+Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels
---+Preamble: 1
---+Artikel 1
------+Artikel 1 1
------+Artikel 1 2
------+Artikel 1 3
------+Artikel 1 4
------+Artikel 1 5
------+Artikel 1 6
------+Artikel 1 7
---+Artikel 2
------+Artikel 2 1
------+Artikel 2 2
------+Artikel 2 3
------+Artikel 2 4
---+Artikel 3
---+Artikel 4
------+Artikel 4 1
------+Artikel 4 2
------+Artikel 4 3
------+Artikel 4 4
---+Artikel 5
------+Artikel 5 1
------+Artikel 5 2
------+Artikel 5 3
------+Artikel 5 4
---+Artikel 6
---+Artikel 7
------+Artikel 7 1
------+Artikel 7 2
---+Artikel 8
------+Artikel 8 1
------+Artikel 8 2
------+Artikel 8 3
---+Artikel 9
------+Artikel 9 1
------+Artikel 9 2
------+Artikel 9 3
---+Artikel 10
------+Artikel 10 1
------+Artikel 10 2
------+Artikel 10 3
---+Artikel 11
------+Artikel 11 1
------+Artikel 11 2
------+Artikel 11 3
---+Artikel 12
---+Artikel 13
---+Artikel 14
---+Artikel 15
------+Artikel 15 1
------+Artikel 15 2
---+Artikel 16
---+Artikel 17
---+Artikel 18
---+BIJLAGE I LIJST VAN DE IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE UITSLUITINGEN
---+BIJLAGE II RICHTSNOEREN bedoeld in artikel 7, lid 1, vijfde alinea
English - European Union - Financial Industry -

Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels

Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels

Gedaan te Brussel, 3 maart 1997.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

J. M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De Voorzitter

M. DE BOER

(1) PB nr. C 321 van 27. 11. 1993, blz. 15, en PB nr. C 382 van 31. 12. 1994, blz. 27.

(2) PB nr. C 127 van 7. 5. 1994, blz. 1.

(3) Advies uitgebracht op 28 juli 1995.

(4) Advies van het Europees Parlement van 19 april 1994 (PB nr. C 128 van 9. 5. 1994, blz. 85), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 oktober 1995 (PB nr. C 320 van 30. 11. 1995, blz. 9) en besluit van het Europees Parlement van 12 maart 1996 (PB nr. C 96 van 1. 4. 1996, blz. 28). Besluit van de Raad van 17 februari 1997 en besluit van het Europees Parlement van 19 februari 1997 (PB nr. C 85 van 17. 3. 1997).

(5) PB nr. L 141 van 11. 6. 1993, blz. 27.

(6) PB nr. L 135 van 31. 5. 1994, blz. 5.

(7) Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB nr. L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG (PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 1).

(8) Tweede Richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB nr. L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52).

(9) PB nr. L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52.

(10) PB nr. L 166 van 28. 6. 1991, blz. 77.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

RICHTLIJN 97/9/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (3),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (4) en gezien de op 18 december 1996 door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst,

(1) Overwegende dat de Raad op 10 mei 1993 Richtlijn 93/22/EEG betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (5) heeft vastgesteld; dat deze richtlijn een essentieel instrument vormt voor de totstandbrenging van de interne markt voor beleggingsondernemingen;

(2) Overwegende dat in Richtlijn 93/22/EEG regels voor het bedrijfseconomische toezicht zijn vastgelegd die beleggingsondernemingen te allen tijde moeten naleven, waaronder regels die tot doel hebben de rechten van beleggers met betrekking tot geld of instrumenten die hun toebehoren, zoveel mogelijk te beschermen;

(3) Overwegende dat evenwel geen enkele vorm van toezicht volledig bescherming kan bieden, in het bijzonder wanneer frauduleuze handelingen plaatsvinden;

(4) Overwegende dat de bescherming van beleggers en het handhaven van het vertrouwen in het financiële stelsel belangrijke aspecten van de voltooiing en de goede werking van de interne markt op dit gebied zijn; dat het daartoe derhalve van essentieel belang is dat er in elke lidstaat een beleggerscompensatiestelsel bestaat, dat althans aan de kleine belegger een geharmoniseerde minimumbescherming biedt ingeval een beleggingsonderneming niet in staat is aan haar verplichtingen jegens de cliënten-beleggers te voldoen;

(5) Overwegende dat kleine beleggers derhalve met evenveel vertrouwen beleggingsdiensten zullen kunnen afnemen van bijkantoren van beleggingsondernemingen uit de Gemeenschap, of in het kader van grensoverschrijdende dienstverrichting, als van binnenlandse beleggingsondernemingen, in de wetenschap dat er een geharmoniseerde minimumbescherming bestaat ingeval een beleggingsonderneming niet in staat is aan haar verplichtingen jegens de cliënten-beleggers te voldoen;

(6) Overwegende dat bij ontstentenis van een dergelijke minimumharmonisatie de lidstaten van ontvangst het ter wille van de bescherming van beleggers gerechtvaardigd kunnen achten deelneming aan het compensatiestelsel in de lidstaat van ontvangst verplicht te stellen voor beleggingsondernemingen uit de andere lidstaten die via een bijkantoor of via het verrichten van diensten werkzaam zijn en die niet deelnemen aan enig beleggerscompensatiestelsel in de lidstaat van herkomst, dan wel deelnemen aan een stelsel dat niet geacht wordt een gelijkwaardige bescherming te bieden; dat een dergelijke verplichting het functioneren van de interne markt nadelig zou kunnen beïnvloeden;

(7) Overwegende dat, hoewel in de meeste lidstaten momenteel beleggerscompensatieregelingen bestaan, het toepassingsgebied van die regelingen in het algemeen niet alle beleggingondernemingen bestrijkt die houder zijn van de in Richtlijn 93/22/EEG bedoelde vergunning;

(8) Overwegende dat alle lidstaten er derhalve toe verplicht moeten worden over een of meer beleggerscompensatiestelsels te beschikken, waaraan wordt deelgenomen door al deze beleggingsondernemingen; dat het stelsel dekking moet verschaffen voor geld of instrumenten die in verband met de beleggingsverrichtingen van een belegger gehouden worden en die, ingeval een beleggingsonderneming niet in staat is aan haar verplichtingen jegens de cliënten-beleggers te voldoen, niet aan de belegger kunnen worden teruggegeven, zulks onverminderd de regels en procedures die in elke lidstaat gelden voor de in geval van insolventie of liquidatie van een beleggingsonderneming te nemen beslissingen;

(9) Overwegende dat onder de definitie van beleggingsonderneming ook kredietinstellingen vallen die vergunning hebben om beleggingsdiensten aan te bieden; dat die kredietinstellingen met betrekking tot hun beleggingsverrichtingen ook aan een beleggerscompensatiestelsel moeten deelnemen; dat evenwel niet hoeft te worden bepaald dat die kredietinstellingen bij twee afzonderlijke stelsels aangesloten moeten zijn, mits één stelsel voldoet aan de vereisten van deze richtlijn en van Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (6); dat het voor beleggingsondernemingen die kredietinstellingen zijn, in sommige gevallen echter moeilijk kan zijn onderscheid te maken tussen deposito's die onder Richtlijn 94/19/EG vallen, en geld dat in verband met beleggingsverrichtingen wordt gehouden; dat de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben zelf te bepalen welke van de twee richtlijnen op dergelijke vorderingen van toepassing is;

(10) Overwegende dat Richtlijn 94/19/EG de lidstaten toestaat kredietinstellingen vrij te stellen van de verplichting aan een depositogarantiestelsel deel te nemen, indien de betrokken kredietinstelling deelneemt aan een stelsel dat de kredietinstelling zelf beschermt en met name haar solvabiliteit waarborgt; dat het de lidstaten, indien een aan een dergelijk stelsel deelnemende kredietinstelling tevens een beleggingsonderneming is, onder bepaalde voorwaarden ook moet worden toegestaan de kredietinstelling vrij te stellen van de verplichting aan een beleggerscompensatiestelsel deel te nemen;

(11) Overwegende dat een geharmoniseerde minimumcompensatie van 20 000 ecu per belegger toereikend moet zijn om de belangen van de kleine belegger te beschermen ingeval een beleggingsonderneming niet in staat is aan haar verplichtingen jegens de cliënten-beleggers te voldoen; dat het derhalve redelijk lijkt het geharmoniseerde minimumniveau van bescherming op 20 000 ecu vast te stellen; dat, zoals in Richtlijn 94/19/EG, beperkte overgangsregelingen nodig kunnen blijken om de compensatiestelsels in staat te stellen dit cijfer in acht te nemen, hetgeen ook geldt voor de lidstaten die op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn niet over een dergelijk stelsel beschikken;

(12) Overwegende dat in Richtlijn 94/19/EG een zelfde bedrag is vastgesteld;

(13) Overwegende dat, om de belegger te stimuleren bij zijn keuze van een beleggingsonderneming de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen, het redelijk is de lidstaten toe te staan de belegger te verplichten een deel van een eventueel verlies te dragen; dat echter het verlies van de belegger voor ten minste 90 % gedekt dient te zijn, zolang de uitgekeerde compensatie niet het communautaire minimum heeft bereikt;

(14) Overwegende dat de stelsels van bepaalde lidstaten momenteel een hogere dekking bieden dan het geharmoniseerde minimumniveau van bescherming van deze richtlijn; dat het echter niet wenselijk lijkt te eisen dat deze stelsels in dit opzicht worden gewijzigd;

(15) Overwegende dat de handhaving in de Gemeenschap van stelsels die een hogere dekking bieden dan het geharmoniseerde minimum, op een zelfde grondgebied kan leiden tot verschillen in compensatie en tot ongelijke mededingingsvoorwaarden tussen beleggingsondernemingen uit het eigen land en bijkantoren van ondernemingen uit andere lidstaten; dat, om deze bezwaren te ondervangen, deelneming van bijkantoren aan het stelsel in de lidstaat van ontvangst dient te worden toegestaan teneinde deze bijkantoren in staat te stellen hun beleggers dezelfde dekking te bieden als die welke geboden wordt door het stelsel van de lidstaat waar zij zijn gevestigd; dat het dienstig is dat de Commissie, in het verslag dat zij over de toepassing van deze richtlijn zal uitbrengen, aangeeft in hoeverre bijkantoren van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt en welke moeilijkheden zij of de compensatiestelsels eventueel bij de implementatie van deze voorschriften hebben ondervonden; dat niet is uitgesloten dat het stelsel van de lidstaat van herkomst zelf een dergelijke aanvullende dekking biedt onder de voorwaarden die dit stelsel heeft vastgesteld;

(16) Overwegende dat marktverstoringen kunnen worden teweeggebracht wanneer in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst gevestigde bijkantoren van bepaalde beleggingsondernemingen hogere dekkingsniveaus verstrekken dan beleggingsondernemingen waaraan in de lidstaat van ontvangst vergunning is verleend; dat het bedrag en de reikwijdte van de door de compensatiestelsels geboden dekking geen mededingingsinstrument mogen worden; dat bijgevolg, althans in een eerste fase, moet worden bepaald dat het bedrag en de reikwijdte van de dekking die door stelsels van een lidstaat van herkomst worden geboden aan beleggers bij bijkantoren in een andere lidstaat, het maximumbedrag en de maximumreikwijdte die door het overeenkomstige stelsel van de lidstaat van ontvangst worden geboden, niet mogen overtreffen; dat vroegtijdig een onderzoek naar eventuele marktverstoringen dient plaats te vinden in het licht van de opgedane ervaring en van de ontwikkelingen in de financiële sector;

(17) Overwegende dat een lidstaat, wanneer hij van oordeel is dat bepaalde categorieën in een limitatieve lijst vermelde beleggingen of beleggers geen bijzondere bescherming behoeven, deze moet kunnen uitsluiten van de dekking die wordt geboden door de beleggerscompensatiestelsels;

(18) Overwegende dat in verscheidene lidstaten beleggerscompensatiestelsels bestaan die onder de verantwoordelijkheid van organisaties van het bedrijfsleven vallen; dat in andere lidstaten stelsels zijn ingesteld en gereglementeerd krachtens een wet; dat deze verscheidenheid qua status slechts een probleem vormt met betrekking tot de verplichte deelname aan en de uitsluiting van het stelsel; dat derhalve bepalingen moeten worden vastgesteld om de bevoegdheden van de stelsels in dit opzicht te beperken;

(19) Overwegende dat de belegger, nadat zijn vordering rechtsgeldig is gebleken, zonder buitensporige vertraging compensatie moet ontvangen; dat het compensatiestelsel zelf een redelijke termijn voor de indiening van de vorderingen moet kunnen vaststellen; dat het verstrijken van die termijn evenwel niet mag worden tegengeworpen aan een belegger die om een geldige reden niet in staat is geweest zijn vordering tijdig in te dienen;

(20) Overwegende dat de voorlichting van de belegger over de compensatieregeling een wezenlijk onderdeel van diens bescherming vormt; dat artikel 12 van Richtlijn 93/22/EEG beleggingsondernemingen ertoe verplicht om aan beleggers, alvorens met hen zakelijke betrekkingen aan te knopen, mede te delen of er al dan niet een garantieregeling van toepassing is en dat in de onderhavige richtlijn derhalve voorschriften moeten worden vastgesteld voor het inlichten van deze potentiële beleggers over het voor hun beleggingsverrichtingen geldende compensatiestelsel;

(21) Overwegende dat de ongereglementeerde aanwending voor reclamedoeleinden van vermeldingen van het bedrag en de reikwijdte van het compensatiestelsel evenwel de stabiliteit van het financiële stelsel of het vertrouwen van de beleggers zou kunnen ondermijnen; dat de lidstaten derhalve voorschriften moeten vaststellen die dergelijke vermeldingen aan banden leggen;

(22) Overwegende dat alle beleggingsondernemingen op grond van deze richtlijn in beginsel aan een compensatiestelsel moeten deelnemen; dat de lidstaten krachtens de richtlijnen inzake toelating van beleggingsondernemingen met hoofdkantoor in derde landen, inzonderheid Richtlijn 93/22/EEG, kunnen bepalen of en op welke voorwaarden bijkantoren van dergelijke beleggingsondernemingen toelating krijgen om op hun grondgebied werkzaamheden uit te oefenen; dat zulke bijkantoren niet in aanmerking komen voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 59, tweede alinea, van het Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn; dat een lidstaat die zulke bijkantoren toelaat, derhalve dient te besluiten hoe de beginselen van de onderhavige richtlijn op die bijkantoren zullen worden toegepast op een wijze die strookt met artikel 5 van Richtlijn 93/22/EEG en met de noodzaak de beleggers te beschermen en de integriteit van het financiële stelsel in stand te houden; dat het van essentieel belang is dat beleggers bij zulke bijkantoren volledig op de hoogte zijn van de compensatieregelingen die te hunnen aanzien gelden;

(23) Overwegende dat het niet volstrekt nodig is om in het kader van deze richtlijn de methoden ter financiering van de stelsels voor compensatie van beleggers te harmoniseren, aangezien de kosten voor de financiering van deze stelsels in beginsel door de beleggingsondernemingen zelf moeten worden gedragen, enerzijds, en de financieringscapaciteit van deze stelsels in verhouding moet staan tot de op hen rustende verplichtingen, anderzijds; dat een en ander evenwel de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaat niet in gevaar mag brengen;

(24) Overwegende dat deze richtlijn niet kan leiden tot aansprakelijkheid van de lidstaten of van hun bevoegde autoriteiten jegens de beleggers, voorzover zij zorg hebben gedragen voor de instelling of de officiële erkenning van een of meer stelsels die de schadeloosstelling of de bescherming van de beleggers onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden garanderen;

(25) Overwegende ten slotte dat een minimum aan harmonisatie van de beleggerscompensatieregelingen noodzakelijk is om de interne markt voor beleggingsondernemingen te voltooien, omdat beleggers daardoor met meer vertrouwen transacties kunnen aangaan met deze ondernemingen, in het bijzonder wanneer het ondernemingen uit andere lidstaten betreft, en de moeilijkheden kunnen worden voorkomen die zouden kunnen ontstaan indien de lidstaten van ontvangst hun niet op communautair niveau gecoördineerde binnenlandse voorschriften inzake beleggersbescherming zouden toepassen; dat een bindende richtlijn van de Gemeenschap het enige geschikte instrument is om de beoogde doelstelling te verwezenlijken, aangezien er in het algemeen geen beleggerscompensatieregelingen bestaan waarvan het toepassingsgebied met dat van Richtlijn 93/22/EEG overeenkomt; dat deze richtlijn alleen in de minimaal noodzakelijke harmonisatie voorziet, de lidstaten toestaat om desgewenst een meeromvattende of hogere dekking te bieden en voorts de lidstaten de nodige vrijheid laat terzake van de organisatie en financiering van beleggerscompensatiestelsels,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

Artikel 2
Artikel 3

Artikel 3

Vorderingen uit hoofde van verrichtingen in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld in de zin van artikel 1 van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (10), zijn uitgesloten van uitkering door het beleggerscompensatiestelsel.

Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6

Artikel 6

Beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van de intrekking van de vergunning van de beleggingsonderneming hebben plaatsgevonden, blijven na die intrekking onder de bij artikel 2, lid 2, tweede alinea, voorgeschreven dekking vallen.

Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12

Artikel 12

Onverminderd eventuele andere rechten waarover zij krachtens de nationale wetgeving beschikken, hebben beleggerscompensatiestelsels die uit hoofde van de compensatie van beleggers uitkeringen verrichten, het recht om in liquidatieprocedures gesubrogeerd te worden in de rechten van deze beleggers, tot een bedrag gelijk aan het bedrag van hun uitkering.

Artikel 13

Artikel 13

De lidstaten dragen er zorg voor dat beleggers hun recht op uitkering middels een rechtsvordering tegen het beleggerscompensatiestelsel kunnen doen gelden.

Artikel 14

Artikel 14

Uiterlijk op 31 december 1999 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor betreffende de toepassing van deze richtlijn, met, zo nodig, voorstellen voor herziening van de richtlijn.

Artikel 15
Artikel 16

Artikel 16

Met ingang van de datum vermeld in artikel 15, lid 1, wordt artikel 12 van Richtlijn 93/22/EEG ingetrokken.

Artikel 17

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 18

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I LIJST VAN DE IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE UITSLUITINGEN

BIJLAGE I

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE UITSLUITINGEN

1. Professionele en institutionele beleggers, waaronder:

- beleggingsondernemingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG,

- kredietinstellingen als gedefinieerd in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG,

- financiële instellingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 6, van Richtlijn 89/646/EEG,

- verzekeringsondernemingen,

- instellingen voor collectieve belegging,

- pensioenfondsen.

Overige professionele en institutionele beleggers.

2. Supranationale overheden, de staat en centrale overheden.

3. Provinciale, regionale, plaatselijke of gemeentelijke overheden.

4. Bestuurders, beheerders en hoofdelijk aansprakelijke vennoten van de beleggingsonderneming, personen die voor ten minste 5 % in het kapitaal van deze beleggingsonderneming deelnemen, met de wettelijke controle van de jaarrekening van de beleggingsonderneming belaste personen en beleggers met soortgelijke status bij andere ondernemingen in dezelfde groep.

5. Naaste verwanten van de in punt 4 bedoelde beleggers en derden die voor rekening van deze beleggers optreden.

6. Andere ondernemingen in dezelfde groep.

7. Beleggers die verantwoordelijkheid dragen voor, dan wel voordeel hebben gehaald uit bepaalde feiten die verband houden met de beleggingsonderneming en tot de financiële problemen van de onderneming geleid hebben, of die tot verslechtering van haar financiële positie hebben bijgedragen.

8. Ondernemingen van een zodanige omvang dat zij geen verkorte balans overeenkomstig artikel 11 van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978, op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag, betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (1) mogen opstellen.

(1) PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/8/EG (PB nr. L 82 van 25. 3. 1994, blz. 33).

BIJLAGE II RICHTSNOEREN bedoeld in artikel 7, lid 1, vijfde alinea

BIJLAGE II

RICHTSNOEREN bedoeld in artikel 7, lid 1, vijfde alinea

Wanneer een bijkantoor met het oog op aanvullende dekking verzoekt om deelneming aan een beleggerscompensatiestelsel van de lidstaat van ontvangst, worden door het beleggerscompensatiestelsel van de lidstaat van ontvangst bilateraal met het beleggerscompensatiestelsel van de lidstaat van herkomst passende regels en procedures vastgesteld voor uitkeringen aan beleggers bij dat bijkantoor. Bij de uitwerking van deze procedures en het vaststellen van de voorwaarden voor deelneming van een dergelijk bijkantoor (als bedoeld in artikel 7, lid 1) worden de volgende beginselen in acht genomen:

a) het stelsel van de lidstaat van ontvangst blijft volledig gerechtigd om zijn eigen objectieve en algemeen toegepaste regels aan deelnemende beleggingsondernemingen op te leggen; het mag verlangen dat terzake dienende informatie wordt verstrekt en heeft het recht dergelijke informatie bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst na te trekken;

b) het stelsel van de lidstaat van ontvangst honoreert aanspraken op aanvullende uitkering nadat het door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis is gesteld van de vaststelling of de beslissing als bedoeld in artikel 2, lid 2. Het stelsel van de lidstaat van ontvangst blijft volledig gerechtigd om de aanspraak van een belegger aan zijn eigen normen en procedures te toetsen alvorens een aanvullende uitkering te doen;

c) het stelsel van de lidstaat van ontvangst en het stelsel van de lidstaat van herkomst werken volledig samen om ervoor te zorgen dat beleggers prompt en tot het juiste bedrag uitkeringen ontvangen. Meer bepaald komen zij overeen hoe het bestaan van een tegenvordering die kan leiden tot verrekening uit hoofde van een van beide stelsels, van invloed is op het door elk van beide stelsels aan de belegger uit te keren bedrag;

d) het stelsel van de lidstaat van ontvangst is gerechtigd om bijkantoren voor aanvullende dekking kosten aan te rekenen, uitgaande van een passende grondslag waarbij rekening wordt gehouden met de door het stelsel van de lidstaat van herkomst geboden garantie. Om het aanrekenen van kosten te vergemakkelijken, is het stelsel van de lidstaat van ontvangst gerechtigd ervan uit te gaan dat zijn aansprakelijkheid hoe dan ook beperkt is tot het extra bedrag aan dekking dat dit stelsel biedt ten opzichte van de door het stelsel van de lidstaat van herkomst geboden dekking, ongeacht of de lidstaat van herkomst daadwerkelijk overgaat tot enigerlei uitkering met betrekking tot vorderingen van beleggers in de lidstaat van ontvangst.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis