+VERORDENING (EU) Nr. 691/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Modules
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
---+Artikel 4 Proef- en haalbaarheidsstudies
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
---+Artikel 5 Gegevensverzameling
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
---+Artikel 6 Toezending aan de Commissie (Eurostat)
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
---+Artikel 7 Kwaliteitsbeoordeling
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
---+Artikel 8 Afwijkingen
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
---+Artikel 8 bis Financiering
------+Artikel 8 bis 1.
------+Artikel 8 bis 2.
------+Artikel 8 bis 3.
---+Artikel 9 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
------+Artikel 9 5.
------+Artikel 9 6.
---+Artikel 9 bis Portaal voor statistische gegevens van milieu-economische rekeningen („dashboard”)
------+Artikel 9 bis 1.
------+Artikel 9 bis 2.
---+Artikel 10 Verslag en toetsing
---+Artikel 11 Comité
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
---+Artikel 12 Inwerkingtreding
---+BIJLAGE I
---+BIJLAGE II
---+BIJLAGE III
---+BIJLAGE IV MODULE VOOR UITGAVENREKENINGEN VOOR MILIEUBESCHERMING
---+BIJLAGE V MODULE VOOR REKENINGEN VOOR DE MILIEUGOEDEREN- EN -DIENSTENSECTOR
---+BIJLAGE VI MODULE VOOR FYSIEKE-ENERGIESTROOMREKENINGEN
---+BIJLAGE VII MODULE VOOR BOSREKENINGEN
---+BIJLAGE VIII MODULE VOOR REKENINGEN VOOR MILIEUSUBSIDIES EN SOORTGELIJKE OVERDRACHTEN
---+BIJLAGE IX MODULE VOOR ECOSYSTEEMREKENINGEN
English - European Union - Environment -

VERORDENING (EU) Nr. 691/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EU) Nr. 691/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 juli 2011

inzake Europese milieu-economische rekeningen

(Voor de EER relevante tekst)

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Onderwerp

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het verzamelen, samenstellen, indienen en evalueren van Europese milieu-economische rekeningen, met het doel milieu-economische rekeningen op te stellen bij wijze van satellietrekeningen bij het in Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) vastgestelde Europees systeem van rekeningen 2010 (ESR 2010), door te voorzien in methoden, gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en boekhoudregels die voor het samenstellen van milieu-economische rekeningen gebruikt moeten worden.

Deze verordening draagt tevens bij aan het verstrekken van gedegen informatie over de belangrijkste trends, moeilijkheden en drijvende krachten voor milieuverandering en ondersteunt aldus het monitoren en evalueren van de vooruitgang van de Unie bij het verwezenlijken van haar in Unierecht vastgelegde milieudoelstellingen en bij het nakomen van haar internationale milieuverbintenissen.

Artikel 2 Definities

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„luchtemissie” : de fysieke stroom van gasvormige stoffen of deeltjes van de nationale economie (productie- of verbruiksprocessen) naar de atmosfeer (als onderdeel van het milieusysteem);

2.

„milieubelasting” : belasting met als belastinggrondslag een fysieke eenheid (of een benadering van een fysieke eenheid) van iets wat een bewezen specifiek negatief effect op het milieu heeft, en dat in het ►M3  ESR 2010 ◄ als belasting wordt aangemerkt;

3.

„materiaalstroomrekeningen voor de gehele economie” (MSR-GE) : coherente samenstellingen van de materiaalinput in de nationale economieën, de veranderingen van de materiaalvoorraad in de economie en de materiaaloutput naar andere economieën of het milieu;

▼M1

4.

„milieubeschermingsuitgaven” : de economische middelen die door ingezeten eenheden worden besteed aan milieubescherming. Milieubescherming omvat alle maatregelen en activiteiten met als hoofddoel de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging en iedere andere verslechtering van het milieu. Onder deze maatregelen en activiteiten vallen alle maatregelen die worden genomen om het milieu na een verslechtering te herstellen. Onder deze definitie vallen geen activiteiten die weliswaar het milieu ten goede komen, maar die vooral ten doel hebben tegemoet te komen aan de technische behoeften of de interne gezondheids- en veiligheids- en beveiligingsvereisten van een onderneming of andere instelling;

5.

„milieugoederen- en -dienstensector” : productieactiviteiten van een nationale economie die milieuproducten (milieugoederen en -diensten) genereren. Milieuproducten zijn producten en diensten die zijn voortgebracht met het oog op de bescherming van het milieu, zoals bedoeld in punt 4, en op het beheer van hulpbronnen. Onder het beheer van hulpbronnen vallen de bescherming, instandhouding en vergroting van de voorraad natuurlijke hulpbronnen en derhalve vrijwaring tegen uitputting van die bronnen;

6.

„fysieke-energiestroomrekeningen” : coherente samenstellingen van de fysieke energiestromen in de nationale economieën, de stromen die binnen de economie circuleren en de energie-output naar andere economieën of het milieu;

▼M3

7.

„bosrekeningen” : vermogensrekeningen voor bosbestanden, bestaande uit bebost land en hout op bebost land, en rekeningen voor economische activiteiten voor bosbouw en houtkap;

8.

„milieusubsidies en soortgelijke overdrachten” : inkomens- en kapitaaloverdrachten in de zin van het ESR 2010, bedoeld voor het ondersteunen van activiteiten ter bescherming van het milieu en ter instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en aanverwante producten;

9.

„ecosysteemrekeningen” : een reeks rekeningen die bedoeld zijn om consistente informatie te verstrekken over de omvang en toestand van ecosystemen en over de dienstenstromen van die ecosystemen naar het sociaaleconomisch systeem.

▼B

Artikel 3 Modules
Artikel 4 Proef- en haalbaarheidsstudies
Artikel 5 Gegevensverzameling
Artikel 6 Toezending aan de Commissie (Eurostat)
Artikel 7 Kwaliteitsbeoordeling
Artikel 8 Afwijkingen
Artikel 8 bis Financiering
Artikel 9 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 9 bis Portaal voor statistische gegevens van milieu-economische rekeningen („dashboard”)
Artikel 10 Verslag en toetsing

Artikel 10

Verslag en toetsing

Uiterlijk op 31 december 2013 en daarna om de drie jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de verordening. Dat verslag bevat een evaluatie van met name de kwaliteit van de toegezonden gegevens en de methoden voor het verzamelen van gegevens, de administratieve belasting voor de lidstaten en de respondenten, alsook de haalbaarheid en doeltreffendheid van deze statistieken.

Het verslag gaat in voorkomend geval en op basis van de bevindingen in artikel 4, lid 2, vergezeld van voorstellen:

▼M3

— 
voor de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen, zoals (kwantitatieve en kwalitatieve) waterrekeningen, uitgavenrekeningen voor hulpbronnenbeheer, subsidies of ondersteunende maatregelen die mogelijk schadelijk zijn voor het milieu en afvalrekeningen;

▼B

— 
die bedoeld zijn om de kwaliteit van de gegevens en methoden voor het verzamelen van gegevens verder te verbeteren met het oog op een betere dekking en betere vergelijkbaarheid van de gegevens, en een vermindering van de administratieve last voor het bedrijfsleven en overheden.

▼M3

Uiterlijk op 31 december 2024 en vervolgens ten minste om de twee jaar geeft de Commissie (Eurostat) een digitale publicatie uit met gegevens en statistieken over de beperking van klimaatverandering, met inbegrip van investeringen, die zijn samengesteld op basis van de ter zake doende gegevens van de modules voor milieu-economische rekeningen en indien nodig uit andere gegevensbronnen.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 9 gedelegeerde handelingen vast om, in voorkomend geval, deel 3 van bijlage V te wijzigen om daarin kenmerken op te nemen met betrekking tot andere investeringen in de beperking van klimaatverandering. De gegevens in de in de derde alinea van dit artikel bedoelde digitale publicatie bevatten een uitsplitsing van die gegevens per lidstaat, ook over investeringen, en hebben betrekking op alle sectoren van de economie en activiteiten.

Uiterlijk op 27 december 2026 beoordeelt de Commissie de kwaliteit van de beschikbare gegevens over energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen, over de adaptatie aan klimaatverandering en over water, en dient zij, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in voor de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen voor energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen; adaptatie aan klimaatverandering, met inbegrip van uitgaven daarvoor, en voor waterrekeningen.

▼B

Artikel 11 Comité
Artikel 12 Inwerkingtreding

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BIJLAGE I




BIJLAGE I

MODULE VOOR LUCHTEMISSIEREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

De luchtemissierekeningen registreren en presenteren de gegevens over luchtemissies op zodanige wijze dat zij compatibel zijn met het systeem van nationale rekeningen. De emissies naar lucht van de nationale economieën worden geregistreerd in een indeling naar emitterende economische activiteit als aangegeven in het ►M3  ESR 2010 ◄ . Economische activiteiten omvatten productie en verbruik.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor de luchtemissierekeningen. Deze gegevens zullen op zodanige wijze worden ontwikkeld dat de emissies worden gerelateerd aan de economische productie- en verbruiksactiviteiten van de bedrijfstakken en huishoudens. De krachtens deze verordening gerapporteerde gegevens over directe emissies zullen worden gecombineerd met de economische input-outputtabellen, de aanbod- en gebruikstabellen en de gegevens over het verbruik van huishoudens, die reeds aan de Commissie (Eurostat) worden meegedeeld in het kader van de ►M3  ESR 2010 ◄ -rapportering.

Deel 2

DEKKING

De luchtemissierekeningen hebben dezelfde systeemgrenzen als het ►M3  ESR 2010 ◄ en zij zijn ook op het ingezetenenprincipe gebaseerd.

Overeenkomstig het ►M3  ESR 2010 ◄ is het begrip ingezetenschap gebaseerd op het volgende beginsel: een in een land ingezeten eenheid heeft een economisch belangencentrum in het economische gebied van dat land, d.w.z. zij verricht gedurende een periode van minimaal een jaar economische activiteiten in dat gebied.

De luchtemissierekeningen registreren de emissies die voortvloeien uit de activiteiten van alle ingezeten eenheden, ongeacht waar deze emissies in geografisch opzicht werkelijk plaatsvinden.

De luchtemissierekeningen registreren de stromen residugassen en fijn stof die hun oorsprong vinden in de nationale economie en in de atmosfeer terechtkomen. Voor de toepassing van deze verordening wordt met de term „atmosfeer” een onderdeel van het milieusysteem bedoeld. De systeemgrens betreft de grenslijn tussen de nationale economie (als onderdeel van het economische systeem) en de atmosfeer (als onderdeel van het milieusysteem). Nadat de geëmitteerde stoffen de systeemgrens hebben overschreden, zijn zij aan geen enkele menselijke controle meer onderworpen, gaan zij op in natuurlijke materiaalcycli en kunnen zij diverse soorten milieueffecten teweegbrengen.

▼M2

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen statistieken op over de emissie van de volgende luchtvervuilende stoffen:



Naam

Symbool

Eenheid

Koolstofdioxide zonder emissies uit biomassa

CO2

1 000  ton (Gg)

Koolstofdioxide uit biomassa

Biomassa-CO2

1 000  ton (Gg)

Distikstofoxide

N2O

ton (Mg)

Methaan

CH4

ton (Mg)

Perfluorkoolstoffen

PFK’s

ton (Mg) CO2-equivalenten

Fluorkoolwaterstoffen

HFK’s

ton (Mg) CO2-equivalenten

Zwavelhexafluoride en stikstoftrifluoride

SF6 NF3

ton (Mg) CO2-equivalenten

Stikstofoxiden

NOX

ton (Mg) NO2-equivalenten

Vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan

NMVOS

ton (Mg)

Koolstofmonoxide

CO

ton (Mg)

Fijn stof < 10 μm

PM10

ton (Mg)

Fijn stof < 2,5 μm

PM2,5

ton (Mg)

Zwaveloxiden

SOX

ton (Mg) SO2-equivalenten

Ammoniak

NH3

ton (Mg)

Alle gegevens worden tot op één decimaal nauwkeurig meegedeeld.

▼B

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 21 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU-27 voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is het jaar waarin de verordening in werking treedt.

5. De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2008 tot het eerste referentiejaar bij.

6. Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-4, n-3, n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is.

▼M2

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken worden gegevens verstrekt volgens een hiërarchische classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2 (aggregatieniveau A*64), die volledig compatibel is met het ►M3  ESR 2010 ◄ . Voorts worden gegevens verstrekt voor:

— 
luchtemissies van huishoudens;
— 
overbruggingsposten, waaronder wordt verstaan: rapporteringsposten waarmee de krachtens deze verordening ingediende luchtemissierekeningen en de in officiële nationale luchtemissie-inventarissen geregistreerde gegevens duidelijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht.

2. De in punt 1 bedoelde hiërarchische classificatie is als volgt:

Luchtemissies door de industrie — NACE Rev. 2 (A*64)

Luchtemissies van huishoudens

— 
Vervoer
— 
Verwarming/koeling
— 
Overige

Overbruggingsposten

Totaal luchtemissierekeningen (productieactiviteiten + huishoudens) voor elk van de in deel 3 bedoelde kenmerken

Min nationale ingezetenen in het buitenland

— 
Nationale vissersvaartuigen die in het buitenland actief zijn
— 
Vervoer over land
— 
Vervoer over water
— 
Luchtvervoer

Plus niet-ingezetenen op het grondgebied

+ 

Vervoer over land

+ 

Vervoer over water

+ 

Luchtvervoer

(+ of –) 

Overige correcties en statistische verschillen

= 

Totaal emissies van vervuilende stof X zoals meegedeeld aan UNFCCC ( 4 )/CLRTAP ( 5 )

▼B

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE II




BIJLAGE II

MODULE VOOR MILIEUBELASTINGEN NAAR ECONOMISCHE ACTIVITEIT

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Statistieken over milieubelastingen registreren en presenteren gegevens gezien vanuit het gezichtspunt van de entiteiten die de belastingen betalen, op een wijze die volledig verenigbaar is met de gegevens die krachtens het ►M3  ESR 2010 ◄ worden gerapporteerd. De milieubelastinginkomsten van de nationale economieën worden geregistreerd volgens economische activiteit. Economische activiteiten omvatten productie en verbruik.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor de milieubelastinginkomsten uit een economische activiteit door de lidstaten.

Voor de milieubelastingstatistieken kan rechtstreeks gebruik worden gemaakt van de belastingstatistieken en de statistieken van de overheidsfinanciën, maar gebruikmaking van de volgens het ►M3  ESR 2010 ◄ gerapporteerde belastinggegevens, indien dit mogelijk is, biedt enkele voordelen.

De milieubelastingstatistieken zijn gebaseerd op de bedragen die blijken uit kohieren en aangiften of kasgegevens met correctie in de tijd; op die manier wordt consistentie met het ►M3  ESR 2010 ◄ gegarandeerd en wordt de internationale vergelijkbaarheid verbeterd.

Het ►M3  ESR 2010 ◄ bevat ook informatie over welke bedrijfstakken en sectoren de belastingen betalen. De aan het ►M3  ESR 2010 ◄ ontleende informatie over belastingen is te vinden in de institutionele sectorrekeningen en aanbods- en gebruikstabellen.

Deel 2

DEKKING

Milieubelastingen hebben dezelfde systeemgrenzen als het ►M3  ESR 2010 ◄ en bestaan uit verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die door de overheid of door de instellingen van de Unie worden opgelegd.

Milieubelastingen vallen onder de volgende ►M3  ESR 2010 ◄ -categorieën:

— 
belastingen op productie en invoer (D.2),
— 
belastingen op inkomen, vermogen enz. (D.5),
— 
vermogensheffingen (D.91).

▼M2

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen statistieken over milieubelastingen op overeenkomstig de volgende kenmerken:

— 
energiebelastingen,
— 
vervoerbelastingen,
— 
belastingen op vervuiling,
— 
belastingen op hulpbronnen.

De lidstaten rapporteren ook, als afzonderlijk kenmerk, de in het Europees systeem van rekeningen geregistreerde belastinginkomsten van de overheid in verband met hun deelname aan het EU-systeem voor de handel in emissierechten.

De lidstaten rapporteren ook, als afzonderlijk kenmerk, andere milieugerelateerde belastingen die zijn opgenomen in de totale belastingen op energie, vervoer, verontreiniging of hulpbronnen en die worden geheven op het koolstofgehalte van brandstoffen (andere CO2-belastingen).

Alle gegevens worden in miljoenen in de nationale munteenheid verstrekt.

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 16 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend. Dit geldt vanaf het referentiejaar 2020.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU-27 voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2020.

5. Elke keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-4, n-3, n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2016 verstrekken.

▼B

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

Voor elk van de in deel 3 bedoelde kenmerken worden gegevens verstrekt vanuit het gezichtspunt van de entiteiten die de belastingen betalen.

Wat producenten betreft, worden gegevens verstrekt die zijn uitgesplitst volgens de hiërarchische classificatie van economische activiteiten, NACE Rev. 2 (aggregatieniveau A*64 zoals in het ►M3  ESR 2010 ◄ ).

Wat verbruikers betreft, worden gegevens verstrekt voor:

— 
huishoudens,
— 
niet-ingezetenen.

Wanneer de belasting niet kan worden toegeschreven aan één van de bovengenoemde groeperingen van activiteiten, worden de gegevens gerapporteerd als niet toegewezen.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE III




BIJLAGE III

MODULE VOOR MATERIAALSTROOMREKENINGEN VOOR DE GEHELE ECONOMIE (MSR-GE)

Deel 1

DOELSTELLINGEN

De MSR-GE omvatten alle vaste, gasvormige en vloeibare materialen, behalve lucht- en waterstromen, gemeten in massa-eenheden per jaar. Zoals met het systeem van nationale rekeningen worden met de MSR-GE twee grote doelstellingen nagestreefd. De gedetailleerde materiaalstromen leveren een waardevolle empirische databank op voor talrijke analytische studies. Voorts worden zij gebruikt om voor de nationale economieën verschillende materiaalstroomindicatoren voor de gehele economie samen te stellen.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor de MSR-GE.

Deel 2

DEKKING

Het onderscheid tussen voorraden en stromen is een grondbeginsel van een materiaalstroomsysteem. In het algemeen is een stroom een variabele die een hoeveelheid per tijdvak meet, terwijl een voorraad een variabele is die een hoeveelheid op een bepaald tijdstip meet. De MSR-GE zijn een stroombegrip. Ze meten, in massa-eenheden per jaar, de stromen materiaalinput, materiaaloutput en voorraadwijzigingen binnen de economie.

De MSR-GE zijn coherent met de beginselen van het systeem van nationale rekeningen, zoals het ingezetenenbeginsel. Ze geven de materiaalstromen weer die gerelateerd zijn aan de activiteiten van alle ingezeten eenheden van een nationale economie, ongeacht de geografische plaats waar zij plaatsvinden.

In de MSR-GE zijn er twee soorten materiaalstromen over systeemgrenzen heen die relevant zijn:

1. 

Materiaalstromen tussen de nationale economie en haar natuurlijke omgeving. Deze bestaan in de onttrekking van materialen (d.w.z. nieuwe of onbewerkte grondstoffen) aan en de lozing van materialen (vaak residuen genoemd) in de natuurlijke omgeving.

2. 

Materiaalstromen tussen de nationale economie en de rest van de wereldeconomie. Deze omvatten de invoer en de uitvoer.

Alle stromen die deze systeemgrenzen overschrijden, worden in de MSR-GE opgenomen, evenals de toevoegingen aan de door de mens aangelegde voorraden. Alle andere materiaalstromen binnen de economie worden niet in de MSR-GE weergegeven. Dit betekent dat de nationale economie in haar geheel wordt behandeld in de MSR-GE en bijvoorbeeld leveringen van producten tussen bedrijfstakken niet worden beschreven. Natuurlijke stromen binnen de natuurlijke omgeving zijn eveneens uitgesloten.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen in voorkomend geval voor de MSR-GE statistieken op over de in deel 5 vermelde kenmerken.

1. De binnenlandse onttrekking (BO) omvat de jaarlijkse hoeveelheid vaste, vloeibare en gasvormige materialen (uitgezonderd lucht en water) die aan de natuurlijke omgeving worden onttrokken om als input in de economie te worden gebruikt.

2. De fysieke invoer en de fysieke uitvoer omvatten alle ingevoerde of uitgevoerde goederen in massa-eenheden. Verhandelde goederen omvatten goederen in alle stadia van be- of verwerking, van grondstoffen tot eindproducten.

▼M2

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 16 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend. Dit geldt vanaf het referentiejaar 2021.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU-27 voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2021.

5. Elke keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-4, n-3, n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2017 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

Voor de in de volgende tabellen vermelde kenmerken worden gegevens in massa-eenheden verstrekt.

Tabel A — Binnenlandse onttrekking

MF.1 

Biomassa

MF.1.1 

Gewassen (uitgezonderd voedergewassen)

MF.1.1.1 

Granen

MF.1.1.2 

Wortel- en knolgewassen

MF.1.1.3 

Suikergewassen

MF.1.1.4 

Peulvruchten

MF.1.1.5 

Noten

MF.1.1.6 

Oliehoudende gewassen

MF.1.1.7 

Groenten

MF.1.1.8 

Fruit

MF.1.1.9 

Vezels

MF.1.1.A 

Overige gewassen (uitgezonderd voedergewassen), n.e.g.

MF.1.2 

Gewas- en oogstresten (gebruikt), voedergewassen en door begrazing onttrokken biomassa

MF.1.2.1 

Gewas- en oogstresten (gebruikt)

MF.1.2.1.1 

Stro

MF.1.2.1.2 

Overige gewas- en oogstresten (bladeren van suiker- en voederbieten enz.)

MF.1.2.2 

Voedergewassen en door begrazing onttrokken biomassa

MF.1.2.2.1 

Voedergewassen (met inbegrip van biomassaoogst van grasland)

MF.1.2.2.2 

Door begrazing onttrokken biomassa

MF.1.3 

Hout

MF.1.3.1 

Werkhout (industrieel rondhout)

MF.1.3.2 

Brandhout en overige onttrekking

MF.1.4 

Vangst van in het wild levende vis, waterplanten en-dieren, jacht en verzamelen

MF.1.4.1 

Vangst van in het wild levende vis

MF.1.4.2 

Alle overige waterdieren en -planten

MF.1.4.3 

Jacht en verzamelen

MF.2 

Metaalertsen (ruwe ertsen)

MF.2.1 

IJzer

MF.2.2 

Non-ferrometaal

MF.2.2.1 

Koper

MF.2.2.2 

Nikkel

MF.2.2.3 

Lood

MF.2.2.4 

Zink

MF.2.2.5 

Tin

MF.2.2.6 

Goud, zilver, platina en overige edele metalen

MF.2.2.7 

Bauxiet en overig aluminium

MF.2.2.8 

Uranium en thorium

MF.2.2.9 

Overige non-ferrometalen

MF.3 

Niet-metaalhoudende mineralen

MF.3.1 

Marmer, graniet, zandsteen, porfier, basalt, overige sier- of bouwsteen (uitgezonderd leisteen)

MF.3.2 

Kalk en dolomiet

MF.3.3 

Leisteen

MF.3.4 

Mineralen voor de chemische en de kunstmestindustrie

MF.3.5 

Zout

MF.3.6 

Kalksteen en gips

MF.3.7 

Klei en kaolien

MF.3.8 

Zand en grind

MF.3.9 

Andere niet-metaalhoudende mineralen, n.e.g.

MF.3.A 

Uitgegraven aardmateriaal (met inbegrip van teelaarde), alleen indien gebruikt (facultatieve rapportering)

MF.4 

Fossiele energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.1 

Steenkool en overige vaste energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.1.1 

Bruinkool

MF.4.1.2 

Steenkool

MF.4.1.3 

Bitumineuze leisteen en bitumineus zand

MF.4.1.4 

Turf

MF.4.2 

Vloeibare en gasvormige energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.2.1 

Ruwe aardolie, condensaat en aardgascondensaten (NGL)

MF.4.2.2 

Aardgas

Tabellen B (Invoer — Totale handel) en D (Uitvoer — Totale handel)

MF.1 

Biomassa

MF.1.1 

Gewassen (uitgezonderd voedergewassen)

MF.1.1.1 

Granen

MF.1.1.2 

Wortel- en knolgewassen

MF.1.1.3 

Suikergewassen

MF.1.1.4 

Peulvruchten

MF.1.1.5 

Noten

MF.1.1.6 

Oliehoudende gewassen

MF.1.1.7 

Groenten

MF.1.1.8 

Fruit

MF.1.1.9 

Vezels

MF.1.1.A 

Overige gewassen (uitgezonderd voedergewassen), n.e.g.

MF.1.2 

Gewas- en oogstresten (gebruikt), voedergewassen en door begrazing onttrokken biomassa

MF.1.2.1 

Gewas- en oogstresten (gebruikt)

MF.1.2.1.1 

Stro

MF.1.2.1.2 

Overige gewas- en oogstresten (bladeren van suiker- en voederbieten enz.)

MF.1.2.2 

Voedergewassen en door begrazing onttrokken biomassa

MF.1.2.2.1 

Voedergewassen (met inbegrip van biomassaoogst van grasland)

MF.1.3 

Hout

MF.1.3.1 

Werkhout (industrieel rondhout)

MF.1.3.2 

Brandhout en overige onttrekking

MF.1.4 

Vangst van in het wild levende vis, waterplanten en-dieren, jacht en verzamelen

MF.1.4.1 

Vangst van in het wild levende vis

MF.1.4.2 

Alle overige waterdieren en -planten

MF.1.5 

Levende dieren en dierlijke producten (met uitzondering van wilde vis, waterplanten en dieren, geschoten en verzamelde dieren)

MF.1.5.1 

Levende dieren (met uitzondering van wilde vis, waterplanten en waterdieren, geschoten en verzamelde dieren)

MF.1.5.2 

Vlees en vleesbereidingen

MF.1.5.3 

Zuivelproducten, vogeleieren, en honig

MF.1.5.4 

Overige producten van dieren (dierlijke vezels, huiden, bont, leder enz.)

MF.1.6 

Producten hoofdzakelijk van biomassa

MF.2 

Metaalertsen (ruwe ertsen)

MF.2.1 

IJzer

MF.2.2 

Non-ferrometaal

MF.2.2.1 

Koper

MF.2.2.2 

Nikkel

MF.2.2.3 

Lood

MF.2.2.4 

Zink

MF.2.2.5 

Tin

MF.2.2.6 

Goud, zilver, platina en overige edele metalen

MF.2.2.7 

Bauxiet en overig aluminium

MF.2.2.8 

Uranium en thorium

MF.2.2.9 

Overige non-ferrometalen

MF.2.3 

Producten hoofdzakelijk van metalen

MF.3 

Niet-metaalhoudende mineralen

MF.3.1 

Marmer, graniet, zandsteen, porfier, basalt, overige sier- of bouwsteen (uitgezonderd leisteen)

MF.3.2 

Kalk en dolomiet

MF.3.3 

Leisteen

MF.3.4 

Mineralen voor de chemische en de kunstmestindustrie

MF.3.5 

Zout

MF.3.6 

Kalksteen en gips

MF.3.7 

Klei en kaolien

MF.3.8 

Zand en grind

MF.3.9 

Andere niet-metaalhoudende mineralen, n.e.g.

MF.3.B 

Producten hoofdzakelijk van niet-metaalhoudende mineralen

MF.4 

Fossiele energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.1 

Steenkool en overige vaste energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.1.1 

Bruinkool

MF.4.1.2 

Steenkool

MF.4.1.3 

Bitumineuze leisteen en bitumineus zand

MF.4.1.4 

Turf

MF.4.2 

Vloeibare en gasvormige energiegrondstoffen/-dragers

MF.4.2.1 

Ruwe aardolie, condensaat en aardgascondensaten (NGL)

MF.4.2.2 

Aardgas

MF.4.2.3 

Ingenomen brandstof ingenomen (Invoer: Door ingezeten eenheden in het buitenland; Uitvoer: door niet-ingezeten eenheden in het binnenland)

MF.4.2.3.1 

Brandstof voor vervoer over land

MF.4.2.3.2 

Brandstof voor vervoer over water

MF.4.2.3.3 

Brandstof voor luchtvervoer

MF.4.3 

Producten hoofdzakelijk van fossiele energieproducten

MF.5 

Overige producten

MF.6 

Afval voor definitieve verwerking en verwijdering

▼B

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE IV MODULE VOOR UITGAVENREKENINGEN VOOR MILIEUBESCHERMING




BIJLAGE IV

MODULE VOOR UITGAVENREKENINGEN VOOR MILIEUBESCHERMING

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Uitgavenrekeningen voor milieubescherming verstrekken, op een wijze die verenigbaar is met de gegevens die krachtens het ESR worden gerapporteerd, gegevens over de milieubeschermingsuitgaven, dat wil zeggen, over de economische middelen die door ingezeten eenheden zijn besteed aan milieubescherming. De rekeningen maken het mogelijk de nationale uitgaven voor milieubescherming samen te stellen, die gelijk zijn aan de som van alle gebruik van milieubeschermingsdiensten door ingezeten eenheden, de bruto-investeringen in vaste activa (BIVA) voor milieubeschermingsactiviteiten en de overdrachten voor milieubescherming die geen tegenhanger zijn van eerdere posten, minus financiering door de rest van de wereld.

De uitgavenrekeningen voor milieubescherming moeten gebruikmaken van de reeds beschikbare informatie in de nationale rekeningen (productie- en inkomensvormingsrekeningen, BIVA volgens NACE, aanbod- en gebruikstabellen, gegevens volgens de classificatie van overheidsfuncties), structurele bedrijfsstatistieken, het ondernemingsregister en andere bronnen.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor de uitgavenrekeningen voor milieubescherming.

Deel 2

DEKKING

De uitgavenrekeningen voor milieubescherming hebben dezelfde systeemgrenzen als het ESR en laten de milieubeschermingsuitgaven voor hoofdactiviteiten, nevenactiviteiten en hulpactiviteiten zien. De volgende sectoren worden bestreken:

— 
de overheid (met inbegrip van instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens) en ondernemingen als institutionele sectoren die milieubeschermingsdiensten produceren. Gespecialiseerde producenten produceren milieubeschermingsdiensten als hoofdactiviteit;
— 
huishoudens, overheid en ondernemingen als consumenten van milieubeschermingsdiensten;
— 
de rest van de wereld als begunstigde of plaats van herkomst van overdrachten voor milieubescherming.

▼M2

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen uitgavenrekeningen voor milieubescherming op overeenkomstig de volgende kenmerken die zijn gedefinieerd overeenkomstig het ESR:

— 
output van diensten op het gebied van milieubescherming. Er wordt onderscheid gemaakt tussen marktoutput, niet-marktoutput en output van hulpactiviteiten;
— 
intermediair verbruik van diensten op het gebied van milieubescherming
— 
intermediair verbruik van diensten op het gebied van milieubescherming voor de productie van diensten op het gebied van milieubescherming,
— 
invoer en uitvoer van diensten op het gebied van milieubescherming;
— 
belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere productgebonden belastingen minus subsidies op diensten op het gebied van milieubescherming;
— 
bruto-investeringen in vaste activa en aankopen minus verkopen van niet-financiële niet-geproduceerde activa voor de productie van diensten op het gebied van milieubescherming;
— 
consumptie van diensten op het gebied van milieubescherming.

▼M3 —————

▼M2

Alle gegevens worden in miljoenen in de nationale munteenheid verstrekt.

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 24 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend. Dit geldt vanaf het referentiejaar 2020.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de ►M3  EU-27 ◄ voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2020.

5. Elke keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2018 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken worden gegevens verstrekt uitgesplitst naar:

— 
type producenten/consumenten van milieubeschermingsdiensten als beschreven in deel 2;

▼M5

— 
groepen van de classificatie van milieudoeleinden (CEP) als volgt:
— 
CEP 01 — Lucht en klimaat;
— 
CEP 0301 — Afvalwaterbeheer;
— 
CEP 0401 — Afvalbeheer;
— 
CEP 0501 — Bescherming van bodem, oppervlakte- en grondwater;
— 
CEP 0502 — Bescherming van de biodiversiteit en het landschap;
— 
CEP 06 — Geluid en straling;
— 
De som van CEP 0701, CEP 0703, CEP 0705, CEP 0707, CEP 0709 — Onderzoek en ontwikkeling betreffende de vermindering en beheersing van luchtemissies, afvalwaterbeheer, afvalbeheer, bodem, oppervlakte- en grondwater en biodiversiteit en geluid en straling.

▼M2

— 
►M4  De volgende NACE-uitsplitsingen voor de bijproductie van diensten op het gebied van milieubescherming: NACE B, C, D, afdeling 36. Gegevens voor deel C moeten als volgt worden gepresenteerd: ◄
— 
NACE C10-C12 — Vervaardiging van voedingsmiddelen; dranken en tabaksproducten
— 
NACE C17 — Vervaardiging van papier en papierwaren
— 
ACE C19-20 — Vervaardiging van cokes, chemicaliën en geraffineerde aardolie- en chemische producten
— 
NACE C 21-23 — Vervaardiging van farmaceutische producten, rubber, kunststof en andere niet-metaalhoudende producten
— 
NACE C 24 — Vervaardiging van metalen in primaire vorm
— 
NACE C 25-30 — Vervaardiging van producten van metaal, met inbegrip van machines en apparaten
— 
NACE C13-16, 18, 31-33 — andere productieactiviteiten

Lidstaten waar het totale bedrag van de omzet of het aantal werkzame personen in een of meer van deze NACE-onderverdelingen minder dan 1 % van het totaal voor de Unie uitmaakt, hoeven geen gegevens voor die NACE-onderverdelingen te verstrekken.

▼M5 —————

▼M1

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE V MODULE VOOR REKENINGEN VOOR DE MILIEUGOEDEREN- EN -DIENSTENSECTOR




BIJLAGE V

MODULE VOOR REKENINGEN VOOR DE MILIEUGOEDEREN- EN -DIENSTENSECTOR

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Statistieken over milieugoederen en -diensten registreren en presenteren gegevens over de productieactiviteiten van de nationale economieën die milieuproducten voortbrengen, op zodanige wijze dat zij compatibel zijn met de gegevens die krachtens het ESR worden gerapporteerd.

De rekeningen voor milieugoederen en -diensten moeten gebruikmaken van de reeds beschikbare informatie in de nationale rekeningen, structurele bedrijfsstatistieken, het ondernemingsregister en andere bronnen.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor rekeningen voor milieugoederen en -diensten.

Deel 2

DEKKING

De milieugoederen- en -dienstensector heeft dezelfde systeemgrenzen als het ESR en bestaat uit alle milieugoederen en -diensten die binnen de productiegrens worden gegenereerd. Het ESR definieert productie als een activiteit die wordt uitgeoefend onder beheer en verantwoordelijkheid van een institutionele eenheid die arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt voor de voortbrenging van goederen en diensten.

Milieugoederen en -diensten zijn gegroepeerd in de volgende categorieën: specifieke milieudiensten, producten uitsluitend bestemd voor milieubescherming of beheer van natuurlijke hulpbronnen (gelieerde producten), aangepaste goederen en milieutechnologieën.

▼M5

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen statistieken over de milieugoederen- en -dienstensector op overeenkomstig de volgende kenmerken:

— 
output van de totale sector milieugoederen en -diensten en van marktactiviteiten;
— 
uitvoer van de totale sector milieugoederen en -diensten;
— 
toegevoegde waarde van de totale sector milieugoederen en -diensten en van marktactiviteiten;
— 
werkgelegenheid in de totale sector milieugoederen en -diensten en van marktactiviteiten;
— 
bruto-investeringen in vaste activa (BIVA) voor activiteiten ter beperking van klimaatverandering, uitgesplitst naar ondernemingen, overheid en huishoudens samen met instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens;
— 
BIVA voor producten ter beperking van klimaatverandering, die nog niet zijn opgenomen in BIVA voor activiteiten ter beperking van klimaatverandering, uitgesplitst naar ondernemingen, overheid en huishoudens samen met instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens;
— 
eindverbruik van producten ter beperking van klimaatverandering, uitgesplitst naar overheid en huishoudens samen met instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens.

Alle gegevens worden in miljoenen in nationale valuta verstrekt, behalve voor het kenmerk „werkgelegenheid”, waarvoor de eenheid „voltijdequivalenten” wordt gebruikt.

▼M2

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 22 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend. Dit geldt vanaf het referentiejaar 2020.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de ►M3  EU-27 ◄ voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2020.

5. Elke keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2018 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken worden gegevens verstrekt die meerdimensionaal zijn geclassificeerd volgens:

▼M4

— 
de classificatie van economische activiteiten, NACE als volgt:
— 
NACE A
— 
NACE B
— 
NACE C
— 
NACE D
— 
NACE E
— 
NACE F
— 
NACE J + NACE K
— 
NACE N
— 
NACE P
— 
NACE Q
— 
Som van NACE G + NACE H + NACE I + NACE L + NACE M + NACE O + NACE R + NACE S + NACE T + NACE U + NACE V

▼M5

— 
groepen van de classificatie van milieudoeleinden (CEP) als volgt:
— 
CEP 01 — Lucht en klimaat;
— 
CEP 0201 — Energie uit hernieuwbare bronnen;
— 
CEP 0202 — Energiebesparing en -beheer;
— 
CEP 0301 — Afvalwaterbeheer;
— 
CEP 0302 — Waterbesparing en beheer van natuurlijke waterreserves;
— 
CEP 0401 — Afvalbeheer;
— 
CEP 0402 — Terugwinning en besparing van materialen;
— 
CEP 0501 — Bescherming van bodem, oppervlakte- en grondwater;
— 
CEP 0502 — Bescherming van de biodiversiteit en het landschap;
— 
CEP 0503 — Beheer van bosbestanden;
— 
CEP 06 — Geluid en straling;
— 
de som van CEP 0701, CEP 0703, CEP 0705, CEP 0707, CEP 0709 — Onderzoek en ontwikkeling betreffende de vermindering en beheersing van luchtemissies, afvalwaterbeheer, afvalbeheer, bodem, oppervlakte- en grondwater en biodiversiteit en geluid en straling;
— 
de som van CEP 0702, CEP 0704, CEP 0706, CEP 0708 — Onderzoek en ontwikkeling betreffende energie, waterreserves, materiaalterugwinning en -besparing en bosbeheer;
— 
CEP 08 — Horizontale en andere milieudoeleinden.

▼M5 —————

▼M1

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE VI MODULE VOOR FYSIEKE-ENERGIESTROOMREKENINGEN




BIJLAGE VI

MODULE VOOR FYSIEKE-ENERGIESTROOMREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Fysieke-energiestroomrekeningen presenteren gegevens over de fysieke energiestromen uitgedrukt in terajoules, op een wijze die volledig verenigbaar is met het ESR. Fysieke-energiestroomrekeningen registreren energiegegevens die verband houden met de economische activiteiten van ingezeten eenheden van nationale economieën, uitgesplitst naar economische activiteit. Zij presenteren het aanbod en het gebruik van natuurlijke energie-inputs, energieproducten en energieresiduen. Economische activiteiten omvatten productie, consumptie en accumulatie.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor de fysieke-energiestroomrekeningen.

Deel 2

DEKKING

Fysieke-energiestroomrekeningen hebben dezelfde systeemgrenzen als het ESR en zij zijn ook op het ingezetenenprincipe gebaseerd.

Overeenkomstig het ESR is het begrip ingezetenschap gebaseerd op het volgende beginsel: een in een land ingezeten eenheid heeft een economisch belangencentrum in het economische gebied van dat land, d.w.z. zij verricht gedurende een verlengde periode (minimaal een jaar) economische activiteiten in dat gebied.

Fysieke-energiestroomrekeningen registreren fysieke energiestromen die voortvloeien uit de activiteiten van alle ingezeten eenheden, ongeacht waar deze stromen in geografisch opzicht werkelijk plaatsvinden.

Fysieke-energiestroomrekeningen registreren de fysieke energiestromen vanuit het milieu naar de economie, binnen de economie en van de economie terug naar het milieu.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen fysieke-energiestroomrekeningen op overeenkomstig de volgende kenmerken:

— 
de fysieke energiestromen gegroepeerd in drie algemene categorieën:
i) 

natuurlijke energie-inputs,

ii) 

energieproducten,

iii) 

energieresiduen;

— 
de oorsprong van de fysieke energiestromen, gegroepeerd in vijf categorieën, te weten productie, verbruik, accumulatie, rest van de wereld en het milieu;
— 
de bestemming van de fysieke energiestromen, gegroepeerd in dezelfde vijf categorieën als de oorsprong van de fysieke energiestromen.

Alle gegevens worden verstrekt in terajoules.

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 21 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de ►M3  EU-27 ◄ voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2015.

5. De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2014 tot het eerste referentiejaar bij.

6. Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n–2, n–1 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2014 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken moeten de volgende gegevens in fysieke eenheden worden verstrekt:

— 
een aanbodtabel voor energiestromen. In deze tabel wordt het aanbod van natuurlijke energie-inputs, energieproducten en energieresiduen (in rijen) geregistreerd per oorsprong, d.w.z. „leverancier” (in kolommen);
— 
een gebruikstabel voor energiestromen. In deze tabel wordt het gebruik van natuurlijke energie-inputs, energieproducten en energieresiduen (in rijen) geregistreerd per bestemming, d.w.z. „gebruiker” (in kolommen);
— 
een tabel van emissierelevant gebruik van energiestromen. In deze tabel wordt het emissierelevante gebruik van natuurlijke energie-inputs en energieproducten (in rijen) door de verbruikende en uitstotende eenheid (in kolommen) geregistreerd;
— 
een brugtabel waarin wordt weergegeven uit welke verschillende elementen het verschil tussen energierekeningen en energiebalansen is opgebouwd.

2. De aanbod- en gebruikstabellen voor de energiestromen (met inbegrip van emissierelevante stromen) hebben een gemeenschappelijke indeling in rijen en kolommen.

3. De kolommen verwijzen naar de oorsprong (aanbod) of bestemming (gebruik) van de fysieke stromen. De kolommen worden in vijf categorieën gegroepeerd:

— 
„Productie” heeft betrekking op de productie van goederen en diensten. Productieactiviteiten worden geclassificeerd volgens NACE Rev. 2 en gegevens worden gerapporteerd op aggregatieniveau A*64.
— 
„Consumptie”-activiteiten worden gepresenteerd in totaal en ook onderverdeeld in drie subcategorieën (vervoer, verwarming/koeling, overige) voor de consumptie door particuliere huishoudens.
— 
„Accumulatie” heeft betrekking op de veranderingen in de voorraden van energieproducten binnen de economie.
— 
„Rest van de wereld” registreert de stromen van ingevoerde en uitgevoerde producten.
— 
„Milieu” registreert de oorsprong van natuurlijke inputstromen en de bestemming van residustromen.

4. De rijen beschrijven het type fysieke energiestroom, als geclassificeerd onder het eerste streepje van deel 3.

5. De classificatie van natuurlijke energie-inputs, energieproducten en energieresiduen is als volgt:

— 
Natuurlijke energie-inputs worden gegroepeerd in niet-hernieuwbare natuurlijke energie-inputs en hernieuwbare natuurlijke energie-inputs.
— 
Energieproducten worden gegroepeerd volgens de classificatie die in Europese energiestatistieken wordt gebruikt.
— 
Energieresiduen omvatten afvalstoffen (zonder geldwaarde), verliezen tijdens winning/onttrekking, distributie/transport, transformatie/conversie en opslag, alsmede saldi om de aanbod- en gebruikstabellen in evenwicht te brengen.

6. De „brug” van de indicator op basis van het ingezetenenbeginsel naar de indicator op basis van het grondgebied wordt gepresenteerd voor de hele nationale economie (geen uitsplitsing per bedrijfstak) en wordt als volgt verkregen:

totale energieverbruik door ingezeten eenheden

– 

energieverbruik door ingezeten eenheden in het buitenland

+ 

energieverbruik door niet-ingezetenen op het grondgebied

+ 

statistische verschillen

= 

bruto binnenlands energieverbruik (op het grondgebied).

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE VII MODULE VOOR BOSREKENINGEN




BIJLAGE VII

MODULE VOOR BOSREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Bosrekeningen registreren en presenteren gegevens over bosbestanden en economische activiteiten in de bosbouw en de houtkap op een wijze die volledig verenigbaar is met de gegevens die worden gerapporteerd in het kader van het ESR 2010. Bosrekeningen bieden aanvullende informatie en maken gebruik van concepten die zijn aangepast aan de specifieke aard van bossen en van de bosbouw en de houtkap.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor bosrekeningen.

Deel 2

DEKKING

In de bosrekeningen worden de voorraden en stromen van bosbestanden (bebost land en hout) en de economische activiteit in de bosbouw en de houtkap geregistreerd, met inbegrip van de productie van rondhout en de winning en verzameling van in het wild groeiende andere bosproducten dan hout.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen bosrekeningen op overeenkomstig de in dit deel beschreven kenmerken.

1. Vermogensrekeningen van bebost land en hout. Bebost land wordt gedefinieerd als de som van de drie volgende punten.

a) 

Bos beschikbaar voor houtvoorziening: bossen waar milieu-, sociale of economische beperkingen geen significante gevolgen hebben voor het huidige of potentiële houtaanbod. Die beperkingen kunnen zijn vastgesteld door wettelijke voorschriften, besluiten van beheer of van eigenaren of om andere redenen.

b) 

Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening: alle bossen die niet als beschikbaar voor houtvoorziening worden beschouwd overeenkomstig punt a). Dat zijn bossen waar een aanzienlijke houtvoorziening niet mogelijk is als gevolg van milieu-, sociale, economische of wettelijke beperkingen. Dit omvat i) bossen met wettelijke beperkingen of beperkingen die voortvloeien uit andere politieke besluiten die houtvoorziening volledig uitsluiten of ernstig beperken om redenen zoals het behoud van het milieu of de biodiversiteit (schermbossen, nationale parken, natuurreservaten en andere beschermde gebieden zoals gebieden van bijzonder ecologisch, wetenschappelijk, historisch, cultureel of spiritueel belang); ii) bossen waar de fysieke productiviteit of de houtkwaliteit te laag is of de oogst- en transportkosten te hoog zijn om houtkap te rechtvaardigen, afgezien van incidentele kap voor eigen finaal verbruik.

c) 

Overig bebost land.

„Bos” wordt gedefinieerd als gebieden van meer dan 0,5  hectare met bomen hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 10 %, of met bomen die die drempels ter plaatse kunnen bereiken. Het omvat geen grond die overwegend als landbouwgrond wordt gebruikt of bomen in stedelijke omgevingen, zoals stadsparken, lanen en tuinen.

„Overig bebost land” wordt gedefinieerd als gebieden die niet als bos zijn ingedeeld en die meer dan 0,5  hectare beslaan; met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 5 tot 10 %, of met bomen die die drempels ter plaatse kunnen bereiken; of met een gecombineerde bedekking van heesters, struiken en bomen van meer dan 10 %. Het omvat geen grond die overwegend als landbouwgrond wordt gebruikt of bomen in stedelijke omgevingen, zoals stadsparken, lanen en tuinen.

„Netto jaarlijkse toename van hout” wordt gedefinieerd als de gemiddelde jaarlijkse volumegroei van levende bomen, verminderd met de gemiddelde jaarlijkse sterfte.

„Verwijderingen” worden gedefinieerd als het volume van alle levende of dode bomen die worden gekapt en verwijderd uit het bos, overig bebost land of andere kaplocaties. Hieronder valt ook onverkocht rondhout dat naast de bosweg is opgeslagen. Hieronder vallen ook natuurlijke verliezen die worden teruggewonnen, verwijderingen tijdens het jaar van gekapt hout in een eerdere periode, verwijdering van niet-stamhout (zoals stronken en takken) en verwijdering van bomen die door natuurlijke oorzaken zijn gedood of beschadigd (ook wel natuurlijke verliezen genoemd), bv. brand, wind, insecten en ziekten. Hieronder vallen geen niet-houtachtige biomassa of hout dat in het bos achterblijft en in de loop van het jaar niet wordt verwijderd, zoals stronken, takken, boomtoppen en kapafval (oogstafval).

„Onherstelbare verliezen” worden gedefinieerd als residuen van kap en storm die niet uit het bos kunnen worden verwijderd, en hout dat door bosbranden verloren is gegaan.

2. Economische rekeningen die economische activiteiten in de bosbouw en de houtkap rapporteren. De bosbouw en de houtkap worden gedefinieerd als alle eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) die activiteiten verrichten die zijn ingedeeld in afdeling A02 van de NACE Rev. 2.

De volgende kenmerken moeten volgens de definities van het ESR 2010 worden gerapporteerd:

— 
productie;
— 
waarvan: productie voor eigen finaal gebruik;
— 
intermediair verbruik;
— 
bruto toegevoegde waarde;
— 
verbruik van vaste activa;
— 
niet-productgebonden belastingen op productie;
— 
niet-productgebonden subsidies;
— 
beloning van werknemers;
— 
bruto-investeringen en saldo aan- en verkopen van niet-financiële niet-geproduceerde activa;
— 
veranderingen in voorraden;
— 
kapitaaloverdrachten.

De lidstaten rapporteren de werkgelegenheid in de bosbouw en de houtkap in duizend arbeidsjaareenheden (AJE’s) zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ).

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 21 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2023.

5. De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2022 tot het eerste referentiejaar bij.

6. Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. Telkens wanneer de gegevens worden herzien, dienen de lidstaten opnieuw gegevens in voor de jaren vanaf 2022. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2022 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

Voor elk van de in deel 3 neergelegde kenmerken moeten de volgende gegevens worden gerapporteerd:

1. 

Beboste oppervlakte, uitgesplitst naar:

— 
bos beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
overig bebost land.

Elk van die categorieën wordt verder uitgesplitst naar:

— 
begingebied aan het begin van het referentiejaar;
— 
bebossing en andere toenames;
— 
ontbossing en andere afnames;
— 
statistische herindeling;
— 
sluitingsgebied aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd in duizend hectare.

2. 

Volume van het hout, uitgesplitst naar:

— 
bos beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
overig bebost land.

Bos beschikbaar voor houtvoorziening wordt verder uitgesplitst naar:

— 
beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;
— 
nettotoename;
— 
verwijderingen;
— 
onherstelbare verliezen;
— 
statistische herindeling;
— 
saldi;
— 
eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening en overig bebost land worden verder uitgesplitst naar:

— 
beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;
— 
verwijderingen;
— 
andere veranderingen (tussen begin- en eindvoorraden);
— 
eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd met inbegrip van schors, in 1 000  m3.

3. 

Waarde van het hout, uitgesplitst naar:

— 
bos beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;
— 
overig bebost land.

Bos beschikbaar voor houtvoorziening wordt verder uitgesplitst naar:

— 
beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;
— 
nettotoename;
— 
verwijderingen;
— 
onherstelbare verliezen;
— 
herwaardering;
— 
statistische herindeling;
— 
saldi;
— 
eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening en overig bebost land worden verder uitgesplitst naar:

— 
beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;
— 
verwijderingen;
— 
andere veranderingen (tussen begin- en eindvoorraden);
— 
eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

4. 

Voor economische rekeningen wordt de in deel 3 bedoelde output gerapporteerd volgens de volgende onderverdeling, waarbij de producten worden gedefinieerd in termen van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteit, versie 2.1:

— 
levende bosboomplanten (product 02.10.11) en bosboomzaden (product 02.10.12);
— 
bosbomen, gedefinieerd als de nettotoename van hout in gekweekt bos (product 02.10.30);
— 
onbewerkt hout (product 02.20.1), met inbegrip van de verkoop van hout uit onbeteelde bossen, bestaande uit de volgende posten die in twee afzonderlijke rijen moeten worden gerapporteerd:
i) 

brandhout (producten 02.20.14 en 02.20.15);

ii) 

stammen of blokken, d.w.z. de som van stammen van naaldhout (product 02.20.11), stammen van ander hout dan naaldhout met uitzondering van tropisch hout (product 02.20.12), en stammen van tropisch hout (product 02.20.13);

— 
in het wild groeiende niet-houtproducten (product 02.30);
— 
karakteristieke diensten voor bosbouw en houtkap, gedefinieerd als diensten in verband met boomkwekerijen (product 02.10.2), ondersteunende diensten voor de bosbouw (product 02.4), en alle andere diensten die worden verleend door een lokale eenheid van economische activiteit (EEA) van de bosbouwindustrie;
— 
andere producten van verwante secundaire activiteiten in de lokale EEA, zoals paddenstoelen en truffels (01.13.8), andere bessen, de vruchten van het geslacht vaccinium n.e.g. (01.25.19), natuurlijk rubber (01.29.10), ander onbewerkt hout, met inbegrip van gekloofde palen en palen (16.10.39), houtskool (20.14.72), natuurreservaten, met inbegrip van diensten voor natuurbehoud (91.04.12), en alle andere producten die door een lokale EEA worden geproduceerd.

Het intermediair verbruik van de bosbouw en de houtkap als bedoeld in deel 3 wordt als volgt onderverdeeld, waarbij de producten worden gedefinieerd in termen van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteit, versie 2.1:

— 
de som van levende bosboomplanten (product 02.10.11), bosboomzaden (product 02.10.12) en bosbomen (product 02.10.3) die worden gebruikt voor de productie van hout;
— 
de som van energieproducten en smeermiddelen, met inbegrip van elektriciteit (product 35.11.10), motorbenzine (benzine) (product 19.20.21), aardgas – vloeibaar gemaakt of in gasvormige toestand (product 06.20.10), smeerolie en zware preparaten, n.e.g. (product 19.20.29), en andere soortgelijke producten;
— 
de som van de diensten die kenmerkend zijn voor bosbouw en houtkap, met inbegrip van diensten voor boomkwekerijen (product 02.10.2), ondersteunende diensten voor de bosbouw (product 02.4), en alle andere diensten die door een lokale EEA van de bosbouw- en houtsector worden verleend;
— 
overige goederen en diensten die niet zijn opgenomen in een van de variabelen van het intermediair verbruik.

Veranderingen in de inventarissen van de bosbouw en de houtkap als bedoeld in deel 3 worden als volgt gerapporteerd:

— 
veranderingen in onderhanden werk van in cultuur gebrachte biologische activa;
— 
overige veranderingen in voorraden.

Alle kenmerken worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

5. 

Gegevens over overig bebost land worden op vrijwillige basis gerapporteerd.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE VIII MODULE VOOR REKENINGEN VOOR MILIEUSUBSIDIES EN SOORTGELIJKE OVERDRACHTEN




BIJLAGE VIII

MODULE VOOR REKENINGEN VOOR MILIEUSUBSIDIES EN SOORTGELIJKE OVERDRACHTEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten verzamelen en presenteren gegevens over inkomens- en kapitaaloverdrachten ter ondersteuning van activiteiten ter bescherming van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de productie en het gebruik van milieuproducten, op een wijze die verenigbaar is met de begrippen en definities van het ESR 2010.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geëvalueerd voor rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten door de lidstaten. Die gegevens worden tevens gebruikt voor de samenstelling van de nationale uitgaven voor milieubescherming, zoals uiteengezet in bijlage IV.

Deel 2

DEKKING

In de rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten worden betalingen om niet geregistreerd van de overheid aan institutionele sectoren (binnen de binnenlandse economie en het buitenland) en van niet-ingezetenen (rest van de wereld) met het oog op de bescherming van het milieu of de vermindering van het gebruik en de winning van natuurlijke hulpbronnen.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten op overeenkomstig de volgende kenmerken:

— 
subsidies (ESR 2010-code D.3);
— 
overige inkomensoverdrachten (ESR 2010-codes D.6 en D.7);
— 
kapitaaloverdrachten (ESR 2010-code D.9).

Alle gegevens worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.

2. De statistieken worden binnen 24 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2023.

5. De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2022 tot het eerste referentiejaar bij.

6. Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. Telkens wanneer de gegevens worden herzien, dienen de lidstaten opnieuw gegevens in voor de jaren vanaf 2022. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2022 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken worden gegevens verstrekt per:

— 
betalende institutionele sector, als volgt:
— 
overheid;
— 
buitenland;
— 
ontvangende institutionele sector, als volgt:
— 
overheid;
— 
vennootschappen;
— 
huishoudens;
— 
instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens;
— 
buitenland.

▼M5

2. Voor elk van de in punt 1 bedoelde rapporteringscategorieën worden de gegevens gerapporteerd per groep van de classificatie van milieudoeleinden (CEP), als volgt gegroepeerd:

— 
CEP 01 — Lucht en klimaat;
— 
CEP 0201 — Energie uit hernieuwbare bronnen;
— 
CEP 0202 — Energiebesparing en -beheer;
— 
CEP 0301 — Afvalwaterbeheer;
— 
CEP 0302 — Waterbesparing en beheer van natuurlijke waterreserves;
— 
CEP 0401 — Afvalbeheer;
— 
CEP 0402 — Terugwinning en besparing van materialen;
— 
CEP 0501 — Bescherming van bodem, oppervlakte- en grondwater;
— 
CEP 0502 — Bescherming van de biodiversiteit en het landschap;
— 
CEP 0503 — Beheer van bosbestanden;
— 
CEP 06 — Geluid en straling;
— 
de som van CEP 0701, CEP 0703, CEP 0705, CEP 0707, CEP 0709 — Onderzoek en ontwikkeling betreffende de vermindering en beheersing van luchtemissies, afvalwaterbeheer, afvalbeheer, bodem, oppervlakte- en grondwater en biodiversiteit en geluid en straling;
— 
de som van CEP 0702, CEP 0704, CEP 0706, CEP 0708 — Onderzoek en ontwikkeling betreffende energie, waterreserves, materiaalterugwinning en -besparing en bosbeheer;
— 
CEP 08 — Horizontale en andere milieudoeleinden.

▼M3

3.  ►M5  Overdrachten die door ondernemingen worden ontvangen van de overheid, gegroepeerd naar de som van alle CEP-groepen (CEP 01-08), worden verder als volgt gegroepeerd volgens de classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2: ◄

— 
NACE A – Landbouw, bosbouw en visserij;
— 
NACE B – Winning van delfstoffen;
— 
NACE C – Industrie;
— 
NACE D – Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht;
— 
NACE E – Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering;
— 
NACE F – Bouwnijverheid;
— 
NACE G – Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen;
— 
NACE H – Vervoer en opslag;
— 
NACE I-U – overige NACE-secties.

▼M5 —————

▼M3

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE IX MODULE VOOR ECOSYSTEEMREKENINGEN




BIJLAGE IX

MODULE VOOR ECOSYSTEEMREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Ecosysteemrekeningen bevatten gegevens over de omvang en de toestand van de ecosysteemactiva en de diensten die zij leveren aan de samenleving en de economie. De gegevens zijn in overeenstemming met de SEEA EA en zijn verenigbaar met de gegevens die in het kader van het ESR 2010 worden gerapporteerd.

Ecosysteemrekeningen maken waar mogelijk gebruik van bestaande informatie, onder meer uit aardobservatie, milieurapportage en andere gegevensbronnen.

Deel 2

DEKKING

De ecosysteemrekeningen registreren de omvang van ecosystemen, de toestand van ecosystemen en de stromen van ecosysteemdiensten.

De omvang van ecosystemen is het oppervlak van ecosystemen in een gebied. Rekeningen voor de omvang van ecosystemen hebben betrekking op terrestrische (met inbegrip van zoetwater-) en mariene ecosystemen op het nationale grondgebied.

De toestand van het ecosysteem is de kwaliteit van een ecosysteem, gemeten aan de hand van zijn abiotische, biotische en landschapskenmerken, per type ecosysteem.

Ecosysteemdiensten zijn de voordelen die ecosystemen bieden aan economische en andere menselijke activiteiten. Zij omvatten i) productverstrekkingsdiensten, ii) regulerings- en onderhoudsdiensten, en iii) culturele diensten. De rekeningen voor ecosysteemdiensten registreren de feitelijke levering en het daadwerkelijke gebruik van ecosysteemdiensten die door de ecosystemen op het nationale grondgebied worden geleverd.

Thematische rekeningen zijn rekeningen die gegevens organiseren op basis van specifieke beleidsthema’s zoals biodiversiteit, klimaatverandering, oceanen en stedelijke gebieden.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen ecosysteemrekeningen op overeenkomstig de volgende kenmerken.

1. 

Rekeningen voor de omvang van het ecosysteem waarbij het gebied en de verandering in het gebied voor elk ecosysteemtype op het nationale grondgebied worden geregistreerd. De lidstaten rapporteren rekeningen betreffende de omvang van ecosystemen in duizend hectare.

2. 

Als onderdeel van de rekeningen betreffende de omvang van het ecosysteem, een conversiematrix die omzettingen tussen ecosysteemtypen tussen twee tijdstippen, in hectare, registreert.

3. 

Rekeningen betreffende de toestand van ecosystemen waarin de ecosysteemkenmerken als volgt worden geregistreerd:

a) 

voor woongebieden en andere kunstmatige gebieden:

— 
groene gebieden in steden en aangrenzende steden en voorsteden worden gerapporteerd in % van de totale oppervlakte, berekend voor het volledige gebied van de steden en aangrenzende steden en voorsteden, met inbegrip van alle soorten ecosystemen in dat gebied;
— 
de fijnstofconcentratie, met een diameter tot 2,5  μm in steden, wordt gerapporteerd in μg/m3 als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode.
b) 

voor akkerland:

— 
de voorraad organische koolstof in de bovenste bodemgrondlagen wordt gerapporteerd in ton/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;
c) 

voor grasland:

— 
de voorraad organische koolstof in de bovenste bodemgrondlagen wordt gerapporteerd in ton/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;
d) 

voor akkerland en grasland samen:

— 
de index van veelvoorkomende boerenlandvogels wordt gerapporteerd als een nationale geaggregeerde index voor de rapporteringsperiode;
e) 

voor bossen en bosgebieden:

— 
dood hout wordt gerapporteerd in m3/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;
— 
de dichtheid van de boombedekking wordt gerapporteerd in %, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;
— 
index van veelvoorkomende bosvogels; de bosvogelindex beschrijft trends in de populatie van veelvoorkomende bosvogels in hun Europese verspreidingsgebied in de loop van de tijd; deze samengestelde index is opgebouwd uit waarnemingsgegevens van vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de Europese boshabitats; de index is gebaseerd op een specifieke soortenlijst per lidstaat;
f) 

voor stranden, duinen en waterrijke gebieden (wetlands) aan de kust:

— 
het aandeel kunstmatige ondoordringbare gebieden in een kustgebied dat kuststranden, duinen en wetlands omvat, wordt in % gerapporteerd als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode.

Steden, gemeenten en voorsteden zijn lokale bestuurlijke eenheden die zijn ingedeeld volgens de typologie van verstedelijking zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2391 van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ).

4. 

Rekeningen voor ecosysteemdiensten waarin de levering en het gebruik van ecosysteemdiensten in aanbod- en gebruikstabellen worden geregistreerd. In de aanbodtabel wordt de levering van ecosysteemdiensten van ecosystemen aan sociaaleconomische systemen geregistreerd. In de gebruikstabel wordt het gebruik van ecosysteemdiensten geregistreerd volgens het soort gebruik zoals gedefinieerd in deel 5.

De aanbod- en gebruikstabellen worden in de volgende fysieke eenheden gerapporteerd.

a) 

Productverstrekkingsdiensten

— 
Gewasverstrekking, is gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de plantengroei, bij benadering op basis van de hoeveelheid geoogste gewassen voor verschillende toepassingen. Dit omvat de productie van voedsel en vezels, voedergewassen en energie, en begraasde biomassa, zoals vermeld in bijlage III, tabel A, punten 1.1 en 1.2.
— 
Bestuiving is gedefinieerd als de bijdrage van wilde bestuivers aan de productie van de in het eerste streepje bedoelde gewassen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton van bestuivers afhankelijke gewassen die kunnen worden toegeschreven aan wilde bestuivers, per gewastype voor de belangrijkste soorten van bestuivers afhankelijke gewassen, waaronder fruitbomen, bessen, tomaten, oliehoudende zaden en „overige”.
— 
Houtvoorziening is gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de groei van bomen en andere houtachtige biomassa en wordt gerapporteerd als nettotoename als gedefinieerd in bijlage VII met inbegrip van schors, in duizend m3.
b) 

Regulerende en onderhoudsdiensten

— 
Luchtfiltratie wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan het filteren van luchtverontreinigende stoffen door afzetting, opname, fixatie en opslag van verontreinigende stoffen door ecosysteemcomponenten (met name bomen). Dit beperkt de schadelijke gevolgen van de verontreinigende stoffen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton geadsorbeerde deeltjes.
— 
Mondiale klimaatregulering wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de vermindering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer door de verwijdering (nettovastlegging) van koolstof uit de atmosfeer en de retentie (opslag) van koolstof in ecosystemen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton nettovastlegging van koolstof en ton organische koolstof die is opgeslagen in terrestrische ecosystemen, met inbegrip van bovengrondse en ondergrondse voorraden.
— 
Lokale klimaatregulering wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de regulering van de atmosferische omgevingsomstandigheden in stedelijke gebieden door middel van vegetatie die de levensomstandigheden van mensen verbetert en de economische productie ondersteunt. Deze wordt uitgedrukt en gerapporteerd als de temperatuurdaling in steden als gevolg van het effect van stedelijke vegetatie, in graden Celsius op dagen waarop de luchttemperatuur 25 graden Celsius overstijgt.
c) 

Culturele diensten

— 
Diensten die verband houden met natuurtoerisme worden gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem, met name door de biofysische kenmerken en kwaliteiten van ecosystemen, die mensen in staat stellen het milieu te gebruiken en te genieten door middel van directe, in situ-, fysieke en ervaringsinteracties met het milieu. Die bijdragen worden gerapporteerd in het aantal overnachtingen in hotels, hostels, kampeerterreinen enz. dat kan worden toegeschreven aan bezoeken aan ecosystemen.
5. 

Ecosysteemrekeningen gebruiken de volgende tabel van ecosysteemtypen:



Categorie

Type ecosysteem

1

Woongebieden en andere kunstmatige gebieden

2

Akkerland

3

Grasland (weiland, halfnatuurlijk en natuurlijk grasland)

4

Bossen en bosgebieden

5

Heide en struiken

6

Ecosystemen met schaarse begroeiing

7

Wetlands in het binnenland

8

Rivieren en kanalen

9

Meren en waterbekkens

10

Estuaria en overgangswateren

11

Stranden, duinen en wetlands aan de kust

12

Mariene ecosystemen (kustwateren, continentaal plat en open oceaan)

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

1. De statistieken worden samengesteld en ingediend:

— 
om de 3 jaar voor rekeningen betreffende de omvang en de toestand van de ecosystemen; de gegevens hebben betrekking op een representatief gemiddelde voor het referentiejaar en op de conversiematrix inzake de verandering in de 3 jaar tussen 2 referentiejaren;
— 
jaarlijks, mits de Commissie (Eurostat) modelleringsinstrumenten beschikbaar stelt voor de berekening van ecosysteemdiensten voor rekeningen voor ecosysteemdiensten; bij gebrek aan dergelijke instrumenten, om de drie jaar voor rekeningen voor ecosysteemdiensten.

2. De statistieken worden binnen 24 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.

3. Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.

4. Het eerste referentiejaar is 2024. Voor de omrekeningsmatrix is het eerste referentiejaar 2027.

5. Bij de eerste indiening van gegevens nemen de lidstaten gegevens uit 2024 op voor de rekeningen betreffende de omvang en de toestand van ecosystemen, en voor wat ecosysteemdiensten betreft, aanbod- en gebruikstabellen uitgedrukt in fysieke eenheden. Voor de conversiematrix moeten de gegevens de veranderingen tussen 2024 en 2027 laten zien.

6. Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij gegevens over de rekeningen betreffende de omvang en de toestand van de ecosysteemdiensten voor de jaren n-3 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten dienen vanaf 2024 opnieuw gegevens in telkens wanneer de gegevens worden herzien. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2024 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

1. Rekeningen betreffende de omvang van ecosystemen: voor alle in deel 3 bedoelde ecosysteemtypen worden de gegevens in de eerste indiening gerapporteerd voor het eerste referentiejaar. Voor elke daaropvolgende indiening van gegevens worden de gegevens als volgt gerapporteerd:

— 
omvang in het voorgaande referentiejaar;
— 
toenames;
— 
afnames;
— 
omvang in het lopende referentiejaar.

De conversiematrix rapporteert conversies tussen alle in deel 3 bedoelde ecosysteemtypen tussen het voorgaande en het lopende referentiejaar.

2. Rekeningen voor ecosysteemdiensten: voor de in deel 3 bedoelde ecosysteemdiensten worden de gegevens als volgt in de aanbod- en gebruikstabellen gerapporteerd:

a) 

aanbodtabel waarin de jaarlijkse levering van de in deel 3 bedoelde diensten wordt geregistreerd door alle ecosysteemtypen als bedoeld in deel 3, met uitzondering van de categorieën 10 en 12;

b) 

gebruikstabel waarin het gebruik van ecosysteemdiensten wordt geregistreerd volgens de volgende onderverdeling:

— 
intermediair verbruik van de bedrijfstakken;
— 
eindverbruik door de overheid;
— 
eindverbruik door de huishoudens;
— 
bruto-investeringen;
— 
uitvoer.

3. Een lidstaat is niet verplicht gegevens te verstrekken als zijn totale landoppervlakte niet groter is dan 0,3  % van het totale landoppervlak van de Unie.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis