+RICHTLIJN 2000/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid
---+Artikel 1 Doel
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Coördinatie van administratieve regelingen binnen de stroomgebiedsdistricten
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
------+Artikel 3 6.
------+Artikel 3 7.
------+Artikel 3 8.
------+Artikel 3 9.
---+Artikel 4 Milieudoelstellingen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
------+Artikel 4 4.
------+Artikel 4 5.
------+Artikel 4 6.
------+Artikel 4 7.
------+Article 4 7a.
------+Article 4 7b.
------+Artikel 4 8.
------+Artikel 4 9.
---+Artikel 5 Kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, beoordeling van de milieueffecten van menselijke activiteiten en economische analyse van het watergebruik
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
---+Artikel 6 Register van beschermde gebieden
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
---+Artikel 7 Voor de drinkwateronttrekking gebruikt water
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
---+Artikel 8 Monitoring van de oppervlaktewatertoestand, de grondwatertoestand en beschermde gebieden
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
------+Artikel 8 5.
------+Artikel 8 6.
---+Artikel 9 Kostenterugwinning voor waterdiensten
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
---+Artikel 10 Gecombineerde aanpak voor puntbronnen en diffuse bronnen
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
---+Artikel 11 Maatregelenprogramma
------+Artikel 11 1.
------+Article 11 1a.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
------+Artikel 11 4.
------+Artikel 11 5.
------+Artikel 11 6.
------+Artikel 11 7.
------+Artikel 11 8.
---+Artikel 12
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
------+Artikel 12 4.
------+Artikel 12 5.
---+Artikel 13 Stroomgebiedsbeheersplannen
------+Artikel 13 1.
------+Artikel 13 2.
------+Artikel 13 3.
------+Artikel 13 4.
------+Artikel 13 5.
------+Artikel 13 6.
------+Artikel 13 7.
---+Artikel 14 Voorlichting en raadpleging van het publiek
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
---+Artikel 14bis
------+Artikel 14bis 1.
------+Artikel 14bis 2.
------+Artikel 14bis 3.
------+Artikel 14bis 4.
------+Artikel 14bis 5.
------+Artikel 14bis 6.
---+Artikel 15 Rapportering
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
---+Artikel 16
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
------+Artikel 16 3.
------+Article 16 3a.
------+Artikel 16 4.
------+Article 16 4a.
------+Article 16 4b.
------+Artikel 16 5.
------+Artikel 16 6.
------+Artikel 16 7.
---+Artikel 17 Strategieën ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
------+Artikel 17 3.
---+Artikel 18 Rapportage door de Commissie
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
------+Artikel 18 3.
------+Artikel 18 5.
---+Artikel 19 Plannen voor toekomstige maatregelen van de Gemeenschap
------+Artikel 19 1.
------+Artikel 19 2.
---+Artikel 19bis
---+Artikel 20
---+Artikel 20bis
------+Artikel 20bis 1.
------+Artikel 20bis 2.
------+Artikel 20bis 3.
------+Artikel 20bis 4.
------+Artikel 20bis 5.
------+Artikel 20bis 6.
---+Artikel 21
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
---+Artikel 22 Intrekkingen en overgangsbepalingen
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
------+Artikel 22 5.
------+Artikel 22 6.
---+Artikel 23 Sancties
---+Artikel 24 Uitvoering
------+Artikel 24 1.
------+Artikel 24 2.
---+Artikel 25 Inwerkingtreding
---+Artikel 26 Adressaten
---+BIJLAGE I VERPLICHTE INFORMATIE VOOR DE LIJST VAN BEVOEGDE AUTORITEITEN
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III ECONOMISCHE ANALYSE
---+BIJLAGE IV BESCHERMDE GEBIEDEN
---+BIJLAGE V
---+BIJLAGE VI LIJST VAN IN DE MAATREGELENPROGRAMMA'S OP TE NEMEN MAATREGELEN
---+BIJLAGE VII STROOMGEBIEDSBEHEERSPLANNEN
---+BIJLAGE VIII INDICATIEVE LIJST VAN DE BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN
---+BIJLAGE XI
English - European Union - Environment -

RICHTLIJN 2000/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid

RICHTLIJN 2000/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 oktober 2000

tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Doel

Artikel 1

Doel

Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee:

a) 

aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd;

b) 

duurzaam gebruik van water wordt bevorderd, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;

c) 

verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische milieu worden beoogd, onder andere door specifieke maatregelen voor de progressieve vermindering van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en door het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen;

d) 

wordt gezorgd voor de progressieve vermindering van de verontreiniging van grondwater en verdere verontreiniging hiervan wordt voorkomen;

e) 

wordt bijgedragen tot afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte,

en dat zodoende bijdraagt tot

— 
de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water;
— 
een significante vermindering van de verontreiniging van het grondwater;
— 
de bescherming van territoriale en mariene wateren;

▼M8

— 
het bereiken van de doelstellingen van de relevante internationale overeenkomsten, met inbegrip van die welke tot doel hebben de verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen en te elimineren, door maatregelen van de Unie tot stopzetting of geleidelijke beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen, om uiteindelijk te komen tot concentraties in het mariene milieu die voor in de natuur voorkomende stoffen dicht bij de achtergrondwaarden liggen en voor door de mens vervaardigde synthetische stoffen vrijwel nul bedragen.

▼B

Artikel 2 Definities

Artikel 2

Definities

Voor de doeleinden van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1.

„oppervlaktewater” : binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren;

2.

„grondwater” : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat;

3.

„binnenwateren” : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;

4.

„rivier” : een binnenwaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;

5.

„meer” : een massa stilstaand landoppervlaktewater;

6.

„overgangswater” : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt;

7.

„kustwateren” : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;

8.

„kunstmatig waterlichaam” : een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam;

9.

„sterk veranderd waterlichaam” : een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard zoals door de lidstaten aangeduid overeenkomstig de bepalingen van bijlage II;

10.

„oppervlaktewaterlichaam” : een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater;

11.

„watervoerende laag” : één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;

12.

„grondwaterlichaam” : een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen;

13.

„stroomgebied” : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;

14.

„deelstroomgebied” : het gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water een reeks stromen, rivieren en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop (gewoonlijk een meer of een samenvloeiing van rivieren);

15.

„stroomgebiedsdistrict” : het gebied van land en zee, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren, dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedsbeheer is omschreven;

16.

„bevoegde autoriteit” : één of meer autoriteiten, aangewezen overeenkomstig artikel 3, lid 2 of lid 3;

17.

„oppervlaktewatertoestand” : de algemene aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de ecologische of de chemische toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;

18.

„goede oppervlaktewatertoestand” : de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de ecologische als de chemische toestand ten minste „goed” zijn;

19.

„grondwatertoestand” : de algemene aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de kwantitatieve of de chemische toestand ervan, en wel door de slechtste van beide toestanden;

20.

„goede grondwatertoestand” : de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de kwantitatieve als de chemische toestand ten minste „goed” zijn;

21.

„ecologische toestand” : een aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met oppervlaktewateren zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig bijlage V;

22.

„goede ecologische toestand” : de toestand van een overeenkomstig bijlage V als zodanig ingedeeld oppervlaktewaterlichaam;

23.

„goed ecologisch potentieel” : de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig waterlichaam, aldus ingedeeld overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van bijlage V;

▼M8

24.

„goede chemische toestand van oppervlaktewater” : de chemische toestand die vereist is om te voldoen aan de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van deze richtlijn, d.w.z. de chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen niet boven de milieukwaliteitsnormen liggen voor prioritaire stoffen die zijn opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ), noch boven de milieukwaliteitsnormen voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die zijn vastgesteld en toegepast overeenkomstig artikel 8 quinquies van die richtlijn, en waarin de op effect gebaseerde triggerwaarden, indien beschikbaar, ook niet worden overschreden;

▼B

25.

„goede chemische toestand van grondwater” : de chemische toestand van een grondwaterlichaam dat aan alle in de tabel in punt 2.3.2 van bijlage V genoemde voorwaarden voldoet;

26.

„kwantitatieve toestand” : een aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte wateronttrekking wordt beïnvloed;

27.

„beschikbare grondwatervoorraad” : het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om voor bijbehorende oppervlaktewateren de doelstellingen van ecologische kwaliteit van artikel 4 te bereiken, teneinde een significante verslechtering van de ecologische toestand van die wateren alsmede significante schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;

28.

„goede kwantitatieve toestand” : de in de tabel in punt 2.1.2 van bijlage V gedefinieerde toestand;

29.

„gevaarlijke stoffen” : toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;

▼M8

30.

„prioritaire stoffen” : stoffen die zijn opgenomen in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG, d.w.z. stoffen die een significant risico voor of via het aquatisch milieu inhouden en waarvan de prioriteit wordt bepaald overeenkomstig artikel 16, lid 2, van deze richtlijn;

▼M8

30 bis.

„prioritaire gevaarlijke stoffen” : prioritaire stoffen die overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, bedoelde wetgeving als„gevaarlijk” worden aangemerkt;

30 ter.

„stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen” : verontreinigende stoffen die niet of niet langer als prioritaire stoffen worden aangemerkt, maar waarvan de lidstaten op basis van de overeenkomstig bijlage II uitgevoerde beoordeling van de belastingen en effecten op oppervlaktewaterlichamen hebben vastgesteld dat zij in aanzienlijke hoeveelheden in een stroomgebied of deelstroomgebied worden geloosd of afgezet en aldus een significant risico vormen voor of via het aquatisch milieu op hun grondgebied;

▼B

31.

„verontreinigende stof” : iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, met name de in bijlage VIII genoemde stoffen;

32.

„directe lozing in het grondwater” : de lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;

33.

„verontreiniging” : de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen of warmte in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de kwaliteit van aquatische ecosystemen of van rechtstreeks van aquatische ecosystemen afhankelijke terrestrische ecosystemen kunnen aantasten, schade berokkenen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik aantasten of daaraan in de weg staan;

34.

„milieudoelstellingen” : de in artikel 4 vervatte doelstellingen;

▼M8

35.

„milieukwaliteitsnorm” : de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, in sediment of in biota die ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu niet mag worden overschreden;

▼M8

35 bis.

„op effect gebaseerde triggerwaarde” : een drempelwaarde voor de effecten van een verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, sediment of biota, die worden gemeten aan de hand van een passende en wetenschappelijk gevalideerde op effect gebaseerde monitoringmethode, waarboven die verontreinigende stof of groep van verontreinigende stoffen in water, sediment of biota schadelijke effecten op de menselijke gezondheid of het milieu met zich kan meebrengen;

▼B

36.

„gecombineerde aanpak” : de beheersing van lozingen en emissies in oppervlaktewateren overeenkomstig de in artikel 10 beschreven aanpak;

▼M8

37.

„voor menselijke consumptie bestemd water” : voor menselijke consumptie bestemd water zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ).

▼B

38.

„waterdiensten” :

alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in:

a) 

onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater;

b) 

installaties voor de verzameling en behandeling van afvalwater, die daarna in oppervlaktewater lozen;

39.

„watergebruik” :

waterdiensten, alsmede elke andere overeenkomstig artikel 5 en bijlage II geïdentificeerde activiteit met significante gevolgen voor de toestand van water.

Deze definitie geldt voor de doeleinden van artikel 1 en voor de economische analyse overeenkomstig artikel 5 en bijlage III, onder b);

40.

„emissiegrenswaarde” :

de massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende één of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen, in het bijzonder die welke volgens artikel 16 worden aangewezen, worden vastgesteld.

De grenswaarden voor de emissies van stoffen gelden normaliter op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de installatie rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringsstation, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu;

41.

„emissiebeheersingsmaatregelen” : beheersingsmaatregelen die een specifieke emissiebeperking vereisen, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde, of anderszins grenzen of voorwaarden stellen aan de gevolgen, de aard of andere kenmerken van emissies of bedrijfsomstandigheden die de emissies beïnvloeden. Het gebruik van de term „emissiebeheersing” in deze richtlijn met betrekking tot de bepalingen van andere richtlijnen houdt geen nieuwe interpretatie van die bepalingen in.

▼M8

42.

„achteruitgang van de toestand van een waterlichaam” : het achteruitgaan van de toestand van ten minste één van de kwaliteitselementen in de zin van bijlage V met één klasse, zelfs indien die achteruitgang niet leidt tot een lagere klassering van het waterlichaam als geheel; indien een kwaliteitselement zich echter reeds in de laagste klasse bevindt, vormt elke verdere verslechtering van dat element een achteruitgang van de toestand van het waterlichaam.

▼B

Artikel 3 Coördinatie van administratieve regelingen binnen de stroomgebiedsdistricten
Artikel 4 Milieudoelstellingen
Artikel 5 Kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, beoordeling van de milieueffecten van menselijke activiteiten en economische analyse van het watergebruik
Artikel 6 Register van beschermde gebieden
Artikel 7 Voor de drinkwateronttrekking gebruikt water
Artikel 8 Monitoring van de oppervlaktewatertoestand, de grondwatertoestand en beschermde gebieden
Artikel 9 Kostenterugwinning voor waterdiensten
Artikel 10 Gecombineerde aanpak voor puntbronnen en diffuse bronnen
Artikel 11 Maatregelenprogramma
Artikel 12
Artikel 13 Stroomgebiedsbeheersplannen
Artikel 14 Voorlichting en raadpleging van het publiek
Artikel 14bis
Artikel 15 Rapportering
Artikel 16
Artikel 17 Strategieën ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging
Artikel 18 Rapportage door de Commissie
Artikel 19 Plannen voor toekomstige maatregelen van de Gemeenschap
Artikel 19bis

Artikel 19 bis

Rapport over een systeem voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Uiterlijk op 11 mei 2029 publiceert de Commissie een rapport over de mogelijkheid om in deze richtlijn een systeem voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op te nemen. Dat rapport zal met name een evaluatie bevatten van de haalbaarheid om producenten te verplichten bij te dragen in de kosten van de uit hoofde van artikel 8 van deze richtlijn opgezette monitoringprogramma’s indien die producenten in de Unie producten in de handel brengen die een van de in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG of in bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG vermelde stoffen bevatten.

Artikel 20

Artikel 20

Technische aanpassingen en uitvoering van deze richtlijn

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I en III en punt 1.3.6 van bijlage V te wijzigen teneinde de informatievereisten met betrekking tot respectievelijk de bevoegde autoriteiten, de inhoud van de economische analyse en de geselecteerde monitoringmethoden aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Artikel 20bis
Artikel 21
Artikel 22 Intrekkingen en overgangsbepalingen
Artikel 23 Sancties

Artikel 23

Sancties

De lidstaten stellen sancties op overtredingen van de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen vast. De aldus vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Artikel 24 Uitvoering
Artikel 25 Inwerkingtreding

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 26 Adressaten

Artikel 26

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I VERPLICHTE INFORMATIE VOOR DE LIJST VAN BEVOEGDE AUTORITEITEN




BIJLAGE I

VERPLICHTE INFORMATIE VOOR DE LIJST VAN BEVOEGDE AUTORITEITEN

Zoals voorgeschreven in artikel 3, lid 8, verstrekken de lidstaten de volgende informatie over alle bevoegde autoriteiten van elk van hun stroomgebiedsdistricten en het deel van elk internationaal stroomgebiedsdistrict dat op hun grondgebied ligt.

i) 

Naam en adres van de bevoegde autoriteit: De officiële naam en het adres van de overeenkomstig artikel 3, lid 2, aangewezen autoriteit.

ii) 

Geografisch gebied van het stroomgebiedsdistrict: De namen van de hoofdrivieren in het stroomgebiedsdistrict, samen met een nauwkeurige beschrijving van de grenzen van dat district. Deze informatie moet zoveel mogelijk geschikt zijn voor invoering in een geografische informatiesysteem (GIS) en/of het geografisch informatiesysteem van de Commissie (GISCO).

iii) 

Juridische status van de bevoegde autoriteit: Een beschrijving van de juridische status van de bevoegde autoriteit en, voorzover van toepassing, een samenvatting of kopie van haar statuten, oprichtingsakte of een gelijkwaardig juridisch document.

iv) 

Verantwoordelijkheden: Een beschrijving van de juridische en administratieve verantwoordelijkheden van elke bevoegde autoriteit en haar rol in elk van de stroomgebiedsdistricten.

v) 

Lidmaatschap: Wanneer de bevoegde autoriteit optreedt als coördinerend lichaam voor andere bevoegde autoriteiten, moet een lijst van die lichamen worden verstrekt, samen met een samenvatting van de institutionele betrekkingen die zijn aangegaan met het oog op de coördinatie.

vi) 

Internationale betrekkingen: Wanneer een stroomgebiedsdistrict op het grondgebied van meer dan één lidstaat ligt, of mede grondgebied van niet-lidstaten omvat, moet een samenvatting worden gegeven van de institutionele betrekkingen die zijn aangegaan met het oog op de coördinatie.

BIJLAGE II




BIJLAGE II

1.   OPPERVLAKTEWATEREN

1.1.   Karakterisering van typen oppervlaktewaterlichamen

De lidstaten stellen de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen vast en maken een eerste karakterisering van alle dergelijke lichamen overeenkomstig de hiernavolgende methodiek. De lidstaten kunnen oppervlaktewaterlichamen ten behoeve van die eerste karakterisering groeperen:

i) 

De oppervlaktewaterlichamen binnen het stroomgebiedsdistrict worden ingedeeld in een van de oppervlaktewatercategorieën — rivieren, meren, overgangswateren, kustwateren — of aangemerkt als kunstmatig dan wel als sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam.

ii) 

Voor elke oppervlaktewatercategorie worden de relevante oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict onderscheiden in typen. Het gaat hierbij om de typen die worden bepaald gebruikmakend van ofwel systeem A ofwel systeem B bepaald in punt 1.2.

iii) 

Indien systeem A wordt gebruikt, worden de oppervlaktewaterlichamen binnen het stroomgebiedsdistrict eerst onderscheiden naar ecoregio volgens de geografische gebieden die in punt 1.2 zijn onderscheiden en op de desbetreffende kaart in bijlage XI zijn aangegeven. De waterlichamen in iedere ecoregio worden vervolgens onderscheiden in typen oppervlaktewaterlichamen volgens de descriptoren in de tabellen van systeem A.

iv) 

Indien systeem B wordt gebruikt, moeten de lidstaten een minstens even sterke mate van differentiatie bereiken als met systeem A zou zijn bereikt. De oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict worden onderscheiden in typen met behulp van de waarden voor de verplichte descriptoren en die facultatieve descriptoren, of combinaties van descriptoren, welke nodig zijn voor een betrouwbare afleiding van de voor dat type specifieke biologische referentieomstandigheden.

v) 

Kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen worden gedifferentieerd met behulp van de descriptoren voor de oppervlaktewatercategorie die het meest lijkt op het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam.

vi) 

De lidstaten leggen de Commissie een kaart of kaarten voor (in een GIS-formaat) van de geografische ligging van de typen voor met de uit hoofde van systeem A vereiste differentiatiegraad.

1.2.   Ecoregio's en typen oppervlaktewaterlichamen

1.2.1.   Rivieren



Systeem A

Vaste typering

Descriptoren

Ecoregio

Ecoregio's op kaart A in bijlage XI

Type

Hoogte

Hoogland: > 800 m

Heuvelland: 200 tot 800 m

Laagland: < 200 m

Grootte op basis van het stroomgebied

Klein: 10-100 km2

Middelgroot: > 100 tot 1 000 km2

Groot: > 1 000 tot 10 000 km2

Zer groot: > 10 000 km2

Geologie

Kalkhoudend

Kiezelhoudend

Organisch



Systeem B

Alternatieve karakterisering

Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van de rivier of een deel ervan en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie

Verplichte factoren

Hoogte

Breedtegraad

Lengtegraad

Geologie

Grootte

Facultatieve factoren

Afstand van de bron van de rivier

Stromingsenergie (functie van stroming en verval)

Gemiddelde waterbreedte

Gemiddelde waterdiepte

Gemiddeld waterverval

Vorm en profiel van de hoofdrivierbedding

Rivierdebiet-(stromings-)categorie

Vorm van het dal

Transport van vaste stoffen

Zuurneutraliserend vermogen

Gemiddelde samenstelling van het substraat

Chloride

Bereik van de luchttemperatuur

Gemiddelde luchttemperatuur

Neerslag

1.2.2.   Meren



Systeem A

Vaste typering

Descriptoren

Ecoregio

Ecoregio's op kaart A in bijlage XI

Type

Hoogte

Hoogland: > 800 m

Heuvelland: 200 tot 800 m

Laagland: < 200 m

Diepte op basis van gemiddelde diepte

< 3 m

3 tot 15 m

> 15 m

Grootte op basis van oppervlakte

0,5 tot 1 km2

1 tot 10 km2

10 tot 100 km2

> 100 km2

Geologie

Kalkhoudend

Kiezelhoudend

Organisch



Systeem B

Alternatieve karakterisering

Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het meer en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie

Verplichte factoren

Hoogte

Breedtegraad

Lengtegraad

Diepte

Geologie

Grootte

Facultatieve factoren

Gemiddelde waterdiepte

Vorm van het meer

Verblijftijd

Gemiddelde luchttemperatuur

Bereik van de luchttemperatuur

Mengkarakteristieken (bv. monomictisch, dimictisch, polymictisch)

Zuurneutraliserend vermogen

Achtergrondtoestand van de nutriënten

Gemiddelde samenstelling van het substraat

Fluctuatie van het waterniveau

1.2.3.   Overgangswateren



Systeem A

Vaste typering

Descriptoren

Ecoregio

De volgende gebieden, zoals aangegeven op kaart B in bijlage XI:

Oostzee

Barentszzee

Noorse Zee

Noordzee

Noord-Atlantische Oceaan

Middellandse Zee

Type

Op basis van het jaargemiddelde van het zoutgehalte

< 0,5 ‰: zoet water

0,5 tot < 5 ‰: oligohalien

5 tot < 18 ‰: mesohalien

18 tot < 30 ‰: polyhalien

30 tot < 40 ‰: euhalien

Op basis van het gemiddelde getijverschil

< 2 m: klein getijverschil

2 tot 4 m: matig getijverschil

> 4 m: groot getijverschil



Systeem B

Alternatieve karakterisering

Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het overgangswater en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische populatie

Verplichte factoren

Breedte

Lengte

Getijverschil

Zoutgehalte

Facultatieve factoren

Diepte

Stroomsnelheid

Golfslag

Verblijftijd

Gemiddelde watertemperatuur

Mengkarakteristieken

Turbiditeit

Gemiddelde samenstelling van het substraat

Vorm

Bereik van de watertemperatuur

1.2.4.   Kustwateren



Systeem A

Vaste typering

Descriptoren

Ecoregio

De volgende gebieden, zoals aangegeven op kaart B in bijlage XI:

Oostzee

Barentszzee

Noorse Zee

Noordzee

Noord-Atlantische Oceaan

Middellandse Zee

Type

Op basis van het jaargemiddelde van het zoutgehalte

< 0,5 ‰: zoet water

0,5 tot < 5 ‰: oligohalien

5 tot < 18 ‰: mesohalien

18 tot < 30 ‰: polyhalien

30 tot < 40 ‰: euhalien

Op basis van gemiddelde diepte

Ondiep: < 30 m

Middeldiep: 30 tot 200 m

Diep: > 200 m



Systeem B

Alternatieve karakterisering

Fysische en chemische factoren die bepalend zijn voor de kenmerken van het kustwater en dientengevolge voor structuur en samenstelling van de biologische gemeenschap

Verplichte factoren

Breedtegraad

Lengtegraad

Getijverschil

Zoutgehalte

Facultatieve factoren

Stroomsnelheid

Golfslag

Gemiddelde watertemperatuur

Mengkarakteristieken

Turbiditeit

Verblijftijd (van omsloten inhammen)

Gemiddelde samenstelling van het substraat

Bereik van de watertemperatuur

1.3.   Vaststellen van typespecifieke referentieomstandigheden voor typen oppervlaktewaterlichamen

i) 

Voor elk overeenkomstig punt 1.1 gekarakteriseerde type oppervlaktewaterlichaam worden typespecifieke hydromorfologische en fysisch-chemische omstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1.1 van bijlage V genoemde hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen, welke voor dat type oppervlaktewaterlichaam behoren bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 1.2 van bijlage V. Verder worden typespecifieke biologische referentieomstandigheden bepaald die staan voor de waarden van de in punt 1.1 van bijlage V genoemde biologische kwaliteitselementen voor dat type oppervlaktewaterlichaam bij een zeer goede ecologische toestand zoals omschreven in de toepasselijke tabel in punt 1.2 in bijlage V.

ii) 

Bij de toepassing van de in dit punt omschreven procedures op sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen worden verwijzingen naar zeer goede ecologische toestand opgevat als verwijzingen naar het maximale ecologische potentieel zoals omschreven in de tabel in punt 1.2.5 van bijlage V. De waarden voor het maximale ecologische potentieel voor een waterlichaam worden om de zes jaar getoetst.

iii) 

Typespecifieke omstandigheden zoals bedoeld in i) en ii), en typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen ruimtelijk of op modellen gebaseerd zijn, of worden afgeleid door een combinatie van die methoden te gebruiken. Wanneer het niet mogelijk is om die methoden te gebruiken, kunnen lidstaten voor het bepalen van dergelijke omstandigheden het advies van deskundigen inwinnen. Voor het bepalen van een zeer goede ecologische toestand met betrekking tot de concentraties van specifieke synthetische verontreinigende stoffen gelden de detectielimieten die haalbaar zijn met de technieken welke beschikbaar zijn op het tijdstip dat de typespecifieke omstandigheden moeten worden bepaald.

iv) 

Voor op ruimte gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden vormen de lidstaten voor elk type oppervlaktewaterlichaam een referentienet. Het net bevat een voldoende aantal locaties met een zeer goede toestand zodat een voldoende betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden kan worden bereikt, gelet op de variabiliteit van de waarden van de kwaliteitselementen die voor dat type oppervlaktewaterlichaam overeenkomen met een zeer goede ecologische toestand en de krachtens punt v toe te passen modelleringstechnieken.

v) 

Op modellen gebaseerde typespecifieke biologische referentieomstandigheden kunnen worden afgeleid met voorspellingsmodellen of terugrekenmethoden. Bij die methoden worden historische, paleologische en andere beschikbare gegevens gebruikt. De betrouwbaarheidsgraad van de waarden voor de referentieomstandigheden moet voldoende hoog zijn opdat de aldus afgeleide omstandigheden consistent en geldig voor elk type oppervlaktewaterlichaam zijn.

vi) 

Wanneer het voor een kwaliteitselement in een type oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is om betrouwbare typespecifieke referentieomstandigheden vast te stellen, omdat de natuurlijke variabiliteit in dat element hoog is, niet alleen ten gevolge van seizoensschommelingen, behoeft dat element niet te worden opgenomen in de beoordeling van de ecologische toestand voor dat type oppervlaktewater. In dat geval motiveren de lidstaten die uitsluiting in het stroomgebiedsbeheersplan.

1.4.   Beoordeling van de belasting van wateren

De lidstaten verzamelen informatie over soort en omvang van de significante antropogene belastingen waaraan oppervlaktewaterlichamen in elk stroomgebiedsdistrict onderhevig kunnen zijn, en houden die informatie bij. Het betreft met name:

schatting en identificatie van significante verontreiniging uit puntbronnen, met name door in bijlage VIII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens

i) 

de artikelen 15 en 17 van Richtlijn 91/271/EEG,

ii) 

de artikelen 9 en 15 van Richtlijn 96/61/EG van de Raad ( 27 ),

en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan,

iii) 

artikel 11 van Richtlijn 76/464/EEG, en

iv) 

Richtlijn 75/440/EEG, Richtlijn 76/160/EEG van de Raad ( 28 ), Richtlijn 78/659/EEG en Richtlijn 79/923/EEG van de Raad ( 29 );

schatting en identificatie van significante verontreiniging uit diffuse bronnen, met name door in bijlage VIII bedoelde stoffen, afkomstig van stedelijke, industriële, agrarische en andere installaties en activiteiten, onder meer gebaseerd op informatie die is vergaard krachtens

i) 

de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad ( 30 ),

ii) 

de artikelen 7 en 17 van Richtlijn 91/414/EEG,

iii) 

Richtlijn 98/8/EG,

en, voor de doeleinden van het eerste stroomgebiedsbeheersplan,

iv) 

de Richtlijnen 75/440/EEG, 76/160/EEG, 76/464/EEG, 78/659/EEG en 79/923/EEG;

schatting en identificatie van significante wateronttrekking voor stedelijk, industrieel, agrarisch en ander gebruik, met inbegrip van seizoenschommelingen en de totale vraag per jaar, en van het waterverlies in de distributiestelsels;

schatting en identificatie van de effecten van significante regulering van de waterstroming, met inbegrip van overbrenging en omleiding van water, op de stromingskenmerken en waterbalansen in hun geheel;

identificatie van significante morfologische veranderingen van waterlichamen;

schatting en identificatie van andere significante antropogene invloeden op de toestand van oppervlaktewateren, en

schattingen van bodemgebruikspatronen, waaronder de identificatie van de belangrijkste stedelijke, industriële en agrarische gebieden en, voorzover relevant, visgronden en bossen.

1.5.   Beoordeling van effecten

De lidstaten beoordelen in hoeverre de oppervlaktewatertoestand van lichamen gevoelig is voor de bovenvermelde vormen van belasting.

De lidstaten gebruiken de bovenvermelde informatie die zij verzameld hebben, en alle andere relevante informatie met inbegrip van bestaande milieumonitoringsgegevens, om een beoordeling te maken van de kans dat oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebiedsdistrict niet zullen voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen die artikel 4 aan die lichamen stelt. De lidstaten kunnen bij die beoordeling modelleringstechnieken gebruiken.

Voor lichamen waarvan is gebleken dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de milieukwaliteitsdoelstellingen moet, voorzover dienstig, een verdere karakterisering plaatsvinden om het ontwerp van de bij artikel 8 voorgeschreven monitoringsprogramma's en de bij artikel 11 voorgeschreven maatregelenprogramma's te optimaliseren.

2.   GRONDWATER

2.1.   Eerste karakterisering

De lidstaten maken een eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen om te beoordelen voor welke doeleinden zij gebruikt worden en in hoeverre zij gevaar lopen niet te voldoen aan de doelstellingen voor ieder grondwaterlichaam van artikel 4. De lidstaten kunnen de grondwaterlichamen ten behoeve van deze eerste karakterisering groeperen. Voor die analyse mag gebruik worden gemaakt van bestaande hydrologische, geologische en bodemkundige gegevens, gegevens over landgebruik, lozing en wateronttrekking en andere gegevens, maar het volgende moet in ieder geval geïdentificeerd worden:

— 
locatie en grenzen van het grondwaterlichaam of de grondwaterlichamen;
— 
mogelijke vormen van belasting van de grondwaterlichamen, zoals
— 
diffuse bronnen van verontreiniging,
— 
verontreiniging uit puntbronnen,
— 
onttrekking van water,
— 
kunstmatige aanvulling;
— 
algemene aard van het superstraat in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld;
— 
grondwaterlichamen waarbij rechtstreeks afhankelijke oppervlaktewaterecosystemen of terrestrische ecosystemen bestaan.

2.2.   Nadere karakterisering

Na deze eerste karakterisering maken de lidstaten van de grondwaterlichamen of groepen waterlichamen waarvan is vastgesteld dat zij gevaar lopen, een nadere karakterisering om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor en welke maatregelen er krachtens artikel 11 moeten worden genomen. Deze karakterisering moet daartoe relevante gegevens omvatten over de effecten van menselijke activiteiten en, voorzover dienstig, gegevens over:

— 
geologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van grootte en soort van de geologische eenheden;
— 
hydrogeologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van doorlaatbaarheid, porositeit en begrenzing;
— 
kenmerken van de oppervlakteafzettingen en bodems in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van dikte, porositeit, doorlaatbaarheid, en absorptie-eigenschappen van de afzettingen en bodems;
— 
stratificatiekarakteristieken van het grondwater in het grondwaterlichaam;
— 
een inventarisatie van de bijbehorende oppervlaktesystemen, met inbegrip van terrestrische ecosystemen en oppervlaktewaterlichamen waarmee het grondwaterlichaam dynamisch verbonden is;
— 
schattingen van richtingen en mate van de uitwisseling van water tussen het grondwaterlichaam en bijbehorende oppervlaktesystemen;
— 
voldoende gegevens om het jaarlijkse gemiddelde van de totale aanvulling op lange termijn te berekenen;
— 
kenmerken van de chemische samenstelling van het grondwater, inbegrepen de beschrijving van de bijdragen uit menselijke activiteiten. De lidstaten kunnen bij de vastlegging van de natuurlijke achtergrondwaarden voor deze grondwaterlichamen gebruikmaken van typologieën voor de beschrijving van het grondwater.

2.3.   Beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op grondwater

Voor grensoverschrijdende grondwaterlichamen tussen twee of meer lidstaten of grondwaterlichamen waarvan bij de eerste karakterisering overeenkomstig punt 2.1 blijkt dat zij gevaar lopen niet te voldoen aan de krachtens artikel 4 voor ieder lichaam vastgestelde doelstellingen, worden voor ieder grondwaterlichaam de volgende gegevens, voorzover relevant, vergaard en bijgehouden:

a) 

de ligging van de punten in het grondwaterlichaam waar water wordt onttrokken, met uitzondering van:

— 
punten voor de onttrekking van water die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag, of,
— 
punten voor de onttrekking van water voor menselijke consumptie die minder leveren dan gemiddeld 10 m3 per dag of die minder dan 50 personen bedienen;
b) 

de gemiddelde hoeveelheden water die jaarlijks aan die punten worden onttrokken;

c) 

de chemische samenstelling van water dat uit het grondwaterlichaam wordt onttrokken;

d) 

de ligging van de punten waar rechtstreeks water in het grondwaterlichaam wordt geloosd;

e) 

de mate van lozing op die punten;

f) 

de chemische samenstelling van de lozingen in het grondwaterlichaam en

g) 

het bodemgebruik in het stroomgebied of de stroomgebieden waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van het inbrengen van verontreinging en door de mens veroorzaakte veranderingen in de kenmerken van de aanvulling, zoals regenwater en afleiding van afstromend water door landafdichtingen, kunstmatige aanvulling, dammen of drainage.

2.4.   Beoordeling van de effecten van veranderingen in de grondwaterstand

De lidstaten bepalen voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel 4 lagere doelstellingen worden aangegeven, ook op grond van een beoordeling rekening houdend met de effecten van de toestand van het lichaam op:

i) 

oppervlaktewater en bijbehorende terrestrische ecosystemen;

ii) 

waterhuishouding, bescherming tegen overstromingen en drainage;

iii) 

menselijke ontwikkeling.

2.5.   Beoordeling van de effecten van verontreiniging op de grondwaterkwaliteit

De lidstaten bepalen voor welke grondwaterlichamen uit hoofde van artikel 4, lid 5, minder strenge doelstellingen worden vastgesteld, indien het grondwaterlichaam door de effecten van menselijke activiteiten, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 5, lid 1, zo verontreinigd is dat het bereiken van een goede chemische toestand van grondwater niet haalbaar of buitensporig duur is.

BIJLAGE III ECONOMISCHE ANALYSE




BIJLAGE III

ECONOMISCHE ANALYSE

De economische analyse omvat voldoende informatie die voldoende gedetailleerd moet zijn (rekening houdend met de kosten voor het verzamelen van de relevante gegevens) voor:

a) 

de relevante berekeningen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 9 rekening te houden met het beginsel van de terugwinning van de kosten voor waterdiensten, gelet op langetermijnvoorspellingen van aanbod en vraag naar water in het stroomgebiedsdistrict en, waar nodig:

— 
ramingen van volume, prijzen en kosten voor waterdiensten en
— 
ramingen van relevante investeringen, inclusief voorspellingen voor dergelijke investeringen;
b) 

een oordeel over de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen op het gebied van watergebruik die moeten worden opgenomen in het programma van maatregelen overeenkomstig artikel 11, gebaseerd op ramingen van de potentiële kosten van dergelijke maatregelen.

BIJLAGE IV BESCHERMDE GEBIEDEN




BIJLAGE IV

BESCHERMDE GEBIEDEN

1.

Het overeenkomstig artikel 6 voorgeschreven register van beschermde gebieden dient de volgende soorten beschermde gebieden te omvatten:

i) 

gebieden die overeenkomstig artikel 7 zijn aangewezen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water;

ii) 

gebieden die voor de bescherming van economisch significante in het water levende planten- en diersoorten zijn aangewezen;

iii) 

waterlichamen die als recreatiewater zijn aangewezen, met inbegrip van de gebieden die als zwemwater overeenkomstig Richtlijn 76/160/EEG zijn aangewezen.

iv) 

nutriëntengevoelige gebieden, met inbegrip van die welke overeenkomstig Richtlijn 91/676/EEG zijn aangewezen als kwetsbare zones en gebieden die overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG zijn aangewezen als kwetsbare gebieden, en

v) 

gebieden die voor de bescherming van habitats of van soorten zijn aangewezen, wanneer het behoud of de verbetering van de watertoestand bij de bescherming een belangrijke factor vormt, met inbegrip van de relevante, in het kader van de Richtlijnen 92/43/EEG ( 31 ) en 79/409/EEG ( 32 ) van de Raad aangewezen Natura 2000-gebieden.

2.

De samenvatting van het als onderdeel van het stroomgebiedsbeheersplan vereiste register dient kaarten te omvatten waarop de ligging van elk beschermd gebied is aangegeven, alsmede een beschrijving van de communautaire, nationale of lokale wetgeving krachtens welke zij zijn aangewezen.

BIJLAGE V




BIJLAGE V

1.

OPPERVLAKTEWATERTOESTAND

1.1.

Kwaliteitselementen voor de klasse-indeling van de ecologische toestand

1.1.1.

Rivieren

1.1.2.

Meren

1.1.3.

Overgangswateren

1.1.4.

Kustwater

1.1.5.

Kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen

1.2.

Normatieve definities van ecologische toestandsklassen

1.2.1.

Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in rivieren

1.2.2.

Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in meren

1.2.3.

Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in overgangswateren

1.2.4.

Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in kustwateren

1.2.5.

Definities voor maximaal, goed en matig ecologisch potentieel voor sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen

1.2.6.

Procedure voor de vaststelling van chemische kwaliteitsnormen door de lidstaten

1.3.

Monitoring van de ecologische en de chemische toestand van oppervlaktewateren

1.3.1.

Opzet van de toestand- en trendmonitoring

1.3.2.

Opzet van de operationele monitoring

1.3.3.

Opzet van de monitoring voor nader onderzoek

1.3.4.

Meetfrequentie

1.3.5.

Aanvullende monitoringsvoorschriften voor beschermde gebieden

1.3.6.

Normen voor de monitoring van kwaliteitselementen

1.4.

Indeling en presentatie van de ecologische toestand

1.4.1.

Vergelijkbaarheid van de biologische monitoringsresultaten

1.4.2.

Presentatie van de monitoringsresultaten en klasse-indeling van ecologische toestand en ecologisch potentieel

1.4.3.

Presentatie van de monitoringsresultaten en klasse-indeling van chemische toestand

2.

GRONDWATER

2.1.

Kwantitatieve toestand van grondwater

2.1.1.

Parameter voor de klasse-indeling van kwantitatieve toestand

2.1.2.

Definitie van kwantitatieve toestand

2.2.

Monitoring van de kwantitatieve toestand van grondwater

2.2.1.

Meetnet voor de grondwaterstand

2.2.2.

Dichtheid van het meetnet

2.2.3.

Meetfrequentie

2.2.4.

Interpretatie en presentatie van de kwantitatieve toestand van grondwater

2.3.

Chemische toestand van grondwater

2.3.1.

Parameters voor het bepalen van de chemische toestand van grondwater

2.3.2.

Definitie van goede chemische toestand van grondwater

2.4.

Monitoring van de chemische toestand van grondwater

2.4.1.

Grondwatermeetnet

2.4.2.

Monitoring met het oog op toezicht

2.4.3.

Operationele monitoring

2.4.4.

Bepaling van trends van verontreinigende stoffen

2.4.5.

Interpretatie en presentatie van de chemische toestand van grondwater

2.5.

Presentatie van de grondwatertoestand

1.   OPPERVLAKTEWATERTOESTAND

1.1.   Kwaliteitselementen voor de klasse-indeling naar ecologische toestand

▼M8

1.1.1.   Rivieren

Biologische elementen

Samenstelling en abundantie van de waterflora

Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna

Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna

Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Hydrologisch regime

Kwantiteit en dynamiek van de waterstroming

Verbinding met grondwaterlichamen

Riviercontinuïteit

Morfologische omstandigheden

Variaties in rivierdiepte en -breedte

Structuur en substraat van de rivierbedding

Structuur van de oeverzone

Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Thermische omstandigheden

Zuurstofhuishouding

Zoutgehalte

Verzuringstoestand

Nutriënten

1.1.2.   Meren

Biologische elementen

Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton

Samenstelling en abundantie van de overige waterflora

Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna

Samenstelling, abundantie en leeftijdsopbouw van de visfauna

Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Hydrologisch regime

Kwantiteit en dynamiek van de waterstroming

Verblijftijd

Verbinding met het grondwaterlichaam

Morfologische omstandigheden

Variatie van de meerdiepte

Kwantiteit, structuur en substraat van de meerbodem

Structuur van de meeroever

Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Doorzicht

Thermische omstandigheden

Zuurstofhuishouding

Zoutgehalte

Verzuringstoestand

Nutriënten

1.1.3.   Overgangswateren

Biologische elementen

Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton

Samenstelling en abundantie van de overige waterflora

Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna

Samenstelling en abundantie van de visfauna

Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Morfologische omstandigheden

Dieptevariatie

Kwantiteit, structuur en substraat van de bodem

Structuur van de getijdenzone

Getijdenregime

Zoetwaterstroming

Golfslag

Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Doorzicht

Thermische omstandigheden

Zuurstofhuishouding

Zoutgehalte

Nutriënten

1.1.4.   Kustwateren

Biologische elementen

Samenstelling, abundantie en biomassa van het fytoplankton

Samenstelling en abundantie van de overige waterflora

Samenstelling en abundantie van de bentische ongewervelde fauna

Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Morfologische omstandigheden

Dieptevariatie

Structuur en substraat van de kustbodem

Structuur van de getijdenzone

Getijdenregime

Overheersende stroomrichtingen

Golfslag

Algemene fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen

Doorzicht

Thermische omstandigheden

Zuurstofhuishouding

Zoutgehalte

Nutriënten

▼B

1.1.5.   Kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen

Voor kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen gelden de kwaliteitselementen van één van de vier voornoemde categorieën natuurlijk oppervlaktewater, en wel die waarmee het betrokken sterk veranderde of kunstmatige waterlichaam de grootste overeenkomst vertoont.

1.2.   Normatieve definities van ecologische toestandsklassen

Tabel 1.2   Algemene definities voor rivieren, meren, overgangswateren en kustwateren



In de volgende tekst wordt een algemene definitie gegeven van ecologische kwaliteit. Ten behoeve van de klasse-indeling staan de waarden voor de kwaliteitselementen van de ecologische toestand voor elke categorie oppervlaktewater in de tabellen 1.2.1—1.2.4.

Definitie

Zeer goed

Goed

Matig

Algemeen

Er zijn geen of slechts zeer geringe antropogene wijzigingen in de waarden van de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam ten opzichte van wat normaal is voor dat type in onverstoorde staat.

De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het oppervlaktewaterlichaam zijn normaal voor dat type in onverstoorde staat, en er zijn geen of slechts zeer geringe tekenen van verstoring.

Dit zijn de typespecifieke omstandigheden en gemeenschappen.

De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam vertonen een geringe mate van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten, maar wijken slechts licht af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat.

De waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam wijken matig af van wat normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat. De waarden vertonen matige tekenen van verstoring ten gevolge van menselijke activiteiten en zijn significant meer verstoord dan bij een goede toestand.

Wateren waarvan de toestand minder dan matig is, worden als ontoereikend of slecht ingedeeld:

wateren die tekenen van sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin de relevante biologische gemeenschappen sterk afwijken van wat normaal is voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat, worden als ontoereikend ingedeeld;

wateren die tekenen van zeer sterke wijzigingen vertonen in de waarden van de biologische kwaliteitselementen voor het type oppervlaktewaterlichaam en waarin grote delen van de relevante biologische gemeenschappen die normaal zijn voor dat type oppervlaktewaterlichaam in onverstoorde staat ontbreken, worden als slecht ingedeeld.

1.2.1.   Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in rivieren



Biologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Fytoplankton

De taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt geheel overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.

Planktonbloei treedt op met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.

Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de systeemeigen planktonbloei.

De samenstelling van planktontaxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap.

De abundantie is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de waarden van andere biologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen.

Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan aanhoudende bloei voorkomen.

Macrofyten en fytobenthos

De taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.

De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.

De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de systeemeigen gemeenschap en is significant meer verstoord dan bij een goede toestand.

Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar.

De fytobentische gemeenschap kan verstoord en in sommige gebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.

Bentische ongewervelde fauna

Taxonomische samenstelling en abundantie komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.

De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.

De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.

Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.

Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en niveau van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.

Visfauna

Samenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.

De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.

De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydro-morfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige verstoring in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.

Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.

De leeftijdsopbouw van de visgemeenschappen vertoont duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.



Hydromorfologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Hydrologisch regime

Stromingskwantiteit en -dynamiek en de daaruit voortvloeiende verbindingen met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Riviercontinuïteit

De continuïteit van de rivier wordt niet verstoord door menselijke activiteiten en een onverstoorde migratie van waterorganismen en sedimenttransport is mogelijk.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Morfologische omstandigheden

Kanaalpatronen, breedte- en dieptevariaties, stroomsnelheden, substraatomstandigheden en zowel de structuur als de toestand van de oeverzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼M8



Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Algemene omstandigheden

De waarden van de algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het typespecifieke ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼B

1.2.2.   Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in meren



Biologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Fytoplankton

De taxonomische samenstelling van fytoplankton komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De gemiddelde abundantie van fytoplankton komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant gewijzigd is.

Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de planktontaxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.

Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.

Samenstelling en abundantie van planktontaxa verschillen matig van de typespecifieke gemeenschappen.

De biomassa is matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring optreedt in de toestand van andere biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische kwaliteit van het water of sediment.

Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van planktonbloei. In de zomermaanden kan persistente bloei voorkomen.

Macrofyten en fytobenthos

De taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Er zijn geen waarneembare veranderingen in de gemiddelde macrofytische en fytobentische abundantie.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macrofytische en fytobentische taxa in vergelijking met de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water.

De fytobentische gemeenschap wordt niet negatief beïnvloed door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.

De samenstelling van macrofytische en fytobentische taxa verschilt matig van de typespecifieke gemeenschappen en is significant meer verstoord dan bij een goede kwaliteit.

Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macrofyten en fytobenthos zijn aantoonbaar.

De fytobentische gemeenschap kan gehinderd en in sommige gebieden verdrongen worden door bacterievlokken en -lagen ten gevolge van menselijke activiteiten.

Bentische ongewervelde fauna

De taxonomische samenstelling en abundantie komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt niet af van de onverstoorde niveaus.

De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt niet af van het onverstoorde niveau.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.

De diversiteit van ongewervelde taxa wijkt licht af van de typespecifieke niveaus.

Samenstelling en abundantie van ongewervelde taxa verschillen matig van de typespecifieke toestanden.

Belangrijke taxonomische groepen van de typespecifieke gemeenschap ontbreken.

De verhouding tussen voor verstoring gevoelige taxa en ongevoelige taxa en de mate van diversiteit zijn aanzienlijk lager dan het typespecifieke niveau en significant lager dan bij een goede toestand.

Visfauna

Samenstelling en abundantie van de soorten komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde omstandigheden.

Alle typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten zijn aanwezig.

De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont weinig tekenen van antropogene verstoring en wijst niet op een storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de soorten ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische en hydromorfologische kwaliteitselementen.

De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont tekenen van verstoring ten gevolge van antropogene effecten op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen en wijst in enkele gevallen op een zodanige storing in de voortplanting of ontwikkeling van een bepaalde soort dat sommige leeftijdsklassen kunnen ontbreken.

Samenstelling en abundantie van vissoorten verschillen matig van die van de typespecifieke gemeenschappen ten gevolge van antropogene invloeden op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.

De leeftijdsstructuur van de visgemeenschappen vertoont op fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen duidelijke tekenen van zodanige antropogene verstoringen dat een matig deel van de typespecifieke soorten ontbreekt of een zeer lage abundantie heeft.



Hydromorfologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Hydrologisch regime

Stromingskwantiteit en -dynamiek, niveau, verblijftijd en de daaruit voortvloeiende verbinding met het grondwater weerspiegelen geheel of vrijwel geheel de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.

Morfologische omstandigheden

Variatie van de meerdiepte, kwantiteit en structuur van het substraat en zowel de structuur als de toestand van de meeroeverzone komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die kloppen met de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen.

▼M8



Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Algemene omstandigheden

De waarden van de algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Zoutgehalte, pH, zuurstofbalans, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en temperatuur vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofbalans, pH, zuurneutraliserend vermogen, doorzicht en zoutgehalte bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼B

1.2.3.   Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in overgangswateren



Biologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Fytoplankton

Samenstelling en abundantie van de fytoplanktontaxa komen overeen met de onverstoorde staat.

De gemiddelde biomassa van fytoplankton komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.

Planktonbloei geschiedt met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de fytoplanktontaxa.

Er zijn lichte veranderingen in de biomassa ten opzichte van de typespecifieke omstandigheden. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van algen die leidt tot een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water.

Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.

Samenstelling en abundantie van de fytoplanktontaxa verschillen matig van de typespecifieke omstandigheden.

De biomassa wordt matig verstoord en kan van dien aard zijn dat een significante ongewenste verstoring in de conditie van andere biologische kwaliteitselementen optreedt.

Er kan zich een matige stijging in frequentie en intensiteit van planktonbloei voordoen. In de zomermaanden kan aanhoudende bloei voorkomen.

Macroalgen

De samenstelling van macroalgentaxa komt overeen met de onverstoorde staat.

Er zijn geen waarneembare veranderingen in de macroalgenbezetting ten gevolge van menselijke activiteiten.

Er zijn lichte veranderingen in samenstelling en abundantie van de macroalgentaxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde groei van fytobenthos of hogere vormen van plantaardig leven die leiden tot ongewenste verstoringen van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de fysisch-chemische kwaliteit van het water.

De samenstelling van de macroalgentaxa verschilt matig van de typespecifieke omstandigheden en is significant meer verstoord dan bij goede kwaliteit.

Matige veranderingen in de gemiddelde abundantie van macroalgen zijn aantoonbaar, die van dien aard kunnen zijn dat zij leiden tot een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen.

Angiospermen

De taxonomische samenstelling komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Er zijn geen waarneembare veranderingen in de abundantie van angiospermen ten gevolge van menselijke activiteiten.

Er zijn lichte veranderingen in de samenstelling van de angiospermentaxa ten opzichte van de typespecifieke gemeenschappen.

De abundantie van angiospermen vertoont lichte tekenen van verstoring.

De samenstelling van de angiospermentaxa verschilt matig van de typespecifieke gemeenschappen en is significant meer verstoord dan bij goede kwaliteit.

Er zijn matige storingen in de abundantie van de angiospermentaxa.

Bentische ongewervelde fauna

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa blijft binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Alle voor verstoring gevoelige taxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa ligt enigszins buiten de grenzen die normaal zijn voor de typespecifieke omstandigheden.

De meeste gevoelige taxa van de typespecifieke gemeenschappen zijn aanwezig.

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa ligt matig buiten de grenzen die normaal zijn voor de typespecifieke omstandigheden.

Taxa die wijzen op verontreiniging zijn aanwezig.

Vele gevoelige taxa van de typespecifieke gemeenschappen ontbreken.

Visfauna

Samenstelling en abundantie van de soorten komen overeen met de onverstoorde staat.

De abundantie van de voor verstoring gevoelige soorten vertoont lichte tekenen van verstoring ten opzichte van de typespecifieke omstandigheden ten gevolge van antropogene effecten op de fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.

Een matig deel van de typespecifieke voor verstoring gevoelige soorten ontbreekt ten gevolge van antropogene effecten op fysisch-chemische of hydromorfologische kwaliteitselementen.



Hydromorfologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Getijdenregime

Het zoetwaterstromingsregime komt geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Morfologische omstandigheden

Dieptevariaties, substraatomstandigheden en zowel de structuur als de conditie van de getijdenzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼M8



Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Algemene omstandigheden

De algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofbalans en doorzicht vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofhuishouding en doorzicht bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼B

1.2.4.   Definities voor zeer goede, goede en matige ecologische toestand in kustwateren



Biologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Fytoplankton

Samenstelling en abundantie van fytoplanktontaxa komen overeen met de onverstoorde staat.

De gemiddelde fytoplanktonbiomassa komt overeen met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden en is niet zodanig dat het typespecifieke doorzicht significant is gewijzigd.

Er is planktonbloei met een frequentie en intensiteit die overeenkomt met de typespecifieke fysisch-chemische omstandigheden.

Samenstelling en abundantie van fytoplanktontaxa vertonen lichte tekenen van verstoring.

Er zijn lichte veranderingen in de biomassa ten opzichte van de typespecifieke omstandigheden. Die veranderingen wijzen niet op een versnelde algengroei die leidt tot een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen of de waterkwaliteit.

Er kan zich een lichte stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de typespecifieke planktonbloei.

Samenstelling en abundantie van de planktontaxa vertonen tekenen van matige verstoring.

De algenbiomassa ligt aanzienlijk buiten wat normaal is voor de typespecifieke omstandigheden, zodat zij effecten heeft op de overige biologische kwaliteitselementen.

Er kan zich een matige stijging voordoen in de frequentie en intensiteit van de planktonbloei. In de zomermaanden kan een persistente bloei voorkomen.

Macroalgen en angiospermen

Alle voor verstoring gevoelige macroalgen- en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.

De macroalgenbezetting en de abundantie van angiospermen komen overeen met de onverstoorde staat.

De meeste voor verstoring gevoelige macroalgen- en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.

De macroalgenbezetting en de abundantie van angiospermen vertonen lichte tekenen van verstoring.

Een matig aantal voor verstoring gevoelige macroalgen en angiospermentaxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat, ontbreken.

De macroalgenbezetting en de abundantie van angiospermen zijn matig verstoord en kunnen van dien aard zijn dat zij een ongewenste verstoring van het evenwicht van de in het waterlichaam aanwezige organismen ten gevolge hebben.

Bentische ongewervelde fauna

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Alle voor verstoring gevoelige taxa die normaal zijn voor de onverstoorde staat zijn aanwezig.

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa liggen enigszins buiten de grenzen die normaal zijn voor de typespecifieke omstandigheden.

De meeste gevoelige taxa van de typespecifieke gemeenschappen zijn aanwezig.

De diversiteit en abundantie van ongewervelde taxa liggen matig buiten de grenzen die normaal zijn voor de typespecifieke omstandigheden.

Er zijn taxa aanwezig die wijzen op verontreiniging.

Vele gevoelige taxa van de typespecifieke gemeenschappen ontbreken.



Hydromorfologische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Getijdenregime

Het zoetwaterstromingsregime en de stroomrichting en -snelheid van de overheersende stromingen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Morfologische omstandigheden

Dieptevariatie, structuur en substraat van de kustbodem en zowel de structuur als de conditie van de getijdenzones komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼M8



Algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen

Element

Zeer goed

Goed

Matig

Algemene omstandigheden

De algemene fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat.

De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofbalans en doorzicht vertonen geen tekenen van antropogene verstoring en blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofhuishouding en doorzicht bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼B

1.2.5.   Definities voor maximaal, goed en matig ecologisch potentieel voor sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen



▼M8 —————

▼B

Element

Maximaal ecologisch potentieel

Goed ecologisch potentieel

Matig ecologisch potentieel

Biologische kwaliteitselementen

De waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen zijn zoveel mogelijk normaal voor het meest vergelijkbare type oppervlaktewaterlichaam, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam.

Er zijn lichte veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.

Er zijn matige veranderingen in de waarden van de relevante biologische kwaliteitselementen ten opzichte van de waarden bij maximaal ecologisch potentieel.

Deze waarden zijn aanzienlijk meer verstoord dan bij goede kwaliteit.

Hydromorfologische elementen

De hydromorfologische omstandigheden zijn zodanig als verwacht mag worden wanneer het oppervlaktewaterlichaam alleen de effecten ondergaat die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het waterlichaam, nadat alle uitvoerbare kwaliteitsverbeteringsmaatregelen zijn genomen om te zorgen voor het beste ecologische continuum, met name voor wat betreft de migratie van fauna en geschikte paaigronden en kraamkamers.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

Fysisch-chemische elementen

 

 

 

Algemene omstandigheden

De fysisch-chemische elementen komen geheel of vrijwel geheel overeen met de onverstoorde staat die normaal is voor het type oppervlaktewaterlichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam.

De nutriëntenconcentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat.

Temperatuur, zuurstofbalans en pH komen overeen met die welke worden aangetroffen in de meest vergelijkbare typen oppervlaktewaterlichamen in onverstoorde staat.

De waarden voor de fysisch-chemische elementen blijven binnen de grenzen die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Temperatuur en PH bereiken geen niveau dat buiten de grenzen ligt die zijn vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

De nutriëntenconcentraties liggen niet boven het niveau dat is vastgesteld om te waarborgen dat het ecosysteem functioneert en dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen worden bereikt.

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

►M8  — ◄

Concentraties van bijna nul en ten minste onder de detectielimieten van de meest geavanceerde analysetechnieken die algemeen worden gebruikt.

De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 1.2.6, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EG en 98/8/EG (<mkn).

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

►M8  — ◄

De concentraties blijven binnen de grenzen die normaal zijn voor de onverstoorde staat in het type oppervlaktelichaam dat het meest vergelijkbaar is met het betrokken kunstmatige of sterk veranderde waterlichaam (an).

De concentraties liggen niet boven de normen die zijn vastgesteld volgens de procedure van punt 1.2.6, onverminderd de Richtlijnen 91/414/EG en 98/8/EG (<mkn).

Omstandigheden die erop wijzen dat de bovenvermelde waarden voor de biologische kwaliteitselementen zijn bereikt.

▼M8 —————

▼B

1.3.   Monitoring van de ecologische en de chemische toestand van oppervlaktewateren

Het meetnet voor oppervlaktewater wordt gevormd volgens de voorschriften van artikel 8. Het meetnet wordt zo opgezet dat een samenhangend, breed overzicht van de ecologische en chemische toestand in elk stroomgebied wordt verkregen en de waterlichamen kunnen worden ingedeeld in vijf klassen overeenkomstig de normatieve definities in punt 1.2. De lidstaten verstrekken in het stroomgebiedsbeheersplan een kaart of kaarten van het meetnet voor oppervlaktewater.

Op basis van de karakterisering en de effectbeoordeling overeenkomstig artikel 5 en bijlage II stellen de lidstaten voor elke periode waarop een stroomgebiedsbeheersplan betrekking heeft, een programma voor toestand- en trendmonitoring en een programma voor operationele monitoring op. In sommige gevallen moeten de lidstaten wellicht ook programma's voor monitoring voor nader onderzoek opstellen.

De lidstaten monitoren de parameters die een aanwijzing geven van de toestand van elk relevant kwaliteitselement. Bij de keuze van de parameters voor de biologische kwaliteitselementen bepalen de lidstaten het geschikte taxonomische niveau om een toereikende betrouwbaarheid en precisie bij de indeling van de kwaliteitselementen te bereiken. In het plan worden schattingen gegeven van de betrouwbaarheid en de precisie van de gegevens die met de monitoringsprogramma's worden verkregen.

▼M8

Indien het meetnet aardobservatie en remote sensing omvat in plaats van lokale monsternamepunten, of andere innovatieve technieken, moet de kaart van het meetnet informatie bevatten over de kwaliteitselementen en de waterlichamen of groepen van waterlichamen die met behulp van dergelijke monitoringmethoden zijn gemonitord. Er wordt verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale monstername- en meetpunten zijn verkregen.

De lidstaten kunnen, naar gelang het geval, passieve bemonsteringsmethoden toepassen om chemische verontreinigende stoffen te monitoren, met name voor screeningdoeleinden en voor beoordeling op lange termijn, op voorwaarde dat met die bemonsteringsmethoden de concentraties van verontreinigende stoffen waarop milieukwaliteitsnormen van toepassing zijn, niet worden onderschat en “het niet bereiken van een goede toestand” op die manier betrouwbaar kan worden vastgesteld en dat er telkens wanneer wordt waargenomen dat een goede toestand niet wordt bereikt, een chemische analyse van monsters van water, biota of sediment wordt uitgevoerd overeenkomstig de toegepaste milieukwaliteitsnormen. De lidstaten kunnen onder dezelfde voorwaarden ook op effect gebaseerde monitoringmethoden toepassen.

▼B

1.3.1.   Opzet van de toestand- en trendmonitoring

Doelstelling

De lidstaten stellen programma's voor monitoring met het oog op toezicht op teneinde informatie te verschaffen met het oog op:

— 
aanvulling en bekrachtiging van de in bijlage II beschreven effectbeoordelingsprocedure;
— 
een doelmatige en efficiënte opzet van toekomstige monitoringsprogramma's;
— 
de beoordeling van veranderingen in de natuurlijke omstandigheden op lange termijn;
— 
de beoordeling van veranderingen op lange termijn ten gevolge van algemeen voorkomende menselijke activiteiten.

De resultaten van deze monitoring worden geëvalueerd en samen met de in bijlage II beschreven effectbeoordelingsprocedure gebruikt om te bepalen welke behoeften er zijn voor monitoringsprogramma's in de lopende en de latere stroomgebiedsbeheersplannen.

Keuze van de meetpunten

De monitoring met het oog op toezicht wordt verricht op voldoende oppervlaktewaterlichamen om de algemene toestand van het oppervlaktewater in elk stroomgebied of deelstroomgebied binnen het stroomgebiedsdistrict te kunnen beoordelen. Bij de keuze van de waterlichamen dragen de lidstaten er zorg voor dat zo nodig monitoring wordt verricht op punten:

— 
waar het waterdebiet significant is binnen het stroomgebiedsdistrict in zijn geheel, met inbegrip van locaties in grote rivieren met een stroomgebied van meer dan 2 500 km2;
— 
waar het aanwezige watervolume significant is binnen het stroomgebiedsdistrict, met inbegrip van grote meren en reservoirs;
— 
waar significante waterlichamen de grens van een lidstaat overschrijden;
— 
die zijn aangewezen uit hoofde van Beschikking 77/795/EEG betreffende informatie-uitwisseling, en

op andere punten die nodig zijn om de verontreinigingsvracht te schatten die de grenzen van lidstaten passeert en welke in het mariene milieu terechtkomt.

▼M8

Keuze van kwaliteitselementen

Monitoring met het oog op toezicht wordt gedurende één jaar in de door het stroomgebiedbeheerplan bestreken periode voor elke monitoringslocatie verricht. De monitoring met het oog op toezicht omvat de volgende elementen:

a) 

de parameters voor alle biologische kwaliteitselementen;

b) 

de parameters voor alle hydromorfologische kwaliteitselementen;

c) 

de parameters voor alle algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen;

d) 

de prioritaire stoffen die in het stroomgebied of het deelstroomgebied geloosd of op andere wijze afgezet worden;

e) 

stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen.

Indien echter bij de vorige monitoring met het oog op toezicht is aangetoond dat het betrokken waterlichaam een goede toestand heeft bereikt en uit de beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten zoals bedoeld in bijlage II niet is gebleken dat de effecten op het waterlichaam zijn veranderd, wordt de monitoring met het oog op toezicht in de periode die door drie opeenvolgende stroomgebiedbeheerplannen wordt bestreken, één keer uitgevoerd.

▼B

1.3.2.   Opzet van de operationele monitoring

▼M8

Operationele monitoring wordt verricht voor alle waterlichamen die volgens de effectbeoordeling overeenkomstig bijlage II, dan wel volgens de monitoring met het oog op toezicht, gevaar lopen de op grond van artikel 4 bepaalde milieudoelstellingen niet te bereiken, alsmede voor waterlichamen waarin prioritaire stoffen worden geloosd of op andere wijze worden afgezet, of waarin stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen in significante hoeveelheden worden geloosd of op andere wijze worden afgezet. Voor prioritaire stoffen worden de meetpunten gekozen overeenkomstig de wetgeving waarbij de toepasselijke milieukwaliteitsnorm is vastgesteld. In alle andere gevallen, ook voor prioritaire stoffen waarvoor geen specifieke voorschriften bestaan, worden de meetpunten als volgt gekozen:

▼B

— 
de toestand vast te stellen van de waterlichamen waarvan gebleken is dat ze gevaar lopen de milieudoelstellingen niet te bereiken;
— 
uit de maatregelenprogramma's resulterende wijzigingen in de toestand van die lichamen te beoordelen.

Het programma kan in de door het stroomgebiedsbeheersplan bestreken periode worden gewijzigd in het licht van de informatie die uit hoofde van de voorschriften van bijlage II of volgens deze bijlage is verkregen, met name voor een verlaging van de frequentie wanneer een effect niet significant wordt geacht of de betrokken belasting is weggenomen.

Keuze van de monitoringslocaties

Operationele monitoring wordt verricht voor alle waterlichamen die volgens de effectbeoordeling overeenkomstig bijlage II, dan wel volgens de monitoring met het oog op toezicht, gevaar lopen de op grond van artikel 4 bepaalde milieudoelstellingen niet te bereiken, alsmede voor waterlichamen waarin op de lijst van prioritaire stoffen voorkomende stoffen worden geloosd. Voor stoffen op de lijst van prioritaire stoffen worden de meetpunten gekozen overeenkomstig de wetgeving waarbij de toepasselijke milieukwaliteitsnorm is vastgesteld. In alle andere gevallen, ook voor stoffen op de lijst van prioritaire stoffen waarvoor geen specifieke voorschriften bestaan, worden de meetpunten als volgt gekozen:

— 
voor lichamen die aan significante belasting uit puntbronnen onderhevig zijn, voldoende meetpunten in elk waterlichaam om de omvang en het effect van de puntbronbelasting te beoordelen. Is een waterlichaam aan meer dan één belasting uit puntbronnen onderhevig, dan mogen meetpunten worden gekozen om de omvang en het effect van die belasting in haar geheel te beoordelen;
— 
voor lichamen die aan significante belasting uit diffuse bronnen onderhevig zijn, voldoende meetpunten binnen een selectie van de waterlichamen om de omvang en het effect van de belasting uit diffuse bronnen te beoordelen. De gekozen waterlichamen moeten representatief zijn voor de relatieve risico's van het bestaan van belasting uit diffuse bronnen, en de relatieve risico's van het niet bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand;
— 
voor lichamen die aan significante hydromorfologische belasting onderhevig zijn, voldoende meetpunten binnen een selectie van de lichamen om de omvang en het effect van de hydromorfologische belasting te beoordelen. De gekozen lichamen moeten een aanwijzing geven omtrent het algehele effect van de hydromorfologische belasting waaraan alle lichamen onderhevig zijn.

Keuze van de kwaliteitselementen

Om de omvang van de belasting waaraan oppervlaktewaterlichamen onderhevig zijn te beoordelen, verrichten de lidstaten monitoring voor de kwaliteitselementen die een aanwijzing geven van de belasting op het lichaam of de lichamen. Om het effect van die belasting te beoordelen, monitoren de lidstaten voorzover nodig:

— 
parameters voor één of meer biologische kwaliteitselementen die het meest gevoelig zijn voor de belasting waaraan de waterlichamen onderhevig zijn;

▼M8

— 
alle in waterlichamen geloosde of op andere wijze afgezette prioritaire stoffen, evenals alle in significante hoeveelheden in waterlichamen geloosde of op andere wijze afgezette stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen;

▼B

— 
parameters voor het hydromorfologische kwaliteitselement dat het meest gevoelig is voor de geconstateerde belasting.

1.3.3.   Opzet van de monitoring voor nader onderzoek

Doelstelling

Monitoring voor nader onderzoek wordt verricht:

— 
wanneer de reden voor een overschrijding niet bekend is,
— 
wanneer volgens de monitoring met het oog op toezicht de ingevolge artikel 4 voor een waterlichaam bepaalde doelstellingen wellicht niet worden bereikt en er nog geen operationele monitoring is ingesteld, om te achterhalen waarom één of meer waterlichamen de milieudoelstellingen niet bereiken, of
— 
om de omvang en het effect van een incidentele verontreiniging vast te stellen,

en moet informatie verschaffen voor de vaststelling van een maatregelenprogramma om de milieudoelstellingen te bereiken, en van specifieke maatregelen die nodig zijn om de gevolgen van incidentele verontreiniging te verhelpen.

1.3.4.   Meetfrequentie

Voor de periode van toestand- en trendmonitoring gelden de hieronder vermelde meetfrequenties voor parameters die een indicatie geven voor fysisch-chemische kwaliteitselementen, tenzij langere tussenpozen op grond van technische kennis en deskundige beoordeling gerechtvaardigd zijn. Voor biologische of hydromorfologische kwaliteitselementen wordt tijdens de toestand- en trendmonitoringsperiode ten minste één keer monitoring verricht.

Voor operationele monitoring wordt door de lidstaten voor elke parameter de vereiste meetfrequentie vastgesteld met het oog op voldoende gegevens voor een betrouwbare beoordeling van de toestand van het betrokken kwaliteitselement. In de regel dient de monitoring te geschieden met tussenpozen die niet langer zijn dan aangegeven in de navolgende tabel, tenzij langere tussenpozen op grond van technische kennis en deskundige beoordeling gerechtvaardigd zijn.

De frequenties worden gekozen met het oog op een aanvaardbare betrouwbaarheidsgraad en precisie. Het stroomgebiedsbeheersplan bevat schattingen van de met het gebruikte monitoringssysteem verkregen betrouwbaarheid en precisie.

▼M8

De meetfrequenties worden zo nodig bijgesteld om rekening te houden met de variabiliteit van parameters ten gevolge van antropogene en natuurlijke factoren.

De meettijdstippen worden zo gekozen dat rekening wordt gehouden met de invloed van seizoenvariaties in het gebruik van stoffen of in waterniveaus op de meetresultaten om ervoor te zorgen dat de resultaten een nauwkeurig beeld geven van veranderingen in het waterlichaam, veroorzaakt door antropogene belasting en variabiliteit van het klimaat. Met betrekking tot prioritaire stoffen waarvan de concentratie als gevolg van seizoensschommelingen in het gebruik waarschijnlijk over korte perioden een piek zal bereiken, wordt de monitoring tijdens die piekperioden zo nodig met kortere tussenpozen uitgevoerd dan bij andere stoffen, om ervoor te zorgen dat adequate gegevens over de concentratie van die stoffen worden verkregen.

▼B



Kwaliteitselement

Rivieren

Meren

Overgangswater

Kustwateren

Biologisch

Fytoplankton

Zes maanden

Zes maanden

Zes maanden

Zes maanden

Andere waterflora

Drie jaar

Drie jaar

Drie jaar

Drie jaar

Macro-invertebrata

Drie jaar

Drie jaar

Drie jaar

Drie jaar

Vis

Drie jaar

Drie jaar

Drie jaar

 

Hydromorfologisch

Continuïteit

Zes jaar

 

 

 

Hydrologie

Continu

Eén maand

 

 

Morfologie

Zes jaar

Zes jaar

Zes jaar

Zes jaar

Fysisch-chemisch

Thermische omstandigheden

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Zuurstofvoorziening

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Zoutgehalte

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

 

Nutriënten

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Verzuringstoestand

Drie maanden

Drie maanden

 

 

►M8  Stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen ◄

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Drie maanden

Prioritaire stoffen

Eén maand

Eén maand

Eén maand

Eén maand

1.3.5.   Aanvullende monitoringsvoorschriften voor beschermde gebieden

De voorgaande voorgeschreven monitoringsprogramma's worden aangevuld om aan de volgende voorschriften te voldoen.

Drinkwateronttrekkingspunten

Ingevolge artikel 7 aangewezen oppervlaktewaterlichamen die gemiddeld meer dan 100 m3 per dag leveren, worden als monitoringslocaties aangewezen en zo nodig aan aanvullende monitoring onderworpen om aan de voorschriften van dat artikel te voldoen. Die lichamen worden gemonitored op alle geloosde prioritaire stoffen en op alle andere in significante hoeveelheden geloosde stoffen die de toestand van het waterlichaam kunnen beïnvloeden en die uit hoofde van de drinkwaterrichtlijn beheersd worden. De monitoring wordt verricht met de volgende frequenties:



Bevolking

Frequentie

<10 000

Vier keer per jaar

10 000 tot 30 000

Acht keer per jaar

>30 000

Twaalf keer per jaar

Beschermingsgebieden voor habitats en soorten

Indien waterlichamen zulke gebieden vormen, worden zij opgenomen in het bovengenoemde programma voor operationele monitoring indien volgens de effectbeoordeling en de monitoring met het oog op toezicht de kans bestaat dat de in artikel 4 gestipuleerde milieudoelstellingen niet worden bereikt. De monitoring wordt verricht om de omvang en het effect van elke relevante significante belasting van die lichamen en, zo nodig, de uit de maatregelenprogramma's resulterende veranderingen in de toestand van die lichamen te beoordelen. De monitoring wordt voortgezet totdat de gebieden voldoen aan de voorschriften met betrekking tot water van de regeling waarbij zij zijn aangewezen en de doelstellingen van artikel 4 zijn bereikt.

▼M7

1.3.6.    Normen voor de monitoring van kwaliteitselementen

De voor de monitoring van systeemparameters gebruikte methoden moeten in overeenstemming zijn met de hieronder vermelde internationale normen voor zover zij betrekking hebben op monitoring, of met andere nationale of internationale normen die waarborgen dat wetenschappelijk gelijkwaardige en even vergelijkbare gegevens worden verkregen.

Normen voor de bemonstering van biologische kwaliteitselementen

Generieke methoden voor gebruik met de in de normen vastgestelde specifieke methoden met betrekking tot de volgende biologische kwaliteitselementen:



EN ISO 5667-3:2012

Water — Monsterneming — Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters

Normen voor fytoplankton



EN 15204:2006

Kwaliteit van water — Richtlijn voor het tellen van fytoplankton met behulp van omgekeerde microscopie (Utermöhl-techniek)

EN 15972:2011

Water — Richtlijn voor kwantitatief en kwalitatief onderzoek van marien fytoplankton

ISO 10260:1992

Water — Meting van biochemische parameters — Spectrometrische bepaling van het chlorofyl-a-gehalte

Normen voor macrofyten en fytobenthos



EN 15460:2007

Water — Richtlijn voor de inventarisatie van macrofyten in meren

EN 14184:2014

Water — Richtlijn voor de inventarisatie van aquatische macrofyten in stromende wateren

EN 15708:2009

Water — Richtlijn voor de inventarisatie, bemonstering en laboratoriumanalyse van fytobenthos in ondiep snelstromend water

EN 13946:2014

Water — Richtlijn voor de routinematige monsterneming en monstervoorbehandeling van bentische diatomeeën in rivieren en meren

EN 14407:2014

Water — Richtlijn voor de determinatie, telling en interpretatie van monsters van bentische diatomeeën van rivieren en meren

Normen voor bentische invertebraten



EN ISO 10870:2012

Water — Richtlijn voor de selectie van methoden en hulpmiddelen voor de monsterneming van bentische macro-invertebraten in zoet water

EN 15196:2006

Water — Richtlijn voor bemonstering en behandeling van pupal exuviae van de Chironomidae (orde Diptera) voor ecologische beoordeling

EN 16150:2012

Water — Richtlijn voor de pro rata multi-habitatmonsterneming van bentische macro-invertebraten in ondiep water

EN ISO 19493:2007

Water — Richtlijn voor marien biologisch onderzoek van litorale en sublitorale verharde bodem

EN ISO 16665:2013

Water — Richtlijnen voor kwantitatieve monsterneming en monsterbehandeling van macrofauna in marien zacht substraat

Normen voor vis



EN 14962:2006

Water — Richtlijn over het toepassingsgebied en keuze van methoden voor monsterneming van vis

EN 14011:2003

Water — Bemonstering van vis met behulp van elektriciteit

EN 15910:2014

Waterkwaliteit — Richtlijn voor de schatting van de visdichtheid met mobiele hydro-akoestische methoden

EN 14757:2005

Waterkwaliteit — Bemonstering van vis met behulp van visnetten met meerdere maasgroottes

Normen voor hydromorfologische parameters



EN 14614:2004

Water — Richtlijn voor de beoordeling van hydromorfologische kenmerken van rivieren

EN 16039:2011

Water — Richtlijn voor de beoordeling van hydromorfologische kenmerken van meren

Normen voor fysisch-chemische parameters

Alle relevante CEN/ISO-normen

▼B

1.4.   Indeling en presentatie van de ecologische toestand

1.4.1.   Vergelijkbaarheid van de biologische monitoringsresultaten

i) 

De lidstaten stellen monitoringssystemen in om de waarden van de voor elke oppervlaktewatercategorie of voor sterk veranderde en kunstmatige oppervlaktewaterlichamen gespecifieerde biologische kwaliteitselementen te schatten. Bij toepassing van de navolgende procedure op sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen gelden verwijzingen naar de ecologische toestand als verwijzingen naar het ecologische potentieel. Deze systemen mogen gebruikmaken van specifieke soorten of groepen van soorten die representatief zijn voor het kwaliteitselement in zijn geheel.

ii) 

Om de vergelijkbaarheid van de monitoringssystemen te waarborgen, worden de resultaten van de door de afzonderlijke lidstaten gebruikte systemen uitgedrukt in ecologische kwaliteitscoëfficiënten met het oog op de indeling naar ecologische toestand. Die coëfficiënten geven de verhouding aan tussen de waarden van de voor een bepaald oppervlaktewaterlichaam vastgestelde biologische parameters en de waarden van die parameters onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.

iii) 

Elke lidstaat verdeelt de schaal van de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor zijn monitoringssysteem voor elke oppervlaktewatercategorie in vijf klassen, gaande van een zeer goede tot een slechte ecologische toestand, zoals gedefinieerd in punt 1.2, door aan de grenzen tussen de klassen een getalswaarde toe te kennen. De getalswaarde voor de grens tussen de klassen „zeer goede toestand” en „goede toestand” en de getalswaarde voor de grens tussen de klassen „goede toestand” en „matige toestand” worden vastgesteld volgens de hierna beschreven intercalibratie.

iv) 

De Commissie faciliteert deze intercalibratie om ervoor te zorgen dat deze klassengrenzen worden vastgesteld overeenkomstig de normatieve bepalingen van punt 1.2 en zij tussen de lidstaten vergelijkbaar zijn.

v) 

Als onderdeel van de intercalibratie faciliteert de Commissie de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten met het oog op de aanwijzing van een reeks locaties in elke ecoregio in de Gemeenschap. Die locaties gaan een intercalibratienet vormen. Het net zal bestaan uit locaties gekozen uit een reeks in elke ecoregio voorkomende typen van oppervlaktewaterlichamen. Voor elk geselecteerd type oppervlaktewaterlichaam telt het net ten minste twee locaties die overeenkomen met de grens tussen de normatieve bepalingen van „zeer goede toestand” en „goede toestand”, en ten minste twee locaties die overeenkomen met de grens tussen de normatieve bepalingen van „goede toestand” en „matige toestand”. De locaties worden door deskundigen gekozen op basis van gezamenlijke inspecties en alle andere beschikbare informatie.

vi) 

Het monitoringssysteem van elke lidstaat wordt toegepast op de locaties in het intercalibratienet die in de ecoregio liggen en tot een type oppervlaktewaterlichaam behoren waarop het systeem uit hoofde van de voorschriften van deze richtlijn zal worden toegepast. De resultaten van deze toepassing worden gebruikt om de getalswaarden voor de betrokken klassengrenzen in het monitoringssysteem van elke lidstaat te bepalen.

▼M2

vii) 

De Commissie stelt een ontwerpregister op van de locaties die het intercalibratienet zullen vormen. ►M8  ————— ◄

▼M8 —————

▼M8

ix) 

De resultaten van de intercalibratie en de waarden voor de klassen van het monitoringssysteem van elke lidstaat, vastgesteld overeenkomstig de punten i) tot en met viii), worden binnen zes maanden na de vaststelling van de uitvoeringshandeling gepubliceerd in overeenstemming met artikel 21.

▼B

1.4.2.   Presentatie van de monitoringsresultaten en klassenindeling van ecologische toestand en ecologisch potentieel

i) 



Voor oppervlaktewatercategorieën wordt de indeling van het waterlichaam naar ecologische toestand weergegeven met de laagste waarde van de resultaten van de biologische en fysisch-chemische monitoring van de toepasselijke kwaliteitselementen, overeenkomstig de eerste kolom van de navolgende tabel. De lidstaten verstrekken voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar ecologischetoestand, met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de tabel, om de indeling naar ecologische toestand van het waterlichaam aan te geven.

Indeling naar ecologische toestand

Kleurcode

Zeer goed

Blauw

Goed

Groen

Matig

Geel

Ontoereikend

Oranje

Slecht

Rood

ii) 



Voor sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen wordt de indeling van het waterlichaam naar ecologisch potentieel weergegeven met de laagste waarde van de resultaten van de biologische en fysisch-chemische monitoring van de relevante kwaliteitselementen overeenkomstig de eerste kolom van de navolgende tabel. De lidstaten verstrekken voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar ecologisch potentieel waarbij voor kunstmatige waterlichamen gebruik wordt gemaakt van de kleurcodering in de tweede kolom van de tabel hieronder, en voor sterk veranderde waterlichamen van de kleurcodering in de derde kolom van die tabel.

Indeling naar ecologisch potentieel

Kleurcode

Kunstmatige waterlichamen

Sterk veranderde waterlichamen

Goed en hoger

Gelijke groene en lichtgrijze strepen

Gelijke groene en donkergrijze strepen

Matig

Gelijke gele en lichtgrijze strepen

Gelijke gele en donkergrijze strepen

Ontoereikend

Gelijke oranje en lichtgrijze strepen

Gelijke oranje en donkergrijze strepen

Slecht

Gelijke rode en lichtgrijze strepen

Gelijke rode en donkergrijze strepen

iii) 

Tevens geven de lidstaten met een zwarte stip op de kaart de waterlichamen aan die geen goede toestand of geen goed ecologisch potentieel bereiken omdat zij niet voldoen aan één of meer van de milieukwaliteitsnormen die voor dat waterlichaam zijn vastgesteld voor synthetische en niet-synthetische verontreinigende stoffen (in overeenstemming met de door de lidstaat vastgestelde regeling).

▼M8

iv) 

De lidstaten kunnen aanvullende kaarten verstrekken met afzonderlijke informatie over de ecologische kwaliteit voor een of meer van de volgende kwaliteitselementen:

— 
Biologische elementen;
— 
Hydromorfologische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen;
— 
Fysisch-chemische elementen die mede bepalend zijn voor de biologische elementen.

De lidstaten kunnen ook kaarten of tabellen verstrekken waarop, respectievelijk waarin de mate van verandering voor die kwaliteitselementen ten opzichte van de vorige planningscyclus wordt aangegeven.

▼B

1.4.3.   Presentatie van de monitoringsresultaten en klassenindeling van chemische toestand

▼M8

Een waterlichaam wordt geregistreerd als een waterlichaam dat een goede chemische toestand bereikt wanneer het oppervlaktewater in goede chemische toestand verkeert zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 24. Zo niet, dan wordt geregistreerd dat het waterlichaam geen goede chemische toestand heeft bereikt.

▼B



De lidstaten verstrekken voor elk stroomgebiedsdistrict een kaart met de indeling van elk waterlichaam naar chemische toestand met gebruikmaking van de kleurcodering in de tweede kolom van de navolgende tabel om de indeling naar chemische toestand van het waterlichaam aan te geven.

Indeling naar chemische toestand

Kleurcode

Goed

Blauw

Niet goed

Rood

▼M8

De lidstaten kunnen aanvullende kaarten verstrekken met de informatie over de chemische toestand van een of meer van de volgende stoffen, afzonderlijk van de informatie over de overige in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG vermelde stoffen:

a) 

prioritaire stoffen die in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG zijn vermeld als stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige persistente bioaccumulerende en toxische stoffen (uPBT’s);

b) 

de in het kader van de meest recente toetsing door de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 2 van deze richtlijn nieuw vastgestelde stoffen;

c) 

prioritaire stoffen waarvoor bij de meest recente toetsing overeenkomstig artikel 16, lid 2, van deze richtlijn een herziene en strengere milieukwaliteitsnorm is vastgesteld;

d) 

stoffen die overeenkomstig artikel 8 quinquies van Richtlijn 2008/105/EG en op grond van de overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn verrichte beoordeling van de belastingen en effecten op oppervlaktewaterlichamen als stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen zijn aangemerkt.

De lidstaten kunnen in de stroomgebiedbeheerplannen ook de grootte van een afwijking van de milieukwaliteitsnormen voor de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde stoffen aangeven. De lidstaten die aanvullende kaarten verstrekken, streven ernaar dat die op het niveau van het stroomgebied en op Unieniveau onderling vergelijkbaar zijn.

▼B

2.   GRONDWATER

2.1.   Kwantitatieve toestand van grondwater

2.1.1.   Parameter voor de indeling naar kwantitatieve toestand

Regeling voor de grondwaterstand

2.1.2.   Definitie van kwantitatieve toestand



Element

Goede toestand

Grondwaterstand

De grondwaterstand in het grondwaterlichaam is van dien aard dat de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn de beschikbare grondwatervoorraad niet overschrijdt.

Dienovereenkomstig ondergaat de grondwaterstand geen zodanige antropogene veranderingen dat:

— de milieudoelstellingen volgens artikel 4 voor bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt,

— de toestand van die wateren significant achteruitgaat,

— significante schade wordt toegebracht aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn,

en er kunnen zich tijdelijk, of in een ruimtelijk beperkt gebied voortdurend, veranderingen voordoen in de stroomrichting ten gevolge van veranderingen in de grondwaterstand, maar zulke omkeringen veroorzaken geen intrusies van zout water of stoffen van andere aard en wijzen niet op een aanhoudende, duidelijk te constateren antropogene tendens in de stroomrichting die vermoedelijk tot zulke intrusies zal leiden.

2.2.   Monitoring van de kwantitatieve toestand van grondwater

2.2.1.   Meetnet voor de grondwaterstand

Het grondwatermeetnet wordt ingesteld volgens de voorschriften van de artikelen 7 en 8. Het meetnet wordt zodanig opgezet dat het een betrouwbaar beeld geeft van de kwantitatieve toestand van alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen, met inbegrip van een beoordeling van de beschikbare grondwatervoorraad. De lidstaten verstrekken één of meer kaarten van het grondwatermeetnet in het stroomgebiedsbeheersplan.

▼M8

Indien het meetnet aardobservatie of remote sensing omvat in plaats van lokale monsternamepunten, of andere innovatieve technieken, moet worden verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale monsternamepunten zijn verkregen.

▼B

2.2.2.   Dichtheid van het monitoringsnetwerk

Dit monitoringsnetwerk moet voldoende representatieve meetpunten omvatten om de grondwaterstand in elk grondwaterlichaam of elke groep grondwaterlichamen te kunnen inschatten, waarbij rekening wordt gehouden met variaties in de aanvulling op korte en op lange termijn, en moet met name

— 
voor grondwaterlichamen waarbij de kans bestaat dat zij niet voldoen aan de milieudoelstellingen van artikel 4, een voldoende dicht meetpuntennet hebben om de gevolgen van onttrekkingen en lozingen voor de grondwaterstand te kunnen beoordelen;
— 
voor grondwaterlichamen waarin grondwater over de grens van een lidstaat stroomt, voldoende meetpunten hebben om de richting en snelheid van de grondwaterstroming over de grens van die lidstaat te schatten.

2.2.3.   Meetfrequentie

De frequentie van de waarnemingen moet toereikend zijn voor een beoordeling van de kwantitatieve toestand van elk grondwaterlichaam of elke groep grondwaterlichamen, waarbij rekening wordt gehouden met variaties in de aanvulling op korte en op lange termijn. Met name moet:

— 
voor grondwaterlichamen waarbij de kans bestaat dat zij niet voldoen aan de milieudoelstellingen van artikel 4, de meetfrequentie voldoende hoog zijn voor een beoordeling van de gevolgen van onttrekkingen en lozingen voor de grondwaterstand;
— 
voor grondwaterlichamen waarin grondwater over de grens van een lidstaat stroomt, de meetfrequentie voldoende hoog zijn voor een schatting van de richting en snelheid van de grondwaterstroming over de grens van die lidstaat.

2.2.4.   Interpretatie en presentatie van de kwantitatieve toestand van grondwater

De met het monitoringsnetwerk voor een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen verkregen resultaten worden gebruikt om de kwantitatieve toestand van dat lichaam respectievelijk die lichamen te beoordelen. Onverminderd het bepaalde in punt 2.5 verstrekken de lidstaten een kaart van de aldus gemaakte beoordeling van de kwantitatieve toestand van het grondwater, waarbij gebruik wordt gemaakt van de volgende kleurcodering:

goed : groen;

ontoereikend : rood.

2.3.   Chemische toestand van grondwater

2.3.1.   Parameters voor het bepalen van de chemische toestand van grondwater

Geleidbaarheid

Concentraties van verontreinigende stoffen.

▼M8



2.3.2.  Definitie van goede chemische toestand van grondwater

Element

Goede toestand

Concentraties van verontreinigende stoffen

De chemische samenstelling van het grondwaterlichaam is zodanig dat de concentraties van verontreinigende stoffen, als hierna vermeld:

— geen effecten van zout of andere intrusies vertonen

— de grondwaterkwaliteitsnormen zoals bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG, de drempelwaarden voor grondwaterverontreinigende stoffen en de indicatoren van verontreiniging die zijn vastgelegd op grond van artikel 3, lid 1, onder b), van die richtlijn en de Uniebrede drempelwaarden die zijn vastgelegd op grond van artikel 8, lid 3, van die richtlijn, niet overstijgen

— niet zodanig zijn dat de in artikel 4 aangegeven milieudoelstellingen voor bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt, een significante vermindering van de ecologische of chemische kwaliteit van die waterlichamen optreedt of significante schade wordt toegebracht aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van het grondwaterlichaam

Geleidbaarheid

Veranderingen in de geleidbaarheid wijzen niet op intrusies van zout of van andere stoffen in het grondwaterlichaam

▼B

2.4.   Monitoring van de chemische toestand van grondwater

2.4.1.   Meetnet voor grondwater

Het grondwatermeetnet wordt gevormd volgens de voorschriften van de artikelen 7 en 8. Het meetnet wordt zo opgezet dat een samenhangend totaalbeeld van de chemische toestand van het grondwater in elk stroomgebied wordt gegeven en door de mens veroorzaakte stijgende tendensen op lange termijn bij verontreinigende stoffen aan het licht treden.

Op basis van de in overeenstemming met artikel 5 en bijlage II verrichte karakterisering en effectbeoordeling stellen de lidstaten voor elke periode waarop een stroomgebiedsbeheersplan betrekking heeft, een programma voor toestand- en trendmonitoring op. De resultaten van dat programma worden gebruikt om een programma voor operationele monitoring op te stellen dat voor de resterende periode van het plan wordt gebruikt.

In het plan worden schattingen gegeven van de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de gegevens die met de monitoringsprogramma's worden verkregen.

▼M8

Indien het meetnet aardobservatie of remote sensing omvat in plaats van lokale bemonsteringspunten, of andere innovatieve technieken, moet worden verwezen naar CEN, ISO of andere internationale of nationale normen die zijn toegepast om ervoor te zorgen dat de verkregen temporele en ruimtelijke gegevens even betrouwbaar zijn als die welke met behulp van conventionele monitoringmethoden op lokale monsternamepunten zijn verkregen.

▼B

2.4.2.   Toestand- en trendmonitoring

Doelstelling

De toestand- en trendmonitoring heeft ten doel:

— 
de effectbeoordelingsprocedure aan te vullen en te bekrachtigen;
— 
informatie te verstrekken voor de beoordeling van langetermijntendensen die het gevolg zijn van zowel veranderde natuurlijke omstandigheden als menselijke activiteiten.

Keuze van de monitoringslocaties

Er moeten voldoende monitoringslocaties worden gekozen voor:

— 
lichamen waarvoor volgens de karakterisering overeenkomstig bijlage II het risico bestaat;
— 
lichamen die de grens van een lidstaat overschrijden.

Keuze van de parameters

Voor alle geselecteerde grondwaterlichamen wordt de volgende reeks kernparameters gemonitored:

— 
zuurstofgehalte;
— 
pH-waarde;
— 
geleidbaarheid;
— 
nitraat;
— 
ammonium.

Lichamen waarvan in overeenstemming met bijlage II is vastgesteld dat er een significante kans is dat zij de goede toestand niet bereiken, worden eveneens gemonitored op de parameters die het effect van de betreffende belastingen aangeven.

Grensoverschrijdende waterlichamen worden eveneens gemonitored op de parameters die relevant zijn voor de bescherming van al het door de grondwaterstroming ondersteunde gebruik.

2.4.3.   Operationele monitoring

Doelstelling

In de perioden tussen programma's voor toestand- en trendmonitoring wordt operationele monitoring verricht met de bedoeling:

— 
de chemische toestand vast te stellen van alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen waarbij de kans bestaat dat zij niet aan de normen voldoen;
— 
de aanwezigheid vast te stellen van enige langdurige door de mens veroorzaakte stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof.

Keuze van de monitoringslocaties

Operationele monitoring wordt verricht voor alle grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die volgens zowel de in overeenstemming met bijlage II verrichte effectbeoordeling als de toestand- en trendmonitoring het risico lopen de doelstellingen van artikel 4 niet te bereiken. De keuze van de monitoringslocaties moet tevens een aanwijzing geven van de mate waarin de monitoringsgegevens van die locatie representatief zijn voor de kwaliteit van het betreffende grondwaterlichaam of de betreffende grondwaterlichamen.

▼M8

Meetfrequentie

Operationele monitoring wordt verricht in de perioden tussen programma’s voor toestand- en trendmonitoring, met een voldoende hoge frequentie om de gevolgen van relevante belastingen op te sporen, met inbegrip van, in voorkomend geval, seizoensgebonden variaties in het gebruik van stoffen en variaties in de aanvulling op korte en op lange termijn die van invloed kunnen zijn op de parameters van de chemische toestand, en met een minimumfrequentie van één keer per jaar, tenzij langere tussenpozen op grond van technische kennis en deskundige beoordeling gerechtvaardigd zijn, met name indien kan worden aangetoond dat voor een bepaalde parameter in opeenvolgende jaren geen overschrijding of aanhoudende stijgende tendens is vastgesteld.

▼B

2.4.4.   Bepaling van tendensen bij verontreinigende stoffen

De lidstaten gebruiken gegevens van zowel toestand- en trendmonitoring als monitoring om door de mens veroorzaakte stijgende tendensen op lange termijn in de concentraties van verontreinigende stoffen en omgekeerde tendensen vast te stellen. Het basisjaar of de basisperiode ten opzichte waarvan de tendensen worden berekend, moet worden aangegeven. De tendensen worden berekend voor een grondwaterlichaam of, in voorkomend geval, een groep grondwaterlichamen. Een omkering in een tendens moet statistisch worden aangetoond en de betrouwbaarheidsgraad van die waarneming moet worden aangegeven.

▼M8

2.4.5.    Interpretatie en presentatie van de chemische toestand van grondwater

Voor de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater worden de resultaten van de verschillende meetpunten in een grondwaterlichaam samengevoegd tot een eindresultaat voor het waterlichaam in zijn geheel. De gemiddelde waarde van de monitoringresultaten moet voor elk punt in het grondwaterlichaam of de groep van grondwaterlichamen berekend worden voor de volgende parameters:

a) 

de chemische parameters waarvoor in bijlage I bij Richtlijn 2006/118/EG kwaliteitsnormen zijn vastgelegd;

b) 

de chemische parameters waarvoor op grond van artikel 3, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/118/EG nationale drempelwaarden zijn vastgesteld;

c) 

de chemische parameters waarvoor op grond van artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2006/118/EG Uniebrede drempelwaarden zijn vastgesteld.

De in de eerste alinea bedoelde gemiddelde waarden worden gebruikt om aan te tonen dat voldaan is aan de eis van goede chemische toestand van het grondwater, zoals bepaald aan de hand van de in de eerste alinea bedoelde kwaliteitsnormen en drempelwaarden.

Onverminderd het bepaalde in afdeling 2.5 verstrekken de lidstaten een kaart van de chemische toestand van het grondwater met de volgende kleurcodering:

ontoereikend: rood;
goed: groen.

De lidstaten kunnen aanvullende kaarten verstrekken met informatie over de chemische toestand van een of meer van de volgende stoffen, afzonderlijk van de informatie over de overige in Richtlijn 2006/118/EG genoemde stoffen:

a) 

de in het kader van de meest recente toetsing overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2006/118/EG nieuw vastgestelde stoffen;

b) 

stoffen waarvoor herziene en strengere kwaliteitsnormen (KN) of drempelwaarden zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2006/118/EG.

De lidstaten kunnen in de stroomgebiedbeheerplannen ook de mate van afwijking van de kwaliteitsnormen of drempelwaarden voor de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde stoffen aangeven. De lidstaten die aanvullende kaarten verstrekken, streven ernaar dat die op het niveau van het stroomgebied en op Unieniveau onderling vergelijkbaar zijn.

Voorts duiden de lidstaten met een zwarte stip op de kaart de grondwaterlichamen aan die onderhevig zijn aan een significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten. Een omkering van een dergelijke tendens wordt met een blauwe stip op de kaart aangeduid.

Die kaarten worden in de stroomgebiedbeheerplannen opgenomen.

▼B

2.5.   Presentatie van de toestand van grondwater

In het stroomgebiedsbeheersplan nemen de lidstaten ook een kaart op die voor elk grondwaterlichaam of elke groep grondwaterlichamen zowel de kwantitatieve toestand als de chemische toestand van dat lichaam of die groep lichamen aangeeft volgens de kleurcode van de punten 2.2.4 en 2.4.5. Het staat de lidstaten vrij om geen afzonderlijke kaarten te verstrekken uit hoofde van de punten 2.2.4 en 2.4.5, maar dan moeten zij in overeenstemming met de voorschriften van punt 2.4.5 op de ingevolge dit punt voorgeschreven kaart de lichamen aangeven die onderhevig zijn aan een significante en aanhoudende stijgende tendens in de concentratie van een verontreinigende stof, alsmede omkeringen in zulk een tendens.

BIJLAGE VI LIJST VAN IN DE MAATREGELENPROGRAMMA'S OP TE NEMEN MAATREGELEN




BIJLAGE VI

LIJST VAN IN DE MAATREGELENPROGRAMMA'S OP TE NEMEN MAATREGELEN

DEEL A

Maatregelen vereist op grond van de onderstaande richtlijnen van de Raad:

i) 

de zwemwaterrichtlijn (76/160/EEG);

ii) 

de vogelstandrichtlijn (79/409/EEG) ( 33 );

iii) 

de drinkwaterrichtlijn (80/778/EEG), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/83/EG;

iv) 

de richtlijn zware ongevallen (Seveso-richtlijn) (96/82/EG) ( 34 );

v) 

de milieueffectrapportagerichtlijn (85/337/EEG) ( 35 );

vi) 

de zuiveringsslibrichtlijn (86/278/EEG) ( 36 );

vii) 

de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater (91/271/EEG);

viii) 

de richtlijn gewasbeschermingsmiddelen (91/414/EEG);

ix) 

de nitratenrichtlijn (91/676/EEG);

x) 

de habitatsrichtlijn (92/43/EEG) ( 37 );

xi) 

de richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (96/61/EG).

DEEL B

Het volgende is een niet-limitatieve lijst van aanvullende maatregelen die de lidstaten binnen elk stroomgebiedsdistrict mogen vaststellen als onderdeel van het overeenkomstig artikel 11, lid 4, voorgeschreven maatregelenprogramma:

i) 

wetgevingsinstrumenten;

ii) 

administratieve instrumenten;

iii) 

economische of fiscale instrumenten;

iv) 

in onderhandeling tot stand gekomen milieuovereenkomsten;

v) 

emissiebeheersingsmaatregelen;

vi) 

gedragscodes;

vii) 

scheppen van nieuwe en herstellen van bestaande waterrijke gebieden;

viii) 

onttrekkingsbeheersingsmaatregelen;

ix) 

vraagregulerende maatregelen, onder andere bevordering van aangepaste landbouwproductie, zoals het telen van weinig water behoevende gewassen in aan droogte onderhevige gebieden;

x) 

efficiency- en hergebruiksmaatregelen, onder andere de bevordering van waterefficiënte technologieën in de industrie en waterbesparende irrigatietechnieken;

xi) 

constructieprojecten;

xii) 

ontziltingsinstallaties;

xiii) 

rehabilitatieprojecten;

xiv) 

kunstmatige aanvulling van watervoerende lagen;

xv) 

educatieve projecten;

xvi) 

projecten op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en demonstratie;

xvii) 

overige relevante maatregelen.

BIJLAGE VII STROOMGEBIEDSBEHEERSPLANNEN




BIJLAGE VII

STROOMGEBIEDSBEHEERSPLANNEN

A.

Stroomgebiedsbeheersplannen dienen de volgende elementen te omvatten:

1.

Een algemene beschrijving van de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict zoals voorgeschreven in artikel 5 en bijlage II. Deze moet bevatten:

1.1.

voor oppervlaktewateren:

— 
kaarten met de ligging en de grenzen van de waterlichamen,
— 
kaarten van de ecoregio's en typen oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebied,
— 
bepaling van de referentieomstandigheden voor de typen oppervlaktewaterlichamen;

1.2.

voor grondwater:

— 
kaarten met de ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen;

2.

een overzicht van de significante belastingen en effecten van menselijke activiteiten op de toestand van oppervlakte- en grondwater, met inbegrip van:

— 
een raming van de verontreiniging door puntbronnen;
— 
een raming van de verontreiniging door diffuse bronnen, met inbegrip van een overzicht van het bodemgebruik;
— 
een raming van de druk op de kwantitatieve toestand van het water, met inbegrip van onttrekkingen;
— 
een analyse van de andere gevolgen van menselijke activiteiten op de watertoestand;

3.

vermelding en kaarten van beschermde gebieden zoals voorgeschreven in artikel 6 en bijlage IV;

4.

een kaart van de voor de doeleinden van artikel 8 en bijlage V gevormde monitoringsnetwerken en een presentatie in kaartvorm van de resultaten van de monitoringsprogramma's die uit hoofde van die bepalingen zijn uitgevoerd voor de toestand van:

4.1.

oppervlaktewater (ecologisch en chemisch);

4.2.

grondwater (chemisch en kwantitatief);

4.3.

beschermde gebieden;

5.

een lijst van de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde milieudoelstellingen voor oppervlaktewateren, grondwater en beschermde gebieden, met inbegrip van in het bijzonder aanduiding van de gevallen waarin gebruik is gemaakt van artikel 4, leden 4, 5, 6 en 7, en de overeenkomstig dat artikel voorgeschreven, daarmee verband houdende informatie;

6.

een samenvatting van de economische analyse van het watergebruik zoals voorgeschreven in artikel 5 en bijlage III;

7.

een samenvatting van het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde maatregelenprogramma, met inbegrip van de wijze waarop de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde doelstellingen daardoor moeten worden bereikt;

7.1.

een samenvatting van de maatregelen die vereist zijn om de communautaire waterbeschermingswetgeving toe te passen;

7.2.

een verslag over de praktische stappen en maatregelen die zijn genomen om het beginsel van de terugwinning van de kosten van watergebruik in overeenstemming met artikel 9 toe te passen;

7.3.

een samenvatting van de maatregelen die zijn genomen om aan de voorschriften van artikel 7 te voldoen;

7.4.

een samenvatting van de beheersingsmaatregelen voor wateronttrekking en -opstuwing, met inbegrip van een verwijzing naar de registers en vermelding van de gevallen waarin vrijstelling is verleend overeenkomstig artikel 11, lid 3, onder e);

7.5.

een samenvatting van de beheersingsmaatregelen welke zijn vastgesteld voor puntbronlozingen en andere activiteiten die de watertoestand beïnvloeden, in overeenstemming met artikel 11, lid 3, onder g) en i);

7.6.

aanduiding van de gevallen waarin toestemming is verleend voor directe lozing in grondwater, in overeenstemming met artikel 11, lid 3, onder j);

7.7.

een samenvatting van de in overeenstemming met artikel 16 in verband met prioritaire stoffen genomen maatregelen;

7.8.

een samenvatting van de ter voorkoming of beperking van de gevolgen van accidentele verontreiniging genomen maatregelen;

7.9.

een samenvatting van de maatregelen volgens artikel 11, lid 5, voor waterlichamen die waarschijnlijk de doelstellingen van artikel 4 niet kunnen bereiken;

7.10.

nadere gegevens over de bijkomende maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de vastgestelde milieudoelstellingen te bereiken;

7.11.

nadere gegevens over de maatregelen in overeenstemming met artikel 11, lid 6, om toename van de verontreiniging van mariene wateren te voorkomen;

8.

een register van alle meer gedetailleerde programma's en beheersplannen voor het stroomgebiedsdistrict, die betrekking hebben op specifieke deelstroomgebieden, sectoren, aangelegenheden of watertypen, alsmede een samenvatting daarvan;

9.

een samenvatting van de maatregelen inzake voorlichting en raadpleging van het publiek, de resultaten daarvan alsmede de planwijzigingen die daarvan het gevolg zijn;

10.

een lijst van de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met bijlage I;

11.

de contactpunten en procedures om de achtergronddocumentatie en de in artikel 14, lid 1, bedoelde informatie te verkrijgen, met name nadere gegevens over de in overeenstemming met artikel 11, lid 3, onder g) en i), vastgestelde beheersingsmaatsregelen en de in overeenstemming met artikel 8 en bijlage V verzamelde concrete monitoringsgegevens.

B.

De eerste bijwerking van het stroomgebiedsbeheersplan en alle volgende bijwerkingen dienen daarenboven in te houden:

1.

een samenvatting van alle veranderingen of actualiseringen sinds de publicatie van de vorige versie van het stroomgebiedsbeheersplan, met een samenvatting van de herzieningen die overeenkomstig artikel 4, leden 4, 5, 6 en 7, dienen te gebeuren;

2.

een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij het bereiken van de milieudoelstellingen, met een presentatie in kaartvorm van de monitoringsresultaten voor de door het vorige plan bestreken periode, en een verklaring voor de milieudoelstellingen die niet zijn bereikt;

3.

een samenvatting en verklaring van eventuele maatregelen die waren opgenomen in de vroegere versie van het stroomgebiedsbeheersplan en die niet zijn uitgevoerd;

4.

een samenvatting van alle aanvullende tussentijdse maatregelen die overeenkomstig artikel 11, lid 5, zijn vastgesteld sedert de publicatie van de vorige versie van het stroomgebiedsbeheersplan;

▼M8

5.

een samenvatting van de maatregelen die zijn genomen om rekening te houden met de voorstellen voor verbetering die de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder c), ten opzichte van het vorige plan heeft gedaan.

▼B

BIJLAGE VIII INDICATIEVE LIJST VAN DE BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN




BIJLAGE VIII

INDICATIEVE LIJST VAN DE BELANGRIJKSTE VERONTREINIGENDE STOFFEN

1. Organische halogeenverbindingen en stoffen die in water dergelijke verbindingen kunnen vormen.

2. Organische fosforverbindingen.

3. Organische tinverbindingen.

4. Stoffen en preparaten, of de afbraakproducten daarvan, waarvan is aangetoond dat zij carcinogene of mutagene eigenschappen hebben, of eigenschappen die in of via het aquatische milieu gevolgen kunnen hebben voor steroïdogene functies, schildklierfuncties, de voortplanting of andere hormonale functies.

5. Persistente koolwaterstoffen en persistente en bioaccumuleerbare organische toxische stoffen.

6. Cyaniden.

7. Metalen en metaalverbindingen.

8. Arseen en arseenverbindingen.

9. Biociden en gewasbeschermingsmiddelen.

10. Stoffen in suspensie.

▼M8 —————

▼M8

13. Micro-organismen, genen of genetisch materiaal die wijzen op de aanwezigheid van micro-organismen die antimicrobieel resistent zijn, met name micro-organismen die pathogeen zijn voor mensen en vee.

BIJLAGE XI




BIJLAGE XI

KAART A

Systeem A: Ecoregio's voor rivieren en meren

image

1. 

Iberisch-Macaronesische regio

2. 

Pyreneeën

3. 

Italië, Corsica en Malta

4. 

Alpen

5. 

Dinarische Westelijke Balkan

6. 

Helleense Westelijke Balkan

7. 

Oostelijke Balkan

8. 

Westelijke Hooglanden

9. 

Centrale hooglanden

10. 

De Karpaten

11. 

Hongaarse laaglanden

12. 

Zwarte-Zeeregio

13. 

Westelijke vlakten

14. 

Centrale vlakten

15. 

Baltische provincie

16. 

Oostelijke vlakten

17. 

Ierland en Noord-Ierland

18. 

Groot-Brittannië

19. 

IJsland

20. 

Boreale achterland

21. 

Toendra

22. 

Fennoscandia

23. 

Taiga

24. 

Kaukasus

25. 

Caspische depressie

KAART B

Systeem A: Ecoregio's voor overgangswateren en kustwateren

image

1. 

Atlantische Oceaan

2. 

Noorse Zee

3. 

Barentszzee

4. 

Noordzee

5. 

Oostzee

6. 

Middellandse Zee

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis