|
50.Bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat zij financiële en niet-financiële sleutelindicatoren regelmatig monitoren om zicht te houden op veranderingen in de financiële en operationele omstandigheden en de risicoprofielen van instellingen. Wanneer uit de monitoring een wezenlijke verandering in het risicoprofiel van een instelling of afwijkingen in de indicatoren naar voren komen, onderzoeken bevoegde autoriteiten de oorzaken daarvan en herzien ze waar relevant de beoordeling van het desbetreffende SREP-element, inclusief de risicoscore, waar relevant, om de nieuwe informatie vast te leggen. De bevoegde autoriteiten moeten hun monitoringindicatoren en -instrumenten regelmatig evalueren en, waar nodig, actualiseren om ervoor te zorgen dat deze relevant en doeltreffend blijven. 51.In overeenstemming met het SREP-engagementmodel in hoofdstuk 2.4 dienen de bevoegde autoriteiten voor alle instellingen ten minste elk kwartaal toezicht te houden op de belangrijkste financiële en niet-financiële indicatoren en, afhankelijk van de beschikbaarheid van gegevens (bijvoorbeeld marktgegevens), vaker toezicht uit te oefenen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van een instelling of met opkomende risico’s en trends. 52.De bevoegde autoriteiten dienen monitoringsystemen op te zetten om patronen, wezenlijke veranderingen en afwijkingen in het gedrag van de indicatoren (of combinaties van indicatoren) te signaleren, bijvoorbeeld door waarschuwingen in te stellen op basis van materialiteitsdrempels. De bevoegde autoriteiten moeten escalatieprocedures vaststellen om afwijkingen aan te pakken. Bevoegde autoriteiten beschouwen de constatering van wezenlijke veranderingen of afwijkingen in indicatoren, vooral wanneer veranderingen sterk afwijken van de ontwikkeling in vergelijkbare groepen, als een aanleiding voor nader onderzoek. 53.Bevoegde autoriteiten stemmen de monitoringsystemen en de escalatieprocedures in geval van anomalieën af op de omvang, de complexiteit, het bedrijfsmodel en het risicoprofiel van de instelling, met bijzondere aandacht voor de geografische gebieden, sectoren en markten waar de instelling actief is. 54.De monitoringsystemen moeten ten minste gebaseerd zijn op informatie en gegevens die aan de bevoegde autoriteiten worden gerapporteerd, en kunnen de EBA-dashboards of -indicatoren omvatten. De monitoringsystemen moeten ten minste de volgende instellingsspecifieke indicatoren bevatten: - a. indicatoren met betrekking tot de analyse van het bedrijfsmodel van de instelling (zie titel 4), interne governance en interne risicobeheersing (zie titel 5), kapitaalrisico’s (zie titel 6) en liquiditeits- en financieringsrisico’s (zie titel 8); indicatoren voor het risico van buitensporige hefboomwerking (zie titel 7) en indicatoren die worden afgeleid uit de toepassing van Verordening (EU) 2022/2554;
- b. alle verhoudingscijfers die worden afgeleid uit de toepassing van Verordening (EU) 575/2013 en uit de nationale wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 2013/36/EU, voor de berekening van de minimale prudentiële vereisten (bijv. core tier 1 (CET1), liquiditeitsdekkingsvereiste (LCR), nettostabielefinancieringsratio (NSFR), hefboomratio);
- c. de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL), zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/59/EU;
- d. relevante marktindicatoren (bijv. aandelenkoers, credit default swap (CDS) spreads, obligatiespreads);
- e. indien van toepassing15 , en met name in het geval van idiosyncratische of systemische gebeurtenissen, herstelindicatoren die worden gebruikt in de eigen herstelplannen van de instelling;
- f. voor zover beschikbaar, indicatoren op basis van kwantitatieve of kwalitatieve informatie uit rapportages die worden verstrekt aan bevoegde autoriteiten, die kunnen wijzen op ML/TF-risico.
55.Bevoegde autoriteiten vullen instellingsspecifieke indicatoren voor zover beschikbaar aan met relevante macro-economische indicatoren voor de geografische gebieden, sectoren en markten waar de instelling actief is. Zij moeten ook rekening houden met relevant onafhankelijk marktonderzoek en -analyse, met inbegrip van dreigingslandschapsrapporten, voor zover deze beschikbaar zijn, als informatieve bron van alternatieve standpunten.
15 Indien er geen vrijstelling is verleend in het kader van vereenvoudigde verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).
|