de ozonlaag aantasten, persistente organische verontreinigende stoffen, zware metalen, fijne vaste deeltjes en zwevende vaste deeltjes), onverminderd Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines ( 7 );

l) 

wateremissies (zware metalen, stoffen met een ongunstig effect op de zuurstofbalans, persistente organische verontreinigende stoffen), en

m) 

bodememissies (vooral lekkages van gevaarlijke stoffen tijdens de gebruiksfase van producten, en het risico van uitspoeling bij verwijdering als afval).

Deel 2.    Voorschriften betreffende informatieverstrekking

In de uitvoeringsmaatregelen kan worden verlangd dat door de fabrikant informatie wordt verstrekt die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop het product door andere partijen dan de fabrikant wordt behandeld, gebruikt of gerecycleerd, waaronder, in voorkomend geval:

a) 

informatie van de ontwerper over het fabricageproces;

b) 

informatie voor de consument over de significante milieukenmerken en -prestaties van een product, te voegen bij het product wanneer het ►C1  in de handel ◄ wordt ►C1  gebracht ◄ , zodat de consument deze aspecten van de producten kan vergelijken;

c) 

informatie voor de consument over de installatie, het gebruik en het onderhoud van het product teneinde de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken en te zorgen voor een optimale levensduur, alsmede over het terugbrengen van het product aan het einde van de levensduur en waar nodig informatie over de termijn voor de beschikbaarheid van reserveonderdelen en de mogelijkheid tot upgraden van de producten, en

d) 

informatie voor afvalbehandelingscentra betreffende de demontage, recycling of verwijdering aan het einde van de levensduur.

Voor zover mogelijk moet de informatie op het product zelf te vinden zijn.

Bij deze informatieverstrekking wordt rekening gehouden met verplichtingen op grond van andere communautaire wetgeving, zoals Richtlijn 2002/96/EG.

Deel 3.    Voorschriften voor de fabrikant

1. Voor de benadering van de milieuaspecten die in de uitvoeringsmaatregelen als sterk beïnvloedbaar door het productontwerp zijn aangemerkt, moeten de fabrikanten van producten een beoordeling maken van het productmodel over de gehele levenscyclus op basis van realistische veronderstellingen ten aanzien van de normale omstandigheden waaronder en de doeleinden waarvoor het wordt gebruikt. Andere milieuaspecten kunnen op vrijwillige basis worden onderzocht.

Op basis van die beoordeling stellen de fabrikanten het ecologische profiel van het product op. Dit wordt gebaseerd op uit milieuoogpunt relevante productkenmerken en over de gehele levenscyclus van het product plaatsvindende inputs/outputs die in meetbare fysische grootheden worden uitgedrukt.

2. De fabrikant gebruikt deze beoordeling om alternatieve ontwerpen en de bereikte milieuprestaties van het product te evalueren aan de hand van „benchmarks”.

Deze „benchmarks” worden door de Commissie in de uitvoeringsmaatregel vastgesteld op basis van de tijdens de uitwerking van de maatregel vergaarde informatie.

Bij de keuze van een specifieke ontwerpoplossing moet een redelijk evenwicht worden bereikt tussen de verschillende milieuaspecten en tussen milieuaspecten en andere relevante overwegingen, zoals veiligheid en gezondheid, technische eisen inzake functionaliteit, kwaliteit en prestaties, en economische aspecten, inclusief productiekosten en verkoopbaarheid, terwijl alle relevante wetgeving moet worden nageleefd.

BIJLAGE II




BIJLAGE II

Methode voor het bepalen van specifieke eisen inzake ecologisch ontwerp

(zoals bedoeld in artikel 15, lid 6)

Specifieke eisen inzake ecologisch ontwerp hebben tot doel een bepaald milieuaspect van het product te verbeteren. Zij kunnen de vorm aannemen van eisen voor een lager verbruik van een bepaalde hulpbron, zoals limieten voor het gebruik van die hulpbron in de verschillende stadia van de levenscyclus van het product, waar van toepassing (bijvoorbeeld limieten voor het waterverbruik tijdens de gebruiksfase of voor de hoeveelheden van een bepaald materiaal, die in het product worden verwerkt, of minimaal vereiste hoeveelheden gerecycleerd materiaal).

Bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen waarin overeenkomstig artikel 15 specifieke eisen inzake ecologisch ontwerp worden vastgesteld, bepaalt de Commissie in voorkomend geval voor de onder de uitvoeringsmaatregel vallende producten welke van de paramaters inzake ecologisch ontwerp uit de lijst in bijlage I, deel 1, van toepassing zijn en bepaalt zij als volgt de niveaus van deze eisen overeenkomstig de regelgevingsprocedure bedoeld in artikel 19, lid 2:

1. 

Door middel van een technische, milieutechnische en economische analyse wordt een aantal in de handel zijnde representatieve modellen van het product in kwestie geselecteerd en wordt vastgesteld welke technische opties er zijn om de milieuprestaties van het product te verbeteren, waarbij rekening wordt gehouden met de economische haalbaarheid van de opties en wordt vermeden dat de prestaties of het nut voor de consument significant afnemen.

Door middel van de technische, economische en milieuanalyse zal ook worden vastgesteld welke van de op de markt beschikbare producten en technologieën voor de betreffende milieuaspecten de beste prestaties leveren.

Gedurende de analyse en bij het vaststellen van de eisen moet rekening worden gehouden met de prestaties van producten die beschikbaar zijn op internationale markten en met referentiepunten die zijn vastgesteld in de wetgeving van andere landen.

Op basis van deze analyse en rekening houdend met de economische en technische uitvoerbaarheid alsmede met het potentieel voor verbetering worden concrete maatregelen genomen teneinde het milieueffect van het product zo gering mogelijk te maken.

Met betrekking tot het energieverbruik tijdens het gebruik wordt de energie-efficiëntie of het energieverbruik voor representatieve productmodellen zo vastgesteld dat de levenscycluskosten voor de eindgebruikers zo laag mogelijk zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van andere milieuaspecten. De methode voor de levenscycluskostenanalyse gaat uit van een reële discontovoet op basis van door de Europese Centrale Bank verstrekte gegevens, en van een realistische levensduur van het product; zij wordt gebaseerd op de som van de variaties in aankoopprijs (die voortvloeien uit de variaties in industriële kosten) en in gebruikskosten, die het resultaat zijn van de verschillende niveaus van opties voor technische verbetering, verdisconteerd over de levensduur van de in beschouwing genomen representatieve productmodellen. De gebruikskosten zijn voornamelijk het energieverbruik en de extra kosten van andere hulpbronnen, zoals water of wasmiddel.

Er wordt een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd betreffende de relevante elementen, zoals de prijs van energie of andere hulpbronnen, de kosten van grondstoffen of de productiekosten, kortingen, en, waar dit zinvol is, het in aanmerking nemen van externe milieukosten, inclusief vermeden emissies van broeikasgassen, om na te gaan of er significante veranderingen zijn en of de algemene conclusies solide zijn. De eis wordt dienovereenkomstig aangepast.

Een soortgelijke methodologie kan voor andere hulpbronnen zoals water worden toegepast.

2. 

Voor de ontwikkeling van de technische, milieutechnische en economische analyses kan gebruik worden gemaakt van informatie die beschikbaar is in het kader van andere communautaire activiteiten.

Dat geldt ook voor informatie die wordt verkregen via bestaande programma’s die in andere delen van de wereld worden toegepast voor het vaststellen van specifieke voorschriften inzake ecologisch ontwerp voor producten die met de economische partners van de Europese Unie worden verhandeld.

3. 

Bij de bepaling van de datum van inwerkingtreding van de eis wordt rekening gehouden met de herontwerpcyclus voor het product.

BIJLAGE III




BIJLAGE III

CE-markering

(zoals bedoeld in artikel 5, lid 2)

image

De CE-markering moet minimaal 5 mm hoog zijn. Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de verhoudingen van de bovenstaande rastertekening in acht worden genomen.

De CE-markering moet op het product worden aangebracht. Indien dit niet mogelijk is, moet zij op de verpakking en de begeleidende documenten worden aangebracht.

BIJLAGE IV




BIJLAGE IV

Interne ontwerpcontrole

(zoals bedoeld in artikel 8, lid 2)

1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant of zijn gevolmachtigde die zich van de in punt 2 vastgestelde verplichtingen kwijt, garandeert en verklaart dat het product aan de relevante voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet. De EG-verklaring van overeenstemming kan op één of meer producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden bewaard.

2. Er wordt door de fabrikant een technisch documentatiedossier opgesteld aan de hand waarvan de overeenstemming van het product met de eisen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel kan worden beoordeeld.

De documentatie bevat met name de volgende elementen:

a) 

een algemene beschrijving van het product en van het beoogde gebruik;

b) 

de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde milieubeoordelingsstudies en/of verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudy's die door de fabrikant bij het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden gebruikt;

c) 

het ecologische profiel, indien vereist krachtens de uitvoeringsmaatregel;

d) 

elementen van de productontwerpspecificatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product;

e) 

een lijst van de ter zake doende normen zoals bedoeld in artikel 10, die volledig of gedeeltelijk worden toegepast, en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel te voldoen wanneer de in artikel 10 bedoelde normen niet zijn toegepast of wanneer deze normen de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel niet volledig dekken;

f) 

een exemplaar van de informatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product, die overeenkomstig de in bijlage I, deel 2, gespecificeerde voorschriften wordt verstrekt, en

g) 

de resultaten van metingen die in verband met de eisen inzake ecologisch ontwerp zijn uitgevoerd, met inbegrip van gegevens betreffende de overeenstemming van deze metingen met de eisen inzake ecologisch ontwerp die in de toepasselijke uitvoeringsmaatregel zijn vastgesteld.

3. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het product wordt vervaardigd overeenkomstig de in punt 2 bedoelde ontwerpspecificaties en de op het product toepasselijke eisen van de maatregel.

BIJLAGE V




BIJLAGE V

Beheersysteem voor de overeenstemmingsbeoordeling

(zoals bedoeld in artikel 8, lid 2)

1.

In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant die zich van de in punt 2 vastgestelde verplichtingen kwijt, garandeert en verklaart dat het product aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet. De EG-verklaring van overeenstemming kan op één of meer producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden bewaard.

2.

Voor de overeenstemmingsbeoordeling van het product kan een beheerssysteem worden gebruikt, mits de fabrikant de in punt 3 opgesomde milieuelementen implementeert.

3.

Milieuelementen van het beheersysteem

In dit punt worden de elementen van een beheersysteem opgesomd alsmede de procedures aan de hand waarvan de fabrikant kan aantonen dat het product aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet.

3.1.   Het beleid inzake de milieuprestaties van producten

De fabrikant moet kunnen aantonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel. De fabrikant moet tevens kunnen voorzien in een kader voor het bepalen en herzien van doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van producten met het oog op de verbetering van de algehele milieuprestaties van producten.

Alle door de fabrikant getroffen voorzieningen om de algehele milieuprestaties van het product te verbeteren en het ecologische profiel van het product vast te stellen, indien de uitvoeringsmaatregel dit vereist, via ontwerp en fabricage, moeten op systematische en geordende wijze worden gedocumenteerd in de vorm van schriftelijke procedures en instructies.

Deze procedures en instructies moeten met name een adequate beschrijving bevatten van:

a) 

de lijst van documenten die moeten worden opgesteld om de overeenstemming van het product aan te tonen en die in voorkomend geval beschikbaar moeten worden gesteld;

b) 

de doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, de organisatiestructuur, de verantwoordelijkheden, de bevoegdheden van het management en de toewijzing van middelen met betrekking tot de stelselmatige toepassing ervan;

c) 

de na de fabricage uit te voeren controles en tests om de productprestaties aan de milieuprestatie-indicatoren te toetsen;

d) 

de procedures om de voorgeschreven documentatie te controleren en ervoor te zorgen dat deze wordt bijgewerkt, en

e) 

de methode om de toepassing en de doeltreffendheid van de milieuelementen van het beheersysteem te verifiëren.

3.2.   Planning

De fabrikant draagt zorg voor de vaststelling en handhaving van:

a) 

procedures voor het vaststellen van het ecologische profiel van het product;

b) 

doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, waarbij, rekening houdend met technische en economische eisen, technologische opties in beschouwing worden genomen, en

c) 

een programma om deze doelstellingen te verwezenlijken.

3.3.   Uitvoering en documentatie

3.3.1. De documentatie betreffende het beheersysteem voldoet met name aan het volgende:

a) 

verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden vastgelegd en gedocumenteerd teneinde ervoor te zorgen dat de producten effectieve milieuprestaties leveren en dat over de werking van het systeem verslag wordt uitgebracht met het oog op evaluatie en verbetering;

b) 

er worden documenten opgesteld waarin de toegepaste ontwerpcontrole en verificatietechnieken en de bij het ontwerp van het product toegepaste processen en vaste procedures worden beschreven, en

c) 

de fabrikant zorgt voor de opstelling en het bijhouden van informatie ter beschrijving van de essentiële milieuelementen van het beheersysteem en de procedures voor het controleren van alle vereiste documenten.

3.3.2. De documentatie betreffende het product omvat met name het volgende:

a) 

een algemene beschrijving van het product en van het beoogde gebruik;

b) 

de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde milieubeoordelingsstudies en/of verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudy's die door de fabrikant bij het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden gebruikt;

c) 

het ecologische profiel, voor zover de uitvoeringsmaatregel zulks vereist;

d) 

documenten waarin de resultaten worden beschreven van metingen die in verband met de eisen inzake ecologisch ontwerp zijn uitgevoerd, met inbegrip van gegevens betreffende de overeenstemming van deze metingen met de in de toepasselijke uitvoeringsmaatregel gestelde eisen inzake ecologisch ontwerp;

e) 

de fabrikant stelt specificaties op waarin met name wordt opgegeven welke normen werden toegepast, alsmede waar de in artikel 10 bedoelde normen niet worden toegepast of waar deze de eisen van de relevante uitvoeringsmaatregel niet volledig dekken, en welke middelen werden gebruikt om de naleving te garanderen, en

f) 

een exemplaar van de informatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product, die overeenkomstig de in bijlage I, deel 2, gespecificeerde voorschriften wordt verstrekt.

3.4.   Controle en corrigerende maatregelen

3.4.1. De fabrikant:

a) 

neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het product wordt vervaardigd overeenkomstig de ontwerpspecificaties en de op het product toepasselijke eisen van de maatregel;

b) 

zorgt ervoor dat er procedures worden ingesteld en nageleefd om gevallen van niet-overeenstemming te onderzoeken en te corrigeren en om uit corrigerende maatregelen voortvloeiende wijzigingen van de procedurevoorschriften in praktijk te brengen, en

c) 

voert ten minste om de drie jaar een volledige interne audit van de milieuelementen van het beheersysteem uit.

BIJLAGE VI




BIJLAGE VI

EG-verklaring van overeenstemming

(zoals bedoeld in artikel 5, lid 3)

De EG-verklaring van overeenstemming moet de volgende elementen bevatten:

1. 

Naam en adres van de fabrikant of zijn gevolmachtigde;

2. 

Een voldoende nauwkeurige beschrijving van het model om dit op ondubbelzinnige wijze te kunnen identificeren;

3. 

In voorkomend geval, de referenties van de toegepaste geharmoniseerde normen;

4. 

In voorkomend geval, de overige gebruikte technische normen en specificaties;

5. 

In voorkomend geval, de referentie van andere toegepaste communautaire wetgeving die voorziet in de aanbrenging van de CE-markering, en

6. 

Identiteit en handtekening van de persoon die bevoegd is om de fabrikant of zijn gevolmachtigde te binden.

BIJLAGE VII




BIJLAGE VII

Inhoud van de uitvoeringsmaatregelen

(zoals bedoeld in artikel 15, lid 8)

De uitvoeringsmaatregel moet met name het volgende specificeren:

1. 

De nauwkeurige omschrijving van het type of de typen product waarop de maatregel betrekking heeft;

2. 

Alle eisen inzake ecologische ontwerp voor het product in kwestie, de toepassingsdatum/-data, eventuele gefaseerde maatregelen of overgangsmaatregelen of -termijnen;

a) 

in het geval van één of meer generieke eisen inzake ecologisch ontwerp wordt aangegeven welke fasen en aspecten van bijlage I, punten 1.1 en 1.2, van toepassing zijn, en welke parameters van bijlage I, punt 1.3, als voorbeeld kunnen dienen bij de beoordeling van verbeteringen met betrekking tot specifieke milieuaspecten;

b) 

in het geval van (een) specifieke eis(en) inzake ecologisch ontwerp: het niveau ervan;

3. 

De in bijlage I, deel 1, bedoelde paramaters inzake ecologisch ontwerp ten aanzien waarvan geen eisen inzake ecologisch ontwerp gelden;

4. 

De eisen betreffende de installatie van het product wanneer dit direct relevant is voor de milieuprestatie in kwestie;

5. 

De toe te passen meetnormen en/of meetmethoden; indien beschikbaar moeten geharmoniseerde normen worden toegepast waarvan het referentienummer in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt;

6. 

De gegevens voor de overeenstemmingsbeoordeling overeenkomstig Besluit 93/465/EEG:

a) 

bij toepassing van (een) andere module(s) dan module A: de factoren die tot de selectie van die specifieke procedure hebben geleid;

b) 

indien van toepassing: de criteria voor de goedkeuring en/of certificering van derden.

Wanneer in andere EG-voorschriften voor hetzelfde product andere modules zijn vastgesteld, heeft de in de uitvoeringsmaatregel bepaalde module voorrang voor de desbetreffende eis;

7. 

Voorschriften betreffende de informatie die door de fabrikanten moet worden verstrekt, met name betreffende de elementen van de technische documentatie die nodig zijn ter vergemakkelijking van de beantwoording van de vraag of het product voldoet aan de uitvoeringsmaatregel;

8. 

De duur van de overgangsperiode gedurende welke de lidstaten moeten toestaan dat producten ►C1  in de handel ◄ worden ►C1  gebracht ◄ en/of in gebruik worden genomen die voldoen aan de voorschriften die op de datum van goedkeuring van de uitvoeringsmaatregel op hun grondgebied van kracht zijn;

9. 

De datum voor de evaluatie en de eventuele herziening van de uitvoeringsmaatregel, rekening houdend met de snelheid van de technologische vooruitgang.

BIJLAGE VIII




BIJLAGE VIII

Zelfregulering

(zoals bedoeld in artikel 17)

Naast de wettelijke basisvereiste dat zelfreguleringsinitiatieven moeten voldoen aan alle bepalingen van het EG-Verdrag (met name die betreffende interne markt en mededingingsregels), alsmede aan de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met inbegrip van de multilaterale handelsregels, kan de volgende niet-uitputtende lijst van indicatieve criteria worden gebruikt ter beoordeling van de toelaatbaarheid van zelfreguleringsinitiatieven als alternatief voor een uitvoeringsmaatregel in het kader van deze richtlijn:

1.    Openstelling voor deelname

Zelfreguleringsinitiatieven moeten zowel in de voorbereidings- als in de uitvoeringsfase voor deelname door exploitanten uit derde landen openstaan.

2.    Toegevoegde waarde

Zelfreguleringsinitiatieven moeten een toegevoegde waarde (meer dan „business as usual”) opleveren in termen van de algehele milieuprestaties van het desbetreffende product.

3.    Representativiteit

Bedrijven en hun samenwerkingsverbanden die aan een zelfreguleringsmaatregel deelnemen, moeten representatief zijn voor verreweg het grootste deel van de desbetreffende economische sector, met een zo gering mogelijk aantal uitzonderingen. Er moet voor worden gezorgd dat de mededingingsregels in acht worden genomen.

4.    Gekwantificeerde en gefaseerde doelstellingen

De door de belanghebbenden vastgestelde doelstellingen moeten op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze, uitgaande van een vastomlijnd referentiekader, zijn geformuleerd. Indien het zelfreguleringsinitiatief een lange looptijd heeft, moeten er tussentijdse streefwaarden in worden opgenomen. Het moet mogelijk zijn op basis van duidelijke en betrouwbare indicatoren op betaalbare en geloofwaardige wijze na te gaan in hoeverre de doelstellingen en (tussentijdse) streefwaarden in acht worden genomen. De ontwikkeling van deze indicatoren moet worden vergemakkelijkt door informatie uit onderzoek en wetenschappelijke en technologische achtergrondgegevens.

5.    Betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld

Ter wille van de transparantie moeten alle zelfreguleringsinitiatieven worden gepubliceerd, ook via internet en andere elektronische middelen voor de verspreiding van informatie.

Hetzelfde geldt voor de tussentijdse en eindrapportage over de gemaakte vorderingen. Alle belanghebbenden — het bedrijfsleven, niet-gouvernementele organisaties op het gebied van het milieu en consumentenorganisaties — moeten de mogelijkheid krijgen om commentaar op een zelfreguleringsinitiatief te geven.

6.    Toezicht en verslaglegging

Zelfreguleringsinitiatieven moeten een goed doortimmerd controlesysteem omvatten met duidelijk omlijnde verantwoordelijkheden voor het bedrijfsleven en onafhankelijke verificateurs. Tezamen met de partijen bij het zelfreguleringsinitiatief worden de Commissiediensten verzocht erop toe te zien dat de doelstellingen worden gerealiseerd.

Het plan voor toezicht en rapportage moet gedetailleerd, doorzichtig en objectief zijn. Of de doelstellingen van de vrijwillige overeenkomst of andere zelfreguleringsmaatregelen zijn verwezenlijkt, moet in laatste instantie door de Commissiediensten worden beoordeeld, die daarbij worden bijgestaan door het in artikel 19, lid 1, bedoelde comité.

7.    Kosteneffectiviteit van het beheer van een zelfreguleringsinitiatief

De kosten van het beheer van zelfreguleringsinitiatieven — met name met betrekking tot de controle — mogen, hun doelstellingen in aanmerking genomen en in vergelijking met andere beschikbare beleidsinstrumenten, geen onevenredige administratieve belasting tot gevolg hebben.

8.    Duurzaamheid

Zelfreguleringsinitiatieven moeten verenigbaar zijn met de beleidsdoelstellingen van de richtlijn, met inbegrip van de geïntegreerde aanpak, en moeten aansluiten bij de economische en sociale dimensies van duurzame ontwikkeling. De bescherming van de consument, gezondheid, levenskwaliteit en economische belangen, moeten daarin een volwaardige plaats krijgen.

9.    Beleidsconsistentie

Zelfreguleringsinitiatieven zullen waarschijnlijk niet de beoogde resultaten opleveren indien van andere factoren en stimulansen — marktdruk, fiscale prikkels en wetgeving op nationaal niveau — tegenstrijdige signalen voor de deelnemers aan het zelfreguleringsinitiatief uitgaan. Een consequent beleid is derhalve wat dit betreft van wezenlijk belang en moet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de doeltreffendheid van het initiatief.

BIJLAGE IX




BIJLAGE IX

DEEL A



Ingetrokken richtlijn met een lijst van de opeenvolgende wijzigingen ervan

(zoals bedoeld in artikel 24)

Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 191 van 22.7.2005, blz. 29)

 

Richtlijn 2008/28/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 81 van 20.3.2008, blz. 48)

alleen artikel 1

DEEL B



Lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht

(zoals bedoeld in artikel 24)

Richtlijn

Termijn voor omzetting

2005/32/EG

11 augustus 2007

2008/28/EG

—

BIJLAGE X




BIJLAGE X



Concordantietabel

Richtlijn 2005/32/EG

Deze richtlijn

Artikelen 1 tot en met 20

Artikelen 1 tot en met 20

Artikel 21

—

Artikel 22

—

Artikel 23

Artikel 21

Artikel 24

Artikel 22

Artikel 25

—

—

Artikel 23

—

Artikel 24

Artikel 26

Artikel 25

Artikel 27

Artikel 26

Bijlagen I tot en met VIII

Bijlagen I tot en met VIII

—

Bijlage IX

—

Bijlage X

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis