+RICHTLIJN (EU) 2024/3019 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 november 2024 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Opvangsystemen en berekening van de vracht van een agglomeratie
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
---+Artikel 4 Individuele systemen
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
------+Artikel 4 4.
------+Artikel 4 5.
------+Artikel 4 6.
---+Artikel 5 Geïntegreerde beheerplannen voor stedelijk afvalwater
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
------+Artikel 5 6.
------+Artikel 5 7.
---+Artikel 6 Secundaire behandeling
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
------+Artikel 6 5.
---+Artikel 7 Tertiaire behandeling
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
------+Artikel 7 5.
------+Artikel 7 6.
------+Artikel 7 7.
------+Artikel 7 8.
------+Artikel 7 9.
------+Artikel 7 10.
------+Artikel 7 11.
---+Artikel 8 Quartaire behandeling
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
------+Artikel 8 4.
------+Artikel 8 5.
------+Artikel 8 6.
------+Artikel 8 7.
------+Artikel 8 8.
---+Artikel 9 Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
------+Artikel 9 5.
---+Artikel 10 Minimumeisen voor organisaties voor producentenverantwoordelijkheid
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
------+Artikel 10 4.
------+Artikel 10 5.
------+Artikel 10 6.
------+Artikel 10 7.
---+Artikel 11 Energieneutraliteit
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
------+Artikel 11 4.
------+Artikel 11 5.
---+Artikel 12 Grensoverschrijdende samenwerking
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
---+Artikel 13 Plaatselijke weersomstandigheden
---+Artikel 14 Lozingen van niet-huishoudelijk afvalwater
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
------+Artikel 14 4.
------+Artikel 14 5.
---+Artikel 15 Hergebruik van water en lozingen van stedelijk afvalwater
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 4.
---+Artikel 16 Biologisch afbreekbaar niet-huishoudelijk afvalwater
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
---+Artikel 17 Bewaking van stedelijk afvalwater
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
------+Artikel 17 3.
------+Artikel 17 4.
---+Artikel 18 Risicobeoordeling en -beheer
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
------+Artikel 18 3.
---+Artikel 19 Toegang tot sanitaire voorzieningen
---+Artikel 20 Slib en terugwinning van grondstoffen
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
---+Artikel 21 Monitoring
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
------+Artikel 21 3.
------+Artikel 21 4.
------+Artikel 21 5.
------+Artikel 21 6.
---+Artikel 22 Informatie over de monitoring van de uitvoering
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
---+Artikel 23 Nationaal uitvoeringsprogramma
------+Artikel 23 1.
------+Artikel 23 2.
------+Artikel 23 3.
------+Artikel 23 4.
---+Artikel 24 Voorlichting van het publiek
------+Artikel 24 1.
------+Artikel 24 2.
------+Artikel 24 3.
------+Artikel 24 4.
---+Artikel 25 Toegang tot de rechter
------+Artikel 25 1.
------+Artikel 25 2.
------+Artikel 25 3.
------+Artikel 25 4.
---+Artikel 26 Schadevergoeding
------+Artikel 26 1.
------+Artikel 26 2.
------+Artikel 26 3.
------+Artikel 26 4.
------+Artikel 26 5.
---+Artikel 27 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 27 1.
------+Artikel 27 2.
------+Artikel 27 3.
------+Artikel 27 4.
------+Artikel 27 5.
------+Artikel 27 6.
---+Artikel 28 Comitéprocedure
------+Artikel 28 1.
------+Artikel 28 2.
---+Artikel 29 Sancties
------+Artikel 29 1.
------+Artikel 29 2.
------+Artikel 29 3.
---+Artikel 30 Evaluatie
------+Artikel 30 1.
------+Artikel 30 2.
---+Artikel 31 Beoordeling door de Commissie
---+Artikel 32 Intrekkings- en overgangsbepalingen
------+Artikel 32 1.
------+Artikel 32 2.
------+Artikel 32 3.
------+Artikel 32 4.
------+Artikel 32 5.
------+Artikel 32 6.
------+Artikel 32 7.
------+Artikel 32 8.
---+Artikel 33 Omzetting
------+Artikel 33 1.
------+Artikel 33 2.
---+Artikel 34 Inwerkingtreding en toepassing
---+Artikel 35 Adressaten
---+BIJLAGE I AAN STEDELIJK AFVALWATER GESTELDE EISEN
---+BIJLAGE II VOOR EUTROFIËRING GEVOELIGE GEBIEDEN
---+BIJLAGE III LIJST VAN PRODUCTEN DIE ONDER UITGEBREIDE PRODUCENTENVERANTWOORDELIJKHEID VALLEN
---+BIJLAGE IV BEDRIJFSTAKKEN
---+BIJLAGE V INHOUD VAN DE GEÏNTEGREERDE BEHEERPLANNEN VOOR STEDELIJK AFVALWATER
---+BIJLAGE VI VOORLICHTING VAN HET PUBLIEK
---+BIJLAGE VII
---+BIJLAGE VIII
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN (EU) 2024/3019 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 november 2024 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
RICHTLIJN (EU) 2024/3019 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 27 november 2024
inzake de behandeling van stedelijk afvalwater
(herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 1 Onderwerp
|
Artikel 1
In deze richtlijn worden regels vastgesteld voor de opvang, behandeling en lozing van stedelijk afvalwater om het milieu en de gezondheid van de mens te beschermen, in overeenstemming met de “één gezondheid”-benadering, en tegelijkertijd de broeikasgasemissies geleidelijk tot duurzame niveaus te verminderen, de energiebalans van de werkzaamheden bij het opvangen en de behandeling van stedelijk afvalwater te verbeteren, en bij te dragen tot de transitie naar een circulaire economie. Er worden ook regels in vastgelegd betreffende de toegang tot sanitaire voorzieningen voor iedereen, de transparantie van de sector voor stedelijk afvalwater, het regelmatig bewaken van voor de volksgezondheid relevante parameters in stedelijk afvalwater en de toepassing van het beginsel “de vervuiler betaalt”.
|
|
Artikel 2 Definities
|
Artikel 2
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1)
“stedelijk afvalwater”: de volgende vormen van afvalwater:
a)
huishoudelijk afvalwater;
b)
het mengsel van huishoudelijk afvalwater en niet-huishoudelijk afvalwater;
c)
het mengsel van huishoudelijk afvalwater en stedelijk afstromend hemelwater;
d)
het mengsel van huishoudelijk afvalwater, niet-huishoudelijk afvalwater en stedelijk afstromend hemelwater;
2)
“huishoudelijk afvalwater”: afvalwater van woongebieden, diensten en instituten, dat overwegend afkomstig is van de menselijke stofwisseling of van huishoudelijke werkzaamheden, of van beide;
3)
“niet-huishoudelijk afvalwater”: afvalwater, anders dan huishoudelijk afvalwater en stedelijk afstromend hemelwater, dat wordt geloosd vanaf gebouwen en terreinen die voor handels-, industriële of economische activiteiten worden gebruikt;
4)
“agglomeratie”: een gebied waar de bevolking uitgedrukt in inwonerequivalent, al dan niet gecombineerd met economische activiteiten, voldoende geconcentreerd is om stedelijk afvalwater op te vangen en naar een of meerdere zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater of een of meerdere definitieve lozingspunten af te voeren;
5)
“stedelijk afstromend hemelwater”: neerslag in agglomeraties die in gemengde of gescheiden riolen wordt opgevangen;
6)
“overstorting”: de lozing van onbehandeld stedelijk afvalwater in ontvangende wateren vanuit gemengde riolen als gevolg van neerslag of defecte installaties;
7)
“opvangsysteem”: een systeem van leidingen waardoor stedelijk afvalwater wordt opgevangen en afgevoerd;
8)
“gemengde riool”: een enkele leiding waarin stedelijk afvalwater, met inbegrip van stedelijk afstromend hemelwater, wordt opgevangen en afgevoerd;
9)
“gescheiden riool”: een leiding waarin afzonderlijk één van de volgende soorten afvalwater wordt opgevangen en afgevoerd:
a)
huishoudelijk afvalwater;
b)
niet-huishoudelijk afvalwater;
c)
een mengsel van huishoudelijk afvalwater en niet-huishoudelijk afvalwater;
d)
stedelijk afstromend hemelwater;
10)
“1 inwonerequivalent” of “(1 i.e.)”: de biologisch afbreekbare organische vracht per dag met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag;
11)
“primaire behandeling”: behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een fysisch of chemisch proces, of beide, van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het BZV5 van het inkomende afvalwater vóór de lozing met ten minste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen in het inkomende afvalwater met ten minste 50 % wordt verminderd;
12)
“secundaire behandeling”: behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biologische behandeling met secundaire bezinking plaatsvindt of van een ander proces waarbij biologisch afbreekbaar organisch materiaal in stedelijk afvalwater wordt gereduceerd;
13)
“tertiaire behandeling”: behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een proces waarbij stikstof of fosfor, of beide, in stedelijk afvalwater worden gereduceerd;
14)
“quartaire behandeling”: behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een proces waarbij een breed scala aan microverontreinigingen in stedelijk afvalwater wordt gereduceerd;
15)
“slib”: organische en anorganische residuen die ontstaan bij de behandeling van stedelijk afvalwater in een stedelijke waterzuiveringsinstallatie, met uitzondering van gruis, vet, ander puin en alle andere zeefresten en residuen van de voorbehandeling;
16)
“eutrofiëring”: een verrijking van het water door nutriënten, vooral stikstof- of fosforverbindingen, of beide, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
17)
“microverontreiniging”: een stof, zoals omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (
1
), met inbegrip van de afbraakproducten ervan, die doorgaans in het aquatisch milieu, stedelijk afvalwater of slib aanwezig is en die op basis van de desbetreffende criteria in de delen 3 en 4 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zelfs in lage concentraties als gevaarlijk voor het milieu of de gezondheid van de mens kan worden beschouwd;
18)
“verdunningsverhouding”: de verhouding van het gemiddelde over de laatste vijf jaar van de jaarlijkse stroom aan ontvangende wateren op het lozingspunt tot het gemiddelde over de laatste vijf jaar van het jaarlijkse volume aan geloosd stedelijk afvalwater in oppervlaktewateren;
19)
“producent”: een fabrikant, importeur of distributeur die op professionele basis producten in een lidstaat in de handel brengt, onder andere door middel van overeenkomsten op afstand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (
2
);
20)
“organisatie voor producentenverantwoordelijkheid”: een nationaal erkende organisatie die wordt opgericht om producenten in staat te stellen te voldoen aan hun verplichtingen krachtens de artikelen 9 en 10;
21)
“sanitaire voorzieningen”: voorzieningen en diensten om op een veilige, hygiënische, beveiligde en sociaal en cultureel aanvaardbare wijze menselijke urine en ontlasting te beheren en te verwijderen, en menstruatieproducten te vervangen en te verwijderen, waarbij privacy wordt geboden en de waardigheid wordt gewaarborgd;
22)
“resistentie tegen antimicrobiële stoffen”: het vermogen van micro-organismen om te overleven of te groeien in de aanwezigheid van een concentratie van een antimicrobieel agens die meestal voldoende is om micro-organismen van dezelfde soort te doden of te remmen;
23)
“één gezondheid-benadering”: één gezondheid-benadering zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7), van Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad (
3
);
24)
“betrokken publiek”: het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk gevolgen zal ondervinden van de besluitvorming voor de uitvoering van de verplichtingen van artikel 6, 7 of 8 van deze richtlijn, of dat belang heeft bij die besluitvorming; voor de toepassing van deze definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor de bescherming van het milieu of de menselijke gezondheid inzetten en aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;
25)
“biomedia”: dragers, doorgaans vervaardigd uit kunststof, die worden gebruikt voor het kweken van de bacteriën die nodig zijn voor de behandeling van stedelijk afvalwater;
26)
“in de handel brengen”: het voor het eerst aanbieden van een product op de markt van een lidstaat;
27)
“vracht”: de hoeveelheid biologisch afbreekbaar organisch materiaal in stedelijk afvalwater gemeten als BZV5, uitgedrukt in i.e., of van een verontreinigende stof of nutriënt, uitgedrukt in massa-eenheid per periode;
28)
“individueel systeem”: een sanitaire voorziening voor de opvang, de opslag, de behandeling of de lozing van huishoudelijk afvalwater afkomstig van gebouwen of delen van gebouwen die niet op een opvangsysteem zijn aangesloten.
|
|
Artikel 3 Opvangsystemen en berekening van de vracht van een agglomeratie
|
|
|
Artikel 4 Individuele systemen
|
|
|
Artikel 5 Geïntegreerde beheerplannen voor stedelijk afvalwater
|
|
|
Artikel 6 Secundaire behandeling
|
|
|
Artikel 7 Tertiaire behandeling
|
|
|
Artikel 8 Quartaire behandeling
|
|
|
Artikel 9 Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
|
|
|
Artikel 10 Minimumeisen voor organisaties voor producentenverantwoordelijkheid
|
|
|
Artikel 11 Energieneutraliteit
|
|
|
Artikel 12 Grensoverschrijdende samenwerking
|
|
|
Artikel 13 Plaatselijke weersomstandigheden
|
Artikel 13
Plaatselijke weersomstandigheden
De lidstaten zorgen ervoor dat de ter naleving van de eisen die zijn vastgelegd in de artikelen 6, 7 en 8 zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater zodanig worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat zij onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden op bevredigende wijze kunnen blijven functioneren. Onverminderd de krachtens artikel 13, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2557 genomen maatregelen worden seizoenschommelingen in de vracht en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering beoordeeld en wordt hiermee rekening gehouden bij het ontwerpen, bouwen en exploiteren van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater en opvangsystemen.
|
|
Artikel 14 Lozingen van niet-huishoudelijk afvalwater
|
|
|
Artikel 15 Hergebruik van water en lozingen van stedelijk afvalwater
|
|
|
Artikel 16 Biologisch afbreekbaar niet-huishoudelijk afvalwater
|
|
|
Artikel 17 Bewaking van stedelijk afvalwater
|
|
|
Artikel 18 Risicobeoordeling en -beheer
|
|
|
Artikel 19 Toegang tot sanitaire voorzieningen
|
Artikel 19
Toegang tot sanitaire voorzieningen
Onverminderd de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en rekening houdend met de lokale en regionale perspectieven en omstandigheden op het gebied van sanitaire voorzieningen, nemen de lidstaten alle maatregelen die nodig zijn om de toegang tot sanitaire voorzieningen voor iedereen te waarborgen, met name voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen.
Daartoe zorgen de lidstaten er uiterlijk op 12 januari 2029 voor dat zij:
a)
vaststellen welke personen geen, of slechts beperkte toegang tot sanitaire voorzieningen hebben, met bijzondere aandacht voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en redenen verstrekken voor dit gebrek aan toegang;
b)
de mogelijkheden beoordelen om de toegang tot sanitaire voorzieningen voor deze personen te verbeteren;
c)
voor alle agglomeraties met 10 000 i.e. of meer aanmoedigen om voldoende sanitaire voorzieningen in openbare ruimten aan te leggen, die vrij toegankelijk zijn en die met name voor vrouwen veilig toegankelijk zijn, en het publiek over die voorzieningen passend te informeren;
d)
voor alle agglomeraties met 5 000 i.e. of meer, de bevoegde autoriteiten aanmoedigen in openbare gebouwen, met name in administratieve gebouwen, voldoende gratis sanitaire voorzieningen beschikbaar te stellen;
e)
aanmoedigen om voor iedereen, gratis of tegen een lage vergoeding sanitaire voorzieningen beschikbaar te stellen in restaurants, winkels en soortgelijke openbaar toegankelijke particuliere ruimten.
|
|
Artikel 20 Slib en terugwinning van grondstoffen
|
|
|
Artikel 21 Monitoring
|
|
|
Artikel 22 Informatie over de monitoring van de uitvoering
|
|
|
Artikel 23 Nationaal uitvoeringsprogramma
|
|
|
Artikel 24 Voorlichting van het publiek
|
|
|
Artikel 25 Toegang tot de rechter
|
|
|
Artikel 26 Schadevergoeding
|
|
|
Artikel 27 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
|
|
|
Artikel 28 Comitéprocedure
|
|
|
Artikel 29 Sancties
|
|
|
Artikel 30 Evaluatie
|
|
|
Artikel 31 Beoordeling door de Commissie
|
Artikel 31
Beoordeling door de Commissie
De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad om de vijf jaar een verslag voor over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Op basis van dat verslag kan de Commissie de lidstaten die de in de artikelen 3, 5, 6, 7, 8 en 11 vastgelegde doelstellingen en termijnen niet halen, vroegtijdige waarschuwingen sturen.
|
|
Artikel 32 Intrekkings- en overgangsbepalingen
|
|
|
Artikel 33 Omzetting
|
|
|
Artikel 34 Inwerkingtreding en toepassing
|
Artikel 34
Inwerkingtreding en toepassing
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De artikelen 12 en 13 en bijlagen II en IV zijn van toepassing met ingang van 1 augustus 2027.
|
|
Artikel 35 Adressaten
|
Artikel 35
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
|
|
BIJLAGE I AAN STEDELIJK AFVALWATER GESTELDE EISEN
|
BIJLAGE I
AAN STEDELIJK AFVALWATER GESTELDE EISEN
Deel A
Opvangsystemen
Voor opvangsystemen moet rekening worden gehouden met de eisen inzake stedelijk afvalwaterzuivering.
Opvangsystemen moeten worden ontworpen, gebouwd en onderhouden overeenkomstig de beste technische kennis mits die geen buitensporige kosten veroorzaakt, met name ten aanzien van:
—
het volume en de eigenschappen van het stedelijk afvalwater;
—
de voorkoming van lekkages van stedelijk afvalwater, infiltratie en verkeerd aangesloten instroming in de opvangsystemen;
—
de beperking van verontreiniging van de ontvangende wateren door overstorting, rekening houdend met de toepasselijke eisen van artikel 5 en bijlage V.
Deel B
Lozing van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater in ontvangende wateren
1. Stedelijke waterzuiveringsinstallaties moeten zodanig worden ontworpen of aangepast dat representatieve monsters kunnen worden verkregen van het inkomende afvalwater en van het behandelde effluent voordat dit in de ontvangende wateren wordt geloosd.
2. De lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater en van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater voor agglomeraties als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8 moeten voldoen aan de eisen in tabel 1 van deze bijlage.
3. De lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 7, lid 1, of van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater voor agglomeraties als bedoeld in artikel 7, lid 3, moeten voldoen naast de eisen van punt 2, ook aan de eisen in tabel 2 van deze bijlage, tenzij artikel 7, lid 8, van toepassing is.
4. De lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 8, lid 1, of van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater voor agglomeraties als bedoeld in artikel 8, lid 4, moeten voldoen aan de eisen van tabel 3 van deze bijlage.
5. Vooraf vastgestelde regelingen en specifieke vergunningen voor de lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater die gebruikmaken van biomedia moeten het volgende bevatten:
—
een korte beschrijving van in de door zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater uitgevoerde behandeling gebruikte technologieën die biomedia bevatten, met inbegrip van het type en het volume van de in de installatie gebruikte biomedia, en een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om het vrijkomen van biomedia in het milieu te voorkomen;
—
een verplichting om het vrijkomen van biomedia in het milieu permanent te monitoren en te voorkomen;
—
de verplichting om elk vrijkomen van biomedia in ontvangende wateren dat significant is onverwijld aan de bevoegde autoriteiten te melden.
6. Eisen die strenger zijn dan die vermeld in de tabellen 1, 2 en 3 moeten indien nodig worden toegepast om ervoor te zorgen dat de ontvangende wateren voldoen aan de in de Richtlijnen 2000/60/EG, 2008/56/EG, 2008/105/EG en 2006/7/EG vastgelegde eisen.
7. De lozingspunten van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het schadelijke effect op de ontvangende wateren zo gering mogelijk is.
Deel C
Methoden voor monitoring en evaluatie van de resultaten
1. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er een methode voor monitoring wordt toegepast die voldoet aan de eisen van de punten 2 tot en met 5. In voorkomend geval voldoen alle analysemethoden aan dezelfde minimale prestatiekenmerken als deze die zijn gedefinieerd in Richtlijn 2009/90/EG en in andere toepasselijke regels.
Andere dan de in de punten 2, 3 en 4 bedoelde methoden kunnen worden gebruikt, mits kan worden aangetoond dat gelijkwaardige resultaten worden verkregen.
De lidstaten moeten de Commissie alle relevante informatie verstrekken omtrent de toegepaste methode voor monitoring.
2. Met het debiet evenredige of op tijdsduur gebaseerde 24-uur-monsters moeten genomen worden op hetzelfde, welbepaalde punt in de uitlaat en, zo nodig, bij de inlaat van de stedelijke waterzuiveringsinstallatie. Op tijdsduur gebaseerde monsters die worden gebruikt om op microverontreinigingen te monitoren, moeten echter 48-uur-monsters zijn.
Er moeten goede internationale laboratoriumpraktijken worden toegepast, die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van de monsters tussen de monsterneming en de analyse.
3. Het minimumaantal monsters per jaar moet worden vastgesteld naargelang de grootte van de zuiveringsinstallatie en wordt gedurende het jaar met geregelde tussenpozen genomen:
|
1 000 tot 9 999 i.e.:
|
één monster per maand (zie opmerking 1)
|
|
10 000 tot 49 999 i.e.:
|
twee monsters per maand
voor microverontreinigingen, één monster per maand
|
|
50 000 tot 149 999 i.e.:
|
één monster per week
voor microverontreinigingen, twee monsters per maand
|
|
150 000 i.e. of hoger:
|
twee monsters per week
voor microverontreinigingen, twee monsters per maand
|
Opmerking 1: Voor agglomeraties met seizoensgebonden activiteiten worden tussenpozen van maximaal twee maanden zonder bemonstering geaccepteerd, mits tijdens de maanden met seizoensgebonden activiteiten extra monsters worden genomen. In totaal worden in de loop van het jaar twaalf monsters genomen.
4. Het behandelde stedelijk afvalwater moet worden geacht te voldoen aan de eisen betreffende de relevante parameters indien voor iedere relevante parameter afzonderlijk uit monsters van het water blijkt dat het als volgt voldoet aan de betrokken parameterwaarde:
a)
voor de in tabellen 1 en 3 vermelde parameters is in tabel 4 een maximaal toegestaan aantal monsters aangegeven dat niet voldoet aan de in concentratie of verminderingspercentage, of beide, uitgedrukte eisen;
b)
voor de in tabel 1 aangegeven parameters uitgedrukt in concentratie mogen de monsters die niet aan de eisen voldoen onder normale bedrijfsomstandigheden niet meer dan 100 % afwijken van de parameterwaarden, behalve voor de parameter betreffende het totaal aan gesuspendeerde stoffen, waarvoor afwijkingen van de parameterwaarden tot 150 % mogen worden geaccepteerd;
c)
voor de in tabel 2 aangegeven parameters is het jaargemiddelde van de monsters voor elke parameter in overeenstemming met de relevante parameterwaarden uit die tabel; de concentratiewaarde of het minimaal verminderingspercentage is van toepassing;
d)
voor de in tabel 3 aangegeven parameters betekent de in deel C, punt 3, genoemde bemonsteringsfrequentie dat er één monster wordt genomen bij de inlaat en één monster bij de uitlaat vanuit de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater teneinde na te gaan of wordt voldaan aan het minimaal verwijderingspercentage in tabel 3; het gemiddelde verwijderingspercentage van alle bij de berekening gebruikte stoffen wordt gebruikt om te beoordelen of het vereiste minimale verwijderingspercentage van 80 % is bereikt.
5. De monsters moeten zodanig worden genomen dat zij een afspiegeling vormen van de verontreiniging tijdens droogweerafvoer. Extreme waarden voor de betrokken waterkwaliteit worden buiten beschouwing gelaten indien zij het gevolg zijn van ongebruikelijke situaties wegens zware regenval.
6. De analyses betreffende lozingen uit bezinkvijvers moeten worden verricht met gefilterde monsters; de concentratie van het totaal aan gesuspendeerde stoffen in de ongefilterde watermonsters mag echter niet meer bedragen dan 150 mg/l.
Tabel 1: Eisen voor lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater overeenkomstig artikel 6 van deze richtlijn. De concentratiewaarde of het verminderingspercentage zijn van toepassing.
|
Parameters
|
Concentratie
|
Minimaal verminderingspercentage (zie opmerking 4)
|
Referentiemeetmethode
|
|
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 oC) zonder nitrificatie (zie opmerking 1)
|
25 mg/l O2
|
70-90
40 overeenkomstig artikel 6, lid 4
|
Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster. Bepaling van opgeloste zuurstof vóór en na een incubatie van vijf dagen bij 20 oC ± 1 oC, in volledige duisternis. Toevoeging van een nitrificatieremmer
|
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) (zie opmerking 2)
|
125 mg/l O2
|
75
|
Gehomogeniseerd, niet gefilterd, niet gedecanteerd monster kaliumdichromaat
|
|
Totaal organische koolstof (zie opmerking 2)
|
37 mg/l
|
75
|
EN 1484
|
|
Totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen
|
35 mg/l (zie opmerking 3)
|
90 (zie opmerking 3)
|
— Filtering van een representatief monster door een 0,45 μm-filtermembraan. Drogen bij 105 oC en wegen
— Centrifugeren van een representatief monster (ten minste 5 minuten, met gemiddelde versnelling van 2 800 tot 3 200 g), drogen bij 105 oC en wegen
|
Opmerking 1: De parameter kan door een andere worden vervangen: totaal organische koolstof (TOK) of totaal zuurstofverbruik (TZV) indien er een verband kan worden gelegd tussen BZV5 en de vervangende parameter.
Opmerking 2: De lidstaten meten ofwel het chemische zuurstofverbruik (CZV), ofwel het totaal organische koolstof.
Opmerking 3: Deze eis is facultatief.
Opmerking 4: Vermindering ten opzichte van de influentvracht.
Tabel 2: De eisen voor tertiaire behandeling van lozingen vanuit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, of vanuit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater voor agglomeraties als bedoeld in artikel 7, lid 3. Voor lozingen vanuit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 7, lid 1, zijn beide parameters van toepassing. Voor agglomeraties als bedoeld in artikel 7, lid 3, kan afhankelijk van de lokale situatie worden gekozen voor toepassing van één of beide parameters. Toegepast wordt de concentratiewaarde of het verminderingspercentage.
|
Parameter
|
Concentratie
|
Minimaal verminderingspercentage
(zie opmerkingen 1 en 2)
|
Referentiemeetmethode
|
|
Totaal fosfor (zie opmerking 4)
|
0,7 mg/l (10 000 i.e. of meer maar minder dan 150 000 i.e.)
0,5 mg/l (150 000 i.e. of meer)
|
87,5 (10 000 i.e. of meer maar minder dan 150 000 i.e.)
90 (150 000 i.e. of meer)
|
Moleculaire absorptiespectrofotometrie
|
|
Totaal stikstof (zie opmerking 4)
|
10 mg/l (10 000 i.e. of meer maar minder dan 150 000 i.e.)
8 mg/l (150 000 i.e. of meer)
(zie opmerking 5)
|
80
(zie opmerking 3)
|
Moleculaire absorptiespectrofotometrie
|
Opmerking 1: Vermindering ten opzichte van de influentvracht of de in een agglomeratie gegenereerde vracht indien dezelfde graad van milieubescherming kan worden gewaarborgd.
Opmerking 2: Indien een fractie behandeld stedelijk afvalwater wordt gebruikt voor landbouwirrigatie, kunnen de nutriënten in die fractie worden opgenomen in de berekening van de influentvracht en worden uitgesloten van geloosde vracht.
▼C1
Opmerking 3: In uitzonderlijke situaties vanwege specifieke lokale omstandigheden mag de natuurlijke retentie van stikstof worden meegenomen in de berekening van het minimale verminderingspercentage in lidstaten waar de natuurlijke retentie van stikstof is meegenomen in de berekening van het minimaal verminderingspercentage van stikstof als bedoeld in tabel 2 van bijlage I bij Richtlijn 91/271/EEG, en indien tot en met 31 december 2045 blijkt dat een deel van de stikstof uit stedelijk afvalwater in de ontvangende wateren kan worden verwijderd voor de berekening van het minimaal verminderingspercentage van stikstof als bedoeld in tabel 2 van deze bijlage, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
▼B
1)
de gemiddelde hydraulische verblijftijd van het geloosde effluent bedraagt ten minste 1,5 jaar voordat het het krachtens artikel 7, lid 2, aangewezen voor stikstof gevoelige gebied bereikt;
2)
er geldt een programma voor permanente monitoring en evaluatie van de parameter totaal stikstof:
a)
bij de uitlaat vanuit alle zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater en in voorkomend geval vanuit het stedelijk afstromend hemelwater van agglomeraties met 10 000 i.e. of meer die zich in het afwateringsgebied van het krachtens artikel 7, lid 2, aangewezen voor stikstof gevoelige gebied bevinden;
b)
bij de relevante inlaten van het krachtens artikel 7, lid 2, aangewezen gebied;
c)
op de representatieve bemonsteringsplaatsen in de ontvangende wateren en relevante waterlichamen in het afwateringsgebied van het krachtens artikel 7, lid 2, aangewezen gebied;
3)
het minimaal verminderingspercentage van stikstof in tabel 2 is bereikt; dat percentage wordt berekend op basis van de gegevens die worden verzameld via het in punt 2) bedoelde programma voor permanente monitoring en beoordeling;
4)
het kan worden aangetoond dat de stikstoflozingen vanuit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater in het afwateringsgebied niet schadelijk zijn voor het milieu, met inbegrip van de biodiversiteit, en de gezondheid van de mens, en het ecosysteem niet verstoren;
5)
de concentraties nutriënten in de in voorwaarde 2), punt c), bedoelde gebieden voldoen aan de voorwaarde die is gesteld krachtens bijlage V.1.2.1 bij Richtlijn 2000/60/EG om de goede ecologische toestand van die gebieden vast te stellen;
6)
het gebruik van natuurlijke retentie van stikstof wordt overeenkomstig artikel 22, lid 1, punt a), aan de Commissie gemeld, alsook aan mogelijk getroffen aangrenzende lidstaten, met vermelding van alle elementen die nodig zijn om na te gaan of aan de voorwaarden van de punten 1 tot en met 5 is voldaan.
Opmerking 4: Deze eis wordt op 1 januari 2025 van toepassing op bestaande zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater die verplicht zijn aan de krachtens artikel 7, lid 1, vastgelegde termijnen te voldoen, en op agglomeraties krachtens artikel 7, lid 3. Totdat aan die termijnen is voldaan, zijn de verplichtingen van artikel 32, lid 3, op die zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van toepassing.
Opmerking 5: Indien de temperatuur in het effluent van de biologische reactor lager is dan 12 oC, kunnen de resultaten van de genomen monsters worden uitgesloten van de berekening van het jaargemiddelde voor stikstof als bedoeld in deel C, punt 4, c), van deze bijlage, indien alle volgende punten kunnen worden aangetoond:
1)
er zijn gegarandeerd geen nadelige gevolgen voor het milieu;
2)
het bereiken van de waarden voor stikstof in tabel 2 zou buitensporige kosten of buitensporig energieverbruik met zich brengen.
Indien de temperatuur in het effluent van de biologische reactor lager is dan 5 oC, kunnen de resultaten van de genomen monsters worden uitgesloten van de berekening van het jaargemiddelde voor stikstof als bedoeld in deel C, punt 4, c), van deze bijlage.
Tabel 3: Eisen voor quartaire behandeling van lozingen van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, of van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater voor agglomeraties als bedoeld in artikel 8, lid 4.
|
Indicatoren
|
Minimaal verwijderingspercentage ten opzichte van de influentvracht.
|
|
Stoffen die water zelfs bij lage concentraties kunnen verontreinigen (zie opmerking 1)
|
80 % (zie opmerking 2)
|
Opmerking 1: de concentratie van de organische stoffen zoals bedoeld in de punten a) en b) moet worden gemeten.
a)
Categorie 1 (stoffen die zeer makkelijk kunnen worden behandeld):
i)
amisulpride (CAS-nr. 71675-85-9);
ii)
carbamazepine (CAS-nr. 298-46-4);
iii)
citalopram (CAS-nr. 59729-33-8);
iv)
claritromycine (CAS-nr. 81103-11-9);
v)
diclofenac (CAS-nr. 15307-86-5);
vi)
hydrochloorthiazide (CAS-nr. 58-93-5);
vii)
metoprolol (CAS-nr. 37350-58-6);
viii)
venlafaxine (CAS-nr. 93413-69-5).
b)
Categorie 2 (stoffen die makkelijk kunnen worden verwijderd):
i)
benzotriazool (CAS-nr. 95-14-7);
ii)
candesartan (CAS-nr. 139481-59-7);
iii)
irbesartan (CAS-nr. 138402-11-6);
iv)
een mengsel van 4-methylbenzotriazool (CAS-nr. 29878-31-7) en 5-methylbenzotriazool (CAS-nr. 136-85-6).
Opmerking 2: Op basis van de droog-weer-afvoer moet voor ten minste zes stoffen het verwijderingspercentage worden berekend. Het aantal stoffen in categorie 1 moet twee keer zo hoog zijn als het aantal stoffen in categorie 2. Indien van minder dan zes stoffen een voldoende hoge concentratie kan worden gemeten, wijst de bevoegde autoriteit zo nodig andere stoffen aan om het minimaal verwijderingspercentage te kunnen berekenen. Het gemiddelde van de bij de berekening gebruikte specifieke percentages voor verwijdering van alle afzonderlijke stoffen wordt gebruikt om te beoordelen of het vereiste minimaal verwijderingspercentage van 80 % is bereikt.
Tabel 4: Aan monsters gestelde eis
|
Aantal gedurende een jaar genomen monsters
|
Maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet
|
|
4-7
|
1
|
|
8-16
|
2
|
|
17-28
|
3
|
|
29-40
|
4
|
|
41-53
|
5
|
|
54-67
|
6
|
|
68-81
|
7
|
|
82-95
|
8
|
|
96-110
|
9
|
|
111-125
|
10
|
|
126-140
|
11
|
|
141-155
|
12
|
|
156-171
|
13
|
|
172-187
|
14
|
|
188-203
|
15
|
|
204-219
|
16
|
|
220-235
|
17
|
|
236-251
|
18
|
|
252-268
|
19
|
|
269-284
|
20
|
|
285-300
|
21
|
|
301-317
|
22
|
|
318-334
|
23
|
|
335-350
|
24
|
|
351-365
|
25
|
|
|
BIJLAGE II VOOR EUTROFIËRING GEVOELIGE GEBIEDEN
|
BIJLAGE II
VOOR EUTROFIËRING GEVOELIGE GEBIEDEN
1. Gebieden die zijn gelegen in de stroomgebieden van de Baltische Zee, de Zwarte Zee, de Noordzee en de Adriatische Zee waarvan krachtens Richtlijn 2008/56/EG of Richtlijn 2000/60/EG is vastgesteld dat zij gevoelig zijn voor eutrofiëring.
2. Natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria en kustwateren die eutroof zijn of in de nabije toekomst eutroof kunnen worden indien geen beschermende maatregelen worden genomen.
De volgende elementen moeten in aanmerking worden genomen wanneer wordt bepaald welke nutriënten door verdere behandeling moeten worden verminderd:
a)
meren en in meren/reservoirs/gesloten baaien uitmondende rivieren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, waardoor accumulatie kan optreden. In die gebieden moet ook de fosfor uit het afvalwater worden verwijderd, tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau. Waar lozingen van grote agglomeraties plaatsvinden, kan ook de verwijdering van stikstof worden overwogen;
b)
estuaria, baaien en andere kustwateren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld of die grote hoeveelheden nutriënten ontvangen. Lozingen van kleine agglomeraties zijn in die gebieden meestal van minder belang, maar voor grote agglomeraties moeten ook fosfor of stikstof, of beide, worden verwijderd, tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau.
3. Voor de winning van drinkwater bestemde oppervlaktewateren, die een hogere nitraatconcentratie zouden kunnen bevatten dan is vastgesteld krachtens de desbetreffende bepalingen van Richtlijn (EU) 2020/2184, indien geen beschermende maatregelen worden genomen.
4. Gebieden waar verdere behandeling dan bepaald in artikel 7 van deze richtlijn nodig is om te voldoen aan andere handelingen van de Unie op milieugebied, met inbegrip van met name waterlichamen als bestreken door Richtlijn 2000/60/EG met een risico op het niet handhaven of bereiken van een goede ecologische toestand of een goed ecologisch potentieel.
5. Alle andere gebieden waarvan de lidstaten hebben vastgesteld dat zij gevoelig zijn voor eutrofiëring.
|
|
BIJLAGE III LIJST VAN PRODUCTEN DIE ONDER UITGEBREIDE PRODUCENTENVERANTWOORDELIJKHEID VALLEN
|
BIJLAGE III
LIJST VAN PRODUCTEN DIE ONDER UITGEBREIDE PRODUCENTENVERANTWOORDELIJKHEID VALLEN
1. Geneesmiddelen voor menselijk gebruik die binnen het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (
14
).
2. Cosmetische producten die binnen het toepassingsgebied vallen van Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (
15
).
|
|
BIJLAGE IV BEDRIJFSTAKKEN
|
BIJLAGE IV
BEDRIJFSTAKKEN
2. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit
3. Bereiding en botteling van frisdranken
4. Verwerking van aardappelen
7. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken
8. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten
9. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen
11. Visverwerkingsindustrie
|
|
BIJLAGE V INHOUD VAN DE GEÏNTEGREERDE BEHEERPLANNEN VOOR STEDELIJK AFVALWATER
|
BIJLAGE V
INHOUD VAN DE GEÏNTEGREERDE BEHEERPLANNEN VOOR STEDELIJK AFVALWATER
1. Een analyse van de uitgangssituatie van het afwateringsgebied van de betrokken agglomeratie, met inbegrip van ten minste de volgende elementen:
a)
een gedetailleerde beschrijving van het netwerk van opvangsystemen, van de opslag- en afvoercapaciteit van dat netwerk voor stedelijk afvalwater en stedelijk afstromend hemelwater en van de bestaande capaciteit voor de behandeling van stedelijk afvalwater bij regen;
b)
voor gemengde riolen, een dynamische analyse van de stromen van stedelijk afvalwater bij regen, gebaseerd op monitoringgegevens of op het gebruik van hydrologische, hydraulische en waterkwaliteitsmodellen waarin rekening is gehouden met de nieuwste klimaatprognoses en waarin een schatting van de vuilvrachten van de parameters in tabel 1 en, in voorkomend geval, tabel 2 van bijlage I, alsook microplastics en relevante verontreinigende stoffen die bij regen in de ontvangende wateren terechtkomen, is opgenomen;
c)
voor gescheiden riolen, een gedetailleerde beschrijving van de monitoringeisen op relevante plaatsen van gescheiden systemen waar lozingen vanuit stedelijk afstromend hemelwater naar verwachting zullen worden verontreinigd als bepaald krachtens artikel 5, lid 2, punt d), teneinde relevante en haalbare maatregelen te bepalen als bedoeld in punt 3 van deze bijlage.
2. Doelstellingen voor de vermindering van de verontreiniging als gevolg van de overstorting, met inbegrip van het volgende:
a)
een indicatieve niet-bindende doelstelling dat de overstorting een klein percentage van niet meer dan 2 % vertegenwoordigt van de jaarlijks opgevangen vracht van stedelijk afvalwater die is berekend bij droge weersomstandigheden; deze indicatieve niet-bindende doelstelling moet worden bereikt:
i)
uiterlijk op 31 december 2039 voor alle agglomeraties met 100 000 i.e. of meer;
ii)
uiterlijk op 31 december 2045 voor alle agglomeraties met 10 000 i.e. of meer als bedoeld in artikel 5;
b)
de geleidelijke vermindering van macroplastics.
3. De te nemen maatregelen om de in punt 2 bedoelde doelstellingen te bereiken in overeenstemming met de in dat punt gestelde termijnen, vergezeld van een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen reeds genomen en nog te nemen maatregelen. De analyse moet ook een duidelijke vermelding van de betrokken partijen en hun verantwoordelijkheden bij de uitvoering van het geïntegreerde beheerplan voor stedelijk afvalwater bevatten.
4. Tijdens de beoordeling van welke maatregelen krachtens punt 3 genomen moeten worden, zorgen de lidstaten ervoor dat hun bevoegde autoriteiten ten minste het volgende in overweging nemen:
a)
preventieve maatregelen die erop zijn gericht om te voorkomen dat niet-verontreinigd regenwater in opvangsystemen terecht komt, alsook maatregelen om het vasthouden van water of het opvangen van regenwater te bevorderen, en maatregelen die erop zijn gericht om het aantal groene en blauwe ruimten in stedelijke gebieden te verhogen om overstorting te verminderen of de hoeveelheid ondoordringbare oppervlakken in agglomeraties te beperken;
b)
maatregelen om het gebruik van de bestaande infrastructuur waaronder opvangsystemen, opslagvolumes en zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater beter te beheren en te optimaliseren zodat ervoor wordt gezorgd dat verontreinigd regenwater wordt opgevangen en behandeld, en dat lozingen van onbehandeld stedelijk afvalwater of verontreinigd stedelijk afstromend hemelwater in ontvangende wateren tot een minimum worden beperkt;
c)
waar nodig, aanvullende mitigatiemaatregelen om de in punt 2 bedoelde doelstellingen te bereiken, waaronder de aanpassing van de infrastructuur voor het opvangen, de opslag en de behandeling van stedelijk afvalwater, zoals, indien nodig, het aansluiten van nieuw aangelegde stedelijke gebieden op gescheiden riolen, of de aanleg van nieuwe infrastructuur, waarbij voorrang wordt gegeven aan groene en blauwe infrastructuur zoals begroeide greppels, watergebieden voor behandeling en retentievijvers, ontworpen ter ondersteuning van de biodiversiteit. Voor zover relevant wordt hergebruik van water beschouwd in het kader van de ontwikkeling van geïntegreerde beheerplannen voor stedelijk afvalwater zoals bedoeld in artikel 5.
|
|
BIJLAGE VI VOORLICHTING VAN HET PUBLIEK
|
BIJLAGE VI
VOORLICHTING VAN HET PUBLIEK
1) de bevoegde autoriteit en de exploitant(en) die verantwoordelijk zijn voor de diensten voor het opvangen en de behandeling van stedelijk afvalwater, waaronder informatie over de eigendomsstructuur van de exploitanten en hun contactgegevens;
2) de totale vracht van stedelijk afvalwater uitgedrukt in inwonerequivalenten (i.e.) die in de agglomeratie wordt gegenereerd met details over het aandeel van die vracht (in %) dat:
a)
wordt opgevangen en behandeld in zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater;
b)
wordt behandeld in geregistreerde individuele systemen;
c)
niet wordt opgevangen of behandeld;
3) voor zover relevant wordt gemotiveerd waarom een bepaalde vracht van stedelijk afvalwater niet is opgevangen of behandeld;
4) informatie over de kwaliteit van het stedelijk afvalwater dat vanuit de agglomeratie in elk ontvangend waterlichaam is geloosd, waaronder de volgende elementen:
a)
de gemiddelde jaarlijkse concentraties van en de vracht van verontreinigende stoffen die onder artikel 21 vallen en die door elke zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater worden geloosd;
b)
een schatting van de vracht van de lozingen van individuele systemen voor de in de tabellen 1 en 2 van bijlage I bedoelde parameters;
c)
voor agglomeraties met meer dan 10 000 i.e., een schatting van de vracht van de lozingen van de overstorting van gemengde riolen en van overstortingen van hemelwater voor de in de tabellen 1 en 2 van bijlage I bedoelde parameters;
5) de totale jaarlijkse investerings- en exploitatiekosten, met een onderscheid tussen de kosten voor het opvangen en de behandeling, de jaarlijkse kosten in verband met personeel, energie, verbruiksgoederen, de administratie en andere kosten, evenals de gemiddelde jaarlijkse investerings- en exploitatiekosten per kubieke meter opgevangen en behandeld stedelijk afvalwater, en per gemiddeld huishouden indien de kosten geheel of gedeeltelijk via een watertarievensysteem gedekt worden, of per agglomeratieniveau in andere gevallen;
6) informatie over hoe de in punt 5) bedoelde kosten worden gedekt, en indien kosten via een tariefstructuur worden teruggewonnen, informatie over de structuur van het tarief per kubieke meter behandeld of opgevangen stedelijk afvalwater of per kubieke meter geleverd water, met inbegrip van de vaste en variabele kosten en een uitsplitsing van de kosten voor het opvangen, de behandeling, de administratie en andere kosten;
7) investeringsplannen voor de infrastructuur voor het opvangen en de behandeling van stedelijk afvalwater op agglomeratieniveau, met de verwachte gevolgen op de tarieven van stedelijke afvalwaterdiensten, en de beoogde financiële en maatschappelijke voordelen;
8) voor elke zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater met 10 000 i.e. of meer:
a)
de totale vracht (in i.e.) die is behandeld en de voor de behandeling van het stedelijk afvalwater vereiste energie (in kWh voor het totaal en per kubieke meter);
b)
elk jaar het totaal aan geproduceerde hernieuwbare energie (in GWh/jaar), met inbegrip van een uitsplitsing per energiebron;
9) de totale directe broeikasgasemissies (in ton CO2-equivalent) per jaar, die is geproduceerd of vermeden door de exploitatie van de infrastructuur voor het opvangen en de behandeling van stedelijk afvalwater met 10 000 i.e. of meer in elke agglomeratie en, indien beschikbaar, de totale indirecte broeikasgasemissies (in ton CO2-equivalent) die is geproduceerd met name tijdens de constructie van die infrastructuur;
10) een samenvatting van de aard van en de statistieken in verband met klachten en van de antwoorden die de exploitanten van de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater hebben gegeven betreffende zaken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen;
11) consumenten krijgen, op een met redenen omkleed verzoek, toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2), 4), 8) en 9) genoemde informatie, tot tien jaar terug, doch niet eerder dan 1 januari 2025.
|
|
BIJLAGE VII
|
BIJLAGE VII
Deel A
Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan (als bedoeld in artikel 32)
|
Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40)
|
|
|
Richtlijn 98/15/EG van de Commissie (PB L 67 van 7.3.1998, blz. 29)
|
|
|
Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)
|
uitsluitend punt 21 van bijlage III
|
|
Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1)
|
uitsluitend punt 4.2 van de bijlage
|
|
Richtlijn 2013/64/EU van de Raad (PB L 353 van 28.12.2013, blz. 8)
|
uitsluitend artikel 1
|
Deel B
Termijn voor omzetting in intern recht (als bedoeld in artikel 32)
|
Richtlijn
|
Omzettingstermijn
|
|
91/271/EEG
|
30 juni 1993
|
|
98/15/EG
|
30 september 1998
|
|
2013/64/EU
|
31 december 2018 wat betreft artikel 1, leden 1, 2 en 3 30 juni 2014 wat betreft artikel 1, lid 5, punt a) 31 december 2014 wat betreft artikel 1, lid 5, punt b)
|
|
|
BIJLAGE VIII
|
BIJLAGE VIII
Concordantietabel
|
Richtlijn 91/271/EEG
|
Deze richtlijn
|
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 2, inleidende tekst
|
Artikel 2, inleidende tekst
|
|
Artikel 2, punten 1 tot en met 4
|
Artikel 2, punten 1 tot en met 4
|
|
—
|
Artikel 2, punten 5 en 6
|
|
Artikel 2, punt 5
|
Artikel 2, punt 7
|
|
—
|
Artikel 2, punten 8 en 9
|
|
Artikel 2, punt 6
|
Artikel 2, punt 10
|
|
Artikel 2, punt 7
|
Artikel 2, punt 11
|
|
Artikel 2, punt 8
|
Artikel 2, punt 12
|
|
—
|
Artikel 2, punten 13 en 14
|
|
Artikel 2, punt 10
|
Artikel 2, punt 15
|
|
Artikel 2, punt 11
|
Artikel 2, punt 16
|
|
—
|
Artikel 2, punten 17 tot en met 28
|
|
Artikel 3, lid 1
|
Artikel 3, lid 1
|
|
—
|
Artikel 3, leden 2 en 3
|
|
Artikel 3, lid 2
|
Artikel 3, lid 4
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea
|
Artikel 4, lid 1
|
|
—
|
Artikel 4, lid 2
|
|
—
|
Artikel 4, lid 3
|
|
—
|
Artikel 4, lid 4
|
|
—
|
Artikel 4, lid 5
|
|
—
|
Artikel 4, lid 6
|
|
—
|
Artikel 5
|
|
Artikel 4, lid 1
|
Artikel 6, lid 1
|
|
—
|
Artikel 6, lid 2
|
|
—
|
Artikel 6, lid 3
|
|
Artikel 4, lid 2
|
Artikel 6, lid 4
|
|
Artikel 4, lid 4
|
Artikel 6, lid 5
|
|
—
|
Artikel 7, lid 1
|
|
—
|
Artikel 7, lid 2
|
|
Artikel 5, lid 2
|
Artikel 7, lid 3
|
|
—
|
Artikel 7, lid 4
|
|
Artikel 5, lid 3
|
Artikel 7, lid 5
|
|
—
|
Artikel 7, leden 6 en 7
|
|
Artikel 5, lid 4
|
Artikel 7, lid 8
|
|
Artikel 5, lid 5
|
Artikel 7, lid 9
|
|
Artikel 5, lid 7
|
Artikel 7, lid 10
|
|
—
|
Artikel 7, lid 11
|
|
—
|
Artikel 8
|
|
—
|
Artikel 9
|
|
—
|
Artikel 10
|
|
—
|
Artikel 11
|
|
Artikel 9
|
Artikel 12, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 12, lid 3
|
|
Artikel 10
|
Artikel 13
|
|
Artikel 11, lid 1
|
Artikel 14, lid 1
|
|
—
|
Artikel 14, lid 2
|
|
—
|
Artikel 14, lid 3
|
|
—
|
Artikel 14, lid 4
|
|
Artikel 11, lid 3
|
Artikel 14, lid 5
|
|
Artikel 12, lid 1
|
Artikel 15, lid 1
|
|
Artikel 12, lid 2
|
Artikel 15, lid 2
|
|
Artikel 12, lid 3
|
Artikel 15, lid 3
|
|
—
|
Artikel 15, lid 4
|
|
Artikel 13, lid 1
|
Artikel 16, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 17
|
|
—
|
Artikel 18
|
|
—
|
Artikel 19
|
|
Artikel 14, lid 1
|
Artikel 20, lid 1
|
|
—
|
Artikel 20, lid 2
|
|
Artikel 15, lid 1
|
Artikel 21, lid 1
|
|
—
|
Artikel 21, lid 2
|
|
—
|
Artikel 21, leden 3 tot en met 6
|
|
—
|
Artikel 22
|
|
Artikel 17, lid 1
|
Artikel 23, lid 1
|
|
—
|
Artikel 23, lid 2
|
|
Artikel 17, lid 3
|
Artikel 23, lid 3
|
|
—
|
Artikel 23, lid 4
|
|
—
|
Artikel 24
|
|
—
|
Artikel 25
|
|
—
|
Artikel 26
|
|
—
|
Artikel 27
|
|
Artikel 18
|
Artikel 28
|
|
—
|
Artikel 29
|
|
—
|
Artikel 30
|
|
—
|
Artikel 31
|
|
—
|
Artikel 32
|
|
Artikel 19
|
Artikel 33
|
|
—
|
Artikel 34
|
|
Artikel 20
|
Artikel 35
|
|
Deel A van bijlage I
|
Deel A van bijlage I
|
|
Deel B van bijlage I
|
Deel B van bijlage I
|
|
Deel C van bijlage I
|
—
|
|
Deel D van bijlage I
|
Deel C van bijlage I
|
|
Bijlage II
|
Bijlage II
|
|
—
|
Bijlage III
|
|
Bijlage III
|
Bijlage IV
|
|
—
|
Bijlage V
|
|
—
|
Bijlage VI
|
|
—
|
Bijlage VII
|
|
—
|
Bijlage VIII
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|