+GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/676 VAN DE COMMISSIE van 3 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waarop consolidatie in de in artikel 18, leden 3 tot en met 6, en artikel 18, lid 8, van die verordening bedoelde gevallen moet worden uitgevoerd (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+Artikel 1 Definities
------+Artikel 1 1)
------+Artikel 1 2)
------+Artikel 1 3)
------+Artikel 1 4)
------+Artikel 1 5)
---+Artikel 2 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van met elkaar in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU in betrekking staande groepen van ondernemingen
------+Artikel 2 1
------+Artikel 2 2
------+Artikel 2 3
------+Artikel 2 4
------+Artikel 2 5
---+Artikel 3 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van instellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid
------+Artikel 3 1
------+Artikel 3 2
---+Artikel 4 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van deelnemingen in of kapitaalbindingen met instellingen of financiële instellingen niet zijnde die bedoeld in artikel 18, leden 1 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013
------+Artikel 4 1
------+Artikel 4 2
------+Artikel 4 3
------+Artikel 4 4
------+Artikel 4 5
---+Artikel 5 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval een instelling een invloed van betekenis uitoefent op één of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben
------+Artikel 5 1
------+Artikel 5 2
------+Artikel 5 3
------+Artikel 5 4
------+Artikel 5 5
---+Artikel 6 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval twee of meer instellingen of financiële instellingen onder centrale leiding staan zonder dat dit op grond van een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn
------+Artikel 6 1
------+Artikel 6 2
------+Artikel 6 3
------+Artikel 6 4
---+Artikel 7 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval een dochteronderneming of een onderneming waarin een instelling een deelneming heeft, geen instelling, financiële instelling of nevendiensten verrichtende onderneming is
------+Artikel 7 1
------+Artikel 7 2
------+Artikel 7 3
---+Artikel 8 Voorwaarden voor de opname van instrumenten die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de prudentiële consolidatiekring opgenomen ondernemingen, in geconsolideerd tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal
------+Artikel 8 1
------+Artikel 8 2
------+Artikel 8 3
------+Artikel 8 4
------+Artikel 8 5
---+Artikel 9 Inwerkingtreding
English - European Union - Financial Industry - Banking -

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/676 VAN DE COMMISSIE van 3 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waarop consolidatie in de in artikel 18, leden 3 tot en met 6, en artikel 18, lid 8, van die verordening bedoelde gevallen moet worden uitgevoerd (Voor de EER relevante tekst)

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/676 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2021

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waarop consolidatie in de in artikel 18, leden 3 tot en met 6, en artikel 18, lid 8, van die verordening bedoelde gevallen moet worden uitgevoerd

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 18, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreft gevallen van prudentiële consolidatie van groepen van ondernemingen die in verhouding staan zoals beschreven in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (2), indien er geen moeder-dochter-verhouding bestaat. In dergelijke gevallen moet worden bepaald op het niveau van welke entiteit de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 op geconsolideerde basis moeten worden toegepast. Daarnaast moet in die gevallen de geschiktste methode voor prudentiële consolidatie de in artikel 22, leden 8 en 9, van Richtlijn 2013/34/EU beschreven methode (“aggregatiemethode”) zijn overeenkomstig de in die richtlijn bepaalde voorschriften.

(2)

In het geval van deelnemingen in instellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid, is, wanneer overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 proportionele consolidatie vereist is, de unanieme instemming van die ondernemingen met de beslissingen over de relevante activiteiten van de instelling of financiële instelling vereist voor de toepassing van de in die bepaling bedoelde methode van prudentiële consolidatie overeenkomstig de definitie van gezamenlijke overeenkomsten die is vastgelegd in de internationale normen voor jaarrekeningen zoals die van toepassing zijn op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (3).

(3)

Artikel 18, lid 6, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreft de door toezichthouders te bepalen vereisten voor prudentiële consolidatie in het geval van een invloed van betekenis op één of meer instellingen of financiële instellingen, zonder deelneming of andere vormen van kapitaalbinding, en ingeval die instellingen of financiële instellingen onder centrale leiding zijn gesteld zonder dat dit op grond van een overeenkomst, de statuten of een bepaling in de statuten is vastgelegd. Om te bepalen of er sprake is van een situatie van invloed van betekenis, moeten bevoegde autoriteiten rekening houden met diverse indicatoren van invloed van betekenis. Daarnaast kan er alleen van een situatie van centrale leiding worden gesproken indien de bevoegde autoriteit over concrete bewijzen beschikt dat er een daadwerkelijke coördinatie is van het financiële en operationele beleid van die instellingen of financiële instellingen.

(4)

Het Bazelse Comité van bankentoezichthouders (“BCBS”) heeft “Guidelines on the identification and management of step-in risk” (4) bekendgemaakt, die diverse indicatoren bevatten die instellingen moeten gebruiken om te bepalen welke entiteiten aanleiding kunnen geven tot step-in-risico. Een “step-in-risico” is volgens deze BCBS-richtsnoeren het risico dat een instelling beslist om financiële steun te geven aan een niet-geconsolideerde entiteit niet zijnde een volledig of proportioneel geconsolideerde entiteit die zich in een stresssituatie bevindt, in afwezigheid van of bovenop contractuele verplichtingen om dat soort steun te verlenen. Volgens de BCBS-richtsnoeren moet een instelling, indien zij een aanzienlijk step-in-risico onderkent, de op basis van de aard en omvang van de verwachte step-in-steun voor elk geval passende maatregelen bepalen. Die maatregelen omvatten onder meer de opname van de betrokken entiteiten in de wettelijke consolidatiekring. In lijn met de BCBS-richtsnoeren moeten instellingen en bevoegde autoriteiten diverse indicatoren nagaan voordat zij concluderen of bepaalde ondernemingen volledig of proportioneel moeten worden geconsolideerd overeenkomstig artikel 18, lid 5, artikel 18, lid 6, punt a), of artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, al naar gelang, om rekening te houden met het step-in-risico dat deze ondernemingen voor een instelling kunnen inhouden. Niettemin moeten instellingen ook alternatieve maatregelen overwegen om het step-in-risico tegen te gaan in het kader van hun procedures voor risicobeheer en interne beoordelingsprocedure inzake de kapitaaltoereikendheid (ICAAP). Daarnaast kunnen bevoegde autoriteiten andere maatregelen overwegen om het potentiële risico dat die ondernemingen vormen, aan te pakken in het kader van de procedure voor prudentiële toetsing en evaluatie (SREP). In het kader van het raamwerk voor grote blootstellingen heeft de Europese Bankautoriteit (EBA) ook richtsnoeren gepubliceerd voor limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten (5). In die richtsnoeren is de methodiek vastgesteld die instellingen moeten hanteren om, in het kader van hun interne procedures, limieten vast te leggen voor hun individuele en geaggregeerde blootstellingen aan schaduwbankentiteiten.

(5)

Meer bepaald moet, voor het beantwoorden van de vraag of volledige of proportionele consolidatie overeenkomstig artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereist is in het geval van dochterondernemingen of ondernemingen waarin een instelling een deelneming heeft, indien die dochteronderneming of onderneming geen instelling, financiële instelling of nevendiensten verrichtende onderneming is, en indien er een aanzienlijk step-in-risico is en mits de onderneming onder meer geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding is, van bevoegde autoriteiten worden verwacht dat zij ten minste bepaalde categorieën ondernemingen onderzoeken zoals special purpose entities die niet kwalificeren als special purpose entities voor securitisatiedoeleinden (SSPE’s) in de zin van artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad (6), waarvoor de in artikel 244 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde voorwaarden voor de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico van toepassing is, alsmede ondernemingen die in artikel 89, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uitoefenen.

(6)

Om de coherentie te garanderen met het eigenvermogensraamwerk dat op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgesteld en om te vermijden dat onterechte gunstige kapitaalbehandelingen worden toegekend in die gevallen waarin overeenkomstig artikel 18, leden 3 tot en met 6, of artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 consolidatie vereist is, moet de opname in het geconsolideerde eigen vermogen van bedragen aan tier 1-kernkapitaalbestanddelen en aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaalinstrumenten die door de in prudentiële consolidatiekring opgenomen ondernemingen zijn uitgegeven en eigendom zijn van personen niet zijnde die ondernemingen, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ook worden gebaseerd op de artikelen 81 tot en met 88 van die verordening.

(7)

Deze verordening is gebaseerd op het ontwerp van technische reguleringsnormen dat de EBA bij de Commissie heeft ingediend.

(8)

De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over het ontwerp van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte Stakeholdersgroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Artikel 2 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van met elkaar in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU in betrekking staande groepen van ondernemingen
Artikel 3 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van instellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid
Artikel 4 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd in het geval van deelnemingen in of kapitaalbindingen met instellingen of financiële instellingen niet zijnde die bedoeld in artikel 18, leden 1 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013
Artikel 5 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval een instelling een invloed van betekenis uitoefent op één of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben
Artikel 6 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval twee of meer instellingen of financiële instellingen onder centrale leiding staan zonder dat dit op grond van een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn
Artikel 7 Voorwaarden waaronder de consolidatie moet worden uitgevoerd ingeval een dochteronderneming of een onderneming waarin een instelling een deelneming heeft, geen instelling, financiële instelling of nevendiensten verrichtende onderneming is
Artikel 8 Voorwaarden voor de opname van instrumenten die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de prudentiële consolidatiekring opgenomen ondernemingen, in geconsolideerd tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal
Artikel 9 Inwerkingtreding

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(3)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(4)  Guidelines of the Basel Committee on Banking Supervision on the identification and management of step-in risk, Bazel, oktober 2017.

(5)  EBA, Richtsnoeren — Limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten, krachtens artikel 395, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, 3 juni 2016, EBA/GL/2015/20.

(6)  Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).

(7)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(8)  Verordening (EU) nr. 1254/2012 van de Commissie van 11 december 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de invoeging van International Financial Reporting Standard 10, International Financial Reporting Standard 11, International Financial Reporting Standard 12, International Accounting Standard 27 (2011) en International Accounting Standard 28 (2011) (PB L 360 van 29.12.2012, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis