+RICHTLIJN (EU) 2025/2360 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 november 2025 inzake bodemmonitoring en bodemveerkracht (richtlijn bodemmonitoring)
---+Preamble: 1
---+HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Doelstellingen en onderwerp
---------+Artikel 1 1
---------+Artikel 1 2
------+Artikel 2 Toepassingsgebied
------+Artikel 3 Definities
---------+Artikel 3 1)
---------+Artikel 3 2)
---------+Artikel 3 3)
---------+Artikel 3 4)
---------+Artikel 3 5)
---------+Artikel 3 6)
---------+Artikel 3 7)
---------+Artikel 3 8)
---------+Artikel 3 9)
---------+Artikel 3 10)
---------+Artikel 3 11)
---------+Artikel 3 12)
---------+Artikel 3 13)
---------+Artikel 3 14)
---------+Artikel 3 15)
---------+Artikel 3 16)
---------+Artikel 3 17)
---------+Artikel 3 18)
---------+Artikel 3 19)
---------+Artikel 3 20)
---------+Artikel 3 21)
---------+Artikel 3 22)
---------+Artikel 3 23)
---------+Artikel 3 24)
---------+Artikel 3 25)
---------+Artikel 3 26)
---------+Artikel 3 27)
---------+Artikel 3 28)
------+Artikel 4 Bodemdistricten en bodemeenheden
---------+Artikel 4 1
---------+Artikel 4 2
---------+Artikel 4 3
------+Artikel 5 Bevoegde autoriteiten
---+HOOFDSTUK II MONITORING EN EVALUATIE VAN DE BODEMGEZONDHEID
------+Artikel 6 Monitoringkader voor bodemgezondheid en voor bodemafdekking en bodemverwijdering
---------+Artikel 6 1
---------+Artikel 6 2
---------+Artikel 6 3
---------+Artikel 6 4
---------+Artikel 6 5
---------+Artikel 6 6
---------+Artikel 6 7
---------+Artikel 6 8
---------+Artikel 6 9
------+Artikel 7 Bodemdescriptoren, criteria voor een gezonde bodemgesteldheid en indicatoren voor bodemafdekking en bodemverwijdering
---------+Artikel 7 1
---------+Artikel 7 2
---------+Artikel 7 3
---------+Artikel 7 4
---------+Artikel 7 5
---------+Artikel 7 6
---------+Artikel 7 7
---------+Artikel 7 8
------+Artikel 8 Indicatieve lijst van bodemverontreinigende stoffen
---------+Artikel 8 1
---------+Artikel 8 2
---------+Artikel 8 3
------+Artikel 9 Metingen en methoden
---------+Artikel 9 1
---------+Artikel 9 2
---------+Artikel 9 3
---------+Artikel 9 4
---------+Artikel 9 5
---------+Artikel 9 6
---------+Artikel 9 7
---------+Artikel 9 8
---------+Artikel 9 9
---------+Artikel 9 10
---------+Artikel 9 11
---------+Artikel 9 12
---------+Artikel 9 13
------+Artikel 10 Bodemgezondheidsbeoordelingen
---------+Artikel 10 1
---------+Artikel 10 2
---------+Artikel 10 3
---------+Artikel 10 4
---------+Artikel 10 5
---------+Artikel 10 6
---------+Artikel 10 7
---------+Artikel 10 8
---+HOOFDSTUK III BODEMVEERKRACHT
------+Artikel 11 Steun voor bodemgezondheid en bodemveerkracht
---------+Artikel 11 1
---------+Artikel 11 2
------+Artikel 12 Beginselen voor de mitigatie van ruimtebeslag
---------+Artikel 12 a)
---------+Artikel 12 b)
---+HOOFDSTUK IV BEHEER VAN VERONTREINIGDE LOCATIES
------+Artikel 13 Risicogebaseerde en stapsgewijze aanpak
---------+Artikel 13 1
---------+Artikel 13 2
---------+Artikel 13 3
---------+Artikel 13 4
------+Artikel 14 Identificatie van mogelijk verontreinigde locaties
---------+Artikel 14 1
---------+Artikel 14 2
---------+Artikel 14 3
------+Artikel 15 Onderzoek van mogelijk verontreinigde locaties
---------+Artikel 15 1
---------+Artikel 15 2
---------+Artikel 15 3
------+Artikel 16 Locatiespecifieke risicobeoordeling en beheer van verontreinigde locaties
---------+Artikel 16 1
---------+Artikel 16 2
---------+Artikel 16 3
---------+Artikel 16 4
---------+Artikel 16 5
---------+Artikel 16 6
------+Artikel 17 Register
---------+Artikel 17 1
---------+Artikel 17 2
---------+Artikel 17 3
---------+Artikel 17 4
---+HOOFDSTUK V FINANCIERING, RAPPORTAGE DOOR DE LIDSTATEN EN PUBLIEKSVOORLICHTING
------+Artikel 18 Uniefinanciering
---------+Artikel 18 2
---------+Artikel 18 3
------+Artikel 19 Rapportage door de lidstaten
---------+Artikel 19 1
---------+Artikel 19 2
---------+Artikel 19 3
---------+Artikel 19 4
---------+Artikel 19 5
---------+Artikel 19 6
------+Artikel 20 Publieksvoorlichting
---------+Artikel 20 1
---------+Artikel 20 2
---------+Artikel 20 3
---------+Artikel 20 4
---+HOOFDSTUK VI BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE
------+Artikel 21 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
---------+Artikel 21 1
---------+Artikel 21 2
---------+Artikel 21 3
---------+Artikel 21 4
---------+Artikel 21 5
---------+Artikel 21 6
------+Artikel 22 Comitéprocedure
---------+Artikel 22 1
---------+Artikel 22 2
---+HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 23 Toegang tot de rechter
---------+Artikel 23 1
---------+Artikel 23 2
---------+Artikel 23 3
------+Artikel 24 Ondersteuning door de Commissie
---------+Artikel 24 1
---------+Artikel 24 2
---------+Artikel 24 3
---------+Artikel 24 4
------+Artikel 25 Evaluatie en toetsing
---------+Artikel 25 1
---------+Artikel 25 2
------+Artikel 26 Omzetting
---------+Artikel 26 1
---------+Artikel 26 2
------+Artikel 27 Inwerkingtreding
------+Artikel 28 Adressaten
---+BIJLAGE I BODEMDESCRIPTOREN, CRITERIA VOOR EEN GEZONDE BODEMGESTELDHEID EN INDICATOREN VOOR BODEMAFDEKKING EN BODEMVERWIJDERING
---+BIJLAGE II METHODEN
---+BIJLAGE III PROGRAMMA’S, PLANNEN, STREEFDOELEN EN MAATREGELEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10
---+BIJLAGE IV INDICATIEVE LIJST VAN RISICOBEPERKENDE MAATREGELEN
---+BIJLAGE V FASEN EN BEGINSELEN VOOR DE LOCATIESPECIFIEKE RISICOBEOORDELING
---+BIJLAGE VI REGISTER VAN MOGELIJK VERONTREINIGDE LOCATIES EN VERONTREINIGDE LOCATIES
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN (EU) 2025/2360 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 november 2025 inzake bodemmonitoring en bodemveerkracht (richtlijn bodemmonitoring)
RICHTLIJN (EU) 2025/2360 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 12 november 2025
inzake bodemmonitoring en bodemveerkracht
(richtlijn bodemmonitoring)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Preamble: 1
|
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1)
|
De bodem is een vitale, beperkte hulpbron en wordt, op menselijke tijdschaal, als niet-hernieuwbaar en onvervangbaar beschouwd. Hij is van cruciaal belang voor de economie, het milieu en de samenleving in het algemeen.
|
|
(2)
|
Gezonde bodems zijn bodems die zich in een goede chemische, biologische en fysische gesteldheid bevinden en daardoor ecosysteemdiensten kunnen leveren die van vitaal belang zijn voor de mens en het milieu, zoals veilig, voedzaam en toereikend voedsel, biomassa, schoon water, de nutriëntenkringloop, koolstofopslag en een habitat voor biodiversiteit. Bodems zijn ook essentieel voor het waarborgen van de voedselzekerheid. Geschat wordt echter dat 60 tot 70 % van de bodems in de Unie aangetast is en blijft verslechteren.
|
|
(3)
|
Bodems leveren ook andere diensten: ze fungeren als fysiek platform voor infrastructuur en menselijke activiteiten, als bron van grondstoffen, en vormen een archief van geologisch, geomorfologisch en archeologisch erfgoed. Niet al die andere diensten vereisen een functioneel ecosysteem. Vaak zijn dergelijke andere diensten de meest voorkomende toepassingen van de bodem, wat leidt tot een aanzienlijk verlies van vitale ecosysteemdiensten. Daarom is het belangrijk een evenwicht te vinden tussen die twee soorten diensten die door bodems worden geleverd.
|
|
(4)
|
Bodemaantasting beïnvloedt de ecosysteemdiensten die bodems leveren, met negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu. Bodemaantasting kan betrekking hebben op aspecten in verband met fysieke aantasting, zoals bodemafdekking en bodemartificialisering in het algemeen, bodemerosie, bodemverdichting en vermindering van de waterretentie en -infiltratie van de bodem, en op aspecten in verband met chemische of biologische aantasting, zoals overmaat aan en uitputting van nutriënten, verzuring, verzilting en bodemverontreiniging, en verlies van organische koolstof in de bodem, bodembiodiversiteit en biologische activiteit van de bodem.
|
|
(5)
|
Bodemaantasting kost de Unie jaarlijks tientallen miljarden euro. Bodemgezondheid beïnvloedt de levering van ecosysteemdiensten met een belangrijk economisch rendement. Verbetering van de bodemgezondheid is economisch zinvol en zou de prijs en de waarde van land in de Unie aanzienlijk kunnen doen stijgen. Bovendien kan de vorming van slechts één centimeter bovengrond wel honderden jaren duren, terwijl het proces van aantasting en volledig verlies van bodems zich in rap tempo kan voordoen.
|
|
(6)
|
In de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” is een ambitieus stappenplan vastgelegd om de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, met als doel het natuurlijk kapitaal van de Unie te beschermen, te behouden en te verbeteren en de gezondheid en het welzijn van haar burgers te beschermen. In het kader van de Europese Green Deal heeft de Commissie de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 aangenomen, die is uiteengezet in haar mededeling van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 — De natuur terug in ons leven brengen”, alsook de “van boer tot bord”-strategie, die is uiteengezet in haar mededeling van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem”, het EU-actieplan “Verontreiniging naar nul”, uiteengezet in haar mededeling van 12 mei 2021 getiteld “Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul”, de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering, uiteengezet in haar mededeling van 24 februari 2021 getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering”, en de EU-bodemstrategie voor 2030, uiteengezet in haar mededeling van 17 november 2021 getiteld “EU-bodemstrategie voor 2030 — profiteren van de voordelen van een gezonde bodem voor mens, voedsel, natuur en klimaat”.
|
|
(7)
|
De Unie zet zich in voor de Agenda 2030 van de Verenigde Naties voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s). Gezonde bodems dragen rechtstreeks bij tot de verwezenlijking van verschillende SDG’s, met name SDG 2 (geen honger), SDG 3 (goede gezondheid en welzijn), SDG 6 (schoon water en sanitaire voorzieningen), SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen), SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie), SDG 13 (klimaatactie) en SDG 15 (leven op het land). SDG 15.3 beoogt woestijnvorming tegen te gaan, aangetaste bodems (onder meer als gevolg van woestijnvorming, droogte en overstromingen) te herstellen, en te streven naar een wereld zonder verdere bodemaantasting tegen 2030.
|
|
(8)
|
De Unie en haar lidstaten, als partijen bij het Biodiversiteitsverdrag van de Verenigde Naties (4), dat werd goedgekeurd bij Besluit 93/626/EEG van de Raad (5), bereikten tijdens de 15e Conferentie van de Partijen bij dat verdrag overeenstemming over het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat verscheidene actiegerichte mondiale doelstellingen voor 2030 omvat die relevant zijn voor de bodemgezondheid. Volgens dat kader moeten de voordelen van de natuur voor de mens, waaronder bodemgezondheid, worden hersteld, behouden en versterkt.
|
|
(9)
|
Als partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika (UNCCD) (6), dat is goedgekeurd bij Besluit 98/216/EG van de Raad (7), hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden woestijnvorming te bestrijden en de gevolgen van droogte in de getroffen landen te beperken. Veertien lidstaten, te weten Bulgarije, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Hongarije, Malta, Portugal, Roemenië, Slovenië en Slowakije, hebben in het kader van het UNCCD verklaard dat ze door woestijnvorming worden getroffen.
|
|
(10)
|
In het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat is goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad (8), worden land en bodem tegelijkertijd als bronnen van koolstof en als koolstofputten beschouwd. De Unie en haar lidstaten hebben zich er als partijen bij het UNFCCC toe verbonden duurzaam beheer, behoud en verbetering van koolstofputten en -reservoirs te bevorderen.
|
|
(11)
|
In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 wordt gesteld dat het essentieel is om meer inspanningen te leveren om de vruchtbaarheid van de bodem te beschermen, bodemerosie te beperken en de hoeveelheid organisch materiaal in de bodem te vergroten door middel van praktijken op het gebied van duurzaam bodembeheer. Ook wordt gesteld dat er aanzienlijke vooruitgang nodig is bij het identificeren van verontreinigde locaties, het herstellen van aangetaste bodems, het vaststellen van de voorwaarden voor een goede ecologische toestand van de bodem, het invoeren van hersteldoelstellingen en het verbeteren van de monitoring van de bodemgezondheid.
|
|
(12)
|
In de EU-bodemstrategie voor 2030 wordt de visie voor de lange termijn uiteengezet, namelijk dat uiterlijk in 2050 alle bodemecosystemen in de Unie in een gezonde toestand moeten verkeren en dus veerkrachtiger moeten zijn. Gezonde bodems dragen als belangrijke oplossing bij tot de doelstellingen van de Unie, namelijk klimaatneutraliteit bereiken en weerbaarder worden ten aanzien van klimaatverandering, een schone en circulaire economie ontwikkelen, met inbegrip van een schone en circulaire bio-economie, biodiversiteitsverlies omkeren, de gezondheid van de mens beschermen, woestijnvorming stoppen en bodemaantasting omkeren.
|
|
(13)
|
Om de transitie naar gezonde bodems mogelijk te maken, is financiering van vitaal belang. Het meerjarig financieel kader 2021-2027, dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (9), biedt verschillende financieringsmogelijkheden voor de bescherming, het duurzame beheer en de regeneratie van bodems. “Een bodemdeal voor Europa” is een van de vijf EU-missies van Horizon Europa, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (10), en is specifiek gericht op de bevordering van de bodemgezondheid. De EU-missie “Een bodemdeal voor Europa” is een belangrijk instrument bij de uitvoering van deze richtlijn, en heeft tot doel het voortouw te nemen in de transitie naar gezonde bodems, door een ambitieus onderzoeks- en innovatieprogramma te financieren, een netwerk van 100 “levende laboratoria” en “vuurtorens” op te zetten in plattelands- en stedelijke gebieden, de ontwikkeling van een geharmoniseerd kader voor bodemmonitoring te bevorderen en het bewustzijn over het belang van de bodem te vergroten. Andere beleidsmaatregelen en programma’s van de Unie met doelstellingen die bijdragen tot gezonde bodems zijn het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de cohesiebeleidsfondsen, het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/783 van het Europees Parlement en de Raad (11), Horizon Europa, het instrument voor technische ondersteuning, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad (12), de herstel- en veerkrachtfaciliteit, ingesteld bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (13), en het InvestEU-programma, vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (14). Aangezien het doel om alle bodems in de Unie in een gezonde toestand te brengen van gemeenschappelijk belang is, is het nodig meer middelen te mobiliseren, met inbegrip van particulier kapitaal, en de samenwerking met relevante financiële instellingen, zoals de Europese Investeringsbank, te versterken, teneinde de bodemgezondheid en bodemveerkracht te ondersteunen.
|
|
(14)
|
In de EU-bodemstrategie voor 2030 kondigde de Commissie aan dat zij een wetgevingsvoorstel over bodemgezondheid zou indienen waarmee de doelstellingen van die strategie kunnen worden verwezenlijkt en uiterlijk in 2050 een goede bodemgezondheid in de hele Unie kan worden bereikt. In zijn resolutie van 28 april 2021 over bodembescherming benadrukte het Europees Parlement het belang van de bescherming van de bodem en de bevordering van gezonde bodems in de Unie, rekening houdend met het feit dat de aantasting van de bodems voortduurt ondanks de beperkte en ongelijke maatregelen die in sommige lidstaten worden genomen. Het Europees Parlement heeft de Commissie verzocht een Uniebreed gemeenschappelijk rechtskader te ontwerpen waarin alle belangrijke bedreigingen voor de bodem worden aangepakt, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, voor de bescherming en het duurzame gebruik van de bodem. Significant is dat het Europees Parlement nadrukkelijk heeft gewezen op de risico’s voor de werking van de interne markt die voortvloeien uit het ontbreken van een gelijk speelveld, en op het grote potentieel van een gemeenschappelijk rechtskader inzake bodems om eerlijke concurrentie in de particuliere sector te stimuleren, innovatieve oplossingen en knowhow te ontwikkelen en de uitvoer van technologieën uit de Unie te versterken.
|
|
(15)
|
In zijn conclusies van 23 oktober 2020 steunde de Raad de Commissie in het opvoeren van de inspanningen om bodems en bodembiodiversiteit, als niet-hernieuwbare hulpbron van vitaal belang, beter te beschermen.
|
|
(16)
|
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (15) bevat een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050 en inzake negatieve emissies daarna, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan snelle en voorspelbare emissiereducties en tegelijkertijd verwijdering via natuurlijke putten moet worden verbeterd. Duurzaam bodembeheer leidt tot een grotere koolstofvastlegging en in de meeste gevallen tot nevenvoordelen voor ecosystemen en de biodiversiteit. In de mededeling van de Commissie van 15 december 2021 getiteld “Duurzame koolstofcycli” wordt benadrukt dat er behoefte is aan een duidelijke en transparante identificatie van de activiteiten die koolstof ondubbelzinnig uit de atmosfeer verwijderen, zoals de ontwikkeling van een Uniekader voor de certificering van koolstofverwijderingen uit natuurlijke ecosystemen, waaronder bodems. Bovendien wordt in Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (16) niet alleen koolstof in de bodem centraal gesteld bij de verwezenlijking van de doelstellingen op weg naar een klimaatneutraal Europa, maar worden de lidstaten ook opgeroepen een systeem op te stellen voor de monitoring van koolstofvoorraden in de bodem, waarbij onder meer gebruik kan worden gemaakt van de gegevenssets van Lucas (Land Use Cover Area Frame Survey).
|
|
(17)
|
In de EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering wordt benadrukt dat het landinwaarts toepassen van op de natuur gebaseerde oplossingen, onder meer het herstel van de sponsfunctie van de bodems, de voorziening van zuiver drinkwater zal stimuleren en de gevolgen van overstromingen en droogten zal verminderen. Het is van belang het vermogen van de bodem tot het vasthouden en zuiveren van water en het terugdringen van verontreiniging zo groot mogelijk te maken.
|
|
(18)
|
Het EU-actieplan Verontreiniging naar nul heeft de ambitie om de lucht-, water- en bodemverontreiniging uiterlijk in 2050 terug te dringen tot een niveau dat niet langer als schadelijk voor de gezondheid en de natuurlijke ecosystemen wordt beschouwd en dat de grenzen van onze planeet in acht neemt, waardoor een gifvrij milieu wordt gerealiseerd.
|
|
(19)
|
In de mededeling van de Commissie van 23 maart 2022 getiteld “De voedselzekerheid waarborgen en de veerkracht van voedselsystemen versterken” wordt benadrukt dat duurzaam voedsel van fundamenteel belang is voor de voedselzekerheid. Gezonde bodems vormen de basis voor voedzaam en toereikend voedsel en maken zo het voedselsysteem van de Unie veerkrachtiger.
|
|
(20)
|
Er moeten maatregelen worden vastgesteld om op geharmoniseerde wijze de bodemgezondheid en bodemveerkracht in heel de Unie te monitoren, te beoordelen en te ondersteunen, en verontreinigde locaties aan te pakken teneinde uiterlijk in 2050 tot gezonde bodems te komen, bodems in een gezonde toestand te houden en de doelstellingen van de Unie inzake klimaat en biodiversiteit te verwezenlijken, droogte en natuurrampen te voorkomen en erop te reageren, de gezondheid van de mens te beschermen en de voedselzekerheid en -veiligheid te waarborgen.
|
|
(21)
|
De bodem herbergt meer dan 25 % van alle biodiversiteit en vormt het op een na grootste koolstofreservoir ter wereld. Door zijn vermogen om koolstof op te vangen en op te slaan, draagt een gezonde bodem bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake klimaatverandering. Bodembiodiversiteit heeft betrekking op micro-organismen, waaronder bacteriën, schimmels, protisten en nematoden, alsook op grotere organismen zoals regenwormen en insecten, en op plantenwortels, die collectief bijdragen tot de ecologische en functionele diversiteit van bodemecosystemen. Gezonde bodems vormen ook een gunstige habitat voor organismen om te gedijen en zijn van cruciaal belang voor het verbeteren van de biodiversiteit en de stabiliteit van de bijbehorende ecosystemen. Biodiversiteit onder en boven de grond zijn nauw met elkaar verweven en interageren via wederzijds voordelige relaties tussen soorten, zoals mycorrhizale zwammen die plantenwortels met elkaar verbinden. Daarom moet het belang van het verzamelen en analyseren van informatie over de aanwezigheid van bodembacteriën en schimmels worden erkend en als basis dienen voor de mogelijke toekomstige uitbreiding van biodiversiteitsmonitoring.
|
|
(22)
|
Organisch bodemmateriaal is van cruciaal belang voor het leveren van bodemecosysteemdiensten en -functies, doordat het bodemaantasting zoals erosie en verdichting vermindert en tegelijk de buffer-, waterretentie-, infiltratie- en kationenomwisselingscapaciteit van de bodem vergroot. Organisch materiaal in de bodem kan niet alleen de structurele stabiliteit van de bodem verbeteren, maar ook de ontwikkeling van biomassa, onder meer door gewasopbrengsten te vergroten. Daarnaast heeft organisch bodemmateriaal een positief effect op de bodembiodiversiteit en kan het de in de bodem vastgelegde hoeveelheid koolstof en dus ook de voorraden organische koolstof in de bodem doen toenemen, en zo bijdragen aan de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering.
|
|
(23)
|
Overstromingen, bosbranden en extreme weersomstandigheden zijn natuurrampen die in heel Europa grote risico’s vormen. De zorgen over droogte en waterschaarste nemen snel toe in de hele Unie. In 2020 beschouwden 24 lidstaten droogte en waterschaarste als belangrijke opkomende of klimaatgerelateerde rampenrisico’s, tegenover slechts 11 lidstaten in 2015. Gezonde bodems zijn van groot belang om veerkracht ten aanzien van droogte en natuurrampen te waarborgen. Praktijken ter bevordering van de waterretentie en de beschikbaarheid van nutriënten in bodems, de bodemstructuur, de bodembiodiversiteit en koolstofvastlegging vergroten de veerkracht en het herstelvermogen van ecosystemen, planten en gewassen ten aanzien van droogte, natuurrampen, hittegolven en extreme weersomstandigheden, die in de toekomst als gevolg van de klimaatverandering vaker zullen optreden. Als de bodem echter niet naar behoren wordt beheerd, leiden droogte en natuurrampen tot bodemaantasting en maken zij bodems ongezond. De verbetering van de bodemgezondheid zal bijdragen aan een vermindering van de dodelijke slachtoffers en van de economische verliezen als gevolg van klimaatgerelateerde extremen, die in de Unie tussen 1980 en 2021 meer dan 182 000 slachtoffers maakten en voor ongeveer 560 miljard EUR verliezen veroorzaakten.
|
|
(24)
|
De bodemgezondheid draagt rechtstreeks bij tot de gezondheid en het welzijn van de mens. Gezonde bodems leveren veilig en voedzaam voedsel en kunnen verontreinigende stoffen filteren, waardoor de kwaliteit van drinkwater behouden blijft. Bodemverontreiniging kan de gezondheid van de mens schade toebrengen in geval van inslikken, inademen of contact met de huid. Blootstelling aan een gezonde microbiële gemeenschap in de bodem is bevorderlijk voor de ontwikkeling van het immuunsysteem en de resistentie van de mens tegen bepaalde ziekten en allergieën. Gezonde bodems ondersteunen de groei van bomen, bloemen en grassen en creëren groene infrastructuur die esthetische waarde, welzijn en hogere levenskwaliteit biedt.
|
|
(25)
|
Bodemaantasting heeft gevolgen voor de bodemvruchtbaarheid, de opbrengst, de resistentie tegen plagen en de voedingskwaliteit van voedsel. Aangezien 95 % van ons voedsel direct of indirect op of in de bodem wordt geproduceerd en de wereldbevolking blijft groeien, is het van essentieel belang dat deze eindige natuurlijke hulpbron gezond blijft om de voedselzekerheid op lange termijn te waarborgen en de productiviteit en winstgevendheid van de landbouw van de Unie veilig te stellen. Het is van belang de bodemgezondheid in stand te houden en bij te dragen tot de duurzaamheid en veerkracht van het voedselsysteem.
|
|
(26)
|
De ambitieuze langetermijndoelstelling van deze richtlijn is dat alle bodems uiterlijk in 2050 gezond zijn. Gezien de beperkte kennis over de toestand van bodems en over de doeltreffendheid en de kosten van de maatregelen tot herstel van de bodemgezondheid, is deze richtlijn gericht op de vaststelling van een bodemmonitoringkader en de beoordeling van de toestand van bodems in de Unie. Deze richtlijn omvat ook steun voor de bodemgezondheid en bodemveerkracht en voor de beoordeling en het beheer van de risico’s van verontreinigde locaties. Zij verplicht de lidstaten echter niet om ervoor te zorgen dat uiterlijk in 2050 alle bodems gezond zijn, en legt evenmin tussentijdse streefcijfers op. Zodra de resultaten van de eerste beoordeling van de bodemgezondheid en de daarmee verband houdende trendanalyse beschikbaar zijn, moet de Commissie de balans opmaken van de vorderingen met het oog op de doelstellingen van deze richtlijn en nagaan of er eventuele wijzigingen nodig zijn.
|
|
(27)
|
Om de druk op de bodem aan te pakken en de bodemgezondheid en bodemveerkracht te ondersteunen, moet rekening worden gehouden met bepaalde kenmerken, namelijk de verscheidenheid aan bodemtypen, de specifieke lokale en klimatologische omstandigheden en het landgebruik of de bodembedekking. Daarom is het passend dat de lidstaten bodemdistricten en bodemeenheden vaststellen. Bodemdistricten moeten een afspiegeling zijn van de administratieve gebieden die onder de verantwoordelijkheid van passende governancestructuren vallen en één of meer volledige bodemeenheden omvatten. Bodemeenheden moeten op hun beurt een zekere mate van homogeniteit van die kenmerken vertonen, met het oog op de monitoring en beoordeling van de bodemgezondheid op het gehele grondgebied van de lidstaten. Bodemeenheden moeten onder de verantwoordelijkheid vallen van die governancestructuren, die de lidstaten in staat stellen ervoor te zorgen dat de monitoring en beoordeling van de bodemgezondheid naar behoren worden uitgevoerd en dat de steun voor bodemgezondheid en bodemveerkracht voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn.
|
|
(28)
|
Voor het opzetten van het bemonsteringsonderzoek voor bodemmonitoring moeten de lidstaten rekening houden met hun bodemdistricten en hun bodemeenheden. Om een voldoende mate van harmonisatie tussen de lidstaten te waarborgen, moet op het niveau van de Unie een reeks minimumcriteria voor het definiëren van bodemeenheden worden vastgesteld, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met bodemtype en landgebruik. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de kaart “Soil Regions of the European Union and Adjacent Countries 1:5 000 000”, gepubliceerd door het Duitse Federaal Instituut voor Geowetenschappen en Natuurlijke Hulpbronnen (Bundesanstalt für Geowissenschaften und Rohstoffe — BGR) in samenwerking met het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Joint Research Centre — JRC). Die kaart bouwt voort op bodemtypen zoals gedefinieerd in de World Reference Base for Soil Resources, die wordt gecoördineerd door de Internationale Unie voor Bodemwetenschappen (International Union of Soil Sciences), alsook op volledig vergelijkbare en geharmoniseerde basisgegevens op continentaal niveau, zoals over klimaat, topografie, reliëf, geologie en vegetatie. Wat landgebruik betreft, dienen de categorieën zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2018/841 en de richtsnoeren van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change — IPCC) als een geharmoniseerde grondslag voor de rapportage over landgebruik. Om bodemeenheden af te bakenen, moeten de lidstaten bijgevolg ten minste rekening houden met de bodemdistricten, alsook met de bodemregio’s en de landgebruikcategorieën. Gezien de ruimtelijke variabiliteit van bodemeigenschappen en landgebruik kan een bodemeenheid uit niet-aangrenzende gebieden bestaan. Voorts kan bij de afbakening rekening worden gehouden met klimatologische en milieuomstandigheden. Meer gedetailleerde of geactualiseerde informatie op Unie-, nationaal of subnationaal niveau kan worden gebruikt indien beschikbaar. Bij de vaststelling van hun bodemeenheden kunnen de lidstaten gebruikmaken van aanvullende beschikbare gegevens over klimaat, milieuzones of stroomgebieden. In dit verband is het Alterra Report 2281 getiteld “Descriptions of the European Environmental Zones and Strata” van januari 2012 bijzonder relevant, aangezien het datasets bevat over de generieke classificatie van de milieustratificatie van Europa, geaggregeerd in milieuzones, die kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van bodemeenheden door de lidstaten.
|
|
(29)
|
Om passende governance met betrekking tot bodems te waarborgen moeten de lidstaten op het gepaste niveau de bevoegde autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de in deze richtlijn vastgelegde verplichtingen, met inbegrip van één of meer bevoegde autoriteiten voor elk bodemdistrict. De lidstaten moeten aanvullende bevoegde autoriteiten kunnen aanwijzen op het gepaste niveau, ook op nationaal of subnationaal niveau. Het is van essentieel belang dat de lidstaten de Commissie actuele informatie over de aangewezen bevoegde autoriteiten verstrekken.
|
|
(30)
|
De lidstaten moeten de passende autoriteit kunnen aanwijzen die bevoegd is om de in deze richtlijn vastgelegde verplichtingen na te komen op militaire locaties. Bovendien mogen gegevens en informatie met betrekking tot militaire locaties niet openbaar worden gemaakt, als openbaarmaking ervan de openbare veiligheid of de nationale defensie in het gedrang kan brengen. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om gegevens en informatie waarvan de openbaarmaking negatieve gevolgen zou hebben voor de openbare veiligheid of de nationale defensie, niet toegankelijk te maken voor het publiek, zelfs via een door de Commissie en het Europees Milieuagentschap (EEA) op te zetten digitaal portaal voor bodemgezondheidsgegevens of een door de lidstaten op te zetten nationaal register van mogelijk verontreinigde locaties en verontreinigde locaties, alsook om dergelijke gegevens en informatie niet aan de Commissie en het EEA te rapporteren.
|
|
(31)
|
Om tot een gemeenschappelijk begrip van gezonde bodemgesteldheid te komen, moet een gemeenschappelijke minimumreeks meetbare criteria worden vastgesteld waarvan de niet-naleving zou leiden tot een kritiek verlies van het vermogen van de bodem om als vitaal leefsysteem te functioneren en ecosysteemdiensten te leveren. Dergelijke criteria moeten een afspiegeling zijn van en gebaseerd zijn op de huidige stand van de bodemwetenschap.
|
|
(32)
|
Om bodemaantasting te kunnen beschrijven is het noodzakelijk gemeenschappelijke bodemdescriptoren vast te stellen die kunnen worden gemeten of geraamd. Hoewel er aanzienlijke verschillen bestaan tussen bodemtypen, klimatologische omstandigheden en landgebruik, maakt de huidige wetenschappelijke kennis het mogelijk om voor sommige van die bodemdescriptoren criteria op het niveau van de Unie vast te stellen. De lidstaten moeten echter de criteria voor sommige van deze bodemdescriptoren kunnen aanpassen op basis van specifieke nationale of lokale omstandigheden, en de criteria kunnen vaststellen voor andere bodemdescriptoren waarvoor in dit stadium geen gemeenschappelijke criteria op het niveau van de Unie kunnen worden vastgesteld. Voor de bodemdescriptoren waarvoor in dit stadium geen duidelijke criteria kunnen worden vastgesteld waarmee een onderscheid kan worden gemaakt tussen een gezonde en een ongezonde bodemgesteldheid, zal de monitoring en beoordeling ervan de mogelijke ontwikkeling van dergelijke criteria in de toekomst vergemakkelijken.
|
|
(33)
|
De bodemdescriptorcriteria die wijzen op een gezonde bodemgesteldheid moeten worden onderverdeeld in niet-bindende duurzame streefwaarden en operationele triggerwaarden. De niet-bindende duurzame streefwaarden moeten de ambitieuze langetermijndoelstelling van deze richtlijn weerspiegelen en houden geen verplichting in tot handelen. Deze streefwaarden moeten, op basis van de huidige wetenschappelijke kennis, de ideale situatie weerspiegelen, waarin het vermogen van bodems om ecosysteemdiensten te leveren niet afneemt en de gezondheid van de mens of het milieu geen ernstige schade wordt toegebracht. Gezien de behoefte aan efficiëntie en de beperkte beschikbare middelen, en om rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden, zijn door de lidstaten vastgestelde operationele triggerwaarden echter nodig. Die operationele triggerwaarden moeten steun in gang zetten om bodemgezondheid en bodemveerkracht te bereiken. Voor elk aspect van bodemaantasting moeten één of meer proportionele en haalbare operationele triggerwaarden worden vastgesteld. De triggerwaarden op nationaal niveau vaststellen zal ervoor zorgen dat ten volle rekening kan worden gehouden met lokale omstandigheden en praktijken, bodemgebruik en huidig beleid. De lidstaten kunnen beslissen de operationele triggerwaarde voor één of meer aspecten van bodemaantasting vast te stellen op hetzelfde niveau als de niet-bindende duurzame streefwaarde voor die aspecten. De Commissie moet de lidstaten ondersteunen bij het vaststellen van de niet-bindende duurzame streefwaarden en operationele triggerwaarden.
|
|
(34)
|
Sommige bodems hebben bijzondere kenmerken hetzij omdat zij van nature atypisch zijn en zeldzame habitats voor de biodiversiteit of unieke landschappen vormen, hetzij omdat zij sterk zijn gewijzigd door menselijke activiteiten en tastbare sporen van de geschiedenis van de mensheid kunnen bevatten. Met deze kenmerken moet rekening worden gehouden bij het vaststellen van de definitie van gezonde bodems en van de vereisten voor het bereiken van een gezonde bodemgesteldheid.
|
|
(35)
|
Net als de ambitieuze langetermijndoelstelling dat alle bodems uiterlijk in 2050 gezond zijn, en om bij te dragen tot de doelstellingen van de EU-bodemstrategie voor 2030, en in het bijzonder tot de doelstelling “geen netto-ruimtebeslag”, beoogt deze richtlijn tevens een gefaseerde aanpak van het probleem ruimtebeslag. Om bij te dragen tot die langetermijndoelstelling is het belangrijk de verschillende processen van ruimtebeslag te evalueren en ernaar te streven de gevolgen ervan voor de bodemgezondheid en ecosysteemdiensten in te perken en te matigen. Zo wordt met deze richtlijn beoogd een bodemmonitoringkader op te zetten voor de meer zichtbare aspecten van ruimtebeslag, namelijk bodemafdekking en bodemverwijdering, met gebruikmaking van instrumenten die reeds op het niveau van de Unie beschikbaar zijn via diensten die worden geleverd in het kader van de Copernicus-component van het ruimtevaartprogramma van de Unie, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad (17) (“Copernicus-diensten”), eventueel aangevuld met nationale teledetectiegegevens en nationale inventarissen. Het doel is een gemeenschappelijk begrip te hebben met betrekking tot bodemafdekking en bodemverwijdering, en inleidende reflecties op gang te brengen op nationaal niveau, op basis van degelijke gegevens.
|
|
(36)
|
Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van belastingen en het beginsel dat de vervuiler betaalt, mogen de bepalingen inzake bodemgezondheidsmonitoring uit hoofde van hoofdstuk II van deze richtlijn niet worden begrepen als een financiële last voor andere landeigenaren en landbeheerders dan de lidstaten en de bevoegde autoriteiten.
|
|
(37)
|
De bodem is een beperkte hulpbron die onderhevig is aan steeds meer concurrentie door de verschillende toepassingen ervan. Ruimtebeslag is een proces dat het landgebruik en de bodemkenmerken modificeert. Het kan worden gezien als een overkoepelend concept, dat in meerdere aspecten kan worden onderverdeeld. Een eerste aspect van ruimtebeslag is de verandering van gebruik als natuurlijk en semi-natuurlijk landschap in gebruik als woongebied. Een tweede aspect van ruimtebeslag is bodemartificialisering, waarbij de bodem door de duurzame verandering van de bodembestanddelen en bodemkenmerken zijn vermogen om ecosysteemdiensten te leveren, verliest. Bodemartificialisering kan verder worden onderverdeeld in drie belangrijke processen: bodemafdekking, bodemverwijdering en andere soorten bodemartificialisering. Bodemafdekking bestaat in de bedekking van de bodem met kunstmatige materialen, die volledig of gedeeltelijk ondoordringbaar zijn. Gebouwen zijn een voorbeeld van ondoordringbare bodemafdekking. Treinsporen die zijn gebouwd met doordringbare materialen, zijn een soort gedeeltelijk ondoordringbare bodemafdekking. Wegen, afvalopslagplaatsen en stortplaatsen kunnen als andere voorbeelden van bodemafdekking worden beschouwd. Bodemverwijdering is de tijdelijke of langdurige verwijdering van de oppervlaktelaag van de bodem, en soms van de ondergrond in een gebied. Het vindt bijvoorbeeld plaats tijdens bouwwerkzaamheden, open mijnbouw of winning van delfstoffen. Er bestaan andere, minder zichtbare vormen van bodemartificialisering, zoals de opzettelijke stabilisatie van de bodem en bodemverdichting, de modificatie van bodem- of ondergrondlagen door de toevoeging van kunstmatige materialen of de gedeeltelijke bedekking van de bodem met composietmaterialen. De meest zichtbare en ingrijpende subsoorten bodemartificialisering, namelijk bodemafdekking en bodemverwijdering, zijn het gemakkelijkst te monitoren, met name door middel van teledetectie en machinaal leren. Daarom moeten bodemafdekking en bodemverwijdering, samen met de effecten ervan op het vermogen van de bodem om ecosysteemdiensten te leveren, worden gemonitord.
|
|
(38)
|
Van de aspecten van ruimtebeslag is de toename van woongebied een proces dat dikwijls wordt aangedreven door behoeften in verband met economische ontwikkeling, hetgeen leidt tot een verandering van het landgebruik, van natuurlijke en semi-natuurlijke gebieden (zoals onder meer beschermde bossen, natuurlijk grasland, veengrond, landbouw- en bosbouwland, tuinen en parken) naar woongebied, bijvoorbeeld als onderdeel van stadsontwikkeling. Woongebied, in de zin van Verordening (EU) 2018/841, omvat alle ontwikkelde terreinen, namelijk als woongebied, voor vervoers-, commerciële en productiedoeleinden bestemde infrastructuur van om het even welke omvang, tenzij het reeds in andere categorieën landgebruik is opgenomen. Woongebied omvat ook bodems, meerjarige kruidachtige vegetatie, zoals zodengras en tuinplanten, en bomen in agrarische nederzettingen, moestuinen en stedelijke gebieden. Met name ruimtebeslag van landbouwgrond voor woongebieden heeft vaak gevolgen voor de functie van de bodem met betrekking tot de voedselvoorziening. Een dergelijke verandering in landgebruik is vaak een voorloper van een aantal andere aspecten van ruimtebeslag, en met name van bodemafdekking, en het is belangrijk die verandering te monitoren om te anticiperen op ten minste een deel van het bodemafdekkingsproces. Het is ook belangrijk op te merken dat de bodem in woongebied niet altijd volledig afgedekt is. Integendeel, een aanzienlijk aantal stedelijke gebieden heeft nog steeds een groot oppervlakte niet-afgedekte bodem, en voor sommige stedelijke gebieden bedraagt die hoeveelheid meer dan 50 % van hun oppervlak. Die indicator met betrekking tot dat aspect van ruimtebeslag alleen volstaat dus niet voor de volledige monitoring van de kwestie van ruimtebeslag in zijn geheel, aangezien hij geen onderscheid maakt tussen afgedekte bodems en niet-afgedekte bodems, en de groene ruimte in woongebied onzichtbaar maakt, wat de monitoring en het duurzaam beheer ervan moeilijker maakt.
|
|
(39)
|
De monitoring en het duurzaam beheer van niet-afgedekte bodems in woongebied, en met name in dichtbevolkte stedelijke gebieden, is even belangrijk als die van alle andere bodems, omdat eerstgenoemde bodems nog steeds ecosysteemdiensten leveren die van vitaal belang zijn voor het behoud van een goede levenskwaliteit in stedelijke gebieden. In dichtbevolkte stedelijke gebieden is een breed scala aan milieuproblemen aanwezig, geconcentreerd op een relatief kleine oppervlakte. Het kan daarbij onder meer om de volgende problemen gaan: een hoger aantal verontreinigde locaties door vroegere industriële activiteit, een hoger overstromingsrisico als gevolg van bodemafdekking, een hogere prevalentie van hitte-eilanden en een beperktere toegang tot groene ruimte, die essentieel is voor het mentaal en lichamelijk welzijn. Wanneer deze specifieke kwesties worden aangepakt, kunnen bodemecosysteemdiensten door gezonde bodems in stedelijke gebieden een zeer sterk positief effect hebben op een grote hoeveelheid mensen; het belang ervan mag dan ook niet worden onderschat. Stedelijke groene ruimten, zowel publieke als particuliere, dragen tevens bij tot het blauwe/groene netwerk en de biodiversiteit, en zijn een essentieel onderdeel van andere aspecten van het milieubeleid. Dit is ook in overeenstemming met artikel 8 van Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad (18) betreffende het herstel van stedelijke ecosystemen, waarin wordt aangegeven dat de lidstaten de oppervlakte van stedelijke groene ruimte in stand moeten houden en vergroten.
|
|
(40)
|
Bodemafdekking en bodemverwijdering, als onderdelen van het aspect “bodemartificialisering” van ruimtebeslag, verschillen van woongebiedtoename, omdat ze niet noodzakelijkerwijs veranderingen in landgebruik vormen, maar wel een concrete en meetbare verandering in de bedekking en de kenmerken van de bodem. Bodemafdekking en bodemverwijdering kunnen ertoe leiden dat bodems — vaak onomkeerbaar — het vermogen verliezen om vitale ecosysteemdiensten te leveren, zoals de voorziening van voedsel en biomassa, de water- en nutriëntenkringloop, de basis voor biodiversiteit en koolstofopslag. Door afdekking van de bodem krijgen menselijke nederzettingen ook te maken met hogere hoogwaterpieken en intensere warmte-eilandeffecten.
|
|
(41)
|
Wat locaties voor hernieuwbare energie betreft, kunnen de lidstaten de bodem kwalificeren als afgedekt, als bodem in een gebied waar bodemverwijdering heeft plaatsgevonden, of als bodem die niet is afgedekt of als bodem in een gebied waar geen bodemverwijdering heeft plaatsgevonden, afhankelijk van het soort constructie. Zonneparken kunnen bijvoorbeeld al dan niet als bodemafdekkend worden beschouwd, afhankelijk van wat er met de bodem onderaan de zonnepanelen wordt gedaan. Als de bodem nog steeds een ecosysteem voldoende in stand kan houden, worden zonneparken niet beschouwd als bodemafdekkend. Die beoordeling moet worden gedaan op basis van de gevolgen voor de bodem, ongeacht het doel of de verschijningsvorm van de betrokken constructie. Inventarissen van gebieden met dit soort constructies, met informatie over wat er wordt gedaan met de bodem onder dit soort constructies, kunnen worden gematcht met teledetectiekaarten waarop de bodemafdekking te zien is, om die gebieden als gebieden met niet-afgedekte bodem te kwalificeren.
|
|
(42)
|
Het is van essentieel belang dat de effecten van bodemafdekking en bodemverwijdering in het algemeen worden beperkt. Daarom is het passend bepaalde beginselen vast te stellen met betrekking tot het beperken van die effecten, door een op inspanningen gebaseerde aanpak te hanteren waarbij rekening wordt gehouden met een groot aantal goede praktijken die erop gericht zijn het verlies van het vermogen van de bodem om ecosysteemdiensten te leveren, tot een minimum te beperken en te compenseren. Die beginselen moeten gebaseerd zijn op de ruimtebeslaghiërarchie van de EU-bodemstrategie voor 2030, en rekening houden met de verschillen tussen de lidstaten op het gebied van de geografische en administratieve omstandigheden. De bepalingen van deze richtlijn inzake ruimtebeslag leggen geen nieuwe vergunningsprocedures op en mogen geen belemmering vormen voor het verlenen van vergunningen voor activiteiten, ook niet voor projecten van hoger openbaar belang, en mogen geen afbreuk doen aan besluiten inzake ruimtelijke ordening die onder de bevoegdheid van nationale, regionale of lokale autoriteiten vallen. Die beginselen kunnen betrekking hebben op een breed scala van praktijken zoals bodemafdekking tot een minimum beperken, eerder afgedekte bodems ontharden en herstellen, verstedelijkte gebieden op rationele wijze verdichten en tegelijk groene ruimten, waaronder stedelijke groene ruimten, en natuurlijk terrein in stand houden, brownfields revitaliseren, in de tijd beperkt ruimtebeslag voorrang geven en zorgen voor landherstel na beëindiging van het ruimtebeslag. Om de effecten van bodemafdekking en bodemverwijdering op een zo duurzaam mogelijke wijze te beperken, zouden de compenserende maatregelen afhankelijk van de te compenseren ecosysteemdienst geografisch zo dicht mogelijk bij de bron van het verlies van de ecosysteemdienst moeten worden uitgevoerd. Een verkeerde toepassing van die beginselen kan immers leiden tot de verplaatsing van groene en hoogwaardige ecosysteemgebieden naar gebieden die ver van de gebieden met afgedekte bodems liggen, en tot een volledige concentratie van bodemafdekking en bodemverwijdering in de getroffen gebieden.
|
|
(43)
|
De bodemgezondheidsbeoordeling op basis van het monitoringnetwerk moet nauwkeurig zijn en de kosten van die monitoring moeten op een redelijk niveau worden gehouden. Daarom moeten criteria voor bemonsteringspunten worden vastgesteld die representatief zijn voor de bodemeenheden die een zekere mate van homogeniteit vertonen qua bodemgesteldheid onder verschillende bodemtypen, klimatologische omstandigheden en landgebruik. Er moet ook rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden van de Unie die staan opgesomd in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat voorziet in specifieke maatregelen ter ondersteuning van deze gebieden. Daarom moeten de lidstaten de verplichtingen inzake de monitoring en beoordeling van bodemgezondheid waar nodig kunnen aanpassen aan de specifieke kenmerken van hun ultraperifere gebieden. Het rooster van bemonsteringspunten moet worden vastgesteld op basis van geostatistische methoden, gebaseerd zijn op de bodemeenheden, en voldoende dichtheid hebben om een raming te kunnen maken van de oppervlakte van de aangetaste bodem op het gehele grondgebied van de lidstaten, met een foutenmarge van niet meer dan 5 % op het niveau van de bodemeenheid. Deze waarde wordt algemeen beschouwd als een statistisch verantwoorde raming die redelijke zekerheid biedt dat de doelstelling in kwestie is bereikt. Het bemonsteringsonderzoek voor bodemmonitoring moet worden opgezet op basis van de beste beschikbare informatie over de distributie van de bodemeigenschappen, zoals informatie uit eerdere nationale of subnationale onderzoeken, relevante metingen van bodembeheerders en metingen die zijn uitgevoerd uit hoofde van het recht van de Unie en het internationaal recht of van specifieke programma’s zoals de Lucas-bodemcampagnes of het Internationaal Samenwerkingsprogramma voor de evaluatie en de bewaking van de schade aan de bossen door luchtverontreiniging (ICP Forests). Onverminderd de uit hoofde van deze richtlijn vastgelegde verplichtingen met betrekking tot het beheer van verontreinigde locaties, mogen gegevens die zijn verkregen uit bemonsteringspunten tijdens bodemonderzoeken op verontreinigde locaties worden gebruikt voor de beoordeling van de criteria voor een gezonde bodemgesteldheid.
|
|
(44)
|
In bodemarchieven wordt een representatieve subset van bodemmonsters opgeslagen, waardoor één monster voor verschillende doeleinden, waaronder onderzoek, kan worden gebruikt, en zo de langetermijnkosten van in situ monitoring worden verminderd. Bovendien maken bodemarchieven het mogelijk om bodemmonsters uit het verleden opnieuw te onderzoeken in het heden teneinde een beter inzicht te krijgen in bodemverandering op lange termijn of voor andere onderzoeksdoeleinden, waaronder medisch onderzoek. De Commissie, met inbegrip van diensten zoals het JRC, en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat een representatieve subset van bodemmonsters goed wordt bewaard in fysieke archieven en beschikbaar blijft voor verder onderzoek en innovatie. Wanneer de lidstaten een dergelijke archivering uitvoeren, moet een representatieve subset van bodemmonsters ten minste gedurende twee monitoringcycli worden opgeslagen in speciale bodemarchieven. De lidstaten moeten kunnen besluiten om een representatieve subset van hun bodemmonsters over te dragen naar het speciale bodemarchief van de Commissie.
|
|
(45)
|
De Commissie moet de lidstaten, op hun verzoek, bij de monitoring van hun bodemgezondheid bijstaan en ondersteunen door als onderdeel van de Lucas, uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (19), regelmatig in situ bodembemonstering en daarmee verband houdende bodemmetingen (Lucas Soil) te blijven verrichten en te intensiveren. Daartoe en mits de lidstaten ermee instemmen, wordt het Lucas-programma uitgebreid en opgewaardeerd om het volledig in overeenstemming te brengen met de specifieke kwaliteitseisen waaraan voor de toepassing van deze richtlijn moet worden voldaan. Om de administratieve en financiële lasten te verlichten, moet het de lidstaten worden toegestaan om de bodemgezondheidsgegevens in aanmerking te nemen die in het kader van het Lucas-programma zijn verzameld. Die gegevens moeten tijdig ter beschikking van de lidstaten worden gesteld. De lidstaten die een dergelijke ondersteuning ontvangen, moeten de nodige wettelijke regelingen treffen om ervoor te zorgen dat de Commissie een dergelijke in situ bodembemonstering kan uitvoeren, ook op grond in particulier bezit, en in overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie of nationaal recht.
|
|
(46)
|
De Commissie werkt aan de ontwikkeling van teledetectiediensten in het kader van het gebruikersgestuurde Copernicus-programma, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/696, en ondersteunt daarbij ook de lidstaten. Om de tijdigheid en doeltreffendheid van bodemgezondheidsmonitoring te verbeteren, moeten de lidstaten, in voorkomend geval, voor het monitoren van relevante bodemdescriptoren en indicatoren van bodemafdekking en bodemverwijdering en, indien van toepassing, voor de beoordeling van de bodemgezondheid gebruikmaken van teledetectiegegevens, waaronder de output van de Copernicus-diensten. De Commissie en het EEA moeten het onderzoek naar mogelijkheden met betrekking tot, en het ontwikkelen van, producten voor teledetectie van de bodem ondersteunen om de lidstaten bij te staan bij het monitoren van de relevante bodemdescriptoren en indicatoren van bodemafdekking en bodemverwijdering.
|
|
(47)
|
De Commissie moet voortbouwen op de bestaande EU-waarnemingspost voor bodems en deze opwaarderen, en een digitaal portaal voor bodemgezondheidsgegevens opzetten dat compatibel moet zijn met de EU-datastrategie, die is uiteengezet in haar mededeling van 19 februari 2020 met als titel “Een Europese datastrategie”, en met de EU-dataruimten. Het digitale portaal voor bodemgezondheidsgegevens moet een hub zijn die toegang biedt tot bodemgegevens uit verschillende bronnen, in geaggregeerde vorm op het niveau van de bodemeenheid of, indien relevant, op een gedetailleerder niveau, mits het niet mogelijk is de individuele waarden of de locatie van de onderliggende gegeorefereerde monsters te bepalen. Dat portaal moet in de eerste plaats alle gegevens bevatten die de lidstaten en de Commissie uit hoofde van deze richtlijn hebben verzameld. De verwerking en het raadplegen van die gegevens, onder meer voor wetenschappelijke doeleinden, moet in overeenstemming zijn met het toepasselijke recht van de Unie, zoals de Richtlijnen 2003/4/EG (20), 2007/2/EG (21), (EU) 2019/1024 (22) van het Europees Parlement en de Raad, en Verordening (EU) 2023/2854 van het Europees Parlement en de Raad (23) en Verordening (EG) nr. 223/2009. Voorts moeten de lidstaten in staat zijn bodemgezondheidsgegevens te evalueren en te verzoeken om de correctie van eventuele fouten, voordat die gegevens openbaar worden gemaakt via het digitale portaal voor bodemgezondheidsgegevens. Daarnaast moet het mogelijk zijn om op vrijwillige basis andere relevante bodemgegevens in het portaal te integreren die door de lidstaten of een andere partij zijn verzameld, met name gegevens die voortvloeien uit projecten in het kader van Horizon Europa en de EU-missie “Een bodemdeal voor Europa”, op voorwaarde dat die gegevens voldoen aan bepaalde vereisten wat het formaat en de specificaties betreft. Die vereisten moeten door de Commissie worden vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen.
|
|
(48)
|
Ook moeten de in de lidstaten gebruikte bodemmonitoringsystemen beter worden geharmoniseerd en moeten de synergieën tussen de monitoringsystemen van de Unie en die van de lidstaten worden benut om over meer vergelijkbare gegevens in de Unie te kunnen beschikken. Het is van groot belang dat de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van bodemmetingen worden gewaarborgd doordat de betrokken laboratoria praktijken voor kwaliteitsbeheersystemen hanteren. Om de administratieve lasten voor de laboratoria tot een minimum te beperken, kan een lidstaat het voldoende achten dat laboratoria één accreditatie hebben voor een methode voor het bepalen van de waarden van bodemdescriptoren. Laboratoria of door laboratoria gecontracteerde partijen die de bodemmetingen uitvoeren, moeten praktijken voor kwaliteitsbeheersystemen hanteren overeenkomstig EN ISO/IEC-17025. Er kan worden gebruikgemaakt van gelijkwaardige normen voor kwaliteitsbeheer op Unie- of internationaal niveau, en waar nodig kan worden gestreefd naar synergieën met het kwaliteitsbeheersysteem van ICP Forests.
|
|
(49)
|
Het is belangrijk om methoden voor bodemtesten te gebruiken die zijn gecertificeerd door internationaal erkende instanties, zoals de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) en het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), en die door de mondiale onderzoeksgemeenschap worden erkend, mits dergelijke methoden beschikbaar zijn. Het is ook mogelijk om voor bodemtests andere gelijkwaardige methoden te gebruiken, namelijk analytische procedures die dezelfde parameter of descriptor bepalen en waarvan is aangetoond dat zij identieke resultaten opleveren binnen de marge van hun herhaalbaarheidscoëfficiënt (0,95). De certificering van gelijkwaardige methoden moet ook worden verkregen van internationaal erkende instanties, zoals de ISO en het CEN, en dergelijke gelijkwaardige methoden moeten door de wereldwijde onderzoeksgemeenschap worden erkend.
|
|
(50)
|
Om ervoor te zorgen dat de bodem wordt beschermd tegen verontreiniging door stoffen die aanzienlijke risico’s voor de gezondheid van de mens kunnen veroorzaken en de omringende lucht kunnen verontreinigen, oppervlaktewateren, grondwater en vervolgens oceanen kunnen verontreinigen, moeten beleidsmechanismen worden vastgesteld om dergelijke zorgwekkende stoffen op te sporen en te beoordelen. In dat verband moet voor bodemverontreiniging een aanpak worden ontwikkeld die monitoring en analyse van dergelijke stoffen of groepen stoffen via een indicatieve lijst mogelijk maakt, vergelijkbaar met de aanpak die wordt gebruikt voor oppervlaktewater en grondwater. De stoffen of groepen stoffen die op een dergelijke indicatieve lijst moeten worden geplaatst, moeten stoffen omvatten die een aanzienlijk risico vormen voor de bodemgezondheid en de bodemveerkracht, de gezondheid van de mens of het milieu, en stoffen waarvoor uit de beschikbare informatie blijkt dat zij een aanzienlijk risico voor of via de bodem kunnen vormen en waarvoor de beschikbare monitoringgegevens ontoereikend zijn. Er mag geen bovengrens worden gesteld aan het aantal stoffen of groepen stoffen dat met het oog op monitoring en analyse in de indicatieve lijst van bodemverontreinigende stoffen moet worden opgenomen.
|
|
(51)
|
Er moeten gegevens worden verzameld over de aanwezigheid van bodemverontreinigende stoffen die een risico kunnen vormen voor de gezondheid van de mens en het milieu, met inbegrip van pesticiden, metabolieten daarvan, per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) en andere opkomende bodemverontreinigende stoffen. Deze richtlijn moet daarom een kader bieden om dergelijke verontreinigende stoffen op te nemen in een indicatieve lijst van bodemverontreinigende stoffen waarvoor meer bodemmonitoringgegevens nodig zijn om het risico voor de gezondheid van de mens en het milieu aan te pakken. Om de monitoringkosten te beperken, moet het de lidstaten worden toegestaan metingen uit te voeren op een beperkt aantal bemonsteringspunten voor die verontreinigende stoffen. De Commissie kan de lidstaten ondersteunen door een selectie van bodemverontreinigende stoffen uit de indicatieve lijst van bodemverontreinigende stoffen in Lucas te meten.
|
|
(52)
|
Microplastics en nanoplastics zijn stoffen die een risico kunnen vormen voor de bodemgezondheid en ook voor essentiële activiteiten zoals landbouwproductie. De aanwezigheid van dergelijke stoffen in de bodem kan gevolgen hebben voor de bodemvruchtbaarheid, waardoor de gezondheid en de gezonde ontwikkeling van gewassen in gevaar kunnen komen. Het is daarom van essentieel belang dat deze richtlijn het mogelijk maakt microplastics en nanoplastics op te nemen in de monitoring van bodemverontreinigende stoffen.
|
|
(53)
|
Met het oog op een zo ruim mogelijk gebruik van bodemgezondheidsgegevens die door de uit hoofde van deze richtlijn uitgevoerde monitoring worden gegenereerd, moeten de lidstaten worden verplicht de toegang tot dergelijke gegevens voor het publiek te vergemakkelijken, in geaggregeerde vorm op het niveau van de bodemeenheid of, indien relevant, op een gedetailleerder niveau, mits het niet mogelijk is de individuele waarden of de locatie van de onderliggende gegeorefereerde monsters te bepalen. De vertrouwelijke gegevens die door de Commissie of de lidstaten worden verzameld voor het opstellen van Europese statistieken, moeten worden beschermd overeenkomstig de voorschriften en maatregelen van Verordening (EG) nr. 223/2009, teneinde het vertrouwen van de partijen die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van die informatie te winnen en te behouden. Indien de Commissie of de lidstaten bodemgezondheidsstatistieken opstellen, moeten zij ervoor zorgen dat voor de vertrouwelijke gegevens de beginselen van Verordening (EG) nr. 223/2009 geëerbiedigd worden. Om de eigendom van de gegevens te beschermen, is het bovendien van belang dat de Commissie, het EEA of de lidstaten gegevens enkel bekendmaken met toestemming van de eigenaar van de gegevens. Daarnaast moeten de lidstaten bodemgezondheidsgegevens en de resultaten van de bodemgezondheidsbeoordelingen meedelen aan relevante belanghebbenden zoals landbouwers, bosbouwers, landeigenaren en lokale autoriteiten. Het is belangrijk dat potentiële kopers en pachters van land, overeenkomstig het nationale recht en op hun verzoek, de bodemgezondheidsgegevens en de resultaten van de bodemgezondheidsbeoordelingen ontvangen. Bovendien kunnen bodemgezondheidsgegevens die overeenkomstig deze richtlijn beschikbaar worden gesteld, in voorkomend geval worden gebruikt voor de monitoring van bodemgerelateerde aspecten uit hoofde van ander recht van de Unie.
|
|
(54)
|
De resultaten van de in het kader van deze richtlijn uitgevoerde bodemgezondheidsbeoordelingen zullen als basis dienen voor het vaststellen van de specifieke praktijken die nodig zijn om de bodem duurzaam te beheren, en dus voor de steun die de lidstaten moeten verlenen om de bodemgezondheid en de bodemveerkracht te vergroten. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit ander recht van de Unie en nationaal recht, leggen de bepalingen van deze richtlijn inzake steun voor bodemgezondheid en bodemveerkracht geen aanvullende verplichtingen op aan landeigenaren en landbeheerders. Tegelijkertijd moeten bodembeheerders, landeigenaren, landbeheerders en relevante autoriteiten steun ontvangen om de bodemgezondheid en de bodemveerkracht te verbeteren. Deze steun moet onder meer de volgende vormen aannemen: informatie en advies over praktijken die de bodemgezondheid en de bodemveerkracht verbeteren, rekening houdend met de plaatselijke bodemgesteldheid; capaciteitsopbouw; het bevorderen van het bewustzijn van de voordelen van praktijken die de bodemgezondheid en de bodemveerkracht verbeteren; het bevorderen van onderzoek en innovatie; het beoordelen van de technische en financiële behoeften, en het faciliteren van de toegang tot en de benutting van de beschikbare financiering.
|
|
(55)
|
Economische instrumenten, waaronder de instrumenten in het kader van het GLB die steun verlenen aan landbouwers, spelen een cruciale rol bij het behoud en de verbetering van de bodemgezondheid en de bodemveerkracht en, in mindere mate, van bosbodems. Het GLB heeft tot doel de bodemgezondheid te ondersteunen door de uitvoering van conditionaliteit, ecoregelingen en maatregelen voor plattelandsontwikkeling. Ook de particuliere sector kan financiële steun genereren voor landbouwers en bosbouwers die praktijken toepassen die de bodemgezondheid en de bodemveerkracht verbeteren. Bij vrijwillige duurzaamheidsetiketten in de voedsel-, hout-, biogebaseerde en energiesector, vastgesteld door particuliere belanghebbenden, kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de bijdragen van landbouwers en bosbouwers aan de verbetering van de bodemgezondheid en de bodemveerkracht overeenkomstig deze richtlijn. Deze etiketten zouden producenten van voedsel, hout en andere biomassa die deze praktijken volgen bij hun productie, in staat kunnen stellen deze te weerspiegelen in de waarde van hun producten. Via de “levende laboratoria” en “vuurtorens” van de EU-missie “Een bodemdeal voor Europa” zal aanvullende financiering worden verstrekt voor het testen, demonstreren en opschalen van oplossingen, onder meer op het gebied van koolstoflandbeheer, voor een netwerk van locaties in de praktijk. Onverminderd het beginsel dat de vervuiler betaalt, moeten de lidstaten steun en advies verlenen om landeigenaren, landbeheerders en landgebruikers te helpen die worden getroffen door maatregelen uit hoofde van deze richtlijn, waarbij met name rekening wordt gehouden met de behoeften en de beperkte capaciteit van kleine en middelgrote ondernemingen.
|
|
(56)
|
Krachtens Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (24) moeten de lidstaten in hun strategische GLB-plannen beschrijven hoe de milieu- en klimaatarchitectuur van die plannen moeten bijdragen tot de verwezenlijking van, en consistent zijn met, de nationale langetermijnstreefcijfers die zijn vastgesteld in of voortvloeien uit de in bijlage XIII bij die verordening vermelde wetgevingshandelingen.
|
|
(57)
|
De lidstaten moeten worden verplicht het effect van de steun voor bodemgezondheid en bodemveerkracht nauwlettend te monitoren, rekening houdend met nieuwe kennis uit onderzoek en innovatie. In dit verband worden waardevolle bijdragen verwacht van de EU-missie “Een bodemdeal voor Europa” en met name van de levende laboratoria en activiteiten ter ondersteuning van bodemmonitoring, bodemeducatie en burgerbetrokkenheid.
|
|
(58)
|
Door bodemregeneratie worden aangetaste bodems weer gezond. In het kader van bodemregeneratie kunnen de resultaten van de bodemgezondheidsbeoordelingen in aanmerking worden genomen en is het gepast om regeneratiemaatregelen aan te passen aan de specifieke kenmerken van de situatie, het type, het gebruik en de toestand van de bodem en de plaatselijke, klimatologische en milieuomstandigheden. In het geval van gebieden met bodemafdekking of bodemverwijdering vereist het herstel van het vermogen van bodems om ecosysteemdiensten te leveren eerst de wederopbouw van de bodem, met als doel een niveau van werking van de bodem en ecosysteemdienstenverlening te bereiken dat zo dicht mogelijk bij de natuurlijke werking ervan en het optimale niveau van ecosysteemdienstenverlening ligt.
|
|
(59)
|
Om synergieën te waarborgen tussen de verschillende in het kader van ander recht van de Unie vastgestelde maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor de bodemgezondheid, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de activiteiten ter ondersteuning van de bodemgezondheid en bodemveerkracht in overeenstemming zijn met: de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1991 opgestelde nationale herstelplannen; de nationale biodiversiteitsstrategieën en -actieplannen die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 6 van het Biodiversiteitsverdrag van de Verenigde Naties; de strategische GLB-plannen die de lidstaten opstellen overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115; de codes van goede landbouwpraktijken en de overeenkomstig Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (25) vastgestelde actieprogramma’s voor aangewezen kwetsbare zones; de instandhoudingsmaatregelen en het prioritaire actiekader die zijn vastgesteld voor Natura 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (26); de maatregelen voor het bewerkstelligen van een goede ecologische en chemische toestand van waterlichamen als opgenomen in de overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (27) opgestelde stroomgebiedbeheerplannen; de overeenkomstig Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (28) vastgestelde maatregelen inzake overstromingsrisicobeheer; de droogtebeheerplannen van de EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering; de overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming vastgestelde nationale actieprogramma’s; de in het kader van Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (29) gestelde streefdoelen; de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (30) vastgestelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen; de in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad (31) opgestelde nationale programma’s ter beheersing van de luchtverontreiniging; de overeenkomstig Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (32) opgestelde risicobeoordelingen en plannen voor rampenrisicobeheer; de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (33) vastgestelde nationale actieplannen en de overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (34) uitgevoerde milieueffectbeoordelingen. Activiteiten ter ondersteuning van de bodemgezondheid en de bodemveerkracht moeten, voor zover mogelijk, worden geïntegreerd in die programma’s, codes, actiekaders, streefdoelen, plannen en maatregelen voor zover zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Bijgevolg moeten relevante indicatoren en gegevens, zoals bodemgerelateerde resultaatindicatoren in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 en statistische gegevens over de landbouwinput en -output die uit hoofde van Verordening (EU) 2022/2379 van het Europees Parlement en de Raad (35) zijn gerapporteerd, toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten om die gegevens en indicatoren te vergelijken waardoor de doeltreffendheid van de gekozen maatregelen zo nauwkeurig mogelijk kan worden beoordeeld.
|
|
(60)
|
Verontreinigde locaties zijn vaak de nalatenschap van activiteiten in de Unie, zoals industriële of militaire activiteiten, en kunnen nu en in de toekomst risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu met zich meebrengen. Het is daarom noodzakelijk de mogelijk verontreinigde locaties eerst te identificeren en te onderzoeken om vervolgens, in geval van bevestigde verontreiniging, de risico’s van de verontreinigde locatie te beoordelen, en maatregelen te treffen om onaanvaardbare risico’s aan te pakken. In dit verband is het van essentieel belang ook rekening te houden met de gevolgen van verontreinigde locaties voor andere milieumedia of -matrices dan bodem, zoals grondwater of oppervlaktewater. Sommige van die activiteiten, zoals het gebruik van ondergrondse opslagfaciliteiten voor gevaarlijke stoffen, hebben mogelijk plaatsgevonden in het grondgesteente of het moedermateriaal. Wanneer een dergelijke ondergrondse opslagfaciliteit heeft gelekt, kunnen verontreinigende stoffen in het grondgesteente of het moedermateriaal terechtkomen, en hoogstwaarschijnlijk zullen zij niet in de bodem worden aangetroffen. De verontreinigende stoffen kunnen zich echter verspreiden en dus gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu. Indien dergelijke activiteiten worden uitgevoerd op mogelijk verontreinigde locaties, moet dus het grondgesteente of het moedermateriaal in de nabijheid van de activiteit ook worden onderzocht om na te gaan of de activiteit verontreinigingen heeft veroorzaakt die gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu.
|
|
(61)
|
Met bodemonderzoek moet worden vastgesteld of een mogelijk verontreinigde locatie daadwerkelijk verontreinigd is en of de verontreiniging een risico vormt voor de gezondheid van de mens of het milieu. Deze richtlijn vereist geen analyse van andere bodemdescriptoren dan bodemverontreiniging als onderdeel van het bodemonderzoek. Aangezien het landgebruik in de loop der tijd kan veranderen, is het belangrijk dat informatie over verontreiniging toegankelijk blijft voor het publiek. Indien bijvoorbeeld moet worden besloten of het landgebruik wordt veranderd, is het belangrijk om te evalueren of een in een eerder bodemonderzoek vastgestelde verontreiniging, een risico kan vormen voor het beoogde nieuwe landgebruik. Om te beoordelen of een mogelijk verontreinigde locatie daadwerkelijk verontreinigd is, moet daarom ook rekening worden gehouden met de risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu in verband met het gevoelig gebruik van de locatie. Gevoelig gebruik van locaties omvat het gebruik van speelplaatsen, scholen of locaties die worden gebruikt voor kinderopvang, of gebieden in de omgeving daarvan, het gebruik van woonwijken of het gebruik door kwetsbare bevolkingsgroepen van andere gebieden. Indien uit een bodemonderzoek blijkt dat een mogelijk verontreinigde locatie in feite niet verontreinigd is, mag de locatie door de lidstaat niet langer als mogelijk verontreinigd worden beschouwd, tenzij op basis van nieuw bewijsmateriaal wordt vermoed dat er sprake is van verontreiniging.
|
|
(62)
|
Aangezien het aantal mogelijk verontreinigde locaties en verontreinigde locaties zeer groot kan zijn en het risiconiveau van een verontreinigde locatie kan variëren van zeer laag tot zeer hoog, is het passend een risicogebaseerde en stapsgewijze aanpak te volgen voor het identificeren en onderzoeken van mogelijk verontreinigde locaties en voor het beheer van verontreinigde locaties. Een dergelijke aanpak kan de lidstaten in staat stellen prioriteit te geven aan bepaalde locaties. Door prioriteit te geven aan bepaalde locaties kunnen de lidstaten rekening houden met het potentiële risico van een vermoedelijk of bevestigd geval van verontreiniging voor de gezondheid van de mens en het milieu, alsook met de maatschappelijke of economische context. De evaluatie van de potentiële risico’s die bij een dergelijke prioritering wordt gebruikt, is veel algemener dan de locatiespecifieke risicobeoordeling die bij het onderzoek van een verontreinigde locatie wordt uitgevoerd.
|
|
(63)
|
Om mogelijk verontreinigde locaties te identificeren, moeten de lidstaten bewijsmateriaal verzamelen, onder meer aan de hand van historisch onderzoek waarbij informatie wordt doorgespit over industriële activiteiten, incidenten en ongevallen, met gebruik van oude kaarten, archieven, persartikelen, milieuvergunningen en meldingen van het publiek of de autoriteiten en van onderzoeksprojecten afkomstige gegevens inzake menselijke biomonitoring of milieumonitoring. De lidstaten moeten een lijst van mogelijk verontreinigende activiteiten opstellen en de mogelijkheid hebben prioriteit te geven aan bepaalde mogelijk verontreinigde locaties die het meest waarschijnlijk een potentieel risico voor de gezondheid van de mens of het milieu zullen vormen, op basis van het soort activiteit, de omvang van de mogelijke verontreiniging, een indicatie dat er een onmiddellijk risico bestaat of andere relevante informatie. Aangezien het aantal mogelijk verontreinigde locaties mettertijd kan evolueren, moet een eerste identificatie van dergelijke locaties binnen een vastgestelde termijn worden voltooid, op basis van het bestaande bewijsmateriaal, terwijl dergelijke locaties verder moeten worden geïdentificeerd door middel van een systematische aanpak.
|
|
(64)
|
Om ervoor te zorgen dat bodemonderzoeken naar mogelijk verontreinigde locaties tijdig en doeltreffend worden uitgevoerd, moeten de lidstaten, naast de verplichting om het tijdsbestek vast te stellen waarbinnen bodemonderzoeken moeten worden uitgevoerd, worden verplicht specifieke gebeurtenissen vast te stellen die aanleiding geven tot dergelijk onderzoek. Dergelijke gebeurtenissen kunnen bestaan in het aanvragen of herzien van een milieu- of bouwvergunning of een krachtens het recht van de Unie of het nationale recht vereiste vergunning, afgravingen van bodems, veranderingen in landgebruik of transacties in verband met grond- of onroerend goed. Bodemonderzoeken kunnen uit verschillende fasen bestaan, zoals een voorbereidend bureauonderzoek, een locatiespecifieke historische studie om informatie te verzamelen over industriële activiteiten, incidenten of ongevallen in het verleden, een bezoek ter plaatse, een voorbereidend of verkennend onderzoek, een meer gedetailleerd of beschrijvend onderzoek, en veld- of laboratoriumtests, en kunnen een locatiespecifieke beoordeling omvatten van de risico’s die verontreiniging vormt voor de gezondheid van de mens en het milieu. Indien verontreiniging wordt geconstateerd, moet het bodemonderzoek de basis vormen voor de karakterisering van de verontreiniging en de milieucontext ervan en basisinformatie verstrekken voor de locatiespecifieke risicobeoordeling en de opzet van eventueel noodzakelijke risicobeperkende maatregelen. In voorkomend geval kunnen situatierapporten en monitoringmaatregelen die overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (36) zijn uitgevoerd, ook als bodemonderzoek worden aangemerkt.
|
|
(65)
|
Bij het beheer van verontreinigde locaties is flexibiliteit noodzakelijk zodat de kosten, baten en lokale bijzonderheden in aanmerking kunnen worden genomen. De lidstaten moeten daarom ten minste een risicogebaseerde en stapsgewijze aanpak hanteren voor het identificeren en onderzoeken van mogelijk verontreinigde locaties en voor het beheer van verontreinigde locaties, rekening houdend met het verschil tussen deze twee categorieën, zodat middelen kunnen worden toegewezen met inachtneming van de specifieke ecologische, sociale en economische context. Besluiten met betrekking tot het beheer van verontreinigde locaties, onder meer over de risicogebaseerde en stapsgewijze aanpak, moeten worden genomen op basis van de aard en de omvang van de potentiële risico’s voor de gezondheid van de mens, met inbegrip van de blootstelling van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, personen met een handicap, ouderen en kinderen aan verontreinigende stoffen, en voor het milieu als gevolg van blootstelling aan bodemverontreinigende stoffen of verontreinigende stoffen die naar het grondwater zijn gemigreerd en, indien mogelijk, de cumulatieve effecten op de gezondheid van de mens, de bodemecosystemen en de bijbehorende ecosysteemdiensten.
|
|
(66)
|
Bij de risicobeoordeling moet rekening worden gehouden met natuurlijke en antropogene achtergrondniveaus, aangezien die ook kunnen helpen bij het vaststellen van bodemsanerings- of beheerdoelstellingen.
|
|
(67)
|
De resultaten van de kosten-batenanalyse van een locatiespecifieke risicobeoordeling of bodemsanering moeten positief zijn. Voor kleinschalige verontreinigde locaties bijvoorbeeld kan een gedetailleerde locatiespecifieke risicobeoordeling duurder zijn dan onmiddellijke bodemsanering, of kan de locatie duidelijk en ernstig verontreinigd zijn, zodat een gedetailleerde locatiespecifieke risicobeoordeling niet nodig is om het besluit tot bodemsanering te nemen. In dergelijke gevallen kan het aantal stappen in de risicogebaseerde en stapsgewijze aanpak voor het identificeren en onderzoeken van mogelijk verontreinigde locaties en voor het beheer van verontreinigde locaties worden verminderd, aangezien een gedetailleerde locatiespecifieke risicobeoordeling weinig toegevoegde waarde heeft. De lidstaten moeten de specifieke methode vaststellen voor het de locatiespecifieke risicobeoordeling van verontreinigde locaties. De lidstaten moeten ook bepalen wat zij verstaan onder een onaanvaardbaar risico van een verontreinigde locatie, rekening houdend met de wetenschappelijke kennis, het voorzorgsbeginsel, specifieke kenmerken van de locatie en het huidige en geplande landgebruik.
|
|
(68)
|
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat passende risicobeperkende maatregelen, waaronder bodemsanering, worden genomen om de risico’s van verontreinigde locaties voor de gezondheid van de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. De optimale risicobeperkende maatregelen moeten duurzaam zijn en moeten worden geselecteerd door middel van een evenwichtig besluitvormingsproces waarin rekening wordt gehouden met de ecologische, sociale en economische gevolgen. De keuze van de techniek of maatregel hangt af van een combinatie van criteria zoals de aard van de verontreinigende stoffen, de kenmerken van de bodem, het volume van de verontreiniging, de beschikbare tijd en ruimte, budgettaire beperkingen, bodemsaneringsdoelstellingen, huidig en gepland landgebruik, en het potentieel om de bodemgezondheid te verbeteren. De risicobeperkende maatregelen mogen geen negatief effect hebben op de risicobeoordeling en het risicobeheer van de onttrekkingsgebieden voor onttrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad (37). Aangezien bodemsanering gericht is op het wegnemen van het risico van bodemverontreiniging voor de gezondheid van de mens of het milieu, kan het zo zijn dat bodemsanering andere bodemdescriptoren niet zou verbeteren. Bepaalde bodemsaneringstechnieken kunnen ook een negatief effect hebben op de bodemgezondheid. Daarom moet rekening worden gehouden met alle voor- en nadelen van de saneringstechnieken. Maatregelen die krachtens ander recht van de Unie zijn genomen, moeten kunnen worden aangemerkt als risicobeperkende maatregelen uit hoofde van deze richtlijn indien die maatregelen de risico’s van verontreinigde locaties op doeltreffende wijze verminderen.
|
|
(69)
|
Bij het onderzoek van mogelijk verontreinigde locaties en bij het beheer van verontreinigde locaties moeten het beginsel dat de vervuiler betaalt, het voorzorgsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. De lidstaten moeten ernaar streven de vervuiler te identificeren en moeten een hiërarchie van verantwoordelijkheid of besluitvormingsketen van verantwoordelijkheid vaststellen om te bepalen welke natuurlijke persoon of rechtspersoon verantwoordelijk is voor de kosten van het bodemonderzoek, de risicobeoordeling en de risicobeperkende maatregelen. De lidstaten moeten kunnen besluiten een verder onderscheid te maken tussen historisch en nieuw verontreinigde locaties en een strengere aanpak toe te passen voor verontreiniging die na een bepaalde referentiedatum is veroorzaakt. In het geval van verontreinigde locaties waarvoor geen natuurlijke persoon of rechtspersoon kan worden geïdentificeerd als verantwoordelijk voor de verontreiniging, moeten de lidstaten financiële instrumenten en financieringsprogramma’s van de Unie kunnen gebruiken om de verplichtingen inzake bodemonderzoek en bodemsanering na te komen.
|
|
(70)
|
Bodemverontreiniging is reeds gereguleerd in het recht van de Unie, zoals Richtlijn 2010/75/EU of Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (38). De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de vereisten uit hoofde van het relevante recht van de Unie.
|
|
(71)
|
Bodemonderzoeken, risicobeoordelingen of risicobeperkende maatregelen die vóór 16 december 2025 zijn uitgevoerd op mogelijk verontreinigde locaties of verontreinigde locaties en die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, moeten passend worden geacht om aan de voorschriften van deze richtlijn voor dergelijke locaties te voldoen.
|
|
(72)
|
Maatregelen die op grond van deze richtlijn worden genomen, moeten ook rekening houden met andere beleidsdoelstellingen van de Unie, zoals de doelstellingen van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad (39), namelijk het waarborgen van een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen voor de industrieën van de Unie.
|
|
(73)
|
Transparantie is een essentieel onderdeel van het bodembeleid en waarborgt de publieke verantwoording en bewustwording, eerlijke marktvoorwaarden en dat de vooruitgang kan worden gemonitord. Daarom moeten de lidstaten een nationaal register van mogelijk verontreinigde locaties en verontreinigde locaties opzetten en bijhouden. Die registers moeten locatiespecifieke informatie bevatten en openbaar toegankelijk worden gemaakt in de vorm van een onlinedatabank in een gegeorefereerd ruimtelijk format. Indien op subnationaal niveau registers worden opgezet, moeten de lidstaten voorzien in een gecoördineerd nationaal toegangspunt tot de verschillende subnationale registers, met bijvoorbeeld een centrale nationale website met weblinks. De registers moeten de informatie bevatten die nodig is voor een goede voorlichting van het publiek over het bestaan van mogelijk verontreinigde locaties en het beheer van verontreinigde locaties. Aangezien de aanwezigheid van bodemverontreiniging op mogelijk verontreinigde locaties per definitie alleen kan worden vermoed, moet het verschil tussen mogelijk verontreinigde locaties en verontreinigde locaties worden meegedeeld en duidelijk aan het publiek worden uitgelegd om onnodige bezorgdheid te voorkomen. Registers die reeds bestaan op 16 december 2025 en die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, moeten passend worden geacht om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen.
|
|
(74)
|
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verplicht de lidstaten om te voorzien in toereikende rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. Daarnaast moeten de leden van het betrokken publiek het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het “Verdrag van Aarhus”) (40), dat op 17 februari 2005 door de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 2005/370/EG van de Raad (41), toegang hebben tot de rechter aangezien dit bijdraagt tot de bescherming van het recht te leven in een milieu dat passend is voor de gezondheid en het welzijn van elke persoon.
|
|
(75)
|
Zoals verduidelijkt door de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (42), mogen de lidstaten de procesbevoegdheid (locus standi) tegen een beslissing van een overheidsinstantie niet beperken tot de leden van het betrokken publiek die hebben deelgenomen aan de besluitvormingsprocedure die tot de vaststelling van die beslissing heeft geleid. Voorts moet elke beroepsprocedure eerlijk, billijk, tijdig en niet buitensporig kostbaar zijn, en voorzien in passende rechtsmiddelen, met inbegrip van een rechterlijk bevel waar zulks passend is. Bovendien moet aan het betrokken publiek, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (43), ten minste toegang tot de rechter worden verleend.
|
|
(76)
|
Richtlijn (EU) 2019/1024 bepaalt dat overheidsinformatie vrij en in een open formaat beschikbaar moeten worden gesteld. De algemene doelstelling van Richtlijn (EU) 2019/1024 is de dataeconomie van de Unie helpen versterken door de hoeveelheid voor hergebruik beschikbare interoperabele overheidsgegevens te vergroten, eerlijke concurrentie en gemakkelijke toegang tot overheidsinformatie te waarborgen, en grensoverschrijdende innovatie op basis van gegevens te bevorderen. Het belangrijkste beginsel van die richtlijn is dat overheidsgegevens standaard en met opzet vrij toegankelijk moeten zijn. Richtlijn 2003/4/EG heeft tot doel het recht op toegang tot milieu-informatie in de lidstaten te waarborgen, overeenkomstig het Verdrag van Aarhus. Het Verdrag van Aarhus en Richtlijn 2003/4/EG omvatten ruime verplichtingen met betrekking tot zowel de terbeschikkingstelling van milieu-informatie op verzoek als de actieve verspreiding van dergelijke informatie. Richtlijn 2003/4/EG voorziet in een beperkte lijst van vrijstellingen van de verspreiding of openbaarmaking van milieu-informatie, rekening houdend met het algemeen belang dat met de verspreiding wordt gediend, indien de verspreiding of openbaarmaking van de informatie afbreuk zou doen aan bepaalde belangen. Die belangen omvatten: de openbare veiligheid of de nationale defensie; de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid in het recht van de Unie of nationaal recht voorgeschreven wordt om een gewettigd economisch belang te beschermen, met inbegrip van het algemeen belang dat met statistische en fiscale geheimhouding is gediend, en de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens of -dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien in het recht van de Unie of nationaal recht. Ook Richtlijn 2007/2/EG heeft een breed toepassingsgebied, en heeft betrekking op uitwisseling van ruimtelijke informatie, met inbegrip van gegevensverzamelingen over verschillende milieugerelateerde onderwerpen. Het is van belang dat de bepalingen van deze richtlijn inzake toegang tot informatie en afspraken voor gegevensdeling een aanvulling vormen op de Richtlijnen (EU) 2019/1024, 2003/4/EG en 2007/2/EG, en geen afzonderlijke wettelijke regeling in het leven roepen. Daarom moeten de bepalingen van deze richtlijn inzake de voorlichting van het publiek en informatie over het toezicht op de uitvoering die richtlijnen onverlet laten.
|
|
(77)
|
Het is ook van belang dat de bepalingen van deze richtlijn inzake afspraken over het delen van gegevens de lidstaten in staat stellen bestaande gegevensinfrastructuren die zijn ingesteld uit hoofde van de Richtlijnen (EU) 2019/1024 en 2007/2/EG te hergebruiken om een doeltreffende en tijdige uitwisseling van informatie te waarborgen. Daartoe zouden de lidstaten en de Commissie gebruik kunnen maken van instrumenten zoals het door het EEA beheerde REPORTNET. Bij die aanpak wordt het eenmaligheidsbeginsel gevolgd en wordt voorkomen dat de lidstaten extra lasten worden opgelegd om in het kader van deze richtlijn een specifieke gegevensinfrastructuur op te zetten.
|
|
(78)
|
Met het oog op de noodzakelijke aanpassing van de voorschriften inzake bodemgezondheidsmonitoring en beheer van verontreinigde locaties, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn teneinde de methoden voor het monitoren van de bodemgezondheid, de indicatieve lijst van risicobeperkende maatregelen en de fasen en beginselen voor de locatiespecifieke risicobeoordeling aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (44). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
|
|
(79)
|
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om formaten of methoden vast te stellen voor het delen of verzamelen van bodemgezondheidsgegevens en voor de integratie van die gegevens in het digitale portaal voor bodemgezondheidsgegevens, en om het formaat, de structuur en de gedetailleerde regelingen vast te stellen voor de elektronische rapportage van gegevens en informatie aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (45).
|
|
(80)
|
Om de lidstaten te ondersteunen bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, moet de Commissie, in voorkomend geval in samenwerking met de lidstaten en andere belanghebbenden, documenten opstellen en wetenschappelijke instrumenten ontwikkelen, met inbegrip van mogelijke methoden en procedures die kunnen worden toegepast. Die documenten en wetenschappelijke instrumenten zouden de lidstaten tijdig essentiële informatie verschaffen, en tegelijkertijd de flexibiliteit waarborgen om voort te bouwen op reeds bestaande methoden en procedures. Die documenten en wetenschappelijke instrumenten moeten worden aangevuld met de nodige ondersteuning en capaciteitsopbouw. De Commissie moet de lidstaten de nodige capaciteitsopbouw en bijstand bieden en de multilaterale harmonisatie van methoden ondersteunen, en aldus bestaande gegevenslacunes en knelpunten in de workflow wegnemen door expertise te delen. Daartoe moet de Commissie voortbouwen op bestaande mechanismen op Unie- en internationaal niveau, waaronder het Soil BON-initiatief, het Global Soil Partnership, SOILveR, NICOLE, Eurosolan, de spiegelgroepen van de EU-missie “Een bodemdeal voor Europa”, en Eionet. De Commissie moet grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten ondersteunen om ervoor te zorgen dat een geharmoniseerde aanpak van bodemmonitoring wordt gevolgd en dat er een gelijk speelveld bestaat tussen naburige bodemdistricten.
|
|
(81)
|
Naast het opstellen van documenten en het ontwikkelen van wetenschappelijke instrumenten, moet de Commissie regelmatige uitwisselingen van informatie, ervaringen en beste praktijken tussen de lidstaten en, in voorkomend geval, andere belanghebbenden over de toepassing van deze richtlijn organiseren. Een dergelijke uitwisseling van informatie zou bovendien de gelegenheid kunnen bieden om te discussiëren over: communicatie van de resultaten van de bodemgezondheidsbeoordelingen aan het publiek; praktijken die de bodemveerkracht verbeteren; andere verontreiniging dan antropogene puntbronverontreiniging; toepassing van de verantwoordelijkheidshiërarchie waarin wordt bepaald welke partij(en) verantwoordelijk is (zijn) voor het beheer van verontreinigde locaties; het beheer van terreinen van onbekende eigenaren; bodemsaneringstechnieken voor verontreinigde locaties; identificatie en evaluatie van natuurlijke en antropogene achtergrondniveaus; benaderingen voor de identificatie van gebieden waar niet wordt voldaan aan de afzonderlijke criteria voor een gezonde bodemgesteldheid; praktijken voor kwaliteitsbeheersystemen voor laboratoria, en beginselen voor de mitigatie van ruimtebeslag.
|
|
(82)
|
Uiterlijk op 17 juni 2033 moet de Commissie op basis van de resultaten van de bodemgezondheidsbeoordelingen een empirisch onderbouwde evaluatie en, in voorkomend geval, een herziening van deze richtlijn uitvoeren. Bij die evaluatie moet met name worden nagegaan of er specifiekere eisen moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze richtlijn worden verwezenlijkt. Bij die evaluatie moet ook worden beoordeeld of de definitie van gezonde bodems moet worden aangepast aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang door bepalingen toe te voegen over bepaalde bodemdescriptoren of criteria voor een gezonde bodemgesteldheid op basis van nieuw wetenschappelijk bewijs met betrekking tot de bescherming van bodems of wegens een specifiek probleem in een lidstaat als gevolg van nieuwe milieu- of klimaatomstandigheden. Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet die evaluatie gebaseerd zijn op de criteria van doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde, en de basis vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties.
|
|
(83)
|
Gecoördineerde maatregelen van alle lidstaten zijn nodig om de visie te verwezenlijken dat alle bodems uiterlijk in 2050 gezond zijn en om de verlening van ecosysteemdiensten door bodems in heel de Unie op lange termijn veilig te stellen. Individuele acties van de lidstaten zijn ontoereikend gebleken, aangezien de aantasting van de bodems voortduurt en zelfs toeneemt. Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
|
|
(84)
|
Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (46) is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 11 december 2023 heeft hij een advies uitgebracht.
|
|
(85)
|
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (47) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,
|
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Gedaan te Brussel, 12 november 2025.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. BJERRE
|
|
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
|
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
|
|
HOOFDSTUK II MONITORING EN EVALUATIE VAN DE BODEMGEZONDHEID
|
HOOFDSTUK II MONITORING EN EVALUATIE VAN DE BODEMGEZONDHEID
|
|
HOOFDSTUK III BODEMVEERKRACHT
|
HOOFDSTUK III BODEMVEERKRACHT
|
|
HOOFDSTUK IV BEHEER VAN VERONTREINIGDE LOCATIES
|
HOOFDSTUK IV BEHEER VAN VERONTREINIGDE LOCATIES
|
|
HOOFDSTUK V FINANCIERING, RAPPORTAGE DOOR DE LIDSTATEN EN PUBLIEKSVOORLICHTING
|
HOOFDSTUK V FINANCIERING, RAPPORTAGE DOOR DE LIDSTATEN EN PUBLIEKSVOORLICHTING
|
|
HOOFDSTUK VI BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE
|
HOOFDSTUK VI BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE
|
|
HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
|
|
BIJLAGE I BODEMDESCRIPTOREN, CRITERIA VOOR EEN GEZONDE BODEMGESTELDHEID EN INDICATOREN VOOR BODEMAFDEKKING EN BODEMVERWIJDERING
|
BIJLAGE I
BODEMDESCRIPTOREN, CRITERIA VOOR EEN GEZONDE BODEMGESTELDHEID EN INDICATOREN VOOR BODEMAFDEKKING EN BODEMVERWIJDERING
Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:
|
1)
|
“natuurlijk landschap”: een gebied waar natuurlijke processen overheersen en het menselijk ingrijpen minimaal of onbestaande is, en waar de primaire ecologische functies en soortensamenstelling niet wezenlijk zijn gewijzigd;
|
|
2)
|
“nettoafdekking”: bodemafdekking minus ontharding;
|
|
3)
|
“woongebied”: een woongebied in de zin van de richtsnoeren van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen;
|
|
4)
|
“organische bodems”: organische bodems in de zin van de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen;
|
|
5)
|
“minerale bodems”: minerale bodems in de zin van de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen;
|
|
6)
|
“beheerde bodems”: bodems waarop bodembeheerpraktijken worden toegepast.
|
|
Aspect van bodemaantasting
|
Bodemdescriptor (1)
|
Criteria voor een gezonde bodemgesteldheid — niet-bindende duurzame streefwaarden (2)
|
Gebieden die zijn vrijgesteld van de voldoening aan het desbetreffende criterium
|
|
Deel A: bodemdescriptoren met op het niveau van de Unie vastgestelde criteria voor een gezonde bodemgesteldheid
|
|
Verzilting (3)
|
Elektrische geleidbaarheid (deci-Siemens per meter)
|
< 4 dS m – 1 bij gebruik van een methode om de elektrische geleidbaarheid (“EC”) van een extract (“e”) van een verzadigde bodempasta te meten, of een gelijkwaardig criterium indien een andere meetmethode wordt gebruikt
|
Gebieden die van nature ziltig zijn, gebieden met regelmatige overstromingen als gevolg van stijgend zee- of oceaanwater, en gebieden die onderhevig zijn aan zeestuifwater
|
|
Verlies van organische koolstof in de bodem (soil organic carbon — SOC)
|
SOC-concentratie (g per kg)
|
|
—
|
Voor organische bodems: de voor dergelijke bodems op nationaal niveau overeenkomstig artikel 4, leden 2 en 4, en artikel 11, lid 4, van Verordening (EU) 2024/1991 vastgestelde streefdoelen respecteren
|
|
Geen vrijstelling
|
|
—
|
Voor minerale bodems: SOC/klei-verhouding > 1/13 (d.w.z. de verhouding van het SOC-gehalte tot het gehalte aan klei (fractie met een diameter van minder dan 0,002 mm))
|
Van de lidstaten wordt verwacht dat zij corrigerende factoren toepassen op de verhouding wanneer specifieke bodemtypen of klimatologische omstandigheden dit rechtvaardigen, rekening houdend met het verband met de structurele stabiliteit
|
Niet-beheerde bodems in natuurlijke grondgebieden
|
|
Verdichting van de ondergrond
|
Bulkdichtheid in de ondergrond (g per cm3)
|
Bodemtextuur (4)
|
Bereik
|
Niet-beheerde bodems in natuurlijke grondgebieden en gebieden met natuurlijk verdichte bodems
|
|
Zand, lemig zand, zandleem, leem
|
< 1,80
|
|
Zanderige kleileem, leem, kleileem, silt, siltleem
|
< 1,75
|
|
Siltleem, siltige kleileem
|
< 1,65
|
|
Zanderige klei, siltige klei, kleileem met 35-45 % klei
|
< 1,58
|
|
Klei
|
< 1,47
|
|
De lidstaten kunnen verschillende textuurklassen of -waarden toepassen die overeenkomen met de niveaus die als problematisch voor de ontwikkeling van het wortelsysteem van planten worden beschouwd
|
|
Facultatief:
|
—
|
verzadigde waterdoorlatendheid — Ksat (cm per dag)
|
|
≥ 10 cm/dag (5)
De lidstaten kunnen deze waarde aanpassen aan hun plaatselijke bodemgesteldheid
≥ 5 % (6)
De lidstaten kunnen deze waarde aanpassen aan hun plaatselijke bodemgesteldheid
|
|
Deel B: bodemdescriptoren met op het niveau van de lidstaten vastgestelde criteria voor een gezonde bodemgesteldheid
|
|
Overschot aan nutriënten in de bodem
|
Extraheerbare fosfor (mg per kg)
|
< “maximumwaarde”
De lidstaten stellen hun eigen maximumwaarde vast, op een niveau dat geen schade voor de gezondheid van de mens en het milieu zou veroorzaken
|
Niet-beheerde bodems in natuurlijke grondgebieden
|
|
Bodemerosie
|
Bodemerosie
(ton per hectare per jaar)
|
< “maximumwaarde”
De lidstaten stellen hun eigen maximumwaarde vast, op een niveau dat geen schade voor de gezondheid van de mens en het milieu zou veroorzaken
|
Badland en natuurlijke grondgebieden, behalve indien ze een aanzienlijk rampenrisico inhouden
|
|
Bodemverontreiniging
|
|
—
|
concentratie van zware metalen in de bodem: As, Sb, Cd, Co, Cr (totaal), Cu, Hg, Pb, Ni, Tl, V, Zn (mg per kg)
|
|
—
|
concentratie van een aantal door de lidstaten vastgestelde organische verontreinigende stoffen, rekening houdend met de bestaande, in het recht van de Unie vastgestelde concentratiegrenzen, bijvoorbeeld voor waterkwaliteit en emissies in de lucht
|
|
Redelijke zekerheid, verkregen door puntbemonstering van de bodem, identificatie en onderzoek van mogelijk verontreinigde locaties en alle andere relevante informatie, dat er geen onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of het milieu bestaat als gevolg van bodemverontreiniging
Bij de risicobeoordeling wordt rekening gehouden met natuurlijke en antropogene achtergrondniveaus
Indien natuurlijke achtergrond de enige reden is die tot onaanvaardbare risico’s leidt, wordt de bodem in kwestie geacht aan de criteria voor gezonde bodems te voldoen, mits hij zodanig wordt beheerd dat er geen onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens bestaat
De in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen habitats met een natuurlijk hoge concentratie zware metalen blijven beschermd
|
Geen vrijstelling
|
|
Vermindering van de waterretentie en -infiltratie van de bodem
|
Waterretentie:
|
—
|
bodemvochthoudend vermogen van het bodemmonster (% water per totale bodem (volume of massa))
|
Waterinfiltratie:
|
—
|
verzadigde waterdoorlatendheid — Ksat (cm per dag)
|
|
De geraamde waarde voor het totale vochthoudend vermogen, de verzadigde waterdoorlatendheid en de luchtcapaciteit van een bodemeenheid ligt boven de minimumdrempel en kan ook per stroomgebied of deelstroomgebied worden beoordeeld, rekening houdend met de waterprocessen die zich op die schaal voordoen
De minimumdrempel wordt (in ton) door de lidstaat op de relevante schaal vastgesteld op een niveau waarbij de effecten van overstromingen na intense regenbuien of van perioden met een lage bodemvochtigheid als gevolg van droogte worden beperkt
|
Geen vrijstelling
|
|
Verlies van SOC
|
SOC-voorraden (tC ha
-1
)
Facultatief:
|
—
|
SOC-concentratie (g per kg)
|
|
Bijdragen aan de in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2018/841 bedoelde nationale streefcijfers voor nettobroeikasgasverwijderingen in de LULUCF-sector
> “minimumwaarde”
De lidstaten stellen de minimumwaarde vast per bodemtextuur
|
Geen vrijstelling
|
|
Deel C: bodemdescriptoren zonder criteria
|
|
Aspect van bodemaantasting
|
Bodemdescriptor
|
|
Overschot aan nutriënten in de bodem
|
Totaal stikstof in de bodem (mg g-1)
Verhouding SOC/stikstof
|
|
Verzuring
|
Zuurtegraad (pH) van de bodem
De lidstaten kunnen ook de facultatieve descriptor kiezen:
|
—
|
Basenverzadiging (d.w.z. (Ca + Mg + K)/effectief kationenuitwisselingsvermogen (cation exchange capacity — CEC))
|
|
|
Verdichting van de bovenste laag van de bodem
|
Bulkdichtheid in de bovengrond (A-horizont (7)) (g cm-3)
Facultatief
|
—
|
verzadigde waterdoorlatendheid (cm per dag)
|
|
|
Verlies van bodembiodiversiteit
|
DNA-metabarcodering voor schimmels en bacteriën
De lidstaten kunnen ook ten minste één optionele bodemdescriptor voor biodiversiteit kiezen, zoals:
|
—
|
metabarcodering van archaea, protisten en dieren;
|
|
—
|
fosfolipidevetzuuranalyse (PFLA);
|
|
—
|
abondantie en diversiteit van nematoden;
|
|
—
|
abondantie en diversiteit van regenwormen;
|
|
—
|
abondantie en diversiteit van springstaarten;
|
|
—
|
abondantie en diversiteit van inheemse mieren;
|
|
—
|
biologische bodemkwaliteit op basis van geleedpotigen (QBS-ar);
|
|
—
|
aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en plantenplagen;
|
|
—
|
basisademhaling van de bodem.
|
|
|
Bodemverontreiniging (8)
|
Concentraties van PFAS-21 (9) of concentraties van PFAS-43 (10) of van geselecteerde PFAS, door de lidstaten vastgesteld overeenkomstig artikel 7, lid 4
Concentraties van door de lidstaten overeenkomstig artikel 7, lid 4, vastgestelde werkzame stoffen in pesticiden en de metabolieten daarvan
Facultatief:
|
—
|
concentraties of aanwezigheid van andere opkomende bodemverontreinigende stoffen, vastgesteld door de lidstaten overeenkomstig artikel 7, lid 4
|
|
|
Deel D: indicatoren voor bodemafdekking en bodemverwijdering
|
|
Aspect van bodemaantasting
|
Indicatoren voor bodemafdekking en bodemverwijdering
|
|
Bodemafdekking en bodemverwijdering
|
Totale oppervlakte aan afgedekte bodems en gebieden waar bodemverwijdering heeft plaatsgevonden (km2 en % van de oppervlakte van de lidstaat)
Bodemafdekking en bodemverwijdering, ontharding en nettoafdekking (gemiddeld per jaar — in km2 en % van de oppervlakte van de lidstaat)
Totaal woongebied (in km2 en % van de oppervlakte van de lidstaat)
Verandering van landgebruik naar woongebied en omgekeerd (gemiddelde per jaar in km2 en % van de oppervlakte van de lidstaat)
De lidstaten kunnen ook andere gerelateerde optionele indicatoren meten, zoals:
|
—
|
recyclingpercentage land
|
|
—
|
ruimtebeslag voor commerciële activiteiten, logistieke knooppunten, hernieuwbare energie, luchthavens, wegen, mijnen
|
|
—
|
gevolgen van bodemafdekking en bodemverwijdering, zoals kwantificering van het verlies van ecosysteemdiensten, verandering in de intensiteit van overstromingen.
|
|
(1) De minimumcriteria voor de methode voor de in situ bemonstering van bodemdescriptoren zijn opgenomen in deel A van bijlage II, en nadere bijzonderheden moeten worden verstrekt overeenkomstig artikel 24.
(2) Nadere bijzonderheden over de methode voor de vaststelling van niet-bindende duurzame streefwaarden en operationele triggerwaarden voor bodemdescriptoren van de delen A en B en, indien mogelijk, deel C van bijlage I, moeten overeenkomstig artikel 24 worden verstrekt.
(3) Voor gebieden waar geen risico op verzilting bestaat, kan worden afgezien van de meting van de elektrische geleidbaarheid. Nadere bijzonderheden over de methode voor de beoordeling van gebieden waarvoor geen risico op verzilting bestaat, moeten worden verstrekt overeenkomstig artikel 24.
(4) Zoals gedefinieerd in IUSS Working Group WRB. 2022. World Reference Base for Soil Resources. International soil classification system for naming soils and creating legends for soil maps. 4e editie. International Union of Soil Sciences (IUSS), Wenen, Oostenrijk.
(5) Lebert, M., Böken, H., Glante, F. 2007. Soil compaction — indicators for the assessment of harmful changes to the soil in the context of the German Federal Soil Protection Act. Journal of Environmental Management 82(3): 388-397.
(6) Lebert, M., Böken, H., Glante, F. 2007. Soil compaction — indicators for the assessment of harmful changes to the soil in the context of the German Federal Soil Protection Act. Journal of Environmental Management 82(3): 388-397.
(7) Zoals gedefinieerd in hoofdstuk 5 van de FAO-richtsnoeren voor bodembeschrijving (https://www.fao.org/3/a0541e/a0541e.pdf).
(8) Mag op een beperkt aantal bemonsteringspunten worden gemeten.
(9) 6:2 FTS, PFBA, PFBS, PFDA, PFDoDA, PFDoDS, PFDS, PFHpA, PFHpS, PFHxA, PFHxS, PFNA, PFNS, PFOA, PFOS, PFPeA, PFPeS, PFTrDA, PFTrDS, PFUnDA, PFUnDS of andere 21 PFAS, afhankelijk van de beschikbaarheid in de laboratoria.
(10) PFOS, PFOA, PFHxS, PFNA, PFBS, PFPeS, PFHpS, PFNS, PFDS, PFUnDS, PFDoDS, PFTrDS, PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFDA, PFUnDA, PFDoDA, PFTrDA, PFTeDA, PFOSA, N-EtFOSA, N-MeFOSA, FOSAA, N-EtFOSAA, N-MeFOSAA, FHxSA, N-EtFHxSA, N-MeFHxSA, FHxSAA, N-EtFHxSAA, N-MeFHxSAA, FBSA, N-EtFBSA, N-MeFBSA, FBSAA, N-EtFBSAA, N-MeFBSAA, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 5:3 FTCA, 7:3 FTCA of andere 43 PFAS, afhankelijk van de beschikbaarheid in de laboratoria.
|
|
BIJLAGE II METHODEN
|
BIJLAGE II
METHODEN
Deel A: methode voor het bepalen van het aantal en de locatie van de bemonsteringspunten, en voor het bemonsteringsonderzoek
|
Activiteit
|
Minimumcriteria voor de methode
|
|
1.
|
Bepaling van bemonsteringspunten (bemonsteringsonderzoek) voor de bodemgezondheidsbeoordeling
|
|
Het bemonsteringsonderzoek wordt opgezet op basis van een volledig bemonsteringskader met de beste beschikbare informatie over de distributie van de bodemeigenschappen, zoals informatie die voortvloeit uit relevante metingen overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4
Het bemonsteringsschema is een gestratificeerde aselecte bemonstering die op basis van de beste beschikbare informatie over de variabiliteit van bodemdescriptoren is geoptimaliseerd, en de stratificering is gebaseerd op de overeenkomstig artikel 4, lid 2, vastgestelde bodemeenheden. Bemonsteringspunten die verband houden met de in artikel 9, lid 4, bedoelde metingen kunnen gedeeltelijk of geheel in het bemonsteringsschema in aanmerking worden genomen, ongeacht hun ontwerp
Het aantal en de locatie van de bemonsteringspunten vertegenwoordigen de variabiliteit van de gekozen bodemdescriptoren binnen de bodemeenheden met een maximaal foutenpercentage (of een maximale variatiecoëfficiënt) van 5 %
De toewijzing en de omvang van het monster worden bepaald onder toepassing van passende procedures (bv. het Bethel-algoritme; Bethel, 1989 (1)) die rekening kunnen houden met de vereiste maximale ramingsfout
Het bemonsteringsonderzoek dat door de lidstaten voor elke monitoringcyclus is opgezet, kan veranderen of ongewijzigd blijven
Nadere bijzonderheden over het bepalen van het aantal en de locatie van de bemonsteringspunten moeten worden verstrekt overeenkomstig artikel 24, lid 1, punt a)
|
|
2.
|
Veldbemonsteringsonderzoek
|
|
Er worden exacte bemonsteringsplaatsen bemonsterd, tenzij naar behoren gemotiveerde omstandigheden de bemonstering van de locaties verhinderen, zoals met water verzadigde bodem of een hoog gehalte aan gesteente
Wanneer samengestelde monsters van de bodem worden genomen, zijn deze een mengsel van ten minste vijf deelmonsters
Bij de bemonstering van de bodem in niet-beboste gebieden worden residuen en organisch afval van het oppervlak verwijderd
Bij de bemonstering van de bodem in bosgebieden wordt de bosvloer, indien relevant onderverdeeld in strooisel en organische laag, afzonderlijk bemonsterd en worden de dikte en het gewicht geregistreerd
Monsters of deelmonsters voor het samengestelde monster worden, waar mogelijk, genomen op een diepte van ten minste 30 cm grond. Informatie zoals bodemtype en — indien mogelijk — genetische bodemhorizon wordt geregistreerd. Deelmonsters worden gemengd om een homogeen samengesteld monster te verkrijgen. De bemonstering mag plaatsvinden op vaste diepte of op basis van horizon, maar de gegevens worden gerapporteerd op basis van een vaste diepte
Bulkdichtheidsmonsters zijn ongeroerde monsters die op de relevante diepte worden genomen, waaronder diepten van meer dan 30 cm in het geval van ondergrond. Monsters met betrekking tot bodemverdichting (verzadigde waterdoorlatendheid en luchtcapaciteit) kunnen dezelfde ongeroerde monsters zijn als die welke voor bulkdichtheid zijn genomen. Indien een hoog gehalte aan grove deeltjes in de bodem de bemonstering verhindert, kan voor die locatie worden afgezien van de meting van de bulkdichtheid
Nadere bijzonderheden over het veldbemonsteringsonderzoek worden verstrekt overeenkomstig artikel 24, lid 1, punt a), onder meer met betrekking tot de wijze waarop moet worden omgegaan met specifieke situaties zoals ondiepe bodems en verschillende bemonsteringsdiepten
|
Deel B: methoden voor het bepalen of ramen van de waarden van de bodemdescriptoren
Wanneer in onderstaande tabel een referentiemethode is opgenomen, moeten de volgende methoden worden gebruikt overeenkomstig artikel 9:
|
—
|
een methode die gelijkwaardig is aan de referentiemethode, of
|
|
—
|
een andere methode, mits deze in de wetenschappelijke literatuur of openbaar beschikbaar is en er een gevalideerde overdrachtsfunctie beschikbaar is.
|
Indien een CEN-methode beschikbaar is, verdient deze de voorkeur boven de referentiemethode. In dat geval wordt de oorspronkelijke referentiemethode beschouwd als zijnde een equivalente methode.
|
Bodemdescriptor
|
Referentiemethode
|
Minimale methodologische criteria
|
Gevalideerde overdrachtsfunctie vereist (indien gebruik wordt gemaakt van een andere methode dan de referentiemethode)?
|
|
Bodemtextuur (klei-, silt- en zandgehalte — nodig voor de bepaling van andere descriptoren en bijbehorende bereiken)
|
ISO 11277 Determination of particle size distribution in mineral soil material — Method by sieving and sedimentation (Bepaling van de deeltjesgrootteverdeling in minerale bodemmaterialen — Methode door zeven en sedimentering)
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Elektrische geleidbaarheid
|
Optie 1: ISO 11265 Determination of the specific electrical conductivity (bepaling van de specifieke elektrische geleidbaarheid)
Optie 2: het geleidingsvermogen van een extract van verzadigde bodempasta (ECe) (FAO SOP: GLOSOLAN-SOP-08 (2))
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Bodemerosie
|
|
Bij de raming van het percentage bodemerosie wordt rekening gehouden met alle maatregelen die zijn genomen om het erosierisico te beperken of te compenseren, met inbegrip van maatregelen om het erosierisico na brand te beperken
De raming van het percentage bodemerosie omvat alle relevante erosieprocessen zoals erosie door water, wind, de oogst en bodembewerking
Bodemerosie door water wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:
|
—
|
bodemkenmerken (bv. erosiebestendigheid, korstvorming en ruwheid van de bodem, steenachtigheid)
|
|
—
|
topografie (bv. hellingsgraad en -lengte)
|
|
—
|
klimaat (bv. erosiviteit van neerslag — intensiteit en duur)
|
|
—
|
vegetatiebedekking, soort gewas, landgebruik en beheerpraktijken om erosie te beheersen of te verminderen
|
|
—
|
beheerpraktijken (bv. bodembedekkers, beperkte grondbewerking, mulching enz.)
|
|
Niet van toepassing
|
|
|
|
Bodemerosie door wind wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:
|
—
|
bodemkenmerken (bv. erosiebestendigheid)
|
|
—
|
klimaat (bv. bodemvochtigheid, windsnelheid, verdamping)
|
|
—
|
vegetatie (bv. soort gewas)
|
|
—
|
beheerpraktijken om erosie te beheersen of te beperken (bv. windweringen)
|
Bodemerosie door beheerpraktijken zoals grondbewerking of de uitvoer van biomassa wordt kwantitatief beoordeeld op basis van een methode die beschikbaar is in de wetenschappelijke literatuur of publiek beschikbaar is
|
|
|
Organische koolstof in de bodem (soil organic carbon — SOC)
|
ISO 10694 Determination of organic and total carbon after dry combustion, ensuring all carbon is incinerated (bepaling van organisch en totaal koolstofgehalte na droge verassing, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle koolstof wordt verbrand)
SOC wordt berekend door het totale koolstofgehalte te bepalen en de als carbonaat aanwezige koolstof, die wordt bepaald overeenkomstig ISO 10693, daarvan af te trekken
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
SOC-voorraden
|
Methode zoals uiteengezet in bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 overeenkomstig de IPCC-richtsnoeren van 2006 voor nationale broeikasgasinventarissen
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Bulkdichtheid in de ondergrond
|
ISO 11272 for determination of dry bulk density (voor de bepaling van de droge bulkdichtheid)
Indien er een equivalente parameter wordt gekozen, moet een Europese of internationale norm worden gevolgd indien beschikbaar; als er geen Europese of internationale normen zijn, wordt een methode gevolgd uit de wetenschappelijke literatuur of een methode die openbaar beschikbaar is
|
De methode mag worden verfijnd afhankelijk van het aandeel grove deeltjes.
|
JA
|
|
Extraheerbare fosfor
|
Voorkeur: ISO 11263 for spectrometric determination of phosphorus soluble in sodium hydrogen carbonate solution (P-Olsen) (spectrometrische bepaling van in natriumwaterstofcarbonaatoplossing oplosbare fosfor)
Andere methoden mogen als alternatief worden gebruikt
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
—
|
concentratie van zware metalen in de bodem: As, Sb, Cd, Co, Cr (totaal), Cu, Hg, Pb, Ni, Tl, V, Zn;
|
|
—
|
concentraties van andere verontreinigende stoffen (met inbegrip van PFAS, pesticiden en metabolieten daarvan) die door de lidstaten zijn vastgesteld of geselecteerd.
|
|
Voor zware metalen:
ISO 54321: koningswater
Facultatief: biobeschikbare fracties verontreinigende stoffen, zoals ISO 17586 met behulp van verdund salpeterzuur
|
Voor verontreinigende stoffen die geen zware metalen zijn: gebruik Europese of internationale normen indien beschikbaar; als er geen Europese of internationale normen zijn, wordt een methode gevolgd uit de wetenschappelijke literatuur of een methode die openbaar beschikbaar is.
|
Voor zware metalen:
JA
Voor verontreinigende stoffen die geen zware metalen zijn: niet toepasselijk als er geen Europese of internationale normen zijn.
|
|
Bodemvochthoudend vermogen, luchtcapaciteit en verzadigde waterdoorlatendheid
|
Methode om de waarde voor één bemonsteringspunt te bepalen:
|
1)
|
Bodemvochthoudend vermogen en luchtcapaciteit:
|
Optie 1: LABORATORIUM: ISO 11274 for determination of the water-retention characteristic (bepaling van waterretentie-eigenschappen
Optie 2: RAMING: toepassing van pedotransferfuncties waarvoor inputvariabelen nodig zijn, zoals deeltjesgrootteverdeling, bulkdichtheid en concentratie organische koolstof in de bodem
|
Minimumcriteria voor de raming van het totale bodemvochthoudend vermogen, de luchtcapaciteit en de verzadigde waterdoorlatendheid van een bodemeenheid of op stroomgebied- of deelstroomgebiedschaal:
|
—
|
voor de oppervlakte van niet-afgedekte bodem of gebieden waar bodemverwijdering niet heeft plaatsgevonden, de totale waarde van het bodemvochthoudend vermogen, de luchtcapaciteit en de verzadigde waterdoorlatendheid ramen
|
|
—
|
overweeg, voor de oppervlakte van afgedekte en verwijderde bodems, het bodemvochthoudend vermogen, de luchtcapaciteit en de verzadigde waterdoorlatendheid van ondoordringbare gebieden op nul te zetten, waarbij tussenliggende waarden naar verhouding worden toegekend aan semi-ondoordringbare en andere kunstmatige gebieden
|
|
JA (voor de waarde op het bemonsteringspunt)
|
|
|
|
2)
|
Verzadigde waterdoorlatendheid:
|
Optie 1:
LABORATORIUM: ISO 17313: Determination of hydraulic conductivity of saturated porous materials (bepaling van de waterdoorlatendheid van verzadigde poreuze materialen)
Optie 2:
RAMING: toepassing van pedotransferfuncties waarvoor inputvariabelen nodig zijn, zoals deeltjesgrootteverdeling, bulkdichtheid en concentratie organische koolstof in de bodem
|
|
|
|
Stikstof in de bodem
|
Optie 1:
ISO 11261 for determination of total soil nitrogen using a modified Kjeldahl method (bepaling van het totaalgehalte aan bodemstikstof met behulp van een gewijzigde Kjeldahl-methode)
Optie 2:
ISO 13878 for determination of total nitrogen by dry combustion (bepaling van het totale gehalte aan stikstof door droge verbranding)
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Zuurtegraad van de bodem
|
ISO 10390 for determination of pH in H2O, KCl and CaCl2 extract (bepaling van de pH in H2O, KCl en CaCl2-extract)
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Basenverzadiging en uitwisselbare concentraties natrium, kalium, calcium en magnesium
|
ISO 11260 for determination of effective cation exchange capacity and base saturation level using BaCl2 (bepaling van de effectieve kationenomwisselingscapaciteit en het basenverzadigingsniveau met behulp van BaCl2)
|
Niet van toepassing
|
JA
|
|
Bulkdichtheid in de “bovengrond” (A-horizont (3))
|
ISO 11272 for determination of dry bulk density (voor de bepaling van de droge bulkdichtheid)
|
De methode mag worden verfijnd afhankelijk van het aandeel grove deeltjes.
|
JA
|
|
Bodemdescriptoren in verband met bodembiodiversiteit en biologische activiteit
|
|
Gebruik Europese of internationale normen indien beschikbaar; als er geen Europese of internationale normen zijn, wordt een methode gevolgd uit de wetenschappelijke literatuur of een methode die openbaar beschikbaar is.
|
Niet van toepassing
|
Deel C: minimale methodologische criteria voor de bepaling van de waarden van de indicatoren voor bodemafdekking en bodemverwijdering
Voor de indicatoren voor bodemafdekking en bodemverwijdering voldoen de gebruikte methoden aan de definities van artikel 3 en bijlage I. Bij die methoden wordt ten minste gebruikgemaakt van de Copernicus-diensten of, bij voorkeur, de beste beschikbare gegevens, met inbegrip van teledetectiebeelden, die worden aangevuld met relevante nationale inventarissen.
Voor de woongebiedindicator mogen de lidstaten gebruikmaken van gegevens die zijn verzameld op grond van Verordening (EU) 2018/841, mits dergelijke gegevens op bodemdistrictsniveau zijn gerapporteerd.
De gekozen methoden moeten uit de wetenschappelijke literatuur komen of openbaar beschikbaar zijn.
(1) Bethel, J. 1989. “Sample Allocation in Multivariate Surveys”. Survey Methodology 15: 47-57.
(2)
https://www.fao.org/3/cb3355en/cb3355en.pdf.
(3) Zoals gedefinieerd in hoofdstuk 5 van de FAO-richtsnoeren voor bodembeschrijving (https://www.fao.org/3/a0541e/a0541e.pdf).
|
|
BIJLAGE III PROGRAMMA’S, PLANNEN, STREEFDOELEN EN MAATREGELEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10
|
BIJLAGE III
PROGRAMMA’S, PLANNEN, STREEFDOELEN EN MAATREGELEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10
1)
De overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1991 opgestelde nationale herstelplannen.
2)
De strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115.
3)
De code van goede landbouwpraktijken en de overeenkomstig Richtlijn 91/676/EEG vastgestelde actieprogramma’s voor aangewezen kwetsbare zones.
4)
De instandhoudingsmaatregelen en het prioritaire actiekader die zijn vastgesteld voor Natura 2000-gebieden overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG.
5)
De maatregelen voor het bereiken van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand van oppervlaktewaterlichamen en een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen die zijn opgenomen in de overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen.
6)
De maatregelen voor overstromingsrisicobeheer die zijn opgenomen in de overeenkomstig Richtlijn 2007/60/EG opgestelde overstromingsrisicobeheerplannen.
7)
De droogtebeheerplannen van de EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering.
8)
De overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming opgestelde nationale actieprogramma’s.
9)
De nationale biodiversiteitsstrategieën en -actieplannen die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 6 van het Biodiversiteitsverdrag van de Verenigde Naties.
10)
De streefcijfers van Verordening (EU) 2018/841.
11)
De streefcijfers van Verordening (EU) 2018/842.
12)
De nationale programma’s ter beperking van de luchtverontreiniging die zijn opgesteld in het kader van Richtlijn (EU) 2016/2284 en de monitoringgegevens over de effecten van luchtverontreiniging op ecosystemen die in het kader van die richtlijn zijn gerapporteerd.
13)
Het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan dat is opgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999.
14)
De risicobeoordelingen en rampenrisicobeheersplanning die zijn vastgesteld overeenkomstig Besluit nr. 1313/2013/EU.
15)
De nationale actieplannen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2009/128/EG.
16)
De mitigatie- en risicobeperkende maatregelen die zijn bedoeld in de overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU uitgevoerde milieueffectbeoordelingen voor de plannen en projecten die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bodem.
|
|
BIJLAGE IV INDICATIEVE LIJST VAN RISICOBEPERKENDE MAATREGELEN
|
BIJLAGE IV
INDICATIEVE LIJST VAN RISICOBEPERKENDE MAATREGELEN
1)
Bodemsaneringstechnieken voor bodemsanering in situ of ex situ:
|
a)
|
Fysieke bodemsaneringstechnieken:
|
i)
|
dampextractie, luchtdoorleiding (“air sparging”);
|
|
ii)
|
warmtebehandeling, stoominjectie, thermische desorptie, verglazing;
|
|
iii)
|
wassen en doorspoelen van de bodem;
|
|
iv)
|
vloeibare-laagverwijdering.
|
|
|
b)
|
Biologische bodemsaneringstechnieken:
|
i)
|
stimulering van aerobe of anaerobe degradatie: bioremediatie, biostimulatie, bioaugmentatie, bioventing, biosparging;
|
|
ii)
|
fytoextractie, fytovolatilisatie, fytodegradatie;
|
|
iii)
|
compostering, bodemwijzigingen, landfarming en bioreactorsystemen;
|
|
iv)
|
biofiltratie, biobehandelingswetlands en biobedden;
|
|
v)
|
gemonitorde natuurlijke attenuatie.
|
|
|
c)
|
Chemische saneringstechnieken:
|
ii)
|
chemische reductie en redox-reacties;
|
|
iii)
|
grondwater pompen en behandelen;
|
|
iv)
|
saneringstechnieken om de overdracht van verontreinigende stoffen te beperken door isolatie, inperking en monitoring:
|
1)
|
bovenafdichting, reactieve barrières, inkapseling;
|
|
2)
|
chemische stabilisatie, indikking en immobilisatie;
|
|
3)
|
geohydrologische isolatie en inperking;
|
|
5)
|
controle en nazorg door middel van monitoringputten.
|
|
|
2)
Andere risicobeperkende maatregelen dan bodemsanering om de blootstelling te verminderen:
|
a)
|
Beperkingen van de teelt en consumptie van gewassen en groenten;
|
|
b)
|
Beperkingen van de consumptie van eieren;
|
|
c)
|
Beperkingen van de toegang van huisdieren of vee;
|
|
d)
|
Beperkingen van de winning of het gebruik van grondwater als drinkwater, voor persoonlijke hygiëne of voor industriële doeleinden;
|
|
e)
|
Beperkingen van sloopwerkzaamheden, ontharding of van bouwwerkzaamheden op de locatie (bv. constructieve maatregelen voor ventilatie, bekuiping enz.);
|
|
f)
|
Beperkingen van toegang tot de locatie (bv. via omheiningen) of tot de gebieden rondom de locatie;
|
|
g)
|
Beperkingen van het landgebruik of van veranderingen van het landgebruik;
|
|
h)
|
Beperkingen van boor- of (af)graafwerkzaamheden;
|
|
i)
|
Beperkingen ter vermijding van contact met bodem, stof of binnenlucht, en toepassing van voorzorgsmaatregelen om de menselijke gezondheid te beschermen (bv. ademhalingsapparatuur, handschoenen, natte reiniging enz.).
|
3)
Beste beschikbare technieken als bedoeld in Richtlijn 2010/75/EU.
4)
Door de bevoegde autoriteiten en industriële exploitanten overeenkomstig Richtlijn 2012/18/EU te nemen maatregelen na een zwaar ongeval.
|
|
BIJLAGE V FASEN EN BEGINSELEN VOOR DE LOCATIESPECIFIEKE RISICOBEOORDELING
|
BIJLAGE V
FASEN EN BEGINSELEN VOOR DE LOCATIESPECIFIEKE RISICOBEOORDELING
1.
Voor de karakterisering van de verontreiniging moet de aard van de op de locatie aanwezige verontreinigende stoffen (bv. zware metalen, organische verontreinigende stoffen enz.) worden geïdentificeerd en moeten de bron, concentratie, chemische vorm en distributie ervan in de bodem, het moedermateriaal en het grondwater worden bepaald. De aanwezigheid en concentratie van verontreinigende stoffen in de verschillende media wordt bepaald door middel van bemonstering en onderzoek ter plaatse en daarbuiten, indien een overdracht van verontreinigende stoffen wordt vermoed. Verontreinigende stoffen die verband houden met mogelijk verontreinigende activiteiten worden bemonsterd in de betrokken media op basis van de milieucontext en de fysisch-chemische eigenschappen van de verontreinigende stoffen die hun gedrag in het milieu beïnvloeden. Natuurlijke en antropogene achtergrondniveaus worden in aanmerking genomen.
2.
Voor de beoordeling van de blootstelling moet worden bepaald op welke manier de bodemverontreinigende stoffen de receptoren kunnen bereiken (de blootstellingsroute). Blootstellingsroutes kunnen onder meer inademing, inslikken, contact met de huid, opname door planten, en migratie naar het grondwater omvatten. De concentraties verontreinigende stoffen in de blootstellingsmedia worden gecombineerd met blootstellingsparameters (bv. frequentie en duur van de blootstelling, grondingestie enz.) en receptorkenmerken zoals leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand om de dagelijkse blootstellingsdosis te ramen. De onderlinge verbanden tussen bronnen, routes en receptoren worden samengevat in een grafische, schematisch en vereenvoudigde weergave (het “conceptuele locatiemodel”). De blootstelling mag worden beoordeeld door middel van een directe analyse op het punt van blootstelling of door modellering van de overdracht van een verontreinigende stof op het blootstellingsmedium.
3.
Bij de beoordeling van de toxiciteit of de gevaren worden de potentiële negatieve effecten van de verontreinigende stoffen op de menselijke gezondheid en het milieu geëvalueerd op basis van de dosis en de duur van de blootstelling. Bij de beoordeling van de toxiciteit of de gevaren wordt rekening gehouden met de inherente toxiciteit van de verontreinigende stoffen en de gevoeligheid van verschillende blootgestelde receptoren (mensen en ecosystemen), zoals dieren, micro-organismen, planten, kinderen, zwangere vrouwen, ouderen enz. De toxicologische informatie wordt gebruikt om de referentiedoses of -concentraties te ramen die worden gebruikt voor de karakterisering van het risico.
4.
Risicokarakterisering vereist dat de informatie van de vorige stappen wordt geïntegreerd om de omvang en waarschijnlijkheid van schadelijke effecten van de verontreinigde locatie op de menselijke gezondheid en het milieu, ook als gevolg van de migratie van de verontreiniging naar andere milieumedia, te ramen. De risicokarakterisering helpt bij de beoordeling en prioritering van risicobeperkende maatregelen en saneringsmaatregelen, en helpt om ervoor te zorgen dat de gesteldheid van de bodem verenigbaar is met het huidige en geplande landgebruik. Het kan ook helpen om bodemsanerings- of beheerdoelstellingen voor een locatie vast te stellen, bijvoorbeeld om maximaal aanvaardbare grenswaarden of locatiespecifieke risicogebaseerde screeningwaarden te bereiken. Risicobeoordeling gaat gepaard met een groot aantal hypothesen en onzekerheden. Het is daarom van essentieel belang de hypothesen en onzekerheden te evalueren om volledig inzicht te krijgen in het belang van de verkregen resultaten en om goed onderbouwde beslissingen te nemen.
|
|
BIJLAGE VI REGISTER VAN MOGELIJK VERONTREINIGDE LOCATIES EN VERONTREINIGDE LOCATIES
|
BIJLAGE VI
REGISTER VAN MOGELIJK VERONTREINIGDE LOCATIES EN VERONTREINIGDE LOCATIES
Het ontwerp en de presentatie van de gegevens in het register moeten het publiek in staat stellen de voortgang bij het identificeren en het onderzoeken van mogelijk verontreinigde locaties en het beheer van verontreinigde locaties te volgen. Het register moet voor de bekende mogelijk verontreinigde locaties, verontreinigde locaties, verontreinigde locaties die verdere actie vereisen en verontreinigde locaties waar maatregelen zijn of worden genomen de volgende (locatiespecifieke) informatie bevatten en ter inzage beschikbaar maken:
|
a)
|
de coördinaten, adressen of kadastrale percelen van de locatie overeenkomstig de Richtlijnen (EU) 2019/1024 en 2007/2/EG;
|
|
b)
|
het jaar van opneming in het register;
|
|
c)
|
vroegere of huidige activiteiten op de locatie waarbij (mogelijk) verontreiniging optreedt of is opgetreden;
|
|
d)
|
de beheerstatus van de locatie;
|
|
e)
|
conclusies met betrekking tot de aan- of afwezigheid, het type en de risico’s van de verontreiniging (of restverontreiniging na bodemsanering) indien daarover reeds informatie beschikbaar is op basis van het bodemonderzoek en de locatiespecifieke risicobeoordeling als bedoeld in de artikelen 15 en 16;
|
|
f)
|
vereiste vervolgacties en beheerstappen zoals bedoeld in de artikelen 15 en 16.
|
Het register kan eventueel ook voor de bekende mogelijk verontreinigde locaties, verontreinigde locaties, verontreinigde locaties die verdere actie vereisen en verontreinigde locaties waar maatregelen zijn of worden genomen, de volgende informatie bevatten, indien beschikbaar:
|
a)
|
informatie over voor de locatie afgegeven milieuvergunningen, met inbegrip van het jaar waarin de activiteit is gestart en is beëindigd;
|
|
b)
|
huidig en gepland landgebruik;
|
|
c)
|
resultaten van bodemonderzoek en bodemsaneringsverslagen, zoals concentraties en contouren van de verontreiniging, het conceptuele locatiemodel, de risicobeoordelingsmethode, de gebruikte of geplande technieken, de doeltreffendheid en kostenramingen van risicobeperkende maatregelen;
|
|
d)
|
tijdschema van vervolgacties en beheerstappen.
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|