+BIJLAGE II

BIJLAGE II




BIJLAGE II

INSTRUCTIES VOOR RAPPORTAGE INZAKE EIGEN VERMOGEN EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Inhoudsopgave

DEEL I: ALGEMENE INSTRUCTIES

1.

STRUCTUUR EN CONVENTIES

1.1.

STRUCTUUR

1.2.

GEBRUIK VAN NUMMERING

1.3.

TEKENCONVENTIE

DEEL II: INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

1.

KAPITAALTOEREIKENDHEIDSOVERZICHT („CA”)

1.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

1.2.

C 01.00 – EIGEN VERMOGEN (CA1)

1.2.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

1.3.

C 02.00 – EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CA2)

1.3.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

1.4

C 03.00 – KAPITAALRATIO’S EN KAPITAALNIVEAUS (CA3)

1.4.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

1.5.

C 04.00 – PRO-MEMORIEPOSTEN (CA4)

1.5.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

1.6

OVERGANGSBEPALINGEN EN INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN (CA5)

1.6.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

1.6.2

C 05.01 – OVERGANGSBEPALINGEN (CA5.1)

1.6.2.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

1.6.3

C 05.02 – INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN (CA5.2)

1.6.3.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

2.

GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS)

2.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

2.2.

GEDETAILLEERDE SOLVABILITEITSGEGEVENS OVER DE GROEP

2.3.

INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN AFZONDERLIJKE ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT

2.4.

C 06.01 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN – TOTAAL (GS TOTAL)

2.5.

C 06.02 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS)

3.

TEMPLATES VOOR KREDIETRISICO

3.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.1.1

RAPPORTAGE VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT

3.1.2

RAPPORTAGE VAN TEGENPARTIJKREDIETRISICO

3.2.

C 07.00 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: STANDAARDBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR SA)

3.2.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.2.2

REIKWIJDTE VAN DE CR SA-TEMPLATE

3.2.3

TOEWIJZING VAN BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING

3.2.4

TOELICHTING BIJ DE REIKWIJDTE VAN ENKELE SPECIFIEKE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN WAARVAN SPRAKE IN ARTIKEL 112 VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

3.2.4.1

DE BLOOTSTELLINGSCATEGORIE „INSTELLINGEN”

3.2.4.2

DE BLOOTSTELLINGSCATEGORIE „GEDEKTE OBLIGATIES”

3.2.4.3

DE BLOOTSTELLINGSCATEGORIE „INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING”

3.2.5

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.

KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CR IRB)

3.3.1

REIKWIJDTE VAN DE CR IRB-TEMPLATE

3.3.2

UITSPLITSING VAN DE CR IRB-TEMPLATE

3.3.3

C 08.01 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR IRB 1)

3.3.3.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.4

C 08.02 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING KAPITAALVEREISTEN: UITSPLITSING NAAR DEBITEURENKLASSE OF -GROEP (CR IRB 2)

3.3.1.

C 08.03 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (UITSPLITSING NAAR PD-BANDBREEDTEN (CR IRB 3))

3.3.1.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.3.1.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.2.

C 08.04 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (RWEA-STROOMOVERZICHTEN (CR IRB 4))

3.3.2.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.3.2.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.3.

C 08.05 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (BACK-TESTING VAN DE PD (CR IRB 5))

3.3.3.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.3.3.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.4.

C 08.05.1 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN: BACK-TESTING VAN PD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 180, LID 1, PUNT F), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 (CR IRB 5B)

3.3.4.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.5.

C 08.06 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (SLOTTINGBENADERING VAN GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING (CR IRB 6))

3.3.5.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.3.5.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.3.6.

C 08.07 – KREDIETRISICO EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (REIKWIJDTE VAN HET GEBRUIK VAN DE INTERNERATING- EN DE STANDAARDBENADERING (CR IRB 7))

3.3.6.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.3.6.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.4.

KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INFORMATIE MET GEOGRAFISCHE UITSPLITSING

3.4.1

C 09.01 – GEOGRAFISCHE UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR VESTIGINGSPLAATS VAN DE DEBITEUR: BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING (CR GB 1)

3.4.1.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.4.2

C 09.02 – GEOGRAFISCHE UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR VESTIGINGSPLAATS VAN DE DEBITEUR: BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE INTERNERATINGBENADERING (CR GB 2)

3.4.2.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.4.3

C 09.04 – UITSPLITSING VAN BETROKKEN KREDIETBLOOTSTELLINGEN TEN BEHOEVE VAN DE BEREKENING VAN DE CONTRACYCLISCHE BUFFER PER LAND EN HET INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE BUFFERPERCENTAGE (CCB)

3.4.3.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.4.3.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.5.

C 10.01 EN C 10.02 – BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN IN HET KADER VAN DE INTERNERATINGBENADERING (CR EQU IRB 1 EN CR EQU IRB 2)

3.5.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.5.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES (GELDEND VOOR ZOWEL CR EQU IRB 1 ALS CR EQU IRB 2)

3.6.

C 11.00 – AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO (CR SETT)

3.6.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.6.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.7.

C 13.01 – KREDIETRISICO – SECURITISATIES (CR SEC)

3.7.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.7.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.8.

NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC DETAILS)

3.8.1

REIKWIJDTE VAN DE SEC DETAILS-TEMPLATE

3.8.2

UITSPLITSING VAN DE SEC DETAILS-TEMPLATE

3.8.3

C 14.00 – NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC DETAILS)

3.8.4

C 14.01 – NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC DETAILS 2)

3.9.

TEGENPARTIJKREDIETRISICO

3.9.1.

REIKWIJDTE VAN DE TEMPLATES VOOR TEGENPARTIJKREDIETRISICO

3.9.2.

C 34.01 – OMVANG VAN DE DERIVATENACTIVITEITEN

3.9.2.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.2.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.3.

C 34.02 – CCR-BLOOTSTELLINGEN PER BENADERING

3.9.3.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.3.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.4.

C 34.03 – MET STANDAARDBENADERINGEN BEHANDELDE CCR-BLOOTSTELLINGEN: SA-CCR EN VEREENVOUDIGDE SA-CCR

3.9.4.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.4.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.5.

C 34.04 – VOLGENS DE OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (OEM) BEHANDELDE CCR-BLOOTSTELLINGEN

3.9.5.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.6.

C 34.05 – VOLGENS DE INTERNEMODELLENMETHODE (IMM) BEHANDELDE CCR-BLOOTSTELLINGEN

3.9.6.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.7.

C 34.06 – TOP TWINTIG TEGENPARTIJEN

3.9.7.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.7.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.8.

C 34.07 – INTERNERATINGBENADERING – CCR-BLOOTSTELLINGEN NAAR BLOOTSTELLINGSCATEGORIE EN PD-SCHAAL

3.9.8.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.8.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.9.

C 34.08 – SAMENSTELLING VAN ZEKERHEDEN VOOR CCR-BLOOTSTELLINGEN

3.9.9.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.9.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.10.

C 34.09 – BLOOTSTELLINGEN IN KREDIETDERIVATEN

3.9.10.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.11.

C 34.10 – BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT CTP’S

3.9.11.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.11.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

3.9.12.

C 34.11 – STROOMOVERZICHTEN VAN RISICOGEWOGEN POSTEN (RWEA) VAN CCR-BLOOTSTELLINGEN IN HET KADER VAN DE IMM

3.9.12.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

3.9.12.2.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

4.

TEMPLATES VOOR OPERATIONEEL RISICO

4.1

C 16.00 – OPERATIONEEL RISICO (OPR)

4.1.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

4.1.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

4.2.

OPERATIONEEL RISICO: NADERE INFORMATIE OVER VERLIEZEN IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS)

4.2.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

4.2.2

C 17.01: OPERATIONELE RISICOVERLIEZEN EN GOEDGEMAAKTE VERLIEZEN PER BEDRIJFSONDERDEEL EN SOORT VERLIESGEBEURTENIS IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS 1)

4.2.2.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

4.2.2.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

4.2.3

C 17.02: OPERATIONEEL RISICO: NADERE INFORMATIE OVER DE GROOTSTE VERLIESGEBEURTENISSEN IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS 2)

4.2.3.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

4.2.3.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.

TEMPLATES VOOR MARKTRISICO

5.1.

C 18.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VAN POSITIERISICO’S IN VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (MKR SA TDI)

5.1.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.1.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.2.

C 19.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO IN SECURITISATIES (MKR SA SEC)

5.2.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.2.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.3.

C 20.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO VOOR AAN DE CORRELATIEHANDELSPORTEFEUILLE TOEGEWEZEN POSITIES (MKR SA CTP)

5.3.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.3.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.4.

C 21.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR POSITIERISICO IN AANDELEN (MKR SA EQU)

5.4.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.4.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.5.

C 22.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR VALUTARISICO (MKR SA FX)

5.5.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.5.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.6.

C 23.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR GRONDSTOFFEN (MKR SA COM)

5.6.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.6.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.7.

C 24.00 – INTERNE MODELLEN VOOR MARKTRISICO (MKR IM)

5.7.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

5.7.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

5.8.

C 25.00 – RISICO VAN AANPASSING VAN KREDIETWAARDERING (CVA)

5.8.1

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

6.

PRUDENTE WAARDERING (PRUVAL)

6.1.

C 32.01 – PRUDENTE WAARDERING: TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN (PRUVAL 1)

6.1.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

6.1.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

6.2.

C 32.02 – PRUDENTE WAARDERING: KERNBENADERING (PRUVAL 2)

6.2.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

6.2.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

6.3.

C 32.03 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET MODELRISICO (PRUVAL 3)

6.3.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

6.3.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

6.4

C 32.04 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES (PRUVAL 4)

6.4.1

ALGEMENE OPMERKINGEN

6.4.2

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

7.

C 33.00 – BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN (GOV)

7.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

7.2.

REIKWIJDTE VAN DE TEMPLATE BETREFFENDE BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT „ALGEMENE OVERHEDEN”

7.3.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

8.

NPE-VERLIESDEKKING (NPE LC)

8.1.

ALGEMENE OPMERKINGEN

8.2.

C 35.01 – BEREKENING VAN AFTREKKINGEN VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE LC1)

8.2.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

8.3.

C 35.02 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN MET UITSLUITING VAN RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC2)

8.3.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

8.4.

C 35.03 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC3)

8.4.1.

INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES

DEEL I: ALGEMENE INSTRUCTIES

1.   STRUCTUUR EN CONVENTIES

1.1.   STRUCTUUR

1. Het kader bestrijkt in totaal zes onderwerpen:

a) 

kapitaaltoereikendheid, overzicht van de kapitaalbasis; totaal van de risicoposten; prudente waardering; verliesdekking voor niet-renderende blootstellingen (NPE);

b) 

groepssolvabiliteit, een overzicht van de mate waarin alle afzonderlijke entiteiten binnen de consolidatiekring van de rapporterende entiteit aan de solvabiliteitsvereisten voldoen;

c) 

kredietrisico (met inbegrip van tegenpartij-, verwaterings- en afwikkelingsrisico);

d) 

marktrisico (met inbegrip van positierisico in de handelsportefeuille, valutarisico, grondstoffenrisico en CVA-risico);

e) 

operationeel risico;

f) 

blootstellingen met betrekking tot algemene overheden.

2. Voor elke template zijn verwijzingen naar wetgeving opgenomen. Nadere informatie over meer algemene aspecten van de rapportage voor elk blok templates, instructies voor specifieke posities, alsmede validatievoorschriften zijn te vinden in dit deel van deze uitvoeringsverordening.

3. De instellingen hoeven alleen de relevante templates in te vullen, afhankelijk van de benadering die zij volgen voor het bepalen van eigenvermogensvereisten.

1.2.   GEBRUIK VAN NUMMERING

4. Het document volgt de in de punten 5 tot en met 8 beschreven conventies voor verwijzingen naar de kolommen, rijen en cellen van de templates. Van die numerieke codes wordt uitgebreid gebruikgemaakt in de validatievoorschriften.

5. In de instructies wordt de volgende algemene notatie gehanteerd: {Template; Rij; Kolom}.

6. In het geval van validaties binnen een template, waarbij alleen datapunten van die template worden gebruikt, verwijzen de notaties niet naar een template: {Rij; Kolom}.

7. In het geval van templates die uit slechts één kolom bestaan, wordt uitsluitend naar rijen verwezen: {Template; Rij}.

8. Een asterisk geeft aan dat de validatie geldt voor de gehele rij of kolom.

1.3.   TEKENCONVENTIE

9. Bedragen die tot een hoger eigen vermogen of tot hogere kapitaalvereisten leiden, worden als positieve waarde gerapporteerd. Bedragen die tot een lager totaal aan eigen vermogen of tot lagere kapitaalvereisten leiden, worden dan weer als negatieve waarde gerapporteerd. Indien er een minteken (-) voor het label van een post staat, wordt er voor die post geen positieve waarde verwacht.

10. [leeg]

DEEL II: INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

1.   KAPITAALTOEREIKENDHEIDSOVERZICHT („CA”)

1.1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

11. De CA-templates bevatten informatie over tellers onder Pijler 1 (eigen vermogen, tier 1, tier 1-kernkapitaal), noemer (eigenvermogensvereisten) en de toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU. Dit betreft in totaal vijf templates:

a) 

template CA1 bevat het bedrag aan eigen vermogen van de instellingen, opgesplitst in de posten die nodig zijn om dat bedrag te verkrijgen. Het aldus verkregen bedrag aan eigen vermogen omvat het totale effect van de toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU voor elk soort kapitaal;

b) 

Template CA2 geeft een overzicht van het totaal van de risicoposten in de zin van artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) 

template CA3 bevat de ratio’s waarvoor in Verordening (EU) nr. 575/2013 een minimumniveau voor Pijler 2-ratio’s is vastgesteld, alsmede enkele andere daarmee samenhangende gegevens;

d) 

template CA4 bevat pro-memorieposten die onder meer nodig zijn voor de berekening van posten in CA1, alsmede informatie ten aanzien van de kapitaalbuffers uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU;

e) 

template CA5 bevat de gegevens die nodig zijn voor de berekening van het effect van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 op het eigen vermogen. CA5 vervalt zodra die overgangsbepalingen niet langer van kracht zijn.

12. De templates moeten worden gebruikt door alle rapporterende entiteiten, ongeacht de gehanteerde standaarden voor jaarrekeningen, al is het zo dat bepaalde posten in de teller specifiek gelden voor entiteiten die de waarderingsregels van het IAS/IFRS-type hanteren. In de regel is de informatie in de noemer gekoppeld aan de uiteindelijke resultaten zoals die worden gerapporteerd in de desbetreffende templates voor de berekening van het totaal van de risicoposten.

13. Het totaal van het eigen vermogen bestaat uit verschillende soorten kapitaal: tier 1-kapitaal (T1), zijnde de som van tier 1-kernkapitaal (CET1) en aanvullend tier 1-kapitaal (AT1), alsmede tier 2-kapitaal (T2).

14. De toepassing van overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU wordt in de CA-templates als volgt behandeld:

a) 

De posten in CA1 zijn doorgaans exclusief overgangsaanpassingen. Dat betekent dat de cijfers in CA1-posten zijn berekend overeenkomstig de definitieve bepalingen (d.w.z. als ware er geen sprake van overgangsbepalingen), met uitzondering van posten die een overzicht bieden van het effect van die overgangsbepalingen. Voor elk soort kapitaal (d.w.z. tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal) zijn er drie verschillende posten die alle uit die overgangsbepalingen voortvloeiende correcties omvatten.

b) 

Overgangsbepalingen kunnen ook gevolgen hebben voor het tekort aan aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal (d.w.z. het af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal overschrijdt, zoals bepaald in, respectievelijk, artikel 36, lid 1, punt j), en artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013); derhalve kan het effect van die overgangsbepalingen indirect tot uiting komen in de posten waarin die tekorten zijn vervat.

c) 

Template CA5 wordt uitsluitend gebruikt voor de rapportage van het effect van de toepassing van de overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013.

15. De behandeling van Pijler II-vereisten kan uiteenlopen binnen de Unie (artikel 104 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU moet in nationale wet- en regelgeving worden omgezet). In de solvabiliteitsrapportage onder Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt uitsluitend het effect van de Pijler II-vereisten op de solvabiliteitsratio of de beoogde ratio opgenomen.

a) 

De templates CA1, CA2 en CA5 bevatten uitsluitend gegevens over kwesties die verband houden met Pijler I.

b) 

Template CA3 bevat het effect van aanvullende Pijler II-vereisten op de solvabiliteitsratio op geaggregeerde basis. Deze betreft hoofdzakelijk de beoogde ratio’s zelf. Er is geen verder verband met de templates CA1, CA2 of CA5.

c) 

Template CA4 bevat één cel die betrekking heeft op additionele eigenvermogensvereisten met betrekking tot Pijler II. Die cel is niet via validatievoorschriften gekoppeld aan de kapitaalratio’s van template CA3 en weerspiegelt artikel 104, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, waarin additionele eigenvermogensvereisten expliciet als één van de mogelijkheden voor Pijler II-besluiten worden genoemd.

1.2.   C 01.00 – EIGEN VERMOGEN (CA1)

1.2.1   Instructies voor specifieke posities



Rij

Verwijzingen naar wetgeving en instructies

0010

1. Eigen vermogen

Artikel 4, lid 1, punt 118, en artikel 72 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het eigen vermogen van een instelling bestaat uit de som van haar tier 1- en tier 2-kapitaal.

0015

1.1 Tier 1-kapitaal

Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het tier 1-kapitaal is de som van het tier 1-kernkapitaal en het aanvullend tier 1-kapitaal.

0020

1.1.1 Tier 1-kernkapitaal

Artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

1.1.1.1 Als tier 1-kernkapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves

Artikel 26, lid 1, punten a) en b), artikelen 27 tot en met 30, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0040

1.1.1.1.1 Volgestorte kapitaalinstrumenten

Artikel 26, lid 1, punt a), en artikelen 27 tot en met 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Kapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen, coöperaties of soortgelijke instellingen (artikelen 27 en 29 van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden opgenomen.

Het met de instrumenten verband houdende agio hoeft niet te worden opgenomen.

In noodsituaties bij autoriteiten geplaatste kapitaalinstrumenten worden opgenomen indien alle voorwaarden van artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vervuld.

0045

1.1.1.1.1* Waarvan: In noodsituaties bij overheden geplaatste kapitaalinstrumenten

Artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In noodsituaties bij autoriteiten geplaatste kapitaalinstrumenten worden in het tier 1-kernkapitaal opgenomen indien alle voorwaarden van artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vervuld.

0050

1.1.1.1.2* Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten

Artikel 28, lid 1, punten b), l) en m), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking.

In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt.

0060

1.1.1.1.3 Agio

Artikel 4, lid 1, punt 124, en artikel 26, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Agio” betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de „Volgestorte kapitaalinstrumenten”.

0070

1.1.1.1.4 (–) Eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigen tier 1-kernkapitaal van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie (1). Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Aandelenbelangen die als „Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten” zijn opgenomen, worden in deze rij niet gerapporteerd.

In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt.

In de posten 1.1.1.1.4 tot en met 1.1.1.1.4.3 worden geen feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten opgenomen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.1.1.1.5.

0080

1.1.1.1.4.1 (–) Direct bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In post 1.1.1.1 opgenomen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie.

Het te rapporteren bedrag omvat bezittingen in de handelsportefeuille die zijn berekend op basis van de netto longpositie zoals bedoeld in artikel 42, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0090

1.1.1.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 114, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0091

1.1.1.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0092

1.1.1.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichting tot het kopen van eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten

Artikel 36, lid 1, punt f), en artikel 42 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten „eigen tier 1-kernkapitaalinstrumenten die een instelling krachtens een bestaande contractuele verplichting feitelijk of onder bepaalde voorwaarden moet kopen”, worden afgetrokken.

0130

1.1.1.2 Ingehouden winsten

Artikel 26, lid 1, punt c), en artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Onder „ingehouden winsten” wordt verstaan de ingehouden winsten van het voorgaande jaar plus de in aanmerking komende tussentijdse of jaareindewinsten.

0140

1.1.1.2.1 Ingehouden winsten voorgaande jaren

Artikel 4, lid 1, punt 123, en artikel 26, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 4, lid 1, punt 123, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschrijft „ingehouden winsten” als „de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door definitieve bestemming van het resultaat overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving”.

0150

1.1.1.2.2 In aanmerking komende winsten of verliezen

Artikel 4, lid 1, punt 121, artikel 26, lid 2, en artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Krachtens artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen tussentijdse of jaareinderesultaten, met de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten, als ingehouden winsten worden opgenomen indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld.

Daartegenover staat dat krachtens artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 verliezen van het tier 1-kernkapitaal moeten worden afgetrokken.

0160

1.1.1.2.2.1 Aan eigenaren moedermaatschappij toe te rekenen winsten of verliezen

Artikel 26, lid 2, en artikel 36, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de winst of het verlies zoals gerapporteerd in de winst- en verliesrekening.

0170

1.1.1.2.2.2 (–) Niet in aanmerking komend deel tussentijdse of jaareinderesultaat

Artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

In deze rij hoeft geen bedrag te worden vermeld indien de instelling voor de referentieperiode verliezen heeft geboekt, aangezien de verliezen in hun geheel van het tier 1-kernkapitaal moeten worden afgetrokken.

Als de instelling winst heeft geboekt, wordt dat deel van die winst gerapporteerd dat overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet in aanmerking komt (d.w.z. niet gecontroleerde winsten en te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden).

N.B. In het geval van winst is het bedrag dat moet worden afgetrokken, ten minste gelijk aan het tussentijdse dividend.

0180

1.1.1.3 Geaccumuleerde overige onderdelen totaalresultaat

Artikel 4, lid 1, punt 100, en artikel 26, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van eventuele op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen en vóór toepassing van prudentiële filters. Het te rapporteren bedrag wordt bepaald in overeenstemming met artikel 13, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie.

0200

1.1.1.4 Andere reserves

Artikel 4, lid 1, punt 117, en artikel 26, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Andere reserves” worden in Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven als „reserves in de zin van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving die overeenkomstig de toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving openbaar moeten worden gemaakt, met uitzondering van bedragen die reeds zijn opgenomen in gecumuleerde niet-gerealiseerde resultaten of ingehouden winsten”.

Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen.

0210

1.1.1.5 Fondsen voor algemene bankrisico’s

Artikel 4, lid 1, punt 112, en artikel 26, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Fondsen voor algemene bankrisico’s” worden in artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad omschreven als „bedragen die de kredietinstelling besluit te bestemmen voor de dekking van dergelijke risico’s, indien zulks om redenen van voorzichtigheid wegens de bijzondere, met het bankbedrijf samenhangende risico’s geboden is”.

Het te rapporteren bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen.

0220

1.1.1.6 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 483, leden 1, 2 en 3, en artikelen 484 tot en met 487 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als tier 1-instrumenten worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0230

1.1.1.7 Als tier 1-kernkapitaal opgenomen minderheidsbelangen

Artikel 4, lid 1, punt 120, en artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van alle bedragen aan minderheidsbelangen van dochterondernemingen die in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal wordt opgenomen.

0240

1.1.1.8 Overgangsaanpassingen in verband met aanvullende minderheidsbelangen

Artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen van de minderheidsbelangen als gevolg van overgangsbepalingen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0250

1.1.1.9 Aanpassingen aan tier 1-kernkapitaal als gevolg van prudentiële filters

Artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0260

1.1.1.9.1 (–) Toenamen van aandelenkapitaal die voortvloeien uit gesecuritiseerde activa

Artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is de toename van het aandelenkapitaal van de instelling voortvloeiende uit gesecuritiseerde activa, overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Deze post omvat bijvoorbeeld toekomstige marge-inkomsten die voor de instelling resulteren in een winst bij verkoop of, indien de instelling initiator van de securitisatie is, de nettowinsten die voortvloeien uit de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa die als kredietverbetering voor securitisatieposities dienen.

0270

1.1.1.9.2 Reserve voor kasstroomhedges

Artikel 33, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als de kasstroomhedges resulteren in een verlies (d.w.z. als het bedrag het boekhoudkundige aandelenkapitaal vermindert), en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt.

Het bedrag is het bedrag na aftrek van op het tijdstip van de berekening te verwachten belastingheffingen.

0280

1.1.1.9.3 Cumulatieve en tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen op verplichtingen instelling die voortvloeien uit veranderingen eigen kredietwaardigheid

Artikel 33, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als er sprake is van een verlies als gevolg van veranderingen van het eigen kredietrisico (d.w.z. als het bedrag het boekhoudkundige aandelenkapitaal vermindert), en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt.

Niet-gecontroleerde winst wordt niet in deze post opgenomen.

0285

1.1.1.9.4 Tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen die voortvloeien uit eigen kredietrisico instelling in verband met afgeleide verplichtingen

Artikel 33, lid 1, punt c), en artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag kan zowel positief als negatief zijn. Het is positief als er sprake is van een verlies als gevolg van veranderingen van het eigen kredietrisico, en vice versa. Het teken is daarom het tegenovergestelde van het teken dat in de financiële verslaggeving wordt gebruikt.

Niet-gecontroleerde winst wordt niet in deze post opgenomen.

0290

1.1.1.9.5 (–) Waardeaanpassingen als gevolg van vereisten voor prudente waardering

Artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen van de reële waarde van blootstellingen die vanwege striktere normen voor prudente waardering zoals bedoeld in artikel 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.

0300

1.1.1.10 (–) Goodwill

Artikel 4, lid 1, punt 113, artikel 36, lid 1, punt b), en artikel 37 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0310

1.1.1.10.1 (–) Goodwill die als immaterieel activum wordt verantwoord

Artikel 4, lid 1, punt 113, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Goodwill betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Het hier te rapporteren bedrag is hetzelfde als het bedrag dat op de balans wordt verantwoord.

0320

1.1.1.10.2 (–) In de waardering van aanzienlijke deelnemingen vervatte goodwill

Artikel 37, punt b), en artikel 43 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0330

1.1.1.10.3 Aan goodwill gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen dat zou worden opgeheven als de goodwill overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen dubieus zou worden of zou worden verwijderd.

0335

1.1.1.10.4 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van aan derden toe te rekenen goodwill van dochterondernemingen

Artikel 37, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de goodwill van dochterondernemingen die kan worden toegerekend aan personen niet zijnde de ondernemingen die onder de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, vallen.

0340

1.1.1.11 (–) Andere immateriële activa

Artikel 4, lid 1, punt 115, artikel 36, lid 1, punt b), en artikel 37, punten a) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Andere immateriële activa” zijn de immateriële activa overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen minus de goodwill, eveneens volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

0350

1.1.1.11.1 (–) Andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 4, lid 1, punt 115, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Andere immateriële activa” zijn de immateriële activa overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen minus de goodwill, eveneens volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag aan immateriële activa dat in de balans is opgenomen volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen, met uitzondering van goodwill en het bedrag aan prudent gewaardeerde softwareactiva dat niet van tier 1-kernkapitaalbestanddelen wordt afgetrokken overeenkomst artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0352

1.1.1.11.1.1 (–) Waarvan softwareactiva opgenomen als andere immateriële activa vóór aftrek uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 4, lid 1, punt 115, en artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het als immateriële activa opgenomen bedrag aan softwareactiva dat wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. In het gerapporteerde bedrag wordt geen rekening gehouden met de effecten in verband met de toepassing van de in artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde behandeling wat betreft de aan die softwareactiva gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen.

Indien een instelling besluit om haar softwareactiva volledig af te trekken overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 – in plaats van de behandeling van artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 toe te passen – moet het in deze rij gerapporteerde bedrag overeenkomen met het bedrag aan softwareactiva dat overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als immateriële activa in de balans is opgenomen.

0360

1.1.1.11.2 Aan andere immateriële activa gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen dat zou komen te vervallen indien de immateriële activa niet zijnde goodwill en prudent gewaardeerde softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014, aan een bijzondere waardevermindering zou worden of niet meer zou worden opgenomen volgens de betrokken standaard voor jaarrekeningen.

0362

1.1.1.11.2.1 Aan als immateriële activa opgenomen softwareactiva gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 37, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het aandeel uitgestelde belastingverplichtingen dat is gerelateerd aan het als immateriële activa opgenomen bedrag aan softwareactiva dat wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 of artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0365

1.1.1.11.3 Uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van andere aan derden toe te rekenen immateriële activa van dochterondernemingen

Artikel 37, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van immateriële activa van dochterondernemingen niet zijnde goodwill dat kan worden toegerekend aan personen niet zijnde de ondernemingen die op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie zijn opgenomen.

0370

1.1.1.12 (–) Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en die niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen, na aftrek van daaraan gerelateerde belastingverplichtingen

Artikel 36, lid 1, punt c), en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0380

1.1.1.13 (–) Voor interneratingbenadering, het negatieve bedrag na aftrek verwachte verliesposten van kredietrisicoaanpassingen

Artikel 36, lid 1, punt d), en artikelen 40, 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag „wordt niet verminderd met een stijging van de uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, of andere aanvullende belastingeffecten die zich zouden kunnen voordoen als de voorzieningen zouden stijgen tot het niveau van de verwachte verliezen” (artikel 40 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0390

1.1.1.14 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds

Artikel 4, lid 1, punt 109, artikel 36, lid 1, punt e), en artikel 41 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0400

1.1.1.14.1 (–) Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds

Artikel 4, lid 1, punt 109, en artikel 36, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds zijn „de activa van een pensioenfonds dat, respectievelijk een pensioenregeling die op vaste toezeggingen gebaseerd is, berekend nadat op die activa het bedrag van de verplichtingen uit hoofde van dat fonds, respectievelijk die regeling in mindering is gebracht”.

Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de balans wordt verantwoord (indien afzonderlijk gerapporteerd).

0410

1.1.1.14.2 Aan activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen

Artikel 4, lid 1, punten 108 en 109, en artikel 41, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen die zouden komen te vervallen als de activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen dubieus zouden worden of zouden worden uitgeboekt.

0420

1.1.1.14.3 Activa van op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds waarvan instelling onbeperkt kan gebruikmaken

Artikel 4, lid 1, punt 109, en artikel 41, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In deze post wordt alleen een bedrag vermeld indien de bevoegde autoriteit vooraf toestemming heeft gegeven om het af te trekken bedrag aan activa van een op vaste toezeggingen gebaseerd pensioenfonds te verminderen.

Op de in deze rij opgenomen activa wordt een risicogewicht voor kredietrisicovereisten toegepast.

0430

1.1.1.15 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 1-kernkapitaal

Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 36, lid 1, punt g), en artikel 44 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen.

Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen.

0440

1.1.1.16 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt

Artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan de CA 1-post „Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt”. Dit bedrag moet van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken.

0450

1.1.1.17 (–) Gekwalificeerde deelnemingen buiten financiële sector die als alternatief in aanmerking komen voor risicogewicht van 1 250  %

Artikel 4, lid 1, punt 36, artikel 36, lid 1, punt k), i), en artikelen 89 tot en met 91 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een gekwalificeerde deelneming wordt omschreven als „het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van 10 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van die onderneming uit te oefenen”.

Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen gekwalificeerde deelnemingen hetzij van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250  %.

0460

1.1.1.18 (–) Securitisatieposities die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1 250  %

Artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Securitisatieposities waaraan een risicogewicht van 1 250  % wordt toegekend maar die als alternatief kunnen worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (artikel 36, lid 1, punt k), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013), worden onder deze post gerapporteerd.

0470

1.1.1.19 (–) Niet-afgewikkelde transacties („free deliveries”) die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1 250  %

Artikel 36, lid 1, punt k), iii), en artikel 379, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Niet-afgewikkelde transacties („free deliveries”) kunnen in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250  % vanaf vijf dagen na het tweede contractuele betalings- of leveringsgedeelte tot de beëindiging van de transactie, overeenkomstig de eigenvermogensvereisten voor afwikkelingsrisico. Als alternatief kunnen ze worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (artikel 36, lid 1, punt k), iii), van Verordening (EU) nr. 575/2013). In dat laatste geval worden ze onder deze post gerapporteerd.

0471

1.1.1.20 (–) Posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht niet met de interneratingbenadering kan bepalen, en die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1 250  %

Artikel 36, lid 1, punt k), iv), en artikel 153, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen posities in een basket waarvoor een instelling het risicogewicht met de interneratingbenadering niet kan bepalen, hetzij worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250  %.

0472

1.1.1.21 (–) Blootstellingen in aandelen volgens een internemodellenbenadering die als alternatief in aanmerking kunnen komen voor risicogewicht van 1 250  %

Artikel 36, lid 1, punt k), v), en artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt k), v), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen blootstellingen in aandelen volgens een internemodellenbenadering hetzij worden afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal (door deze post te gebruiken), hetzij in aanmerking komen voor een risicogewicht van 1 250  %.

0480

1.1.1.22 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 36, lid 1, punt h), artikelen 43 tot en met 46, artikel 49, leden 2 en 3, en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat van het tier 1-kernkapitaal moet worden afgetrokken.

Zie de alternatieven voor aftrek indien consolidatie wordt toegepast (artikel 49, leden 2 en 3).

0490

1.1.1.23 (–) Aftrekbare uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen

Artikel 36, lid 1, punt c); artikel 38, en artikel 48, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen (na aftrek van het deel van gerelateerde uitgestelde belastingverplichtingen dat is toegekend aan uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen) dat, overeenkomstig artikel 38, lid 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 1, punt a), van die verordening genoemde 10 %-drempel.

0500

1.1.1.24 (–) Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 36, lid 1, punt i); artikelen 43, 45 en 47, artikel 48, lid 2, punt b), artikel 49, leden 1, 2 en 3, en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van het bezit van de instelling aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 1, punt b), van die verordening genoemde 10%-drempel.

Zie de alternatieven voor aftrek indien consolidatie wordt toegepast (artikel 49, leden 1, 2 en 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0510

1.1.1.25 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden

Artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, alsmede direct, indirect en synthetisch bezit van de instelling aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, dat moet worden afgetrokken, met toepassing van de in artikel 48, lid 2, van die verordening genoemde 17,65 %-drempel.

0511

1.1.1.25.1 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

0512

1.1.1.25.2 (–) Bedrag waarmee de drempel van 17,65 % wordt overschreden in verband met uitgestelde belastingvorderingen die voortvloeien uit tijdelijke verschillen

0513

1.1.1.25A (-) Ontoereikende dekking voor niet-renderende blootstellingen

Artikel 36, lid 1, punt m), en artikel 47 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013

0514

1.1.1.25B (–) Tekorten voor de minimumwaardeverplichting

Artikel 36, lid 1, punt n), en artikel 132 quater, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0515

1.1.1.25C (–) Andere te verwachten belastingen

Artikel 36, lid 1, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Op het ogenblik van de berekening te verwachten belastingen in verband met tier 1-kernkapitaalbestanddelen zijn niet zijnde belastingen die reeds in een van de andere rijen met tier 1-kernkapitaalbestanddelen in aanmerking zijn genomen door het bedrag van het betrokken tier 1-kernkapitaalbestanddeel te verlagen.

0520

1.1.1.26 Overige overgangsaanpassingen het tier 1-kernkapitaal

Artikelen 469 tot en met 478 en artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen van aftrekkingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0524

1.1.1.27 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Indien een instelling besluit om haar softwareactiva volledig af te trekken overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 – in plaats van de behandeling van artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 toe te passen – moet het afgetrokken bedrag niet in deze rij worden gerapporteerd, maar in rij 0352.

0529

1.1.1.28 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal – overige

Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij uitsluitend wordt ingevuld indien een tier 1-kernkapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een tier 1-kernkapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 020 tot en met 524 kan worden toegewezen.

Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen).

0530

1.1.2 AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL

Artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0540

1.1.2.1 Als aanvullend tier 1-kapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves

Artikel 51, punt a), artikelen 52, 53 en 54, artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0551

1.1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten

Artikel 51, punt a), en artikelen 52, 53 en 54 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt.

0560

1.1.2.1.2 (*) Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten

Artikel 52, lid 1, punten c), e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking.

In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt.

0571

1.1.2.1.3 Agio

Artikel 51, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Agio” betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de „Volgestorte en direct uitgegeven kapitaalinstrumenten”.

0580

1.1.2.1.4 (–) Eigen aanvullend tier 1-instrumenten

Artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigen aanvullend tier 1-instrumenten van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan aanvullend tier 1-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Aandelenbelangen die als „Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten” zijn opgenomen, worden niet in deze rij gerapporteerd.

In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt.

In de posten 1.1.2.1.4 tot en met 1.1.2.1.4.3 worden geen eigen aanvulend tier 1-instrumenten opgenomen die de instelling feitelijk of onder bepaalde voorwaarden moet kopen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van aanvullend tier 1-instrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.1.2.1.5.

0590

1.1.2.1.4.1 (–) Direct bezit van aanvullend tier 1-instrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 144, artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In post 1.1.2.1.1 opgenomen aanvullend tier 1-instrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan aanvullend tier 1-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

0620

1.1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit van aanvullend tier 1-instrumenten

Artikel 52, lid 1, punt b), ii), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0621

1.1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-instrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 52, lid 1, punt b), artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0622

1.1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen aanvullend tier 1-instrumenten

Artikel 56, punt a), en artikel 57 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 56, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten „eigen aanvullend tier 1-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen”, worden afgetrokken.

0660

1.1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 483, leden 4 en 5, artikelen 484 tot en met 487, artikelen 489 en 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als aanvullend tier 1-instrumenten worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0670

1.1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het aanvullend tier 1-kapitaal worden opgenomen

Artikelen 83, 85 en 86 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van alle bedragen aan in aanmerking komend tier 1-kapitaal van dochterondernemingen die in het geconsolideerde aanvullend tier 1-kapitaal wordt opgenomen.

Door een special purpose entity uitgegeven in aanmerking komend aanvullend tier 1-kapitaal (artikel 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt opgenomen.

0680

1.1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het aanvullend tier 1-kapitaal

Artikel 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen aan het in aanmerking komend tier 1-kapitaal dat in geconsolideerd aanvullend tier 1-kapitaal wordt opgenomen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0690

1.1.2.5 (–) Wederzijdse deelnemingen in aanvullend tier 1-kapitaal

Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 56, punt b), en artikel 58 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen.

Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat aanvullend tier 1-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen.

0700

1.1.2.6 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 56, punt c); artikelen 59, 60 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, dat van het aanvullend tier 1-kapitaal moet worden afgetrokken.

0710

1.1.2.7 (–) Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 56, punt d), en artikelen 59 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bezit van de instelling aan aanvullend tier 1-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, wordt in zijn geheel afgetrokken.

0720

1.1.2.8 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt

Artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan de CA 1-post „Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van aanvullend tier 1-kapitaal)”.

0730

1.1.2.9 Overige overgangsaanpassingen aan aanvullend tier 1-kapitaal

Artikelen 472, 473 bis, 474, 475, 478 en 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0740

1.1.2.10 (–) Van aanvullend tier 1-bestanddelen af te trekken bedrag dat het aanvullend tier 1-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van tier-1-kernkapitaal)

Artikel 36, lid 1, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanvullend-tier 1-kapitaal kan niet negatief zijn, maar het is wel mogelijk dat de aftrekkingen van het aanvullend tier 1-kapitaal groter zijn dan het aanvullend tier 1-kapitaal plus het desbetreffende agio. In dat geval moet het aanvullend tier 1-kapitaal op nul worden gesteld, en moet het bedrag van aftrekkingen van aanvullend tier 1-kapitaal waarmee het aanvullend tier 1-kapitaal wordt overschreden, van het tier 1-kernkapitaal worden afgetrokken.

Op deze manier wordt gewaarborgd dat de som van de posten 1.1.2.1 tot en met 1.1.2.12 nooit lager dan nul is. Indien deze post positief is, vermeldt post 1.1.1.16 het tegenovergestelde van dat bedrag.

0744

1.1.2.11 (–) Aanvullende aftrekkingen van aanvullend-tier 1-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0748

1.1.2.12 Bestanddelen of aftrekkingen van aanvullend tier 1-kapitaal – overige

Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij alleen wordt ingevuld indien een aanvullend tier 1-kapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een aanvullend tier 1-kapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 530 tot en met 744 kan worden toegewezen.

Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder die verordening vallen).

0750

1.2 TIER 2-KAPITAAL

Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0760

1.2.1 Als tier 2-kapitaal in aanmerking komende kapitaalinstrumenten en agioreserves

Artikel 62, punt a), artikelen 63 tot en met 65, artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0771

1.2.1.1 Volgestorte, direct uitgegeven kapitaalinstrumenten

Artikel 62, punt a), en artikelen 63 en 65 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt.

De kapitaalinstrumenten kunnen bestaan uit eigen vermogen of verplichtingen, met inbegrip van achtergestelde leningen die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen.

0780

1.2.1.2 (*) Pro-memoriepost: Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten

Artikel 63, punten c), e) en f), en artikel 64 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De voorwaarden in die punten hebben betrekking op verschillende kapitaalsituaties die omkeerbaar zijn. Het hier gerapporteerde bedrag komt dus in latere periodes mogelijk wel in aanmerking.

In het te rapporteren bedrag mag het met de instrumenten verband houdende agio niet zijn verwerkt.

De kapitaalinstrumenten kunnen bestaan uit eigen vermogen of verplichtingen, met inbegrip van achtergestelde leningen.

0791

1.2.1.3 Agio

Artikel 62, punt b), en artikel 65 van Verordening (EU) nr. 575/2013

„Agio” betekent hetzelfde als in de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen.

Het onder deze post te rapporteren bedrag is het gedeelte dat verband houdt met de „Volgestorte en direct uitgegeven kapitaalinstrumenten”.

0800

1.2.1.4 (–) Eigen tier 2-instrumenten

Artikel 63, punt b), i), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigen tier 2-instrumenten van de rapporterende instelling of groep op de rapportagedatum en bedragen aan tier 2-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Aandelenbelangen die als „Niet in aanmerking komende kapitaalinstrumenten” zijn opgenomen, worden niet in deze rij gerapporteerd.

In het te rapporteren bedrag dient het met de eigen aandelen verband houdende agio te zijn verwerkt.

In de posten 1.2.1.4 tot en met 1.2.1.4.3 worden geen feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-kapitaalinstrumenten opgenomen. Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-instrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd in post 1.2.1.5.

0810

1.2.1.4.1 (–) Direct bezit tier 2-instrumenten

Artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In post 1.2.1.1 opgenomen tier 2-instrumenten die worden gehouden door instellingen van de geconsolideerde groep en bedragen aan tier 2-instrumenten die moeten worden afgetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

0840

1.2.1.4.2 (–) Indirect bezit tier 2-instrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 114, artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0841

1.2.1.4.3 (–) Synthetisch bezit tier 2-instrumenten

Artikel 4, lid 1, punt 126, artikel 63, punt b), artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0842

1.2.1.5 (–) Feitelijke of voorwaardelijke verplichtingen tot het kopen van eigen tier 2-instrumenten

Artikel 66, punt a), en artikel 67 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 66, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten „eigen tier 2-instrumenten die een instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen”, worden afgetrokken.

0880

1.2.2 Overgangsaanpassingen als gevolg van tier 2-kapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 483, leden 6 en 7, artikelen 484, 486, 488, 490 en 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bedrag van de kapitaalinstrumenten die gedurende de overgangsperiode krachtens grandfatheringbepalingen als tier 2-kapitaal kunnen worden aangemerkt. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0890

1.2.3 Door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten die in het tier 2-kapitaal worden opgenomen

Artikelen 83, 87 en 88 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van alle bedragen aan in aanmerking komend eigen vermogen van dochterondernemingen die in het geconsolideerde tier 2-kapitaal worden opgenomen.

Door een special purpose entity uitgegeven in aanmerking komend tier 2-kapitaal (artikel 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt opgenomen.

0900

1.2.4 Overgangsaanpassingen als gevolg van additionele opneming van door dochterondernemingen uitgegeven instrumenten in het tier 2-kapitaal

Artikel 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen van het in aanmerking komend eigen vermogen dat in het geconsolideerd tier 2-kapitaal wordt opgenomen. Deze post wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0910

1.2.5 Bedrag voorzieningen waarmee volgens interneratingbenadering verwachte verliezen worden overschreden

Artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de interneratingbenadering bevat deze post de positieve bedragen die de uitkomst zijn van de vergelijking van de voorzieningen en de verwachte verliezen en die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal.

0920

1.2.6 Algemene kredietrisicoaanpassingen volgens standaardbenadering

Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor instellingen die de risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de standaardbenadering, bevat deze post de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal.

0930

1.2.7 (–) Wederzijdse deelnemingen in tier 2-kapitaal

Artikel 4, lid 1, punt 122, artikel 66, punt b), en artikel 68 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien er sprake is van een wederzijdse deelneming die naar het oordeel van de bevoegde autoriteit is bedoeld om het eigen vermogen van de instelling kunstmatig te verhogen.

Het te rapporteren bedrag wordt berekend op basis van de bruto longposities en omvat de tier 2- en tier 3-eigenvermogensbestanddelen van verzekeringsondernemingen.

0940

1.2.8 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 66, punt c), artikelen 68 tot en met 70 en artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van het bezit van de instelling aan instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling in deze entiteiten geen aanzienlijke deelneming heeft die van het tier 2-kapitaal moet worden afgetrokken.

0950

1.2.9 (–) Tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 27, artikel 66, punt d), en artikelen 68, 69 en 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bezit van de instelling aan tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector (in de zin van artikel 4, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 575/2013) indien de instelling een aanzienlijke deelneming in deze entiteiten heeft, wordt in zijn geheel afgetrokken.

0955

1.2.9A (–) Van in aanmerking komende passiva af te trekken bedrag dat de in aanmerking komende passiva overschrijdt

Artikel 66, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0960

1.2.10 Andere overgangsaanpassingen aan tier 2-kapitaal

Artikelen 472, 473 bis, 476, 477, 478 en 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aanpassingen als gevolg van overgangsbepalingen. Het te rapporteren bedrag wordt rechtstreeks ontleend aan CA5.

0970

1.2.11 (–) Van tier 2-bestanddelen af te trekken bedrag dat het tier 2-kapitaal overschrijdt (afgetrokken van aanvullend-tier 1-kapitaal)

Artikel 56, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Tier 2-kapitaal kan niet negatief zijn, maar het is wel mogelijk dat de aftrekkingen van het tier 2-kapitaal groter zijn dan het tier 2-kapitaal plus het desbetreffende agio. In dat geval moet het tier 2-kapitaal op nul worden gesteld, en moet het bedrag aan aftrekkingen van tier 2-kapitaal waarmee het tier 2-kapitaal wordt overschreden, van het aanvullend tier 1-kapitaal worden afgetrokken.

Op deze manier wordt gewaarborgd dat de som van de posten 1.2.1 tot en met 1.2.13 nooit lager dan nul is. Indien deze post positief is, vermeldt post 1.1.2.8 het tegenovergestelde van dat bedrag.

0974

1.2.12 (–) Aanvullende aftrekkingen van tier 2-kapitaal uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0978

1.2.13 Bestanddelen of aftrekkingen van tier 2-kapitaal – overige

Deze rij is bedoeld om – uitsluitend ten behoeve van de rapportage – extra flexibiliteit te bieden. Deze rij mag alleen worden ingevuld in het zeldzame geval dat er geen definitief besluit is genomen ten aanzien van de rapportage van specifieke kapitaalbestanddelen/aftrekkingen in de bestaande CA1-template. Dit betekent dat deze rij alleen wordt ingevuld indien een tier 2-kapitaalbestanddeel dan wel een aftrekking van een tier 2-kapitaalbestanddeel niet aan een van de rijen 750 tot en met 974 kan worden toegewezen.

Deze rij mag niet worden gebruikt om niet door Verordening (EU) nr. 575/2013 gedekte kapitaalbestanddelen of aftrekkingen in de berekening van de solvabiliteitsratio’s te betrekken (bv. een toewijzing van nationale kapitaalbestanddelen/aftrekkingen die niet onder die verordening vallen).

(1)   

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 8).

1.3.   C 02.00 – EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CA2)

1.3.1   Instructies voor specifieke posities



Rij

Verwijzingen naar wetgeving en instructies

0010

1. TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 3, en artikelen 95, 96 en 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0020

1* Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

1** Waarvan: Beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 96, lid 2, en artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 96, lid 2, en artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0040

1.1 RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR KREDIETRISICO, TEGENPARTIJKREDIETRISICO EN VERWATERINGSRISICO EN VOOR NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES

Artikel 92, lid 3, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

1.1.1 Standaardbenadering (SA)

De templates CR SA en SEC SA op het niveau van de totale blootstellingen

0051

1.1.1* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten zoals die de instellingen na raadpleging van EBA zijn meegedeeld, in overeenstemming met artikel 124, leden 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0060

1.1.1.1 Blootstellingscategorieën volgens standaardbenadering met uitzondering van securitisatieposities

CR SA-template op het niveau van de totale blootstellingen. De blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering zijn de in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën, met uitzondering van securitisatieposities.

0070

1.1.1.1.01 Centrale overheden of centrale banken

Zie de CR SA-template.

0080

1.1.1.1.02 Regionale overheden of lokale autoriteiten

Zie de CR SA-template.

0090

1.1.1.1.03 Publiekrechtelijke lichamen

Zie de CR SA-template.

0100

1.1.1.1.04 Multilaterale ontwikkelingsbanken

Zie de CR SA-template.

0110

1.1.1.1.05 Internationale organisaties

Zie de CR SA-template.

0120

1.1.1.1.06 Instellingen

Zie de CR SA-template.

0130

1.1.1.1.07 Ondernemingen

Zie de CR SA-template.

0140

1.1.1.1.08 Particulieren en kleine partijen

Zie de CR SA-template.

0150

1.1.1.1.09 Gedekt door hypotheken op onroerend goed

Zie de CR SA-template.

0160

1.1.1.1.10 Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling

Zie de CR SA-template.

0170

1.1.1.1.11 Posten met een bijzonder hoog risico

Zie de CR SA-template.

0180

1.1.1.1.12 Gedekte obligaties

Zie de CR SA-template.

0190

1.1.1.1.13 Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

Zie de CR SA-template.

0200

1.1.1.1.14 Instellingen voor collectieve belegging (icb’s)

Zie de CR SA-template.

0210

1.1.1.1.15 Aandelen

Zie de CR SA-template.

0211

1.1.1.1.16 Andere posten

Zie de CR SA-template.

0212

1.1.1.1.16.1 Waarvan: als immateriële activa opgenomen softwareactiva

De risicogewogen posten met betrekking tot het gedeelte als immateriële activa opgenomen softwareactiva dat niet wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar naar risico wordt gewogen overeenkomstig artikel 113, lid 5, van die verordening.

0240

1.1.2 Interneratingbenadering (IRB)

0241

1.1.2* Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 164 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten zoals die na kennisgeving aan de EBA aan de instellingen zijn meegedeeld, in overeenstemming met artikel 164, leden 5 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0242

1.1.2** Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de aanvullende risicoposten die nodig zijn om te voldoen aan de strengere prudentiële vereisten die de bevoegde autoriteiten na raadpleging van EBA hebben vastgesteld, in overeenstemming met artikel 124, leden 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die verband houden met limieten op de toelaatbare markwaarde van zekerheden zoals bepaald in artikel 125, lid 2, punt d), en artikel 126, lid 2, punt d), van die verordening.

0250

1.1.2.1 Interneratingbenaderingen wanneer noch eigen LGD-ramingen noch omrekeningsfactoren worden gebruikt

De CR IRB-template op het niveau van de totale blootstellingen (wanneer geen gebruik wordt gemaakt van eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren).

0260

1.1.2.1.01 Centrale overheden en centrale banken

Zie de CR IRB-template.

0270

1.1.2.1.02 Instellingen

Zie de CR IRB-template.

0280

1.1.2.1.03 Ondernemingen – Kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0290

1.1.2.1.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening

Zie de CR IRB-template.

0300

1.1.2.1.05 Ondernemingen – Overige

Zie de CR IRB-template.

0310

1.1.2.2 Interneratingbenaderingen wanneer eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren worden gebruikt

De CR IRB-template op het niveau van de totale blootstellingen (wanneer wordt gebruikgemaakt van eigen LGD-ramingen en/of omrekeningsfactoren).

0320

1.1.2.2.01 Centrale overheden en centrale banken

Zie de CR IRB-template.

0330

1.1.2.2.02 Instellingen

Zie de CR IRB-template.

0340

1.1.2.2.03 Ondernemingen – Kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0350

1.1.2.2.04 Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening

Zie de CR IRB-template.

0360

1.1.2.2.05 Ondernemingen – Overige

Zie de CR IRB-template.

0370

1.1.2.2.06 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0380

1.1.2.2.07 Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van niet-kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0390

1.1.2.2.08 Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen

Zie de CR IRB-template.

0400

1.1.2.2.09 Particulieren en kleine partijen – Overige kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0410

1.1.2.2.10 Particulieren en kleine partijen – Overige niet-kmo’s

Zie de CR IRB-template.

0420

1.1.2.3 Aandelen Interneratingbenadering

Zie de CR EQU IRB-template

0450

1.1.2.5 Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen

Het te rapporteren bedrag is dat van de risicogewogen posten zoals berekend in overeenstemming met artikel 156 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0455

1.1.2.5.1 Waarvan als immateriële activa opgenomen softwareactiva

De risicogewogen posten met betrekking tot het gedeelte als immateriële activa opgenomen softwareactiva dat niet wordt afgetrokken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar naar risico wordt gewogen overeenkomstig artikel 156 van die verordening.

0460

1.1.3 Risicoposten voor bijdragen aan het wanbetalingsfonds van een CTP

Artikelen 307, 308 en 309 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0470

1.1.4 Securitisatieposities

Zie de CR SEC-template.

0490

1.2 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELING/LEVERING

Artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0500

1.2.1 Afwikkelings-/leveringsrisico in niet-handelsportefeuille

Zie de CR SETT-template.

0510

1.2.2 Afwikkelings-/leveringsrisico in handelsportefeuille

Zie de CR SETT-template.

0520

1.3 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S

Artikel 92, lid 3, punt b), i), artikel 92, lid 3, punt c), i), artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0530

1.3.1 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens standaardbenaderingen (SA)

0540

1.3.1.1 Verhandelbare schuldinstrumenten

De MKR SA TDI-template op het niveau van de totale valuta.

0550

1.3.1.2 Aandelen

De MKR SA EQU-template op het niveau van de totale nationale markten.

0555

1.3.1.3 Specifieke benadering positierisico in icb’s

Artikel 348, lid 1, artikel 350, lid 3, punt c), en artikel 364, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s indien de kapitaalvereisten rechtstreeks of als gevolg van de in artikel 350, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 gedefinieerde begrenzing worden berekend overeenkomstig artikel 348, lid 1, van die verordening. Verordening (EU) nr. 575/2013 wijst die posities niet uitdrukkelijk toe aan hetzij het renterisico hetzij het aandelenrisico.

Indien de specifieke benadering van artikel 348, lid 1, eerste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gehanteerd, is het te rapporteren bedrag 32 % van de nettopositie van de betrokken icb-blootstelling, vermenigvuldigd met 12,5.

Indien de specifieke benadering van artikel 348, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gehanteerd, is het te rapporteren bedrag het laagste van, respectievelijk, 32 % van de nettopositie van de betrokken icb-blootstelling en het verschil tussen 40 % van deze nettopositie en de eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit het met deze icb-blootstelling samenhangende valutarisico, vermenigvuldigd met 12,5.

0556

1.3.1.3.* Pro-memoriepost: Uitsluitend in verhandelbare schuldinstrumenten belegde icb’s

Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s indien de icb uitsluitend is belegd in instrumenten die aan renterisico onderhevig zijn.

0557

1.3.1.3.** Uitsluitend in eigenvermogensinstrumenten of gemengde instrumenten belegde icb’s

Het totaal van de risicoposten voor posities in icb’s, indien de icb is belegd in ofwel instrumenten die aan aandelenrisico onderhevig zijn, ofwel gemengde instrumenten, dan wel indien de bestanddelen van de icb onbekend zijn.

0560

1.3.1.4 Valuta

Zie de MKR SA FX-template.

0570

1.3.1.5 Grondstoffen

Zie de MKR SA COM-template.

0580

1.3.2 Risicoposten voor positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s volgens internemodellenbenadering (IM)

Zie de MKR IM-template.

0590

1.4 TOTALE RISICOPOSTEN VOOR HET OPERATIONEEL RISICO (OpR)

Artikel 92, lid 3, punt e), en artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is deze post nul.

0600

1.4.1 Operationeel risico volgens basisindicatorbenadering (BIA)

Zie de OPR-template.

0610

1.4.2 Operationeel risico volgens standaardbenadering (TSA) / alternatieve standaardbenadering (ASA)

Zie de OPR-template.

0620

1.4.3 Operationeel risico volgens de geavanceerde meetbenaderingen (AMA)

Zie de OPR-template.

0630

1.5 AANVULLENDE RISICOPOSTEN ALS GEVOLG VAN VASTE KOSTEN

Artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 97 en artikel 98, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Alleen voor beleggingsondernemingen bedoeld in artikel 95, lid 2, artikel 96, lid 2, en artikel 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie ook artikel 97 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren het in artikel 97 bedoelde bedrag vermenigvuldigd met 12,5.

Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren als volgt:

— Indien het in artikel 95, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedrag groter is dan het in artikel 95, lid 2, punt b), van die verordening bedoelde bedrag, is het te rapporteren bedrag nul.

— Indien het in artikel 95, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedrag groter is dan het in artikel 95, lid 2, punt a), van die verordening bedoelde bedrag, is het te rapporteren bedrag het bedrag verkregen door het tweede bedrag af te trekken van het eerste.

0640

1.6 TOTAAL RISICOPOSTEN VOOR AANPASSING KREDIETWAARDERING

Artikel 92, lid 3, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zie de CVA-template.

0650

1.6.1 Geavanceerde methode

Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie de CVA-template.

0660

1.6.2 Standaardmethode

Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 384 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie de CVA-template.

0670

1.6.3 Op basis van de oorspronkelijkeblootstellingsmethode

Eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering overeenkomstig artikel 385 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie de CVA-template.

0680

1.7 TOTAAL RISICOPOSTEN IN VERBAND MET GROTE BLOOTSTELLINGEN IN HANDELSPORTEFEUILLE

Artikel 92, lid 3, punt b), ii), en artikelen 395 tot en met 401 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0690

1.8 ANDERE RISICOPOSTEN

Artikelen 3, 458 en 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en risicoposten die niet aan een van de posten onder 1.1 tot en met 1.7 kunnen worden toegewezen.

De instellingen rapporteren de bedragen die nodig zijn om aan het volgende te voldoen:

Strengere door de Commissie opgelegde prudentiële vereisten overeenkomstig de artikelen 458 en 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Aanvullende risicoposten uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deze post is niet gekoppeld aan een template waarin om nadere gegevens wordt gevraagd.

0710

1.8.2 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0720

1.8.2* Waarvan: vereisten met betrekking tot grote blootstellingen

Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0730

1.8.2** Waarvan: als gevolg van gewijzigde risicogewichten gericht tegen zeepbellen in activa in niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed

Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0740

1.8.2*** Waarvan: als gevolg van blootstellingen binnen de financiële sector

Artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0750

1.8.3 Waarvan: Aanvullende strengere prudentiële vereisten op grond van artikel 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0760

1.8.4 Waarvan: Aanvullende risicoposten uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De aanvullende risicoposten worden gerapporteerd. Het te rapporteren bedrag aan aanvullende risicoposten omvat uitsluitend de aanvullende bedragen (als bijvoorbeeld voor een blootstelling van 100 een risicogewicht geldt van 20 % en de instelling een risicogewicht toepast van 50 % op basis van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan moet een bedrag van 30 worden gerapporteerd).

1.4   C 03.00 – KAPITAALRATIO’S EN KAPITAALNIVEAUS (CA3)

1.4.1   Instructies voor specifieke posities



Rijen

0010

1 Tier 1-kernkapitaalratio

Artikel 92, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De tier 1-kernkapitaalratio is het tier 1-kernkapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten.

0020

2 Overschot(+)/Tekort(-) aan tier 1-kernkapitaal

Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (4,5 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio.

0030

3 Tier 1-kapitaalratio

Artikel 92, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De tier 1-kapitaalratio is het tier 1-kapitaal van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten.

0040

4 Overschot(+)/Tekort(-) aan tier 1-kapitaal

Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (6 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio.

0050

5 Totale kapitaalratio

Artikel 92, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De totale kapitaalratio is het eigen vermogen van de instelling uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten.

0060

6 Overschot(+)/Tekort(-) aan totaal kapitaal

Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan eigen vermogen ten opzichte van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (8 %), d.w.z. zonder rekening te houden met de kapitaalbuffers en overgangsbepalingen met betrekking tot de ratio.

0130

13 Totale SREP-kapitaalvereiste (TSCR)-ratio

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de totale kapitaalratio (8 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii)  de additionele eigenvermogensvereisten (Pijler 2-vereisten – „P2R”) als bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU, gepresenteerd als ratio. Deze worden vastgesteld in overeenstemming met de criteria die zijn bepaald in de EBA-richtsnoeren inzake gemeenschappelijke procedures en methoden voor het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder en stresstests voor toezichtdoeleinden („EBA SREP GL”).

Deze post geeft de totale SREP-kapitaalvereiste-ratio („TSCR-ratio”) weer die door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld. De TSCR wordt bepaald in de afdelingen 7.4 en 7.5 EBA SREP GL.

Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0140

13* TSCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de tier 1-kernkapitaalratio (4,5 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii)  het deel van de P2R-ratio, bedoeld in punt ii) van rij 0130, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden.

Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld die in de vorm van tier 1-kernkapitaal moeten worden aangehouden, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0150

13** TSCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de tier 1-kernkapitaalratio (6 %) als genoemd in artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

(ii)  het deel van de P2R-ratio, bedoeld in punt ii) van rij 0130, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden.

Indien de bevoegde autoriteit geen additionele eigenvermogensvereisten heeft meegedeeld die in de vorm van tier 1-kapitaal moeten worden aangehouden, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0160

14 Totale kapitaalvereiste (OCR)-ratio

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 0130 bedoelde TSCR-ratio;

(ii)  voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereisteratio.

Deze post geeft de totale kapitaalvereiste (OCR)-ratio weer in de zin van afdeling 7.5 EBA SREP GL.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd.

0170

14* OCR: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 0140 bedoelde uit tier 1-kernkapitaal op te bouwen TSCR-ratio;

(ii)  voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd.

0180

14** OCR: op te bouwen uit tier 1-kapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 0150 bedoelde uit tier 1-kapitaal op te bouwen TSCR-ratio;

(ii)  voor zover juridisch van toepassing, de in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU genoemde gecombineerdebuffervereistenratio.

Indien geen buffervereiste van toepassing is, wordt alleen punt i) gerapporteerd.

0190

15 Ratio totale kapitaalvereiste (OCR) en Pijler 2-aanbeveling (P2G)

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 160 bedoelde OCR-ratio;

(ii)  voor zover van toepassing, de door de bevoegde autoriteit meegedeelde aanbeveling inzake aanvullend eigen vermogen (Pijler 2-aanbeveling – „P2G”) als bedoeld in artikel 104 bis, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, gepresenteerd als ratio. Ze worden vastgesteld overeenkomstig afdeling 7.7.1 EBA SREP GL. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0200

15* OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kernkapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 0170 bedoelde uit tier 1-kernkapitaal op te bouwen OCR-ratio;

(ii)  voor zover van toepassing, het deel van P2G, bedoeld in punt ii) in rij 0190, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kernkapitaal moet worden aangehouden. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0210

15** OCR en P2G: op te bouwen uit tier 1-kapitaal

De som van i) en ii) als volgt:

(i)  de in rij 0180 bedoelde uit tier 1-kapitaal op te bouwen OCR-ratio;

(ii)  voor zover van toepassing, het deel van de P2G, bedoeld in punt ii) in rij 0190, dat van de bevoegde autoriteit in de vorm van tier 1-kapitaal moet worden aangehouden. De P2G wordt alleen opgenomen indien deze door de bevoegde autoriteit aan de instelling is meegedeeld.

Indien de bevoegde autoriteit geen P2G heeft meegedeeld, moet alleen punt i) worden gerapporteerd.

0220

Overschot (+)/tekort(-) aan tier 1-kernkapitaal, rekening houdende met de vereisten van artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU

Deze post geeft in absolute cijfers het bedrag van het overschot of tekort aan tier 1-kernkapitaal ten opzichte van de vereisten van artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (4,5 %) en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU – zonder aanvullend eigen vermogen dat vereist is om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen overeenkomstig lid 3 van dat artikel – voor zover met tier 1-kernkapitaal aan het vereiste van artikel 104 bis van die richtlijn moet worden voldaan. Indien een instelling haar tier 1-kernkapitaal in ruimere mate moet gebruiken om aan de vereisten van artikel 92, lid 1, punt b) en/of c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en/of artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU te voldoen dan met tier 1-kernkapitaal aan dat laatste moet worden voldaan, wordt hiermee in het gerapporteerde overschot of tekort rekening gehouden.

Dit bedrag weerspiegelt het tier 1-kernkapitaal dat beschikbaar is om aan het gecombineerde buffervereiste en andere vereisten te voldoen.

0300

Tier 1-kernkapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9

Artikel 92, lid 2, punt a), en artikel 473 bis, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0310

Tier 1-kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9

Artikel 92, lid 2, punt b), en artikel 473 bis, lid 8, Verordening (EU) nr. 575/2013

0320

Totale kapitaalratio zonder toepassing van de overgangsbepalingen met betrekking tot IFRS 9

Artikel 92, lid 2, punt c), en artikel 473 bis, lid 8, Verordening (EU) nr. 575/2013

1.5.   C 04.00 – PRO-MEMORIEPOSTEN (CA4)

1.5.1   Instructies voor specifieke posities



Rijen

0010

1. Totaal uitgestelde belastingvorderingen

Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de laatst geverifieerde/gecontroleerde boekhoudkundige balans wordt verantwoord.

0020

1.1 Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten.

Artikel 39, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingvorderingen die vóór 23 november 2016 ontstaan zijn en die niet op toekomstige winstgevendheid berusten – en die dus een risicogewicht krijgen.

0030

1.2 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet uit tijdelijke verschillen voortvloeien

Artikel 36, lid 1, punt c), en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten maar niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen en waarop derhalve geen drempel van toepassing is (d.w.z. zij worden in hun geheel afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal).

0040

1.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen.

Artikel 36, lid 1, punt c); artikel 38 en artikel 48, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, en waarvoor bij de aftrekking van het tier 1-kernkapitaal dus de drempelwaarden van 10 % en 17,65 % overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden.

0050

2 Totale uitgestelde belastingverplichtingen

Het hier te rapporteren bedrag komt overeen met het bedrag dat op de laatst geverifieerde/gecontroleerde boekhoudkundige balans wordt verantwoord.

0060

2.1 Uitgestelde belastingverplichtingen die niet aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

Artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingverplichtingen ten aanzien waarvan niet aan de voorwaarden van artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt voldaan. Deze post omvat dus de uitgestelde belastingverplichtingen die het af te trekken bedrag aan goodwill, andere immateriële activa of de activa van een toegezegdpensioenregeling verminderen, die worden gerapporteerd, respectievelijk, onder de CA1-posten 1.1.1.10.3, 1.1.1.11.2 en 1.1.1.14.2.

0070

2.2 Uitgestelde belastingverplichtingen die aftrekbaar zijn van uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

Artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0080

2.2.1 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet voortvloeien uit tijdelijke verschillen.

Artikel 38, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingverplichtingen waarmee, overeenkomstig artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd en die, overeenkomstig artikel 38, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, niet worden toegewezen aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en uit tijdelijke verschillen voortvloeien.

0090

2.2.2 Aftrekbare uitgestelde belastingverplichtingen in verband met uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen

Artikel 38, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitgestelde belastingverplichtingen waarmee, overeenkomstig artikel 38, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten, mag worden verminderd en die, overeenkomstig artikel 38, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden toegewezen aan uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en uit tijdelijke verschillen voortvloeien.

0093

2A Te veel betaalde belastingen en achterwaartse fiscale verliesverrekening

Artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van de te veel betaalde belastingen en achterwaartse fiscale verliesverrekening die niet van het eigen vermogen worden afgetrokken, overeenkomstig artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013; het gerapporteerde bedrag is het bedrag vóór de toepassing van de risicogewichten.

0096

2B Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 250 %

Artikel 48, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag aan uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen die niet worden afgetrokken overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar die overeenkomstig artikel 48, lid 4, van die verordening, zijn onderworpen aan een risicogewicht van 250 %, rekening houdende met het effect van artikel 470, artikel 478, lid 2, en artikel 473 bis, lid 7, punt a), van diezelfde verordening. Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen vóór de toepassing van het risicogewicht.

0097

2C Uitgestelde belastingvorderingen onderworpen aan een risicogewicht van 0 %

Artikel 469, lid 1, punt d), artikel 470, artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen die niet worden afgetrokken ingevolge artikel 469, lid 1, punt d), artikel 470, artikel 478, lid 2, en artikel 473 bis, lid 7, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar overeenkomstig artikel 472, lid 5, van die verordening aan een risicogewicht van 0 % zijn onderworpen. Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de uitgestelde belastingvorderingen vóór de toepassing van het risicogewicht.

0901

2W Als immateriële activa opgenomen softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaal

Artikel 36, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het bedrag aan prudent gewaardeerde softwareactiva die zijn vrijgesteld van de aftrekking van tier 1-kernkapitaalbestanddelen overeenkomstig artikel 13 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

0905

2Y Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als eigen vermogen worden ingedeeld

Het bedrag aan aanvullend tier 1-instrumenten, met inbegrip van de daaraan gerelateerde agioreserves, die volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als eigen vermogen worden ingedeeld.

0906

2Z Aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten en de daaraan gerelateerde agioreserves die volgens de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen als verplichtingen worden ingedeeld

Het bedrag aan aanvullend tier 1-instrumenten, met inbegrip van de daaraan gerelateerde agioreserves, die volgens de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen als verplichtingen worden ingedeeld.

0100

3. Voor interneratingbenadering, het overschot (+) of tekort (-) van kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan

Artikel 36, lid 1, punt d), artikel 62, punt d), en artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0110

3.1 Totale kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen die in aanmerking komen om bij de berekening van de verwachte verliesposten te worden betrokken

Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0120

3.1.1 Algemene kredietrisicoaanpassingen

Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0130

3.1.2 Specifieke kredietrisicoaanpassingen

Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0131

3.1.3 Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen

Artikelen 34, 110 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0140

3.2 Totaal van in aanmerking komende verwachte verliezen

Artikel 158, leden 5, 6 en 10, en artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. Alleen de verwachte verliezen rapporteren die verband houden met blootstellingen ten aanzien waarvan zich geen wanbetaling heeft voorgedaan.

0145

4 Voor interneratingbenadering, overschot (+) of tekort (-) van specifieke kredietrisicoaanpassingen aan verwachte verliezen voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan

Artikel 36, lid 1, punt d), artikel 62, punt d), en artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0150

4.1 Specifieke kredietrisicoaanpassingen en posities die op vergelijkbare wijze worden behandeld

Artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd.

0155

4.2 Totaal van in aanmerking komende verwachte verliezen

Artikel 158, leden 5, 6 en 10, en artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post wordt uitsluitend door IRB-instellingen gerapporteerd. Alleen de verwachte verliezen rapporteren die verband houden met blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan.

0160

5 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor het overschot aan voorzieningen dat in aanmerking komt als tier 2-kapitaal

Artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor IRB-instellingen geldt, overeenkomstig artikel 62, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dat het overschot van de voorzieningen (voor verwachte verliezen) dat in aanmerking komt voor opneming in het tier 2-kapitaal, maximaal 0,6 % van de overeenkomstig de interneratingbenadering berekende risicogewogen posten bedraagt.

Het onder deze post te rapporteren bedrag is het bedrag van de risicogewogen posten (d.w.z. niet vermenigvuldigd met 0,6 %) dat als basis dient voor de berekening van het maximum.

0170

6 Totale brutovoorzieningen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal

Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post vermeldt de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal voorafgaande aan de maximering.

Het te rapporteren bedrag is het bedrag exclusief belastingeffecten.

0180

7 Risicogewogen posten voor het berekenen van het maximum voor de voorzieningen die in aanmerking komen als tier 2-kapitaal

Artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Overeenkomstig artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal, gemaximeerd op 1,25 % van de risicogewogen posten.

Het onder deze post te rapporteren bedrag is het bedrag van de risicogewogen posten (d.w.z. niet vermenigvuldigd met 1,25 %) dat als basis dient voor de berekening van het maximum.

0190

8 Drempel voor niet-aftrekbaar bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 46, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post bevat de drempel die aangeeft tot welk bedrag bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin een instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, niet wordt afgetrokken. Het bedrag wordt verkregen door alle aan de drempel ten grondslag liggende bestanddelen op te tellen en het aldus verkregen totaal met 10 % te vermenigvuldigen.

0200

9 10 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal

Artikel 48, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post bevat de drempel van 10 % voor bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, en voor uitgestelde belastingvorderingen die van toekomstige winstgevendheid afhankelijk zijn en uit tijdelijke verschillen voortvloeien.

Het bedrag wordt verkregen door alle aan de drempel ten grondslag liggende bestanddelen op te tellen en het aldus verkregen totaal met 10 % te vermenigvuldigen.

0210

10 17,65 %-drempel voor tier 1-kernkapitaal

Artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze post bevat de na de drempel van 10 % toe te passen drempel van 17,65 % voor bezit aan entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, en voor uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen.

De drempel wordt zodanig berekend dat het te verantwoorden bedrag van de beide posten niet hoger is dan 15 % van het uiteindelijke tier 1-kernkapitaal, d.w.z. het tier 1-kernkapitaal na alle aftrekkingen, zonder rekening te houden met eventuele aanpassingen uit hoofde van overgangsbepalingen.

0225

11 In aanmerking komend kapitaal ten behoeve van gekwalificeerde deelnemingen buiten de financiële sector

Artikel 4, lid 1, punt 71, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0230

12 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 44, 45, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0240

12.1 Direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 44, 45, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0250

12.1.1 Bruto direct bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 44, 46 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities;

b)  de bedragen die zijn gerelateerd aan de deelnemingen ten aanzien waarvan een van de alternatieven uit artikel 49 wordt toegepast; en

c)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0260

12.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0270

12.2 Indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0280

12.2.1 Bruto indirect bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0290

12.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0291

12.3.1 Synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0292

12.3.2 Bruto synthetisch bezit tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0293

12.3.3 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0300

13 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 58, 59 en 60 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0310

13.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 58 en 59 en artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0320

13.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 58 en artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities; en

b)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0330

13.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0340

13.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0350

13.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0360

13.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0361

13.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0362

13.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0363

13.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0370

14. Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 68, 69 en 70 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0380

14.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 68 en 69 en artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0390

14.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 68 en artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities; en

b)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0400

14.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0410

14.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0420

14.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0430

14.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0431

14.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0432

14.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0433

14.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0440

15 Bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0450

15.1 Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0460

15.1.1 Bruto direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 44, 45, 47 en 49 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities;

b)  de bedragen die zijn gerelateerd aan de deelnemingen ten aanzien waarvan een van de alternatieven uit artikel 49 wordt toegepast; en

c)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0470

15.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0480

15.2 Indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0490

15.2.1 Bruto indirect bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0500

15.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0501

15.3 Synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0502

15.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 44 en 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0503

15.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 45 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 45, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0504

Deelnemingen in tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft – onderworpen aan een risicogewicht van 250 %

Artikel 48, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het bedrag aan aanzienlijke deelnemingen in tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet worden afgetrokken overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar onderworpen zijn aan een risicogewicht van 250 % overeenkomstig artikel 48, lid 4, van die verordening.

Het gerapporteerde bedrag is het bedrag van de aanzienlijke deelnemingen vóór de toepassing van het risicogewicht.

0510

16 Bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0520

16.1 Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0530

16.1.1 Bruto direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 58 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities (artikel 56, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013); en

b)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0540

16.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0550

16.2 Indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0560

16.2.1 Bruto indirect bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 56, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0570

16.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0571

16.3 Synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0572

16.3.1 Bruto synthetisch bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 58 en 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0573

16.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 59 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 59, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0580

17 Bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, na aftrek van shortposities

Artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0590

17.1 Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0600

17.1.1 Bruto direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 68 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Direct bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft, exclusief:

a)  de voor vijf werkdagen (of minder) ingenomen overnemingsposities (artikel 66, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013); en

b)  bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0610

17.1.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0620

17.2 Indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0630

17.2.1 Bruto indirect bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het indirect bezit in de handelsportefeuille van de kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector in de vorm van bezit van indexeffecten. Het wordt verkregen door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte kapitaalinstrumenten van de entiteiten uit de financiële sector te berekenen.

Bezit dat wordt behandeld als een wederzijdse deelneming overeenkomstig artikel 66, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt niet opgenomen.

0640

17.2.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto direct bezit

Artikel 4, lid 1, punt 114, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0641

17.3 Synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0642

17.3.1 Bruto synthetisch bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikelen 68 en 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0643

17.3.2 (–) Toelaatbare compensatie shortposities in verband met het hierboven bedoelde bruto synthetisch bezit

Artikel 4, lid 1, punt 126, en artikel 69 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 69, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 biedt de mogelijkheid om shortposities in dezelfde onderliggende blootstelling te compenseren, op voorwaarde dat de vervaldatum van de shortpositie dezelfde is als de vervaldatum van de longpositie (of later valt) of dat de resterende looptijd van de shortpositie ten minste één jaar bedraagt.

0650

18 Risicogewogen posten van bezit van tier 1-kernkapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 1-kernkapitaal van de instelling worden afgetrokken

Artikelen 46, lid 4, artikel 48, lid 4, en artikel 49, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0660

19 Risicogewogen posten van bezit van aanvullend tier 1-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het aanvullend tier 1-kapitaal van de instelling worden afgetrokken

Artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0670

20 Risicogewogen posten van bezit van tier 2-kapitaal van entiteiten uit de financiële sector die niet van het tier 2-kapitaal van de instelling worden afgetrokken

Artikel 70, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0680

21 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 1-kernkapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, indien zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 12.1 worden gerapporteerd.

0690

22 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 1-kernkapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 15.1 worden gerapporteerd.

0700

23 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van aanvullend tier 1-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Deze instrumenten moeten ook onder post 13.1 worden gerapporteerd.

0710

24 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan een tijdelijke ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van aanvullend tier 1-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Deze instrumenten moeten ook onder post 16.1 worden gerapporteerd.

0720

25 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 2-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 14.1 worden gerapporteerd.

0730

26 Tijdelijke ontheffing van de aftrek van bezit van tier 2-kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 79 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de bepalingen inzake de aftrek van tier 2-kapitaal vanwege het bezit van instrumenten van een bepaalde entiteit uit de financiële sector, als zij van oordeel is dat dit bezit bedoeld is voor een financiëlebijstandoperatie om die entiteit te saneren en te redden.

N.B. Die instrumenten moeten ook onder post 17.1 worden gerapporteerd.

0740

27 Gecombineerde buffervereisten

Artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU

0750

Kapitaalconserveringsbuffer

Artikel 128, punt 1, en artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU

Overeenkomstig artikel 129, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU is de kapitaalconserveringsbuffer een aanvullend bedrag aan tier 1-kernkapitaal. Aangezien de kapitaalconserveringsbuffer vast op 2,5 % is gesteld, moet in deze rij een bedrag worden ingevuld.

0760

Conserveringsbuffer als gevolg van op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico

Artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In deze rij wordt het bedrag gerapporteerd van de conserveringsbuffer die overeenkomstig artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanvulling op de kapitaalconserveringsbuffer kan worden verlangd als gevolg van een op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico.

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0770

Instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer

Artikel 128, punt 2, artikel 130 en artikelen 135 tot en met 140 van Richtlijn 2013/36/EU

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0780

Systeemrisicobuffer

Artikel 128, punt 5, en artikelen 133 en 134 van Richtlijn 2013/36/EU

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0800

Buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen

Artikel 128, punt 3, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0810

Buffer voor andere systeemrelevante instellingen

Artikel 128, punt 4, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

Het gerapporteerde bedrag vertegenwoordigt het bedrag aan eigen vermogen dat nodig is om op de rapportagedatum aan de respectieve kapitaalbuffervereisten te voldoen.

0820

28 Eigenvermogensvereisten in verband met aanpassingen uit hoofde van Pijler II

Artikel 104 bis, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU

Indien een bevoegde autoriteit van mening is dat een instelling in verband met Pijler II additionele eigenvermogensvereisten moet berekenen, worden die additionele eigenvermogensvereisten in deze rij gerapporteerd.

0830

29 Aanvangskapitaal

Artikel 12 en artikelen 28 tot en met 31 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 93 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0840

30 Eigen vermogen op basis van vaste kosten

Artikel 95, lid 2, punt b), artikel96, lid 2, punt b), artikel 97 en artikel 98, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het gerapporteerde bedrag is het eigenvermogensvereiste verkregen door toepassing van de bovengenoemde artikelen.

0850

31 Niet-binnenlandse oorspronkelijke blootstellingen

De informatie die nodig is voor de berekening van de drempel voor de rapportage van de CR GB-template overeenkomstig artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening. De drempel wordt berekend op basis van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactor.

Blootstellingen worden geacht binnenlands te zijn indien zij betrekking hebben op een tegenpartij in de lidstaat waar de instelling is gevestigd.

In afwijking van artikel 21, lid 1, punt a), van deze uitvoeringsverordening moet deze rij steeds worden ingevuld.

0860

32 Totale oorspronkelijke blootstellingen

De informatie die nodig is voor de berekening van de drempel voor de rapportage van de CR GB-template overeenkomstig artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening. De drempel wordt berekend op basis van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactor.

Blootstellingen worden geacht binnenlands te zijn indien zij betrekking hebben op een tegenpartij in de lidstaat waar de instelling is gevestigd.

In afwijking van artikel 21, lid 1, punt a), van deze uitvoeringsverordening moet deze rij steeds worden ingevuld.

1.6   OVERGANGSBEPALINGEN en INSTRUMENTEN WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN: INSTRUMENTEN DIE GEEN STAATSSTEUN BEHELZEN (CA5)

1.6.1   Algemene opmerkingen

16. CA5 geeft een overzicht van de berekening van onderdelen en aftrekkingen van eigen vermogen uit hoofde van de overgangsbepalingen zoals vastgelegd in de artikelen 465 tot en met 491, artikel 494 bis en artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013.

17. CA5 heeft de volgende structuur:

a) 

Template CA5.1 geeft een overzicht van de totale aanpassingen die moeten worden doorgevoerd aan de verschillende eigenvermogensbestanddelen (gerapporteerd in CA1 overeenkomstig de definitieve bepalingen) als gevolg van de toepassing van de overgangsbepalingen. De onderdelen van deze template worden gepresenteerd als „aanpassingen” van de verschillende kapitaalbestanddelen in CA1, teneinde het effect van de overgangsbepalingen op de eigenvermogensbestanddelen weer te geven.

b) 

Template 5.2 omvat nadere gegevens over de berekening van de instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die geen staatssteun behelzen.

18. In de eerste vier kolommen rapporteren de instellingen de aanpassingen van het tier 1-kernkapitaal, het aanvullend tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal, alsmede het als risicogewogen actiefposten te behandelen bedrag. De instellingen zijn ook verplicht om in kolom 0050 het toepasselijke percentage te rapporteren en in kolom 0060 het in aanmerking komende bedrag zonder toepassing van de overgangsbepalingen.

19. De instellingen rapporteren uitsluitend elementen in CA5 gedurende de periode waarin overeenkomstig deel tien van Verordening (EU) nr. 575/2013 overgangsbepalingen van toepassing zijn.

20. Onder sommige overgangsbepalingen is een aftrekking van tier 1-kapitaal vereist. Is dit het geval, en is het aanvullend tier 1-kapitaal ontoereikend om het resterende bedrag van de aftrekking(en) van het tier-1-kapitaal te verwerken, dan wordt het meerdere afgetrokken van het tier 1-kernkapitaal.

1.6.2   C 05.01 – Overgangsbepalingen (CA5.1)

21. De instellingen rapporteren in template CA5.1 de overgangsbepalingen voor eigenvermogensbestanddelen zoals vastgelegd in de artikelen 465 tot en met 491, 494 bis en 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013, vergeleken met de toepassing van de definitieve bepalingen zoals vastgelegd in deel twee, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

22. De instellingen rapporteren in de rijen 0060 tot en met 0065 gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen voor instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn. De in rij 0060 van CA5.1 te rapporteren cijfers weerspiegelen de overgangsbepalingen die zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 575/2013 in de versie die van toepassing was tot en met 26 juni 2019, en kunnen worden afgeleid van de respectieve afdelingen van CA5.2. De rijen 0061 tot en met 0065 brengen het effect in beeld van de overgangsbepalingen van de artikelen 494 bis en 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013.

23. De instellingen rapporteren in de rijen 0070 tot en met 0092 gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen voor minderheidsbelangen en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend tier 1-instrumenten en tier-2-instrumenten (overeenkomstig de artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

24. De instellingen rapporteren in de rijen vanaf rij 0100 informatie met betrekking tot het effect van de overgangsbepalingen betreffende niet-gerealiseerde winsten en verliezen, aftrekkingen, additionele filters en aftrekkingen, en IFRS 9.

25. Mogelijk zijn er gevallen waarin de krachtens de overgangsbepalingen verrichte aftrekkingen van tier 1-kernkapitaal, van aanvullend tier 1-kapitaal of van tier 2-kapitaal het bedrag van het tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1-kapitaal of tier 2-kapitaal van een instelling overschrijden. Dat effect moet – als het voortvloeit uit overgangsbepalingen – in de desbetreffende cellen van de CA1-template tot uiting komen. In de aanpassingen in de kolommen van de CA5-template zijn eventuele overloopeffecten die optreden als het beschikbare kapitaal ontoereikend is, derhalve niet verwerkt.

1.6.2.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

Aanpassingen van tier 1-kernkapitaal

0020

Aanpassingen van aanvullend tier 1-kapitaal

0030

Aanpassingen van tier 2-kapitaal

0040

Aanpassingen verwerkt in risicogewogen actiefposten

Kolom 0040 omvat de relevante bedragen tot aanpassing van het totaal van de risicoposten van artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 uit hoofde van overgangsbepalingen. In de gerapporteerde bedragen wordt, overeenkomstig artikel 92, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening gehouden met de toepassing van de bepalingen van deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, of deel drie, titel IV, van die verordening. Dat betekent dat overgangsbedragen die onder deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, vallen als risicogewogen posten worden gerapporteerd, terwijl overgangsbedragen waarop deel drie, titel IV, van toepassing is, de eigenvermogensvereisten vertegenwoordigen die met 12,5 zijn vermenigvuldigd.

De kolommen 0010 tot en met 0030 zijn rechtstreeks gekoppeld aan de CA1-template, maar de aanpassingen van het totaal van de risicoposten zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan de desbetreffende templates voor kredietrisico. Eventuele aanpassingen in het totaal van de risicoposten uit hoofde van de overgangsbepalingen worden rechtstreeks opgenomen in de templates CR SA, CR IRB, CR EQU IRB, MKR SA TDI, MKR SA EQU of MKR IM. Daarnaast worden die effecten ook gerapporteerd in kolom 0040 van CA5.1. Bij die bedragen gaat het dus uitsluitend om pro-memorieposten.

0050

Toepasselijk percentage

0060

In aanmerking komend bedrag zonder toepassing van overgangsbepalingen

Deze kolom bevat het bedrag van elk instrument vóór toepassing van overgangsbepalingen, d.w.z. het voor de berekening van de aanpassingen relevante basisbedrag.



Rijen

0010

1. Totale aanpassingen

Deze rij geeft het algehele effect weer van de aanpassingen onder de overgangsbepalingen voor de verschillende soorten kapitaal, plus de uit die aanpassingen voortvloeiende risicogewogen posten.

0020

1.1 Instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikelen 483 tot en met 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij geeft voor de verschillende soorten kapitaal het algehele effect weer van instrumenten waarvoor tijdens de overgangsperiode grandfatheringbepalingen van toepassing zijn.

0060

1.1.2 Instrumenten die geen staatssteun behelzen

De te rapporteren bedragen worden ontleend aan kolom 060 van template CA5.2.

0061

1.1.3 Instrumenten uitgegeven via special purpose vehicles

Artikel 494 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

0062

1.1.4 Vóór 27 juni 2019 uitgegeven instrumenten die niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn 2014/59/EU of die onderworpen zijn aan verrekenings- of nettingovereenkomsten

Artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan één of meer criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punten p), q) en r), van die verordening of uit artikel 63, punten n), o) en p), van die verordening, naargelang het geval.

In het geval van tier 2-instrumenten die overeenkomstig artikel 494 ter, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen, worden de afschrijvingsbepalingen van artikel 64 van die verordening in acht genomen.

0063

1.1.4.1* waarvan: Instrumenten zonder wettelijk of contractueel verplichte afschrijving of omzetting bij uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU

Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt p), en artikel 63, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p), of uit artikel 63, punt n), van die verordening, naargelang het geval.

Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt q) of r), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt o) of p), van die verordening, naargelang het geval.

0064

1.1.4.2* waarvan: Onder het recht van derde landen vallende instrumenten zonder daadwerkelijke en afdwingbare uitoefening van de bevoegdheden overeenkomstig artikel 59 van richtlijn 2014/59/EU

Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt q), en artikel 63, punt o), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt q), of uit artikel 63, punt o), van die verordening, naargelang het geval.

Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p) of r), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt n) of p), van die verordening, naargelang het geval.

0065

1.1.4.3* waarvan: Aan verrekenings- of nettingovereenkomsten instrumenten

Artikel 494 ter, artikel 52, lid 1, punt r), en artikel 63, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het bedrag aan instrumenten die binnen het toepassingsgebied van artikel 494 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt r), of uit artikel 63, punt p), van die verordening, naargelang het geval.

Dit omvat ook instrumenten die bovendien niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen uit artikel 52, lid 1, punt p) of q), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 63, punt n) of o), van die verordening, naargelang het geval.

0070

1.2 Minderheidsbelangen en daaraan gelijk te stellen posten

Artikelen 479 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij geeft het effect weer van overgangsbepalingen op minderheidsbelangen die in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaal, de gekwalificeerde tier 1-instrumenten die in aanmerking komen als geconsolideerd aanvullend tier 1-kapitaal, en het gekwalificeerde eigen vermogen dat in aanmerking komt als geconsolideerd tier 2-kapitaal.

0080

1.2.1 Niet als minderheidsbelang aangemerkte kapitaalinstrumenten en posten

Artikel 479 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het in kolom 060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat overeenkomstig eerdere wet- en regelgeving als geconsolideerde reserve wordt aangemerkt.

0090

1.2.2 Opneming van minderheidsbelangen in het geconsolideerde eigen vermogen onder de overgangsbepalingen

Artikelen 84 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt.

0091

1.2.3 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend tier 1-kapitaal onder de overgangsbepalingen

Artikelen 85 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt.

0092

1.2.4 Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van in aanmerking komend aanvullend-tier 2-kapitaal onder de overgangsbepalingen

Artikelen 87 en 480 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag is het bedrag dat zonder de overgangsbepalingen in aanmerking komt.

0100

1.3 Andere aanpassingen onder de overgangsbepalingen

Artikelen 468 tot en met 478 en artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij geeft het algehele effect weer van de aanpassingen onder de overgangsbepalingen op de aftrekking voor de verschillende soorten kapitaal, niet-gerealiseerde winsten en verliezen, aanvullende filters en aftrekkingen, plus de uit die aanpassingen voortvloeiende risicogewogen posten.

0111

1.3.1.6 Niet-gerealiseerde winsten en verliezen uit hoofde van bepaalde blootstellingen met betrekking tot centrale overheden, regionale overheden, lokale autoritieiten en publiekrechtelijke lichamen

Artikel 468 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0112

1.3.1.6.1 waarvan: bedrag A

Het bedrag A, berekend volgens de in artikel 468, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde formule

0140

1.3.2 Aftrekkingen

Artikel 36, lid 1, en artikelen 469 tot en met 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij geeft het algehele effect van de overgangsbepalingen op aftrekkingen weer.

0170

1.3.2.3 Uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en niet uit tijdelijke verschillen voortvloeien

Artikel 36, lid 1, punt c), artikel 469, lid 1, artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bij het vaststellen van het af te trekken bedrag van de bovenvermelde uitgestelde belastingvorderingen houden de instellingen rekening met artikel 38 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de vermindering van de uitgestelde belastingvorderingen met uitgestelde belastingverplichtingen.

Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag: Het totaalbedrag overeenkomstig artikel 469, lid 1, van Verordening (EU) 575/2013

0380

1.3.2.9 Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen en tier 1-kernkapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector waarin de instelling een aanzienlijke deelneming heeft

Artikel 470, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het in kolom 0060 van deze rij te rapporteren bedrag: Artikel 470, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0385

Uitgestelde belastingvorderingen die afhankelijk zijn van toekomstige winstgevendheid en voortvloeien uit tijdelijke verschillen

Artikel 469, lid 1, punt c), artikel 472, lid 5, en artikel 478 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het deel van de uitgestelde belastingvorderingen die van toekomstige winstgevendheid afhankelijk zijn en uit tijdelijke verschillen voortvloeien, dat de 10 %-drempel in artikel 470, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 overschrijdt.

0425

1.3.2.11 Vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

Artikel 471 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0430

1.3.3 Additionele filters en aftrekkingen

Artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij geeft het algehele effect van de overgangsbepalingen op additionele filters en aftrekkingen weer.

Overeenkomstig artikel 481 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren de instellingen onder post 1.3.3 informatie met betrekking tot de filters en aftrekkingen die moeten worden toegepast overeenkomstig de nationale omzettingsmaatregelen voor de artikelen 57 en 66 van Richtlijn 2006/48/EG en voor de artikelen 13 en 16 van Richtlijn 2006/49/EG, en die overeenkomstig deel twee van deze verordening niet hoeven te worden toegepast.

0440

1.3.4 Aanpassingen uit hoofde van overgangsbepalingen van IFRS 9

Artikel 473 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren informatie met betrekking tot de overgangsregelingen uit hoofde van IFRS 9 in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen.

0441

Pro-memoriepost: ECL-impact van de statische component

De som van A2, SA en A2, IRB als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In het geval van A2, IRB is het gerapporteerde bedrag minus verwachte verliezen, zoals vereist door artikel 473 bis, lid 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0442

Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode 1 januari 2018 – 31 december 2019

De som van en als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0443

Pro-memoriepost: ECL-impact van de dynamische component voor de periode vanaf 1 januari 2020

De som van A4, SA en A4, IRB als bedoeld in artikel 473 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In het geval van A4, IRB is het gerapporteerde bedrag minus verwachte verliezen, zoals vereist door artikel 473 bis, lid 5, punten b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

1.6.3   C 05.02 – Instrumenten Waarop Grandfatheringbepalingen van Toepassing Zijn: Instrumenten die Geen Staatssteun Behelzen (CA5.2)

26. De instellingen rapporteren gegevens met betrekking tot de overgangsbepalingen van instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die geen staatssteun behelzen (artikelen 484 tot en met 491 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

1.6.3.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

Bedrag van instrumenten plus daaraan gerelateerde agio

Artikel 484, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Instrumenten die in aanmerking komen voor iedere desbetreffende rij, met inbegrip van het daaraan gerelateerde agio.

0020

Grondslag voor berekening van de limiet

Artikel 486, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

Toepasselijk percentage

Artikel 486, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0040

Limiet

Artikel 486, leden 2 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

(–) Bedrag waarmee de limiet voor grandfathering wordt overschreden

Artikel 486, leden 2 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0060

Totale bedrag waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Het te rapporteren bedrag is gelijk aan de in de desbetreffende kolommen van rij 060 van CA5.1. gerapporteerde bedragen.



Rijen

0010

1. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt a), van Richtlijn 2006/48/EG

Artikel 484, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0020

2. Instrumenten die aanmerking kwamen voor artikel 57, punt c bis), en artikel 154, leden 8 en 9, van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet

Artikel 484, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

2.1 Totaal van instrumenten zonder mogelijkheid van vervroegde aflossing of aflossingsprikkel

Artikel 484, lid 4, en artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0040

2.2 Instrumenten met mogelijkheid van vervroegde aflossing en aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 489 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

2.2.1 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 489, lid 3, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0060

2.2.2 Instrumenten met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 489, lid 5, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0070

2.2.3 Instrumenten met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 489, lid 6, en artikel 491, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0080

2.3 Overschrijding van de limiet voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 487, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het kapitaal waarmee de limiet voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn wordt overschreden, mag worden behandeld als instrumenten die krachtens grandfatheringbepalingen als aanvullend tier 1-instrumenten kunnen worden aangemerkt.

0090

3. Bestanddelen die aanmerking kwamen voor artikel 57, punten e), f), g) of h), van Richtlijn 2006/48/EG, met inachtneming van de in artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde limiet

Artikel 484, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0100

3.1 Totaal bestanddelen zonder aflossingsprikkel

Artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0110

3.2 Bestanddelen met een aflossingsprikkel waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 490 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0120

3.2.1 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 490, lid 3, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0130

3.2.2 Bestanddelen met een call die na de rapportagedatum kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 490, lid 5, en artikel 491, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0140

3.2.3 Bestanddelen met een call die vóór of op 20 juli 2011 kan worden uitgeoefend en die na de werkelijke vervaldag niet aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen

Artikel 490, lid 6, en artikel 491, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het te rapporteren bedrag zijn de desbetreffende agioreserves verwerkt.

0150

3.3 Overschrijding van de limiet voor aanvullend tier 1-instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn

Artikel 487, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het kapitaal waarmee de limiet wordt overschreden voor aanvullend tier 1-instrumenten waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn, mag worden behandeld als instrumenten die krachtens grandfatheringbepalingen als tier 2-instrumenten kunnen worden aangemerkt.

2.   GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS)

2.1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

27. De templates C 06.01 en C 06.02 worden gerapporteerd indien de eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis worden berekend. Template C 06.02 bestaat uit vier delen, die dienen om informatie te verzamelen over alle afzonderlijke entiteiten (met inbegrip van de rapporterende instelling) binnen de consolidatiekring:

a) 

entiteiten binnen de consolidatiekring;

b) 

gedetailleerde solvabiliteitsgegevens over de groep;

c) 

informatie over de bijdrage van afzonderlijke entiteiten aan de groepssolvabiliteit;

d) 

informatie over kapitaalbuffers.

28. Instellingen waaraan overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 een ontheffing is verleend, rapporteren alleen de kolommen 0010 tot en met 0060 en de kolommen 0250 tot en met 0400.

29. In de gerapporteerde cijfers wordt rekening gehouden met alle toepasselijke overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 die van toepassing zijn op de desbetreffende rapportagedatum.

2.2.   GEDETAILLEERDE SOLVABILITEITSGEGEVENS OVER DE GROEP

30. Het tweede deel van template C 06.02 (gedetailleerde solvabiliteitsgegevens voor de groep) (kolommen 0070 tot en met 0210) dient om informatie te verzamelen over kredietinstellingen en andere gereglementeerde financiële instellingen die feitelijk, en elk afzonderlijk, aan specifieke solvabiliteitvereisten zijn onderworpen. Hierin worden voor elk van de entiteiten die onder de rapportage vallen, de eigenvermogensvereisten per risicocategorie en het eigen vermogen voor solvabiliteitsdoeleinden gegeven.

31. In het geval van proportionele consolidatie van deelnemingen geven de cijfers voor de eigenvermogensvereisten en eigen vermogen de respectieve proportionele bedragen weer.

2.3.   INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN AFZONDERLIJKE ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT

32. Het derde deel van template C 06.02 en de template C 06.01 (informatie over de bijdragen van alle entiteiten binnen de consolidatiekring in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de groepssolvabiliteit, met inbegrip van entiteiten die afzonderlijk niet aan specifieke solvabiliteitsvereisten zijn onderworpen) (de kolommen 0250 tot en met 0400) dienen om vast te stellen welke entiteiten binnen de groep de risico’s veroorzaken en eigen vermogen vanuit de markt genereren, op basis van gegevens die direct beschikbaar zijn of eenvoudig opnieuw kunnen worden verwerkt, zonder dat de kapitaalratio op individuele of gesubconsolideerde basis hoeft te worden gereconstrueerd. Op entiteitsniveau zijn zowel risico- als eigenvermogenscijfers bijdragen aan de groepscijfers en geen onderdelen van een solvabiliteitsratio op individuele basis, en hoeven ze derhalve niet met elkaar te worden vergeleken.

33. Het derde deel omvat ook de bedragen van minderheidsbelangen, in aanmerking komend gekwalificeerd aanvullend tier 1-kapitaal en gekwalificeerd tier 2-kapitaal in het geconsolideerde eigen vermogen.

34. Aangezien in dit derde deel van de template sprake is van „bijdragen”, wijken de hier te rapporteren cijfers, in voorkomend geval , af van de cijfers gerapporteerd in de kolommen met gedetailleerde gegevens over de groepssolvabiliteit.

35. Als algemeen uitgangspunt worden de wederzijdse blootstellingen binnen dezelfde groep op homogene wijze tegen elkaar weggestreept, zowel wat betreft risico’s als eigen vermogen, teneinde de in de geconsolideerde CA-template van de groep gerapporteerde bedragen in beeld te brengen door de bedragen toe te voegen die voor elke entiteit in de template „Groepssolvabiliteit” worden gerapporteerd. Indien de 1 %-drempel niet wordt overschreden, is geen rechtstreekse koppeling met de CA-template mogelijk.

36. De instellingen bepalen de meest geschikte methode voor het uitsplitsen van entiteiten om met eventuele diversificatie-effecten voor marktrisico en operationeel risico rekening te houden.

37. Het is mogelijk dat een geconsolideerde groep wordt opgenomen binnen een andere geconsolideerde groep. Dat betekent dat de entiteiten binnen een subgroep per entiteit in de groepssolvabiliteit van de hele groep worden gerapporteerd, ook al is de subgroep zelf aan rapportagevereisten onderworpen. Een subgroep die aan rapportagevereisten is onderworpen, rapporteert ook de GS-template per entiteit, ook al zijn die gegevens in de GS-template van een hogere geconsolideerde groep opgenomen.

38. Een instelling rapporteert de gegevens over de bijdrage van een entiteit wanneer die bijdrage aan het totaal van de risicoposten hoger is dan 1 % van het totaal van de risicoposten van de groep of wanneer die bijdrage aan het totale eigen vermogen hoger is dan 1 % van het totale eigen vermogen van de groep. Die drempel is niet van toepassing op dochterondernemingen of subgroepen die eigen vermogen (in de vorm van minderheidsbelangen of in het eigen vermogen opgenomen gekwalificeerde aanvullend tier 1- of tier 2-instrumenten) aan de groep verschaffen.

2.4.   C 06.01 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN – Totaal (GS Total)



Kolommen

Instructies

0250-0400

ENTITEITEN BINNEN DE CONSOLIDATIEKRING

Zie de instructies voor C 06.02.

0410-0480

KAPITAALBUFFERS

Zie de instructies voor C 06.02.



Rijen

Instructies

0010

TOTAAL

Het totaal is de som van de waarden die in alle rijen van template C 06.02 zijn gerapporteerd.

2.5.   C 06.02 – GROEPSSOLVABILITEIT: INFORMATIE OVER VERBONDEN PARTIJEN (GS)



Kolommen

Instructies

0011-0060

ENTITEITEN BINNEN DE CONSOLIDATIEKRING

Deze template dient om informatie te verzamelen over iedere afzonderlijke entiteit die in de consolidatiekring is opgenomen overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0011

NAAM

Naam van de entiteit binnen de consolidatiekring.

0021

CODE

De code als onderdeel van een identificatiecode van de rij moet voor elke gerapporteerde entiteit uniek zijn. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is die code de identificatiecode voor juridische entiteiten („LEI-code”). Voor andere entiteiten is de code de LEI-code of, als die niet beschikbaar is, een nationale code. De code moet uniek zijn en consequent worden gebruikt, te allen tijde en in alle templates. De code moet steeds een waarde hebben.

0026

SOORT CODE

De instellingen identificeren het in kolom 0021 gerapporteerde soort code als „LEI-code” of „niet-LEI-code”. Het soort code moet steeds worden gerapporteerd.

0027

NATIONALE CODE

Wanneer instellingen in de kolom „Code” de LEI-code als identificatiecode rapporteren, mogen zij ter aanvulling de nationale code rapporteren.

0030

INSTELLING OF DAARMEE GELIJKWAARDIG (JA/NEE)

„JA” wordt gerapporteerd indien de entiteit is onderworpen aan eigenvermogensvereisten krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU of bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel.

„NEE” in de overige gevallen.

[EUR-Lex] Minderheidsbelangen:

Artikel 81, lid 1, punt a), ii), en artikel 82, lid 1, punt a), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Wat betreft minderheidsbelangen en door dochterondernemingen uitgegeven aanvullend tier 1- en tier 2-instrumenten moeten de dochterondernemingen waarvan instrumenten mogelijk in aanmerking komen, instellingen of ondernemingen zijn die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen zijn.

0035

SOORT ENTITEIT

Het soort entiteit wordt gerapporteerd op basis van de volgende categorieën:

a)  kredietinstelling

Artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)  beleggingsonderneming

Artikel 4, lid 1, punt 2), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)  financiële instelling (overige)

Artikel 4, lid 1, punten 20, 21 en 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Financiële instellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet zijn opgenomen in een van de categorieën d), f) of g);

d)  (gemengde) financiële holding

Artikel 4, lid 1, punten 20 en 21, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)  onderneming die nevendiensten verricht

Artikel 4, lid 1, punt 18), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

f)  special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (SSPE)

Artikel 4, lid 1, punt 66), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

g)  onderneming voor gedekte obligaties

Entiteit die wordt opgericht om gedekte obligaties uit te geven of de zekerheid voor een gedekte obligatie aan te houden, indien deze niet is opgenomen in de bovenstaande categorieën a), b), of d) tot en met f);

h)  ander soort entiteit

Entiteit niet zijnde die bedoeld in de punten a) tot en met g).

Indien een entiteit niet onder Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU valt, maar onder bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel, wordt de desbetreffende categorie naar beste vermogen bepaald.

0040

AARD VAN DE GEGEVENS: INDIVIDUEEL VOLLEDIG GECONSOLIDEERD (SF) OF INDIVIDUEEL GEDEELTELIJK GECONSOLIDEERD (SP)

„SF” wordt gerapporteerd voor volledig geconsolideerde individuele dochterondernemingen.

„SP” wordt gerapporteerd voor gedeeltelijk geconsolideerde individuele dochterondernemingen.

0050

LANDENCODE

De instellingen rapporteren de tweeletterige ISO 3166-2 landencode.

0060

PERCENTAGE VAN DE DEELNEMING (%)

Dit percentage slaat op het feitelijke deel van het kapitaal dat de moederonderneming in dochterondernemingen bezit. Bij volledige consolidatie van een directe dochteronderneming bedraagt het feitelijke aandeel bijvoorbeeld 70 %. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt het te rapporteren percentage van de deelneming in een dochteronderneming verkregen door de percentages van de betrokken dochterondernemingen te vermenigvuldigen.

0070-0240

INFORMATIE OVER ENTITEITEN DIE AAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN ZIJN ONDERWORPEN

In het gedeelte over gedetailleerde informatie (d.w.z. de kolommen 0070 tot en met 0240) wordt uitsluitend informatie verzameld over entiteiten en subgroepen binnen de consolidatiekring (deel een, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013) en die derhalve daadwerkelijk zijn onderworpen aan solvabiliteitsvereisten uit Verordening (EU) nr. 575/2013 of bepalingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van Bazel (d.w.z. waarvoor in kolom 0030 „JA” is ingevuld).

Er wordt informatie opgenomen over alle individuele instellingen van een geconsolideerde groep die aan eigenvermogensvereisten zijn onderworpen, ongeacht hun vestigingsplaats.

De in dit deel gerapporteerde informatie is een weerspiegeling van de lokale solvabiliteitsregels vanhet rechtsgebied waar de instelling actief is (voor deze template hoeft dus niet per instelling een dubbele berekening te worden gemaakt op basis van de regels van de moederinstelling). Indien de lokale solvabiliteitsregels afwijken van Verordening (EU) nr. 575/2013 en geen vergelijkbare uitsplitsing wordt gegeven, wordt informatie verstrekt voor zover gegevens in de desbetreffende fijnmazigheid beschikbaar zijn. Dit deel is derhalve een feitelijke template die een overzicht geeft van de berekeningen die door de afzonderlijke instellingen van een groep worden verricht, met dien verstande dat sommige van die instellingen aan afwijkende solvabiliteitsregels onderworpen kunnen zijn.

Rapportage van vaste kosten van beleggingsondernemingen:

Beleggingsondernemingen nemen in hun berekening van de kapitaalratio overeenkomstig de artikelen 95, 96, 97 en 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013 eigenvermogensvereisten op met betrekking tot de vaste kosten.

Het deel van het totaal van de risicoposten dat verband houdt met vaste kosten, wordt in kolom 0100 van deze template gerapporteerd.

0070

TOTAAL RISICOPOSTEN

Hier wordt de som van de kolommen 0080 tot en met 0110 gerapporteerd.

0080

KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met de som van de risicogewogen posten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0040 „RISICOGEWOGEN POSTEN VOOR KREDIET-, TEGENPARTIJKREDIET- EN VERWATERINGSRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES” te rapporteren risicoposten en de bedragen van de eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0490 „TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO’S” van template CA2 te rapporteren posten.

0090

POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag aan eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0520 „TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S” van template CA2 te rapporteren posten.

0100

OPERATIONEEL RISICO

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van risicoposten dat gelijk is aan of gelijkwaardig met de in rij 0590 „TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR OPERATIONELE RISICO’S (OpR)” van template CA2 te rapporteren posten.

Vaste kosten worden in deze kolom opgenomen, met inbegrip van rij 0630 „ADDITIONELE RISICOPOSTEN ALS GEVOLG VAN VASTE KOSTEN” van template CA2.

0110

ANDERE RISICOPOSTEN

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van de risicoposten dat hierboven niet specifiek wordt genoemd. Het is de som van de bedragen in de rijen 0640, 0680 en 0690 van template CA2.

0120-0240

GEDETAILLEERDE INFORMATIE OVER EIGEN VERMOGEN IN VERBAND MET DE GROEPSOLVABILITEIT

De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is een weerspiegeling van de lokale solvabiliteitsregels van de lidstaat waar de entiteit of subgroep actief is.

0120

EIGEN VERMOGEN

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van eigenvermogensvereisten die gelijk zijn aan of gelijkwaardig met de in rij 0010 „EIGEN VERMOGEN” van template CA1 te rapporteren posten.

0130

WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN

Artikel 82 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom wordt uitsluitend ingevuld voor individueel gerapporteerde dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn.

Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn gekwalificeerde deelnemingen de instrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten, agioreserves en andere reserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen.

Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag.

0140

GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN, AGIORESERVES EN ANDERE RESERVES

Artikel 87, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0150

TOTALE TIER 1-KAPITAAL

Artikel 25 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0160

WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 1-KAPITAAL

Artikel 82 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom wordt uitsluitend ingevuld voor individueel gerapporteerde dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn.

Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn gekwalificeerde deelnemingen de instrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen.

Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag.

0170

GERELATEERDE TIER 1-INSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN EN AGIOREKENINGEN

Artikel 85, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0180

TIER 1-KERNKAPITAAL

Artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0190

WAARVAN: MINDERHEIDSBELANGEN:

Artikel 81 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 84, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle krachtens artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 84, lid 2, op individuele basis.

Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de tier 1-kernkapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen.

Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag.

0200

GERELATEERDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN, GERELATEERDE INGEHOUDEN WINSTEN, AGIORESERVES EN ANDERE RESERVES

Artikel 84, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0210

AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL

Artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0220

WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL

Artikelen 82 en 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor de dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 85, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle in artikel 85 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 85, lid 2, op individuele basis.

Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen.

Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag.

0230

TIER 2-KAPITAAL

Artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0240

WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND TIER 2-KAPITAAL

Artikelen 82 en 83 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom wordt uitsluitend gerapporteerd voor de dochterondernemingen die volledig geconsolideerd zijn en instellingen zijn, met uitzondering van in artikel 87, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde dochterondernemingen. Iedere dochteronderneming wordt ten behoeve van alle in artikel 87 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste berekeningen, voor zover van toepassing, op gesubconsolideerde basis beschouwd; in de overige gevallen, overeenkomstig artikel 87, lid 2, van die verordening, op individuele basis.

Met betrekking tot de bovengenoemde dochterondernemingen zijn minderheidsbelangen de tier 2-kapitaalinstrumenten (en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agioreserves) die eigendom zijn van personen niet zijnde de in de consolidatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 betrokken ondernemingen.

Het te rapporteren bedrag is inclusief het effect van eventuele overgangsbepalingen. Het betreft het op de referentiedatum in aanmerking komende bedrag.

0250-0400

INFORMATIE OVER DE BIJDRAGE VAN ENTITEITEN AAN DE GROEPSSOLVABILITEIT

0250-0290

BIJDRAGE AAN RISICO’S

De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is in overeenstemming met de solvabiliteitsvoorschriften die op de rapporterende instelling van toepassing zijn.

0250

TOTAAL RISICOPOSTEN

Hier wordt de som van de kolommen 0260 tot en met 0290 gerapporteerd.

0260

KREDIET; TEGENPARTIJKREDIET; VERWATERINGSRISICO’S, NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES EN AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO

Het te rapporteren bedrag is gelijk aan dat van de risicogewogen posten voor kredietrisico en eigenvermogensvereisten van afwikkelings-/leveringsrisico’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van bedragen die gerelateerd zijn aan transacties met andere entiteiten die in de geconsolideerde berekening van de solvabiliteitsratio van de groep zijn betrokken.

0270

POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S

De risicoposten voor marktrisico moeten in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013 worden berekend op het niveau van elke entiteit afzonderlijk. De entiteiten rapporteren de bijdrage aan het totaal van de risicoposten voor de positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s van de groep. De som van die hier gerapporteerde bedragen stemt overeen met het bedrag gerapporteerd in rij 0520 „TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR POSITIE-, VALUTA- EN GRONDSTOFFENRISICO’S” van de geconsolideerde rapportage.

0280

OPERATIONEEL RISICO

In het kader van de geavanceerde meetbenaderingen (AMA) houden de gerapporteerde risicoposten voor operationeel risico rekening met het diversificatie-effect.

Vaste algemene kosten worden in deze kolom opgenomen.

0290

ANDERE RISICOPOSTEN

Het in deze kolom te rapporteren bedrag stemt overeen met het bedrag van de risicoposten dat hierboven niet specifiek wordt genoemd.

0300-0400

BIJDRAGE AAN EIGEN VERMOGEN

Dit deel van de template is niet bedoeld om instellingen te verplichten een complete berekening te maken van de totale kapitaalratio op het niveau van iedere entiteit afzonderlijk.

De kolommen 0300 tot en met 0350 worden gerapporteerd voor geconsolideerde entiteiten die aan het eigen vermogen bijdragen via minderheidsbelangen, in aanmerking komend tier 1-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen. Met inachtneming van de drempel die is vastgesteld in deel II, hoofdstuk 2.3, laatste alinea, hierboven, worden de kolommen 0360 tot en met 0400 gerapporteerd voor alle geconsolideerde entiteiten die aan het geconsolideerde eigen vermogen bijdragen.

Eigen vermogen dat in een entiteit wordt ingebracht door de overige entiteiten die onder de rapporterende entiteit vallen, wordt buiten beschouwing gelaten; in deze kolom wordt uitsluitend de nettobijdrage aan het eigen vermogen van de groep gerapporteerd (hoofdzakelijk het eigen vermogen dat via derden en cumulatieve reserves wordt ingebracht).

De in de volgende kolommen te rapporteren informatie is in overeenstemming met de solvabiliteitsvoorschriften die op de rapporterende instelling van toepassing zijn.

0300-0350

IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN

Het als „IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN” te rapporteren bedrag is het bedrag dat wordt afgeleid uit deel twee, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitzondering van vermogen dat door andere groepsentiteiten wordt ingebracht.

0300

IN HET GECONSOLIDEERDE EIGEN VERMOGEN OPGENOMEN IN AANMERKING KOMEND EIGEN VERMOGEN

Artikel 87 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0310

IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN

Artikel 85 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0320

IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 1-KERNKAPITAAL OPGENOMEN MINDERHEIDSBELANGEN

Artikel 84 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen.

0330

IN HET GECONSOLIDEERDE AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE TIER 1-INSTRUMENTEN

Artikel 86 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het bedrag aan in aanmerking komende tier-1-kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde aanvullend tier 1-kapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen.

0340

IN HET GECONSOLIDEERDE TIER 2-KAPITAAL OPGENOMEN IN AANMERKING KOMENDE EIGENVERMOGENSINSTRUMENTEN

Artikel 88 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het bedrag van de minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 2-kapitaal overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 is opgenomen.

0350

PRO-MEMORIEPOST: GOODWILL (-) / (+) NEGATIEVE GOODWILL

0360-0400

GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN

Artikel 18 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het als „GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN” te rapporteren bedrag is het bedrag dat wordt ontleend aan de balans, met uitzondering van vermogen dat door andere groepsentiteiten wordt ingebracht.

0360

GECONSOLIDEERD EIGEN VERMOGEN

0370

WAARVAN: TIER 1-KERNKAPITAAL

0380

WAARVAN: AANVULLEND TIER 1-KAPITAAL

0390

WAARVAN: BIJDRAGEN AAN HET GECONSOLIDEERDE RESULTAAT

Hier wordt de bijdrage van iedere entiteit aan het geconsolideerde resultaat (winst of verlies (-)) gerapporteerd. Dit omvat de aan minderheidsbelangen toe te rekenen resultaten.

0400

WAARVAN: (-) GOODWILL / (+) NEGATIEVE GOODWILL

Hier wordt de (negatieve) goodwill van de rapporterende entiteit in de dochteronderneming gerapporteerd.

0410-0480

KAPITAALBUFFERS

De rapportage van kapitaalbuffers voor de GS-template volgt de algemene structuur van de CA4-template, met gebruikmaking van dezelfde rapportageconcepten. Bij het rapporteren van de kapitaalbuffers voor de GS-template worden de desbetreffende bedragen gerapporteerd in overeenstemming met de bepalingen die van toepassing zijn om het buffervereiste voor de geconsolideerde situatie van een groep te bepalen. De gerapporteerde bedragen aan kapitaalbuffers vertegenwoordigen bijgevolg de bijdragen van elke entiteit aan de buffers van het groepskapitaal. De gerapporteerde bedragen zijn gebaseerd op de nationale omzettingsmaatregelen van Richtlijn 2013/36/EU en op Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van alle overgangsbepalingen waarin daarin is voorzien.

0410

GECOMBINEERD BUFFERVEREISTE

Artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU

0420

KAPITAALCONSERVERINGSBUFFER

Artikel 128, punt 1, en artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU

Overeenkomstig artikel 129, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU is de kapitaalconserveringsbuffer een aanvullend bedrag aan tier 1-kernkapitaal. Aangezien de kapitaalconserveringsbuffer vast op 2,5 % is gesteld, moet in deze rij een bedrag worden ingevuld.

0430

INSTELLINGSSPECIFIEKE CONTRACYCLISCHE KAPITAALBUFFER

Artikel 128, punt 2, artikel 130 en artikelen 135 tot en met 140 van Richtlijn 2013/36/EU.

Het concrete bedrag van de contracyclische kapitaalbuffer wordt in deze cel gerapporteerd.

0440

CONSERVERINGSBUFFER ALS GEVOLG VAN OP HET NIVEAU VAN EEN LIDSTAAT ONDERKEND MACROPRUDENTIEEL RISICO OF SYSTEEMRISICO

Artikel 458, lid 2, punt d), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In deze cel wordt het bedrag gerapporteerd van de conserveringsbuffer die overeenkomstig artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 naast de kapitaalconserveringsbuffer kan worden verlangd als gevolg van een op het niveau van een lidstaat onderkend macroprudentieel risico of systeemrisico.

0450

SYSTEEMRISICOBUFFER

Artikel 128, punt 5, en artikelen 133 en 134 van Richtlijn 2013/36/EU

Het bedrag van de systeemrisicobuffer wordt in deze cel gerapporteerd.

0470

BUFFER VOOR MONDIAAL SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN

Artikel 128, punt 3, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

Het bedrag van de buffer voor mondiaal systeemrelevante instellingen wordt in deze cel gerapporteerd.

0480

BUFFER VOOR ANDERE SYSTEEMRELEVANTE INSTELLINGEN

Artikel 128, punt 4, en artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU

Het bedrag van de buffer voor andere systeemrelevante instellingen wordt in deze cel gerapporteerd.

3.   TEMPLATES VOOR KREDIETRISICO

3.1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

39. Voor de standaardmethode en voor de interneratingmethode voor kredietrisico zijn er verschillende sets templates. Daarnaast worden afzonderlijke templates gerapporteerd voor de geografische uitsplitsing van posities die aan kredietrisico onderhevig zijn, indien de desbetreffende drempelwaarde van artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening wordt overschreden.

3.1.1   Rapportage van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect

40. Blootstellingen met betrekking tot debiteuren (directe tegenpartijen) en garanten die worden toegewezen aan dezelfde blootstellingscategorie, worden gerapporteerd als instroom en als uitstroom naar dezelfde blootstellingscategorie.

41. Het soort blootstelling verandert niet als gevolg van niet-volgestorte kredietprotectie.

42. Indien een blootstelling wordt gedekt door een niet-volgestorte kredietprotectie, wordt het gedekte gedeelte aangemerkt als een uitstroom in bijvoorbeeld de blootstellingscategorie van de debiteur en als een instroom in de blootstellingscategorie van de protectiegever. Het soort blootstelling verandert echter niet als gevolg van de wijziging van blootstellingscategorie.

43. In het substitutie-effect in het COREP-rapportagekader komt de risicowegingsbehandeling tot uiting die daadwerkelijk van toepassing is op het gedekte deel van de blootstelling. Het gedekte deel van de blootstelling wordt derhalve naar risico gewogen overeenkomstig de standaardbenadering en wordt in de CR SA-template gerapporteerd.

3.1.2   Rapportage van tegenpartijkredietrisico

44. Blootstellingen die voortvloeien uit tegenpartijkredietrisicoposities worden gerapporteerd in de CR SA- of CR IRB-template, ongeacht of het posten in de niet-handelsportefeuille of posten in de handelsportefeuille betreft.

3.2.   C 07.00 – KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: STANDAARDBENADERING VAN KAPITAALVEREISTEN (CR SA)

3.2.1   Algemene opmerkingen

45. De CR SA-templates bieden de informatie die noodzakelijk is het berekenen van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico overeenkomstig de standaardbenadering. Zij bieden met name gedetailleerde informatie over:

a) 

de verdeling van de blootstellingswaarden volgens de verschillende soorten blootstelling, risicogewichten en blootstellingscategorieën;

b) 

de hoeveelheid en soort kredietrisicolimiteringstechnieken die worden gebruikt om de risico’s te limiteren.

3.2.2   Reikwijdte van de CR SA-template

46. Voor de berekening van de eigenvermogensvereisten dient overeenkomstig artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 iedere blootstelling in het kader van de standaardbenadering te worden toegewezen aan een van de 16 blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering.

47. De informatie in CR SA wordt verlangd voor de totale blootstellingscategorieën en voor elk van de blootstellingscategorieën afzonderlijk volgens de standaardbenadering. De totaalcijfers en de informatie voor elke afzonderlijke blootstellingscategorie worden in een aparte dimensie gerapporteerd.

48. De volgende posities vallen evenwel niet binnen het bereik van CR SA:

a) 

Blootstellingen toegewezen aan de in artikel 112, punt m), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorie „posten die securitisatieposities vertegenwoordigen” worden in de CR SEC-templates gerapporteerd.

b) 

Van het eigen vermogen afgetrokken blootstellingen.

49. Onder de CR SA-template vallen de volgende eigenvermogensvereisten:

a) 

kredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (standaardbenadering) in de niet-handelsportefeuille, waaronder tegenpartijkredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening (tegenpartijkredietrisico) in de niet-handelsportefeuille;

b) 

kredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de handelsportefeuille;

c) 

afwikkelingsrisico voortvloeiende uit niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot alle bedrijfsactiviteiten.

50. De template omvat alle blootstellingen waarvoor de eigenvermogensvereisten worden berekend in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Instellingen die artikel 94, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen, moeten in deze template ook hun in artikel 92, lid 3, punt b), van die verordening bedoelde handelsportefeuilleposities rapporteren wanneer zij de eigenvermogensvereisten dienaangaande berekenen op basis van deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van die verordening (deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 6, en deel drie, titel V, van die verordening). De template geeft daarom niet alleen gedetailleerde informatie over het soort blootstelling (bv. posten binnen of buiten de balanstelling), maar ook informatie over de toewijzing van risicogewichten binnen de respectieve blootstellingscategorieën.

51. Verder bevat CR SA pro-memorieposten in de rijen 0290 tot en met 0320 voor het verzamelen van verdere informatie over blootstellingen die worden gedekt door hypotheken op onroerend goed en blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling.

52. Die pro-memorieposten worden uitsluitend gerapporteerd voor de volgende blootstellingscategorieën:

a) 

centrale overheden of centrale banken (artikel 112, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

b) 

regionale overheden of lokale autoriteiten (artikel 112, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

c) 

publiekrechtelijke lichamen (artikel 112, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

d) 

instellingen (artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

e) 

ondernemingen (artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013);

f) 

particulieren en kleine partijen (artikel 112, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013).

53. De rapportage van de pro-memorieposten heeft geen gevolgen voor de berekening van de risicogewogen posten van de in template CR SA gerapporteerde blootstellingscategorieën van artikel 112, punten a) tot en met en c) en punten f), tot en met en h), van Verordening (EU) nr. 575/2013, noch voor de in template CR SA gerapporteerde blootstellingscategorieën van artikel 112, punt i) en j), van die verordening.

54. De rijen voor pro-memorieposten geven aanvullende informatie over de debiteurenstructuur van de blootstellingscategorieën „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” of „gedekt door onroerend goed”. Blootstellingen worden in die rijen gerapporteerd indien de debiteuren in de blootstellingscategorieën „centrale overheden of centrale banken”, „regionale overheden of lokale autoriteiten”, „publiekrechtelijke lichamen”, „instellingen”, „ondernemingen” en „particulieren en kleine partijen” van CR SA zouden zijn gerapporteerd als die genoemde blootstellingen niet waren ingedeeld bij de blootstellingscategorieën „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” of „gedekt door onroerend goed”. De gerapporteerde cijfers zijn evenwel dezelfde als die ten behoeve van de berekening van de risicogewogen posten in de blootstellingscategorieën „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” of „gedekt door onroerend goed”.

55. Indien bijvoorbeeld een blootstelling waarvan de risicoposten worden berekend met inachtneming van artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de waardeaanpassingen minder dan 20 % bedragen, dan wordt die informatie gerapporteerd in rij 0320 van CR SA wat betreft het totaal en in de blootstellingscategorie „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling”. Indien deze blootstelling, voordat er sprake was van wanbetaling, een blootstelling was met betrekking tot een instelling, dan wordt deze informatie ook gerapporteerd in rij 0320 van de blootstellingscategorie „instellingen”.

3.2.3   Toewijzing van blootstellingen met betrekking tot blootstellingscategorieën in het kader van de standaardbenadering

56. Om een consistente indeling te waarborgen van blootstellingen in de verschillende blootstellingscategorieën van artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt de volgende stapsgewijze benadering toegepast:

a) 

In een eerste stap wordt de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactoren ingedeeld in de desbetreffende (oorspronkelijke) in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorie, onverminderd de specifieke behandeling (risicogewicht) waaraan iedere afzonderlijke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie is onderworpen.

b) 

In een tweede stap kunnen de blootstellingen opnieuw worden ingedeeld in andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling (bv. garanties, kredietderivaten, eenvoudige benadering van financiële zekerheden) via instromen en uitstromen.

57. De volgende criteria zijn van toepassing op de indeling van de oorspronkelijke blootstelling in de verschillende blootstellingscategorieën vóór toepassing van de omrekeningsfactoren (eerste stap), onverminderd de daaropvolgende herindeling als gevolg van het gebruik van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling en onverminderd de behandeling (risicogewicht) waaraan iedere afzonderlijke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie is onderworpen.

58. Voor de indeling van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren in de eerste stap worden de aan de blootstelling gerelateerde kredietrisicolimiteringstechnieken niet in aanmerking genomen (wel worden deze technieken expliciet in aanmerking genomen in de tweede fase), tenzij een protectie-effect intrinsiek deel uitmaakt van de definitie van een blootstellingscategorie, zoals het geval is bij de in artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorie blootstellingen (blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed).

59. Artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevat geen criteria voor het ontkoppelen van de categorieën blootstellingen. Dit zou kunnen betekenen dat een blootstelling in verschillende categorieën blootstellingen zou kunnen worden geclassificeerd indien niet is voorzien in een rangorde van beoordelingscriteria voor de indeling. Het meest evidente geval is dat van blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn (artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013) en blootstellingen met betrekking tot instellingen (artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013) of blootstellingen met betrekking tot ondernemingen (artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013). In dat geval is het duidelijk dat er sprake is van een impliciete rangorde in die verordening, aangezien eerst wordt beoordeeld of een bepaalde blootstelling geschikt is om te worden toegewezen aan blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen op de korte termijn en pas daarna wordt nagegaan of die blootstelling geschikt is om te worden toegewezen aan blootstellingen met betrekking tot instellingen of blootstellingen met betrekking tot ondernemingen. Anders zou immers aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013 nooit een blootstelling worden toegewezen. Dit is een van de meest evidente voorbeelden, maar niet het enige. Belangrijk is nog dat de criteria die worden gehanteerd voor het vaststellen van de blootstellingscategorieën in het kader van de standaardbenadering anders zijn (institutionele indeling, duur van de blootstelling, status na vervaldatum enz.), hetgeen de achterliggende reden is voor niet-ontkoppelde groeperingen.

60. Voor een homogene en vergelijkbare rapportage is het noodzakelijk een specifieke rangorde aan te brengen in de beoordelingscriteria voor toewijzing van de oorspronkelijke blootstelling aan blootstellingscategorieën vóór toepassing van de omrekeningsfactor, onverminderd de specifieke behandeling (risicogewicht) die iedere specifieke blootstelling binnen de toegewezen blootstellingscategorie krijgt. De onderstaande rangordecriteria gaan uit van een beslisboom en zijn gebaseerd op beoordeling van de expliciet in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden voor toewijzing van een blootstelling aan een bepaalde blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, op een besluit door de rapporterende instellingen of de toezichthouder inzake de toepasselijkheid van bepaalde blootstellingscategorieën. Het resultaat van het proces van de toewijzing van blootstellingen voor rapportagedoeleinden zou daarmee voldoen aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013. Een en ander belet instellingen niet om andere interne toewijzingsprocedures te volgen die evengoed aansluiten bij alle desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de uitlegging daarvan door de daartoe geëigende fora.

61. Een blootstellingscategorie heeft in de rangorde van de beslisboom prioriteit boven andere (d.w.z. eerst wordt bepaald of een blootstelling aan deze categorie kan worden toegewezen, ongeacht het resultaat van die beoordeling) indien daaraan anders mogelijk helemaal geen blootstellingen zouden worden toegewezen. Dat zal het geval zijn wanneer, zonder rangordecriteria, één blootstellingscategorie een subset van andere categorieën zou zijn. De criteria die in de onderstaande beslisboom grafisch zijn weergegeven, zouden derhalve in een bepaalde volgorde worden toegepast.

62. Tegen deze achtergrond resulteert de onderstaande beslisboom in de volgende rangorde:

1. 

securitisatieposities;

2. 

posten met een bijzonder hoog risico;

3. 

blootstellingen in aandelen;

4. 

blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling;

5. 

blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging („icb’s”) of blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (ontkoppelde blootstellingscategorieën);

6. 

blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed;

7. 

andere posten;

8. 

blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn;

9. 

alle overige blootstellingscategorieën (ontkoppelde blootstellingscategorieën) met inbegrip van blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken; blootstellingen met betrekking tot regionale overheden of lokale autoriteiten; blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen; blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken; blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties; blootstellingen met betrekking tot instellingen; blootstellingen met betrekking tot ondernemingen en blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

63. In het geval van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging waarbij de doorkijkbenadering of de beleidsbenadering wordt toegepast (artikel 132 bis, punten 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013), worden de onderliggende individuele blootstellingen (in het geval van de doorkijkbenadering) en de individuele groep blootstellingen (in het geval van de beleidsbenadering) in aanmerking genomen en geclassificeerd in hun eigen risicogewichtregel overeenkomstig hun behandeling. Alle individuele blootstellingen worden echter ingedeeld bij de blootstellingscategorie blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging („icb’s”).

64. Nth-to-default kredietderivaten, waarvan sprake in artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, die een rating hebben, worden onmiddellijk als securitisatieposities geclassificeerd. Hebben zij geen rating, dan worden ze in aanmerking genomen in de blootstellingscategorie „andere posten”. In dat laatste geval wordt het nominale bedrag van de overeenkomst gerapporteerd als de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van de omrekeningsfactoren in de regel voor „Andere risicogewichten” (het te hanteren risicogewicht is het gewicht dat wordt aangegeven door de som in artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

65. In een tweede stap worden als gevolg van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten blootstellingen opnieuw toegewezen aan de blootstellingscategorie van de protectiegever.

BESLISBOOM VOOR TOEWIJZING VAN DE OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN AAN DE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN VAN DE STANDAARDBENADERING OVEREENKOMSTIG VERORDENING (EU) Nr. 575/2013



Oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt m), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Securitisatieposities

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt k), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Posten met een bijzonder hoog risico (zie ook artikel 128 van Verordening (EU) nr. 575/2013)

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Blootstellingen in aandelen (zie ook artikel 133 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorieën van artikel 112, punten l) en o), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb’s)

Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (zie ook artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013)

Deze beide blootstellingscategorieën zijn niet onderling gekoppeld (zie opmerkingen over de doorkijkbenadering in bovenstaand antwoord). Toewijzing aan een ervan is dan ook eenvoudig.

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Blootstellingen in de vorm van hypotheken op onroerend goed (zie ook artikel 124 van Verordening (EU) nr. 575/2013)

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt q), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Andere posten

NEE [EUR-Lex]

 

 

Kan de blootstelling worden toegewezen aan de blootstellingscategorie van artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013?

JA [EUR-Lex]

Blootstellingen met betrekking tot instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

NEE [EUR-Lex]

 

 

De onderstaande blootstellingscategorieën zijn niet onderling gekoppeld. Toewijzing aan een ervan is dan ook eenvoudig.

Blootstellingen met betrekking tot centrale overheden of centrale banken

Blootstellingen met betrekking tot regionale regionale overheden of lokale autoriteiten

Blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen

Blootstellingen met betrekking tot multilaterale ontwikkelingsbanken

Blootstellingen met betrekking tot internationale organisaties

Blootstellingen met betrekking tot instellingen

Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

3.2.4   Toelichting bij de reikwijdte van enkele specifieke blootstellingscategorieën waarvan sprake in artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013

3.2.4.1   De blootstellingscategorie „instellingen”

66. Intragroepsblootstellingen overeenkomstig artikel 113, leden 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als volgt gerapporteerd:

67. Blootstellingen die aan de vereisten van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, worden gerapporteerd in de blootstellingscategorie die van toepassing zou zijn als zij geen intragroepsblootstellingen waren geweest.

68. Overeenkomstig artikel 113, leden 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een instelling, met de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, besluiten de vereisten van lid 1 van dat artikel niet toe te passen op de blootstellingen van die instelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, haar dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, dan wel een onderneming die verbonden is door een band als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG. Een en ander betekent dat onder intragroepstegenpartijen niet noodzakelijkerwijs instellingen wordt verstaan, maar ook ondernemingen die zijn toegewezen aan andere blootstellingscategorieën, bv. ondernemingen die nevendiensten verrichten of ondernemingen in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad ( 5 ). Intragroepsblootstellingen dienen daarom in de desbetreffende blootstellingscategorie te worden gerapporteerd.

3.2.4.2   De blootstellingscategorie „gedekte obligaties”

69. Blootstellingen volgens de standaardbenadering worden als volgt aan de blootstellingscategorie „gedekte obligaties” toegewezen:

70. In artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ) bedoelde obligaties moeten voldoen aan de vereisten van artikel 129, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om in de blootstellingscategorie „gedekte obligaties” te kunnen worden geclassificeerd. Daarbij moet in elk afzonderlijk geval worden nagegaan of aan die vereisten is voldaan. Niettemin worden, uit hoofde van artikel 129, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ook obligaties overeenkomstig artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, aan de blootstellingscategorie „gedekte obligaties” toegewezen.

3.2.4.3   De blootstellingscategorie „instellingen voor collectieve belegging”

71. Indien van de in artikel 132, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, worden blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb’s gerapporteerd als posten binnen de balanstelling overeenkomstig artikel 111, lid 1, eerste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.2.5   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

De blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder rekening te houden met waardeaanpassingen en voorzieningen, omrekeningsfactoren en het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken met de volgende kwalificaties uit hoofde van artikel 111, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013:

1.  Voor afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die onderhevig zijn aan tegenpartijkredietrisico (deel drie, titel II, hoofdstuk 4 of 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), stemt de oorspronkelijke blootstelling overeen met de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico (zie de instructies voor kolom 0210).

2.  De blootstellingswaarden voor leaseovereenkomsten zijn aan artikel 134, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 onderworpen. Meer bepaald wordt de restwaarde opgenomen tegen de boekwaarde ervan (d.w.z. de gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode).

3.  In het geval van nettering van balansposten overeenkomstig artikel 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de blootstellingswaarden gerapporteerd rekening houdende met de in de vorm van contanten ontvangen zekerheden.

Indien instellingen gebruikmaken van de afwijking van artikel 473 bis, lid 7 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren zij het bedrag ABSA met een risicoweging van 100 % in de blootstellingscategorie „overige posten” in deze kolom.

0030

(–) Waardeaanpassingen en voorzieningen in verband met de oorspronkelijke blootstelling Artikelen 24 en 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Waardeaanpassingen en voorzieningen voor kredietverliezen (kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 110) overeenkomstig het kader voor financiële verslaggeving waaraan de rapporterende entiteit is onderworpen, alsmede prudente waardeaanpassingen (aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 105, overeenkomstig artikel 36, lid 1, punt m), afgetrokken bedragen en andere eigenvermogensverlagingen in verband met de actiefpost).

0040

Blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen en voorzieningen

De som van de kolommen 0010 en 0030.

0050-0100

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING

Kredietrisicolimiteringstechnieken in de zin van artikel 4, lid 1, punt 57, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die het kredietrisico van een of meer blootstellingen limiteren via substitutie van blootstellingen zoals hieronder omschreven onder „Substitutie van de blootstelling vanwege kredietrisicolimitering”.

Zekerheden die een effect op de blootstellingswaarde hebben (indien deze bijvoorbeeld worden gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), worden gemaximeerd op de blootstellingswaarde.

Hier worden de volgende posten gerapporteerd:

— zekerheid, opgenomen overeenkomstig de eenvoudige benadering van financiële zekerheden;

— in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie.

Zie ook de instructies bij punt 3.1.1.

0050-0060

Niet-volgestorte kredietprotectie: gecorrigeerde waarden (GA)

Artikel 235 van Verordening (EU) nr. 575/2013

In artikel 239, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de formule te vinden voor het berekenen van de aangepaste waarde GA van een niet-volgestorte kredietprotectie.

0050

Garanties

Artikel 203 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die geen kredietderivaten omvat.

0060

Kredietderivaten

Artikel 204 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070-0080

Volgestorte kredietprotectie

Deze kolommen hebben betrekking op volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 58, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inachtneming van de voorschriften van de artikelen 196, 197 en 200 van die verordening. In de bedragen wordt geen rekening gehouden met de master nettingovereenkomsten (reeds opgenomen in de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren).

Beleggingen in credit linked notes als bedoeld in artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en nettering van balansposities die voortvloeien uit toelaatbare overeenkomsten voor nettering van balansposten als bedoeld in artikel 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.

0070

Financiële zekerheden: eenvoudige benadering

Artikel 222, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0080

Overige volgestorte kredietprotectie

Artikel 232 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0090-0100

SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN

Artikel 222, lid 3, artikel 235, leden 1 en 2, en artikel 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De uitstromen komen overeen met het gedekte gedeelte van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt afgetrokken van de blootstellingscategorie van de debiteur en vervolgens wordt toegewezen aan de blootstellingscategorie van de protectiegever. Dat bedrag wordt beschouwd als een instroom in de blootstellingscategorie van de protectiegever.

Ook instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën worden gerapporteerd.

Blootstellingen die voortvloeien uit mogelijke instromen en uitstromen van en naar andere templates, worden in aanmerking genomen.

0110

NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Het bedrag van de blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING.

0120-0140

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE, UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN

Artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze post omvat ook credit linked notes (artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

Credit linked notes als bedoeld in artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en nettering van balansposities die voortvloeien uit toelaatbare overeenkomsten voor nettering van balansposten als bedoeld in artikel 219 van die verordening, worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.

Het effect van de zekerheidsstelling die in het kader van de uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast op een blootstelling die gedekt wordt door toelaatbare financiële zekerheden, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0120

Volatiliteitsaanpassing van de blootstelling

Artikel 223, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag wordt bepaald door het effect van de volatiliteitsaanpassing op de blootstelling (Eva-E) = E*He.

0130

(–) Aangepaste waarde van financiële zekerheden (CVAM)

Artikel 239, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Omvat voor activiteiten in de handelsportefeuille financiële zekerheden en grondstoffen die toelaatbaar zijn voor blootstellingen in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 299, lid 2, punten c) tot en met f), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Het te rapporteren bedrag stemt overeen met CVAM = C*(1-Hc-Hfx)*(t-t*)/(T-t*). Voor een definitie van C, Hc, Hfx, t, T en t*, zie deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdelingen 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0140

(–) Waarvan: Volatiliteits- en looptijdaanpassingen

Artikel 223, lid 1, en artikel 239, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het te rapporteren bedrag is het gecombineerde effect van volatiliteits- en looptijdaanpassingen (CVAM -C) = C*[(1-Hc-Hfx)*(t-t*)/(T-t*)-1], waarbij voor het effect van de volatiliteitsaanpassing geldt dat (CVA-C) = C*[(1-Hc-Hfx)-1] en voor het effect van looptijdaanpassingen dat (CVAM - CVA) = C*(1-Hc-Hfx)*[(t-t*)/(T-t*)-1].

0150

Volledig aangepaste blootstellingswaarde (E*)

Artikel 220, lid 4, artikel 223, leden 2 tot en met 5, en artikel 228, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0160-0190

Uitsplitsing van de volledig aangepaste blootstellingswaarde van posten buiten de balanstelling naar omrekeningsfactor

Artikel 111, lid 1, en artikel 4, lid 1, punt 56, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie ook artikel 222, lid 3, en artikel 228, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De gerapporteerde cijfers zijn de volledig aangepaste blootstellingswaarden vóór toepassing van de omrekeningsfactor.

0200

Blootstellingswaarde

Artikel 111, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, van die verordening

De blootstellingswaarde, na inaanmerkingneming van waardeaanpassingen, alle kredietrisicolimiterende factoren en kredietomrekeningsfactoren die moet worden toegewezen aan risicogewichten overeenkomstig artikel 113 en deel drie, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Op de blootstellingswaarden voor leaseovereenkomsten is artikel 134, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Meer bepaald wordt de restwaarde opgenomen tegen de gedisconteerde restwaarde, na inaanmerkingneming van waardeaanpassingen, alle kredietrisicolimiterende factoren en kredietomrekeningsfactoren.

De blootstellingswaarden voor CCR-activiteiten zijn dezelfde als die gerapporteerd in kolom 0210.

0210

Waarvan: Voortvloeiende uit tegenpartijkredietrisico

Blootstellingswaarde voor CCR-activiteiten berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijnde het relevante bedrag voor de berekening van de risicogewogen posten, d.w.z. nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast en rekening houdende met de aftrek van het geleden CVA-verlies als bedoeld in artikel 273, lid 6, van die verordening.

De blootstellingswaarde voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In gevallen waarin voor één tegenpartij meer dan één CCR-benadering wordt gebruikt, wordt het geleden CVA -verlies, dat op tegenpartijniveau wordt afgetrokken, toegewezen aan de blootstellingswaarde van de verschillende netting sets in de rijen 0090 tot en met 0130 die de verhouding van de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de respectieve netting sets tot de totale blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de tegenpartij weergeven. Hiervoor wordt de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering volgens de instructies voor kolom 0160 van template C 34.02 gebruikt.

0211

Waarvan: Voortvloeiend uit tegenpartijkredietrisico met uitsluiting van via een CTP geclearde blootstellingen

Blootstellingen gerapporteerd in kolom 0210, met uitsluiting van die welke voortvloeien uit in artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang zij bij een centrale tegenpartij („CTP”) uitstaan, met inbegrip van CTP-gerelateerde transacties in de zin van artikel 300, punt 2, van die verordening.

0215

Risicogewogen posten vóór toepassing van ondersteuningsfactoren

Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder rekening te houden met de kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van die verordening.

De risicogewogen post van de restwaarde van geleasede activa valt onder artikel 134, lid 7, zin 5, en wordt berekend volgens de formule „1/t * 100 % * restwaarde”. Meer bepaald is de restwaarde de niet-gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode, die periodiek opnieuw wordt beoordeeld om de voortdurende geschiktheid te waarborgen.

0216

(–) Aanpassing risicogewogen posten in verband met de kmo-ondersteuningsfactor

Aftrekking van het verschil tussen, naargelang het geval, de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten voor niet in wanbetaling zijnde blootstellingen met betrekking tot een kmo („risk-weighted exposure amounts” – RWEA), en RWEA*, overeenkomstig artikel 501, punt 1, van die verordening.

0217

(–) Aanpassing risicogewogen posten in verband met de infrastructuurondersteuningsfactor

Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten en de aangepaste RWEA voor kredietrisico voor blootstellingen met betrekking tot entiteiten actief in de exploitatie of financiering van fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen, overeenkomstig artikel 501 bis van die verordening.

0220

Risicogewogen posten na toepassing van ondersteuningsfactoren

Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van die verordening.

De risicogewogen post van de restwaarde van geleasede activa valt onder artikel 134, lid 7, zin 5, en wordt berekend volgens de formule „1/t * 100 % * restwaarde”. Meer bepaald is de restwaarde de niet-gedisconteerde geschatte restwaarde aan het einde van de leaseperiode, die periodiek opnieuw wordt beoordeeld om de voortdurende geschiktheid te waarborgen.

0230

Waarvan: met een kredietbeoordeling door een aangewezen ekbi

Artikel 112, punten a) tot en met d), f), g), l), n), o) en q), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0240

Waarvan: met een van een centrale overheid afkomstige kredietbeoordeling

Artikel 112, punten b) tot en met d), f), g), l) en o), van Verordening (EU) nr. 575/2013



Rijen

Instructies

0010

Totale blootstellingen

0015

waarvan: Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, in de blootstellingscategorieën „Posten met een bijzonder hoog risico” en „Blootstellingen in aandelen”.

Artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze rij wordt alleen gerapporteerd in de blootstellingscategorieën „Posten met een bijzonder hoog risico” en „Blootstellingen in aandelen”.

Een blootstelling die in artikel 128, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt genoemd of die aan de in artikel 128, lid 3, of artikel 133 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven criteria voldoet, wordt toegewezen aan de blootstellingscategorie „Posten met een bijzonder hoog risico” of „Blootstellingen in aandelen”. Er is dus geen andere toewijzing, ook niet in het geval van een blootstelling waarbij sprake is van wanbetaling overeenkomstig artikel 127 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020

waarvan: Kmo’s

Alle blootstellingen met betrekking tot kmo’s worden hier gerapporteerd.

0030

waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s

Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0035

waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor

Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0040

waarvan: Gedekt door hypotheken op onroerend goed – Niet-zakelijk onroerend goed

Artikel 125 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Uitsluitend gerapporteerd in de blootstellingscategorie „Gedekt door hypotheken op onroerend goed”.

0050

waarvan: Blootstellingen uit hoofde van het permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering

Blootstellingen waarop de standaardbenadering is toegepast in overeenstemming met artikel 150, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0060

waarvan: Blootstellingen in het kader van de standaardbenadering met vooraf verkregen toestemming van de toezichthouder om stapsgewijs de interneratingbenadering in te voeren

Artikel 148, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070-0130

UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING

De rapporterende instellingen geven, op basis van de onderstaande criteria, een uitsplitsing van hun posities binnen de niet-handelsportefeuille naar blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, en blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn.

Blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico voortvloeiend uit handelsportefeuilleactiviteiten als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt f), en artikel 299, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden toegewezen aan de blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn. Instellingen die artikel 94, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen, geven, op basis van de onderstaande criteria, ook een uitsplitsing van hun in artikel 92, lid 3, punt b), van die verordening bedoelde posities binnen de handelsportefeuille naar blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn, en blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn.

0070

Blootstellingen binnen de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn

In artikel 24 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde actiefposten die in geen enkele andere categorie zijn opgenomen.

Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0090 tot en met 0130. Zij worden dus niet in deze rij gerapporteerd.

Niet-afgewikkelde transacties als bedoeld in artikel 379, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (indien niet afgetrokken) zijn geen posten binnen de balanstelling, maar worden niettemin in deze rij gerapporteerd.

0080

Blootstellingen buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn

Posities buiten de balanstelling omvatten de in de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde posten.

Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0090 tot en met 0130. Zij worden dus niet in deze rij gerapporteerd.

0090-0130

Aan tegenpartijkredietrisico onderhevige blootstellingen/transacties

Transacties die onderhevig zijn aan tegenpartijkredietrisico, d.w.z. afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties.

0090

Netting sets met effectenfinancieringstransacties

Netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties in de zin van artikel 4, lid 1, punt 139, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten.

Effectenfinancieringstransacties die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen en derhalve in rij 0130 worden gerapporteerd, worden niet in deze rij gerapporteerd.

0100

Waarvan: centraal gecleard via een gCTP

In artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang zij bij een gekwalificeerde centrale tegenpartij („gCTP”) in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van die verordening uitstaan, met inbegrip van gCTP-gerelateerde transacties, waarvoor de risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van die verordening. „gCTP-gerelateerde transactie” heeft dezelfde betekenis als CTP-gerelateerde transactie in artikel 300, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wanneer de CTP een gCTP is.

0110

Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn

Netting sets die uitsluitend in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn in de zin van artikel 272, punt 2, van die verordening bevatten.

Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen en derhalve in rij 0130 worden gerapporteerd, worden niet in deze rij gerapporteerd.

0120

Waarvan: centraal gecleard via een gCTP

Zie de instructies voor rij 0100.

0130

Van contractuele productoverschrijdende netting sets

Netting sets die transacties van verschillende productcategorieën bevatten (artikel 272, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013) bevatten, d.w.z. derivaten en effectenfinancieringstransacties, waarvoor een overeenkomst inzake productoverschrijdende netting in de zin van artikel 272, punt 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bestaat.

0140-0280

UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT

0140

0  %

0150

2 %

Artikel 306, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0160

4 %

Artikel 305, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0170

10  %

0180

20  %

0190

35  %

0200

50  %

0210

70 %

Artikel 232, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0220

75  %

0230

100  %

0240

150  %

0250

250 %

Artikel 133, lid 2, en artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0260

370 %

Artikel 471 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0270

1 250  %

Artikel 133, lid 2, en artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0280

Andere risicogewichten

Deze rij is niet beschikbaar voor de blootstellingscategorieën „overheden”, „ondernemingen”, „instellingen” en „particulieren en kleine partijen”.

Voor het rapporteren van blootstellingen waarop de in de template genoemde risicogewichten niet van toepassing zijn.

Artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Nth-to-default kredietderivaten zonder rating volgens de standaardbenadering (artikel 134, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden in deze rij gerapporteerd in de blootstellingscategorie „Andere posten”.

Zie ook artikel 124, lid 2, en artikel 152, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0281-0284

UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR BENADERING (ICB’S)

Deze rijen worden alleen gerapporteerd voor de „blootstellingscategorie instellingen voor collectieve belegging (icb’s)”, overeenkomstig de artikelen 132, 132 bis, 132 ter en 132 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0281

Doorkijkbenadering

Artikel 132 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0282

Beleidsbenadering

Artikel 132 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0283

Fall-backbenadering

Artikel 132, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0290-0320

Pro-memorieposten

Zie voor de rijen 0290 tot en met 0320 ook de toelichting over het doel van de pro-memorieposten in het algemene gedeelte van de CR SA.

0290

Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen

Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit is uitsluitend een pro-memoriepost. Onafhankelijk van de berekening van de risicoposten voor blootstellingen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed overeenkomstig de artikelen 124 en 126 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden de blootstellingen uitgesplitst en in deze rij gerapporteerd indien zij door zakelijk onroerend goed worden gedekt.

0300

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 100 %

Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Blootstellingen die zijn opgenomen in de blootstellingscategorie „Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” die in deze blootstellingscategorie opgenomen zouden moeten worden indien er geen sprake zou zijn van wanbetaling.

0310

Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte blootstellingen

Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit is uitsluitend een pro-memoriepost. Onafhankelijk van de berekening van de risicoposten voor blootstellingen die gedekt zijn door onroerend goed overeenkomstig de artikelen 124 en 125 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de blootstellingen uitgesplitst en in deze rij gerapporteerd indien zij door onroerend goed worden gedekt.

0320

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling onderworpen aan een risicogewicht van 150 %

Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Blootstellingen die zijn opgenomen in de blootstellingscategorie „Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” die in deze blootstellingscategorie opgenomen zouden moeten worden indien er geen sprake zou zijn van wanbetaling.

3.3.   KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INTERNERATINGBENADERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN (CR IRB)

3.3.1   Reikwijdte van de CR IRB-template

72. De reikwijdte van de CR IRB-template:

i. 

Kredietrisico in de niet-handelsportefeuille, waaronder:

— 
tegenpartijkredietrisico in de niet-handelsportefeuille;
— 
verwateringsrisico voor gekochte kortlopende vorderingen;
ii. 

Tegenpartijkredietrisico in de handelsportefeuille;

iii. 

Uit alle bedrijfsactiviteiten voortvloeiende niet-afgewikkelde transacties.

73. De template omvat de blootstellingen waarvoor de risicogewogen posten zijn berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, artikelen 151 tot en met 157, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (interneratingbenadering).

74. De volgende gegevens vallen niet onder de CR IRB-template:

i. 

Blootstellingen in aandelen, die in de CR EQU IRB-template worden gerapporteerd;

ii. 

Securitisatieposities, die in de templates CR SEC en/of CR SEC Details worden gerapporteerd;

iii. 

„Andere actiefposten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen” als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor deze blootstelling geldt te allen tijde een risicogewicht van 100 % behalve met betrekking tot kasmiddelen, gelijkwaardige posten en blootstellingen die de restwaarde zijn van geleasede activa, overeenkomstig artikel 156 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De risicogewogen posten voor deze blootstellingscategorie worden rechtstreeks in de CA-template gerapporteerd;

iv. 

Risico van aanpassing van de kredietwaardering, dat in de CVA Risk-template wordt gerapporteerd;

Voor de CR IRB-template is geen geografische uitsplitsing van IRB-blootstellingen naar vestigingsplaats van de tegenpartij vereist. Deze uitsplitsing wordt gerapporteerd in de template CR GB.

De posten i) en iii) zijn niet van toepassing op template CR IRB 7.

75. Om duidelijk te maken of de instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen en/of kredietomrekeningsfactoren, wordt voor iedere gerapporteerde blootstellingscategorie de volgende informatie verstrekt:

„NEE” = ingeval LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren van de toezichthouder worden gebruikt (Foundation IRB – F-IRB)

„JA” = ingeval eigen LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren worden gebruikt (Advanced IRB – A-IRB) Dit omvat alle portefeuilles met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

Wanneer een instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen bij de berekening van risicogewogen posten voor een deel van haar IRB-blootstellingen en daarnaast van LGD-ramingen van de toezichthouder bij de berekening van de risicogewogen posten voor het andere deel van haar IRB-blootstellingen, dient zij een CR IRB Total voor de F-IRB-posities en een CR IRB Total voor de A-IRB-posities te rapporteren.

3.3.2   Uitsplitsing van de CR IRB-template

76. De CR IRB bestaat uit zeven templates. CR IRB 1 geeft een algemeen overzicht van de IRB-blootstellingen en de verschillende methoden voor het berekenen van de risicogewogen posten, alsmede een uitsplitsing van het totaal van de blootstellingen naar soort blootstelling. CR IRB 2 geeft een uitsplitsing van het totaal van de blootstellingen dat in debiteurenklassen of -groepen is ondergebracht (in rij 0070 van CR IRB 1 gerapporteerde blootstellingen). CR IRB 3 geeft alle relevante parameters die worden gebruikt voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het kredietrisico voor IRB-modellen. CR IRB 4 geeft een stroomoverzicht met een toelichting van veranderingen in risicogewogen posten die volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico zijn bepaald. CR IRB 5 geeft informatie over de uitkomsten van backtesting van PD’s voor de gerapporteerde modellen. CR IRB 6 geeft alle relevante parameters die worden gebruikt voor de berekening van de kapitaalvereisten voor kredietrisico aan de hand van de slottingcriteria voor gespecialiseerde kredietverlening. CR IRB 7 geeft een overzicht van het percentage van de blootstellingswaarde dat onderworpen is aan standaardbenadering of interneratingbenadering voor elke relevante blootstellingscategorie. De templates CR IRB 1, CR IRB 2, CR IRB 3 en CR IRB 5 worden afzonderlijk gerapporteerd voor de volgende blootstellings- en sub-blootstellingscategorieën:

1) 

Totaal

(De Total-template moet worden gerapporteerd voor de elementaire interneratingbenadering en, afzonderlijk, voor de geavanceerde interneratingbenadering.)

2) 

Centrale overheden en centrale banken

(Artikel 147, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013)

3) 

Instellingen

(Artikel 147, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013)

4.1) 

Ondernemingen – Kmo’s

(Artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

4.2) 

Ondernemingen – Gespecialiseerde kredietverlening

(Artikel 147, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013)

4.3) 

Ondernemingen – Overige

(Alle blootstellingen met betrekking tot ondernemingen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 4.1 en 4.2 worden gerapporteerd.)

5.1) 

Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van kmo’s

(Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 3, van die verordening die door onroerend goed worden gedekt.) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

5.2) 

Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed van niet-kmo’s

(Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt en niet onder punt 5.1 worden gerapporteerd.)

Onder de punten 5.1 en 5.2 worden alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door als zekerheid erkend onroerend goed zijn gedekt, beschouwd als door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, ongeacht de verhouding tussen de waarde van de zekerheid en de blootstelling of het doel van de lening.

5.3) 

Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen

(Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 4, van die verordening)

5.4) 

Particulieren en kleine partijen – Overige kmo’s

(Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 5.1 en 5.3 worden gerapporteerd.) Voor de indeling in deze sub-blootstellingscategorie gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne definitie van kmo’s zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

5.5) 

Particulieren en kleine partijen – Overige niet-kmo’s

(Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet onder 5.2 en 5.3 zijn gerapporteerd.)

3.3.3   C 08.01 – Krediet- en tegenpartijkredietrisico’s en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering van kapitaalvereisten (CR IRB 1)

3.3.3.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010

INTERNERATINGSCHAAL/AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%)

De PD toegekend aan de te rapporteren debiteurenklasse of -groep is gebaseerd op de bepalingen van artikel 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor elke afzonderlijke klasse of groep wordt de aan die specifieke debiteurenklasse of -groep toegekende PD gerapporteerd. Voor cijfers betreffende een aggregatie van debiteurenklassen of -groepen (zoals „totale blootstellingen”) moet het naar blootstelling gewogen gemiddelde worden vermeld van de PD’s die aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie zijn toegekend. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD moet de blootstellingswaarde (kolom 0110) worden gebruikt.

Voor elke afzonderlijke klasse of groep wordt de aan die specifieke debiteurenklasse of -groep toegekende PD gerapporteerd. Alle gerapporteerde risicoparameters worden afgeleid van de risicoparameters die worden gebruikt in het door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingsschaal.

Het is niet de bedoeling en evenmin wenselijk om een master scale van de toezichthouder te gebruiken. Als de rapporterende instelling een unieke ratingsschaal hanteert of in staat is te rapporteren op basis van een interne master scale, dan wordt die schaal gebruikt.

In alle overige gevallen worden de verschillende ratingsschalen samengevoegd en gerangschikt aan de hand van de volgende criteria: Debiteurenklassen van verschillende ratingsschalen worden samengevoegd en van laag naar hoog gerangschikt op basis van de aan elke debiteurenklasse toegekende PD. Indien de instelling een groot aantal klassen of groepen gebruikt, mag met de bevoegde autoriteiten een verminderd aantal te rapporteren klassen of groepen worden overeengekomen. Hetzelfde geldt voor continue ratingschalen: een beperkt aantal te rapporteren klassen wordt met de bevoegde autoriteiten overeengekomen.

De instellingen nemen vooraf contact op met hun bevoegde autoriteit als het aantal klassen dat zij willen rapporteren, afwijkt van het interne aantal klassen.

De laatste ratingklasse(n) is (zijn) specifiek voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan met een PD van 100 %.

Voor de weging van de gemiddelde PD wordt de in kolom 110 gerapporteerde blootstellingswaarde gebruikt. Bij de berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD wordt rekening gehouden met alle in een bepaalde rij gerapporteerde blootstellingen. In de rij waarin alleen blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden gerapporteerd, bedraagt de gemiddelde PD 100 %.

0020

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde vóór inaanmerkingneming van eventuele waardeaanpassingen, voorzieningen, effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken of kredietomrekeningsfactoren.

De oorspronkelijke blootstellingswaarde wordt gerapporteerd overeenkomstig artikel 24 en artikel 166, leden 1, 2, 4, 5, 6 en 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Het effect van de toepassing van artikel 166, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (effect van nettering binnen de balanstelling van leningen en deposito’s) wordt afzonderlijk gerapporteerd als volgestorte kredietprotectie en zal de oorspronkelijke blootstelling dus niet verminderen.

Voor afgeleide instrumenten, retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die onderworpen zijn aan tegenpartijkredietrisico (deel drie, titel II, hoofdstuk 4 of 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), stemt de oorspronkelijke blootstelling overeen met de blootstellingswaarde voor tegenpartijkredietrisico (zie de instructies voor kolom 0130).

0030

WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN

Uitsplitsing van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren voor alle blootstellingen met betrekking tot in artikel 142, lid 1, punten 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde entiteiten die onderworpen zijn aan de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt.

0040-0080

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING

Kredietrisicolimiteringstechnieken in de zin van artikel 4, lid 1, punt 57, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die het kredietrisico van een of meer blootstellingen limiteren via substitutie van blootstellingen zoals hieronder omschreven onder „SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING VANWEGE KREDIETRISICOLIMITERING”.

0040-0050

NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Niet-volgestorte kredietprotectie die een effect op de blootstellingswaarde heeft (bijvoorbeeld indien deze wordt gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde.

0040

GARANTIES:

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt de gecorrigeerde waarde (GA) in de zin van artikel 236, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgegeven.

Wanneer overeenkomstig artikel 183 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (met uitzondering van lid 3) van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, wordt de in de interne modellen gebruikte desbetreffende waarde gerapporteerd.

Garanties worden in kolom 0040 gerapporteerd indien de LGD niet wordt gecorrigeerd. Indien de LGD wel wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag van de garantie gerapporteerd in kolom 0150.

Wat betreft blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, wordt de waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie gerapporteerd in kolom 0220.

0050

KREDIETDERIVATEN:

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt de gecorrigeerde waarde (GA) in de zin van artikel 236, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgegeven.

Indien overeenkomstig artikel 183, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, wordt de in de interne modellen gebruikte desbetreffende waarde gerapporteerd.

Indien de LGD wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag van de kredietderivaten gerapporteerd in kolom 0160.

Wat betreft blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, wordt de waarde van de niet-volgestorte kredietprotectie gerapporteerd in kolom 0220.

0060

OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

Zekerheden die van invloed zijn op de PD van de blootstelling, worden gemaximeerd op de waarde van de oorspronkelijke blootstelling vóór omrekeningsfactoren.

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, is artikel 232, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing.

Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden de kredietrisicolimiterende technieken gerapporteerd die van invloed zijn op de PD. De relevante nominale waarde of marktwaarde wordt gerapporteerd.

Indien de LGD wel wordt gecorrigeerd, wordt het bedrag gerapporteerd in kolom 170.

0070-0080

SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN

De uitstromen komen overeen met het gedekte deel van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt afgetrokken van de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, de debiteurenklasse of -groep van de debiteur en wordt vervolgens ondergebracht in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, de debiteurenklasse of -groep van de garant. Dat bedrag wordt beschouwd als een instroom in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, debiteurenklassen of -groepen van de garant.

Ook instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën en, in voorkomend geval, debiteurenklassen of -groepen worden in aanmerking genomen.

Blootstellingen die voortvloeien uit mogelijke instromen en uitstromen van en naar andere templates worden in aanmerking genomen.

Deze kolommen worden alleen gebruikt indien instellingen van hun bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen om deze gedekte blootstellingen te behandelen in het kader van het permanente gedeeltelijke gebruik van de standaardbenadering overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 of om blootstellingen in blootstellingscategorieën in te delen overeenkomstig het kenmerk van de garant.

0090

BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

De blootstelling zoals die met de daarbij behorende debiteurenklasse of -groep in de overeenkomstige blootstellingscategorie is ondergebracht na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling.

0100, 0120

Waarvan: Posten buiten de balanstelling

Zie de CR SA-instructies.

0110

BLOOTSTELLINGSWAARDE

De in overeenstemming met artikel 166 en artikel 230, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde blootstellingswaarde wordt gerapporteerd.

Voor de in bijlage I bedoelde instrumenten worden kredietomrekeningsfactoren en -percentages overeenkomstig artikel 166, leden 8, 9 en 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast, ongeacht de door de instelling gekozen benadering.

De blootstellingswaarden voor CCR-activiteiten zijn dezelfde als die gerapporteerd in kolom 0130.

0130

Waarvan: Voortvloeiende uit tegenpartijkredietrisico

Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in kolom 0210.

0140

WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN

Uitsplitsing van de blootstellingswaarde voor alle blootstellingen met betrekking tot in artikel 142, lid 1, punten 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde entiteiten die onderworpen zijn aan de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt.

0150-0210

IN LGD-RAMINGEN IN AANMERKING GENOMEN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN, MET UITZONDERING VAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING

Kredietrisicolimiteringstechnieken die een effect hebben op LGD-ramingen als gevolg van de toepassing van het substitutie-effect van kredietrisicolimiteringstechnieken, worden niet in deze kolommen opgenomen.

De geapporteerde waarden van zekerheden worden gemaximeerd op de waarde van de blootstelling.

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden artikel 228, lid 2, artikel 230, leden 1 en 2, en artikel 231 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen.

Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt:

— bij niet-volgestorte kredietprotectie wordt voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen artikel 161, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht genomen. Bij blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen wordt artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen;

— bij volgestorte kredietprotectie worden in de LGD-ramingen de zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0150

GARANTIES

Zie de instructies voor kolom 0040.

0160

KREDIETDERIVATEN

Zie de instructies voor kolom 0050.

0170

GEBRUIK VAN EIGEN LGD-RAMINGEN: OVERIGE VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

De desbetreffende waarde die in de interne modellen van de instelling wordt gebruikt.

De kredietrisicolimiterende factoren die voldoen aan de criteria van artikel 212 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0171

GEDEPONEERDE CONTANTEN

Artikel 200, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Contanten die gedeponeerd zijn bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten die niet in het kader van een bewaringsovereenkomst door een derde instelling worden aangehouden en die aan de leningverstrekkende instelling in pand gegeven zijn. De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling.

0172

LEVENSVERZEKERINGSPOLISSEN

Artikel 200, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling.

0173

DOOR EEN DERDE AANGEHOUDEN INSTRUMENTEN

Artikel 200, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit omvat door een derde instelling uitgegeven instrumenten die op verzoek door deze instelling worden teruggekocht. De gerapporteerde waarde van de zekerheid is beperkt tot de waarde van de blootstelling op het niveau van een individuele blootstelling. Deze kolom sluit de blootstellingen uit die gedekt zijn door instrumenten die door een derde worden aangehouden, indien instellingen, overeenkomstig artikel 232, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op verzoek teruggekochte instrumenten die toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 200, punt c), van die verordening, behandelen als een garantie van de uitgevende instelling.

0180

TOELAATBARE FINANCIËLE ZEKERHEDEN

Omvat voor activiteiten in de handelsportefeuille financiële instrumenten en grondstoffen die toelaatbaar zijn voor blootstellingen in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 299, lid 2, punten c) tot en met f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Credit linked notes en nettering van posten binnen de balanstelling overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, wordt voor toelaatbare financiële zekerheden overeenkomstig artikel 197 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de aangepaste waarde (CVAM) als vastgesteld in artikel 223, lid 2, van die verordening gerapporteerd.

Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden in de LGD-ramingen de financiële zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het te rapporteren bedrag is de geraamde marktwaarde van de zekerheid.

0190-0210

ANDERE TOELAATBARE ZEKERHEDEN

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 1 tot en met 8, en artikel 229 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, worden in de LGD-ramingen de financiële zekerheden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 181, lid 1, punten e) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0190

ONROEREND GOED

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd. Ook leasing van onroerend goed wordt opgenomen (zie artikel 199, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie ook artikel 229 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde.

0200

ANDERE FYSIEKE ZEKERHEDEN

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, leden 6 en 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd. Ook leasing van onroerend goed wordt opgenomen (zie artikel 199, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie ook artikel 229, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde van de zekerheid.

0210

KORTLOPENDE VORDERINGEN

Indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt, worden de waarden bepaald overeenkomstig artikel 199, lid 5, en artikel 229, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in deze kolom gerapporteerd.

Indien wel van eigen LGD-ramingen wordt gebruikgemaakt, is het te rapporteren bedrag de geraamde marktwaarde van de zekerheid.

0220

ONDERWORPEN AAN DE DOUBLE DEFAULTBEHANDELING: NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

Garanties en kredietderivaten die blootstellingen dekken die zijn onderworpen aan de double default-behandeling overeenkomstig artikel 153, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en rekening houdende met artikel 202 en artikel 217, lid 1, van die verordening.

De te rapporteren waarden mogen niet hoger zijn dan de waarde van de overeenkomstige blootstellingen.

0230

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%)

Alle effecten van kredietrisicolimiteringstechnieken op LGD-waarden zoals nader aangegeven in deel drie, titel II, hoofdstukken 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen. In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd.

Bij blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen.

Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelden wordt de in kolom 0110 bedoelde blootstellingswaarde gebruikt.

Alle effecten worden in aanmerking genomen (daarom worden de effecten van de ondergrens die geldt voor door onroerend goed gedekte blootstellingen, overeenkomstig artikel 164, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de rapportage opgenomen).

Voor instellingen die de interneratingbenadering toepassen maar geen eigen LGD-ramingen gebruiken, komen de risicolimiteringseffecten van financiële zekerheden tot uiting in E*, de volledig aangepaste blootstellingswaarde, en vervolgens in de LGD* overeenkomstig artikel 228, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD met betrekking tot iedere PD-„debiteurenklasse of -groep” vloeit voort uit het gemiddelde van de prudentiële LGD’s toegewezen aan de blootstellingen van die PD-klasse/groep, gewogen naar de respectieve blootstellingswaarde van kolom 0110.

Indien eigen LGD-ramingen worden toegepast, worden artikel 175, en artikel 181, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen.

In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd.

De berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD wordt afgeleid van de risicoparameters zoals feitelijk gebruikt in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal.

Er worden geen gegevens gerapporteerd voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien de PD voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening wordt geraamd, worden gegevens gerapporteerd op basis van eigen LGD-ramingen of LGD’s van de toezichthouder.

Blootstellingen en de desbetreffende LGD’s voor grote gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector en niet-gereglementeerde financiële entiteiten worden niet opgenomen in de berekening van kolom 0230, maar uitsluitend in de berekening van kolom 0240.

0240

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%) VOOR GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN

Naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) voor alle blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector in de zin van artikel 142, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan niet-gereglementeerde financiële entiteiten in de zin van artikel 142, lid 1, punt 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt.

0250

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE (DAGEN)

De te rapporteren waarde wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelden wordt de blootstellingswaarde (kolom 0110) gebruikt. De gemiddelde looptijd wordt gerapporteerd in dagen.

Deze gegevens worden niet gerapporteerd voor blootstellingswaarden ten aanzien waarvan de looptijd niet in de berekening van de risicogewogen posten wordt betrokken. Dit betekent dat deze kolom niet wordt ingevuld voor de blootstellingscategorie „Particulieren en kleine partijen”.

0255

RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Zie, voor centrale overheden en centrale banken, ondernemingen en instellingen, artikel 153, leden 1, 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor particulieren en kleine partijen, artikel 154, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden niet in aanmerking genomen.

0256

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR

Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten voor niet in wanbetaling zijnde blootstellingen met betrekking tot een kmo („risk-weighted exposure amounts” – RWEA), voor zover van toepassing, en RWEA*, overeenkomstig artikel 501 van die verordening.

0257

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR

Aftrekking van het verschil tussen de overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten en de aangepaste RWEA voor kredietrisico voor blootstellingen met betrekking tot entiteiten actief in de exploitatie of financiering van fysieke structuren of faciliteiten, systemen en netwerken die essentiële openbare diensten verrichten of ondersteunen, overeenkomstig artikel 501 bis van die verordening.

0260

RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Zie, voor centrale overheden en centrale banken, ondernemingen en instellingen, artikel 153, leden 1, 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor particulieren en kleine partijen, artikel 154, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen.

0270

WAARVAN: GROTE ENTITEITEN UIT DE FINANCIËLE SECTOR EN NIET-GEREGLEMENTEERDE FINANCIËLE ENTITEITEN

Uitsplitsing van de risicogewogen posten na toepassing van de kmo-ondersteuningsfactor voor alle blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector in de zin van artikel 142, lid 1, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan niet-gereglementeerde financiële entiteiten in de zin van artikel 142, lid 1, punt 5, van die verordening volgens de overeenkomstig artikel 153, lid 2, van die verordening bepaalde hogere correlatiecoëfficiënt.

0280

VERWACHTE VERLIESPOST

Zie, voor de definitie van „verwacht verlies”, artikel 5, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de berekening van verwachte verliesposten, artikel 158 van die verordening. Zie, voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, artikel 181, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De te rapporteren verwachte verliespost is gebaseerd op de risicoparameters zoals feitelijk gebruikt in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal.

0290

(–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Waardeaanpassingen, alsmede specifieke en algemene en kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gerapporteerd. Algemene kredietrisicoaanpassingen worden gerapporteerd door het bedrag naar evenredigheid toe te rekenen op basis van het verwachte verlies van de verschillende debiteurenklassen.

0300

AANTAL DEBITEUREN

Artikel 172, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor alle blootstellingscategorieën behalve de blootstellingscategorie particulieren en kleine partijen en de in artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde gevallen rapporteert de instelling het aantal juridische entiteiten/debiteuren met een afzonderlijke rating, ongeacht het aantal verschillende leningen of blootstellingen dat is toegekend.

Binnen de blootstellingscategorie „particulieren en kleine partijen”, of indien afzonderlijke blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur overeenkomstig artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verschillende categorieën debiteuren worden ondergebracht, rapporteert de instelling het aantal blootstellingen dat afzonderlijk in een bepaalde ratingklasse of -groep is ondergebracht. Wanneer artikel 172, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is, mag een debiteur in meerdere klassen in aanmerking worden genomen.

Deze kolom heeft betrekking op een onderdeel van de structuur van de ratingschalen en houdt daarom verband met de oorspronkelijke blootstellingen vóór toepassing van omrekeningsfactoren zoals die in de afzonderlijke debiteurenklassen of -groepen zijn ondergebracht, zonder rekening te houden met het effect van kredietrisicolimiteringstechnieken (met name herindelingseffecten).

0310

RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR KREDIETDERIVATEN

De instellingen rapporteren de hypothetische risicogewogen posten, die moeten worden berekend als de risicogewogen posten zonder inaanmerkingneming van het kredietderivaat dat als kredietrisicolimiteringstechniek toelaatbaar is als gespecificeerd in artikel 204 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bedragen worden gepresenteerd in de blootstellingscategorieën die relevant zijn voor de blootstellingen met betrekking tot de oorspronkelijke debiteur.



Rijen

Instructies

0010

TOTALE BLOOTSTELLINGEN

0015

waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de ondersteuningsfactor voor kmo’s

Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0016

waarvan: Blootstellingen onderworpen aan de infrastructuurondersteuningsfactor

Hier worden uitsluitend blootstellingen gerapporteerd die aan de vereisten van artikel 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0020-0060

UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR SOORT BLOOTSTELLING:

0020

Balansposten die aan kredietrisico onderhevig zijn

In artikel 24 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde actiefposten worden in geen enkele andere categorie opgenomen.

Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0040 tot en met 0060 en worden dus niet in deze rij gerapporteerd.

Niet-afgewikkelde transacties als bedoeld in artikel 379, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (indien niet afgetrokken) zijn geen posten binnen de balanstelling, maar worden niettemin in deze rij gerapporteerd.

0030

Posten buiten de balanstelling die aan kredietrisico onderhevig zijn

Posten buiten de balanstelling omvatten posten overeenkomstig artikel 166, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede de posten die in bijlage I bij die verordening zijn vermeld.

Blootstellingen die aan tegenpartijkredietrisico onderhevig zijn, worden gerapporteerd in de rijen 0040 tot en met 0060 en worden dus niet in deze rij gerapporteerd.

0040-0060

Aan tegenpartijkredietrisico onderhevige blootstellingen/transacties

Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in de rijen 0090-0130.

0040

Netting sets met effectenfinancieringstransacties

Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0090.

0050

Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn

Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0110.

0060

Van contractuele productoverschrijdende netting sets

Zie de overeenkomstige CR SA-instructies in rij 0130.

0070

IN DEBITEURENKLASSEN OF -GROEPEN ONDERGEBRACHTE BLOOTSTELLINGEN: TOTAAL

Zie, voor blootstellingen met betrekking tot ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken, artikel 142, lid 1, punt 6, en artikel 170, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie, voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, artikel 170, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor blootstellingen voortvloeiend uit gekochte kortlopende vorderingen, artikel 166, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Blootstellingen met betrekking tot verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden niet per debiteurenklasse of -groep, maar in rij 0180 gerapporteerd.

Indien de instelling een groot aantal klassen of groepen gebruikt, mag met de bevoegde autoriteiten een verminderd aantal te rapporteren klassen of groepen worden overeengekomen.

Er wordt geen master scale van de toezichthouder gebruikt. De instellingen bepalen zelf welke schaal zij gebruiken.

0080

SLOTTINGBENADERING VAN GESPECIALISEERDE KREDIETVERLENING: TOTAAL

Artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit geldt alleen voor de blootstellingscategorie „Ondernemingen – gespecialiseerde kredietverlening”.

0160

ALTERNATIEVE BEHANDELING: GEDEKT DOOR ONROEREND GOED

Artikel 193, leden 1 en 2, artikel 194, leden 1 tot en met 7, en artikel 230, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit alternatief is alleen beschikbaar voor instellingen die gebruikmaken van de elementaire interneratingbenadering (F-IRB).

0170

BLOOTSTELLINGEN VOORTVLOEIEND UIT NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES ONDER TOEPASSING VAN RISICOGEWICHTEN KRACHTENS DE ALTERNATIEVE BEHANDELING OF VAN EEN RISICOGEWICHT VAN 100 % EN ANDERE BLOOTSTELLINGEN WAAROP EEN RISICOGEWICHT WORDT TOEGEPAST

Blootstellingen voortvloeiend uit niet-afgewikkelde transacties waarop de alternatieve behandeling als bedoeld in artikel 379, lid 2, eerste alinea, laatste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegepast of waaraan een risicogewicht van 100 % overeenkomstig artikel 379, lid 2, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegekend. Nth-to-default kredietderivaten zonder rating in de zin van artikel 153, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en andere blootstellingen waarop een risicogewicht wordt toegepast en die niet in een andere rij zijn opgenomen, worden in deze rij gerapporteerd.

0180

VERWATERINGSRISICO: TOTAAL GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN

Zie, voor een definitie van „verwateringsrisico”, artikel 4, lid 1, punt 53, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Zie, voor het berekenen van risicogewogen posten voor het verwateringsrisico, artikel 157 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Het verwateringsrisico wordt gerapporteerd voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen en particulieren en kleine partijen.

3.3.4   C 08.02 – Krediet- en tegenpartijkredietrisico’s en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering kapitaalvereisten: uitsplitsing naar debiteurenklasse of -groep (CR IRB 2)



Kolom

Instructies

0005

Debiteurenklasse (identificatiecode van een rij)

Dit is een identificatiecode van een rij die uniek is voor elke rij op een bepaald blad van de template. Deze volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort.

De eerste klasse (of groep) die moet worden gerapporteerd, is de beste, vervolgens de op één na beste en zo verder. De laatste gerapporteerde klasse of klassen (of groep) is die van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling.

0010-0300

De instructies voor elk van deze kolommen zijn dezelfde als die voor de kolommen met het overeenkomstige nummer in template CR IRB 1.



Rij

Instructies

0010-0001 – 0010-NNNN

De waarden die in deze rijen worden gerapporteerd, moeten worden ingevuld in de volgorde van de PD die aan de debiteurenklasse of -groep wordt toegekend. De PD voor debiteuren in wanbetaling is gelijk aan 100 %. Blootstellingen waarop de alternatieve behandeling voor zekerheden in de vorm van onroerend goed wordt toegepast (alleen beschikbaar indien geen eigen LGD-ramingen worden gebruikt), worden niet volgens de PD van de debiteur ondergebracht en niet in deze template gerapporteerd.

3.3.1.   C 08.03 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (uitsplitsing naar PD-bandbreedten (CR IRB 3))

3.3.1.1.   Algemene opmerkingen

77. De instellingen rapporteren de informatie in deze template overeenkomstig artikel 452 octies, punten i) tot en met v), van Verordening (EU) nr. 575/2013, om zo informatie te verschaffen over de belangrijkste parameters die zijn gebruikt voor de berekening van kapitaalvereisten voor de interneratingbenadering. De in deze template gerapporteerde informatie omvat geen gegevens over gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (die in template C 08.06 zijn opgenomen). Deze template bevat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.3.1.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010

BLOOTSTELLINGEN BINNEN DE BALANSTELLING

Blootstellingswaarde berekend overeenkomstig artikel 166, leden 1 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen.

0020

BLOOTSTELLINGEN BUITEN DE BALANSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 166, leden 1 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder rekening te houden met kredietrisicoaanpassingen en omrekeningsfactoren, noch eigen ramingen, noch omrekeningsfactoren vermeld in artikel 166, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, noch percentages vermeld in artikel 166, lid 10, van die verordening.

Blootstellingen buiten de balanstelling omvatten alle gecommitteerde maar niet opgenomen bedragen en alle posten buiten de balanstelling, zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE OMREKENINGSFACTOREN

Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde omrekeningsfactor die door instellingen wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten, gewogen naar de blootstelling buiten de balanstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren zoals gerapporteerd in kolom 0020.

0040

BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN EN NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING

De blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom bevat de som van de blootstellingswaarde van blootstellingen binnen de balanstelling en blootstellingen buiten de balanstelling na toepassing van omrekeningsfactoren overeenkomstig artikel 166, leden 8 tot en met 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en na toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken.

0050

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE PD (%)

Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde PD-raming van elke debiteur, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040.

Deze kolom hoeft niet worden ingevuld voor het totaal van alle blootstellingscategorieën.

0060

AANTAL DEBITEUREN

Het aantal juridische entiteiten of debiteuren dat aan elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte is toegewezen.

Het aantal debiteuren wordt geteld volgens de instructies in kolom 0300 van template C 08.01. Gezamenlijke debiteuren worden op dezelfde wijze behandeld als bij PD-kalibratie.

0070

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%)

Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: het gemiddelde van de LGD-ramingen voor elke blootstelling, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040.

De gerapporteerde LGD stemt overeen met de definitieve LGD-raming die wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten verkregen na inaanmerkingneming van alle effecten van kredietrisicolimitering en omstandigheden van economische neergang (indien van toepassing). Voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door onroerend goed worden gedekt, wordt in de gerapporteerde LGD rekening gehouden met de in artikel 164, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde ondergrenzen.

In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd.

Voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich volgens de geavanceerde interneratingbenadering een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt het bepaalde in artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de raming van de LGD in wanbetaling overeenkomstig de toepasselijke ramingsmethoden.

Deze kolom hoeft niet te worden ingevuld voor het totaal van alle blootstellingscategorieën.

0080

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJD (JAREN)

Voor alle blootstellingen opgenomen in elke subklasse van de vaste PD-bandbreedte: de gemiddelde looptijd van elke blootstelling, gewogen naar de blootstellingswaarde na toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimitering zoals gerapporteerd in kolom 0040.

De te rapporteren looptijdwaarde wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De gemiddelde looptijd wordt gerapporteerd in jaren.

Deze gegevens worden niet gerapporteerd voor de blootstellingswaarden waarvoor de looptijd niet in de berekening van de risicogewogen posten wordt betrokken overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Dit betekent dat deze kolom niet wordt ingevuld voor de blootstellingscategorie „Particulieren en kleine partijen”.

0090

RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Voor blootstellingen met betrekking tot centrale overheden en centrale banken, instellingen en ondernemingen: de overeenkomstig artikel 153, leden 1 tot en met 4, berekende risicogewogen posten; voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen: de risicogewogen posten zoals berekend in overeenstemming met artikel 154 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen.

0100

VERWACHTE VERLIESPOST

De verwachte verliespost berekend in overeenstemming met artikel 158 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De te rapporteren verwachte verliespost is gebaseerd op de daadwerkelijke in de door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingschaal gebruikte risicoparameters.

0110

(–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Specifieke en algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 183/2014 van de Commissie, aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede andere eigenvermogensverlagingen in verband met blootstellingen die aan elke subklasse in de vaste PD-bandbreedte zijn toegewezen.

Hierbij gaat het om de waardeaanpassingen en voorzieningen die voor de toepassing van artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen.

Algemene voorzieningen worden gerapporteerd door het bedrag naar evenredigheid toe te rekenen – overeenkomstig het verwachte verlies van verschillende debiteurenklassen.



Rijen

Instructies

PD-BANDBREEDTE

Blootstellingen worden toegewezen aan een passende subklasse van de vaste PD-bandbreedte op basis van de geraamde PD voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder rekening te houden met substitutie-effecten als gevolg van kredietrisicolimitering). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-bandbreedte, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt.

{r0170, c0050} en {r0170, c0070} worden gerapporteerd voor elke blootstellingscategorie, doch niet voor het totaal van alle blootstellingscategorieën.

3.3.2.   C 08.04 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (RWEA-stroomoverzichten (CR IRB 4))

3.3.2.1.   Algemene opmerkingen

78. De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 438, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze template omvat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

79. De instellingen rapporteren de RWEA-stromen als de veranderingen tussen de risicogewogen posten op de referentiedatum en de risicogewogen posten op de vorige referentiedatum. In het geval van kwartaalrapportage wordt het einde van het kwartaal vóór het kwartaal van de rapportagereferentiedatum gerapporteerd.

3.3.2.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolom

Instructies

0010

RISICOGEWOGEN POSTEN

Het totaal van de risicogewogen posten voor kredietrisico berekend volgens de interneratingbenadering, rekening houdende met ondersteuningsfactoren overeenkomstig de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.



Rijen

Instructies

0010

RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE VORIGE RAPPORTAGEPERIODE

Risicogewogen posten aan het einde van de vorige rapportageperiode na de toepassing van de in artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde ondersteuningsfactoren voor kmo’s en infrastructuur.

0020

OMVANG VAN DE ACTIVA (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de omvang van de activa, d.w.z. organische veranderingen in de omvang en samenstelling van de portefeuille (met inbegrip van het initiëren van nieuwe activiteiten en vervallende leningen), maar met uitsluiting van veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstoting van entiteiten.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0030

ACTIVAKWALITEIT (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de kwaliteit van de activa, d.w.z. veranderingen in de beoordeelde kwaliteit van de activa van de instelling als gevolg van veranderingen in het kredietnemersrisico, zoals migratie van ratingklassen of vergelijkbare effecten.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0040

ACTUALISERING MODELLEN (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van de actualisering van modellen, d.w.z. veranderingen als gevolg van de implementatie van nieuwe modellen, veranderingen in de modellen, veranderingen in de reikwijdte van modellen of andere veranderingen die tekortkomingen in modellen moeten tegengaan.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0050

METHODOLOGIE EN BELEID (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van methodologie en beleid, d.w.z. veranderingen als gevolg van methodologische veranderingen in berekeningen door toedoen van wijzigingen in het reguleringsbeleid, met inbegrip van zowel herzieningen van bestaande regelgeving als nieuwe regelgeving, doch met uitsluiting van de veranderingen in modellen opgenomen in rij 0040.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0060

ACQUISITIES EN AFSTOTINGEN (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van acquisities en afstotingen, d.w.z. veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstoting van entiteiten.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0070

WISSELKOERSBEWEGINGEN (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van wisselkoersbewegingen, d.w.z. veranderingen die voortvloeien uit bewegingen in de omrekening van vreemde valuta.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0080

OVERIGE (+/-)

Verandering in de risicogewogen posten tussen het einde van de vorige rapportageperiode en het einde van de lopende rapportageperiode als gevolg van andere factoren.

Deze categorie wordt gebruikt om veranderingen op te nemen die niet in een andere categorie kunnen worden ondergebracht.

Stijgingen van risicogewogen posten worden als een positief bedrag gerapporteerd terwijl dalingen van risicogewogen posten als een negatief bedrag worden gerapporteerd.

0090

RISICOGEWOGEN POSTEN AAN HET EINDE VAN DE RAPPORTAGEPERIODE

Risicogewogen posten in de rapportageperiode na de toepassing van de in artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde ondersteuningsfactoren voor kmo’s en infrastructuur.

3.3.3.   C 08.05 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (back-testing van de PD (CR IRB 5))

3.3.3.1.   Algemene opmerkingen

80. De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 452, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen houden rekening met de modellen die binnen elke blootstellingscategorie worden gebruikt en lichten toe welk percentage van de risicogewogen posten van de desbetreffende blootstellingscategorie onder de modellen valt waarvoor de uitkomsten van back-testing hier worden gerapporteerd. Deze template omvat geen blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico (CCR) (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.3.3.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010

REKENKUNDIG PD-GEMIDDELDE (%)

Het rekenkundig PD-gemiddelde aan het begin van de rapportageperiode van de debiteuren die binnen de subklasse van de vaste PD-bandbreedte vallen en in kolom 0020 worden geteld (gemiddelde gewogen naar het aantal debiteuren).

0020

AANTAL DEBITEUREN AAN HET EINDE VAN HET VOORGAANDE JAAR

Aantal debiteuren aan het einde van het voorgaande jaar waarover moet worden gerapporteerd.

Alle debiteuren die op het betrokken tijdstip een kredietverplichting hebben, worden opgenomen.

Het aantal debiteuren wordt geteld volgens de instructies in kolom 0300 van template C 08.01. Gezamenlijke debiteuren worden op dezelfde wijze behandeld als bij PD-kalibratie.

0030

WAARVAN: IN WANBETALING IN DE LOOP VAN HET JAAR

Aantal debiteuren in wanbetaling in de loop van het jaar (d.w.z. de waarnemingsperiode voor de berekening van de wanbetalingsgraad).

Of er sprake is van wanbetaling, wordt bepaald in overeenstemming met artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Elke debiteur in wanbetaling wordt slechts eenmaal meegeteld in de teller en noemer bij de berekening van de wanbetalingsgraad op één jaar, zelfs als de debiteur tijdens de desbetreffende periode van één jaar meer dan eenmaal in wanbetaling was.

0040

WAARGENOMEN GEMIDDELDE WANBETALINGSGRAAD (%)

Wanbetalingsgraad op één jaar als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 78, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen zien erop toe dat:

a)  de noemer bestaat uit het aantal debiteuren met een kredietverplichting dat niet in wanbetaling was, zoals waargenomen aan het begin van de waarnemingsperiode van één jaar (d.w.z. het begin van het jaar voorafgaand aan de rapportagereferentiedatum); in dit verband gaat het bij een kredietverplichting om de volgende twee posten: i) alle posten binnen de balanstelling, met inbegrip van bedragen van hoofdsom, rente en vergoedingen; ii) alle posten buiten de balanstelling, met inbegrip van door de instelling als garant afgegeven garanties;

b)  de teller alle debiteuren omvat die in de noemer in aanmerking worden genomen en die ten minste één wanbetaling hadden tijdens de waarnemingsperiode van één jaar (jaar voorafgaand aan de rapportagereferentiedatum).

Zie, voor de berekening van het aantal debiteuren, kolom 0300 van template C 08.01.

0050

GEMIDDELDE HISTORISCHE JAARLIJKSE WANBETALINGSGRAAD (%)

Het eenvoudige gemiddelde van de jaarlijkse wanbetalingsgraad van de vijf meest recente jaren (debiteuren aan het begin van elk jaar die gedurende dat jaar in wanbetaling waren/totale aantal debiteuren aan het begin van het jaar) is een minimum. De instelling mag een langere historische periode gebruiken die in overeenstemming is met de feitelijke risicobeheerspraktijken van de instelling.



Rijen

Instructies

PD-BANDBREEDTE

Blootstellingen worden toegewezen aan een passende subklasse van de vaste PD-bandbreedte op basis van de PD die aan het begin van de rapportageperiode wordt geraamd voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder rekening te houden met substitutie-effecten als gevolg van kredietrisicolimitering). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-bandbreedte, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt.

3.3.4.   C 08.05.1 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: Interneratingbenadering van kapitaalvereisten: Back-testing van PD overeenkomstig artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 (CR IRB 5B)

3.3.4.1.   Instructies voor specifieke posities

81. Naast template C 08.05 rapporteren de instellingen de informatie in template C 08.05.1 ingeval zij artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen voor PD-ramingen en alleen voor PD-ramingen overeenkomstig hetzelfde artikel. De instructies zijn dezelfde als voor template C 08.05, met de volgende uitzonderingen:



Kolommen

Instructies

0005

PD-BANDBREEDTE

De instellingen rapporteren de PD-bandbreedten in overeenstemming met hun interne klassen die zij mappen naar de door de externe EKBI gebruikte schaal, in plaats van een vaste externe PD-bandbreedte.

0006

WAARDE EXTERNE RATING

De instellingen rapporteren één kolom voor elke EKBI die in aanmerking wordt genomen overeenkomstig artikel 180, lid 1, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen nemen in deze kolommen de externe rating op waarnaar hun interne PD-bandbreedten worden gemapt.

3.3.5.   C 08.06 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (slottingbenadering van gespecialiseerde kredietverlening (CR IRB 6))

3.3.5.1.   Algemene opmerkingen

82. De instellingen rapporteren de informatie in deze template op grond van artikel 438, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De instellingen rapporteren informatie over de volgende soorten blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in tabel 1 van artikel 153, lid 5:

(a) 

Projectfinanciering

(b) 

Inkomstengenererend onroerend goed en zakelijk onroerend goed met grote volatiliteit

(c) 

Objectfinanciering

(d) 

Grondstoffenfinanciering

3.3.5.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Zie de CR IRB-instructies.

0020

BLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN EN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Zie de CR IRB-instructies.

0030, 0050

WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

Zie de CR SA-instructies.

0040

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Zie de CR IRB-instructies.

0060

WAARVAN: VOORTVLOEIENDE UIT TEGENPARTIJKREDIETRISICO

Zie de CR SA-instructies.

0070

RISICOGEWICHT

Artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit is een vaste kolom voor informatiedoeleinden. Zij mag niet worden gewijzigd.

0080

RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Zie de CR IRB-instructies.

0090

VERWACHTE VERLIESPOST

Zie de CR IRB-instructies.

0100

(–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Zie de CR IRB-instructies.



Rijen

Instructies

0010-0120

Blootstellingen worden aan de desbetreffende categorie en looptijd toegewezen overeenkomstig tabel 1 in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.3.6.   C 08.07 – Kredietrisico en niet-afgewikkelde transacties: interneratingbenadering van kapitaalvereisten (reikwijdte van het gebruik van de internerating- en de standaardbenadering (CR IRB 7))

3.3.6.1.   Algemene opmerkingen

83. Voor de toepassing van deze template wijzen instellingen die de risicogewogen posten volgens de interneratingbenadering van het kredietrisico berekenen, hun blootstellingen toe volgens de standaardbenadering van deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 of de interneratingbenadering van deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van die verordening, alsmede het deel van elke blootstellingscategorie dat aan een invoeringsplan is onderworpen. De instellingen nemen de informatie in deze template op per blootstellingscategorie, overeenkomstig de uitsplitsing van de blootstellingscategorieën in de rijen van de template.

84. De kolommen 0030 tot en met 0050 moeten het volledige scala blootstellingen bestrijken, zodat de som van elke rij voor die drie kolommen 100 % van alle blootstellingscategorieën bedraagt, met uitzondering van securitisatieposities en afgetrokken posities.

3.3.6.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010

TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 166 VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020

TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE STANDAARDBENADERING EN DE INTERNERATINGBENADERING

De instellingen gebruiken de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering overeenkomstig artikel 429, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om de totale blootstellingswaarde te rapporteren, met inbegrip van zowel de blootstellingen volgens de standaardbenadering als de blootstellingen volgens de interneratingbenadering.

0030

PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN PERMANENT GEDEELTELIJK GEBRUIK VAN DE STANDAARDBENADERING (%)

Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie onderworpen aan de standaardbenadering (blootstelling onderworpen aan de standaardbenadering vóór toepassing van kredietrisicolimitering over de totale blootstelling in die blootstellingscategorie in kolom 0020), met inachtneming van de reikwijdte van de toestemming voor permanent gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering die overeenkomstig artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van een bevoegde autoriteit is verkregen.

0040

PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN EEN INVOERINGSPLAN (%)

Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie dat onderworpen is aan de stapsgewijze invoering van de interneratingbenadering overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze informatie omvat:

— beide blootstellingen indien instellingen voornemens zijn de interneratingbenadering toe te passen met of zonder eigen LGD-raming en omrekeningsfactoren (F-IRB en A-IRB);

— niet van materieel belang zijnde blootstellingen in aandelen die niet in kolom 0020 of 0040 zijn opgenomen;

— blootstellingen die reeds onder F-IRB vallen indien een instelling voornemens is in de toekomst A-IRB toe te passen;

— blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening volgens de supervisory slotting-benadering die niet in kolom 0040 zijn opgenomen.

0050

PERCENTAGE VAN DE TOTALE BLOOTSTELLINGSWAARDE ONDERWORPEN AAN DE INTERNERATINGBENADERING (%)

Deel van de blootstelling voor elke blootstellingscategorie onderworpen aan de interneratingbenadering (blootstelling onderworpen aan de interneratingbenadering vóór toepassing van kredietrisicolimitering over de totale blootstelling in die blootstellingscategorie), met inachtneming van de reikwijdte van de toestemming voor gebruik van de interneratingbenadering die overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van een bevoegde autoriteit is verkregen. Dit omvat zowel blootstellingen waarvoor instellingen al dan niet hun eigen LGD-raming en omrekeningsfactoren mogen gebruiken (F-IRB en A-IRB), met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening volgens de supervisory slotting-benadering en blootstellingen in aandelen volgens de eenvoudige risicogewichtbenadering, alsmede de blootstellingen die worden gerapporteerd in rij 0170 van template C 08.01.



Rijen

Instructies

BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN

De instellingen nemen de informatie in deze template op per blootstellingscategorie, overeenkomstig de uitsplitsing van de blootstellingscategorieën in de rijen van de template.

3.4.   KREDIET- EN TEGENPARTIJKREDIETRISICO’S EN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES: INFORMATIE MET GEOGRAFISCHE UITSPLITSING

85. Alle instellingen verstrekken informatie die op totaalniveau is geaggregeerd. Voorts verstrekken de instellingen die aan de in artikel 5, punt 5, van deze uitvoeringsverordening vastgestelde drempel voldoen, informatie, uitgesplitst naar land, over zowel het thuisland als alle niet-thuislanden. De drempel geldt alleen voor de templates CR GB 1 en CR GB 2. Blootstellingen met betrekking tot supranationale organisaties worden aan de geografische zone „Andere landen” toegewezen.

86. Onder „vestigingsplaats van de debiteur” wordt verstaan het land van oprichting van de debiteur. Dit concept kan op basis van „directe debiteur” en „uiteindelijk risico” worden toegepast. Dat betekent dat kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten de toewijzing van een blootstelling aan een land kunnen veranderen. Blootstellingen met betrekking tot supranationale organisaties worden niet aan het land van vestiging van de instelling toegewezen, maar aan de geografische zone „Andere landen”, ongeacht de blootstellingscategorie waaraan de blootstelling met betrekking tot supranationale organisaties is toegewezen.

87. Gegevens over „oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren” worden onder vermelding van het land van vestiging van de directe debiteur gerapporteerd. Gegevens over „blootstellingswaarde” en „risicogewogen posten” worden volgens het land van vestiging van de uiteindelijke debiteur gerapporteerd.

3.4.1   C 09.01 – Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur: blootstellingen in het kader van de standaardbenadering (CR GB 1)

3.4.1.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0010 van de CR SA-template.

0020

Blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan

De oorspronkelijke blootstelling vóór de toepassing van omrekeningsfactoren voor de blootstellingen die als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd, en voor blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling en die zijn toegewezen aan de blootstellingscategorieën „blootstellingen waaraan een bijzonder hoog risico is verbonden” of „blootstellingen in aandelen”.

Deze „pro-memoriepost” biedt aanvullende informatie over de debiteurenstructuur van blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling. Blootstellingen die zijn geclassificeerd als in artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling”, worden gerapporteerd wanneer de debiteuren zouden zijn gerapporteerd indien die blootstellingen niet in de blootstellingscategorie „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” waren ondergebracht.

Deze informatie betreft een „pro-memoriepost” en heeft dus geen gevolgen voor de berekening van de risicogewogen posten van de blootstellingscategorieën „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling”, „blootstellingen met een bijzonder hoog risico” of „blootstellingen in aandelen” als genoemd in, respectievelijk, artikel 112, punten j), k) en p), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling

Het bedrag van de oorspronkelijke blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste rapportagedatum naar de blootstellingscategorie „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn overgegaan, wordt gerapporteerd voor de blootstellingscategorie waartoe de debiteur oorspronkelijk behoorde.

0050

Algemene kredietrisicoaanpassingen

Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014

Deze post vermeldt de algemene kredietrisicoaanpassingen die in aanmerking komen voor opneming in het tier 2-kapitaal, vóór toepassing van de in artikel 62, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde begrenzing.

Het te rapporteren bedrag is het bedrag exclusief belastingeffecten.

0055

Specifieke kredietrisicoaanpassingen

Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014.

0060

Afschrijvingen

Afschrijvingen als bedoeld in IFRS 9.5.4.4 en B5.4.9.

0061

Aanvullende waardeaanpassingen en andere eigenvermogensverlagingen

In overeenstemming met artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling

De som van de kredietrisicoaanpassingen en afschrijvingen voor blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste indiening van gegevens als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd.

0075

Blootstellingswaarde

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0200 van de CR SA-template.

0080

RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0215 van de CR SA-template.

0081

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0216 van de CR SA-template.

0082

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0217 van de CR SA-template.

0090

RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0220 van de CR SA-template.



Rijen

0010

Centrale overheden of centrale banken

Artikel 112, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0020

Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten

Artikel 112, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

Publiekrechtelijke lichamen

Artikel 112, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0040

Multilaterale ontwikkelingsbanken

Artikel 112, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

Internationale organisaties

Artikel 112, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0060

Instellingen

Artikel 112, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070

Ondernemingen

Artikel 112, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0075

waarvan: Kmo’s

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template.

0080

Particulieren en kleine partijen

Artikel 112, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0085

waarvan: Kmo’s

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template.

0090

Gedekt door hypotheken op onroerend goed

Artikel 112, punt i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0095

waarvan: Kmo’s

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0020 van de CR SA-template.

0100

Blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling

Artikel 112, punt j), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0110

Blootstellingen met een bijzonder hoog risico

Artikel 112, punt k), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0120

Gedekte obligaties

Artikel 112, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0130

Vorderingen op instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

Artikel 112, punt n), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0140

Instellingen voor collectieve belegging (icb’s)

Artikel 112, punt o), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Som van de rijen 0141 tot en met 0143

0141

Doorkijkbenadering

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0281 van de CR SA-template.

0142

Beleidsbenadering

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0282 van de CR SA-template.

0143

Fall-backbenadering

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor rij 0283 van de CR SA-template.

0150

Blootstellingen in aandelen

Artikel 112, punt p), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0160

Overige posten

Artikel 112, punt q), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0170

Totale blootstellingen

3.4.2   C 09.02 – Geografische uitsplitsing van blootstellingen naar vestigingsplaats van de debiteur: blootstellingen in het kader van de interneratingbenadering (CR GB 2)

3.4.2.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

 

0010

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0020 van de CR IRB-template

0030

Waarvan in wanbetaling

De oorspronkelijke blootstellingswaarde voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd.

0040

In de rapportageperiode waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling

Het bedrag van de oorspronkelijke blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste rapportagedatum als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd, wordt gerapporteerd voor de blootstellingscategorie waartoe de debiteur oorspronkelijk behoorde.

0050

Algemene kredietrisicoaanpassingen

Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014.

0055

Specifieke kredietrisicoaanpassingen

Kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede in Verordening (EU) 183/2014.

0060

Afschrijvingen

Afschrijvingen als bedoeld in IFRS 9.5.4.4 en B5.4.9.

0070

Kredietrisicoaanpassingen/afschrijvingen voor waargenomen nieuwe gevallen van wanbetaling

De som van de kredietrisicoaanpassingen en afschrijvingen voor blootstellingen die tijdens de periode van drie maanden na de laatste indiening van gegevens als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd.

0080

INTERNERATINGSCHAAL/AAN DE DEBITEURENKLASSE OF -GROEP TOEGEKENDE PD (%)

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0010 van de CR IRB-template

0090

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%)

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor de kolommen 0230 en 0240 van de CR IRB-template: de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%) betreft alle blootstellingen, met inbegrip van blootstellingen met betrekking tot grote entiteiten uit de financiële sector en niet-gereglementeerde financiële entiteiten. Artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is van toepassing.

Voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarbij de PD wordt geraamd, moet de gerapporteerde waarde ofwel de geraamde LGD of de LGD voor toezichtdoeleinden zijn. Voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen geen gegevens worden gerapporteerd omdat deze niet beschikbaar zijn.

0100

Waarvan: in wanbetaling

De naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd.

0105

Blootstellingswaarde

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0110 van de CR IRB-template

0110

RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0255 van de CR IRB-template

0120

Waarvan in wanbetaling

De risicogewogen posten voor blootstellingen die overeenkomstig artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als „blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling” zijn geclassificeerd.

0121

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE KMO-ONDERSTEUNINGSFACTOR

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0256 van de CR IRB-template

0122

(–) AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET DE INFRASTRUCTUURONDERSTEUNINGSFACTOR

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0257 van de CR IRB-template

0125

RISICOGEWOGEN POSTEN NA TOEPASSING VAN ONDERSTEUNINGSFACTOREN

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0260 van de CR IRB-template

0130

VERWACHTE VERLIESPOST

Hiervoor geldt dezelfde definitie als voor kolom 0280 van de CR IRB-template



Rijen

 

0010

Centrale overheden en centrale banken

Artikel 147, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0020

Instellingen

Artikel 147, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0030

Ondernemingen

Alle blootstellingen met betrekking tot ondernemingen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0042

Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening (met uitsluiting van gespecialiseerde kredietverlening volgens de slottingbenadering)

Artikel 147, lid 8, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Er worden geen gegevens gerapporteerd voor blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0045

Waarvan: Gespecialiseerde kredietverlening volgens de slottingbenadering

Artikel 147, lid 8, punt a), en artikel 153, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

Waarvan: Kmo’s

Artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

In het kader van de interneratingbenadering gebruiken de rapporterende entiteiten hun interne kmo-definitie, zoals toegepast in interne risicobeheersprocessen.

0060

Particulieren en kleine partijen

Alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070

Particulieren en kleine partijen – Gedekt door onroerend goed

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt.

Alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die door als zekerheid erkend onroerend goed worden gedekt, zullen worden beschouwd als door onroerend goed gedekte blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, ongeacht de verhouding tussen de waarde van de zekerheid en de blootstelling of het doel van de lening.

0080

Kmo’s

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), en artikel 154, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt.

0090

Niet-kmo’s

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die door onroerend goed worden gedekt.

0100

Particulieren en kleine partijen – Gekwalificeerde revolverende blootstellingen

Blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 154, lid 4, van die verordening.

0110

Andere particulieren en kleine partijen

Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 die niet in de rijen 0070 tot en met 0100 worden gerapporteerd.

0120

Kmo’s

„Andere blootstellingen met betrekking tot kmo’s” als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0130

Niet-kmo’s

„Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen” als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0140

Aandelen

„Blootstellingen in aandelen” als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0150

Totale blootstellingen

3.4.3   C 09.04 – Uitsplitsing van betrokken kredietblootstellingen ten behoeve van de berekening van de contracyclische buffer per land en het instellingsspecifieke contracyclische bufferpercentage (CCB)

3.4.3.1   Algemene opmerkingen

88. Deze template dient om meer informatie te ontvangen over de elementen van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer. De gevraagde informatie heeft betrekking op de overeenkomstig deel drie, titel II en titel IV, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde eigenvermogensvereisten en de geografische locatie voor kredietblootstellingen, securitisatieblootstellingen en handelsportefeuilleblootstellingen die relevant zijn voor de berekening van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer (CCB) overeenkomstig artikel 140 van Richtlijn 2013/36/EU (relevante kredietblootstellingen).

89. De informatie in template C 09.04 wordt gerapporteerd voor het „Totaal” van de relevante kredietblootstellingen in alle rechtsgebieden waar die blootstellingen zijn gesitueerd, en afzonderlijk voor elk van de rechtsgebieden waar de desbetreffende kredietblootstellingen zijn gesitueerd. De totaalcijfers en de informatie voor elk afzonderlijk rechtsgebied worden in een aparte dimensie gerapporteerd.

90. De in artikel 5, lid 5, van deze uitvoeringsverordening vastgestelde drempel is niet van toepassing voor de rapportage van deze uitsplitsing.

91. Om de geografische locatie te bepalen, worden de blootstellingen toegewezen op basis van een directe debiteur, zoals bepaald in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie ( 7 ). Bij de rapportage van in deze template beschreven informatie wijzigen kredietrisicolimiteringstechnieken daarom de toewijzing van een blootstelling aan de geografische locatie niet.

3.4.3.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

 

0010

Bedrag

De waarde van de relevante kredietblootstellingen en de daarmee verband houdende eigenvermogensvereisten zoals bepaald overeenkomstig de instructies voor de betrokken rij.

0020

Percentage

0030

Kwalitatieve informatie

Deze informatie wordt alleen gerapporteerd voor het land van vestiging van de instelling (het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst) en het „Totaal” van alle landen.

De instellingen rapporteren {y} of {n}, overeenkomstig de instructies voor de betrokken rij.



Rijen

 

0010-0020

Relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico

De relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU.

0010

Blootstellingswaarde volgens de standaardbenadering

De overeenkomstig artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen.

De blootstellingswaarde van securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille wordt van deze rij uitgesloten en wordt in rij 0055 gerapporteerd.

0020

Blootstellingswaarde volgens de interneratingbenadering

De overeenkomstig artikel 166 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen.

De blootstellingswaarde van securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille wordt van deze rij uitgesloten en wordt in rij 0055 gerapporteerd.

0030-0040

Relevante kredietblootstellingen – Marktrisico

De relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU.

0030

Som van long- en shortposities van blootstellingen in de handelsportefeuille voor de standaardbenadering

De som van de nettolong- en nettoshortposities overeenkomstig artikel 327 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU waarvoor eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden:

— blootstellingen met betrekking tot niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten;

— blootstellingen met betrekking tot securitisatieposities in de handelsportefeuille;

— blootstellingen met betrekking tot correlatiehandelsportefeuilles;

— blootstellingen met betrekking tot effecten met aandelenkarakter, en

— blootstellingen met betrekking tot icb’s indien kapitaalvereisten worden berekend overeenkomstig artikel 348 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

Waarde van blootstellingen in de handelsportefeuille volgens interne modellen

Voor relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU waarvoor eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, hoofdstukken 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden, wordt de som van het volgende gerapporteerd:

— de reële waarde van niet-afgeleide posities die relevante kredietblootstellingen vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU, vastgesteld overeenkomstig artikel 104 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— de notionele waarde van derivaten die relevante kredietblootstellingen als bedoeld in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU vertegenwoordigen.

0055

Relevante kredietblootstellingen – Securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille

De overeenkomstig artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende blootstellingswaarde voor de in artikel 140, lid 4, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen.

0070-0110

Eigenvermogensvereisten en -wegingen

0070

Totale eigenvermogensvereisten voor de contracyclische kapitaalbuffer (CCB)

De som van de rijen 0080, 0090 en 0100.

0080

Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Kredietrisico

De overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 1 tot en met 4 en hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor in artikel 140, lid 4, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land.

De eigenvermogensvereisten voor securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille worden van deze rij uitgesloten en worden in rij 0100 gerapporteerd.

De eigenvermogensvereisten bedragen 8 % van de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 1 tot en met 4 en hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogewogen posten.

0090

Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Marktrisico

De eigenvermogensvereisten als berekend overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor specifiek risico of overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor additioneel wanbetalings- en migratierisico ten aanzien van in artikel 140, lid 4, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land.

De eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen in het marktrisicokader omvatten onder meer de overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor securitisatieposities en de overeenkomstig artikel 348 van die verordening bepaalde eigenvermogensvereisten voor instellingen voor collectieve belegging.

0100

Eigenvermogensvereisten voor relevante kredietblootstellingen – Gesecuritiseerde posities in de niet-handelsportefeuille

De overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten voor in artikel 140, lid 4, punt c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde relevante kredietblootstellingen in het betrokken land.

De eigenvermogensvereisten bedragen 8 % van de overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogewogen posten.

0110

Wegingen van eigenvermogensvereisten

De weging die wordt toegepast op het contracyclische kapitaalbufferpercentage in elk land, wordt berekend als een ratio van eigenvermogensvereisten die als volgt wordt bepaald:

1.  Teller: het totaal van eigenvermogensvereisten dat betrekking heeft op de relevante kredietblootstellingen in het betrokken land [r0070; c0010; landenblad],

2.  Noemer: het totaal van eigenvermogensvereisten dat betrekking heeft op alle kredietblootstellingen die relevant zijn voor de berekening van de in artikel 140, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde contracyclische buffer overeenkomstig [r0070; c0010; „Totaal”].

Informatie over de wegingen van de eigenvermogensvereisten wordt niet gerapporteerd voor het „Totaal” van alle landen.

0120-0140

Contracyclische bufferpercentages

0120

Door de aangewezen autoriteit bepaald contracyclisch kapitaalbufferpercentage

Het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat voor het betrokken land door de aangewezen autoriteit van dat land is bepaald overeenkomstig de artikelen 136, 137 en 139, artikel 140, lid 2, punten a) en c), en artikel 140, lid 3, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU.

Deze rij wordt leeg gelaten wanneer de aangewezen autoriteit van het betrokken land geen contracyclisch bufferpercentage voor dat land heeft bepaald.

Contracyclische kapitaalbufferpercentages die door de aangewezen autoriteit zijn bepaald, maar op de rapportagereferentiedatum nog niet van toepassing zijn in het betrokken land, worden niet gerapporteerd.

Informatie over het door de aangewezen autoriteit bepaalde contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt niet voor het „Totaal” van alle landen gerapporteerd.

0130

Contracyclisch kapitaalbufferpercentage zoals van toepassing voor het land van de instelling

Het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat voor het betrokken land van toepassing is en door de aangewezen autoriteit van het land van vestiging van de instelling werd bepaald overeenkomstig de artikelen 137, 138 en 139, artikel 140, lid 2, punt b), en artikel 140, lid 3, punt a), van Richtlijn 2013/36/EU. Contracyclische kapitaalbufferpercentages die op de rapportagereferentiedatum nog niet van toepassing zijn, worden niet gerapporteerd.

Informatie over het contracyclische kapitaalbufferpercentage dat in het land van de instelling van toepassing is, wordt niet voor het „Totaal” van alle landen gerapporteerd.

0140

Instellingsspecifiek contracyclisch kapitaalbufferpercentage

Het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 140, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU.

Het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages die van toepassing zijn in de rechtsgebieden waar de relevante kredietblootstellingen van de instelling gesitueerd zijn of die in het kader van artikel 140 worden toegepast krachtens artikel 139, leden 2 of 3, van Richtlijn 2013/36/EU. Het relevante contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt gerapporteerd in [r0120; c0020; landenblad] of [r0130; c0020; landenblad], al naargelang.

De weging die in elk land op het contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt toegepast, is het aandeel van eigenvermogensvereisten in de totale eigenvermogensvereisten en wordt gerapporteerd in [r0110; c0020; landenblad].

Informatie over het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt alleen voor het „Totaal” van alle landen gerapporteerd, en niet voor ieder land apart.

0150-0160

Gebruik van de 2 %-drempel

0150

Gebruik van de 2 %-drempel voor algemene kredietblootstellingen

Overeenkomstig artikel 2, lid 5, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie mogen buitenlandse algemene kredietblootstellingen die in totaal niet groter zijn dan 2 % van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen van de betrokken instelling, worden toegewezen aan de lidstaat van herkomst van een instelling. Bij de berekening van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen worden de algemene kredietblootstellingen waarvan de locatie in overeenstemming met artikel 2, lid 5, punt a), en artikel 2, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie is bepaald, buiten beschouwing gelaten.

Als de instelling van deze afwijking gebruikmaakt, vermeldt zij „y” in de template voor het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst en voor het „Totaal” van alle landen.

Als een instelling geen gebruik maakt van deze afwijking, vermeldt zij „n” in de desbetreffende cel.

0160

Gebruik van de 2 %-drempel voor blootstellingen in de handelsportefeuille

Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2014 van de Commissie mogen instellingen blootstellingen in de handelsportefeuille aan hun lidstaat van herkomst toewijzen indien de totale blootstellingen in de handelsportefeuille niet groter zijn dan 2 % van het totaalbedrag van de algemene kredietblootstellingen, de blootstellingen in de handelsportefeuille en de securitisatieblootstellingen.

Als de instelling van deze afwijking gebruikmaakt, vermeldt zij „y” in de template voor het rechtsgebied dat overeenkomt met haar lidstaat van herkomst en voor het „Totaal” van alle landen.

Als een instelling geen gebruik maakt van deze afwijking, vermeldt zij „n” in de desbetreffende cel.

3.5.   C 10.01 EN C 10.02 – BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN IN HET KADER VAN DE INTERNERATINGBENADERING (CR EQU IRB 1 EN CR EQU IRB 2)

3.5.1   Algemene opmerkingen

92. De CR EQU IRB-template bestaat uit twee templates: CR EQU IRB 1 geeft een algemeen overzicht van de IRB-blootstellingen in de categorie „blootstellingen in aandelen” en de verschillende methoden voor het berekenen van het totaal van de risicoposten. CR EQU IRB 2 geeft een uitsplitsing van de totale blootstellingen die in het kader van de PD/LGD-benadering in debiteurenklassen zijn ondergebracht. In voorkomend geval wordt met „CR EQU IRB” in de instructies hieronder zowel de CR EQU IRB 1-template als de CR EQU IRB 2-template bedoeld.

93. De CR EQU IRB-template geeft informatie over de berekening van risicogewogen posten voor kredietrisico (artikel 92, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013) overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor blootstellingen in aandelen als bedoeld in artikel 147, lid 2, punt e), van die verordening.

94. De volgende blootstellingen worden overeenkomstig artikel 147, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de categorie „blootstellingen in aandelen” ondergebracht:

a) 

blootstellingen die geen schulden zijn, die een achtergestelde restvordering op de activa of de inkomsten van de uitgevende instelling vormen;

b) 

blootstellingen in de vorm van schulden en andere effecten, partnerschappen, derivaten of andere vehikels waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de onder in punt a) genoemde blootstellingen.

95. Blootstellingen met betrekking tot instellingen voor collectieve beleggingen die worden behandeld overeenkomstig de eenvoudige risicogewichtbenadering als bedoeld in artikel 152, lid 4, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of overeenkomstig de fall-backbenadering van artikel 152, lid 6, van die verordening, worden eveneens in de CR EQU IRB-template gerapporteerd.

96. Overeenkomstig artikel 151, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 verstrekken instellingen de CR EQU IRB-template wanneer zij een van de drie in artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde benaderingen toepassen:

— 
de eenvoudige risicogewichtbenadering;
— 
de PD/LGD-benadering;
— 
de internemodellenbenadering.

Overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen de instellingen voor verschillende portefeuilles verschillende benaderingen (eenvoudige risicogewichtbenadering, PD/LGD-benadering of internemodellenbenadering) toepassen wanneer zij deze verschillende benaderingen ook intern toepassen.

Voorts rapporteren instellingen die de interneratingbenadering toepassen, in de CR EQU IRB-template ook de risicogewogen posten voor de blootstellingen in aandelen die een vaste risicogewichtbehandeling krijgen (maar die niet expliciet worden behandeld overeenkomstig de eenvoudige risicogewichtbenadering of het (tijdelijk of permanent) gedeeltelijke gebruik van de standaardbenadering van kredietrisico), zoals blootstellingen in aandelen waarvoor overeenkomstig artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 250 % dan wel overeenkomstig artikel 471, lid 2, van die verordening een risicogewicht van 370 % geldt.

97. De volgende vorderingen in aandelen worden niet in de CR EQU IRB-template gerapporteerd:

— 
blootstellingen in aandelen in de handelsportefeuille (indien de instellingen niet zijn vrijgesteld van het berekenen van eigenvermogensvereisten voor posities in de handelsportefeuille (artikel 94 van Verordening (EU) nr. 575/2013);
— 
blootstellingen in aandelen waarvoor gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering wordt toegepast (artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013), waaronder:
— 
blootstellingen in aandelen waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn overeenkomstig artikel 495, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
— 
blootstellingen in aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen overeenkomstig de standaardbenadering een risicogewicht van 0 % krijgen, met inbegrip van met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een risicogewicht van 0 % kan worden toegepast (artikel 150, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013);
— 
blootstellingen in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma’s waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de instelling aanzienlijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de beleggingen in aandelen op enigerlei wijze aan overheidstoezicht en restricties zijn onderworpen (artikel 150, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013);
— 
blootstellingen in aandelen van ondernemingen die nevendiensten verrichten waarvan de risicogewogen posten berekend kunnen worden volgens de behandeling die geldt voor „andere activa die geen kredietverplichtingen zijn” (artikel 155, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013);
— 
vorderingen in aandelen die overeenkomstig de artikelen 46 en 48 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen zijn afgetrokken.

3.5.2   Instructies voor specifieke posities (geldend voor zowel CR EQU IRB 1 als CR EQU IRB 2)



Kolommen

0005

DEBITEURENKLASSE (IDENTIFICATIECODE VAN EEN RIJ)

De debiteurenklasse is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Deze volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort.

0010

INTERNERATINGSCHAAL

AAN DE DEBITEURENKLASSE TOEGEKENDE PD (%)

Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in kolom 0010 de overeenkomstig artikel 165, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende kans op wanbetaling (Probability of Default – PD).

De aan de debiteurenklasse of -groep toegekende PD die moet worden gerapporteerd, voldoet aan de minimumvereisten die in deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd. Voor elke afzonderlijke debiteurenklasse of -groep wordt de aan die specifieke klasse of groep toegekende PD gerapporteerd. Alle gerapporteerde risicoparameters worden afgeleid van de risicoparameters die in de door de desbetrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde interneratingsschaal worden gebruikt.

Voor cijfers betreffende een aggregatie van debiteurenklassen of -groepen (zoals „totale blootstellingen”) moet het naar blootstelling gewogen gemiddelde worden vermeld van de PD’s die aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie zijn toegekend. Alle blootstellingen, met inbegrip van blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, moeten in aanmerking worden genomen bij het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD. Bij die berekening van de naar blootstelling gewogen gemiddelde PD wordt, voor wegingsdoeleinden, de blootstellingswaarde gebruikt waarvoor met niet-volgestorte kredietprotectie rekening wordt gehouden (kolom 0060).

0020

OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

De instellingen rapporteren in kolom 0020 de oorspronkelijke blootstellingswaarde (vóór toepassing van omrekeningsfactoren). Overeenkomstig artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de blootstellingswaarde voor blootstellingen in aandelen gelijk aan de boekwaarde die resteert na bepaalde kredietrisicoaanpassingen. De blootstellingswaarde van blootstellingen in aandelen buiten de balanstelling is gelijk aan de nominale waarde ervan na specifieke kredietrisicoaanpassingen.

De instellingen vermelden in kolom 0020 ook de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde posten buiten de balanstelling die in de categorie „blootstellingen in aandelen” zijn ondergebracht (zoals „onbetaald deel van niet-volgestorte aandelen en effecten”).

Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de (in artikel 165, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde) PD/LGD-benadering toepassen, houden tevens rekening met de in artikel 155, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde verrekening.

0030-0040

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING

NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

GARANTIES

KREDIETDERIVATEN

Ongeacht de benadering die voor het berekenen van de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen wordt gevolgd, kunnen instellingen niet-volgestorte kredietprotectie voor posities in aandelen opnemen (artikel 155, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in de kolommen 0030 en 0040 het bedrag voor niet-volgestorte kredietprotectie in de vorm van garanties (kolom 0030) of kredietderivaten (kolom 0040) die zijn opgenomen overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven methoden.

0050

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING

SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN

(–) TOTALE UITSTROMEN

De instellingen rapporteren in kolom 0050 het deel van de oorspronkelijke blootstelling vóór toepassing van omrekeningsfactoren dat wordt gedekt door niet-volgestorte kredietprotectie, opgenomen overeenkomstig de in deel drie, titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven methoden.

0060

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering of de PD/LGD-benadering toepassen, rapporteren in kolom 0060 de blootstellingswaarde waarvoor met uit niet-volgestorte kredietprotectie voortvloeiende substitutie-effecten rekening wordt gehouden (artikel 155, leden 2 en 3, en artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

In het geval van blootstellingen in aandelen buiten de balanstelling is de blootstellingswaarde gelijk aan de nominale waarde na bepaalde kredietrisicoaanpassingen (artikel 167 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0061

WAARVAN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

Zie de CR SA-instructies.

0070

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LGD (%)

Instellingen die de PG/LGD-benadering toepassen, rapporteren het naar blootstelling gewogen gemiddelde van de aan de debiteurenklassen of -groepen in de aggregatie toegekende LGD’s.

Voor het berekenen van de naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD wordt de blootstellingswaarde gebruikt waarvoor met niet-volgestorte kredietprotectie rekening wordt gehouden (kolom 0060).

De instellingen houden rekening met artikel 165, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080

RISICOGEWOGEN POSTEN

De instellingen rapporteren de risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen, berekend overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien instellingen die de PD/LGD-benadering hanteren, niet over voldoende informatie beschikken om de in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervatte definitie van wanbetaling toe te passen, worden de risicogewichten bij het berekenen van de risicogewogen posten vermenigvuldigd met een schaalfactor 1,5 (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

Wat betreft de inputparameter M (looptijd) voor de risicogewichtfunctie, wordt aan blootstellingen in aandelen een looptijd van vijf jaar toegekend (artikel 165, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0090

PRO-MEMORIEPOST: VERWACHTE VERLIESPOST

De instellingen rapporteren in kolom 0090 de verwachte verliespost voor blootstellingen in aandelen, berekend overeenkomstig artikel 158, leden 4, 7, 8 en 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

98. [Verwijderd]



Rijen

CR EQU IRB 1 – rij 0020

PD/LGD-BENADERING: TOTAAL

Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in rij 0020 van de CR EQU IRB 1-template.

CR EQU IRB 1 – rijen 0050-0090

EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING: TOTAAL

UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR RISICOGEWICHT IN HET KADER VAN DE EENVOUDIGE RISICOGEWICHTBENADERING

Instellingen die de eenvoudige risicogewichtbenadering toepassen (artikel 155, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie volgens de kenmerken van de onderliggende blootstellingen in de rijen 0050 tot en met 0090.

CR EQU IRB 1 – rij 0100

INTERNEMODELLENBENADERING

Instellingen die de internemodellenbenadering toepassen (artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in rij 0100.

CR EQU IRB 1 – rij 0110

BLOOTSTELLINGEN IN AANDELEN WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST

Instellingen die de interneratingbenadering toepassen, rapporteren de risicogewogen posten voor de blootstellingen in aandelen die een vaste risicogewichtbehandeling krijgen (maar die niet expliciet worden behandeld volgens de eenvoudige risicogewichtbenadering of het (tijdelijk of permanent) gedeeltelijk gebruik van de standaardbenadering van kredietrisico), ook voor de volgende blootstellingen:

— de overeenkomstig artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 behandelde risicogewogen posten voor blootstellingen in aandelen van entiteiten uit de financiële sector, alsmede

— blootstellingen in aandelen die overeenkomstig artikel 471, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 370 % krijgen, worden in rij 0110 gerapporteerd.

CR EQU IRB 1 – rij 0120

AAN DE FALL-BACKBENADERING ONDERWORPEN ICB-BLOOTSTELLINGEN

Ook blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb’s die volgens de fall-backbenadering van artikel 152, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden behandeld, worden in deze rij gerapporteerd.

CR EQU IRB 2

UITSPLITSING VAN TOTALE BLOOTSTELLINGEN NAAR DEBITEURENKLASSE IN HET KADER VAN DE PD/LGD-BENADERING

Instellingen die de PD/LGD-benadering toepassen (artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de vereiste informatie in de CR EQU IRB 2-template.

Instellingen die de PD/LGD-benadering hanteren en een unieke ratingschaal toepassen of in staat zijn volgens een interne modelschaal te rapporteren, rapporteren in CR EQU IRB 2 de met dit unieke ratingschaal of deze master scale verband houdende ratingklassen of -groepen. In alle overige gevallen worden de verschillende ratingschalen samengevoegd en gerangschikt aan de hand van de volgende criteria: debiteurenklassen of -groepen van verschillende ratingschalen worden samengevoegd en van laag naar hoog gerangschikt op basis van de aan elke debiteurenklasse of -groep toegekende PD.

3.6.   C 11.00 – AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO (CR SETT)

3.6.1   Algemene opmerkingen

99. In deze template wordt gevraagd naar informatie over transacties in zowel de handelsportefeuille als de niet-handelsportefeuille die na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, alsmede over de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor het afwikkelingsrisico als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

100. De instellingen rapporteren in de CR SETT-template informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico met betrekking tot schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen in hun handels- of niet-handelsportefeuille.

101. Overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen retrocessietransacties en transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen met betrekking tot schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen niet onder de eigenvermogensvereisten voor afwikkelings-/leveringsrisico. Niettemin zijn derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, wel aan eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico onderworpen, zoals bepaald in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

102. In het geval van na de overeengekomen leveringsdatum nog niet afgewikkelde transacties berekenen de instellingen het prijsverschil waarvoor zij aan risico zijn blootgesteld. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel, de valuta of de grondstof in kwestie, en de actuele marktwaarde daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren.

103. De instellingen vermenigvuldigen dat verschil met de passende factor in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 om de overeenkomstige eigenvermogensvereisten te bepalen.

104. Overeenkomstig artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de eigenvermogensvereisten voor afwikkelings-/leveringsrisico met 12,5 vermenigvuldigd om de risicoposten te berekenen.

105. N.B. Eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties overeenkomstig artikel 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen niet onder de CR SETT-template. Die eigenvermogensvereisten worden in de templates voor kredietrisico (CR SA, CR IRB) gerapporteerd.

3.6.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES TEGEN AFWIKKELINGSPRIJS

De instellingen rapporteren de niet-afgewikkelde transacties die na de overeengekomen leveringsdatum nog niet zijn afgewikkeld, tegen de overeengekomen afwikkelingsprijs overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Alle niet-afgewikkelde transacties worden in deze kolom vermeld, ongeacht of zij na de overeengekomen afwikkelingsdatum winst of verlies inhouden.

0020

BLOOTSTELLING IN VERBAND MET PRIJSVERSCHIL ALS GEVOLG VAN NIET-AFGEWIKKELDE TRANSACTIES

De instellingen rapporteren, overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het prijsverschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel, de valuta of de grondstof in kwestie, en de actuele marktwaarde daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren.

Uitsluitend niet-afgewikkelde transacties die na de overeengekomen afwikkelingsdatum verlies inhouden, worden in deze kolom gerapporteerd.

0030

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

De instellingen rapporteren de overeenkomstig artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende eigenvermogensvereisten.

0040

TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR AFWIKKELINGSRISICO

Overeenkomstig artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermenigvuldigen de instellingen hun in kolom 0030 gerapporteerde eigenvermogensvereisten met 12,5 om de risicoposten voor afwikkelingsrisico te verkrijgen.



Rijen

0010

Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de niet-handelsportefeuille

De instellingen rapporteren de geaggregeerde informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille (overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

De instellingen rapporteren in {r0010;c0010} de geaggregeerde som van op de overeengekomen leveringsdata nog niet afgewikkelde transacties tegen de desbetreffende overeengekomen afwikkelingsprijzen.

De instellingen rapporteren in {r0010;c0020} de geaggregeerde informatie over blootstelling in verband met prijsverschillen als gevolg van niet-afgewikkelde transacties die verlies inhouden.

De instellingen rapporteren in {r0010;c0030} de geaggregeerde eigenvermogensvereisten voortvloeiend uit optelling van de eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties, door het in kolom 0020 gerapporteerde „prijsverschil” te vermenigvuldigen met de passende factor naargelang van het aantal werkdagen na de vastgestelde afwikkelingsdatum (overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën).

0020-0060

Transacties met maximaal 4 dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %)

Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %)

Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %)

Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %)

Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %)

De instellingen rapporteren in de rijen 0020 tot en met 0060 informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën.

Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico van transacties waarvan de afwikkeling plaatsvindt na de overeengekomen afwikkelingsdatum, doch minder dan vijf werkdagen na die datum.

0070

Totaal van niet-afgewikkelde transacties in de handelsportefeuille

De instellingen rapporteren de geaggregeerde informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de handelsportefeuille (overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), ii), en artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

De instellingen rapporteren in {r0070;c0010} de geaggregeerde som van op de overeengekomen leveringsdata nog niet afgewikkelde transacties tegen de desbetreffende overeengekomen afwikkelingsprijzen.

De instellingen rapporteren in {r0070;c0020} de geaggregeerde informatie over blootstelling in verband met prijsverschillen als gevolg van niet-afgewikkelde transacties die verlies inhouden.

De instellingen rapporteren in {r0070;c0030} de geaggregeerde eigenvermogensvereisten voortvloeiend uit optelling van de eigenvermogensvereisten voor niet-afgewikkelde transacties, door het in kolom 0020 gerapporteerde „prijsverschil” te vermenigvuldigen met een passende factor gebaseerd op het aantal werkdagen na de vastgestelde afwikkelingsdatum (overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën).

0080-0120

Transacties met maximaal 4 dagen vertraagde afwikkeling (factor 0 %)

Transacties met tussen 5 en 15 dagen vertraagde afwikkeling (factor 8 %)

Transacties met tussen 16 en 30 dagen vertraagde afwikkeling (factor 50 %)

Transacties met tussen 31 en 45 dagen vertraagde afwikkeling (factor 75 %)

Transacties met meer dan 46 dagen vertraagde afwikkeling (factor 100 %)

De instellingen rapporteren in de rijen 0080 tot en met 0120 informatie over het afwikkelings-/leveringsrisico voor posities in de handelsportefeuille overeenkomstig de in tabel 1 in artikel 378 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde categorieën.

Er zijn geen eigenvermogensvereisten voor het afwikkelings-/leveringsrisico van transacties waarvan de afwikkeling plaatsvindt na de overeengekomen afwikkelingsdatum, doch minder dan vijf werkdagen na die datum.

3.7.   C 13.01 – KREDIETRISICO – SECURITISATIES (CR SEC)

3.7.1   Algemene opmerkingen

106. Indien de instelling handelt als initiator, wordt voor alle securitisaties waarvoor een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico is opgenomen, de in deze template verlangde informatie verschaft. Indien de instelling als belegger handelt, worden alle blootstellingen gerapporteerd.

107. Welke informatie moet worden gerapporteerd, hangt af van de rol van de instelling in het securitisatieproces. Er zijn dan ook specifieke rapportageposten voor initiators, sponsors en beleggers.

108. In deze template wordt informatie gebundeld over zowel traditionele als synthetische securitisaties in de niet-handelsportefeuille.

3.7.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

TOTAALBEDRAG VAN GEÏNITIEERDE GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN

Initiërende instellingen rapporteren het op de rapportagedatum uitstaande bedrag van alle in de securitisatietransactie geïnitieerde actuele gesecuritiseerde blootstellingen, ongeacht de houder van de posities. Dit betekent dat rapportage plaatsvindt van zowel gesecuritiseerde blootstellingen binnen de balanstelling (zoals obligaties en achtergestelde leningen) als blootstellingen buiten de balanstelling en derivaten (zoals achtergestelde kredietlijnen, liquiditeitsfaciliteiten, renteswaps, kredietverzuimswaps enz.) die bij de securitisatie zijn geïnitieerd.

De initiator houdt bij de rapportage in deze template geen rekening met traditionele securitisaties waarbij hij geen positie aanhoudt. In dat verband worden vervroegdeaflossingsbepalingen, als bedoeld in artikel 242, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bij een securitisatie van revolverende blootstellingen gerekend tot door de initiator aangehouden securitisatieposities.

0020-0040

SYNTHETISCHE SECURITISATIES KREDIETPROTECTIE VOOR GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN

Artikelen 251 en 252 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Met looptijdmismatches wordt geen rekening gehouden bij de waardeaanpassing in verband met kredietrisicolimiteringstechnieken die met de securitisatiestructuur samenhangen.

0020

(–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE (CVA)

De gedetailleerde procedure voor het berekenen van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid (CVA) die in deze kolom wordt gerapporteerd, is vastgelegd in artikel 223, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030

(–) TOTALE UITSTROMEN: VOOR NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (G*)

Overeenkomstig de algemene regel voor „instromen” en „uitstromen” worden de in deze kolom gerapporteerde bedragen als „instromen” opgenomen in de desbetreffende template voor kredietrisico (CR SA of CR IRB) en in de door rapporterende entiteit aan de protectiegever (d.w.z. de derde waaraan de tranche door middel van niet-volgestorte kredietprotectie wordt overgedragen) toegewezen blootstellingscategorie.

De procedure voor het berekenen van het voor valutarisico gecorrigeerde nominale bedrag van de kredietprotectie (G*) is vastgelegd in artikel 233, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

BEHOUDEN OF TERUGGEKOCHT NOTIONEEL BEDRAG VAN KREDIETPROTECTIE

Alle behouden of teruggekochte tranches, zoals aangehouden first loss-posities, worden met hun nominale waarde gerapporteerd.

Met het effect van reglementaire reductiefactoren op de kredietprotectie wordt bij het berekenen van het behouden of teruggekochte bedrag van die protectie geen rekening gehouden.

0050

SECURITISATIEPOSITIES: OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Deze kolom bevat de blootstellingswaarden van door de rapporterende instelling aangehouden securitisatieposities die zijn berekend overeenkomstig artikel 248, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder toepassing van kredietomrekeningsfactoren en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen, en in artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde niet-restitueerbare kortingen op de aankoopprijs voor gesecuritiseerde blootstellingen en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen op de securitisatiepositie.

Nettering is alleen relevant in het geval van meerdere, aan dezelfde SSPE verstrekte derivatencontracten die onder een toelaatbare netteringsovereenkomst vallen.

Bij synthetische securitisaties zijn de posities die door de initiator in de vorm van posten binnen de balanstelling en/of in het belang van de beleggers worden aangehouden, het resultaat van de aggregatie van de kolommen 0010 tot en met 0040.

0060

(–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 De in deze kolom te rapporteren waardeaanpassingen en voorzieningen betreffen uitsluitend securitisatieposities. Waardeaanpassingen voor gesecuritiseerde blootstellingen blijven buiten beschouwing.

0070

BLOOTSTELLING NA VERREKENING VAN WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Deze kolom bevat de blootstellingswaarden van securitisatieposities die zijn berekend overeenkomstig artikel 248, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder toepassing van kredietomrekeningsfactoren en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen, en in artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde niet-restitueerbare kortingen op de aankoopprijs voor gesecuritiseerde blootstellingen en vóór aftrek van waardeaanpassingen en voorzieningen op de securitisatiepositie.

0080-0110

KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN MET SUBSTITUTIE-EFFECT OP DE BLOOTSTELLING

Artikel 4, lid 1, punt 57, deel drie, titel II, hoofdstuk 4, en artikel 249 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In deze kolommen rapporteren de instellingen informatie over kredietrisicolimiteringstechnieken die het kredietrisico van een of meer blootstellingen via substitutie van blootstellingen limiteren (zoals hieronder aangegeven voor instromen en uitstromen).

Zekerheden die een effect op de blootstellingswaarde hebben (indien deze bijvoorbeeld worden gebruikt voor kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling), worden gemaximeerd op de blootstellingswaarde.

Hier worden de volgende posten gerapporteerd:

1.  zekerheden, opgenomen overeenkomstig artikel 222 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (eenvoudige benadering van financiële zekerheden);

2.  in aanmerking komende niet-volgestorte kredietprotectie.

0080

(–) NIET-VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE GECORRIGEERDE WAARDEN (GA)

Niet-volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 59, en de artikelen 234 tot en met 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0090

(–) VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE

Volgestorte kredietprotectie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 58, van Verordening (EU) nr. 575/2013, als bedoeld in artikel 249, lid 2, eerste alinea, van die verordening en als beregeld in de artikelen 195, 197 en 200 van die verordening.

Credit linked notes en nettering van balansposten als bedoeld in de artikelen 218 en 219 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.

0100-0110

SUBSTITUTIE VAN DE BLOOTSTELLING MIDDELS KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN

Instromen en uitstromen binnen dezelfde blootstellingscategorieën en, voor zover relevant, risicogewichten of debiteurenklassen worden gerapporteerd.

0100

(–) TOTALE UITSTROMEN

Artikel 222, lid 3, artikel 235, leden 1 en 2, en artikel 236 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De uitstromen komen overeen met het gedekte deel van „Blootstelling na verrekening van waardeaanpassingen en voorzieningen” dat van de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de debiteur wordt afgetrokken, en vervolgens wordt ondergebracht in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de protectiegever.

Dat bedrag wordt beschouwd als een „instroom” in de blootstellingscategorie en, in voorkomend geval, het risicogewicht of de debiteurenklasse van de protectiegever.

0110

TOTALE INSTROMEN

Securitisatieposities die schuldtitels zijn en als toelaatbare financiële zekerheden in de zin van artikel 197, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gebruikt, worden, indien de eenvoudige benadering van financiële zekerheden (FCSM) wordt gehanteerd, in deze kolom als instromen gerapporteerd.

0120

NETTOBLOOTSTELLING NA SUBSTITUTIE-EFFECT VAN KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Deze kolom bevat de blootstellingen die in het desbetreffende risicogewicht en de desbetreffende blootstellingscategorie zijn ondergebracht na inaanmerkingneming van uitstromen en instromen als gevolg van „Kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effect op de blootstelling”.

0130

(–) KREDIETRISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN DIE OP HET BEDRAG VAN DE BLOOTSTELLING VAN INVLOED ZIJN: VOLGESTORTE KREDIETPROTECTIE, GECORRIGEERDE WAARDE IN HET KADER VAN DE UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (CVAM)

Artikelen 223 tot en met 228 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deze post omvat ook credit linked notes (artikel 218 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0140

VOLLEDIG AANGEPASTE BLOOTSTELLINGSWAARDE (E*)

De blootstellingswaarde van overeenkomstig artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende securitisatieposities, doch zonder toepassing van de omrekeningsfactoren van artikel 248, lid 1, punt b), van die verordening.

0150

WAARVAN: WAAROP EEN OMREKENINGSFACTOR VAN 0 % WORDT TOEGEPAST

Artikel 248, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 4, lid 1, punt 56, van Verordening (EU) nr. 575/2013 geeft in dit verband een definitie van „omrekeningsfactor”.

Bij de rapportage worden volledig aangepaste blootstellingswaarden (E*) gerapporteerd voor de omrekeningsfactor 0 %.

0160

(–) NIET-RESTITUEERBARE KORTING OP DE AANKOOPPRIJS

Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een initiërende instelling van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1 250  % is toegekend, niet-restitueerbare kortingen aftrekken die verband houden met dergelijke onderliggende blootstellingen voor zover die kortingen hebben geleid tot de vermindering van het eigen vermogen.

0170

(–) SPECIFIEKE KREDIETRISICOAANPASSINGEN VOOR DE ONDERLIGGENDE BLOOTSTELLINGEN

Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een initiërende instelling van de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1 250  % is toegekend of die van het tier 1-kernkapitaal wordt afgetrokken, het bedrag aftrekken van de overeenkomstig artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde specifieke kredietrisicoaanpassingen van de onderliggende blootstellingen.

0180

BLOOTSTELLINGSWAARDE

De blootstellingswaarde van securitisatieposities berekend in overeenstemming met artikel 248 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0190

(–) VAN EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN BLOOTSTELLINGSWAARDE

Overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen instellingen, in het geval van een securitisatiepositie waaraan een risicogewicht van 1 250  % is toegekend, in plaats van de positie in hun berekening van risicogewogen posten te betrekken, de blootstellingswaarde van die positie aftrekken van het eigen vermogen.

0200

BLOOTSTELLINGSWAARDE WAAROP RISICOGEWICHTEN WORDEN TOEGEPAST

De blootstellingswaarde verminderd met de van het eigen vermogen afgetrokken blootstellingswaarde.

0210

SEC-IRBA

Artikel 254, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0220-0260

UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES

SEC-IRBA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes.

0270

WAARVAN: BEREKEND OP GROND VAN ARTIKEL 255, LID 4 (GEKOCHTE KORTLOPENDE VORDERINGEN)

Artikel 255, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor deze kolom worden blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen en worden andere blootstellingen dan die met betrekking tot particulieren en kleine partijen behandeld als gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen.

0280

SEC-SA

Artikel 254, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0290-0340

UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES

SEC-SA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes.

Voor het risicogewicht (RW) = 1 250  % (gewicht (W) onbekend) moet, volgens artikel 261, lid 2, punt b), vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, aan de positie in de securitisatie een risicogewicht van 1 250  % worden toegekend indien de instelling de achterstalligheidsstatus van meer dan 5 % van de onderliggende blootstellingen in de pool niet kent.

0350

SEC-ERBA

Artikel 254, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0360-0570

UITSPLITSING NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIEËN (KREDIETKWALITEITSCATEGORIEËN KORTE/LANGE TERMIJN)

Artikel 263 van Verordening (EU) nr. 575/2013

SEC-ERBA-securitisatieposities met een afgeleide rating overeenkomstig artikel 254, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden als posities met een rating gerapporteerd.

Blootstellingswaarden waarop risicogewichten worden toegepast, worden uitgesplitst naar korte en lange termijn en kredietskwaliteitscategorieën van de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0580-0630

UITSPLITSING NAAR REDENEN OM EXTERNERATINGBENADERING SECURITISATIES (SEC-ERBA) TOE TE PASSEN

Voor iedere securitisatiepositie houden de instellingen in de kolommen 0580 tot en met 0620 rekening met een van de volgende opties.

0580

AUTOLENINGEN, AUTOLEASES EN LEASES VAN UITRUSTING

Artikel 254, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Alle autoleningen, autoleases en leases van uitrusting worden in deze kolom gerapporteerd, zelfs indien zij in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 254, lid 2, punt a) of b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0590

EXTERNERATINGBENADERING SECURITISATIES (SEC-ERBA) OPTIE

Artikel 254, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0600

POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT A), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

Artikel 254, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0610

POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 2, PUNT B), VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

Artikel 254, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0620

POSITIES ONDERWORPEN AAN ARTIKEL 254, LID 4, OF ARTIKEL 258, LID 2, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

Aan SEC-ERBA onderworpen securitisatieposities indien de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 254, lid 4, of artikel 258, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de toepassing van SEC-IRBA of SEC-SA hebben verboden.

0630

VOLGENS DE RANGORDE VAN BENADERINGEN

Securitisatieposities indien SEC-ERBA wordt toegepast volgens de in artikel 254, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde rangorde van benaderingen.

0640

INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA)

Artikel 254, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende de „internebeoordelingsbenadering” (IAA) voor posities in ABCP-programma’s.

0650-0690

UITSPLITSING NAAR RISICOGEWICHTSBANDBREEDTES

IAA-blootstellingen uitgesplitst naar risicogewichtsbandbreedtes.

0695

SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES

Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0700

OVERIGE (RW = 1 250  %)

Indien geen van de bovenstaande benaderingen wordt toegepast, wordt, overeenkomstig artikel 254, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, een risicogewicht van 1 250  % toegekend aan securitisatieposities.

0710-0860

RISICOGEWOGEN POSTEN

Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten vóór aanpassingen in verband met looptijdmismatches of overtredingen van de duediligencebepalingen, en exclusief eventuele risicogewogen posten voor blootstellingen die via uitstromen zijn overgeheveld naar een ander template.

0840

INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA): GEMIDDELD RISICOGEWICHT (%)

De naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewichten van de securitisatieposities worden in deze kolom gerapporteerd.

0860

RISICOGEWOGEN POSTEN WAARVAN: SYNTHETISCHE SECURITISATIES

In het geval van synthetische securitisaties met looptijdmismatches blijven voor het in deze kolom te rapporteren bedrag looptijdmismatches buiten beschouwing.

0870

AANPASSING RISICOGEWOGEN POSTEN IN VERBAND MET LOOPTIJDMISMATCHES

Looptijdmismatches bij synthetische securitisaties RW*-RW(SP), berekend overeenkomstig artikel 252 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden vermeld, behalve in het geval van tranches waarop een risicogewicht van 1 250  % van toepassing is, indien het te rapporteren bedrag gelijk is aan nul. RW(SP) betreft niet alleen de onder kolom 0650 gerapporteerde risicogewogen posten, maar ook de risicogewogen posten voor blootstellingen die via uitstromen naar andere templates zijn overgeheveld.

0880

ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402 (1)

Overeenkomstig artikel 270 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 leggen de bevoegde autoriteiten, wanneer een instelling niet aan bepaalde vereisten voldoet, een evenredig additioneel risicogewicht op van ten minste 250 % van het risicogewicht (begrensd op 1 250  %) dat op grond van deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op de betrokken securitisatieposities van toepassing zou zijn.

0890

VÓÓR BEGRENZING

Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten vóór toepassing van de in de artikelen 267 en 268 van die verordening bepaalde begrenzingen of, in het geval van in aanmerking komende NPE-securitisaties, vóór toepassing van artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0900

(–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN

Overeenkomstig artikel 267 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een instelling die te allen tijde kennis heeft van de samenstelling van de onderliggende blootstellingen, de senior securitisatiepositie een maximaal risicogewicht toekennen gelijk aan het naar blootstelling gewogen gemiddelde risicogewicht dat op de onderliggende blootstellingen toepasselijk zou zijn alsof de onderliggende blootstellingen niet waren gesecuritiseerd. Voor in aanmerking komende NPE-securitisaties wordt artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name de leden 6 en 7 daarvan, toegepast.

0910

(–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING

Overeenkomstig artikel 268 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan een initiërende instelling, een sponsorinstelling of een andere instelling die de SEC-IRBA gebruikt, of een initiërende instelling of een sponsorinstelling die de SEC-SA of de SEC-ERBA gebruikt, voor de door haar aangehouden securitisatiepositie een maximaal kapitaalvereiste toepassen dat gelijk is aan de kapitaalvereisten die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zouden zijn berekend met betrekking tot de onderliggende blootstellingen als deze niet waren gesecuritiseerd. Voor in aanmerking komende NPE-securitisaties wordt artikel 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name de leden 5 en 7 daarvan, toegepast.

0920

TOTAAL VAN RISICOGEWOGEN POSTEN

Het totaal van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende risicogewogen posten, rekening houdende met het in artikel 247, lid 6, van die verordening genoemde totale risicogewicht.

0930

PRO-MEMORIEPOST: RISICOGEWOGEN POSTEN OVEREENKOMEND MET DE UITSTROMEN VAN SECURITISATIES NAAR ANDERE BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN

De risicogewogen posten die voortvloeien uit naar de verschaffer van risicolimitering overgehevelde blootstellingen – en dus in de desbetreffende template worden berekend – en die bij de berekening van de begrenzing voor securitisatieposities in aanmerking worden genomen.

(1)   

Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).

109. De template is verdeeld in drie grote rijenblokken die gegevens over geïnitieerde/gefinancierde/behouden of gekochte blootstellingen bundelen per initiator, belegger en sponsor. De informatie wordt voor elk van hen onderverdeeld in posten binnen de balanstelling, posten buiten de balanstelling en derivaten, en ook de vraag of deze aan een gedifferentieerde vermogensbehandeling is onderworpen.

110. In overeenstemming met de SEC-ERBA behandelde posities en posities zonder rating (blootstellingen op de rapportagedatum) worden uitgesplitst volgens de bij aanvang toegepaste kredietkwaliteitscategorie (laatste rijenblok). Zowel initiators en sponsors als beleggers rapporteren deze informatie.



Rijen

0010

TOTALE BLOOTSTELLINGEN

De totale blootstellingen betreffen het totale bedrag aan uitstaande securitisaties en hersecuritisaties. Deze rij geeft een overzicht van alle informatie die in de volgende rijen door initiators, sponsors en beleggers wordt gerapporteerd.

0020

SECURITISATIEPOSITIES

Het totale bedrag aan uitstaande securitisatieposities in de zin van artikel 4, lid 1, punt 62, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die geen hersecuritisaties in de zin van artikel 4, lid 1, punt 63, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn.

0030

IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING

Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243, 270 of 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen.

0040

BLOOTSTELLINGEN IN STS ABCP- EN NIET-ABCP TRADITIONELE SECURITISATIES

Het totale bedrag aan STS-securitisatieposities die aan de vereisten van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0050

SENIOR POSITIES IN KMO-SECURITISATIES WAAROP GRANDFATHERINGBEPALINGEN VAN TOEPASSING ZIJN

Het totale bedrag aan senior synthetische securitisatieposities waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn en die aan de vereisten van artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0051

SENIOR POSITIES IN OP DE BALANS OPGENOMEN STS SECURITISATIES

Het totale bedrag aan op de balans opgenomen senior STS-securitisatieposities die aan de vereisten van artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0060, 0120, 0170, 0240, 0290, 0360 en 0410

NIET IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING

Artikel 254, leden 1, 4, 5 en 6, en artikelen 259, 261, 263, 265, 266 en 269 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het totale bedrag aan securitisatieposities dat niet voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komt.

0070, 0190, 0310 en 0430

HERSECURITISATIEPOSITIES

Het totale bedrag aan uitstaande hersecuritisatieposities in de zin van artikel 4, lid 1, punt 64, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080

INITIATOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN

Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling optreedt als initiator in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0090-0136, 0210-0250 en 0330-0370

SECURITISATIEPOSITIES: POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING

Overeenkomstig artikel 248, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de blootstellingswaarde van een securitisatiepositie op de balans de boekwaarde die overblijft nadat relevante specifieke kredietrisicoaanpassingen op de securitisatiepositie zijn toegepast overeenkomstig artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Posten binnen de balanstelling worden uitgesplitst om in de rijen 0100 en 0120 informatie in beeld te brengen met betrekking tot de toepassing van de in artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gedifferentieerde vermogensbehandeling en in de rijen 0110 en 0130 informatie over het totale bedrag aan senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, punt 6, van die verordening.

0100, 0220 en 0340

IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING

Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen.

0110, 0131, 0134, 0160, 0180, 0230, 0251, 0254, 0280, 0300, 0350, 0371, 0374, 0400 en 0420

WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN

Het totale bedrag aan uitstaande senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0121, 0241 en 0361

BLOOTSTELLINGEN IN NIET-NPE-SECURITISATIES

Het totale bedrag aan blootstellingen die niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0133, 0253 en 0373

BLOOTSTELLINGEN IN NPE-SECURITISATIES

Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0134, 0254 en 0374

WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES

Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0135, 0255 en 0375

WAARVAN: SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN NIET IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES

Het totale bedrag aan blootstellingen die niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

0136, 0256 en 0376

WAARVAN: NIET-SENIOR BLOOTSTELLINGEN IN IN AANMERKING KOMENDE TRADITIONELE NPE-SECURITISATIES

Het totale bedrag aan blootstellingen die aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, maar niet aan de voorwaarden van artikel 269 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0140-0180, 0260-0300 en 0380-0420

SECURITISATIEPOSITIES: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN

In deze rijen wordt informatie verzameld over securitisatieposities buiten de balanstelling en securitisatieposities van derivaten waarop in het securitisatiekader een omrekeningsfactor wordt toegepast. De blootstellingswaarde van een securitisatiepositie buiten de balanstelling is de nominale waarde ervan, verminderd met een eventuele specifieke kredietrisicoaanpassing van die securitisatiepositie, vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor van 100 %, tenzij anders is aangegeven.

Securitisatieposities buiten de balanstelling die voortvloeien uit een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat, worden bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De blootstellingswaarde voor het tegenpartijrisico van een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat, wordt bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Voor liquiditeitsfaciliteiten, kredietfaciliteiten en voorschotten aan de servicer vermelden de instellingen het niet-opgenomen bedrag.

Voor rente- en valutaswaps vermelden zij de blootstellingswaarde (berekend overeenkomstig artikel 248, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

Posten binnen de balanstelling worden uitgesplitst om in de rijen 0150 en 0170 informatie in beeld te brengen met betrekking tot de toepassing van de in artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gedifferentieerde vermogensbehandeling en in de rijen 0160 en 0180 informatie over het totale bedrag aan senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, punt 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Hier zijn de verwijzingen naar wetgeving dezelfde als voor de rijen 0100 tot en met 0130.

0150, 0270 en 0390

IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING

Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen of, uitsluitend voor initiërende instellingen, artikel 270 of artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen.

0200

BELEGGER: TOTALE BLOOTSTELLINGEN

Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling als belegger optreedt.

In deze template wordt onder „belegger” verstaan een instelling die een securitisatiepositie aanhoudt in een securitisatietransactie waarvoor zij noch als initiator noch als sponsor optreedt.

0320

SPONSOR: TOTALE BLOOTSTELLINGEN

Deze rij geeft een overzicht van posten binnen en buiten de balanstelling en derivaten van de securitisatie- en hersecuritisatieposities waarvoor de instelling optreedt als initiator in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien een sponsor tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt deze in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa.

0440-0670

UITSPLITSING VAN UITSTAANDE POSITIES NAAR KREDIETKWALITEITSCATEGORIE (CQS) BIJ DE AANVANG

In deze rijen wordt informatie verzameld over uitstaande posities (op de rapportagedatum) waarvoor op de datum van initiëring (aanvang) een kredietkwaliteitscategorie (als bepaald in de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013) was vastgelegd. Voor securitisatieposities die volgens de internebeoordelingsbenadering (IAA) worden behandeld, is de kredietkwaliteitscategorie de categorie die op het tijdstip van een IAA-rating voor het eerst werd toegekend. Is deze informatie niet beschikbaar, dan moeten de vroegste daaraan gelijkwaardige gegevens die voorhanden zijn, worden gerapporteerd.

In deze rijen hoeven alleen gegevens voor de kolommen 0180-0210, 0280, 0350-0640, 0700-0720, 0740, 0760-0830 en 0850 te worden gerapporteerd.

3.8.   NADERE INFORMATIE OVER SECURITISATIES (SEC DETAILS)

3.8.1   Reikwijdte van de SEC DETAILS-template

111. In deze template wordt (anders dan de informatie die geaggregeerd wordt gerapporteerd in de templates CR SEC SA, CR SEC IRB, MKR SA SEC, MKR SA CTP, CA1 en CA2) op transactiebasis informatie verzameld over alle securitisaties waarbij de rapporterende instelling betrokken is. De belangrijkste kenmerken van elke securitisatie, zoals de aard van de onderliggende pool en de eigenvermogensvereisten, worden gerapporteerd.

112. Deze templates worden gerapporteerd voor:

a. 

Securitisaties waarvan de rapporterende instelling initiator/sponsor is, ook die waarin zij geen positie in die securitisatie heeft ingenomen. In gevallen waarin instellingen ten minste één positie in een securitisatie heeft ingenomen, ongeacht of een aanzienlijk deel van het risico is overgedragen, rapporteren instellingen informatie over alle door hen ingenomen posities (hetzij in de niet-handels- hetzij in de handelsportefeuille). Ingenomen posities omvatten de posities die worden behouden ingevolge artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402 en, voor zover artikel 43, lid 6, van die verordening van toepassing is, artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was.

b. 

Securitisaties, waarvan de uiteindelijke onderliggende waarde financiële verplichtingen zijn die oorspronkelijk door de rapporterende instelling zijn uitgegeven en (gedeeltelijk) door een securitisatievehikel zijn verworven. Die onderliggende waarde zou gedekte obligaties of andere verplichtingen kunnen omvatten en moet als zodanig worden geïdentificeerd in kolom 0160.

c. 

Posities die de rapporterende instelling inneemt in securitisaties en waarvan zij initiator noch sponsor is (d.w.z. beleggers en oorspronkelijke kredietverstrekkers).

Template C 14.01 wordt alleen gerapporteerd voor de securitisatieposities die volgens het securitisatiekader worden behandeld.

113. Deze templates worden gerapporteerd door geconsolideerde groepen en zelfstandige instellingen ( 8 ) die zich bevinden in het land waar zij ook aan eigenvermogensvereisten zijn onderworpen. Als er meer dan één entiteit van dezelfde geconsolideerde groep bij securitisaties betrokken is, wordt de informatie uitgesplitst per entiteit.

114. Vanwege artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402, waarin is bepaald dat instellingen die in securitisatieposities beleggen, veel informatie over die posities moeten verzamelen om aan due-diligenceverplichtingen te voldoen, is de reikwijdte van de rapportage van de template in beperkte mate op beleggers van toepassing. Met name rapporteren zij de kolommen 0010-0040; 0070-0110; 0160; 0190; 0290-0300; 0310-0470.

115. Instellingen in de rol van oorspronkelijke kredietverstrekker (die in dezelfde securitisatie niet tevens de rol van initiator of sponsor vervullen) rapporteren de template doorgaans in dezelfde mate als beleggers.

3.8.2   Uitsplitsing van de SEC DETAILS-template

116. De SEC DETAILS-template bestaat uit twee templates. SEC DETAILS geeft een algemeen overzicht van de securitisaties. SEC DETAILS 2 geeft een uitsplitsing naar toegepaste benadering van de securitisatieposities waarvoor eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gelden.

117. Securitisatieposities in de handelsportefeuille worden alleen in de kolommen 0010-0020, 0420, 0430, 0431, 0432, 0440 en 0450-0470 gerapporteerd. Voor de kolommen 0420, 0430 en 0440 nemen de instellingen het risicogewicht in aanmerking dat overeenkomt met het eigenvermogensvereiste van de nettopositie.

3.8.3   C 14.00 – Nadere informatie over securitisaties (SEC DETAILS)



Kolommen

0010

INTERNE CODE

Interne (alfanumerieke) code waarmee de instelling de securitisatie identificeert.

Deze interne code moet aan de identificatiecode van de securitisatie gekoppeld zijn.

0020

IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE

De code die wordt gebruikt voor de wettelijke registratie van de securitisatietransactie of, indien die niet beschikbaar is, de naam waaronder de securitisatietransactie op de markt of, in het geval van een interne of private securitisatie, binnen de instelling bekend is.

Indien het International Securities Identification Number (ISIN) beschikbaar is (d.w.z. voor publieke transacties), worden in deze kolom de tekens gerapporteerd die in alle tranches van de securitisatie voorkomen.

0021

INTRAGROEPS-, PRIVATE OF PUBLIEKE SECURITISATIE?

In deze kolom wordt aangegeven of het bij de securitisatie om een intragroeps-, private of publieke securitisatie gaat.

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

— Onderhandse plaatsing;

— Intragroep;

— Publieke plaatsing.

0110

ROL VAN DE INSTELLING: (INITIATOR/SPONSOR/OORSPRONKELIJKE KREDIETVERSTREKKER/BELEGGER)

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

— initiator;

— sponsor;

— belegger;

— oorspronkelijke kredietverstrekker.

„Initiator” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en „sponsor” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van die verordening. „Beleggers” worden geacht de instellingen te zijn waarop artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is. Ingeval artikel 43, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is, zijn de artikelen 406 en 407 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was.

0030

IDENTIFICATIECODE VAN DE INITIATOR

In deze kolom wordt de LEI-code voor de initiator gerapporteerd of, indien deze niet beschikbaar is, de door de toezichthouder aan de initiator gegeven code of, indien die niet beschikbaar is, de naam van de instelling zelf.

In het geval van securitisaties van meerdere verkopers waarbij de rapporterende instelling als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker betrokken is, verstrekt de rapporterende entiteit de identificatiecode van alle entiteiten binnen haar geconsolideerde groep die (als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker) bij de transactie betrokken zijn. Indien de code niet beschikbaar is of niet bekend is aan de rapporterende entiteit, wordt de naam van de instelling gerapporteerd.

In het geval van securitisaties van meerdere verkopers waarbij de rapporterende instelling als belegger een positie heeft ingenomen in de securitisatie, verstrekt de rapporterende entiteit de identificatiecode van alle verschillende bij de securitisatie betrokken initiators of, indien die niet beschikbaar is, de namen van de verschillende initiators. Indien de namen niet aan de rapporterende instelling bekend zijn, rapporteert de rapporterende instelling dat de het om een securitisatie met meerdere verkopers gaat.

0040

SOORT SECURITISATIE:

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

— ABCP-programma.

— ABCP-transactie;

— traditionele securitisaties niet zijnde NPE-securitisaties;

— niet in aanmerking komende NPE-securitisaties;

— in aanmerking komende NPE-securitisaties;

— synthetische transactie.

De definities van „door activa gedekt commercial-paperprogramma” (ABCP-programma), „door activa gedekte commercial-papertransactie” (ABCP-transactie), „traditionele securitisatie” en „synthetische securitisatie” zijn te vinden in artikel 242, punten 11 tot en met 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013; de definities van „in aanmerking komende traditionele NPE-securitisaties” en „NPE-securitisaties” zijn te vinden in artikel 269 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0051

BOEKHOUDKUNDIGE BEHANDELING: GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN BINNEN OF BUITEN DE BALANSTELLING?

Instellingen rapporteren als initiators, sponsors en oorspronkelijke kredietverstrekkers een van de volgende waarden:

— „K – volledig behouden”, indien de gesecuritiseerde blootstellingen volledig opgenomen blijven;

— „P – gedeeltelijk verwijderd”, indien de gesecuritiseerde blootstellingen gedeeltelijk worden verwijderd;

— „R – volledig verwijderd”, indien de gesecuritiseerde blootstellingen volledig worden verwijderd;

— „N – niet van toepassing”, indien niet van toepassing.

Deze kolom geeft een overzicht van de boekhoudkundige behandeling van de transactie. Een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico (SRT) op grond van de artikelen 244 en 245 van Verordening (EU) nr. 575/2013 laat de boekhoudkundige behandeling van de transactie volgens het desbetreffende kader voor financiële verslaggeving onverlet.

In het geval van securitisaties van verplichtingen hoeven initiatoren deze kolom niet te rapporteren.

Optie „P” (deels buiten de balanstelling) wordt gerapporteerd wanneer de gesecuritiseerde activa in de balans worden opgenomen in de mate waarin de rapporterende entiteit erbij betrokken blijft, overeenkomstig IFRS 9.3.2.16 tot en met 9.3.2.21.

0060

SOLVABILITEITSBEHANDELING: SECURITISATIEPOSITIES ONDERWORPEN AAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN?

Artikelen 109, 244 en 245 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Alleen initiatoren rapporteren een van de volgende waarden:

— niet onderworpen aan eigenvermogensvereisten;

— niet-handelsportefeuille;

— handelsportefeuille;

— gedeeltelijk in niet-handelsportefeuille en handelsportefeuille.

Deze kolom geeft een overzicht van de solvabiliteitsbehandeling van de securitisatieregeling van de initiator. Hier wordt aangegeven of eigenvermogensvereisten worden berekend op grond van gesecuritiseerde blootstellingen of van securitisatieposities (niet-handelsportefeuille/handelsportefeuille).

Indien de eigenvermogensvereisten op gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (omdat er geen overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden), wordt de berekening van de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico gerapporteerd in de CR SA-template (voor de gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor de standaardbenadering wordt gebruikt) of in de CR IRB-template (voor de gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor de instelling de interneratingbenadering volgt).

Daarentegen wordt, indien de eigenvermogensvereisten zijn gebaseerd zijn op in de niet-handelsportefeuille ingenomen securitisatieposities (omdat een overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden), de informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten voor kredietrisico gerapporteerd in de CR SEC SA-template. In het geval van in de handelsportefeuille ingenomen securitisatieposities wordt de informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten voor marktrisico gerapporteerd in de MKR SA TDI-template (standaard algemeen positierisico) en in de MKR SA SEC- of de MKR SA CTP-template (standaard specifiek positierisico) of in de MKR IM-template (interne modellen).

In het geval van securitisaties van verplichtingen hoeven initiatoren deze kolom niet te rapporteren.

0061

OVERDRACHT VAN EEN AANZIENLIJK DEEL VAN HET RISICO (SRT)

Alleen initiatoren rapporteren een van de volgende waarden:

— niet toegepast voor SRT: de rapporterende entiteit heeft een risicoweging toegepast voor haar gesecuritiseerde blootstellingen;

— SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 2, punt a), of artikel 245, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 2, punt b), of artikel 245, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— SRT verwezenlijkt op grond van artikel 244, lid 3, punt a), of artikel 245, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— toepassing van een risicogewicht van 1 250  % of aftrekking van aangehouden posities overeenkomstig artikel 244, lid 1, punt b), of artikel 245, lid 1, punt b), Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deze kolom geeft een overzicht van de vraag of, en zo ja hoe, een aanzienlijke overdracht heeft plaatsgevonden. Of overdracht van een aanzienlijk deel van het risico heeft plaatsgevonden, zal bepalen wat de passende solvabiliteitsbehandeling door de initiator is.

0070

SECURITISATIE OF HERSECURITISATIE?

Overeenkomstig de definitie van „securitisatie” in artikel 4, lid 1, punt 61, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de definitie van „hersecuritisatie” in artikel 4, lid 1, punt 63, van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt het soort securitisatie gerapporteerd aan de hand van de volgende afkortingen:

— securitisatie;

— hersecuritisatie.

0075

STS-SECURITISATIE

Artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2402

De instellingen rapporteren een van de volgende afkortingen:

Y – Ja;

N – Nee.

0446

SECURITISATIE DIE VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING IN AANMERKING KOMT

Artikelen 243, 270 en 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren een van de volgende afkortingen:

Y – Ja;

N – Nee.

In de volgende gevallen wordt „Ja” gerapporteerd:

— STS-securitisaties die in aanmerking komen voor de gedifferentieerde vermogensbehandeling overeenkomstig artikel 243 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

— Senior posities in op de balans opgenomen STS-securitisatieposities die overeenkomstig artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor deze behandeling in aanmerking komen.

— Synthetische kmo-securitisatieposities waarop grandfatheringbepalingen van toepassing zijn overeenkomstig artikel 494 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0076

SOORT EXCESS SPREAD

Artikel 2, punt 29), van Verordening (EU) 2017/2402

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

— Geen excess spread

— Excess spread, vast bedrag – „use it or lose it”-mechanisme

— Excess spread, vast bedrag – „trapped”-mechanisme

— Excess spread, variabel bedrag – „use it or lose it”-mechanisme

— Excess spread, variabel bedrag – „trapped”-mechanisme.

0077

AFLOSSINGSSYSTEEM

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

— Sequentiële aflossing

— Pro-rata aflossing

— Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties

— (artikel 26 quater, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402)).

— Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties

— (Richtsnoeren inzake de STS-criteria voor niet-ABCP-securitisatie en artikel 21, lid 5, van Verordening (EU) 2017/2402)

— Pro-rata aflossing die verandert in sequentiële aflossing. Niet conform

— Ander aflossingssysteem

0078

OPTIES ZEKERHEIDSSTELLING

Artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402

De instellingen rapporteren een van de volgende opties wat betreft het stellen van zekerheden voor de kredietprotectieovereenkomst:

— Zekerheden in de vorm van 0 % risicogewogen schuldtitels

— Artikel 26 sexies, lid 10, eerste alinea, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402

— Zekerheden in de vorm van contanten die worden aangehouden bij een derde kredietinstelling met een kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger

— Artikel 26 sexies, lid 10, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402

— Zekerheden in de vorm van contanten in deposito bij de initiator, of een met de initiator verbonden onderneming, indien de initiator of een van de met de initiator verbonden ondernemingen in aanmerking komt voor ten minste kredietkwaliteitscategorie 2.

— Artikel 26 sexies, lid 10, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

— Zekerheden in de vorm van contanten in deposito bij de initiator, of een met de initiator verbonden onderneming, indien de initiator of een van de met de initiator verbonden ondernemingen in aanmerking komt voor ten minste kredietkwaliteitscategorie 3.

— Artikel 26 sexies, lid 10, derde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

— Vereiste voldaan in het geval van belegging in door de initiator uitgegeven credit linked notes

— Artikel 26 sexies, lid 10, vierde alinea, van Verordening (EU) 2017/2402

— Geen zekerheden, de belegger komt in aanmerking voor een risicogewicht van 0 %

— Artikel 26 sexies, lid 8, punt a), van Verordening (EU) 2017/2402

— Geen zekerheden, de belegger heeft een tegengarantie gekregen van een entiteit die in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 %

— Artikel 26 sexies, lid 8, punt b), van Verordening (EU) 2017/2402

— Andere soorten zekerheden: schuldtitels niet conform artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402

— Andere soorten zekerheden: contanten niet conform artikel 26 sexies van Verordening (EU) 2017/2402

— Geen zekerheden, niet conform STS-criteria voor op de balans opgenomen securitisaties

— Andere gevallen dan die waarin er geen zekerheden zijn, maar waar de belegger in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 % of een tegengarantie heeft gekregen van een entiteit die in aanmerking komt voor een risicogewicht van 0 %

Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0040 wordt gerapporteerd als „synthetische transactie”.

0080-0100

AANGEHOUDEN BELANG

Artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402; ingeval artikel 43, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402 van toepassing is, is artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing in de versie zoals die op 31 december 2018 van toepassing was.

0080

SOORT AANGEHOUDEN BELANG

Voor elke geïnitieerde securitisatieregeling wordt het desbetreffende soort aangehouden netto economisch belang gerapporteerd, zoals beschreven in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2402:

A – Vertical slice (securitisatieposities): „het behoud van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van elk van de tranches die aan beleggers zijn verkocht of overgedragen”;

V –Vertical slice (gesecuritiseerde posities): het behouden van niet minder dan 5 % van het kredietrisico van elke gesecuritiseerde blootstelling, indien het aldus met betrekking tot die gesecuritiseerde blootstellingen met betrekking totgehouden kredietrisico altijd dezelfde rangorde heeft als, of achtergesteld is bij het met betrekking tot diezelfde blootstellingen gesecuritiseerde kredietrisico;

B – Revolverende blootstellingen: „in het geval van securitisaties van revolverende blootstellingen, het aanhouden van een initiatorbelang van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen”;

C – Op de balans: „het aanhouden van willekeurig gekozen blootstellingen die niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen vertegenwoordigen, indien zulke blootstellingen anders in de securitisatie zouden zijn betrokken, mits het aantal potentieel gesecuritiseerde blootstellingen bij het initiëren niet minder dan 100 bedraagt”;

D – First loss: „het aanhouden van de eersteverliestranche en indien nodig andere tranches met hetzelfde of een hoger risicoprofiel die geen vroegere vervaldag hebben dan die welke aan beleggers zijn overgedragen of verkocht, zodat de aangehouden waarde in het totaal niet minder is dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen”;

E – Vrijgesteld. Deze code wordt gerapporteerd voor securitisaties die door de toepassing van artikel 6, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402 worden geraakt.

U – In strijd of onbekend: deze code wordt gerapporteerd indien de rapporterende entiteit niet met zekerheid weet welk soort aanhouding wordt toegepast of als het aanhouden met de regelgeving in strijd is.

0090

% VAN HET AANGEHOUDEN BELANG OP DE RAPPORTAGEDATUM

Het aanhouden van een wezenlijk netto economisch belang door de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker van de securitisatie bedraagt ten minste 5 % (op de datum van initiëring).

Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien in kolom 0080 (Soort aangehouden belang) code „E” (vrijgesteld) wordt gerapporteerd.

0100

NALEVING VAN HET AANHOUDVEREISTE?

De instellingen rapporteren de volgende afkortingen:

Y – Ja;

N – Nee.

Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien in kolom 0080 (Soort aangehouden belang) code „E” (vrijgesteld) wordt gerapporteerd.

0120-0130

NIET-ABCP-PROGRAMMA’S

ABCP-programma’s (in de zin van artikel 242, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013) bestaan uit diverse enkelvoudige securitisatieposities en zijn vanwege dit bijzondere karakter vrijgesteld van rapportage in de kolommen 0120, 0121 en 0130.

0120

DATUM VAN INITIËRING (jjjj-mm-dd)

De maand en het jaar van de datum van initiëring (d.w.z. de afsluit- of einddatum van de pool) van de securitisatie worden gerapporteerd in het volgende formaat: „mm/jjjj”.

Voor elke securitisatieregeling geldt dat de datum van initiëring niet kan veranderen tussen rapportagedata. In het specifieke geval van door open pools gedekte securitisatieregelingen is de datum van initiëring de datum van de eerste uitgifte van effecten.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0121

DATUM RECENTSTE UITGIFTE (jjjj-mm-dd)

De maand en het jaar van de datum van de recentste uitgifte van effecten in de securitisatie worden gerapporteerd in het volgende formaat: „jjjj-mm-dd”.

Verordening (EU) 2017/2402 is alleen van toepassing op securitisaties waarvan de effecten op of na 1 januari 2019 zijn uitgegeven. De datum van de recentste uitgifte van effecten bepaalt of elke securitisatieregeling onder Verordening (EU) 2017/2402 valt.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0130

TOTALE WAARDE VAN GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN OP DE DATUM VAN INITIËRING

Deze kolom bevat de waarde (berekend op basis van oorspronkelijke blootstellingen vóór toepassing van de omrekeningsfactoren) van de gesecuritiseerde portefeuille op de datum van initiëring.

Voor door open pools gedekte securitisatieregelingen wordt de waarde gerapporteerd die betrekking heeft op de datum van initiëring van de eerste uitgifte van effecten. Voor traditionele securitisaties worden geen andere activa van de securitisatiepool opgenomen. Voor securitisatieregelingen van meerdere verkopers (d.w.z. met meer dan één initiator) wordt uitsluitend de waarde van de bijdrage van de rapporterende entiteit aan de gesecuritiseerde portefeuille gerapporteerd. Voor securitisaties van verplichtingen worden uitsluitend de door de rapporterende entiteit uitgegeven bedragen gerapporteerd.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0140-0225

GESECURITISEERDE BLOOTSTELLINGEN

In de kolommen 0140 tot en met 0225 verstrekt de rapporterende entiteit informatie over diverse kenmerken van de gesecuritiseerde portefeuille.

0140

TOTALE WAARDE

De instellingen rapporteren de waarde van de gesecuritiseerde portefeuille op de rapportagedatum, d.w.z. het uitstaande bedrag van de gesecuritiseerde blootstellingen. In het geval van traditionele securitisaties worden geen andere activa van de securitisatiepool opgenomen. In het geval van securitisatieregelingen van meerdere verkopers (d.w.z. met meer dan één initiator) wordt uitsluitend de waarde van de bijdrage van de rapporterende entiteit aan de gesecuritiseerde portefeuille gerapporteerd. In het geval van door gesloten pools gedekte securitisatieregelingen (d.w.z. de portefeuille van gesecuritiseerde activa kan na de datum van initiëring niet worden uitgebreid) wordt het bedrag geleidelijk verlaagd.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0150

AANDEEL VAN DE INSTELLING (%)

Het aandeel van de instelling in de gesecuritiseerde portefeuille op de rapportagedatum (uitgedrukt als percentage met twee cijfers achter de komma). Het in deze kolom te rapporteren percentage is standaard 100 %, behalve voor securitisatieregelingen van meerdere verkopers. In dat geval rapporteert de rapporterende entiteit haar huidige bijdrage aan de gesecuritiseerde portefeuille (verhoudingsgewijs gelijkwaardig aan kolom 0140).

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0160

SOORT

Deze kolom bevat informatie over het type activa („Hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed” tot „Overige wholesale blootstellingen”) of verplichtingen („Gedekte obligaties” en „Andere verplichtingen”) van de gesecuritiseerde portefeuille. De instelling rapporteert een van de volgende opties, rekening houdende met de hoogste blootstelling bij wanbetaling (EAD):

Particulieren en kleine partijen:

Hypotheekleningen op niet-zakelijk onroerend goed;

Kredietkaartvorderingen;

Consumptief krediet;

Leningen aan kmo’s (behandeld als particulieren en kleine partijen);

Andere blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

Wholesale:

Hypotheekleningen op zakelijk onroerend goed;

Lease;

Leningen aan ondernemingen;

Leningen aan kmo’s (behandeld als ondernemingen);

Handelsvorderingen;

Overige wholesaleblootstellingen.

Verplichtingen:

Gedekte obligaties;

Andere verplichtingen.

Indien de pool gesecuritiseerde blootstellingen een combinatie van de voorgaande types is, vermeldt de instelling het belangrijkste type. In het geval van hersecuritisaties vermeldt de instelling de uiteindelijke onderliggende activapool.

Voor door gesloten pools gedekte securitisatieregelingen kan het type niet veranderen tussen rapportagedata.

„Verplichtingen” moeten worden begrepen als verplichtingen die oorspronkelijk door de rapporterende instelling zijn uitgegeven (zie afdeling 3.2.1., punt 112, b), van deze bijlage).

0171

% INTERNERATINGBENADERING BIJ GEHANTEERDE BENADERING

Deze kolom bevat informatie over de benadering(en) die de instelling op de rapportagedatum zou toepassen op de gesecuritiseerde blootstellingen.

De instellingen rapporteren het percentage gesecuritiseerde blootstellingen, gemeten naar blootstellingswaarde, waarop de interneratingbenadering op de rapportagedatum van toepassing is.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. Deze kolom is evenwel niet van toepassing op securitisaties van verplichtingen.

0180

AANTAL BLOOTSTELLINGEN

Artikel 259, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom is alleen verplicht voor instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen voor de securitisatieposities (en dus meer dan 95 % rapporteren in kolom 171). De instelling rapporteert het daadwerkelijke aantal blootstellingen.

Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa). Deze kolom wordt niet gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie. Deze kolom wordt niet gerapporteerd door beleggers.

0181

BLOOTSTELLINGEN WAARBIJ SPRAKE IS VAN WANBETALING „W” (%)

Artikel 261, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Ook wanneer de instelling de SEC-SA-benadering niet op de securitisatieposities toepast, moet zij de „W”-factor rapporteren (met betrekking tot de onderliggende blootstellingen waarbij sprake is van wanbetaling) die wordt berekend zoals aangegeven in artikel 261, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0190

LAND

De instellingen rapporteren de code (ISO 3166-1 tweeletterig) van het land van oorsprong van het uiteindelijke onderliggende van de transactie, d.w.z. het land van de directe debiteur van de oorspronkelijke gesecuritiseerde blootstellingen (doorkijk). Indien de pool van de securitisatie uit verschillende landen bestaat, vermeldt de instelling het belangrijkste land. Indien geen enkel land boven een drempel van 20 % op basis van het bedrag aan activa/verplichtingen uitkomt, wordt „overige landen” gerapporteerd.

0201

LGD (%)

Het naar blootstelling gewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling (loss-given-default – LGD) wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0170). De LGD wordt berekend zoals beschreven in artikel 259, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa).

0202

VERWACHT VERLIES (EL) (%)

Het naar blootstelling gewogen gemiddelde verwachte verlies (EL) van de gesecuritiseerde activa wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0171). In het geval van gesecuritiseerde activa onder de standaardbenadering zijn de specifieke kredietrisicoaanpassingen uit artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013 het verwachte verlies. Het verwachte verlies wordt berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa).

0203

ONVERWACHT VERLIES (UL) (%)

Het naar blootstelling gewogen gemiddelde onverwachte verlies (UL) van de gesecuritiseerde activa wordt uitsluitend gerapporteerd door instellingen die de SEC-IRBA-benadering toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 0170). Het onverwachte verlies is gelijk aan de risicogewogen posten (RWEA) vermenigvuldigd met 8 %. De risicogewogen posten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen of indien de eigenvermogensvereisten op de gesecuritiseerde blootstellingen zijn gebaseerd (bij securitisatie van activa).

0204

NAAR BLOOTSTELLING GEWOGEN GEMIDDELDE LOOPTIJDWAARDE VAN ACTIVA

De naar blootstelling gewogen gemiddelde looptijd (WAM) van de gesecuritiseerde activa op de rapportagedatum wordt door alle instellingen gerapporteerd, ongeacht de voor het berekenen van kapitaalvereisten gebruikte benadering. De instellingen berekenen de looptijd van elk actief overeenkomstig artikel 162, lid 2, punten a) en f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder de begrenzing van vijf jaar toe te passen.

0210

(–) WAARDEAANPASSINGEN EN VOORZIENINGEN

Waardeaanpassingen en voorzieningen (artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013) voor kredietverliezen die zijn gerealiseerd overeenkomstig het kader voor financiële verslaggeving waaraan de rapporterende entiteit is onderworpen. Waardeaanpassingen omvatten alle in winst of verlies opgenomen bedragen voor kredietverliezen inzake financiële activa vanaf de eerste opneming daarvan in de balans (met inbegrip van verliezen als gevolg van het kredietrisico van tegen reële waarde gemeten financiële activa die niet op de blootstellingswaarde in mindering worden gebracht) plus het disagio op blootstellingen die in staat van wanbetaling zijn gekocht, overeenkomstig artikel 166, lid 1,van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voorzieningen omvatten geaccumuleerde bedragen voor kredietverliezen in posten buiten de balanstelling.

Deze kolom bevat informatie over de op de gesecuritiseerde blootstellingen toegepaste waardeaanpassingen en voorzieningen. Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen.

Deze informatie wordt ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0221

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KIRB

Deze kolom wordt alleen gerapporteerd door de instellingen die SEC-IRBA toepassen (en dus 95 % of meer rapporteren in kolom 171), en verzamelt informatie over KIRB overeenkomstig artikel 255 van Verordening (EU) nr. 575/2013. KIRB wordt uitgedrukt als percentage (met twee decimalen).

Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen. In het geval van de securitisatie van activa wordt deze informatie ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0222

% VAN BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN IN IRB-POOLS

IRB-pools in de zin van artikel 242, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op voorwaarde dat de instelling in staat is om op ten minste 95 % van de onderliggende blootstelling de KIRB te berekenen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (artikel 259, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0223

EIGENVERMOGENSVEREISTEN VÓÓR SECURITISATIE (%) KSA

Zelfs indien de instelling de SEC-SA-benadering niet op de securitisatieposities toepast, rapporteert zij deze kolom. Deze kolom bevat overeenkomstig artikel 255, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, over KSA verzamelde informatie. KSA wordt uitgedrukt als percentage (met twee decimalen).

Deze kolom wordt niet gerapporteerd in het geval van securitisatie van verplichtingen. In het geval van de securitisatie van activa wordt deze informatie ook gerapporteerd indien de rapporterende entiteit geen posities inneemt in de securitisatie.

0225

PRO-MEMORIEPOSTEN: KREDIETRISICOAANPASSINGEN IN DE LOPENDE PERIODE

Artikel 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0230-0304

SECURITISATIESTRUCTUUR

Dit kolommenblok bevat informatie over de structuur van de securitisatie overeenkomstig posities binnen en buiten de balanstelling, tranches (senior / mezzanine / first loss) en looptijd op de rapportagedatum.

In het geval van securitisaties van meerdere verkopers wordt alleen het bedrag gerapporteerd dat overeenkomt met of is toegewezen aan de rapporterende instelling.

0230-0255

POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING

Dit kolommenblok bevat informatie over posten binnen de balanstelling uitgesplitst naar tranches (senior / mezzanine / first loss).

0230-0232

SENIOR

0230

BEDRAG

Het bedrag aan uitstaande senior securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0231

ATTACHMENT POINT (%)

Het attachment point (%) als bedoeld in artikel 256, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0232 en 0252

KREDIETKWALITEITSCATEGORIE

Kredietskwaliteitscategorieën (CQS) als bestemd voor instellingen die SEC-ERBA toepassen (de tabellen 1 en 2 in artikel 263 en de tabellen 3 en 4 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Deze kolommen worden gerapporteerd voor alle transacties met een rating, ongeacht de gehanteerde benadering.

0240-0242

MEZZANINE

0240

BEDRAG

Het te rapporteren bedrag omvat:

— mezzanine-securitisatieposities in de zin van artikel 242, lid 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— additionele securitisatieposities niet zijnde de in artikel 242, punten 6, 17 of 18, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven posities.

0241

AANTAL TRANCHES

Aantal mezzaninetranches

0242

KREDIETKWALITEITSCATEGORIE VAN DE MEEST ACHTERGESTELDE TRANCHE

De kredietkwaliteitscategorie, als bepaald overeenkomstig tabel 2 in artikel 263 en tabel 3 in artikel 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de meest achtergestelde mezzaninetranche.

0250-0252

FIRST LOSS

0250

BEDRAG

Het bedrag van de eerste-verliestranche in de zin van artikel 242, lid 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0251

DETACHMENT POINT (%)

Het detachment point (%) als bedoeld in artikel 256, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0252

KREDIETKWALITEITSCATEGORIE

0254-0255

OVERPANDING EN GEDEKTE RESERVEREKENINGEN

Artikel 256, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Bedragen aan zekerheidsstelling en gedekte reserverekeningen die niet voldoen aan de definitie van „tranche” van artikel 2, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2402, maar die als tranches worden beschouwd voor het berekenen van de attachment- en detachmentpoints overeenkomstig artikel 256, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0254

BEDRAG

0255

WAARVAN: NIET-RESTITUEERBARE KORTING OP DE AANKOOPPRIJS

Artikel 2, punt 31, van Verordening (EU) 2017/2402

De instellingen rapporteren de niet-restitueerbare korting op de aankoopprijs overeenkomstig artikel 269 bis, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op de rapportagedatum; deze moet neerwaarts worden bijgesteld om rekening te houden met de geleden verliezen, zoals aangegeven in de tweede alinea. Deze kolom wordt alleen gerapporteerd indien kolom 0040 wordt gerapporteerd als „in aanmerking komende NPE-securitisatie” of „niet in aanmerking komende NPE-securitisatie”.

0260-0287

POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN

Dit kolommenblok bevat informatie over posten buiten de balanstelling en derivaten uitgesplitst naar tranches (senior / mezzanine / first loss).

0260-0285

SENIOR / MEZZANINE / FIRST LOSS

Hier worden dezelfde criteria gebruikt voor de indeling in tranches en de identificatie van het attachment point, het aantal tranches en het detachment point voor posten binnen de balanstelling (zie de instructies voor de kolommen 0230 tot en met 0252).

0287

SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD

Artikel 242, punt 20, artikel 248, lid 1, punt e), en artikel 256, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0110 wordt gerapporteerd als „Initiator”.

0290-0300

LOOPTIJD

0290

EERSTE TE VERWACHTEN DATUM VAN BEËINDIGING

De datum waarop, gezien de contractuele bepalingen en de op dat moment verwachte financiële omstandigheden, de gehele securitisatie waarschijnlijk wordt beëindigd. In de regel zou dat de eerste van de volgende data zijn:

i)  de datum waarop een clean-up-calloptie (zoals gedefinieerd in artikel 242, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013) voor het eerst zou kunnen worden uitgeoefend, rekening houdende met de looptijd van de onderliggende blootstelling(en) en het verwachte percentage vervroegde aflossingen of potentiële heronderhandelingsactiviteiten;

ii)  de datum waarop de initiator voor het eerst een andere in de contractuele bepalingen van de securitisatie besloten calloptie mag uitoefenen waardoor de securitisatie volledig zou worden afgelost.

De dag, de maand en het jaar van de eerste te verwachten beëindiging worden gerapporteerd. De precieze dag wordt gerapporteerd indien deze gegevens beschikbaar zijn; anders wordt de eerste dag van de maand gerapporteerd.

0291

IN DE TRANSACTIE BETROKKEN CALLOPTIES VAN DE INITIATOR

Voor de eerste te verwachten beëindigingsdatum relevante soort calloptie:

— clean-up-calloptie die voldoet aan de vereisten van artikel 244, lid 4, punt g), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

— ander soort clean-up-calloptie;

— ander soort calloptie.

0300

WETTELIJKE EINDVERVALDATUM

De datum waarop de gehele hoofdsom en rente van de securitisatie wettelijk moet zijn terugbetaald (op basis van de documentatie van de transactie).

De dag, de maand en het jaar van de wettelijke eindvervaldatum worden gerapporteerd. De precieze dag wordt gerapporteerd indien deze gegevens beschikbaar zijn; anders wordt de eerste dag van de maand gerapporteerd.

0302-0304

PRO-MEMORIEPOSTEN

0302

ATTACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%)

Alleen initiatoren rapporteren het attachment point van de meest achtergestelde tranche verkocht aan (voor traditionele securitisaties) of gedekt door (voor synthetische securitisaties) derden.

0303

DETACHMENT POINT VERKOCHT RISICO (%)

Alleen initiatoren rapporteren het detachment point van de meest achtergestelde senior tranche verkocht aan (voor traditionele securitisaties) of gedekt door (voor synthetische securitisaties) derden.

0304

DOOR INITIËRENDE INSTELLING GEVRAAGDE RISICO-OVERDRACHT (%)

Alleen initiatoren rapporteren het verwachte verlies (EL), plus het onverwachte verlies (UL) op de aan derden overgedragen gesecuritiseerde activa als een percentage van het verwachte verlies plus het onverwachte verlies. Het verwachte en het onverwachte verlies van de onderliggende blootstellingen worden gerapporteerd en worden vervolgens via de securitisatiewaterval aan de respectieve tranches van de securitisatie toegewezen. Voor banken die de standaardbenadering toepassen, is het verwachte verlies de specifieke kredietrisicoaanpassing van de gesecuritiseerde activa en is het onverwachte verlies het vermogensvereiste van de gesecuritiseerde blootstellingen.

3.8.4   C 14.01 – Nadere informatie over securitisaties (SEC DETAILS 2)

118. De template SEC DETAILS 2 wordt voor de volgende benaderingen gerapporteerd:

1) 

interneratingbenadering securitisaties (SEC-IRBA);

2) 

standaardbenadering securitisaties (SEC-SA);

3) 

externeratingbenadering securitisaties (SEC-ERBA);

4) 

1 250  %;

5) 

internebeoordelingsbenadering;

6) 

specifieke behandeling voor senior securitisatieposities van in aanmerking komende NPE-securitisaties.



Kolommen

0010

INTERNE CODE

Interne (alfanumerieke) code waarmee de instelling de securitisatie identificeert. De interne code moet aan de identificatiecode van de securitisatie zijn gekoppeld.

0020

IDENTIFICATIECODE VAN DE SECURITISATIE

De code die wordt gebruikt voor de wettelijke registratie van de securitisatiepositie of de transactie in het geval van diverse posities die in dezelfde rij kunnen worden gerapporteerd, of indien niet beschikbaar, de naam waaronder de securitisatiepositie op de markt of, in het geval van een interne of private securitisatie, binnen de instelling bekend is. Indien het International Securities Identification Number (ISIN) beschikbaar is (d.w.z. voor publieke transacties), worden in deze kolom de tekens gerapporteerd die in alle tranches van de securitisatie voorkomen.

0310-0400

SECURITISATIEPOSITIES: OORSPRONKELIJKE BLOOTSTELLING VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Dit kolommenblok bevat informatie over de securitisatieposities uitgesplitst naar posities binnen en buiten de balanstelling en de tranches (senior / mezzanine / first loss) op de rapportagedatum.

0310-0330

POSTEN BINNEN DE BALANSTELLING

Hier worden dezelfde criteria voor indeling in tranches toegepast als voor de kolommen 0230, 0240 en 0250 van template C 14.00.

0340-0362

POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN

Hier worden dezelfde criteria voor indeling in tranches toegepast als voor de kolommen 0260 tot en met 0287 van template C 14.00.

0351 en 0361

RW OVEREENSTEMMEND MET PROTECTIEGEVER/INSTRUMENT

% risicogewicht (RW) van de toelaatbare garantiegever of % risicogewicht van het overeenkomstige instrument dat kredietbescherming biedt overeenkomstig artikel 249 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0362

SYNTHETISCHE EXCESS SPREAD

Artikel 242, punt 20, artikel 248, lid 1, punt e), en artikel 256, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Deze kolom alleen rapporteren indien kolom 0110 wordt gerapporteerd als „Initiator”.

0370-0400

PRO-MEMORIEPOSTEN: POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING EN DERIVATEN VÓÓR TOEPASSING VAN OMREKENINGSFACTOREN

Dit kolommenblok bevat aanvullende informatie over de totale posten buiten de balanstelling en derivaten (die in de kolommen 0340 tot en met 0361 al volgens een andere uitsplitsing worden gerapporteerd).

0370

DIRECTE KREDIETVERVANGINGEN (DCS)

Deze kolom is van toepassing op door de initiator ingenomen securitisatieposities die zijn gegarandeerd met directe kredietvervangingen (DCS).

Overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de volgende posten buiten de balanstelling met een volledig risico als DCS beschouwd:

— – garanties met het karakter van kredietvervangingen;

— – onherroepelijke „stand by”-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen.

0380

IRS/CRS

IRS staat voor renteswaps en CRS staat voor valutaswaps. Die derivaten worden genoemd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013.

0390

LIQUIDITEITSFACILITEITEN

Liquiditeitsfaciliteiten in de zin van artikel 242, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0400

OVERIGE

Overige posten buiten de balanstelling

0411

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Deze informatie houdt nauw verband met kolom 0180 van de CR SEC-template.

0420

(–) VAN EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN BLOOTSTELLINGSWAARDE

Deze informatie houdt nauw verband met kolom 0190 van de CR SEC-template.

In deze kolom wordt een negatieve waarde gerapporteerd.

0430

TOTALE RISICOGEWOGEN POSTEN VÓÓR BEGRENZING

Deze kolom bevat informatie over de risicogewogen posten vóór de op de securitisatieposities van toepassing zijnde begrenzing als berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In het geval van securitisaties in de handelsportefeuille wordt de RWEA betreffende het specifieke risico gerapporteerd. Zie, respectievelijk, kolom 0570 van MKR SA SEC of (voor het betrokken eigenvermogensvereiste) de kolommen 0410 en 0420 van MKR SA CTP.

0431

(–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN BEGRENZING RISICOGEWICHTEN

Artikelen 267 en 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

0432

(–) VERMINDERING ALS GEVOLG VAN TOTALE BEGRENZING

Artikelen 268 en 269 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

0440

TOTALE RISICOGEWOGEN POSTEN NA BEGRENZING

Deze kolom bevat informatie over de risicogewogen posten na de op de securitisatieposities van toepassing zijnde begrenzing als berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In het geval van securitisaties in de handelsportefeuille wordt de RWEA betreffende het specifieke risico gerapporteerd. Zie, respectievelijk, kolom 0601 van MKR SA SEC of kolom 0450 van MKR SA CTP.

0447-0448

PRO-MEMORIEPOSTEN

0447

RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-ERBA

Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt alleen gerapporteerd voor transacties met een rating vóór de begrenzing en wordt niet gerapporteerd voor transacties volgens SEC-ERBA.

0448

RISICOGEWOGEN POSTEN VOLGENS SEC-SA

Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Deze kolom wordt alleen gerapporteerd voor transacties met een rating vóór de begrenzing en wordt niet gerapporteerd voor transacties volgens SEC-SA.

0450-0470

SECURITISATIEPOSITIES – HANDELSPORTEFEUILLE

0450

CTP OF NIET-CTP?

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden:

„CTP” – correlatiehandelsportefeuille;

„Niet-CTP”.

0460-0470

NETTOPOSITIES – LONG/SHORT

Zie, respectievelijk, de kolommen 0050 / 0060 van MKR SA SEC of MKR SA CTP.

3.9.   TEGENPARTIJKREDIETRISICO

3.9.1.   Reikwijdte van de templates voor tegenpartijkredietrisico

119. De templates voor tegenpartijkredietrisico („CCR”) omvatten informatie over blootstellingen die onderworpen zijn aan tegenpartijkredietrisico overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

120. In deze templates zijn de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico niet opgenomen (artikel 92, lid 3, punt d), en deel drie, titel VI, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Die worden in de template voor het CVA-risico gerapporteerd.

121. Blootstellingen met betrekking tot tegenpartijkredietrisico met betrekking tot centrale tegenpartijen (deel drie, titel II, hoofdstuk 4, en deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013) moeten in de CCR-cijfers worden opgenomen, tenzij anders vermeld. Bijdragen aan wanbetalingsfondsen, berekend overeenkomstig de artikelen 307 tot en met 310 van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden echter niet gerapporteerd in de templates voor tegenpartijkredietrisico, met uitzondering van template C 34.10, met name de overeenkomstige rijen. In de regel worden de risicogewogen posten van bijdragen aan wanbetalingsfondsen direct gerapporteerd in template C 02.00, rij 0460.

3.9.2.   C 34.01 – Omvang van de derivatenactiviteiten

3.9.2.1.   Algemene opmerkingen

122. Overeenkomstig artikel 273 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag een instelling de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de methode van deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 4 of 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling gelijk is aan of kleiner dan vooraf bepaalde drempels. De desbetreffende toetsing moet maandelijks worden uitgevoerd op basis van gegevens per ultimo van de maand. Deze template bevat informatie over de naleving van die drempels en, meer algemeen, belangrijke informatie over de omvang van de derivatenactiviteiten.

123. Maand 1, maand 2 en maand 3 hebben betrekking op, respectievelijk, de eerste, de tweede en de laatste maand van het kwartaal dat wordt gerapporteerd. De informatie wordt pas gerapporteerd voor maandeinden na 28 juni 2021.

3.9.2.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010, 0040, 0070

LANGE DERIVATENPOSITIES

Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de absolute marktwaarden van lange derivatenposities per ultimo van de maand wordt gerapporteerd.

0020,0050,

0080

KORTE DERIVATENPOSITIES

Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de absolute marktwaarden van korte derivatenposities per ultimo van de maand wordt gerapporteerd.

0030,0060,

0090

TOTAAL

Artikel 273 bis, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de absolute waarde van lange derivatenposities en de absolute waarde van korte derivatenposities.



Rijen

0010

Omvang van de derivatenactiviteiten

Artikel 273 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Alle derivaten binnen en buiten de balanstelling worden opgenomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.

0020

Derivaten binnen en buiten de balanstelling

Artikel 273 bis, lid 3, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De totale marktwaarde van de derivatenposities binnen en buiten de balanstelling per ultimo van de maand wordt gerapporteerd. Indien de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen de instellingen een reële waarde voor de positie op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op die datum niet beschikbaar zijn, nemen de instellingen de meest recente marktwaarde of reële waarde voor die positie.

0030

(–) Kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen

Artikel 273 bis, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De totale marktwaarde van de kredietderivaten die als interne hedges tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.

0040

Totale activa

De totale activa overeenkomstig de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen.

Voor geconsolideerde rapportage rapporteert de instelling de totale activa volgens de prudentiële consolidatiekring overeenkomstig deel een, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0050

Percentage van de totale activa

Ratio die moet worden berekend op basis van de omvang van de derivatenactiviteiten (rij 0010) gedeeld door de totale activa (rij 0040).

AFWIJKING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 273 BIS, LID 4, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

0060

Is voldaan aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waaronder de toestemming van de bevoegde autoriteit?

Artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Instellingen die de drempels voor het gebruik van een vereenvoudigde benadering voor tegenpartijkredietrisico overschrijden, maar die op grond van artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 nog een van deze drempels hanteren, vermelden (met ja/nee) of zij aan alle voorwaarden van dat artikel voldoen.

Deze post wordt alleen gerapporteerd door instellingen die de afwijking toepassen overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

Methode voor het berekenen van de blootstellingswaarden op geconsolideerd niveau

Artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De methode voor het berekenen van de blootstellingswaarden van derivatenposities op geconsolideerde basis die ook op het niveau van de individuele entiteit wordt gebruikt overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013:

— OEM: Oorspronkelijkeblootstellingsmethode

— Vereenvoudigde SA-CCR: Vereenvoudigde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico.

Deze post wordt alleen gerapporteerd door instellingen die de afwijking toepassen overeenkomstig artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.9.3.   C 34.02 – CCR-blootstellingen per benadering

3.9.3.1.   Algemene opmerkingen

124. De instellingen rapporteren de template afzonderlijk voor alle CCR-blootstellingen en voor alle CCR-blootstellingen met uitsluiting van blootstellingen met betrekking tot centrale tegenpartijen (CTP’s) zoals gedefinieerd voor de toepassing van template C 34.10.

3.9.3.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

AANTAL TEGENPARTIJEN

Aantal individuele tegenpartijen ten aanzien waarvan de instelling CCR-blootstellingen heeft.

0020

AANTAL TRANSACTIES

Aantal transacties dat op de rapportagedatum aan tegenpartijkredietrisico onderhevig is. Voor CTP-activiteiten mogen de cijfers geen in- of uitstromen omvatten, maar moeten zij de totale posities in de CCR-portefeuille op de rapportagedatum geven. Voorts wordt een afgeleid instrument dat of een effectenfinancieringstransactie (SFT) die met het oog op modellering in (ten minste) twee of meer gedeelten wordt gesplitst, nog steeds als één enkele transactie beschouwd.

0030

NOTIONELE BEDRAGEN

De som van de notionele bedragen voor derivaten en voor effectenfinancieringstransacties vóór netting en zonder aanpassingen overeenkomstig artikel 279 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF

Artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle netting sets met positieve CMV in de zin van artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0050

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF

Artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle netting sets met negatieve CMV in de zin van artikel 272, punt 12, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0060

VARIATION MARGIN (VM), ONTVANGEN

Artikel 275, lid 2, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de variation marginbedragen (VM) van alle marginovereenkomsten waarvoor de VM is ontvangen, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

VARIATION MARGIN (VM), GESTORT

Artikel 275, lid 2, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van de variation marginbedragen (VM) van alle marginovereenkomsten waarvoor de VM is gestort, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080

NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), ONTVANGEN

Artikel 272, punt 12 bis, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden (NICA) van alle marginovereenkomsten waarvoor de NICA is ontvangen, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0090

NETTOBEDRAG AAN ONAFHANKELIJKE ZEKERHEDEN (NICA), GESTORT

Artikel 272, punt 12 bis, artikel 275, lid 3, en artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De som van het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden (NICA) van alle marginovereenkomsten waarvoor de NICA is gestort, berekend overeenkomstig artikel 276 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0100

VERVANGINGSWAARDE (RC)

Artikelen 275, 281 en 282 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De vervangingswaarde (RC) per netting set wordt berekend overeenkomstig:

— artikel 282, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de oorspronkelijkeblootstellingsmethode;

— artikel 281 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de vereenvoudigde SA-CCR;

— artikel 275 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de SA-CCR.

De instelling rapporteert de som van de vervangingswaarden van de netting sets in de desbetreffende rij.

0110

POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE)

Artikelen 278, 281 en 282 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De potentiële toekomstige blootstelling (PFE) per netting set wordt berekend overeenkomstig:

— artikel 282, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de oorspronkelijkeblootstellingsmethode;

— artikel 281 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de vereenvoudigde SA-CCR;

— artikel 278 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de SA-CCR.

De instelling rapporteert de som van alle potentiële toekomstige blootstellingen van de netting sets in de desbetreffende rij.

0120

ACTUELE BLOOTSTELLING

Artikel 272, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De actuele blootstelling per netting set is de waarde in de zin van artikel 272, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De instelling rapporteert de som van alle actuele blootstellingen van de netting sets in de desbetreffende rij.

0130

EFFECTIEVE VERWACHTE POSITIEVE BLOOTSTELLING (EEPE)

Artikel 272, punt 22, artikel 284, lid 3, en artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De EEPE per netting set is omschreven in artikel 272, punt 22, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en wordt berekend overeenkomstig artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De instelling rapporteert de som van alle EEPE’s die zijn toegepast voor het bepalen van eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 284, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, d.w.z. ofwel de EEPE berekend met behulp van actuele marktgegevens, ofwel de EEPE berekend met behulp van een stresskalibratie, afhankelijk van wat een hoger eigenvermogensvereiste oplevert.

0140

ALFA GEBRUIKT VOOR DE BEREKENING VAN DE WETTELIJK VOORGESCHREVEN BLOOTSTELLINGSWAARDE

Artikel 274, lid 2, artikel 282, lid 2, artikel 281, lid 1, artikel 284, leden 4 en 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De waarde van α wordt vastgesteld op 1,4 in de rijen voor OEM, vereenvoudigde SA-CCR en SA-CCR overeenkomstig artikel 282, lid 2, artikel 281, lid 1, en artikel 274, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Ten behoeve van de internemodellenmethode (IMM) kan de waarde van α ofwel de standaardwaarde van 1,4 zijn, ofwel een andere waarde wanneer de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 284, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een hogere α eisen of instellingen toestaan hun eigen ramingen te gebruiken overeenkomstig artikel 284, lid 9, van die verordening.

0150

BLOOTSTELLINGSWAARDE VÓÓR TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING

De blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering voor CCR-netting sets wordt berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met het effect van netting, maar zonder rekening te houden met andere kredietrisicolimiteringstechnieken (bv. margezekerheden).

In het geval van effectenfinancieringstransacties wordt het effectengedeelte niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering wanneer zekerheden zijn ontvangen. Het de blootstellingswaarde dus niet verlagen. Wanneer zekerheden zijn gestort, wordt het effectengedeelte van effectenfinancieringstransacties wel bij de bepaling van de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering volgens standaardmarktconventies in aanmerking genomen.

Voorts worden door zekerheden gedekte activiteiten behandeld als ongedekte activiteiten, d.w.z. er zijn geen effecten van margeovereenkomsten van toepassing.

De blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In de blootstellingswaarde vóór toepassing van kredietrisicolimitering wordt, overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, geen rekening gehouden met de aftrekking van het geleden CVA-verlies.

De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden vóór toepassing van kredietrisicolimitering in de desbetreffende rij.

0160

BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING

De blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering voor CCR-netting sets wordt berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast.

De blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering wordt, overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, geen rekening gehouden met de aftrekking van het geleden CVA-verlies.

De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden na toepassing van kredietrisicolimitering in de desbetreffende rij.

0170

BLOOTSTELLINGSWAARDE

De blootstellingswaarde voor CCR-netting sets berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijnde het relevante bedrag voor de berekening van de risicogewogen posten, d.w.z. nadat overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kredietrisicolimiteringstechnieken zijn toegepast en rekening houdende met de aftrekking van het geleden CVA-verlies overeenkomstig artikel 273, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De blootstellingswaarde voor transacties waarbij een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld, moet worden bepaald overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In gevallen waarin voor één tegenpartij meer dan één CCR-benadering wordt gebruikt, wordt het geleden CVA-verlies, dat op tegenpartijniveau wordt afgetrokken, toegewezen aan de blootstellingswaarde van de verschillende netting sets in elke CCR-benadering die de verhouding van de blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de respectieve netting sets tot de totale blootstellingswaarde na toepassing van kredietrisicolimitering van de tegenpartij weergeven.

De instelling rapporteert de som van alle blootstellingswaarden in de desbetreffende rij.

0180

Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde posities

Blootstellingswaarde voor CCR van posities die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de standaardbenadering voor kredietrisico worden behandeld.

0190

Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde posities

Blootstellingswaarde voor CCR van posities die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico worden behandeld.

0200

RISICOGEWOGEN POSTEN

Risicogewogen posten voor CCR als omschreven in artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, berekend volgens de methoden van deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 3, van die verordening.

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen.

0210

Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde posities

Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de standaardbenadering voor kredietrisico worden behandeld.

Het bedrag stemt overeen met het bedrag dat in kolom 0220 van template C 07.00 voor CCR-posities wordt opgenomen.

0220

Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde posities

Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen die overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico worden behandeld.

Het bedrag stemt overeen met het bedrag dat in kolom 0260 van template C 08.01 voor CCR-posities wordt opgenomen.



Rij

0010

OORSPRONKELIJKEBLOOTSTELLINGSMETHODE (VOOR DERIVATEN)

Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze vereenvoudigde methode voor de berekening van de blootstellingswaarde kan alleen worden gebruikt door instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 2, of artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020

VEREENVOUDIGDE STANDAARDBENADERING VOOR CCR (VEREENVOUDIGDE SA-CCR VOOR DERIVATEN)

Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze vereenvoudigde methode voor de berekening van de blootstellingswaarde kan alleen worden gebruikt door instellingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, of artikel 273 bis, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030

STANDAARDBENADERING VOOR CCR (SA-CCR VOOR DERIVATEN)

Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn waarvoor de instelling de blootstellingswaarde berekent overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

IMM (VOOR DERIVATEN EN SFT’s)

Derivaten, transacties met afwikkeling op lange termijn en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) waarvoor de instelling de internemodellenmethode (IMM) mag toepassen om de blootstellingswaarde overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te berekenen.

0050

Netting sets met effectenfinancieringstransacties

Netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties in de zin van artikel 4, punt 139, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten, waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen.

Effectenfinancieringstransacties die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen – en derhalve in rij 0070 worden gerapporteerd –, worden niet in deze rij gerapporteerd.

0060

Netting sets met derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn

Netting sets die uitsluitend in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn in de zin van artikel 272, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bevatten, waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen.

Derivaten en transacties met afwikkeling op lange termijn die in een contractuele productoverschrijdende netting set zijn opgenomen – en derhalve in rij 0070 worden gerapporteerd –, worden niet in deze rij gerapporteerd.

0070

Van contractuele productoverschrijdende netting sets

Artikel 272, punten 11 en 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Netting sets die transacties van verschillende productcategorieën bevatten (artikel 272, punt 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013), d.w.z. derivaten en effectenfinancieringstransacties, waarvoor een overeenkomst inzake contractuele productoverschrijdende netting in de zin van artikel 272, punt 25, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bestaat en waarvoor de instelling de IMM mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen.

0080

EENVOUDIGE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s)

Artikel 222 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties waarvoor de instelling, overeenkomstig artikel 271, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ervoor heeft gekozen de blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 222 van die verordening te bepalen in plaats van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van diezelfde verordening.

0090

UITGEBREIDE BENADERING VAN FINANCIËLE ZEKERHEDEN (VOOR SFT’s)

Artikelen 220 en 223 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties waarvoor de instelling, overeenkomstig artikel 271, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ervoor heeft gekozen de blootstellingswaarde overeenkomstig artikel 223 van die verordening te bepalen in plaats van overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van diezelfde verordening.

0100

VaR VOOR SFT’s

Artikel 221 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen of margeleningstransacties, of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties dan derivatentransacties waarvoor, overeenkomstig artikel 221 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en met toestemming van de bevoegde autoriteit, de blootstellingswaarde wordt berekend aan de hand van een internemodellenbenadering waarbij rekening wordt gehouden met zowel de correlatie-effecten tussen effectenposities die onder de master netting-overeenkomst vallen, als de liquiditeit van de betrokken instrumenten.

0110

TOTAAL

0120

Waarvan: SWWR-posities

Artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013

CCR-blootstellingen waarvoor specifiek wrongwayrisico (SWWR) is vastgesteld overeenkomstig artikel 291 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0130

Door marges gedekte activiteiten

Artikel 272, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013

CCR-blootstellingen die door marges worden gedekt, d.w.z. netting sets die onderworpen zijn aan een margeovereenkomst in de zin van artikel 272, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0140

Niet door marges gedekte activiteiten

CCR-blootstellingen die niet onder 0130 vallen.

3.9.4.   C 34.03 – Met standaardbenaderingen behandelde CCR-blootstellingen: SA-CCR en vereenvoudigde SA-CCR

3.9.4.1.   Algemene opmerkingen

125. De template wordt afzonderlijk gebruikt voor de rapportage van de CCR-blootstellingen berekend met de SA-CCR of met de vereenvoudigde SA-CCR, naargelang het geval.

3.9.4.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

VALUTA

Voor naar de risicocategorie „renterisico” gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin de transactie luidt.

Voor naar de risicocategorie „wisselkoersrisico” gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin een van de twee gedeelten van de transactie luidt. De instellingen vullen de valuta in het valutapaar in alfabetische volgorde in. Een voorbeeld: vul voor het paar USD/EUR deze kolom in met EUR en kolom 0020 met USD.

Gebruik de ISO-valutacodes.

0020

TWEEDE VALUTA IN PAAR

Voor naar de risicocategorie „wisselkoersrisico” gemapte transacties wordt de valuta gerapporteerd waarin het andere gedeelte van de transactie luidt (ten opzichte van het gedeelte dat in kolom 0010 in aanmerking is genomen). De instellingen vullen de valuta in het valutapaar in alfabetische volgorde in. Een voorbeeld: vul voor het paar USD/EUR deze kolom in met USD en kolom 0010 met EUR.

Gebruik de ISO-valutacodes.

0030

AANTAL TRANSACTIES

Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02.

0040

NOTIONELE BEDRAGEN

Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02.

0050

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF

De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle hedging sets met positieve CMV in de respectieve risicocategorie.

De CMV op het niveau van de hedging set wordt bepaald door verrekening van positieve en negatieve marktwaarden van de transacties binnen één hedging set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden.

0060

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF

De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle hedging sets met negatieve CMV in de respectieve risicocategorie.

De CMV op het niveau van de hedging set wordt bepaald door verrekening van positieve en negatieve marktwaarden van de transacties binnen één hedging set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden.

0070

OPSLAGFACTOR

Artikelen 280 bis tot en met 280 septies en artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De instelling rapporteert de som van alle opslagfactoren in de respectieve hedging set/risicocategorie.

De opslagfactor per risicocategorie die overeenkomstig artikel 278, lid 1, of artikel 281, lid 2, punt f), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gebruikt om de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set te bepalen, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 280 bis tot en met 280 septies van die verordening. Op de vereenvoudigde SA-CCR is het bepaalde in artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing.



Rijen

0050, 0120, 0190, 0230, 0270, 0340

RISICOCATEGORIEËN

Artikelen 277 en 277 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

Transacties worden ingedeeld naar risicocategorie waartoe zij behoren, overeenkomstig artikel 277, leden 1 tot en met 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De toewijzing aan hedging sets volgens risicocategorie gebeurt overeenkomstig artikel 277 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Op de vereenvoudigde SA-CCR is het bepaalde in artikel 281, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing.

0020-0040

Waarvan naar meer dan één risicocategorie gemapt

Artikel 277, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Derivatentransacties met meer dan één substantiële risicodeterminant die zijn gemapt naar twee (0020), drie (0030) of meer dan drie (0040) risicocategorieën op basis van de meest substantiële van de risicodeterminanten in elke risicocategorie, overeenkomstig artikel 277, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de in artikel 277, lid 5, van die verordening bedoelde technische reguleringsnormen van de EBA.

0070-0110 en 0140-0180

Grootste valuta en valutapaar

Deze indeling vindt plaats op basis van de CMV van de portefeuille van de instelling binnen het toepassingsbereik van de SA-CCR of de vereenvoudigde SA-CCR, naargelang het geval, voor transacties die naar de risicocategorie „renterisico” respectievelijk „wisselkoersrisico” zijn gemapt.

Voor de indeling wordt de absolute waarde van de CMV van de posities opgeteld.

0060, 0130, 0200, 0240, 0280

Exclusieve mapping

Artikel 277, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Derivatentransacties die uitsluitend naar één risicocategorie worden gemapt overeenkomstig artikel 277, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Transacties die overeenkomstig artikel 277, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naar verschillende risicocategorieën worden gemapt, worden uitgesloten.

0210, 0250

Single-nametransacties

Single-nametransacties die worden gemapt naar de risicocategorie „kredietrisico” respectievelijk de risicocategorie „aandelenrisico”.

0220, 0260

Multi-namestransacties

Multi-namestransacties die worden gemapt naar de risicocategorie „kredietrisico” respectievelijk de risicocategorie „aandelenrisico”.

0290-0330

Hedging sets van de risicocategorie „grondstoffenrisico”

Derivatentransacties toegewezen aan de hedging sets van de risicocategorie „grondstoffenrisico” als vermeld in artikel 277 bis, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.9.5.   C 34.04 – Volgens de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) behandelde CCR-blootstellingen

3.9.5.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

De instructies voor de kolommen 0010 en 0020 zijn die van template C 34.02.

0030

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF

De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met positieve CMV in de respectieve risicocategorie.

0040

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF

Som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met negatieve CMV in de respectieve risicocategorie.

0050

POTENTIËLE TOEKOMSTIGE BLOOTSTELLING (PFE)

De instelling rapporteert de som van PFE’s voor alle transacties die tot dezelfde risicocategorie behoren.

Rijen

0020-0070

RISICOCATEGORIEËN

Derivatentransacties gemapt naar de risicocategorieën in artikel 282, lid 4, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013

3.9.6.   C 34.05 – Volgens de internemodellenmethode (IMM) behandelde CCR-blootstellingen

3.9.6.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

00010-0080

DOOR MARGES GEDEKT

Zie de instructies voor rij 0130 in template C 34.02.

0090-0160

NIET DOOR MARGES GEDEKT

Zie de instructies voor rij 0140 in template C 34.02.

0010, 0090

AANTAL TRANSACTIES

Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02.

0020, 0100

NOTIONELE BEDRAGEN

Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02.

0030, 0110

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF

De som van de actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met positieve CMV die tot dezelfde activaklasse behoren.

0040, 0120

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF

De som van de absolute actuele marktwaarden (CMV) van alle transacties met negatieve CMV die tot dezelfde activaklasse behoren.

0050, 0130

ACTUELE BLOOTSTELLING

Zie de instructies voor kolom 0120 in template C 34.02.

0060, 0140

EFFECTIEVE VERWACHTE POSITIEVE BLOOTSTELLING (EEPE)

Zie de instructies voor kolom 0130 in template C 34.02.

0070, 0150

STRESS-EEPE

Artikel 284, lid 6, en artikel 292, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De stress-EEPE wordt naar analogie van de EEPE berekend (artikel 284, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013), maar met behulp van een stresskalibratie overeenkomstig artikel 292, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080, 0160, 0170

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02.



Rij

Toelichting

0010

TOTAAL

Artikel 283 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instelling rapporteert de relevante informatie over derivaten, transacties met afwikkeling op lange termijn en effectenfinancieringstransacties waarvoor zij overeenkomstig artikel 283 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de internemodellenmethode (IMM) mag toepassen om de blootstellingswaarde te bepalen.

0020

Waarvan: SWWR-posities

Zie de instructies voor rij 0120 in C 34.02.

0030

Volgens de standaardbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets

Zie de instructies voor kolom 0180 in C 34.02.

0040

Volgens de interneratingbenadering voor kredietrisico behandelde netting sets

Zie de instructies voor kolom 0190 in C 34.02.

0050-0110

OTC-DERIVATEN

De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend otc-derivatentransacties of transacties met afwikkeling op lange termijn bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan de hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar de verschillende activaklassen met betrekking tot het onderliggende (rente, wisselkoers, krediet, aandelen, grondstoffen of overige).

0120-0180

BEURSVERHANDELDE DERIVATEN

De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend beursverhandelde derivatentransacties of transacties met afwikkeling op lange termijn bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan de hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar de verschillende activaklassen met betrekking tot het onderliggende (rente, wisselkoers, krediet, aandelen, grondstoffen of overige).

0190-0220

EFFECTENFINANCIERINGSTRANSACTIES

De instelling rapporteert de relevante informatie over netting sets die uitsluitend effectenfinancieringstransacties bevatten waarvoor zij de blootstellingswaarde aan hand van de IMM mag bepalen, uitgesplitst naar het type van het onderliggende in het effectengedeelte van de effectenfinancieringstransactie (obligatie, aandelen of overige).

0230

CONTRACTUELE PRODUCTOVERSCHRIJDENDE NETTING SETS

Zie de instructies voor rij 0070 in C 34.02.

3.9.7.   C 34.06 – Top twintig tegenpartijen

3.9.7.1.   Algemene opmerkingen

126. De instellingen rapporteren informatie over de twintig tegenpartijen waarmee zij de hoogste CCR-blootstellingen hebben. De rangschikking wordt opgesteld aan de hand van de CCR-blootstellingswaarden, zoals gerapporteerd in kolom 0120 van deze template, van alle netting sets met de respectieve tegenpartijen. Intragroepsblootstellingen of andere blootstellingen die aanleiding geven tot tegenpartijkredietrisico maar waarvoor de instellingen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 113, lid 6, en artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van nul toekennen, worden nog steeds in aanmerking genomen bij het bepalen van de lijst met de top twintig tegenpartijen.

127. Instellingen die voor de berekening van CCR-blootstellingen de standaardbenadering (SA-CCR) of de internemodellenmethode (IMM) toepassen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 3 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren deze template op kwartaalbasis. Instellingen die voor de berekening van CCR-blootstellingen de vereenvoudigde standaardbenadering of de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM) toepassen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdelingen 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rapporteren deze template op halfjaarlijkse basis. Instructies voor specifieke posities

3.9.7.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0011

NAAM

Naam van de tegenpartij

0020

CODE

De code als onderdeel van een identificatiecode van de rij moet voor elke gerapporteerde entiteit uniek zijn. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is die code de LEI-code. Voor andere entiteiten is de code de LEI-code of, indien deze niet beschikbaar is, een niet-LEI-code. De code moet uniek zijn en consequent worden gebruikt, te allen tijde en in alle templates. De code moet steeds een waarde hebben.

0030

SOORT CODE

De instelling geeft het in kolom 0020 gerapporteerde soort code aan als „LEI-code” of „nationale code”.

Het soort code moet steeds worden gerapporteerd.

0035

NATIONALE CODE

De instelling mag daarnaast de nationale code rapporteren wanneer zij de LEI-code als identificatiecode rapporteert in de kolom 0020 „Code”.

0040

SECTOR TEGENPARTIJ

Voor elke tegenpartij wordt één sector gekozen op basis van de volgende FINREP-indeling van economische sectoren (zie deel 3 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening):

i)  centrale banken;

ii)  algemene overheden;

iii)  kredietinstellingen;

iv)  beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

v)  overige financiële ondernemingen (met uitsluiting van beleggingsondernemingen);

vi)  niet-financiële vennootschappen.

0050

TYPE TEGENPARTIJ

De instelling vermeldt het type van de tegenpartij dat het volgende kan zijn:

— gCTP: wanneer de tegenpartij een gekwalificeerde CTP is;

— niet-gCTP: wanneer de tegenpartij een niet-gekwalificeerde CTP is;

— geen CTP: wanneer de tegenpartij geen CTP is.

0060

VESTIGINGSPLAATS VAN DE TEGENPARTIJ

De tweeletterige ISO 3166-1-code van het land van oprichting van de tegenpartij wordt gebruikt (inclusief pseudo-ISO-codes voor internationale organisaties, beschikbaar in het „Balance of Payments Vademecum” van Eurostat (als gewijzigd)).

0070

AANTAL TRANSACTIES

Zie de instructies voor kolom 0020 in template C 34.02.

0080

NOTIONELE BEDRAGEN

Zie de instructies voor kolom 0030 in template C 34.02.

0090

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), POSITIEF

Zie de instructies voor kolom 0040 in template C 34.02.

De instelling rapporteert de som van de netting sets met positieve CMV indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn.

0100

ACTUELE MARKTWAARDE (CMV), NEGATIEF

Zie de instructies voor kolom 0040 in template C 34.02.

De instelling rapporteert de absolute som van de netting sets met negatieve CMV indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn.

0110

BLOOTSTELLINGSWAARDE NA TOEPASSING VAN KREDIETRISICOLIMITERING

Zie de instructies voor kolom 0160 in template C 34.02.

De instelling rapporteert de som van de blootstellingswaarden na toepassing van kredietrisicolimitering van de netting sets indien er verschillende netting sets voor dezelfde tegenpartij zijn.

0120

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02.

0130

RISICOGEWOGEN POSTEN

Zie de instructies voor kolom 0200 in template C 34.02.

3.9.8.   C 34.07 – Interneratingbenadering – CCR-blootstellingen naar blootstellingscategorie en PD-schaal

3.9.8.1.   Algemene opmerkingen

128. Deze template wordt gerapporteerd door instellingen die hetzij de geavanceerde hetzij de elementaire interneratingbenadering (F-IRB) gebruiken om de risicogewogen posten voor al hun CCR-blootstellingen of een deel daarvan te berekenen overeenkomstig artikel 107 van Verordening (EU) nr. 575/2013, ongeacht de CCR-benadering die wordt gebruikt om de blootstellingswaarden overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te bepalen.

129. De template wordt afzonderlijk gerapporteerd voor het totaal van alle blootstellingscategorieën en afzonderlijk voor elk van de in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde blootstellingscategorieën. Via een CTP geclearde blootstellingen worden niet in deze template opgenomen.

130. Om duidelijk te maken of de instelling gebruikmaakt van haar eigen LGD-ramingen en/of kredietomrekeningsfactoren, wordt voor iedere gerapporteerde blootstellingscategorie de volgende informatie verstrekt:

„NEE” = ingeval LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren van de toezichthouder worden gebruikt (Foundation IRB – F-IRB)

„JA” = ingeval eigen LGD-ramingen en kredietomrekeningsfactoren worden gebruikt (Advanced IRB – A-IRB)

3.9.8.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

Blootstellingswaarde

Blootstellingswaarde (zie de instructies voor kolom 0170 in template C 34.02), uitgesplitst naar de gegeven PD-schaal

0020

Naar blootstelling gewogen gemiddelde PD (%)

Gemiddelde van de PD’s van individuele debiteurenklassen, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010.

0030

Aantal debiteuren

Het aantal aan elke subklasse van de vaste PD-schaal toegewezen juridische entiteiten of debiteuren met een afzonderlijke rating, ongeacht het aantal verschillende leningen of blootstellingen dat is toegekend.

Indien verschillende blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur een afzonderlijke rating hebben, worden zij afzonderlijk in aanmerking genomen. Die situatie kan zich voordoen indien afzonderlijke blootstellingen met betrekking tot dezelfde debiteur overeenkomstig artikel 172, lid 1, punt e), tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verschillende debiteurenklassen worden ondergebracht.

0040

Naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD (%)

Gemiddelde van de LGD’s van debiteurenklassen, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010.

De gerapporteerde LGD stemt overeen met de definitieve LGD-raming die wordt gebruikt bij de berekening van risicogewogen posten verkregen na inaanmerkingneming van alle effecten van kredietrisicolimitering en omstandigheden van economische neergang als gespecificeerd in deel drie, titel II, hoofdstukken 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien van toepassing. Voor instellingen die de interneratingbenadering toepassen, maar geen eigen LGD-ramingen gebruiken, komen met name de risicolimiteringseffecten van financiële zekerheden tot uiting in E*, de volledig aangepaste blootstellingswaarde, en vervolgens in LGD*, overeenkomstig artikel 228, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Indien eigen LGD-ramingen worden toegepast, worden artikel 175, en artikel 181, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen.

In het geval van blootstellingen die aan de double default-behandeling zijn onderworpen, komt de te rapporteren LGD overeen met de LGD die overeenkomstig artikel 161, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is geselecteerd.

Voor blootstellingen ten aanzien waarvan zich volgens de geavanceerde interneratingbenadering een wanbetaling heeft voorgedaan, wordt het bepaalde in artikel 181, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking genomen. De gerapporteerde LGD stemt overeen met de raming van de LGD in wanbetaling.

0050

Naar blootstelling gewogen gemiddelde looptijd (jaren)

Gemiddelde van de debiteurenlooptijden in jaren, gewogen naar hun overeenkomstige blootstellingswaarde zoals gedefinieerd voor kolom 0010.

De looptijd wordt bepaald in overeenstemming met artikel 162 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0060

Risicogewogen posten

Risicogewogen posten, in de zin van artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor posities waarvan de risicogewichten worden geraamd op basis van de vereisten van deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en waarvoor de blootstellingswaarde voor CCR-activiteiten wordt berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstukken 4 en 6, van die verordening.

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen.

0070

Densiteit van risicogewogen posten

Verhouding tussen het totaal van de risicogewogen posten (gerapporteerd in kolom 0060) en de blootstellingswaarde (gerapporteerd in kolom 0010)



Rijen

0010-0170

PD-schaal

CCR-blootstellingen (bepaald op tegenpartijniveau) worden toegewezen aan de passende subklasse van de vaste PD-schaal op basis van de geraamde PD voor elke debiteur die in deze blootstellingscategorie is ondergebracht (zonder enige substitutie vanwege het bestaan van een garantie of een kredietderivaat in overweging te nemen). De instellingen mappen iedere blootstelling naar de in de template bepaalde PD-schaal, waarbij ook rekening wordt gehouden met continue schalen. Alle blootstellingen ten aanzien waarvan zich een wanbetaling heeft voorgedaan, worden opgenomen in de subklasse die een PD van 100 % vertegenwoordigt.

3.9.9.   C 34.08 – Samenstelling van zekerheden voor CCR-blootstellingen

3.9.9.1.   Algemene opmerkingen

131. In deze template worden de reële waarden ingevuld van zekerheden (gestort of ontvangen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met derivatentransacties, transacties met afwikkeling op lange termijn of effectenfinancieringstransacties, ongeacht of de transacties via een CTP worden gecleard en ongeacht of zekerheden bij een CTP worden gestort.

3.9.9.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0080

In derivatentransacties gebruikte zekerheden

De instellingen rapporteren de zekerheden (met inbegrip van de zekerheden die de initial margin en de variation margin vormen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met een in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vermeld derivaat of een transactie met afwikkeling op lange termijn als gedefinieerd in artikel 2, punt 272, van diezelfde verordening die niet als effectenfinancieringstransactie kan worden aangemerkt.

0090-0180

In SFT’s gebruikte zekerheden

De instellingen rapporteren de zekerheden (met inbegrip van de zekerheden die de initial margin en de variation margin vormen en de zekerheden die als effect in de effectenfinancieringstransactie verschijnen) die worden gebruikt in CCR-blootstellingen in verband met een effectenfinancieringstransactie (SFT) of een transactie met afwikkeling op lange termijn die niet als derivaat kan worden aangemerkt.

0010, 0020, 0050, 0060, 0090, 0100, 0140, 0150

Afgescheiden

Artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de zekerheden die op de in artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven wijze buiten het faillissement worden gehouden, verder uitgesplitst in zekerheden in de vorm van initial margin of in de vorm van variation margin.

0030, 0040, 0070, 0080, 0110, 0120, 0130, 0160, 0170, 0180

Niet afgescheiden

Artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de zekerheden die niet op de in artikel 300, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven wijze buiten het faillissement worden gehouden, verder uitgesplitst in initial margin, variation margin en effect van de effectenfinancieringstransactie.

0010, 0030, 0050, 0070, 0090, 0110, 0140, 0160

Initial margin

Artikel 4, lid 1, punt 140, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de reële waarden van als initial margin ontvangen of gestorte zekerheden (omschreven in artikel 4, lid 1, punt 140, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0020, 0040, 0060, 0080, 0100, 0120, 0150, 0170

Variation margin

De instellingen rapporteren de reële waarde van als variation margin ontvangen of gestorte zekerheden.

0130, 0180

SFT-effect

De instellingen rapporteren de reële waarden van zekerheden die als effect in effectenfinancieringstransacties (SFT’s) verschijnen (bv. het effectengedeelte van de effectenfinancieringstransactie dat voor kolom 0130 is ontvangen of voor kolom 0180 is gestort).



Rijen

0010-0080

Soort zekerheid

Uitsplitsing naar verschillende soorten zekerheden

3.9.10.   C 34.09 – Blootstellingen in kredietderivaten

3.9.10.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0040

KREDIETDERIVATENPROTECTIE

Gekochte of verkochte kredietderivatenprotectie

0010, 0020

NOTIONELE BEDRAGEN

Som van de notionele derivatenbedragen vóór enige netting, uitgesplitst naar productsoort

0030, 0040

REËLE WAARDEN

Som van de reële waarden uitgesplitst naar gekochte protectie en verkochte protectie



Rijen

0010-0050

Productsoort

Uitsplitsing van productsoorten van kredietderivaten

0060

Totaal

Som van alle productsoorten

0070, 0080

Reële waarden

Reële waarden uitgesplitst naar productsoort en naar activa (positieve reële waarden) en verplichtingen (negatieve reële waarden)

3.9.11.   C 34.10 – Blootstellingen met betrekking tot CTP’s

3.9.11.1.   Algemene opmerkingen

132. De instellingen rapporteren de informatie over blootstellingen met betrekking tot CTP’s, d.w.z. de in artikel 301, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde contracten en transacties zolang deze bij een CTP uitstaan, en blootstellingen uit hoofde van CTP-gerelateerde transacties, in de zin van artikel 300, punt 2, van die verordening, waarvoor de eigenvermogensvereisten worden berekend overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van die verordening.

3.9.11.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

BLOOTSTELLINGSWAARDE

Blootstellingswaarde voor transacties die binnen het toepassingsgebied van deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, berekend volgens de in dat hoofdstuk en met name afdeling 9 daarvan vastgestelde relevante methoden.

De gerapporteerde blootstellingswaarde is het bedrag dat relevant is voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de vereisten van artikel 497 van die verordening tijdens de overgangsperiode waarin dat artikel voorziet.

Een blootstelling kan een transactieblootstelling zijn in de zin van artikel 4, lid 1, punt 91, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020

RISICOGEWOGEN POSTEN

De risicogewogen posten bepaald overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de vereisten van artikel 497 van die verordening tijdens de overgangsperiode waarin dat artikel voorziet.



Rijen

0010-0100

Gekwalificeerde CTP (gCTP)

Een gekwalificeerde CTP of „gCTP” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070, 0080

0170, 0180

Initial margin

Zie de instructies voor template C 34.08.

Ten behoeve van deze template omvat de initial margin geen bijdragen aan een CTP voor regelingen voor het onderling delen van verliezen (d.w.z. in gevallen waarin een CTP de initial margin gebruikt om verliezen onderling te delen tussen de clearingleden, wordt zij behandeld als een blootstelling aan een wanbetalingsfonds).

0090, 0190

Voorgefinancierde bijdragen aan een wanbetalingsfonds

Artikelen 308 en 309 van Verordening (EU) nr. 575/2013; een wanbetalingsfonds in de zin van artikel 4, lid 1, punt 89, van Verordening (EU) nr. 575/2013; de bijdrage aan het wanbetalingsfonds van een CTP die door de instelling wordt gestort.

0100, 0200

Niet-volgestorte bijdragen aan een wanbetalingsfonds

Artikelen 309 en 310 van Verordening (EU) nr. 575/2013; een wanbetalingsfonds in de zin van artikel 4, lid 1, punt 89, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De instellingen rapporteren de bijdragen die een als clearinglid optredende instelling contractueel heeft toegezegd aan een CTP te zullen verstrekken nadat de CTP haar wanbetalingsfonds heeft uitgeput en die zijn bedoeld om de verliezen te dekken die de CTP heeft geleden als gevolg van de wanbetaling door een of meer van haar clearingleden.

0070, 0170

Afgescheiden

Zie de instructies voor template C 34.08.

0080, 0180

Niet afgescheiden

Zie de instructies voor template C 34.08.

3.9.12.   C 34.11 – Stroomoverzichten van risicogewogen posten (RWEA) van CCR-blootstellingen in het kader van de IMM

3.9.12.1.   Algemene opmerkingen

133. Instellingen die de IMM toepassen om de risicogewogen posten voor al hun CCR-blootstellingen of een deel daarvan te berekenen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ongeacht de kredietrisicobenadering die wordt gebruikt om de overeenkomstige risicogewichten te bepalen, rapporteren deze template met het stroomoverzicht waarin veranderingen in risicogewogen posten van derivaten en effectenfinancieringstransacties die onder de IMM vallen, worden toegelicht, gedifferentieerd naar belangrijke factoren en op basis van redelijke schattingen.

134. Instellingen die deze template op kwartaalbasis rapporteren, vullen alleen kolom 0010 in. Instellingen die deze template op jaarbasis rapporteren, vullen alleen kolom 0020 in.

135. Deze template bevat geen risicogewogen posten voor blootstellingen met betrekking tot een centrale tegenpartij (deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

3.9.12.2.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010, 0020

RISICOGEWOGEN POSTEN

Risicogewogen posten, in de zin van artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor posities waarvan de risicogewichten worden geraamd op basis van de vereisten van deel drie, titel II, hoofdstukken 2 en 3, van die verordening en waarvoor de instelling de IMM mag gebruiken om de blootstellingswaarde te berekenen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 6, afdeling 6, van die verordening.

De kmo- en infrastructuurondersteuningsfactoren van de artikelen 501 en 501 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden in aanmerking genomen.



Rijen

0010

Risicogewogen posten aan het einde van de vorige rapportageperiode

Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen volgens de IMM aan het einde van de vorige rapportageperiode

0020

Omvang van de activa

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de omvang en samenstelling van de portefeuille ten gevolge van de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten (met inbegrip van het initiëren van nieuwe activiteiten en vervallende blootstellingen), maar exclusief veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstotingen van entiteiten

0030

Kredietkwaliteit van tegenpartijen

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de beoordeelde kwaliteit van de tegenpartijen van de instelling, gemeten volgens het kredietrisicokader, ongeacht de benadering die de instelling hanteert. Deze rij bevat ook potentiële veranderingen in de risicogewogen posten als gevolg van IRB-modellen wanneer de instelling een interneratingbenadering hanteert.

0040

Actualisering modellen (alleen IMM)

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van de implementatie van modellen, veranderingen in de reikwijdte van modellen of veranderingen die tekortkomingen in modellen moeten tegengaan.

Deze rij heeft alleen betrekking op veranderingen in het IMM-model.

0050

Methodologie en beleid (alleen IMM)

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van methodologische veranderingen in berekeningen door toedoen van wijzigingen in het reguleringsbeleid, zoals nieuwe regelgeving (alleen in het IMM-model)

0060

Acquisities en afstotingen

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen in de omvang van de portefeuille als gevolg van acquisities en afstotingen van entiteiten

0070

Wisselkoersbewegingen

Veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) als gevolg van veranderingen die voortvloeien uit bewegingen in de omrekening van vreemde valuta.

0080

Overige

Deze categorie wordt gebruikt om veranderingen in de risicogewogen posten (positief of negatief) weer te geven die niet in de bovenstaande categorieën kunnen worden ondergebracht.

0090

Risicogewogen posten aan het einde van de lopende rapportageperiode

Risicogewogen posten voor CCR-blootstellingen volgens de IMM aan het einde van de vorige rapportageperiode

4.   TEMPLATES VOOR OPERATIONEEL RISICO

4.1   C 16.00 – OPERATIONEEL RISICO (OPR)

4.1.1   Algemene opmerkingen

136. Deze template bevat informatie over de berekening van eigenvermogensvereisten overeenkomstig de artikelen 312 tot en met 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor operationeel risico in het kader van de basisindicatorbenadering (BIA), de standaardbenadering (TSA), de alternatieve standaardbenadering (ASA) en de geavanceerde meetbenadering (AMA). Voor individuele rapportage mogen de instellingen niet tegelijkertijd de TSA en de ASA toepassen voor de bedrijfsonderdelen „bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen” en „zakelijke bankdiensten”.

137. Instellingen die de BIA, de TSA of de ASA hanteren, berekenen hun eigenvermogensvereisten op basis van de informatie aan het eind van het boekjaar. Indien geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, kunnen de instellingen gebruikmaken van bedrijfsramingen. Bij gebruik van gecontroleerde cijfers rapporteren de instellingen de gecontroleerde cijfers die naar verwachting ongewijzigd blijven. Afwijkingen van dit beginsel van „ongewijzigde” cijfers zijn mogelijk, indien bijvoorbeeld tijdens de rapportageperiode sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals recente acquisities of afstotingen van entiteiten of activiteiten.

138. Indien een instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit kan aantonen dat wegens uitzonderlijke omstandigheden (zoals een fusie of een afstoting van entiteiten of activiteiten) de berekening van de relevante indicator aan de hand van een driejaarsgemiddelde zou leiden tot een vertekende raming van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico, kan de bevoegde autoriteit de instelling toestaan de berekening zodanig te wijzigen dat deze gebeurtenissen in aanmerking worden genomen. De bevoegde autoriteit kan ook ambtshalve van een instelling verlangen dat zij de berekening wijzigt. Een instelling die nog geen drie jaar actief is, mag toekomstgerichte bedrijfsramingen gebruiken voor het berekenen van de relevante indicator, mits zij historische gegevens begint te gebruiken zodra die gegevens beschikbaar zijn.

139. Deze template bevat kolomsgewijs voor de drie meest recente jaren informatie over het bedrag van de relevante indicator van de aan operationeel risico onderhevige bankactiviteiten en over het bedrag aan leningen en voorschotten (laatstgenoemde alleen in het geval van ASA). Verder wordt informatie over het bedrag van de eigenvermogensvereiste voor operationeel risico gerapporteerd. In voorkomend geval moet worden gespecificeerd welk deel van dat bedrag het gevolg is van een allocatiemechanisme. Ten aanzien van de AMA worden pro-memorieposten toegevoegd om de gevolgen van verwacht verlies, diversificatie en limiteringstechnieken op het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico te specificeren.

140. De rijen bevatten informatie op basis van de methode voor berekening van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico en een specificatie van bedrijfsonderdelen voor de TSA en de ASA.

141. Deze template wordt ingediend door alle instellingen die aan het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico zijn onderworpen.

4.1.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0030

RELEVANTE INDICATOR

Instellingen die het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico berekenen met de relevante indicator (BIA, TSA en ASA), rapporteren voor elk jaar de desbetreffende indicator in de kolommen 0010 tot en met 0030. In het geval van een combinatie van verschillende benaderingen als bedoeld in artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013 rapporteren de instellingen ter informatie bovendien de relevante indicator voor de aan de AMA onderworpen activiteiten. Hetzelfde geldt voor alle overige AMA-banken.

Hierna wordt onder „relevante indicator” verstaan „de som van de bestanddelen” aan het eind van het boekjaar als genoemd in tabel 1 in artikel 316, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien de gegevens over de „relevante indicator” waarover de instelling beschikt, minder dan drie jaar bestrijken, worden de beschikbare historische gegevens (gecontroleerde cijfers) bij voorrang toegewezen aan de desbetreffende kolommen in de template. Indien er bijvoorbeeld slechts voor één jaar historische gegevens zijn, worden die in kolom 0030 gerapporteerd. Indien dat redelijk lijkt, moeten de toekomstgerichte ramingen dan worden opgenomen in kolom 0020 (raming voor het eerstvolgende jaar) en kolom 0010 (raming van jaar + 2).

Verder mag de instelling zich baseren op toekomstgerichte bedrijfsramingen indien er geen historische gegevens over de „relevante indicator” beschikbaar zijn.

0040-0060

LENINGEN EN VOORSCHOTTEN (BIJ TOEPASSING VAN DE ASA)

Deze kolommen worden gebruikt om de bedragen van de leningen en voorschotten te rapporteren voor de bedrijfsonderdelen „zakelijke bankdiensten” en „bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen”, als bedoeld in artikel 319, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Aan de hand van die bedragen wordt de alternatieve relevante indicator berekend die de eigenvermogensvereisten oplevert voor de activiteiten waarop de alternatieve standaardbenadering van toepassing is (artikel 319, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013).

Voor het bedrijfsonderdeel „zakelijke bankdiensten” worden tevens in de niet-handelsportefeuille aangehouden effecten opgenomen.

0070

EIGENVERMOGENSVEREISTE

Het eigenvermogensvereiste wordt berekend in overeenstemming met de gevolgde benaderingen en overeenkomstig de artikelen 312 tot en met 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De uitkomst wordt in kolom 0070 gerapporteerd.

0071

TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN VOOR OPERATIONEEL RISICO

Artikel 92, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigenvermogensvereisten in kolom 0070 vermenigvuldigd met 12,5.

0080

WAARVAN: ALS GEVOLG VAN EEN ALLOCATIEMECHANISME

Indien overeenkomstig artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toestemming is verleend om de AMA op geconsolideerd niveau te gebruiken (artikel 18, lid 1, van die verordening), wordt het operationeel risicokapitaal aan de verschillende groepsentiteiten toegewezen op basis van de methode die de instellingen toepassen om de gevolgen van diversificatie-effecten te verwerken in het systeem van risicometing dat wordt gebruikt door een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of gezamenlijk door de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding. De uitkomst van die toewijzing wordt in deze kolom gerapporteerd.

0090-0120

TE RAPPORTEREN AMA-PRO-MEMORIEPOSTEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

0090

EIGENVERMOGENSVEREISTE VÓÓR VERMINDERING VANWEGE VERWACHT VERLIES, DIVERSIFICATIE EN RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN

Het in kolom 090 te rapporteren eigenvermogensvereiste is dat van kolom 070, maar wordt berekend vóór inaanmerkingneming van de vermindering vanwege verwacht verlies, diversificatie en risicolimiteringstechnieken (zie hierna).

0100

(–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE HET IN DE BEDRIJFSPRAKTIJK IN AANMERKING GENOMEN VERWACHTE VERLIES

In kolom 100 wordt de vermindering gerapporteerd van eigenvermogensvereisten vanwege verwacht verlies waarmee in de interne bedrijfspraktijk rekening is gehouden (als bedoeld in artikel 322, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0110

(–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTEN VANWEGE DIVERSIFICATIE

Het in deze kolom te rapporteren diversificatie-effect is het verschil tussen de som van de per categorie operationeel risico apart berekende eigenvermogensvereisten (d.w.z. een situatie van „volkomen afhankelijkheid”) en het gediversifieerde eigenvermogensvereiste dat is berekend door rekening te houden met de correlaties en afhankelijkheden (d.w.z. in de aanname van een minder dan „volkomen afhankelijkheid” tussen de risicocategorieën). De situatie van „volkomen afhankelijkheid” doet zich voor in de „standaardsituatie”, d.w.z. indien de instelling niet uitgaat van een expliciete correlatiestructuur tussen de risicocategorieën, zodat het AMA-vermogen wordt berekend als de som van de afzonderlijke maatregelen voor operationeel risico van de gekozen risicocategorieën. In dat geval is de aanname dat de correlatie tussen de risicocategorieën 100 % is en moet de waarde in de kolom op nul worden gesteld. Indien de instelling wel een expliciete correlatiestructuur tussen de risicocategorieën berekent, moet zij in deze kolom het verschil opnemen tussen het AMA-vermogen dat voortkomt uit de „standaardsituatie”, en het AMA-vermogen verkregen na toepassing van de correlatiestructuur tussen de risicocategorieën. De waarde geeft de „diversificatiecapaciteit” van het AMA-model weer, d.w.z. de mate waarin het model in staat is rekening te houden met het niet-gelijktijdige optreden van ernstige verliesgebeurtenissen die ontstaan door operationeel risico. In kolom 110 rapporteert de instelling de verlaging van het AMA-vermogen ten opzichte van de aangenomen 100 %-correlatie als gevolg van de aangenomen correlatiestructuur.

0120

(–) VERMINDERING VAN EIGENVERMOGENSVEREISTE VANWEGE RISICOLIMITERINGSTECHNIEKEN (VERZEKERING EN ANDERE MECHANISMEN VOOR RISICO-OVERDRACHT)

Het effect van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht overeenkomstig artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt in deze kolom gerapporteerd.



Rijen

0010

BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE BASISINDICATORBENADERING (BIA)

Deze rij bevat de bedragen die overeenstemmen met activiteiten in het kader van de BIA, voor het berekenen van het eigenvermogensvereiste voor operationeel risico (artikelen 315 en 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0020

BANKACTIVITEITEN IN HET KADER VAN DE STANDAARDBENADERING (TSA) / ALTERNATIEVE STANDAARDBENADERING (ASA)

Het eigenvermogensvereiste berekend volgens de TSA en de ASA (artikelen 317, 318 en 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013) wordt gerapporteerd.

0030-0100

IN HET KADER VAN DE TSA

Indien de TSA wordt toegepast, wordt de relevante indicator voor elk betrokken jaar in de rijen 0030 tot en met 0100 over de bedrijfsonderdelen verdeeld overeenkomstig tabel 2 in artikel 317 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De mapping van activiteiten naar bedrijfsonderdelen verloopt volgens de in artikel 318 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven beginselen.

0110-0120

IN HET KADER VAN DE ASA

Instellingen die de ASA hanteren (artikel 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013), rapporteren de relevante indicator voor de desbetreffende jaren afzonderlijk voor elk bedrijfsonderdeel in de rijen 0030 tot en met 0050 en de rijen 0080 tot en met 0100, en voor de bedrijfsonderdelen „zakelijke bankdiensten” en „bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen” in de rijen 0110 en 0120.

De rijen 110 en 120 bevatten het bedrag van de relevante indicator van aan ASA onderworpen activiteiten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het bedrag voor het bedrijfsonderdeel „zakelijke bankdiensten” en de bedragen voor het bedrijfsonderdeel „bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen” (artikel 319 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Er kunnen bedragen zijn voor de rijen voor „zakelijke bankdiensten” en „bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen” in het kader van de TSA (de rijen 0060 en 0070), alsmede in het kader van de ASA (de rijen 0110 en 0120) (indien bijvoorbeeld een dochteronderneming aan de TSA onderworpen is, maar de moederonderneming aan de ASA).

0130

BANKACTIVITEITEN DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE AMA

De desbetreffende gegevens voor AMA-instellingen (artikel 312, lid 2, en artikelen 321, 322 en 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden gerapporteerd.

Indien verschillende benaderingen in combinatie worden gehanteerd zoals beschreven in artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt voor aan de AMA onderworpen activiteiten informatie over de relevante indicator gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor alle overige AMA-banken.

4.2.   OPERATIONEEL RISICO: NADERE INFORMATIE OVER VERLIEZEN IN HET LAATSTE JAAR (OPR DETAILS)

4.2.1   Algemene opmerkingen

142. Template C 17.01 (OPR DETAILS 1) geeft een overzicht van de informatie over de brutoverliezen en goedgemaakte verliezen die een instelling in het afgelopen jaar heeft genoteerd, naar soort gebeurtenis en bedrijfsonderdeel. Template C 17.02 (OPR DETAILS 2) geeft nadere informatie over de grootste verliesgebeurtenissen in het laatste jaar.

143. Operationele risicoverliezen die met kredietrisico verband houden en aan eigenvermogensvereisten voor kredietrisico zijn onderworpen (boundary kredietgrelateerde operationele risicogebeurtenissen), blijven buiten beschouwing in zowel template C 17.01 als template C 17.02.

144. Bij gecombineerd gebruik van verschillende benaderingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor operationeel risico overeenkomstig artikel 314 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden verliezen en goedgemaakte verliezen die een instelling heeft genoteerd, gerapporteerd in C 17.01 en C 17.02, ongeacht de benadering die voor het berekenen van eigenvermogensvereisten is gehanteerd.

145. Onder „brutoverlies” wordt verstaan een verlies – als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 – als gevolg van een operationele risicogebeurtenis of soort verliesgebeurtenis vóór goedmakingen van welk soort dan ook, onverminderd „verliesgebeurtenissen die tot snel goedgemaakte verliezen leiden” zoals die hierna zijn omschreven.

146. Onder „goedmaking” wordt verstaan een onafhankelijke gebeurtenis in verband met het oorspronkelijke verlies uit hoofde van operationeel risico die in de tijd gescheiden is, waarbij geldmiddelen of instromen van economische voordelen van eerste of derde partijen, zoals verzekeraars of andere partijen, worden ontvangen. Goedmakingen worden uitgesplitst in goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen van risico-overdracht en directe goedmakingen.

147. Onder „verliesgebeurtenissen die tot snel goedgemaakte verliezen leiden” wordt verstaan gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die tot verliezen leiden die binnen vijf werkdagen gedeeltelijk of volledig zijn goedgemaakt. In het geval van een verliesgebeurtenis die tot snel goedgemaakte verliezen leidt, valt alleen het deel van het verlies dat niet volledig is goedgemaakt (d.w.z. het verlies na aftrek van de gedeeltelijke snelle goedmaking) onder de definitie van brutoverlies. Bijgevolg vallen verliesgebeurtenissen die tot verliezen leiden die binnen vijf werkdagen volledig zijn goedgemaakt, niet onder de definitie van brutoverlies en evenmin onder de rapportage OPR DETAILS.

148. Onder „datum van administratieve verwerking” wordt verstaan de datum waarop een verlies of een reserve/voorziening voor het eerst in de winst- en verliesrekening ten laste van een verlies uit hoofde van operationeel risico wordt gebracht. Die datum volgt logischerwijs op de „datum van plaatsvinden” (d.w.z. de datum waarop de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico zich voordeed of zich begon voor te doen) en de „datum van ontdekking” (d.w.z. de datum waarop de instelling kennis heeft gekregen van de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico).

149. Verliezen die voortvloeien uit een gemeenschappelijke operationele risicogebeurtenis of uit een reeks gebeurtenissen die verband houden met een initiële operationele risicogebeurtenis die gebeurtenissen of verliezen veroorzaakt („root-event”), worden gegroepeerd. De gegroepeerde gebeurtenissen worden beschouwd en gerapporteerd als één gebeurtenis, en zodoende worden de daarmee samenhangende brutoverliesbedragen en bedragen van verliesaanpassingen samengeteld.

150. De in juni van het betrokken jaar gerapporteerde cijfers zijn tussentijdse cijfers, terwijl de definitieve cijfers in december worden gerapporteerd. De cijfers in juni hebben derhalve een referentieperiode van zes maanden (d.w.z. van 1 januari tot en met 30 juni van het kalenderjaar), terwijl de cijfers in december een referentieperiode van twaalf maanden hebben (d.w.z. van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar). Bij de zowel voor juni als voor december gerapporteerde gegevens worden met „voorgaande rapportagereferentieperiodes” alle rapportagereferentieperiodes bedoeld tot en met de periode die afloopt aan het eind van het voorafgaande kalenderjaar.

4.2.2   C 17.01: Operationele risicoverliezen en goedgemaakte verliezen per bedrijfsonderdeel en soort verliesgebeurtenis in het laatste jaar (OPR DETAILS 1)

4.2.2.1   Algemene opmerkingen

151. In template C 17.01 wordt de informatie zodanig verstrekt dat de verliezen en goedgemaakte verliezen die interne drempels overschrijden, worden verdeeld over bedrijfsonderdelen (zoals genoemd in tabel 2 in artikel 317 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van het extra bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013), en soorten verliesgebeurtenissen (als omschreven in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Het kan zijn dat de verliezen die met één verliesgebeurtenis overeenstemmen, over verschillende bedrijfsonderdelen gespreid zijn.

152. De kolommen bevatten de verschillende soorten verliesgebeurtenissen en de totalen per bedrijfsonderdeel, samen met een pro-memoriepost die de laagste in de verzameling verliesgegevens toegepaste interne drempel laat zien. Als er meer dan één drempel is, wordt binnen elk bedrijfsonderdeel de laagste en de hoogste drempel vermeld.

153. De rijen bevatten de bedrijfsonderdelen en, binnen elk bedrijfsonderdeel, informatie over het aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen), het brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen), het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen, de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes, het grootste afzonderlijke verlies, de som van de vijf grootste verliezen en het totale goedgemaakte verlies (directe goedmakingen van verliezen, maar ook goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht).

154. Voor de totale bedrijfsonderdelen worden ook gegevens over het aantal verliesgebeurtenissen en het brutoverliesbedrag gerapporteerd voor bepaalde bandbreedtes op basis van vastgestelde drempels, nl. 10 000, 20 000, 100 000 en 1 000 000. De drempels luiden in euro en worden opgenomen om de gerapporteerde verliezen tussen de instellingen te kunnen vergelijken. Die drempels hebben niet noodzakelijk betrekking op de minimumverliesdrempels ten behoeve van het verzamelen van interne verliesgegevens, die in een ander deel van de template moeten worden gerapporteerd.

4.2.2.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0070

SOORTEN GEBEURTENISSEN

De instellingen rapporteren de verliezen in de desbetreffende kolommen 0010 tot en met 0070 overeenkomstig de in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde verliesgebeurtenissen.

Instellingen die hun eigenvermogensvereiste berekenen volgens de basisindicatorbenadering (BIA), kunnen de verliezen waarvoor het soort verliesgebeurtenis niet wordt vermeld, uitsluitend in kolom 080 rapporteren.

0080

TOTAAL SOORTEN VERLIESGEBEURTENISSEN

In kolom 0080 rapporteren instellingen voor elk bedrijfsonderdeel het totale „aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen)”, het totaal van het „brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen)”, het totale „aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen”, het totaal van de „verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes”, het „grootste afzonderlijke verlies”, de „som van de vijf grootste verliezen” en het totaal van het „totale direct goedgemaakte verlies” en het totaal van de „totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht”.

Op voorwaarde dat de instelling voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, bevat kolom 080 de eenvoudige aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen, de totale bedragen aan brutoverliezen en de totale bedragen aan goedgemaakte verliezen en de „verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes” die in de kolommen 0010 tot en met 0070 zijn gerapporteerd.

Het in kolom 0080 gerapporteerde „grootste afzonderlijke verlies” is het grootste afzonderlijke verlies binnen een bedrijfsonderdeel en is identiek aan het maximum van de in de kolommen 0010 tot en met 0070 gerapporteerde „grootste afzonderlijke verliezen”, mits de instelling voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd.

Voor de som van de vijf grootste verliezen wordt in kolom 0080 de som van de vijf grootste verliezen binnen één bedrijfsonderdeel gerapporteerd.

0090-0100

PRO-MEMORIEPOST: BIJ GEGEVENSVERZAMELING TOEGEPASTE DREMPEL

De instellingen rapporteren in de kolommen 0090 en 0100, overeenkomstig artikel 322, lid 3, punt c), laatste zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013, de minimumverliesdrempels die zij hanteren voor de verzameling van interne verliesgegevens.

Indien instellingen slechts één drempel hanteren per bedrijfsonderdeel, vullen zij alleen kolom 0090 in.

Indien verschillende drempels worden gehanteerd binnen hetzelfde reglementaire bedrijfsonderdeel, wordt tevens de hoogste toepasselijke drempel (kolom 0100) ingevuld.



Rijen

0010-0880

BEDRIJFSONDERDELEN: ONDERNEMINGSFINANCIERING, HANDEL EN VERKOOP, COURTAGEDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN, ZAKELIJKE BANKDIENSTEN, BANKDIENSTEN TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN, BETALING EN AFWIKKELING, BEMIDDELINGSDIENSTEN, BEHEER VAN ACTIVA, ONDERNEMINGSAANGELEGENHEDEN

Voor elk in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemd bedrijfsonderdeel, met inbegrip van het extra bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, en voor elk soort verliesgebeurtenis, rapporteert de instelling de volgende informatie overeenkomstig de interne drempels: het aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen), het brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen), het aantal aan verliesaanpassingen onderhevige gebeurtenissen, de verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes, het grootste afzonderlijke verlies, de som van de vijf grootste verliezen, het totale direct goedgemaakte verlies en de totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht.

Voor een verliesgebeurtenis die betrekking heeft op meerdere bedrijfsonderdelen wordt het „brutoverliesbedrag” verdeeld over alle betrokken bedrijfsonderdelen.

Instellingen die hun eigenvermogensvereiste berekenen volgens de basisindicatorbenadering (BIA), kunnen de verliezen waarvoor het bedrijfsonderdeel niet is geïdentificeerd, uitsluitend in de rijen 0910 tot en met 0980 rapporteren.

0010, 0110, 0210, 0310, 0410, 0510, 0610, 0710, 0810

Aantal verliesgebeurtenissen (nieuwe verliesgebeurtenissen)

Het aantal verliesgebeurtenissen is het aantal verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode brutoverliezen administratief zijn verwerkt.

Bij het aantal verliesgebeurtenissen gaat het om „nieuwe gebeurtenissen”, d.w.z. gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico:

i)  die binnen de rapportagereferentieperiode „voor het eerst administratief zijn verwerkt”; of

ii)  die in een voorgaande rapportagereferentieperiode „voor het eerst administratief zijn verwerkt” indien de verliesgebeurtenis niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportage, bijvoorbeeld omdat deze pas in de lopende rapportagereferentieperiode als verliesgebeurtenis uit hoofde van operationeel risico is geïdentificeerd of omdat het aan die verliesgebeurtenis toe te schrijven geaccumuleerde verlies (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) de drempel voor het verzamelen van interne gegevens pas in de lopende rapportagereferentieperiode heeft overschreden.

„Nieuwe verliesgebeurtenissen” omvatten geen verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die „voor het eerst administratief zijn verwerkt” tijdens een voorgaande rapportagereferentieperiode en die al waren opgenomen in voorgaande toezichtrapportage.

0020, 0120, 0220, 0320, 0420, 0520, 0620, 0720, 0820

Brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen)

Het brutoverliesbedrag omvat de brutoverliesbedragen die betrekking hebben op verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico (bv. directe lasten, voorzieningen, afwikkelingen). Alle verliezen die verband houden met één verliesgebeurtenis en binnen de rapportagereferentieperiode administratief zijn verwerkt, worden samengeteld en beschouwd als het brutoverlies voor die verliesgebeurtenis voor die rapportagereferentieperiode.

Het gerapporteerde brutoverliesbedrag betreft „nieuwe verliesgebeurtenissen” zoals gedefinieerd in de bovenstaande rij. Voor verliesgebeurtenissen die „voor het eerst administratief zijn verwerkt” binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode die niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportage, wordt het totale verlies dat is opgebouwd tot de rapportagereferentiedatum (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) gerapporteerd als het brutoverlies op de rapportagereferentiedatum.

In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen.

0030, 0130, 0230, 0330, 0430, 0530, 0630, 0730, 0830

Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen

Het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen is het aantal verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico dat „voor het eerst administratief is verwerkt” tijdens voorgaande rapportagereferentieperioden en dat al in vorige rapportages is opgenomen en waarvoor verliesaanpassingen zijn doorgevoerd tijdens de lopende rapportagereferentieperiode.

Indien meer dan één verliesaanpassing is doorgevoerd voor een verliesgebeurtenis binnen de rapportagereferentieperiode, wordt de som van die verliesaanpassingen gerekend als één aanpassing in die periode.

0040, 0140, 0240, 0340, 0440, 0540, 0640, 0740, 0840

Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes

Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiode zijn de som van de volgende elementen (positief of negatief):

i)  de brutoverliesbedragen met betrekking tot binnen de rapportagereferentieperiode aangebrachte positieve verliesaanpassingen (bv. verhoging van voorzieningen, gerelateerde verliesgebeurtenissen, bijkomende afwikkelingen) voor gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die in voorgaande rapportagereferentieperiodes „voor het eerst administratief verwerkt” en gerapporteerd zijn;

ii)  de brutoverliesbedragen met betrekking tot binnen de rapportagereferentieperiode aangebrachte negatieve verliesaanpassingen (bijvoorbeeld vanwege verlaging van voorzieningen) voor verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die in voorgaande rapportagereferentieperiodes „voor het eerst administratief verwerkt” en gerapporteerd zijn.

Indien meer dan één verliesaanpassing is doorgevoerd voor een verliesgebeurtenis binnen de rapportagereferentieperiode, worden de bedragen van al die verliesaanpassingen samengeteld, rekening houdende met het teken van de aanpassingen (positief, negatief). Die som wordt beschouwd als de verliesaanpassing voor die verliesgebeurtenis voor die rapportagereferentieperiode.

Indien als gevolg van een negatieve verliesaanpassing het aan een verliesgebeurtenis toe te schrijven aangepaste verliesbedrag onder de drempel voor het verzamelen van interne gegevens van de instelling valt, rapporteert de instelling het totale voor die verliesgebeurtenis opgebouwde verliesbedrag tot en met het laatste tijdstip dat de gebeurtenis werd gerapporteerd voor een referentiedatum in december (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) met eenminteken – in plaats van het bedrag van de negatieve verliesaanpassing zelf.

In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen.

0050, 0150, 0250, 0350, 0450, 0550, 0650, 0750, 0850

Grootste afzonderlijk verlies

Het grootste afzonderlijke verlies is groter dan:

i)  het grootste afzonderlijke verlies met betrekking tot een verliesgebeurtenis die voor het eerst wordt gerapporteerd binnen de rapportagereferentieperiode; en

ii)  het grootste bedrag van de positieve verliesaanpassing (zoals bedoeld in de rijen 0040, 0140, …, 0840) met betrekking tot een verliesgebeurtenis die voor het eerst wordt gerapporteerd binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode.

In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen.

0060, 0160, 0260, 0360, 0460, 0560, 0660, 0760, 0860

Som van de vijf grootste verliezen

De som van de vijf grootste verliezen is de som van de vijf grootste bedragen van:

i)  de brutoverliesbedragen met betrekking tot verliesgebeurtenissen die voor het eerst worden gerapporteerd binnen de rapportagereferentieperiode; en

ii)  de bedragen van de positieve verliesaanpassingen (zoals hierboven omschreven voor de rijen 0040, 0140, …, 0840) met betrekking tot verliesgebeurtenissen die voor het eerst worden gerapporteerd binnen een voorgaande rapportagereferentieperiode. Het bedrag dat kan kwalificeren als een van de vijf grootste verliezen, is het bedrag van de verliesaanpassing zelf – niet het totale verlies dat verbonden is aan de betrokken verliesgebeurtenis vóór of na de verliesaanpassing.

In de te rapporteren bedragen wordt geen rekening gehouden met verkregen goedmakingen.

0070, 0170, 0270, 0370, 0470, 0570, 0670, 0770, 0870

Totaal direct goedgemaakt verlies

Directe goedmakingen van verliezen zijn alle goedmakingen die zijn verkregen met uitzondering van die welke onder artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, als bedoeld in de onderstaande rij van deze tabel.

Het totale direct goedgemaakte verlies is de som van alle directe goedmakingen en aanpassingen aan directe goedmakingen die binnen de rapportageperiode administratief zijn verwerkt en relevant zijn voor verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die binnen de rapportagereferentieperiode of in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief zijn verwerkt.

0080, 0180, 0280, 0380, 0480, 0580, 0680, 0780, 0880

Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht

Goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht zijn goedmakingen die onder artikel 323 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen.

De totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht is de som van alle goedmakingen uit hoofde van verzekeringen en andere mechanismen voor risico-overdracht en aanpassingen aan dit soort goedmakingen die binnen de rapportagereferentieperiode administratief zijn verwerkt en betrekking hebben op verliesgebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico die binnen de rapportagereferentieperiode of in voorgaande rapportagereferentieperiodes voor het eerst administratief zijn verwerkt.

0910-0980

TOTAAL BEDRIJFSONDERDELEN

Voor elk soort verliesgebeurtenis (de kolommen 0010 tot en met 0080) wordt de informatie over het totaal van de bedrijfsonderdelen gerapporteerd.

0910-0914

Aantal verliesgebeurtenissen

In rij 0910 wordt het aantal verliesgebeurtenissen boven de interne drempel gerapporteerd naar soort verliesgebeurtenis voor het totaal van de bedrijfsonderdelen. Dit aantal kan lager zijn dan de som van het aantal verliesgebeurtenissen naar bedrijfsonderdeel, aangezien verliesgebeurtenissen met meervoudige impact (gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen) als één verliesgebeurtenis moeten worden beschouwd. Het kan hoger zijn indien een instelling die haar eigenvermogensvereisten volgens de basisindicatorbenadering (BIA) berekent, niet in elk van de gevallen het bedrijfsonderdeel of de bedrijfsonderdelen kan identificeren die door het verlies worden getroffen.

In de rijen 0911 tot en met 0914 wordt het aantal verliesgebeurtenissen gerapporteerd met een brutobedrag binnen de bandbreedtes die in de betrokken rijen van de template zijn gedefinieerd.

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, dan wel voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is het volgende van toepassing voor kolom 0080, al naar gelang:

— Het totale aantal in de rijen 0910 tot en met 0914 gerapporteerde verliesgebeurtenissen is gelijk aan de horizontale aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen in de overeenkomstige rij, aangezien in die cijfers de verliesgebeurtenissen met gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen al als één gebeurtenis zijn beschouwd.

— Het in kolom 0080, rij 0910, gerapporteerde cijfer is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de verticale aggregatie van het aantal verliesgebeurtenissen dat is opgenomen in kolom 0080, aangezien één verliesgebeurtenis tegelijkertijd gevolgen kan hebben in verschillende bedrijfsonderdelen.

0920-0924

Brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen)

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het in rij 0920 gerapporteerde brutoverliesbedrag (nieuwe verliesgebeurtenissen) de eenvoudige aggregatie van de brutoverliesbedragen van nieuwe verliesgebeurtenissen voor elk bedrijfsonderdeel.

In de rijen 0921 tot en met 0924 wordt het brutoverliesbedrag gerapporteerd voor verliesgebeurtenissen met een brutobedrag binnen de bandbreedtes die in de betrokken rijen zijn gedefinieerd.

0930, 0935, 0936

Aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen

In rij 0930 wordt het totale aantal in de rijen 0030, 0130, …, 0830, gerapporteerde aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen gerapporteerd. Dat aantal kan lager zijn dan de aggregatie van het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen naar bedrijfsonderdeel, aangezien verliesgebeurtenissen met meervoudige impact (gevolgen in verschillende bedrijfsonderdelen) als één verliesgebeurtenis moeten worden beschouwd. Het kan hoger zijn indien een instelling die haar eigenvermogensvereisten volgens de basisindicatorbenadering (BIA) berekent, niet in elk van de gevallen het bedrijfsonderdeel of de bedrijfsonderdelen kan identificeren die door het verlies worden getroffen.

Het aantal aan verliesaanpassingen onderworpen verliesgebeurtenissen wordt uitgesplitst in het aantal verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een positieve verliesaanpassing is doorgevoerd, en het aantal gebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een negatieve verliesaanpassing is doorgevoerd. (Alle aanpassingen gerapporteerd met een positief teken.)

0940, 0945, 0946

Verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportageperiodes

In rij 0940 wordt per bedrijfsonderdeel het totaal van de bedragen aan verliesaanpassingen met betrekking tot de voorgaande rapportagereferentieperiodes gerapporteerd (zoals gerapporteerd in de rijen 0040, 0140, …, 0840). Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het in rij 0940 gerapporteerde bedrag de eenvoudige aggregatie van de met betrekking tot de voorgaande rapportagereferentieperiodes voor de verschillende bedrijfsonderdelen gerapporteerde verliesaanpassingen.

Het bedrag van de verliesaanpassingen wordt uitgesplitst in het bedrag met betrekking tot verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportagereferentieperiode een positieve verliesaanpassing is doorgevoerd (rij 0945, gerapporteerd als positief cijfer), en het bedrag met betrekking tot verliesgebeurtenissen waarvoor binnen de rapportageperiode een negatieve verliesaanpassing is doorgevoerd (rij 0946, gerapporteerd als een negatief cijfer). Indien als gevolg van een negatieve verliesaanpassing het aan een verliesgebeurtenis toe te schrijven aangepaste verliesbedrag onder de drempel voor het verzamelen van interne gegevens van de instelling valt, rapporteert de instelling het totale voor die verliesgebeurtenis opgebouwde verliesbedrag tot en met het laatste tijdstip dat de verliesgebeurtenis werd gerapporteerd voor een referentiedatum in december (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd), in rij 0946 met een minteken – in plaats van het bedrag van de negatieve verliesaanpassing zelf.

0950

Grootste afzonderlijk verlies

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is het grootste afzonderlijke verlies het grootste verlies boven de interne drempel voor elke soort verliesgebeurtenis en onder alle bedrijfsonderdelen. Indien een verliesgebeurtenis gevolgen heeft voor verschillende bedrijfsonderdelen, kunnen die bedragen hoger zijn dan het hoogste afzonderlijke verlies dat in elk bedrijfsonderdeel is geboekt.

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, dan wel voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is het volgende van toepassing voor kolom 0080:

— Het gerapporteerde grootste individuele verlies is gelijk aan de hoogste van de in de kolommen 0010 tot en met 0070 van deze rij gerapporteerde waarden.

— Indien verliesgebeurtenissen gevolgen hebben voor verschillende bedrijfsonderdelen, kan het in {r0950, c0080} gerapporteerde bedrag hoger zijn dan de bedragen van „Grootste individueel verlies” dat per bedrijfsonderdeel wordt gerapporteerd in andere rijen van kolom 0080.

0960

Som van de vijf grootste verliezen

De som van de vijf grootste brutoverliezen voor elke soort verliesgebeurtenis en onder alle bedrijfsonderdelen wordt gerapporteerd. Die som kan groter zijn dan de grootste som van de vijf grootste verliezen die in elk bedrijfsonderdeel zijn geboekt. Die som wordt gerapporteerd ongeacht het aantal verliezen.

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en zij voor alle verliezen de soorten verliesgebeurtenissen heeft geïdentificeerd, is voor kolom 0080 de som van de vijf grootste verliezen de som van de vijf grootste verliezen in de hele matrix, hetgeen betekent dat dit bedrag niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de hoogste waarde van de „som van de vijf grootste verliezen” in rij 0960 of de hoogste waarde van de „som van de vijf grootste verliezen” in kolom 0080.

0970

Totaal direct goedgemaakt verlies

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, is het totale direct goedgemaakte verlies de eenvoudige aggregatie van het totale direct goedgemaakte verlies voor de verschillende bedrijfsonderdelen.

0980

Totale goedmakingen uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht

Op voorwaarde dat de instelling al haar verliezen heeft toegewezen aan ofwel een bedrijfsonderdeel genoemd in tabel 2 in artikel 317, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, ofwel het bedrijfsonderdeel „ondernemingsaangelegenheden” als bedoeld in artikel 322, lid 3, punt b), van die verordening, is de totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht de eenvoudige aggregatie van de totale goedmaking uit hoofde van verzekering en andere mechanismen voor risico-overdracht voor elk bedrijfsonderdeel.

4.2.3   C 17.02: Operationeel risico: Nadere informatie over de grootste verliesgebeurtenissen in het laatste jaar (OPR DETAILS 2)

4.2.3.1   Algemene opmerkingen

155. In template C 17.02 wordt informatie gegeven over individuele verliesgebeurtenissen (één rij per verliesgebeurtenis).

156. Bij de in deze template gerapporteerde informatie gaat het om „nieuwe verliesgebeurtenissen”, d.w.z. gebeurtenissen uit hoofde van operationeel risico:

a) 

die binnen de rapportagereferentieperiode „voor het eerst administratief zijn verwerkt”; of

b) 

die in een voorgaande rapportagereferentieperiode „voor het eerst administratief zijn verwerkt” indien de verliesgebeurtenis niet was opgenomen in voorgaande toezichtrapportages, bijvoorbeeld omdat deze pas in de lopende rapportagereferentieperiode als verliesgebeurtenis uit hoofde van operationeel risico is geïdentificeerd of omdat het aan die verliesgebeurtenis toe te schrijven geaccumuleerde verlies (d.w.z. het oorspronkelijke verlies plus (minus) alle verliesaanpassingen die in voorgaande rapportagereferentieperiodes zijn doorgevoerd) de drempel voor het verzamelen van interne gegevens pas in de lopende rapportagereferentieperiode heeft overschreden.

157. Alleen verliesgebeurtenissen die een brutoverliesbedrag van 100 000 EUR of meer met zich meebrengen, worden gerapporteerd.

Rekening houdende met die drempel:

a) 

de grootste gebeurtenis voor elke soort gebeurtenis, op voorwaarde dat de instelling voor verliezen de soorten gebeurtenissen heeft geïdentificeerd; en

b) 

ten minste de tien grootste resterende gebeurtenissen met of zonder geïdentificeerd soort gebeurtenis, gerekend naar brutobedrag, worden opgenomen in de template;

c) 

verliesgebeurtenissen worden gerangschikt op basis van het daaraan toegewezen brutoverlies;

d) 

een verliesgebeurtenis wordt slechts eenmaal in aanmerking genomen.

4.2.3.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

Gebeurtenis-ID

Het gebeurtenis-ID is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template.

Wanneer een interne ID beschikbaar is, geven instellingen de interne ID. Anders volgt de gerapporteerde ID de numerieke volgorde 1, 2, 3 enz.

0020

Datum van administratieve verwerking

De datum van administratieve verwerking is de datum waarop een verlies of een reserve/voorziening voor het eerst in de winst- en verliesrekening ten laste wordt gebracht van een verlies uit hoofde van operationeel risico.

0030

Datum van plaatsvinden

De datum van plaatsvinden is de datum waarop de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico zich voordeed of zich begon voor te doen.

0040

Datum van ontdekking

De datum van ontdekking is de datum waarop de instelling kennis heeft gekregen van de gebeurtenis uit hoofde van operationeel risico.

0050

Soorten verliesgebeurtenissen

Soorten verliesgebeurtenissen als bedoeld in artikel 324 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0060

Brutoverlies

Brutoverlies met betrekking tot de verliesgebeurtenis gerapporteerd in de rijen 0020, 0120 enz. van template C 17.01

0070

Brutoverlies ongerekend directe goedmakingen

Brutoverlies met betrekking tot de verliesgebeurtenis gerapporteerd in de rijen 0020, 0120 enz. van template C 17.01, ongerekend directe goedmakingen die betrekking hebben op die verliesgebeurtenis

0080-0160

Brutoverlies per bedrijfsonderdeel

Het in kolom 0060 gerapporteerde brutoverlies wordt toegewezen aan de betrokken bedrijfsonderdelen als bedoeld in tabel 2 in artikel 317, lid 4, en in artikel 322, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0170

Naam juridische entiteit

Naam van de juridische entiteit als gerapporteerd in kolom 0011 van C 06.02 waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere entiteiten werden getroffen – zich voordeed.

0181

Code

Code van de juridische entiteit als gerapporteerd in kolom 0021 van C 06.02 waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere entiteiten werden getroffen – zich voordeed.

0185

SOORT CODE

De instellingen identificeren het in kolom 0181 gerapporteerde soort code als „LEI-code” of „niet-LEI-code”, mede in lijn met kolom 0026 van C 06.02. Het soort code moet steeds worden gerapporteerd.

0190

Bedrijfseenheid

Bedrijfseenheid of bedrijfssegment van de instelling waar het verlies – of het grootste deel van het verlies, indien meerdere bedrijfseenheden of bedrijfssegmenten werden getroffen – zich voordeed.

0200

Beschrijving

Beschrijving van de verliesgebeurtenis, waar nodig in algemene of geanonimiseerde vorm. Deze bevat ten minste informatie over de gebeurtenis zelf en informatie over de determinanten of oorzaken van de verliesgebeurtenis (voor zover bekend).

5.   TEMPLATES VOOR MARKTRISICO

158. Deze instructies hebben betrekking op de templates voor de rapportage over de berekening van eigenvermogensvereisten volgens de standaardbenadering voor valutarisico (MKR SA FX), grondstoffenrisico (MKR SA COM), renterisico (MKR SA TDI, MKR SA SEC, MKR SA CTP) en aandelenrisico (MKR SA EQU). Daarnaast bevat dit deel instructies ten behoeve van de template voor de rapportage van de berekening van eigenvermogensvereisten volgens de internemodellenbenadering (MKR IM).

159. Het positierisico voor een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel (of een van een schuldinstrument of een aandeel afgeleid instrument) wordt in twee componenten gesplitst om het daarvoor benodigde vermogen te kunnen berekenen. De eerste component betreft het specifieke risico ervan, d.w.z. het risico van een prijsverandering in het betrokken instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid instrument, de uitgevende instelling van het onderliggende instrument. De tweede component betreft het algemene risico ervan, d.w.z. het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument) een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enigerlei specifieke aspecten van de betrokken effecten. De algemene behandeling van specifieke instrumenten en netteringsprocedures wordt beschreven in de artikelen 326 tot en met 333 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

5.1.   C 18.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VAN POSITIERISICO’S IN VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (MKR SA TDI)

5.1.1   Algemene opmerkingen

160. Deze template geeft de posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten weer voor risico’s van posities in verhandelbare schuldinstrumenten in het kader van de standaardbenadering (artikel 325, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013). De verschillende risico’s en methoden die in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschikbaar zijn, worden in rijen gerapporteerd. Het specifieke risico in verband met blootstellingen die zijn opgenomen in MKR SA SEC en MKR SA CTP, wordt alleen in de Total-template van de MKR SA TDI gerapporteerd. De in die templates gerapporteerde eigenvermogensvereisten worden overgebracht naar, respectievelijk, cel {0325;0060} (securitisaties) en cel {0330;0060} (CTP).

161. De template wordt afzonderlijk ingevuld voor „Total”; daarnaast moet een vooraf bepaalde lijst van de volgende valuta worden verstrekt: EUR, ALL, BGN, CZK, DKK, EGP, GBP, HRK, HUF, ISK, JPY, MKD, NOK, PLN, RON, RUB, RSD, SEK, CHF, TRY, UAH, USD en een resttemplate voor alle overige valuta.

5.1.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 Dit zijn brutoposities die niet worden gesaldeerd door instrumenten, maar met uitsluiting van bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities (artikel 345, lid 1, eerste alinea, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013). Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030-0040

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Artikelen 327 tot en met 329 en artikel 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0050

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES

De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is.

0060

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Het kapitaalvereiste voor een bepaalde positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5.



Rijen

0010-0350

VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE

Posities in verhandelbare schuldinstrumenten in de handelsportefeuille en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor positierisico overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt b), i), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gerapporteerd naargelang de risicocategorie, looptijd en toegepaste benadering.

0011

ALGEMEEN RISICO

0012

Derivaten

Derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille, waarbij, in voorkomend geval, de artikelen 328 tot en met 331 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht worden genomen.

0013

Andere activa en verplichtingen

Instrumenten niet zijnde derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille.

0020-0200

BENADERING OP GROND VAN DE LOOPTIJD

Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan de benadering op grond van de looptijd overeenkomstig artikel 339, leden 1 tot en met 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig artikel 339, lid 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De positie wordt uitgesplitst in de zones 1, 2 en 3, en die zones worden zelf uitgesplitst naar de looptijd van de instrumenten.

0210-0240

ALGEMEEN RISICO BENADERING OP GROND VAN DE DURATION

Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan de benadering op grond van de duration overeenkomstig artikel 340, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten berekend overeenkomstig artikel 340, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De positie wordt uitgesplitst in de zones 1, 2 en 3.

0250

SPECIFIEK RISICO

De som van de bedragen die zijn gerapporteerd in de rijen 0251, 0325 en 0330.

Posities in verhandelbare schuldinstrumenten die zijn onderworpen aan kapitaalvereisten voor specifiek risico en de daarbij behorende kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt b), artikel 335, artikel 336, leden 1, 2 en 3, en de artikelen 337 en 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Houd ook rekening met de laatste zin van artikel 327, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0251-0321

Eigenvermogensvereiste voor niet-gesecuritiseerde schuldinstrumenten

De som van de bedragen die zijn gerapporteerd in de rijen 260 tot en met 321.

Het eigenvermogensvereiste van de nth-to-default kredietderivaten zonder externe rating wordt berekend door de risicogewichten van de referentie-entiteiten bij elkaar op te tellen (artikel 332, lid 1, punt e), en artikel 332, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 – „doorkijk”). Nth-to-default kredietderivaten met een externe rating (artikel 332, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013) worden afzonderlijk in lijn 321 gerapporteerd.

Rapportage van posities onderworpen aan artikel 336, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Obligaties die overeenkomstig artikel 129, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen voor een risicogewicht van 10 % in de niet-handelsportefeuille (gedekte obligaties), krijgen een aparte behandeling. De specifieke eigenvermogensvereisten bedragen de helft van het percentage van de tweede categorie van tabel 1 in artikel 336 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Die posities worden toegewezen aan de rijen 0280 tot en met 0300 volgens de resterende looptijd tot eindvervaldatum.

Indien het algemene risico van renteposities met een kredietderivaat wordt gehedged, worden de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegepast.

0325

Eigenvermogensvereiste voor securitisatie-instrumenten

Het totaal van de eigenvermogensvereisten gerapporteerd in kolom 0601 van template MKR SA SEC. Die totale eigenvermogensvereisten worden alleen op het niveau „Total” van MKR SA TDI gerapporteerd.

0330

Eigenvermogensvereiste voor de correlatiehandelsportefeuille

Het totaal van de eigenvermogensvereisten gerapporteerd in kolom 0450 van template MKR SA CTP. Die totale eigenvermogensvereisten worden uitsluitend op het niveau „Total” van de MKR SA TDI gerapporteerd.

0350-0390

AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S)

Artikel 329, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd uitgesplitst volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

5.2.   C 19.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO IN SECURITISATIES (MKR SA SEC)

5.2.1   Algemene opmerkingen

162. In deze template wordt gevraagd naar informatie over posities (alle/netto en long/short) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor de component specifiek risico van het positierisico in securitisaties/hersecuritisaties die in de handelsportefeuille worden ingenomen (niet in aanmerking komend voor de correlatiehandelsportefeuille) in het kader van de standaardbenadering.

163. De MKR SA SEC-template bevat het eigenvermogensvereiste uitsluitend voor het specifieke risico van securitisatieposities overeenkomstig artikel 335 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 337 van die verordening. Indien securitisatieposities in de handelsportefeuille met kredietderivaten worden gehedged, zijn de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Er is maar één template voor alle posities van de handelsportefeuille, ongeacht de benadering die instellingen toepassen om het risicogewicht voor elke positie te bepalen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De eigenvermogensvereisten van het algemene risico van die posities worden gerapporteerd in de MKR SA TDI-template of de MKR IM-template.

164. Voor posities die een risicogewicht van 1 250  % krijgen, bestaat de alternatieve mogelijkheid om deze af te trekken van het tier 1-kernkapitaal (zie artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245 lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Indien dat het geval is, worden die posities in rij 0460 van CA1 gerapporteerd.

5.2.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, junctis artikel 337 van die verordening (securitisatieposities). Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op die brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030-0040

(–) VAN HET EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050-0060

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Artikelen 327, 328, 329 en 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013 Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities, artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0061-0104

UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES NAAR RISICOGEWICHT

Artikelen 259 tot en met 262, artikel 263, tabellen 1 en 2, artikel 264, tabellen 3 en 4, en artikel 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013

De long- en shortposities worden afzonderlijk uitgesplitst.

0402-0406

UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING

Artikel 254 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0402

SEC-IRBA

Artikelen 259 en 260 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0403

SEC-SA

Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0404

SEC-ERBA

Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0405

INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA)

Artikelen 254 en 265 en artikel 266, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0900

SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES

Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0406

OVERIGE (RW = 1 250  %)

Artikel 254, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0530-0540

ALGEHEEL EFFECT (CORRECTIE) ALS GEVOLG VAN INBREUKEN OP HOOFDSTUK 2 VAN VERORDENING (EU) 2017/2402

Artikel 270 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013

0570

VÓÓR BEGRENZING

Artikel 337 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening voor instellingen om het product van het gewicht en de nettopositie te begrenzen op het grootst mogelijke met het verzuimrisico samenhangende verlies.

0601

NA BEGRENZING / TOTALE EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Artikel 337 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening.



Rijen

0010

TOTALE BLOOTSTELLINGEN

Totale bedrag aan uitstaande (in de handelsportefeuille aangehouden) securitisaties en hersecuritisaties gerapporteerd door de instelling in de rol van initiator of belegger of sponsor.

0040, 0070 en 0100

SECURITISATIEPOSITIES

Artikel 4, lid 1, punt 62, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0020, 0050, 0080 en 0110

HERSECURITISATIEPOSITIES

Artikel 4, lid 1, punt 64, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0041, 0071 en 0101

WAARVAN: IN AANMERKING KOMEND VOOR GEDIFFERENTIEERDE VERMOGENSBEHANDELING

Het totale bedrag aan securitisatieposities die aan de criteria van artikel 243 of artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen en die zodoende voor een gedifferentieerde vermogensbehandeling in aanmerking komen.

0030-0050

INITIATOR

Artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0060-0080

BELEGGER

Kredietinstelling die een securitisatiepositie inneemt in een securitisatietransactie waarvoor zij initiator, sponsor noch oorspronkelijke kredietverstrekker is.

0090-0110

SPONSOR

Artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een sponsor die tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa.

5.3.   C 20.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR SPECIFIEK RISICO VOOR AAN DE CORRELATIEHANDELSPORTEFEUILLE TOEGEWEZEN POSITIES (MKR SA CTP)

5.3.1   Algemene opmerkingen

165. In deze template wordt gevraagd naar informatie over posities in de correlatiehandelsportefeuille („CTP”) (bestaande uit securitisaties, nth-to-default kredietderivaten en andere overeenkomstig artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgenomen CTP-posities) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten in het kader van de standaardbenadering.

166. De MKR SA CTP-template bevat het eigenvermogensvereiste uitsluitend voor het specifieke risico van aan de CTP overeenkomstig artikel 335 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 338, leden 2 en 3, van die verordening toegewezen posities. Indien CTP-posities in de handelsportefeuille met kredietderivaten worden gehedged, zijn de artikelen 346 en 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing. Er is maar één template voor alle CTP-posities van de handelsportefeuille, ongeacht de benadering die instellingen toepassen om het risicogewicht voor elke positie te bepalen overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De eigenvermogensvereisten van het algemene risico van die posities worden gerapporteerd in de MKR SA TDI-template of de MKR IM-template.

167. In de template wordt onderscheiden tussen securitisatieposities, nth-to-default kredietderivaten en andere CTP-posities. Securitisatieposities worden steeds gerapporteerd in de rijen 0030, 0060 of 0090 (naargelang de rol van de instelling in de securitisatie). Nth-to-default kredietderivaten worden steeds gerapporteerd in lijn 0110. De „andere CTP-posities” zijn posities die noch securitisatieposities noch nth-to-default kredietderivaten zijn (zie artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013), maar zij zijn uitdrukkelijk „gekoppeld” (vanwege de beoogde hedge) aan een van die beide posities.

168. Voor posities die een risicogewicht van 1 250  % krijgen, bestaat de alternatieve mogelijkheid om deze af te trekken van het tier 1-kernkapitaal (zie artikel 244, lid 1, punt b), artikel 245, lid 1, punt b), en artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013). Indien dat het geval is, worden die posities in rij 0460 van CA1 gerapporteerd.

5.3.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, junctis artikel 338, leden 2 en 3 van die verordening (aan de correlatiehandelsportefeuille toegewezen posities).

Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030-0040

(–) VAN HET EIGEN VERMOGEN AFGETROKKEN POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 253 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050-0060

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Artikelen 327, 328, 329 en 334 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Zie, voor het onderscheid tussen long- en shortposities (dat eveneens van toepassing is op deze brutoposities), artikel 328, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0071-0097

UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIES NAAR RISICOGEWICHT

Artikelen 259 tot en met 262, artikel 263, tabellen 1 en 2, artikel 264, tabellen 3 en 4, en artikel 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0402-0406

UITSPLITSING VAN DE NETTOPOSITIE NAAR BENADERING

Artikel 254 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0402

SEC-IRBA

Artikelen 259 en 260 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0403

SEC-SA

Artikelen 261 en 262 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0404

SEC-ERBA

Artikelen 263 en 264 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0405

INTERNEBEOORDELINGSBENADERING (IAA)

Artikelen 254 en 265 en artikel 266, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0900

SPECIFIEKE BEHANDELING VOOR SENIOR SECURITISATIEPOSITIES VAN IN AANMERKING KOMENDE NPE-SECURITISATIES

Artikel 269 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0406

OVERIGE (RW = 1 250  %)

Artikel 254, punt 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0410-0420

VÓÓR BEGRENZING – GEWOGEN NETTO LONG-/SHORTPOSITIES

Artikel 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zonder inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening.

0430-0440

NA BEGRENZING – GEWOGEN NETTO LONG-/SHORTPOSITIES

Artikel 338 van Verordening (EU) nr. 575/2013 met inaanmerkingneming van de discretie uit artikel 335 van die verordening.

0450

TOTAAL EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Het eigenvermogensvereiste wordt bepaald als de grootste van beide waarden: i) het specifieke risicovereiste dat uitsluitend op de netto longposities van toepassing zou zijn (kolom 0430), of ii) het specifieke risicovereiste dat alleen op de netto shortposities van toepassing zou zijn (kolom 0440).



Rijen

0010

TOTALE BLOOTSTELLINGEN

Totale bedrag aan uitstaande (in de correlatiehandelsportefeuille aangehouden) posities gerapporteerd door de instelling in de rol van initiator, belegger of sponsor.

0020-0040

INITIATOR

Artikel 4, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050-0070

BELEGGER

Kredietinstelling die securitisatieposities inneemt in een securitisatietransactie waarvoor zij initiator, sponsor noch oorspronkelijke kredietverstrekker is.

0080-0100

SPONSOR

Artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Een sponsor die tevens zijn eigen activa securitiseert, vermeldt in de rijen voor de initiator de informatie over die gesecuritiseerde eigen activa.

0030, 0060 en 0090

SECURITISATIEPOSITIES

De correlatiehandelsportefeuille omvat securitisaties, nth-to-default kredietderivaten en eventueel andere hedgingposities die aan de in artikel 338, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven criteria voldoen.

Derivaten van securitisatieblootstellingen die een evenredig aandeel bieden, worden, evenals posities die dienen voor het hedgen van CTP-posities, opgenomen in de rij „Andere CTP-posities”.

0110

NTH-TO-DEFAULT KREDIETDERIVATEN

Nth-to-default kredietderivaten en nth-to-default kredietderivaten die deze hedgen, worden hier samen gerapporteerd overeenkomstig artikel 347 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De posities van initiator, belegger en sponsor zijn niet geschikt voor nth-to-default kredietderivaten. Bijgevolg is met betrekking tot securitisatieposities geen uitsplitsing mogelijk voor nth-to-default kredietderivaten.

0040, 0070, 0100 en 0120

ANDERE CTP-POSITIES

De volgende posities worden opgenomen:

— derivaten van securitisatieblootstellingen die een evenredig aandeel bieden, alsmede posities die dienen voor het hedgen van CTP-posities;

— CTP-posities die overeenkomstig artikel 346 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gehedged door kredietderivaten;

— Andere posities die aan artikel 338, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

5.4.   C 21.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERING VOOR POSITIERISICO IN AANDELEN (MKR SA EQU)

5.4.1   Algemene opmerkingen

169. In deze template wordt gevraagd naar informatie over de posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor positierisico in aandelen in de handelsportefeuille die volgens de standaardbenadering worden behandeld.

170. De template wordt afzonderlijk ingevuld voor „Total”; daarnaast moet een statische, vooraf bepaalde lijst van de volgende markten worden verstrekt: Bulgarije, Kroatië, Tsjechische Republiek, Denemarken, Egypte, Hongarije, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Polen, Roemenië, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Albanië, Japan, Noord-Macedonië, de Russische Federatie, Servië, Zwitserland, Turkije, Oekraïne, VS, de eurozone, plus één resttemplate voor alle overige markten. Voor de toepassing van dit rapportagevereiste moet „markt” worden gelezen als „land” (behalve voor landen die tot de eurozone behoren; zie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 525/2014 van de Commissie ( 9 )).

5.4.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 102 en artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Dit zijn brutoposities die niet worden gesaldeerd door instrumenten, maar met uitsluiting van bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities (artikel 345, lid 1, eerste alinea, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0030-0040

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Artikelen 327, 329, 332, 341 en 345 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES

De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is. Het kapitaalvereiste wordt voor elke nationale markt apart berekend. Posities in aandelenindexfutures als bedoeld in artikel 344, lid 4, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden niet in deze kolom opgenomen.

0060

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Het eigenvermogensvereiste overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5.



Rijen

0010-0130

AANDELEN IN DE HANDELSPORTEFEUILLE

Eigenvermogensvereisten voor positierisico als bedoeld in artikel 92, lid 3, punt b), i), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020-0040

ALGEMEEN RISICO

Posities in aandelen die aan algemeen risico onderhevig zijn (artikel 343 van Verordening (EU) nr. 575/2013), en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 3, van die verordening.

Beide uitsplitsingen (rijen 0021/0022 en rijen 0030/0040) zijn een uitsplitsing van alle aan algemeen risico onderworpen posities.

In de rijen 0021 en 0022 wordt naar informatie over de uitsplitsing naar instrumenten gevraagd.

Uitsluitend de uitsplitsing in de rijen 0030 en 0040 dient als uitgangspunt voor de berekening van eigenvermogensvereisten.

0021

Derivaten

Derivaten die zijn opgenomen in de berekening van renterisico van posities in de handelsportefeuille, waarbij, in voorkomend geval, de artikelen 329 en 332 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht worden genomen.

0022

Andere activa en verplichtingen

Instrumenten niet zijnde derivaten die zijn opgenomen in de berekening van aandelenrisico van posities in de handelsportefeuille.

0030

Beursverhandelde aandelenindexfutures die ruim zijn gediversifieerd en aan een specifieke benadering zijn onderworpen

Beursverhandelde aandelenindexfutures die ruim zijn gediversifieerd en aan een specifieke benadering zijn onderworpen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2014 van de Commissie (1).

Die posities zijn uitsluitend aan algemeen risico onderhevig en hoeven derhalve niet te worden gerapporteerd in rij 0050.

0040

Aandelen niet zijnde ruim gediversifieerde beursverhandelde aandelenindexfutures

Andere posities in aandelen die aan specifiek risico onderhevig zijn, alsmede de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 343 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van overeenkomstig artikel 344, lid 3, van die verordening behandelde posities in aandelenindexfutures.

0050

SPECIFIEK RISICO

Posities in aandelen die aan specifiek risico onderhevig zijn, en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 342 van Verordening (EU) nr. 575/2013, met uitsluiting van overeenkomstig artikel 344, lid 4, tweede zin, van die verordening behandelde posities in aandelenindexfutures.

0090-0130

AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S)

Artikel 329, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

(1)   

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2014 van de Commissie van 4 september 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot relevante passend gediversifieerde indexen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 265 van 5.9.2014, blz. 3).

5.5.   C 22.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR VALUTARISICO (MKR SA FX)

5.5.1   Algemene opmerkingen

171. De instellingen rapporteren informatie over de posities in elke valuta (met inbegrip van de rapportagevaluta) en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valutarisico, behandeld volgens de standaardbenadering. De positie wordt berekend voor elke valuta (met inbegrip van de euro), goud en posities in icb’s.

172. De rijen 0100 tot en met 0480 van deze template worden gerapporteerd ook al zijn instellingen niet verplicht om overeenkomstig artikel 351 van Verordening (EU) nr. 575/2013 eigenvermogenvereisten voor valutarisico te berekenen. In die pro-memorieposten worden alle posities in de rapportagevaluta opgenomen, ongeacht de vraag of zij voor de toepassing van artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen. De rijen 0130 tot en met 0480 van de pro-memorieposten van de template worden afzonderlijk ingevuld voor alle valuta van de lidstaten van de Unie, de valuta GBP, USD, CHF, JPY, RUB, TRY, AUD, CAD, RSD, ALL, UAH, MKD, EGP, ARS, BRL, MXN, HKD, ICK, TWD, NZD, NOK, SGD, KRW, CNY en alle overige valuta.

5.5.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0020-0030

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Brutoposities als gevolg van activa, te ontvangen bedragen en vergelijkbare in artikel 352, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde posten.

Overeenkomstig artikel 352, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met inachtneming van toestemming van de bevoegde autoriteiten, worden posities die zijn ingenomen om het negatieve effect van de wisselkoers op hun ratio’s te hedgen overeenkomstig artikel 92, lid 1, van die verordening, en posities betreffende posten die bij de berekening van het eigen vermogen reeds zijn afgetrokken, niet gerapporteerd.

0040-0050

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Artikel 352, lid 3, artikel 352, lid 4, eerste twee zinnen, en artikel 353 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De nettoposities worden voor elke valuta berekend overeenkomstig artikel 352, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Dit betekent dat long- en shortposities tegelijkertijd mogen worden gerapporteerd.

0060-0080

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES

Artikel 352, lid 4, derde zijn, en artikelen 353 en 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0060-0070

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES (LONG EN SHORT)

De netto long- en shortposities worden per valuta berekend door het totaal aan shortposities af te trekken van het totaal aan longposities.

De netto longposities voor elke transactie in een valuta worden opgeteld, om de netto longpositie in die valuta te verkrijgen.

De netto shortposities voor elke transactie in een valuta worden opgeteld, om de netto shortpositie in die valuta te verkrijgen.

Niet-gematchte posities in niet-rapportagevaluta worden bij aan kapitaalvereisten voor andere valuta onderworpen posities (rij 030) opgeteld in kolom 060 of 070, naargelang de regeling short of long is.

0080

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES (GEMATCHT)

Gematchte posities voor nauw gecorreleerde valuta.

0090

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Het kapitaalvereiste voor een toepasselijke positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0100

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5.



Rijen

0010

TOTAAL POSITIES

Alle posities in niet-rapportagevaluta en de posities in de rapportagevaluta die voor de toepassing van artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking worden genomen, alsmede de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor het in artikel 92, lid 3, punt c), i), bedoelde valutarisico, rekening houdende met artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (voor omrekening naar de rapportagevaluta).

0020

NAUW GECORRELEERDE VALUTA

Posities en de bijbehorende eigenvermogensvereisten voor in artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde nauw gecorreleerde valuta.

0025

Nauw gecorreleerde valuta waarvan: rapportagevaluta

Posities in de rapportagevaluta die bijdragen in de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 354 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030

ALLE OVERIGE VALUTA (met inbegrip van als andere valuta behandelde icb’s)

Posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valuta die aan de algemene procedure van artikel 351 en artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn onderworpen.

Rapportage van als afzonderlijke valuta behandelde icb’s overeenkomstig artikel 353 Verordening (EU) nr. 575/2013:

Er zijn twee verschillende behandelingen van icb’s als afzonderlijke valuta voor het berekenen van de kapitaalvereisten:

1.  De gewijzigde behandeling van goud, indien de richting van de icb-belegging niet beschikbaar is (die icb’s moeten worden opgeteld bij de totale nettovalutapositie van een instelling).

2.  Indien de richting van de icb-belegging wel beschikbaar is, worden die icb’s opgeteld bij de totale openstaande valutapositie (long of short, naargelang de richting van de icb).

De rapportage van die icb’s volgt de berekening van de kapitaalvereisten.

0040

GOUD

Posities en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor valuta die aan de algemene procedure van artikel 351 en artikel 352, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn onderworpen.

0050-0090

AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S)

Artikel 352, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd uitgesplitst volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

0100-0120

Uitsplitsing van totale posities (rapportagevaluta inbegrepen) naar soort blootstelling

De totale posities worden uitgesplitst naar derivaten, andere activa en verplichtingen, en posten buiten de balanstelling.

0100

Andere activa en verplichtingen niet zijnde posten buiten de balanstelling en derivaten

Posities die niet in rij 0110 of rij 0120 zijn opgenomen, worden hier vermeld.

0110

Posten buiten de balanstelling

Posten die onder artikel 352 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, ongeacht de valuta waarin zij luiden, en die in bijlage I bij die verordening zijn opgenomen, behalve die welke zijn opgenomen als effectenfinancieringstransacties en transacties met afwikkeling op lange termijn of die voortvloeien uit contractuele productoverschrijdende nettering.

0120

Derivaten

Posities gewaardeerd overeenkomstig artikel 352 van Verordening (EU) nr. 575/2013

0130-0480

PRO-MEMORIEPOSTEN: VALUTAPOSITIES

De pro-memorieposten van de template worden apart ingevuld voor alle valuta van de lidstaten van de Unie, voor de valuta GBP, USD, CHF, JPY, RUB, TRY, AUD, CAD, RSD, ALL, UAH, MKD, EGP, ARS, BRL, MXN, HKD, ICK, TWD, NZD, NOK, SGD, KRW, CNY en alle overige valuta.

5.6.   C 23.00 – MARKTRISICO: STANDAARDBENADERINGEN VOOR GRONDSTOFFEN (MKR SA COM)

5.6.1   Algemene opmerkingen

173. In deze template wordt gevraagd naar informatie over de posities in grondstoffen en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten, behandeld volgens de standaardbenadering.

5.6.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0020

ALLE POSITIES (LONG EN SHORT)

Bruto long-/shortposities die overeenkomstig artikel 357, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden beschouwd als posities in dezelfde grondstof (zie ook artikel 359, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013).

0030-0040

NETTOPOSITIES (LONG EN SHORT)

Overeenkomstig de definitie in artikel 357, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0050

AAN EEN KAPITAALVEREISTE ONDERWORPEN POSITIES

De nettoposities waarop overeenkomstig de verschillende in deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven benaderingen een kapitaalvereiste van toepassing is.

0060

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Het eigenvermogensvereiste voor een toepasselijke positie overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5.



Rijen

0010

TOTAAL POSITIES IN GRONDSTOFFEN

Posities in grondstoffen en de daarbij behorende eigenvermogensvereisten voor marktrisico overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt c), iii), en deel drie, titel IV, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0020-0060

POSITIES NAAR CATEGORIE GRONDSTOFFEN

Ten behoeve van de rapportage worden grondstoffen ingedeeld in de vier groepen grondstoffen die in tabel 2 in artikel 361 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden genoemd.

0070

BENADERING OP GROND VAN LOOPTIJDKLASSEN

Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de benadering op grond van looptijdklassen als bedoeld in artikel 359 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080

UITGEBREIDE BENADERING OP GROND VAN LOOPTIJDKLASSEN

Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen als bedoeld in artikel 361 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0090

VEREENVOUDIGDE BENADERING

Posities in grondstoffen die zijn onderworpen aan de vereenvoudigde benadering als bedoeld in artikel 360 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0100-0140

AANVULLENDE VEREISTEN VOOR OPTIES (NIET-DELTARISICO’S)

Artikel 358, punt 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De aanvullende vereisten voor opties in verband met niet-deltarisico’s worden gerapporteerd volgens de voor de berekening ervan gevolgde methode.

5.7.   C 24.00 – INTERNE MODELLEN VOOR MARKTRISICO (MKR IM)

5.7.1   Algemene opmerkingen

174. Deze template bevat een uitsplitsing van de cijfers van de VaR en de stressed VaR (sVaR) naar de verschillende marktrisico’s (schuld, aandelen, valuta, grondstoffen) en andere voor de berekening van de eigenvermogensvereisten relevante informatie.

175. In de regel hangt de rapportage af van de structuur van het model van de instellingen, d.w.z. of de cijfers voor algemeen en specifiek risico afzonderlijk of gezamenlijk kunnen worden bepaald en gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor de uitsplitsing van de VaR/stressed VaR naar risicocategorie (renterisico, aandelenrisico, grondstoffenrisico en valutarisico). Een instelling kan afzien van rapportage van die uitsplitsingen als zij aantoont dat rapportage van die cijfers te belastend zou zijn.

5.7.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0030-0040

Value at Risk (VaR)

Value-at-Risk (VaR) is het grootste potentiële verlies dat met een gegeven waarschijnlijkheid over een bepaalde tijdhorizon zou ontstaan door een prijsverandering.

0030

Vermenigvuldigingsfactor (mc) x gemiddelde VaR van voorgaande 60 werkdagen (VaRavg)

Artikel 364, lid 1, punt a), ii), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0040

VaR voorgaande dag (VaRt-1)

Artikel 364, lid 1, punt a), i), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0050-0060

Stressed VaR

Stressed-Value-at-Risk (sVaR) is het grootste potentiële verlies dat met een gegeven waarschijnlijkheid over een bepaalde tijdhorizon zou ontstaan door een prijsverandering, verkregen met aan de hand van historische gegevens geijkte input uit een ononderbroken periode van twaalf maanden van voor de portefeuille van die instelling relevante financiële stress.

0050

Vermenigvuldigingsfactor (ms) x gemiddelde van voorgaande 60 werkdagen (sVaRavg)

Artikel 364, lid 1, punt b), ii), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0060

Meest recent beschikbare (sVaRt-1)

Artikel 364, lid 1, punt b), i), en artikel 365, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070-0080

KAPITAALVEREISTE VOOR ADDITIONEEL WANBETALINGSRISICO EN MIGRATIERISICO

Kapitaalvereiste voor additioneel wanbetalingsrisico en voor migratierisico is het grootste potentiële verlies dat zou ontstaan door een prijsverandering in verband met wanbetalingsrisico en migratierisico berekend overeenkomstig artikel 364, lid 2, punt b), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

Gemiddelde waarde over de voorgaande twaalf weken

Artikel 364, lid 2, punt b), ii), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0080

Meest recente waarde

Artikel 364, lid 2, punt b), i), juncto deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0090-0110

KAPITAALVEREISTE VOOR ALLE PRIJSRISICO’S VOOR CTP

0090

ONDERGRENS

Artikel 364, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

8 % van het kapitaalvereiste dat overeenkomstig artikel 338, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zou zijn berekend voor alle posities in het kapitaalvereiste „alle prijsrisico’s”.

0100-0110

GEMIDDELDE OVER DE VOORGAANDE TWAALF WEKEN EN MEEST RECENTE WAARDE

Artikel 364, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0110

MEEST RECENTE WAARDE

Artikel 364, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0120

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 364 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verband met alle risicofactoren, rekening houdende met correlatie-effecten (indien van toepassing), plus additioneel wanbetalings- en migratierisico en alle prijsrisico’s voor CTP, maar niet met de kapitaalvereisten voor securitisatie en nth-to-default kredietderivaten overeenkomstig artikel 364, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0130

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De uitkomst van de vermenigvuldiging van de eigenvermogensvereisten met 12,5.

0140

Aantal overschrijdingen (tijdens voorgaande 250 werkdagen)

Bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Het aantal overschrijdingen op basis waarvan het optelgetal wordt bepaald, wordt gerapporteerd. Indien het instellingen is toegestaan bepaalde overschrijdingen uit te sluiten van de berekening van de opslagfactor overeenkomstig artikel 500 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, is het aantal in deze kolom gerapporteerde overschrijdingen exclusief die uitgesloten overschrijdingen.

0150-0160

VaR-vermenigvuldigingsfactor (mc) en sVaR-vermenigvuldigingsfactor (ms)

Als bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De vermenigvuldigingsfactoren die daadwerkelijk van toepassing zijn voor de berekening van eigenvermogensvereisten worden gerapporteerd; in voorkomend geval, na toepassing van artikel 500 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0170-0180

GESTELD VEREISTE VOOR CTP-ONDERGRENS– GEWOGEN NETTO LONG/SHORTPOSITIES NA BEGRENZING

Het bedrag dat wordt gerapporteerd en dient als basis voor het berekenen van de ondergrens voor het kapitaalvereiste voor alle prijsrisico’s overeenkomstig artikel 364, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdende met de discretie van artikel 335 van die verordening waarbij de instelling het product van het gewicht en de nettopositie mag begrenzen op het maximaal mogelijke met het wanbetalingsrisico samenhangende verlies.



Rijen

0010

TOTAAL POSITIES

Betreft het deel van de in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positie-, valuta- en grondstoffenrisico’s in verband met de in artikel 367, lid 2, van die verordening beschreven risicofactoren.

Ten aanzien van de kolommen 0030 tot en met 0060 (VaR en stressed VaR) zijn de cijfers in de rij „totaal” niet gelijk aan de uitsplitsing van de cijfers voor de VaR/stressed VaR van de betrokken risicocomponenten.

0020

VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN (TDI’s)

Betreft het deel van het in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positierisico in verband met de in artikel 367, lid 2, punt a), van die verordening beschreven renterisicofactoren.

0030

TDI – ALGEMEEN RISICO

De component „algemeen risico” als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

TDI – SPECIFIEK RISICO

De component „specifiek risico” als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0050

AANDELEN

Betreft het deel van het in artikel 363, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde positierisico in verband met de in artikel 367, lid 2, punt c), van die verordening beschreven aandelenrisicofactoren.

0060

AANDELEN – ALGEMEEN RISICO

De component „algemeen risico” als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0070

AANDELEN – SPECIFIEK RISICO

De component „specifiek risico” als bedoeld in artikel 362 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0080

VALUTARISICO

Artikel 363, lid 1, en artikel 367, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0090

GRONDSTOFFENRISICO

Artikel 363, lid 1, en artikel 367, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0100

TOTAALBEDRAG VOOR ALGEMEEN RISICO

Marktrisico dat het gevolg is van algemene marktontwikkelingen van verhandelbare schuldinstrumenten, aandelen, valuta en grondstoffen. VaR voor algemeen risico van alle risicofactoren (rekening houdende met correlatie-effecten, indien van toepassing).

0110

TOTAALBEDRAG VOOR SPECIFIEK RISICO

De component „specifiek risico” van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen. VaR voor specifiek risico van aandelen en verhandelbare schuldinstrumenten van de handelsportefeuille (rekening houdende met correlatie-effecten, indien van toepassing).

5.8.   C 25.00 – RISICO VAN AANPASSING VAN KREDIETWAARDERING (CVA)

5.8.1   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

Blootstellingswaarde

Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382 van die verordening.

Totale blootstelling bij wanbetaling (EAD) uit alle aan CVA-vereiste onderworpen transacties.

0020

Waarvan: Otc-derivaten

Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382, lid 1, van die verordening.

Het uitsluitend uit otc-derivaten voortkomende deel van de totale blootstelling aan tegenpartijkredietrisico. Deze informatie wordt niet gevraagd van instellingen die de internemodellenmethode (IMM) toepassen en otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) aanhouden in dezelfde netting set.

0030

Waarvan: Effectenfinancieringstransacties (SFT’s)

Artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 382, lid 2, van die verordening.

Het uitsluitend uit SFT-derivaten voortkomende deel van de totale blootstelling aan tegenpartijkredietrisico. Deze informatie wordt niet gevraagd van instellingen die de internemodellenmethode (IMM) toepassen en otc-derivaten en effectenfinancieringstransacties (SFT’s) aanhouden in dezelfde netting set.

0040

VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (mc) x GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (VaRavg)

Artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013, juncto artikel 363, lid 1, punt d), van die verordening.

VaR-berekening op basis van interne modellen voor marktrisico.

0050

VOORGAANDE DAG (VaRt-1)

Zie de instructies voor kolom 0040.

0060

VERMENIGVULDIGINGSFACTOR (ms) × GEMIDDELDE VAN VOORGAANDE 60 WERKDAGEN (sVaRavg)

Zie de instructies voor kolom 0040.

0070

MEEST RECENT BESCHIKBARE (sVaRt-1)

Zie de instructies voor kolom 0040.

0080

EIGENVERMOGENSVEREISTEN

Artikel 92, lid 3, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico, berekend met de gekozen methode.

0090

TOTAAL RISICOPOSTEN

Artikel 92, lid 4, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Eigenvermogensvereisten vermenigvuldigd met 12,5.

 

Pro-memorieposten

0100

Aantal tegenpartijen

Artikel 382 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Aantal tegenpartijen dat is opgenomen in de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico.

Tegenpartijen zijn een subgroep van debiteuren. Zij komen alleen voor bij derivatentransacties of effectenfinancieringstransacties en zijn dan de tegenpartij bij de overeenkomst.

0110

Waarvan: creditspread is bepaald aan de hand van een vervangende waarde

Aantal tegenpartijen waarbij de creditspread is bepaald aan de hand van een vervangende waarde in plaats van rechtstreeks waargenomen marktgegevens.

0120

AANGEGANE CVA

Boekhoudkundige voorzieningen in verband met verlaagde kredietwaardigheid van tegenpartijen bij derivatentransacties.

0130

SINGLE-NAME-KREDIETVERZUIMSWAPS

Artikel 386, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Totaal van notionele bedragen van single-name-kredietverzuimswaps gebruikt als hedge van CVA-risico.

0140

INDEX-KREDIETVERZUIMSWAPS

Artikel 386, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Totaal van notionele bedragen van index-kredietverzuimswaps gebruikt als hedge van CVA-risico.



Rijen

0010

Totaal CVA-risico

Som van de kolommen 0020-0040.

0020

Geavanceerde methode

Geavanceerde methode voor CVA-risico zoals voorgeschreven door artikel 383 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0030

Standaardmethode

Standaardmethode voor CVA-risico zoals voorgeschreven door artikel 384 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0040

Op basis van de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OEM)

Met inachtneming van de uitzonderingen van artikel 385 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

6.   PRUDENTE WAARDERING (PRUVAL)

6.1.   C 32.01 – PRUDENTE WAARDERING: TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN (PRUVAL 1)

6.1.1   Algemene opmerkingen

176. Deze template wordt door alle instellingen ingevuld, ongeacht of zij voor de vereenvoudigde benadering voor het bepalen van aanvullende waardeaanpassingen („AWA’s”) hebben gekozen. Deze template betreft de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die wordt gebruikt om te bepalen of de in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de Commissie ( 10 ) vastgestelde voorwaarden voor het gebruik van de vereenvoudigde benadering voor het bepalen van AWA’s, zijn vervuld.

177. Met betrekking tot instellingen die de vereenvoudigde benadering gebruiken, bevat deze template de totale overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen af te trekken AWA zoals bepaald in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101; deze wordt dienovereenkomstig gerapporteerd in rij 0290 van C 01.00.

6.1.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN

De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, vóór enige aftrek op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0020

WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE

De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals gerapporteerd in 010, die overeenkomt met in de handelsportefeuille ingenomen posities.

0030-0070

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN, UITGESLOTEN WEGENS GEDEELTELIJKE INVLOED OP HET TIER 1-KERNKAPITAAL

De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten.

0030

EXACTE MATCH

Tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren, worden overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uitgesloten.

0040

HEDGE ACCOUNTING

Voor posities die conform het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving aan hedge accounting zijn onderworpen, de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die op grond van artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten in verhouding tot het effect van de desbetreffende waarderingswijziging op het tier 1-kernkapitaal.

0050

PRUDENTIËLE FILTERS

De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten wegens de in de artikelen 467 en 468 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde prudentiële overgangsfilters.

0060

OVERIGE

Alle overige posities die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden uitgesloten omdat aanpassingen aan hun boekhoudkundige waardering slechts proportioneel op het tier 1-kernkapitaal van invloed zijn.

Deze rij wordt alleen ingevuld in de zeldzame gevallen waarin overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uitgesloten elementen niet aan de kolommen 0030, 0040 of 0050 van deze template kunnen worden toegewezen.

0070

OPMERKING VOOR OVERIGE

Hier worden de voornaamste redenen vermeld waarom de in kolom 0060 gerapporteerde posities zijn uitgesloten.

0080

IN DE IN ARTIKEL 4, LID 1, GENOEMDE DREMPEL BEGREPEN TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN

De absolute waarde van de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die daadwerkelijk in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel zijn begrepen.

0090

WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE

De absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen, zoals gerapporteerd in kolom 0080, die overeenkomt met in de handelsportefeuille ingenomen posities.



Rijen

0010-0210

De definities van deze categorieën komen overeen met die van de overeenkomstige rijen van de FINREP-templates 1.1 en 1.2.

0010

1 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN

Totaal van de in de rijen 0020 tot en met 0210 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen.

0020

1.1 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA

Totaal van de in de rijen 0030 tot en met 0140 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde activa.

De desbetreffende cellen van de rijen 0030 tot en met 0130 worden gerapporteerd in lijn met FINREP-template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening, naargelang de toepasselijke standaarden van de instelling:

— IFRS zoals bekrachtigd door de Unie uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (1) („EU IFRS”);

— met de EU IFRS verenigbare nationale standaarden voor jaarrekeningen („met IFRS verenigbare nationale GAAP”); of

— Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ((FINREP „Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad”).

0030

1.1.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE ACTIVA

IFRS 9, Bijlage A.

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0050 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0040

1.1.2. FINANCIËLE ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN

Artikelen 32 en 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; deel 1.17 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met de tegen reële waarde gewaardeerde activa die zijn opgenomen in de waarde die in rij 0091 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening wordt gerapporteerd.

0050

1.1.3 VERPLICHT TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES

IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9.4.1.4.

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0096 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0060

1.1.4 FINANCIËLE ACTIVA DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN

IFRS 7.8(a)(i); IFRS 9.4.1.5; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0100 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0070

1.1.5 TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE ACTIVA MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN DE OVERIGE ONDERDELEN VAN HET TOTAALRESULTAAT

IFRS 7.8(h); IFRS 9.4.1.2A.

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0141 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0080

1.1.6 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES

Artikel 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0171 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0090

1.1.7 NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN DIE TEGEN REËLE WAARDE ZIJN GEWAARDEERD MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN HET EIGEN VERMOGEN

Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 8, van Richtlijn 2013/34/EU

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0175 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0100

1.1.8 OVERIGE NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN

Artikelen 37 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 12, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1.20 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met de tegen reële waarde gewaardeerde activa die zijn opgenomen in de waarde die in rij 0234 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening wordt gerapporteerd.

0110

1.1.9 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING

IFRS 9.6.2.1; deel 1.22 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, leden 6 en 8, van Richtlijn 2013/34/EU; IAS 39.9

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0240 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0120

1.1.10 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN GEHEDGDE POSITIES BIJ HEDGE VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE

IAS 39.89A(a); IFRS 9.6.5.8; artikel 8, leden 5 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (2). De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0250 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0130

1.1.11 DEELNEMINGEN IN DOCHTERONDERNEMINGEN, JOINT VENTURES EN GEASSOCIEERDE DEELNEMINGEN

IAS 1.54(e); de delen 1.21 en 2.4 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 4, punten 7 en 8, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2013/34/EU

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0260 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0140

1.1.12 (–) REDUCTIEFACTOREN VOOR ACTIVA VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE

Deel 1.29 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0375 van template F 01.01 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0142

1.1.13 ANDERE ACTIVA

Activa als bedoeld in de punten 5 en 6 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd.

0143

1.1.14 ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE VASTE ACTIVA EN GROEPEN ACTIVA DIE WORDEN AFGESTOTEN

Activa als bedoeld in punt 7 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd.

0150

1.2 TOTAAL TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN

Totaal van de in de rijen 0160 tot en met 0210 gerapporteerde tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen.

De desbetreffende cellen van de rijen 0150 tot en met 0190 worden gerapporteerd in lijn met FINREP-template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening, naargelang de toepasselijke standaarden van de instelling:

— IFRS zoals bekrachtigd door de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 1606/2002 („EU IFRS”);

— met de EU IFRS verenigbare nationale standaarden voor jaarrekeningen („met IFRS verenigbare nationale GAAP”);

— of Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ((FINREP „Nationale GAAP op basis van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad”).

0160

1.2.1 VOOR HANDELSDOELEINDEN AANGEHOUDEN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN

IFRS 7.8(e)(ii); IFRS 9.BA.6.

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0010 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0170

1.2.2. FINANCIËLE VERPLICHTINGEN VOOR HANDELSDOELEINDEN

Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, leden 3 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0061 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0180

1.2.3 FINANCIËLE VERPLICHTINGEN DIE ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES ZIJN AANGEWEZEN

IFRS 7.8(e)(i); IFRS 9.4.2.2; artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU; IAS 39.9.

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0070 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0190

1.2.4 DERIVATEN – HEDGE ACCOUNTING

IFRS 9.6.2.1; deel 1.26 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), artikel 8, lid 6, en artikel 8, lid 8, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0150 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0200

1.2.5 VERANDERINGEN IN REËLE WAARDE VAN GEHEDGDE POSITIES BIJ HEDGING VAN HET RENTERISICO VAN EEN PORTEFEUILLE

IAS 39.89A(b), IFRS 9.6.5.8; artikel 8, leden 5 en 6, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 2.8 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0160 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0210

1.2.6 REDUCTIEFACTOREN VOOR VERPLICHTINGEN VOOR HANDELSDOELEINDEN TEGEN REËLE WAARDE

Deel 1.29 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

De in deze rij gerapporteerde informatie stemt overeen met rij 0295 van template F 01.02 van de bijlagen III en IV bij deze uitvoeringsverordening.

0220

1.2.7 ANDERE VERPLICHTINGEN

Verplichtingen als bedoeld in de punt 13 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd.

0230

1.2.8 VERPLICHTINGEN DIE DEEL UITMAKEN VAN ALS AANGEHOUDEN VOOR VERKOOP GECLASSIFICEERDE GROEPEN DIE WORDEN AFGESTOTEN

Verplichtingen als bedoeld in de punt 14 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, voor zover zij tegen reële waarde worden gewaardeerd.

(1)   

Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(2)   

Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

6.2.   C 32.02 – PRUDENTE WAARDERING: KERNBENADERING (PRUVAL 2)

6.2.1   Algemene opmerkingen

178. Deze template dient om informatie te verstrekken over de samenstelling van de totale overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen af te trekken AWA, alsmede relevante informatie over de boekhoudkundige waardering van de posities waarvoor AWA’s worden vastgesteld.

179. Deze template wordt ingevuld door alle instellingen die:

a) 

de kernbenadering moeten gebruiken omdat zij hetzij op individuele basis hetzij op geconsolideerde basis de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel overschrijden, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, van die verordening; of

b) 

ervoor hebben gekozen de kernbenadering toe te passen hoewel zij de drempel niet overschrijden.

180. Ten behoeve van deze template wordt onder „opwaartse onzekerheid” verstaan: Zoals bepaald in artikel 8, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, worden AWA’s berekend als het verschil tussen de reële waarde en een prudente waardering, op basis van een zekerheid van 90 % dat de instelling binnen de notionele range van plausibele waarden op dat punt (of beter) de blootstelling kan verlaten. De opwaartse waarde of „opwaartse onzekerheid” is het tegenovergestelde punt in de distributie van plausibele waarden waarop de instelling slechts met een zekerheid van 10 % op dat punt (of beter) de blootstelling kan verlaten. De opwaartse onzekerheid wordt berekend en geaggregeerd op dezelfde basis als de totale AWA, doch met substitutie van het bij het vaststellen van de totale AWA gebruikte zekerheidsniveau van 90 % door een zekerheidsniveau van 10 %.

6.2.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0010-0100

AWA’S OP CATEGORIENIVEAU

De AWA’s op categorieniveau voor onzekerheid van de marktprijzen, close-out-kosten, modelrisico, geconcentreerde posities, toekomstige administratiekosten, vervroegde beëindiging en operationele risico’s worden berekend zoals beschreven in, respectievelijk, de artikelen 9, 10, 11, en 14 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

Voor de categorieën onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, waarvoor diversificatievoordeel geldt zoals bepaald in, respectievelijk, artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, worden AWA’s op categorieniveau, tenzij anders bepaald, gerapporteerd als de eenvoudige som van de individuele AWA’s vóór diversificatievoordeel [aangezien de diversificatievoordelen die worden berekend volgens methode 1 of methode 2 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, in de posten 1.1.2, 1.1.2.1 en 1.1.2.2 van de template worden gerapporteerd].

Voor de categorieën onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico worden de bedragen die zijn berekend volgens de op deskundigenopinies gebaseerde benadering, als bedoeld in artikel 9, lid 5, punt b), artikel 10, lid 6, punt b), en artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, afzonderlijk gerapporteerd in de kolommen 0020, 0040 en 0060.

0010

ONZEKERHEID VAN DE MARKTPRIJZEN

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen berekend overeenkomstig artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0020

WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING

AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen berekend overeenkomstig artikel 9, lid 5, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0030

CLOSE-OUTKOSTEN

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met close-outkosten berekend overeenkomstig artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0040

WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING

AWA’s in verband met close-outkosten berekend overeenkomstig artikel 10, lid 6, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0050

MODELRISICO

Artikel 105, punt 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met modelrisico berekend overeenkomstig artikel 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0060

WAARVAN: BEREKEND VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING

AWA’s in verband met modelrisico berekend overeenkomstig artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0070

GECONCENTREERDE POSITIES

Artikel 105, lid 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met geconcentreerde posities berekend overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0080

TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEKOSTEN

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met toekomstige administratiekosten berekend overeenkomstig artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0090

VERVROEGDE BEËINDIGING

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met vervroegde beëindiging berekend overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0100

OPERATIONEEL RISICO

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013

AWA’s in verband met operationeel risico berekend overeenkomstig artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0110

TOTALE AWA

Rij 0010: Totale AWA die overeenkomstig de artikelen 34 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het eigen vermogen moet worden afgetrokken, en dienovereenkomstig in rij 0290 van C 01.00 wordt gerapporteerd. De totale AWA is de som van de rijen 0030 en 0180.

Rij 0020: Aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale AWA afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde).

De rijen 0030 tot en met 0160: Som van de kolommen 0010, 0030, 0050 en 0070 tot en met 0100.

De rijen 0180 tot en met 0210: Totale AWA afkomstig van portefeuilles volgens de fall-backbenadering.

0120

OPWAARTSE ONZEKERHEID

Artikel 8, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

De opwaartse onzekerheid wordt berekend en geaggregeerd op dezelfde basis als de in kolom 0110 berekende totale AWA, doch met substitutie van het bij het bepalen van de totale AWA gebruikte zekerheidsniveau van 90 % door een zekerheidsniveau van 10 %.

0130-0140

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomt met de in de rijen 0010 tot en met 0130 en rij 0180 gerapporteerde AWA-bedragen. Voor sommige rijen, en met name de rijen 0090 tot en met 0130, kunnen deze bedragen bij benadering worden vastgesteld of op basis van een deskundigenopinie worden toegewezen.

Rij 0010: De totale absolute waarde van de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel zijn begrepen. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd.

Rij 0010 is de som van rij 0030 en rij 0180.

Rij 0020: Aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde).

Rij 0030: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenstemt met de in de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde portefeuilles. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd. Rij 0030 is de som van de rijen 0090 tot en met 0130.

Rij 0050: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van AWA’s in verband met unearned credit spreads. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren.

Rij 0060: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren.

Rij 0070: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die geacht worden een in artikel 9, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde AWA-waarde nul te hebben.

Rij 0080: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die geacht worden een in artikel 10, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 bedoelde AWA-waarde nul te hebben.

De rijen 0090 tot en met 0130: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zoals hieronder uiteengezet (zie de instructies rijen voor de desbetreffende rijen) zijn toegewezen volgens de onderstaande risicocategorieën: rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen. Dat omvat de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen waarvan de AWA’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 worden geacht een waarde nul te hebben, die ook afzonderlijk in de rijen 0070 en 0080 worden gerapporteerd.

Rij 0180: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomt met de portefeuilles volgens de fall-backbenadering.

0130

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa die overeenkomt met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven.

0140

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen die overeenkomt met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven.

0150

QTD-INKOMSTEN

De inkomsten van het lopende kwartaal („QTD-inkomsten”) sinds de laatste rapportagedatum die zijn toegewezen aan de tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de verschillende rijen zoals uiteengezet in de instructies voor de kolommen 0130-0140 hierboven, indien nodig toegewezen of bij benadering vastgesteld op basis van een deskundigenopinie.

0160

IPV-VERSCHIL

De som voor alle posities en risicofactoren van niet-gecorrigeerde verschillen („IPV-verschil”) berekend aan het einde van de maand die het dichtst bij de rapportagedatum ligt, bij de onafhankelijke prijsverificatie (independent price verification – IPV) overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor de betrokken positie of risicofactor.

Niet-gecorrigeerde verschillen betreffen niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd.

Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boeken en bescheiden van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen.

0170-0250

AANPASSINGEN REËLE WAARDE

Aanpassingen, soms ook „reserves” genoemd, die mogelijk worden aangebracht aan de boekhoudkundige reële waarde van de instelling en die worden aangebracht buiten het waarderingsmodel dat wordt gebruikt om boekwaarden te genereren (met uitsluiting van bij eerste opname (day one) uitgestelde winst of verlies) en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de betrokken AWA. Zij kunnen risicofactoren weergeven die niet tot uitdrukking komen in de waarderingstechniek, in de vorm van een risicopremie of uitstapkosten, en die aan de definitie van reële waarde voldoen. Marktdeelnemers moeten daarmee echter rekening houden bij het bepalen van een prijs. (IFRS 13.9 en IFRS 13.88)

0170

ONZEKERHEID VAN DE MARKTPRIJZEN

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om de risicopremie weer te geven die voortvloeit uit het bestaan van een reeks waargenomen prijzen voor gelijkwaardige instrumenten of, bij marktparameters als input voor een waarderingsmodel, de instrumenten waarvan de input is gekalibreerd, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen.

0180

CLOSE-OUTKOSTEN

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling ter correctie van het feit dat in de waarderingen op positieniveau geen verkoopprijs (exit price) voor de positie of de portefeuille wordt weergegeven, met name wanneer dergelijke waarderingen op een middenkoers (mid-market price) worden gekalibreerd, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de AWA in verband met close-outkosten.

0190

MODELRISICO

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om markt- of productfactoren weer te geven die niet tot uitdrukking komen in het voor de berekening van de dagelijkse positiewaarden en -risico’s gebruikte model („waarderingsmodel”) of om een passend niveau van voorzichtigheid weer te geven gezien de onzekerheid ten gevolge van het bestaan van een reeks alternatieve valide modellen en modelkalibraties, en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met modelrisico.

0200

GECONCENTREERDE POSITIES

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om weer te geven dat de door de instelling aangehouden geaggregeerde positie groter is dan het normale verhandelde volume of groter is dan de omvang van de posities waarop waarneembare noteringen of transacties zijn gebaseerd die worden gebruikt om de door het waarderingsmodel gebruikte prijs of inputs te kalibreren, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met geconcentreerde posities.

0210

UNEARNED CREDIT SPREADS

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling ter dekking van verwachte verliezen als gevolg van wanbetaling door de tegenpartij ten aanzien van posities in derivaten (d.w.z. totale Credit Valuation Adjustment (CVA) op het niveau van de instelling).

0220

BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling als compensatie voor gevallen waarin waarderingsmodellen niet volledig de financieringskosten weergeven die marktdeelnemers meerekenen in de verkoopprijs voor een positie of portefeuille (d.w.z. totale Funding Valuation Adjustment (FVA) op instellingsniveau indien een instelling die aanpassing berekent, of anders, een gelijkwaardige aanpassing).

0230

TOEKOMSTIGE ADMINISTRATIEKOSTEN

Aanpassing die wordt aangebracht in de reële waarde van de instelling om administratiekosten weer te geven die door de portefeuille of de positie worden gemaakt maar die niet tot uiting komen in het waarderingsmodel of in de voor het kalibreren van inputs voor dat model gebruikte prijzen, en waarvan kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met toekomstige administratiekosten.

0240

VERVROEGDE BEËINDIGING

Aanpassingen die worden aangebracht in de reële waarde van de instelling om de verwachtingen inzake contractuele of niet-contractuele vervroegde beëindiging weer te geven die niet in het waarderingsmodel tot uiting komen, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreft als de AWA in verband met vervroegde beëindiging.

0250

OPERATIONEEL RISICO

Aanpassingen die worden aangebracht aan de reële waarde van de instelling om de risicopremie weer te geven die marktdeelnemers ter compensatie van operationele risico’s wegens hedging, administratie en afwikkeling van contracten in de portefeuille in rekening zouden brengen, en waarvan dus kan worden vastgesteld dat deze dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betreffen als de AWA in verband met operationeel risico.

0260

WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME

Aanpassingen om rekening te houden met gevallen waarin het waarderingsmodel plus alle andere desbetreffende op een positie of portefeuille toepasselijke reëlewaardeaanpassingen de bij eerste opname (day one) betaalde of ontvangen prijs niet weerspiegelden, d.w.z. de bij eerste opname (day one) uitgestelde winst of verlies (IFRS 9.B5.1.2.A).

0270

BESCHRIJVING EN UITLEG

Beschrijving van de posities die zijn behandeld overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101, en de reden waarom de artikelen 9 tot en met 17 niet konden worden toegepast.



Rijen

0010

1. TOTAAL KERNBENADERING

Artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, de volgens de in hoofdstuk 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 uiteengezette kernbenadering berekende totale AWA’s voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de drempel overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening. Dat omvat de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in rij 0140 gerapporteerde diversificatievoordelen.

0020

WAARVAN: HANDELSPORTEFEUILLE

Artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, het aandeel van de in rij 0010 gerapporteerde totale AWA’s afkomstig van posities in de handelsportefeuille (absolute waarde).

0030

1.1 PORTEFEUILLES OVEREENKOMSTIG DE ARTIKELEN 9 T/M 17 VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 VAN DE COMMISSIE – TOTALE AWA OP CATEGORIENIVEAU NA DIVERSIFICATIE

Artikel 7, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Voor elke in de kolommen 0010 tot en met 0110 bedoelde desbetreffende categorie AWA’s, de volgens de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA’s voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de drempel overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening, met uitzondering van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die aan de in artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 beschreven behandeling zijn onderworpen.

Dat omvat de overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in de rijen 0050 en 0060 gerapporteerde AWA’s die begrepen zijn in de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, zoals beschreven in artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 2, van die verordening.

Dat omvat de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 in rij 0140 gerapporteerde diversificatievoordelen.

Rij 0030 is het verschil tussen de rijen 0040 en 0140.

0040-0130

1.1.1. TOTALE AWA OP CATEGORIENIVEAU VÓÓR DIVERSIFICATIE

Voor de rijen 0090 tot en met 0130 wijzen de instellingen hun tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende drempel (handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille), toe volgens de onderstaande risicocategorieën: rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen.

Hiertoe doen de instellingen een beroep op hun interne risicobeheersstructuur en, na een op basis van deskundigenopinie ontwikkelde mapping, wijzen zij hun bedrijfsonderdelen of tradingafdelingen toe aan de meest geschikte risicocategorie. AWA’s, reëlewaardeaanpassingen en andere vereiste informatie, die overeenkomen met de toegewezen bedrijfsonderdelen of tradingafdelingen, worden vervolgens aan dezelfde desbetreffende risicocategorie toegewezen, om op rijniveau voor elke risicocategorie een samenhangend overzicht te bieden van de om prudentiële en boekhoudkundige redenen aangebrachte aanpassingen, alsmede een indicatie van de omvang van de betrokken posities (in termen van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen). Indien AWA’s of andere aanpassingen op een ander aggregatieniveau zijn berekend, met name op ondernemingsniveau, ontwikkelen de instellingen een methode om de AWA’s aan de relevante reeksen posities toe te wijzen. De toewijzingsmethode resulteert erin dat rij 0040 de som is van de rijen 0050 tot en met 0130 voor de kolommen 0010 tot en met 0100.

Welke benadering ook wordt toegepast, de gerapporteerde informatie is op rijniveau zo consistent mogelijk, aangezien de verstrekte informatie op dit niveau zal worden vergeleken (AWA-bedragen, opwaartse onzekerheid, reëlewaardebedragen en eventuele reëlewaardeaanpassingen).

De uitsplitsing in de rijen 0090 tot en met 0130 omvat niet de overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende AWA’s die in de rijen 0050 en 0060 worden gerapporteerd en begrepen zijn in de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico, zoals beschreven in artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 2, van die verordening.

De diversificatievoordelen worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 gerapporteerd in rij 0140 en worden dus in de rijen 0040 tot en met 0130 buiten beschouwing gelaten.

0050

WAARVAN: AWA IN VERBAND MET UNEARNED CREDIT SPREADS

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

De berekende totale AWA in verband met unearned credit spreads („AVA on CVA”) en de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico overeenkomstig artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

Kolom 0110 De totale AWA wordt louter ter informatie verstrekt, aangezien deze door de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico – na inaanmerkingneming van de diversificatievoordelen – wordt opgenomen onder de respectieve AWA’s op categorieniveau.

Kolom 0130 en 0140: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van AWA’s in verband met unearned credit spreads. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren.

0060

WAARVAN: AWA IN VERBAND MET BELEGGINGS- EN FINANCIERINGSKOSTEN

Artikel 105, lid 10, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

De berekende totale AWA in verband met beleggings- en financieringskosten en de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico overeenkomstig artikel 13 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

Kolom 0110: De totale AWA wordt louter ter informatie verstrekt, aangezien deze door de toewijzing ervan tussen de AWA’s in verband met onzekerheid van de marktprijzen, close-outkosten en modelrisico – na inaanmerkingneming van de diversificatievoordelen – wordt opgenomen onder de respectieve AWA’s op categorieniveau.

Kolom 0130 en 0140: Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die zijn begrepen in de berekening van de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten. Voor de berekening van deze AWA mogen tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die exact matchen en elkaar compenseren en die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de berekening van de drempel worden uitgesloten, niet langer worden beschouwd als activa en verplichtingen die exact overeenkomen en elkaar compenseren.

0070

WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 9, LID 2, VAN Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die volgens artikel 9, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 geacht worden een AWA-waarde nul te hebben.

0080

WAARVAN: AWA MET EEN GEACHTE WAARDE NUL OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 10, LEDEN 2 EN 3, VAN GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die overeenkomen met de waarderingsblootstellingen die volgens artikel 10, lid 2, of artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 geacht worden een AWA-waarde nul te hebben.

0090

1.1.1.1 RENTE

0100

1.1.1.2 VALUTA

0110

1.1.1.3 KREDIET

0120

1.1.1.4 AANDELEN

0130

1.1.1.5 GRONDSTOFFEN

0140

1.1.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDELEN

Totaal van de diversificatievoordelen. Som van de kolommen 0150 en 0160.

0150

1.1.2.1 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 1

Voor de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 volgens methode 1 geaggregeerde AWA-categorieën, het verschil tussen de som van de individuele AWA’s en de totale AWA op categorieniveau na correctie voor aggregatie.

0160

1.1.2.2 (–) DIVERSIFICATIEVOORDEEL BEREKEND VOLGENS METHODE 2

Voor de overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 volgens methode 2 geaggregeerde AWA-categorieën, het verschil tussen de som van de individuele AWA’s en de totale AWA op categorieniveau na correctie voor aggregatie.

0170

1.1.2.2* PRO-MEMORIEPOST: AWA’S VÓÓR DIVERSIFICATIE VERMINDERD MET MEER DAN 90 % DOOR DIVERSIFICATIE VOLGENS METHODE 2

Volgens de terminologie van methode 2, de som van RW – PW voor alle waarderingsblootstellingen waarbij APWA < 10 % (RW – PW).

0180

1.2. PORTEFEUILLES BEREKEND VOLGENS DE FALL-BACKBENADERING

Artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Voor overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 aan de fall-backbenadering onderworpen portefeuilles wordt de totale AWA berekend als de som van de rijen 0190, 0200 en 0210.

De desbetreffende balansinformatie en andere contextuele informatie worden verstrekt in de kolommen 0130 tot en met 0260. Een beschrijving van de posities en de reden waarom de artikelen 9 tot en met 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 niet konden worden toegepast, worden verstrekt in kolom 0270.

0190

1.2.1 FALL-BACKBENADERING; 100% VAN NIET-GEREALISEERDE WINST

Artikel 7, lid 2, punt b), i), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

0200

1.2.2 FALL-BACKBENADERING; 10 % VAN NOTIONELE WAARDE

Artikel 7, lid 2, punt b), ii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

0210

1.2.3 FALL-BACKBENADERING; 25 % VAN WAARDE BIJ AANVANG

Artikel 7, lid 2, punt b), iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

6.3.   C 32.03 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET MODELRISICO (PRUVAL 3)

6.3.1   Algemene opmerkingen

181. Deze template hoeft alleen te worden ingevuld door instellingen die de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel op hun niveau overschrijden. Instellingen die deel uitmaken van een groep die de drempel op geconsolideerde basis overschrijdt, hoeven deze template alleen te rapporteren indien zij de drempel ook op hun niveau overschrijden.

182. Deze template wordt gebruikt om nadere bijzonderheden te rapporteren van de 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico in termen van het AWA-bedrag dat bijdraagt aan de overeenkomstig artikel 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau. Die informatie komt overeen met de in kolom 0050 van template C 32.02 gerapporteerde informatie.

183. De 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico, en de overeenkomstige productinformatie, worden gerapporteerd in afnemende volgorde, te beginnen bij de grootste individuele AWA in verband met modelrisico.

184. Producten die overeenkomen met die belangrijkste individuele AWA’s in verband met modelrisico, worden gerapporteerd aan de hand van de in artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten.

185. Indien de producten voldoende homogeen zijn wat betreft het waarderingsmodel en de AWA in verband met modelrisico, worden zij samengevoegd en op één lijn getoond zodat in deze template de totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau van de instelling maximaal wordt weergegeven.

6.3.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0005

RANG

De rang is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Hij volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort, waarbij de hoogste individuele AWA in verband met modelrisico rang 1 krijgt, de op één na hoogste rang 2 enz.

0010

MODEL

Interne (alfanumerieke) naam van het model waarmee de instelling het model identificeert.

0020

RISICOCATEGORIE

De risicocategorie (rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen) die het product of de productgroep waarvoor de waardeaanpassing in verband met modelrisico wordt uitgevoerd, het adequaatst kenmerkt.

De instellingen rapporteren de volgende codes:

IR – rente

FX – valuta

CR – krediet

EQ – aandelen

CO – grondstoffen.

0030

PRODUCT

Interne (alfanumerieke) naam van het product of de productgroep, overeenkomstig de op grond van artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten, waarvoor de waardering met gebruikmaking van het model is uitgevoerd.

0040

WAARNEEMBAARHEID

Aantal prijswaarnemingen voor het product of de productgroep tijdens de afgelopen twaalf maanden die aan een van de volgende criteria voldoen:

— de prijswaarneming is een prijs waartegen de instelling een transactie heeft uitgevoerd;

— het is een controleerbare prijs voor een daadwerkelijke transactie tussen derden;

— de prijs is afkomstig van een bindende notering.

De instellingen rapporteren een van de volgende waarden: „none” (geen), „1-6”, „6-24”, „24-100”, „100+”.

0050

AWA IN VERBAND MET MODELRISICO

Artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101

Individuele AWA in verband met modelrisico vóór diversificatievoordelen, doch in voorkomend geval na nettering van portefeuilles.

0060

WAARVAN: VOLGENS DE OP DESKUNDIGENOPINIES GEBASEERDE BENADERING

Bedragen in kolom 0050 die zijn berekend volgens de op deskundigenopinies gebaseerde benadering, als bedoeld in artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0070

WAARVAN: GEAGGREGEERD VOLGENS METHODE 2

Bedragen in kolom 0050 die zijn geaggregeerd volgens methode 2 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101. Deze bedragen komen overeen met RW – PW in de terminologie van die bijlage.

0080

GEAGGREGEERDE AWA BEREKEND VOLGENS METHODE 2

De bijdrage aan de overeenkomstig artikel 11, lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met modelrisico op categorieniveau, van volgens methode 2 van de bijlage bij die verordening geaggregeerde individuele AWA’s in verband met modelrisico. Dat bedrag komt overeen met APWA in de terminologie van de bijlage.

0090-0100

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en verplichtingen die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving.

0090

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE ACTIVA

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving.

0100

TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE VERPLICHTINGEN

Absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde verplichtingen die volgens het in kolom 0010 gerapporteerde model zijn gewaardeerd, zoals vermeld in de jaarrekening conform het toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving.

0110

IPV-VERSCHIL (OUTPUT TESTING)

De som van niet-gecorrigeerde verschillen („IPV-verschil”) berekend aan het einde van de maand die het dichtst ligt bij de rapportagedatum, bij de onafhankelijke prijsverificatie overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor het overeenkomstige product of de overeenkomstige productgroep.

Niet-gecorrigeerde verschillen betreffen niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd.

Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boeken en bescheiden van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen.

Alleen resultaten die zijn gekalibreerd op basis van prijzen van instrumenten die naar hetzelfde product zouden worden gemapt (output testing), worden hier opgenomen. De resultaten van input testing op basis van inputs van marktgegevens die getest zijn tegen niveaus die op basis van verschillende producten zijn gekalibreerd, worden niet opgenomen.

0120

IPV-DEKKING (OUTPUT TESTING)

Het percentage van die posities die naar het model worden gemapt, gewogen naar AWA in verband met modelrisico, dat wordt gedekt door de in kolom 0110 opgegeven resultaten van de output IPV-testing.

0130-0140

AANPASSINGEN REËLE WAARDE

Reëlewaardeaanpassingen als bedoeld in de kolommen 0190 en 0240 van template C 32.02 die zijn toegepast op de posities die naar het model in kolom 0010 zijn gemapt.

0150

WINST EN VERLIES BIJ EERSTE OPNAME

Aanpassingen als gedefinieerd in kolom 0260 van template C 32.02 die zijn toegepast op de posities die naar het model in kolom 0010 zijn gemapt.

6.4   C 32.04 – PRUDENTE WAARDERING: AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES (PRUVAL 4)

6.4.1   Algemene opmerkingen

186. Deze template hoeft alleen te worden ingevuld door instellingen die de in artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde drempel op hun niveau overschrijden. Instellingen die deel uitmaken van een groep die de drempel op geconsolideerde basis overschrijdt, hoeven deze template alleen te rapporteren indien zij de drempel ook op hun niveau overschrijden.

187. Deze template wordt gebruikt om nadere bijzonderheden te rapporteren van de 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities in termen van het AWA-bedrag dat bijdraagt aan de overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende totale AWA in verband met geconcentreerde posities op categorieniveau. Deze informatie komt overeen met de in kolom 0070 van template C 32.02 gerapporteerde informatie.

188. De 20 belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities, en de overeenkomstige productinformatie, worden gerapporteerd in afnemende volgorde, te beginnen bij de grootste individuele AWA in verband met geconcentreerde posities.

189. Producten die overeenkomen met die belangrijkste individuele AWA’s in verband met geconcentreerde posities, worden gerapporteerd aan de hand van de in artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten.

190. Posities die homogeen zijn wat betreft de methode voor de berekening van de AWA, worden waar mogelijk geaggregeerd om de dekking van deze template te maximaliseren.

6.4.2   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

0005

RANG

De rang is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke rij in de template. Hij volgt de numerieke volgorde 1, 2, 3 enzovoort, waarbij de hoogste individuele AWA in verband met geconcentreerde posities rang 1 krijgt, de op één na hoogste rang 2 enz.

0010

RISICOCATEGORIE

De risicocategorie (rente, valuta, krediet, aandelen, grondstoffen) die de positie het beste kenmerkt.

De instellingen rapporteren de volgende codes:

IR – Rente

FX – Valuta

CR – Krediet

EQ – Aandelen

CO – Grondstoffen.

0020

PRODUCT

Interne naam van het product of de productgroep, overeenkomstig de op grond van artikel 19, lid 3, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 vereiste inventarisatie van producten.

0030

ONDERLIGGENDE

Interne naam van het of de onderliggende of onderliggenden in geval van derivaten, of van de instrumenten ingeval het geen derivaten betreft.

0040

OMVANG GECONCENTREERDE POSITIE

Omvang van de overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 genoemde individuele geconcentreerde waarderingspositie, uitgedrukt in de in kolom 0050 beschreven eenheid.

0050

MAATSTAF VAN OMVANG

Eenheid van de maatstaf van omvang die intern wordt gebruikt bij de vaststelling van de geconcentreerde waarderingspositie om de in kolom 0040 bedoelde omvang van de geconcentreerde positie te berekenen.

Rapporteer bij posities in obligaties of aandelen de voor intern risicobeheer gebruikte eenheid, zoals „aantal obligaties”, „aantal aandelen” of „marktwaarde”.

Bij posities in derivaten de voor intern risicobeheer gebruikte eenheid rapporteren, zoals „PV01; EUR per 1 basispunt van parallelle verschuiving van de rentecurve”.

0060

MARKTWAARDE

Marktwaarde van de positie.

0070

PRUDENTE EXITPERIODE

De prudente exitperiode in aantal dagen geraamd overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101.

0080

AWA IN VERBAND MET GECONCENTREERDE POSITIES

De overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 berekende AWA in verband met geconcentreerde posities voor de desbetreffende individuele geconcentreerde waarderingspositie.

0090

REËLEWAARDEAANPASSING VOOR GECONCENTREERDE POSITIE

Het bedrag van alle toegepaste reëlewaardeaanpassingen om weer te geven dat de door de instelling aangehouden geaggregeerde positie groter is dan het normale verhandelde volume of groter is dan de omvang van de posities waarop de noteringen of transacties zijn gebaseerd die worden gebruikt om de door het waarderingsmodel gebruikte prijs of inputs te kalibreren.

Het gerapporteerde bedrag komt overeen met het bedrag dat op de desbetreffende individuele geconcentreerde waarderingspositie is toegepast.

0100

IPV-VERSCHIL

De som van niet-gecorrigeerde verschillen („IPV-verschil”) berekend aan het einde van de maand die het dichtst ligt bij de rapportagedatum, bij de onafhankelijke prijsverificatie overeenkomstig artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met betrekking tot de best beschikbare onafhankelijke gegevens voor het overeenkomstige product of de overeenkomstige productgroep.

Niet-gecorrigeerde verschillen verwijzen naar niet-gecorrigeerde verschillen tussen de door het handelssysteem gegenereerde waarderingen en de waarderingen die tijdens het maandelijkse IPV-proces worden gevormd.

Bij de berekening van het IPV-verschil worden in de boekhouding van de instelling voor de betrokken datum einde maand geen gecorrigeerde verschillen opgenomen.

7.   C 33.00 – BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT ALGEMENE OVERHEDEN (GOV)

7.1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

191. De informatie voor template C 33.00 bestrijkt alle blootstellingen met betrekking tot „Algemene overheden” in de zin van punt 42, punt b), van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening.

192. Indien de blootstellingen met betrekking tot „Algemene overheden” onderworpen zijn aan eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden blootstellingen met betrekking tot „Algemene overheden” opgenomen in verschillende blootstellingscategorieën overeenkomstig de artikelen 112 en 147 van die verordening, zoals nader uitgewerkt in de instructies voor het invullen van de templates C 07.00, C 08.01 en C 08.02.

193. Tabel 2 (Standaardbenadering) en tabel 3 (Interneratingbenadering), opgenomen in deel drie van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, worden in acht genomen wanneer in het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor het berekenen van vermogensvereisten gebruikte blootstellingscategorieën worden gemapt naar de tegenpartijsector „Algemene overheden”.

194. Informatie wordt gerapporteerd voor de totale geaggregeerde blootstellingen (d.w.z. de som van alle landen waarin de bank blootstellingen aan overheden heeft) en voor elk land op grond van de vestigingsplaats van de tegenpartij op directeleningnemerbasis.

195. De toewijzing van blootstellingen aan blootstellingsklassen of rechtsgebieden gebeurt zonder rekening te houden met kredietrisicolimiteringstechnieken en met name zonder rekening te houden met substitutie-effecten. Wel omvat de berekening van de blootstellingswaarden en risicogewogen posten voor elke blootstellingscategorie en elk rechtsgebied de impact van kredietrisicolimiteringstechnieken, daaronder begrepen substitutie-effecten.

196. Voor het rapporteren van informatie over blootstellingen met betrekking tot „Algemene overheden” volgens rechtsgebied van de vestigingsplaats van de directe tegenpartij niet zijnde het nationale rechtsgebied van de rapporterende instelling gelden de drempels in artikel 6, lid 3, van deze uitvoeringsverordening.

7.2.   REIKWIJDTE VAN DE TEMPLATE BETREFFENDE BLOOTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT „ALGEMENE OVERHEDEN”

197. De GOV-template bestrijkt rechtstreekse blootstellingen met betrekking tot „Algemene overheden” in de vorm van posten binnen en posten buiten de balanstelling en derivaten in de niet-handels- en de handelsportefeuille. Daarnaast wordt ook een pro-memoriepost gevraagd over indirecte blootstellingen in de vorm van met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten.

198. Een blootstelling is een directe blootstelling wanneer de directe tegenpartij een entiteit is die een „algemene overheid” is in de zin van punt 42, punt b), van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening.

199. De template is verdeeld in twee delen. Het eerste deel is gebaseerd op een uitsplitsing van blootstelling naar risico, regelgevingsbenadering en blootstellingscategorieën, terwijl het tweede deel is gebaseerd op een uitsplitsing naar resterende looptijd.

7.3.   INSTRUCTIES VOOR SPECIFIEKE POSITIES



Kolommen

Instructies

0010-0260

DIRECTE BLOOTSTELLINGEN

0010-0140

BLOOTSTELLINGEN BINNEN DE BALANSTELLING

0010

Totale brutoboekwaarde van niet-afgeleide financiële activa

Totaal van de brutoboekwaarde, zoals bepaald in overeenstemming met punt 34 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van niet-afgeleide financiële activa tegenover algemene overheden, voor alle boekhoudkundige portefeuilles overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP zoals omschreven in de punten 15 tot en met 22 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, en opgenomen in de kolommen 0030 tot en met 0120.

Prudente waardeaanpassingen verminderen de brutoboekwaarde van tegen reële waarde gemeten blootstellingen in de handels- en niet-handelsportefeuille niet.

0020

Totale boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa (na aftrek van shortposities)

Totaal van de brutoboekwaarde, als bedoeld in punt 27 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van niet-afgeleide financiële activa tegenover algemene overheden, voor alle boekhoudkundige portefeuilles overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP zoals omschreven in de punten 15 tot en met 22 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, en opgenomen in de kolommen 0030 tot en met 0120, na aftrek van shortposities.

Indien de instelling een shortpositie heeft ingenomen voor dezelfde resterende looptijd en voor dezelfde directe tegenpartij die in dezelfde valuta luidt, wordt de boekwaarde van de shortpositie gesaldeerd met de boekwaarde van de directe positie. Dat nettobedrag wordt geacht nul te zijn wanneer het een negatief bedrag betreft. Indien een instelling een shortpositie heeft zonder een matchende directe positie, wordt het bedrag van de shortpositie voor de toepassing van deze kolom geacht nul te zijn.

0030-0120

NIET-AFGELEIDE FINANCIËLE ACTIVA VOLGENS BOEKHOUDKUNDIGE PORTEFEUILLES

Totaal van de boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa (zoals omschreven in de rij boven deze tabel) voor algemene overheden, uitgesplitst naar boekhoudkundige portefeuille op grond van het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

0030

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa

IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9 bijlage A

0040

Financiële activa voor handelsdoeleinden

Artikelen 32 en 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; punt 16 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening; artikel 8, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU

Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen.

0050

Verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

IFRS 7.8(a)(ii); IFRS 9.4.1.4

0060

Financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen

IFRS 7.8(a)(i); IFRS 9.4.1.5 en artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2013/34/EU

0070

Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

Artikelen 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 8, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/34/EU

Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen.

0080

Tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat

IFRS 7.8(d); IFRS 9.4.1.2A

0090

Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen

Artikel 8, lid 1, punt a), en artikel 8, lid 8, van Richtlijn 2013/34/EU

Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen.

0100

Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs

IFRS 7.8(f); IFRS 9.4.1.2; punt 15 van deel 1 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

0110

Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd

Artikel 35 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 6, lid 1, punt i), en artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1, punt 16, van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen.

0120

Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden

Artikel 37 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; artikel 12, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU; deel 1, punt 16, van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening

Alleen te rapporteren door instellingen die onder nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP) vallen.

0130

Shortposities

Boekwaarde van shortposities, zoals omschreven in IFRS 9 BA.7, punt b), indien de directe tegenpartij een algemene overheid in de zin van de punten 155 tot en met 160 van deze bijlage is.

Shortposities ontstaan indien de instelling effecten verkoopt die zijn verworven via een omgekeerde retrocessieovereenkomst of zijn geleend in een effectenuitleentransactie.

De boekwaarde is de reële waarde van de shortposities.

Shortposities worden gerapporteerd volgens resterend looptijdsegment, zoals vermeld in de rijen 0170 tot en met 0230, en volgens directe tegenpartij.

De in deze kolom gerapporteerde shortposities kunnen worden verrekend met in dezelfde valuta luidende posities met dezelfde resterende looptijd en directe tegenpartij als die welke in de kolommen 0030 tot en met 0120 worden gerapporteerd, om de nettopositie te verkrijgen die in kolom 0020 wordt gerapporteerd.

0140

Waarvan: Shortposities uit omgekeerde retrocessieovereenkomsten aangemerkt als aangehouden voor handelsdoeleinden of financiële activa voor handelsdoeleinden

Boekwaarde van shortposities, zoals omschreven in IFRS 9 BA.7(b), die ontstaan wanneer de instelling de effecten verkoopt die bij omgekeerde retrocessieovereenkomsten zijn verworven, indien de directe tegenpartij van die effecten een algemene overheid is en die effecten zijn opgenomen in de boekhoudkundige portefeuilles „aangehouden voor handelsdoeleinden” of „financiële activa voor handelsdoeleinden” (kolommen 0030 en 0040).

Shortposities die ontstaan wanneer de verkochte effecten zijn geleend bij een effectenuitleentransactie, worden niet in deze kolom opgenomen.

0150

Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering

Totale geaccumuleerde bijzondere waardevermindering met betrekking tot niet-afgeleide financiële activa gerapporteerd in de kolommen 0080 tot en met 0120 (de punten 70 en 71 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

0160

Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering – waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen

Totale geaccumuleerde bijzondere waardevermindering met betrekking tot niet-afgeleide financiële activa gerapporteerd in de kolommen 0080 en 0090.

0170

Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s

Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0050, 0060, 0070, 0080 en 0090 (punt 69 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

0180

Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s – waarvan: uit hoofde van verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen of uit hoofde van financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0050, 0060 en 0070.

0190

Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s – waarvan: uit hoofde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of uit hoofde van niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen

Totale geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico in verband met posities gemeld in de kolommen 0080 en 0090.

0200-0230

DERIVATEN

Directe derivatenposities worden gerapporteerd in de kolommen 0200 tot en met 0230.

Zie, voor de rapportage van aan kapitaalvereisten voor zowel aan tegenpartijkredietrisico als aan marktrisico onderhevige derivaten, de instructies voor de uitsplitsing in rijen.

0200-0210

Derivaten met een positieve reële waarde

Alle afgeleide instrumenten met een algemene overheid als tegenpartij met een positieve reële waarde voor de instelling op de rapportagedatum, ongeacht of die instrumenten worden gebruikt bij een kwalificerende hedgerelatie, worden aangehouden voor handelsdoeleinden of worden in de handelsportefeuille opgenomen overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP.

Voor economische hedging gebruikte derivaten worden hier gerapporteerd wanneer deze zijn opgenomen in de handelsportefeuille of de boekhoudkundige portefeuille „aangehouden voor handelsdoeleinden” (de punten 120, 124, 125 en de punten 137 tot en met 140 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

0200

Derivaten met een positieve reële waarde: Boekwaarde

Boekwaarde van de op de rapportagereferentiedatum administratief als financiële activa verwerkte derivaten.

Overeenkomstig op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP omvatten de in deze kolommen te rapporteren derivaten de afgeleide instrumenten gewaardeerd tegen kostprijs of volgens de minimumwaarderingsregel (LOCOM) opgenomen in de handelsportefeuille of aangewezen als hedge-instrumenten.

0210

Derivaten met een positieve reële waarde: Notionele waarde

Overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP, de notionele waarde, zoals omschreven in de punten 133 tot en met 135 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van alle op de rapportagereferentiedatum afgesloten en nog niet afgewikkelde derivatencontracten indien de tegenpartij een algemene overheid is in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage en de reële waarde van het derivaat op de referentiedatum positief is voor de instelling.

0220-0230

Derivaten met een negatieve reële waarde

Alle afgeleide instrumenten met een algemene overheid als tegenpartij met een voor de instelling op de rapportagereferentiedatum negatieve reële waarde, ongeacht of die instrumenten worden gebruikt bij een kwalificerende hedgerelatie dan wel worden aangehouden voor handelsdoeleinden of in de handelsportefeuille worden opgenomen overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP.

Voor economische hedging gebruikte derivaten worden hier gerapporteerd wanneer deze zijn opgenomen in de handelsportefeuille of de boekhoudkundige portefeuille „aangehouden voor handelsdoeleinden” (de punten 120, 124, 125 en de punten 137 tot en met 140 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

0220

Derivaten met een negatieve reële waarde: Boekwaarde

Boekwaarde van de derivaten administratief verwerkt als financiële verplichtingen op de rapportagereferentiedatum.

Overeenkomstig op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP omvatten de in deze kolommen te rapporteren derivaten de afgeleide instrumenten gewaardeerd tegen kostprijs of volgens de minimumwaarderingsregel (LOCOM) opgenomen in de handelsportefeuille of aangewezen als hedge-instrumenten.

0230

Derivaten met een negatieve reële waarde: Notionele waarde

Overeenkomstig IFRS en op Richtlijn 86/635/EEG gebaseerde nationale GAAP, de notionele waarde, zoals omschreven in de punten 133 tot en met 135 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening, van alle op de referentiedatum afgesloten en nog niet afgewikkelde derivatencontracten indien de tegenpartij een algemene overheid is in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage en de reële waarde van het derivaat op de referentiedatum positief is voor de instelling.

0240-0260

BLOOTSTELLINGEN BUITEN DE BALANSTELLING

0240

Nominaal bedrag

Indien de directe tegenpartij van de post buiten de balanstelling een algemene overheid is in de zin van de punten 155 tot en met 160 van deze bijlage, het nominale bedrag van de toezeggingen en financiële garanties die overeenkomstig IFRS of op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP niet als een derivaat worden beschouwd (de punten 102 tot en met 119 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

Overeenkomstig de punten 43 en 44 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverodening is de algemene overheid de directe tegenpartij: a) bij een afgegeven financiële garantie, wanneer zij de directe tegenpartij van het gegarandeerde schuldinstrument is, en b) bij leningtoezeggingen en overige gedane toezeggingen wanneer zij de tegenpartij is waarvan het kredietrisico door de rapporterende instelling is overgenomen.

0250

Voorzieningen

Artikel 4, „Passiva”, punt 6, c), en „Posten buiten de balanstelling”, artikel 27, punt 11, artikel 28, punt 8, en artikel 33 van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad; IFRS 9.4.2.1(c)(ii), (d)(ii), 9.5.5.20; IAS 37; IFRS 4, en deel 2.11 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening.

Voorzieningen voor alle blootstellingen buiten de balanstelling, ongeacht hoe deze worden gemeten, behalve voor de blootstellingen tegen reële waarde gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9.

Overeenkomstig IFRS wordt de bijzondere waardevermindering van een leningtoezegging in kolom 150 gerapporteerd indien de instelling de verwachte kredietverliezen in verband met het opgenomen en niet-opgenomen bedrag van het schuldinstrument niet kan identificeren. Ingeval de gecombineerde verwachte kredietverliezen voor dat financiële instrument hoger uitvallen dan de brutoboekwaarde van de leningcomponent van het instrument, wordt het resterende saldo van de verwachte kredietverliezen in kolom 0250 als een voorziening gerapporteerd.

0260

Geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s

Voor posten buiten de balanstelling tegen reële waarde gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9, de geaccumuleerde negatieve veranderingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico’s (punt 110 van deel 2 van bijlage V bij deze uitvoeringsverordening).

0270-280

Pro-memoriepost: met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten

Kredietderivaten die niet aan de definitie van financiële garanties in bijlage V, deel 2, punt 58, voldoen en die de rapporterende instelling heeft afgesloten met tegenpartijen niet zijnde algemene overheden en waarvan de referentieblootstelling een algemene overheid is, worden gerapporteerd.

Deze kolommen worden niet gerapporteerd voor blootstellingen uitgesplitst naar risico, regelgevingsbenadering en blootstellingscategorieën (de rijen 0020 tot 0160).

0270

Derivaten met een positieve reële waarde – Boekwaarde

De totale gerapporteerde boekwaarde van de met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten die voor de instelling op de rapportagereferentiedatum een positieve reële waarde hebben, zonder rekening te houden met prudente waardeaanpassingen.

Voor derivaten onder IFRS is de in deze kolom te rapporteren waarde de boekwaarde van de derivaten die op de rapportagedatum financiële activa zijn.

Voor derivaten onder op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP is de in deze kolom te rapporteren waarde de reële waarde van de derivaten met een positieve reële waarde op de rapportagereferentiedatum, ongeacht hoe deze administratief zijn verwerkt.

0280

Derivaten met een negatieve reële waarde – Boekwaarde

De totale gerapporteerde boekwaarde van de met betrekking tot blootstellingen aan algemene overheden verkochte kredietderivaten die voor de instelling op de rapportagereferentiedatum een negatieve reële waarde hebben, zonder rekening te houden met prudente waardeaanpassingen.

Voor derivaten onder IFRS is de in deze kolom te rapporteren waarde de boekwaarde van de derivaten die op de rapportagedatum financiële verplichtingen zijn.

Voor derivaten onder op Richtlijn 86/635/EEG van de Raad gebaseerde nationale GAAP is de in deze kolom te rapporteren waarde de reële waarde van de derivaten met een negatieve reële waarde op de rapportagereferentiedatum, ongeacht hoe deze administratief zijn verwerkt.

0290

Blootstellingswaarde

Blootstellingswaarde voor blootstellingen die aan het raamwerk voor kredietrisico zijn onderworpen.

Voor blootstellingen volgens de standaardbenadering, zie ook artikel 111 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor blootstellingen volgens de interneratingbenadering, zie artikel 166 en artikel 230, lid 1, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie, voor de rapportage van aan kapitaalvereisten voor zowel aan tegenpartijkredietrisico als aan marktrisico onderhevige derivaten, de instructies voor de uitsplitsing in rijen.

De in de kolommen 0270 en 0280 gerapporteerde blootstellingen mogen niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze kolom, aangezien de waarde in deze kolom uitsluitend op directe blootstellingen is gebaseerd.

0300

Risicogewogen posten

Risicogewogen posten voor blootstellingen die aan het raamwerk voor kredietrisico zijn onderworpen.

Voor blootstellingen in het kader van de standaardbenadering (SA), zie artikel 113, leden 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor blootstellingen in het kader van de interneratingbenadering (IRB), zie artikel 153, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zie, voor de rapportage van onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, de instructies voor uitsplitsing in rijen.

De in de kolommen 0270 en 0280 gerapporteerde blootstellingen mogen niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze kolom, aangezien de waarde in deze kolom uitsluitend op directe blootstellingen is gebaseerd.



Rijen

Instructies

UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR REGELGEVINGSBENADERING

0010

Totale blootstellingen

Totaal van de blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in de zin van de punten 191 tot en met 196 van deze bijlage.

0020-0155

Blootstelling volgens het kredietrisicoraamwerk

Totaal van de in overeenstemming met deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naar risico gewogen blootstellingen met betrekking tot algemene overheden. Blootstellingen die onder het raamwerk voor kredietrisico vallen, omvatten blootstellingen als gevolg van zowel de niet-handelsportefeuille als de handelsportefeuille die aan een kapitaalvereiste voor tegenpartijkredietrisico zijn onderworpen.

Onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, worden gerapporteerd in zowel de rijen voor kredietrisico (de rijen 0020 tot en met 0155) als de rij voor marktrisico (rij 0160): de blootstellingen als gevolg van tegenpartijkredietrisico worden gerapporteerd in de rijen voor kredietrisico, terwijl de blootstellingen als gevolg van marktrisico worden gerapporteerd in de rij voor marktrisico.

0030

Standaardbenadering

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die naar risico moeten worden gewogen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van de niet-handelsportefeuille, waarvoor de risicoweging in overeenstemming met dat hoofdstuk tegenpartijkredietrisico ondervangt.

0040

Centrale overheden

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die centrale overheden zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Centrale overheden of centrale banken” in overeenstemming met de artikelen 112 en 114 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0050

Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale of lokale overheden zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten ” in overeenstemming met de artikelen 112 en 115 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0060

Publiekrechtelijke lichamen

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Publiekrechtelijke lichamen” in overeenstemming met de artikelen 112 en 116 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0070

Internationale organisaties

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die internationale organisaties zijn. Deze blootstellingen worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Internationale organisaties” in overeenstemming met de artikelen 112 en 118 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor template C 07.00, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0075

Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de standaardbenadering

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden niet zijnde de overheden in de rijen 0040 tot en met 0070 hierboven, die overeenkomstig artikel 112 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de berekening van de eigenvermogensvereisten worden toegewezen aan blootstellingscategorieën volgens de standaardbenadering.

0080

Interneratingbenadering

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die naar risico moeten worden gewogen in overeenstemming met deel drie, titel II, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van blootstellingen uit hoofde van de niet-handelsportefeuille, waarvoor de risicoweging in overeenstemming met dat hoofdstuk tegenpartijkredietrisico ondervangt.

0090

Centrale overheden

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die centrale overheden zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Centrale overheden en centrale banken” in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0100

Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten [Centrale overheden en centrale banken]

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale regionale overheden of lokale autoriteiten zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Centrale overheden en centrale banken” in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0110

Regionale regionale overheden of lokale autoriteiten [Instellingen]

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die regionale regionale overheden of lokale autoriteiten zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Instellingen” in overeenstemming met artikel 147, lid 4, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0120

Publiekrechtelijke lichamen [Centrale overheden en centrale banken]

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn in de zin van artikel 4, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Centrale overheden en centrale banken” in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt a), van die verordening, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0130

Publiekrechtelijke lichamen [Instellingen]

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die publiekrechtelijke lichamen zijn in de zin van artikel 4, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Instellingen” in overeenstemming met artikel 147, lid 4, punt b), van die verordening, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0140

Internationale organisaties [Centrale overheden en centrale banken]

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden die internationale organisaties zijn en die worden toegewezen aan de blootstellingscategorie „Centrale overheden en centrale banken” in overeenstemming met artikel 147, lid 3, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader ingevuld door de instructies voor de templates C 08.01 en C 08.02, met uitzondering van de specificaties voor de overheveling van blootstellingen met betrekking tot algemene overheden naar andere blootstellingscategorieën als gevolg van de toepassing van kredietrisicolimiteringstechnieken met substitutie-effecten op de blootstelling, die niet van toepassing zijn.

0155

Overige blootstellingen met betrekking tot algemene overheden in het kader van de interneratingbenadering

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden niet zijnde de overheden in de rijen 0090 tot en met 0140 hierboven, die overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor de berekening van de eigenvermogensvereisten worden toegewezen aan blootstellingscategorieën volgens de interneratingbenadering.

0160

Blootstellingen onderworpen aan marktrisico

Deze rij heeft betrekking op posities waarvoor een van de volgende eigenvermogensvereisten van deel drie, titel IV, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt berekend:

— Eigenvermogensvereisten voor positierisico overeenkomstig artikel 326 van Verordening (EU) nr. 575/2013

— Eigenvermogensvereisten voor specifiek of algemeen risico overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Onder artikel 271 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende directe blootstellingen die zijn onderworpen aan eigenvermogensvereisten voor zowel tegenpartijkredietrisico als marktrisico, worden gerapporteerd in zowel de rijen voor kredietrisico (de rijen 0020 tot en met 0155) als de rij voor marktrisico (rij 0160): de blootstelling als gevolg van tegenpartijkredietrisico wordt gerapporteerd in de rijen voor kredietrisico, terwijl de blootstelling als gevolg van marktrisico wordt gerapporteerd in de rij voor marktrisico.

0170-0230

UITSPLITSING VAN BLOOTSTELLINGEN NAAR RESTERENDE LOOPTIJD

De resterende looptijd wordt berekend in dagen tussen de contractuele vervaldatum en de rapportagereferentiedatum voor alle posities.

Blootstellingen met betrekking tot algemene overheden worden uitgesplitst naar resterende looptijd en ingedeeld in de onderstaande segmenten:

— [ 0 - 3M ] : Minder dan 90 dagen;

— [ 3M - 1J ] : Gelijk aan of meer dan 90 dagen en minder dan 365 dagen;

— [ 1J – 2J ] : Gelijk aan of meer dan 365 dagen en minder dan 730 dagen;

— [ 2J – 3J ] : Gelijk aan of meer dan 730 dagen en minder dan 1 095 dagen;

— [ 3J – 5J ] : Gelijk aan of meer dan 1 095 dagen en minder dan 1 825 dagen;

— [ 5J – 10J ] : Gelijk aan of meer dan 1 825 dagen en minder dan 3 650 dagen;

— [ 10J – meer] : Gelijk aan of meer dan 3 650 dagen.

Indien de contractuele vervaldatum eerder is dan de rapportagereferentiedatum (d.w.z. het verschil tussen de rapportagereferentiedatum en de vervaldatum is een negatieve waarde), wordt de blootstelling in het segment [0 – 3M] ingedeeld.

Blootstellingen zonder resterende looptijd worden aan een resterendelooptijdsegment toegewezen op basis van de opzegtermijn of andere contractuele aanwijzingen over de looptijd. Indien er geen vooraf bepaalde opzegtermijn is of er geen andere contractuele aanwijzingen over de looptijd bestaan, worden blootstellingen ingedeeld in het resterendelooptijdsegment [10J – meer].

8.   NPE-VERLIESDEKKING (NPE LC)

8.1.   ALGEMENE OPMERKINGEN

200. De templates voor NPE-verliesdekking bevatten informatie over niet-renderende blootstellingen („NPE’s”) voor de berekening van het minimale verliesdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen als gespecificeerd in de artikelen 47 bis, 47 ter en 47 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013.

201. Het blok templates bestaat uit een reeks van drie templates:

a) 

De berekening van aftrekkingen voor NPE’s (C 35.01): dit is een overzichtstemplate met het toepasselijke bedrag van onvoldoende dekking, berekend als het verschil tussen de totale minimumdekkingsvereisten voor NPE’s en de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen die reeds zijn verricht. De template bestrijkt zowel de niet-renderende blootstellingen waarvoor geen respijtmaatregel is toegekend, als niet-renderende respijtblootstellingen.

b) 

Minimumdekkingsvereisten en blootstellingswaarden van niet-renderende blootstellingen, exclusief respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen (C 35.02): de template berekent de totale minimumdekkingsvereisten voor niet-renderende blootstellingen die geen niet-renderende respijtblootstellingen zijn die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, met vermelding van de factoren die ten behoeve van deze berekening op de blootstellingswaarden moeten worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de blootstelling gedekt of niet-gedekt is en afhankelijk van hoeveel tijd verstreken is sinds de blootstelling niet-renderend is geworden.

c) 

Minimumdekkingsvereisten en blootstellingswaarden van niet-renderende blootstellingen, exclusief respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen (C 35.03): de template berekent de totale minimumdekkingsvereisten voor niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, met vermelding van de factoren die bij deze berekening op de blootstellingswaarden moeten worden toegepast, afhankelijk van de vraag of de blootstelling gedekt of niet-gedekt is en afhankelijk van hoeveel tijd verstreken is sinds de blootstelling niet-renderend is geworden.

202. Het minimale verliesdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen is van toepassing op: i) blootstellingen die zijn geïnitieerd op en na 26 april 2019 en die niet-renderend worden, en ii) blootstellingen die vóór 26 april 2019 zijn geïnitieerd wanneer zij na die datum zodanig worden gewijzigd dat daarmee de blootstelling aan de debiteur toeneemt (artikel 469 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013) en die niet-renderend worden.

203. De instellingen berekenen de aftrekkingen voor NPE’s overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de berekening van de minimumdekkingsvereisten en het totaal aan voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen, op het niveau van de individuele blootstelling („transactiegebaseerd”) – en niet op debiteur- of portefeuilleniveau.

204. Voor de berekening van de aftrekkingen voor NPE’s maken de instellingen een onderscheid tussen het niet-gedekte en het gedekte deel van een NPE overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Daartoe rapporteren de instellingen de blootstellingswaarden en minimumdekkingsvereisten afzonderlijk voor het niet-gedekte en voor het gedekte deel van NPE’s.

205. Ten behoeve van de mapping van de relevante toepasselijke factoren en de berekening van de minimumdekkingsvereisten classificeren de instellingen het gedekte deel van NPE’s overeenkomstig artikel 47 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 naargelang het soort kredietprotectie, als volgt: i) „gedekt door onroerend goed of woonkrediet gedekt door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201”; ii) „gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie”, of iii) „gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling”. Wanneer een niet-renderende blootstelling door meer dan één soort kredietprotectie wordt gedekt, wordt de blootstellingswaarde ervan ingedeeld volgens de kwaliteit van de kredietprotectie, te beginnen bij die met de beste kwaliteit.

8.2.   C 35.01 – BEREKENING VAN AFTREKKINGEN VOOR NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (NPE LC1)

8.2.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010-0100

Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend

Onder „tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend” wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is, vanaf de referentiedatum, sinds de blootstelling als niet-renderend is geclassificeerd. Voor gekochte niet-renderende blootstellingen begint de termijn in jaren te lopen vanaf de datum waarop de blootstelling oorspronkelijk als niet-renderend werd geclassificeerd – en niet vanaf de datum van aankoop ervan.

De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen.

Voor het tijdsinterval „> X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren)” rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend.

0110

Totaal

De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100.



Rijen

Instructies

0010

Toepasselijk bedrag aan onvoldoende dekking

Artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van het toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking trekken de instellingen de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (gemaximeerd) (rij 0080) af van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen (rij 0020).

Het toepasselijke bedrag aan onvoldoende dekking (d.w.z. het tekort in het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen) is gelijk aan of groter dan nul.

0020

Totaal minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen tellen de instellingen het minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0030) en het minimumdekkingsvereiste voor het gedekte deel van NPE’s (rij 0040) bij elkaar op.

0030

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), artikel 47 quater, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instelling rapporteert het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s, d.w.z. de som van de berekeningen op blootstellingsniveau.

Het in elke kolom gerapporteerde bedrag is gelijk aan de som van de bedragen gerapporteerd in rij 0020 van C 35.02 en rij 0020 van C 35.03 (indien van toepassing) in de respectieve kolommen.

0040

Gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, leden 3, 4 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instelling rapporteert het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s, d.w.z. de som van de berekeningen op blootstellingsniveau.

Het in elke kolom gerapporteerde bedrag is gelijk aan de som van de bedragen gerapporteerd in rij 0030-0050 van C 35.02 en rij 0030-0040 van C 35.03 (indien van toepassing) in de respectieve kolommen.

0050

Blootstellingswaarde

Artikel 47 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van NPE’s, met inbegrip van zowel de niet-gedekte als de gedekte blootstellingen. Dit stemt overeen met de som van rij 0060 en rij 0070.

0060

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0070

Gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

0080

Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (gemaximeerd)

De instellingen rapporteren het gemaximeerde bedrag van de som van de in de rijen 0100-0150 vermelde posten overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. De bovengrens voor gemaximeerde voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen is het bedrag van het minimumdekkingsvereiste op blootstellingsniveau.

Het gemaximeerde bedrag wordt voor elke blootstelling afzonderlijk berekend als het laagste bedrag tussen het minimumdekkingsvereiste voor deze blootstelling en de totale voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen voor dezelfde blootstelling.

0090

Totaal voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (niet-gemaximeerd)

De instellingen rapporteren de som van het niet-gemaximeerde bedrag van de in de rijen 0100-0150 vermelde posten overeenkomstig artikel 47 quater, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voorzieningen en aanpassingen of aftrekkingen (niet-gemaximeerd) zijn niet beperkt tot het bedrag van het minimumdekkingsvereiste op blootstellingsniveau.

0100

Specifieke kredietrisicoaanpassingen

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0110

Aanvullende waardeaanpassingen

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0120

Andere eigenvermogensverlagingen

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), iii), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0130

IRB-tekort

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0140

Verschil tussen de aankoopprijs en het door de debiteur verschuldigde bedrag

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), v), van Verordening (EU) nr. 575/2013

0150

Door de instelling afgeschreven bedragen sinds de blootstelling als niet-renderend werd geclassificeerd

Artikel 47 quater, lid 1, punt b), vi), van Verordening (EU) nr. 575/2013

8.3.   C 35.02 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN MET UITSLUITING VAN RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC2)

8.3.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010-0100

Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend

Onder „tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend” wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen.

Voor het tijdsinterval „> X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren)” rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend.

0110

Totaal

De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100.



Rijen

Instructies

0010

Totaal minimumdekkingsvereiste

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste voor niet-renderende blootstellingen, met uitsluiting van respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, tellen de instellingen het minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0020) en het minimumdekkingsvereiste voor het gedekte deel van NPE’s (rijen 0030-0050) bij elkaar op.

0020

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), en artikel 47 quater, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0070 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom.

0030

Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0080 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom.

0040

Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0090 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom.

0050

Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling

Artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Het minimumdekkingsvereiste wordt berekend door de geaggregeerde blootstellingswaarden in rij 0100 te vermenigvuldigen met de overeenkomstige factor per kolom.

0060

Blootstellingswaarde

Artikel 47 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van rij 0060 tellen de instellingen de gerapporteerde blootstellingswaarden voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0070), het deel van NPE’s dat gedekt wordt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0080), het deel van NPE’s dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0090) en het deel van NPE’s dat gegarandeerd of verzekerd is door een officiële exportkredietinstelling (rij 0100), bij elkaar op.

0070

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van het niet-gedekte deel van NPE’s, uitgesplitst naar de tijd die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0080

Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever

Artikel 47 quater, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt worden door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening.

0090

Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 47 bis, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die gedekt zijn door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0100

Deel van NPE’s gegarandeerd of verzekerd door een officiële exportkredietinstelling

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die gegarandeerd of verzekerd zijn door een officiële exportkredietinstelling of die een garantie of tegengarantie hebben van een andere toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 47 quater, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

8.4.   C 35.03 – MINIMUMDEKKINGSVEREISTEN EN BLOOTSTELLINGSWAARDEN VAN NIET-RENDERENDE RESPIJTBLOOTSTELLINGEN DIE ONDER ARTIKEL 47 QUATER, LID 6, VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 VALLEN (NPE LC3)

8.4.1.   Instructies voor specifieke posities



Kolommen

Instructies

0010-0100

Tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend

Onder „tijd verstreken sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend” wordt verstaan de tijd in jaren die verstreken is sinds de classificatie van de blootstelling als niet-renderend. De instellingen rapporteren gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum in het overeenkomstige tijdsinterval valt, met vermelding van de periode in jaren na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend, ongeacht de toepassing van respijtmaatregelen.

Voor het tijdsinterval „> X jaar (jaren), ≤ Y jaar (jaren)” rapporteren de instellingen gegevens over blootstellingen waarvoor de referentiedatum overeenkomt met de periode tussen de eerste en de laatste dag van het Yde jaar volgend op de classificatie van deze blootstellingen als niet-renderend.

0110

Totaal

De instellingen rapporteren de som van alle kolommen van 0010 tot en met 0100.



Rijen

Instructies

0010

Totaal minimumdekkingsvereiste

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van het totale minimumdekkingsvereiste van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, tellen de instellingen de minimumdekkingsvereisten voor het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen (rij 0020), het deel van niet-renderende respijtblootstellingen dat gedekt wordt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0030), en het deel van niet-renderende respijtblootstellingen dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0040), bij elkaar op.

0020

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), i), artikel 47 quater, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau.

0030

Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor delen van niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt zijn door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening, en die onder artikel 47 quater, lid 6, van die verordening vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau.

0040

Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 47 quater, lid 1, punt a), ii), artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren het totale minimumdekkingsvereiste voor delen van niet-renderende respijtblootstellingen die gedekt zijn door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie, en die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, d.w.z. de som van berekeningen op blootstellingsniveau.

0050

Blootstellingswaarde

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de berekening van de blootstellingswaarde tellen de instellingen de blootstellingswaarden voor het niet-gedekte deel van NPE’s (rij 0060), het deel van NPE’s dat door onroerend goed gedekt wordt of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever (rij 0070), en het deel van NPE’s dat gedekt wordt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie (rij 0120), indien van toepassing, bij elkaar op.

0060

Niet-gedekt deel van NPE’s

Artikel 47 bis, lid 2, en artikel 47 quater, leden 1, 2 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van het niet-gedekte deel van niet-renderende respijtblootstellingen die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het tweede jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend (> 1 jaar; ≤ 2 jaar),

0070

Deel van NPE’s gedekt door onroerend goed of dat woonkrediet is dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever

Artikel 47 quater, lid 2, artikel 47 quater, lid 1, en artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), d), f), h) en i), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en door onroerend goed overeenkomstig deel drie, titel II, van die verordening worden gedekt of die woonkredieten zijn die gedekt worden door een toelaatbare protectiegever als bedoeld in artikel 201 van die verordening.

0080

> 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het derde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0090

> 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vierde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0100

> 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat gedekt wordt door een toelaatbare protectiegever, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vijfde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0110

> 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door onroerend goed worden gedekt of die woonkrediet zijn dat door een toelaatbare protectiegever gedekt wordt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het zesde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0120

Deel van NPE’s gedekt door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel 47 quater, lid 1, artikel 47 quater, lid 3, punten a), b), c), e) en g), en artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De instellingen rapporteren de totale blootstellingswaarde van de delen van NPE’s die onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en gedekt worden door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig deel drie, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

0130

> 2 en ≤ 3 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het derde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0140

> 3 en ≤ 4 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vierde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0150

> 4 en ≤ 5 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het vijfde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

0160

> 5 en ≤ 6 jaar na classificatie als NPE

De instellingen rapporteren de blootstellingswaarde van onder artikel 47 quater, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende niet-renderende respijtblootstellingen die door andere volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie worden gedekt, indien de eerste respijtmaatregel is toegekend tussen de eerste en de laatste dag van het zesde jaar na de classificatie van de blootstelling als niet-renderend.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • Builddate: 01.09.2024 00:00:00 -Doknr: CELEX:32021R0451
  • EULAW_BG -

    EULAW_BG