+Artikel 72 sexies 4.
|
Artikel 72 sexies 4.
Wanneer een EU-moederinstelling of een moederinstelling in een lidstaat die onder artikel 92 bis valt, direct, indirect of synthetisch eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten aanhoudt van één of meer dochterondernemingen die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren als die moederinstelling, kan de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling, na terdege rekening te hebben gehouden met het advies van de afwikkelingsautoriteiten of van betrokken autoriteiten van derde landen van betrokken dochterondernemingen, de moederinstelling toestaan om die aangehouden instrumenten af te trekken door een door de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling bepaald lager bedrag af te trekken. Dat aangepaste bedrag is ten minste gelijk aan het bedrag (m), berekend als volgt:
mi = max{0; OPi + LPi – max{0; β · [Oi + Li – max{ri · aRWAi; wi · aLREi}]}}
waarbij:
|
i
|
=
|
de index die de dochteronderneming aangeeft;
|
|
OPi
|
=
|
het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden eigenvermogensinstrumenten;
|
|
LPi
|
=
|
het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten;
|
|
β
|
=
|
percentage van door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederonderneming aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten, berekend als volgt:
|
|
Oi
|
=
|
het bedrag aan eigen vermogen van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;
|
|
Li
|
=
|
het bedrag aan in aanmerking komende passiva van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;
|
|
ri
|
=
|
de ratio die op dochteronderneming i van toepassing is op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening en artikel 45 quater, lid 3, eerste alinea, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU of, in het geval van dochterondernemingen uit derde landen, een gelijkwaardig afwikkelingsvereiste dat op dochteronderneming i van toepassing is in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als eigen vermogen of in aanmerking komende passiva zouden worden beschouwd;
|
|
aRWAi
|
=
|
het totaal van de risicoposten van de MSI-entiteit i, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, rekening houdende met de aanpassingen van artikel 12 bis, of, voor dochterondernemingen uit derde landen, overeenkomstig de toepasselijke lokale regelgeving;
|
|
wi
|
=
|
de ratio die op dochteronderneming i van toepassing is op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt b), van deze verordening en artikel 45 quater, lid 3, eerste alinea, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU of, in het geval van dochterondernemingen uit derde landen, een gelijkwaardig afwikkelingsvereiste dat op dochteronderneming i van toepassing is in het derde land waar zij haar hoofdkantoor heeft, voor zover aan dat vereiste wordt voldaan met instrumenten die op grond van deze verordening als eigen vermogen of in aanmerking komende passiva zouden worden beschouwd;
|
|
aLREi
|
=
|
de maatstaf van totale blootstelling van de MSI-entiteit i berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4, of, voor dochterondernemingen uit derde landen, overeenkomstig de toepasselijke lokale regelgeving.
|
Indien de moederinstelling het aangepaste bedrag overeenkomstig de eerste alinea mag aftrekken, wordt het verschil tussen het in de eerste alinea bedoelde bedrag aan aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten en dat aangepaste bedrag door de dochteronderneming afgetrokken.
1. Overzicht
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|