11. Voor elke monitoringcyclus slaan de lidstaten voor ten minste twee monitoringcycli een representatieve subset van bodemmonsters op in speciale bodemarchieven. De lidstaten kunnen besluiten om geen bodemmonsters uit hun ultraperifere gebieden op te slaan.
Wanneer de lidstaten bodemmonsters opslaan in hun speciale bodemarchieven, stellen zij de voorwaarden vast voor de toegang tot en het gebruik van die bodemmonsters.
Wanneer de lidstaten besluiten om een representatieve subset van hun bodemmonsters over te dragen naar het speciale bodemarchief van de Commissie, zorgt de Commissie voor die overdracht. De lidstaten en de Commissie stellen de praktische regelingen vast voor de verzending van deze bodemmonsters en de voorwaarden voor de toegang tot en het gebruik ervan. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de resultaten van verdere controles van relevante parameters of toekomstige analyses van nieuwe parameters. De Commissie slaat de bodemmonsters op overeenkomstig haar archiveringsprotocol.