+RICHTLIJN (EU) 2023/1791 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS
------+Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
---------+Artikel 1 1.
---------+Artikel 1 2.
------+Artikel 2 Definities
------+Artikel 3 Het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
---------+Artikel 3 1.
---------+Artikel 3 2.
---------+Artikel 3 3.
---------+Artikel 3 4.
---------+Artikel 3 5.
---------+Artikel 3 6.
------+Artikel 4 Energie-efficiëntiestreefcijfers
---------+Artikel 4 1.
---------+Artikel 4 2.
---------+Artikel 4 3.
---------+Artikel 4 4.
---------+Artikel 4 5.
---------+Artikel 4 6.
---------+Artikel 4 7.
---+HOOFDSTUK II VOORBEELDFUNCTIE VAN DE PUBLIEKE SECTOR
------+Artikel 5 Leidende rol voor de publieke sector op het gebied van energie-efficiëntie
---------+Artikel 5 1.
---------+Artikel 5 2.
---------+Artikel 5 3.
---------+Artikel 5 4.
---------+Artikel 5 5.
---------+Artikel 5 6.
---------+Artikel 5 7.
---------+Artikel 5 8.
---------+Artikel 5 9.
------+Artikel 6 Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties
---------+Artikel 6 1.
---------+Artikel 6 2.
---------+Artikel 6 3.
---------+Artikel 6 4.
---------+Artikel 6 5.
---------+Artikel 6 6.
------+Artikel 7 Overheidsopdrachten
---------+Artikel 7 1.
---------+Artikel 7 2.
---------+Artikel 7 3.
---------+Artikel 7 4.
---------+Artikel 7 5.
---------+Artikel 7 6.
---------+Artikel 7 7.
---------+Artikel 7 8.
---+HOOFDSTUK III EFFICIËNTIE IN ENERGIEGEBRUIK
------+Artikel 8 Verplichting inzake energiebesparing
---------+Artikel 8 1.
---------+Artikel 8 2.
---------+Artikel 8 3.
---------+Artikel 8 4.
---------+Artikel 8 5.
---------+Artikel 8 6.
---------+Artikel 8 7.
---------+Artikel 8 8.
---------+Artikel 8 9.
---------+Artikel 8 10.
---------+Artikel 8 11.
---------+Artikel 8 12.
---------+Artikel 8 13.
---------+Artikel 8 14.
------+Artikel 9 Verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie
---------+Artikel 9 1.
---------+Artikel 9 2.
---------+Artikel 9 3.
---------+Artikel 9 4.
---------+Artikel 9 5.
---------+Artikel 9 6.
---------+Artikel 9 7.
---------+Artikel 9 8.
---------+Artikel 9 9.
---------+Artikel 9 10.
---------+Artikel 9 11.
---------+Artikel 9 12.
------+Artikel 10 Alternatieve beleidsmaatregelen
---------+Artikel 10 1.
---------+Artikel 10 2.
---------+Artikel 10 3.
---------+Artikel 10 4.
------+Artikel 11 Energiebeheersystemen en energie-audits
---------+Artikel 11 1.
---------+Artikel 11 2.
---------+Artikel 11 3.
---------+Artikel 11 4.
---------+Artikel 11 5.
---------+Artikel 11 6.
---------+Artikel 11 7.
---------+Artikel 11 8.
---------+Artikel 11 9.
---------+Artikel 11 10.
---------+Artikel 11 11.
---------+Artikel 11 12.
------+Artikel 12 Datacentra
---------+Artikel 12 1.
---------+Artikel 12 2.
---------+Artikel 12 3.
---------+Artikel 12 4.
---------+Artikel 12 5.
------+Artikel 13 Meting voor aardgas
---------+Artikel 13 1.
---------+Artikel 13 2.
------+Artikel 14 Meting betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
---------+Artikel 14 1.
---------+Artikel 14 2.
------+Artikel 15 Individuele bemetering en kostenverdeling betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
---------+Artikel 15 1.
---------+Artikel 15 2.
---------+Artikel 15 3.
------+Artikel 16 Verplichting inzake op afstand leesbare meters
---------+Artikel 16 1.
---------+Artikel 16 2.
------+Artikel 18 Facturering en verbruiksinformatie betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
---------+Artikel 18 1.
---------+Artikel 18 2.
---------+Artikel 18 3.
------+Artikel 20 Kosten van toegang tot informatie over meting, facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
---------+Artikel 20 1.
---------+Artikel 20 2.
---------+Artikel 20 3.
---+HOOFDSTUK IV INFORMATIEVERSTREKKING AAN CONSUMENTEN EN VERBETERING VAN HUN SLAGVAARDIGHEID
------+Artikel 21 Contractuele basisrechten voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
---------+Artikel 21 1.
---------+Artikel 21 2.
---------+Artikel 21 3.
---------+Artikel 21 4.
---------+Artikel 21 5.
---------+Artikel 21 6.
---------+Artikel 21 7.
---------+Artikel 21 8.
---------+Artikel 21 9.
------+Artikel 22 Voorlichting en bewustmaking
---------+Artikel 22 1.
---------+Artikel 22 2.
---------+Artikel 22 3.
---------+Artikel 22 4.
---------+Artikel 22 5.
---------+Artikel 22 6.
---------+Artikel 22 7.
---------+Artikel 22 8.
---------+Artikel 22 9.
---------+Artikel 22 10.
------+Artikel 23 Partnerschappen voor energie-efficiëntie
---------+Artikel 23 1.
---------+Artikel 23 2.
------+Artikel 24 Kwetsbare afnemers slagvaardiger maken en beschermen en energiearmoede verminderen
---------+Artikel 24 1.
---------+Artikel 24 2.
---------+Artikel 24 3.
---------+Artikel 24 4.
---+HOOFDSTUK V EFFICIËNTIE VAN DE ENERGIEVOORZIENING
------+Artikel 25 Beoordeling en planning van verwarming en koeling
---------+Artikel 25 1.
---------+Artikel 25 2.
---------+Artikel 25 3.
---------+Artikel 25 4.
---------+Artikel 25 5.
---------+Artikel 25 6.
------+Artikel 26 Verwarming en koeling
---------+Artikel 26 1.
---------+Artikel 26 2.
---------+Artikel 26 3.
---------+Artikel 26 4.
---------+Artikel 26 5.
---------+Artikel 26 6.
---------+Artikel 26 7.
---------+Artikel 26 8.
---------+Artikel 26 9.
---------+Artikel 26 10.
---------+Artikel 26 11.
---------+Artikel 26 12.
---------+Artikel 26 13.
---------+Artikel 26 14.
------+Artikel 27 Omzetting, transport en distributie van energie
---------+Artikel 27 1.
---------+Artikel 27 2.
---------+Artikel 27 3.
---------+Artikel 27 4.
---------+Artikel 27 5.
---------+Artikel 27 6.
---------+Artikel 27 7.
---------+Artikel 27 8.
---------+Artikel 27 9.
---------+Artikel 27 10.
---------+Artikel 27 11.
---+HOOFDSTUK VI HORIZONTALE BEPALINGEN
------+Artikel 28 Beschikbaarheid van regelingen voor kwalificatie, accreditatie en certificering
---------+Artikel 28 1.
---------+Artikel 28 2.
---------+Artikel 28 3.
---------+Artikel 28 4.
---------+Artikel 28 5.
---------+Artikel 28 6.
------+Artikel 29 Energiediensten
---------+Artikel 29 1.
---------+Artikel 29 2.
---------+Artikel 29 3.
---------+Artikel 29 4.
---------+Artikel 29 5.
---------+Artikel 29 6.
---------+Artikel 29 7.
---------+Artikel 29 8.
------+Artikel 30 Nationaal fonds voor energie-efficiëntie, financiering en technische ondersteuning
---------+Artikel 30 1.
---------+Artikel 30 2.
---------+Artikel 30 3.
---------+Artikel 30 4.
---------+Artikel 30 5.
---------+Artikel 30 6.
---------+Artikel 30 7.
---------+Artikel 30 8.
---------+Artikel 30 9.
---------+Artikel 30 10.
---------+Artikel 30 11.
---------+Artikel 30 12.
---------+Artikel 30 13.
---------+Artikel 30 14.
---------+Artikel 30 15.
---------+Artikel 30 16.
---------+Artikel 30 17.
---------+Artikel 30 18.
------+Artikel 31 Conversiefactoren en primaire-energiefactoren
---------+Artikel 31 1.
---------+Artikel 31 2.
---------+Artikel 31 3.
---------+Artikel 31 4.
---------+Artikel 31 5.
---------+Artikel 31 6.
---------+Artikel 31 7.
---+HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 32 Sancties
------+Artikel 33 Gedelegeerde handelingen
---------+Artikel 33 1.
---------+Artikel 33 2.
---------+Artikel 33 3.
------+Artikel 34 Uitoefening van de delegatie
---------+Artikel 34 1.
---------+Artikel 34 2.
---------+Artikel 34 3.
---------+Artikel 34 4.
---------+Artikel 34 5.
---------+Artikel 34 6.
------+Artikel 35 Toetsing van en toezicht op de uitvoering
---------+Artikel 35 1.
---------+Artikel 35 2.
---------+Artikel 35 3.
---------+Artikel 35 4.
---------+Artikel 35 5.
---------+Artikel 35 6.
---------+Artikel 35 7.
---------+Artikel 35 8.
------+Artikel 36 Omzetting
---------+Artikel 36 1.
---------+Artikel 36 2.
------+Artikel 37 Wijziging van Verordening (EU) 2023/955
------+Artikel 38 Intrekking
------+Artikel 39 Inwerkingtreding en toepassing
------+Artikel 40 Adressaten
---+BIJLAGE I NATIONALE BIJDRAGEN AAN DE ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS VAN DE UNIE INZAKE FINAAL ENERGIEVERBRUIK EN/OF PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK VOOR 2030
---+BIJLAGE II ALGEMENE BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN ELEKTRICITEIT UIT WARMTEKRACHTKOPPELING
---+BIJLAGE III METHODE VOOR DE BEPALING VAN HET RENDEMENT VAN HET WARMTEKRACHTKOPPELINGSPROCES
---+BIJLAGE IV ENERGIE-EFFICIËNTIE-EISEN VOOR OPENBARE AANBESTEDINGEN
---+BIJLAGE V GEMEENSCHAPPELIJKE METHODEN EN BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN HET EFFECT VAN VERPLICHTINGSREGELINGEN VOOR ENERGIE-EFFICIËNTIE OF ANDERE BELEIDSMAATREGELEN UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN 8, 9 EN 10, EN ARTIKEL 30, LID 14
---+BIJLAGE VI MINIMUMCRITERIA VOOR ENERGIE-AUDITS, ONDER MEER DIE WELKE ALS ONDERDEEL VAN EEN ENERGIEBEHEERSYSTEEM WORDEN UITGEVOERD
---+BIJLAGE VII MINIMUMEISEN VOOR HET MONITOREN EN BEKENDMAKEN VAN DE ENERGIEPRESTATIES VAN DATACENTRA
---+BIJLAGE IX MINIMUMEISEN VOOR INFORMATIE OVER FACTURERING EN VERBRUIK BETREFFENDE VERWARMING, KOELING EN WARM WATER VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK
---+BIJLAGE X EFFICIËNTIEPOTENTIEEL INZAKE VERWARMING EN KOELING
---+BIJLAGE XI KOSTEN-BATENANALYSES
---+BIJLAGE XII GARANTIE VAN OORSPRONG VOOR ELEKTRICITEIT UIT HOOGRENDERENDE WARMTEKRACHTKOPPELING
---+BIJLAGE XIII ENERGIE-EFFICIËNTIECRITERIA VOOR DE REGULERING VAN ENERGIENETTEN EN VOOR ELEKTRICITEITSNETTARIEVEN
---+BIJLAGE XIV ENERGIE-EFFICIËNTIEVERPLICHTINGEN VOOR TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDERS
---+BIJLAGE XV ENERGIEPRESTATIECONTRACTEN OF DE BIJBEHORENDE BESTEKKEN MOETEN TEN MINSTE HET VOLGENDE BEVATTEN:
---+BIJLAGE XVI
---+BIJLAGE XVII Concordantietabel
|
English -
European Union -
Energy -
RICHTLIJN (EU) 2023/1791 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
RICHTLIJN (EU) 2023/1791 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 13 september 2023
betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS
|
HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS
|
|
HOOFDSTUK II VOORBEELDFUNCTIE VAN DE PUBLIEKE SECTOR
|
HOOFDSTUK II VOORBEELDFUNCTIE VAN DE PUBLIEKE SECTOR
|
|
HOOFDSTUK III EFFICIËNTIE IN ENERGIEGEBRUIK
|
HOOFDSTUK III EFFICIËNTIE IN ENERGIEGEBRUIK
|
|
HOOFDSTUK IV INFORMATIEVERSTREKKING AAN CONSUMENTEN EN VERBETERING VAN HUN SLAGVAARDIGHEID
|
HOOFDSTUK IV INFORMATIEVERSTREKKING AAN CONSUMENTEN EN VERBETERING VAN HUN SLAGVAARDIGHEID
|
|
HOOFDSTUK V EFFICIËNTIE VAN DE ENERGIEVOORZIENING
|
HOOFDSTUK V EFFICIËNTIE VAN DE ENERGIEVOORZIENING
|
|
HOOFDSTUK VI HORIZONTALE BEPALINGEN
|
HOOFDSTUK VI HORIZONTALE BEPALINGEN
|
|
HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN
|
|
BIJLAGE I NATIONALE BIJDRAGEN AAN DE ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS VAN DE UNIE INZAKE FINAAL ENERGIEVERBRUIK EN/OF PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK VOOR 2030
|
BIJLAGE I
NATIONALE BIJDRAGEN AAN DE ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS VAN DE UNIE INZAKE FINAAL ENERGIEVERBRUIK EN/OF PRIMAIR ENERGIEVERBRUIK VOOR 2030
1. Het niveau van de nationale bijdragen wordt berekend op basis van deze indicatieve formule:
waarbij CEU een correctiefactor is, Target het niveau van de landspecifieke ambitie en FECB2030 PECB2030 het EU-referentiescenario 2020 dat wordt gebruikt als basisscenario voor 2030.
2. De volgende indicatieve formule staat voor de objectieve criteria die overeenkomen met de factoren in artikel 4, lid 3, punt d), i) tot en met iv), die elk worden gebruikt om het niveau van de landspecifieke ambitie uit te drukken in % (Target) en die hetzelfde gewicht hebben in de formule (0,25):
a)
een op een vroegtijdige actie gebaseerde bijdrage (“Fearly-action”);
b)
een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage (“Fwealth”);
c)
een van de energie-intensiteit afhankelijke bijdrage (“Fintensity”);
d)
een op het potentieel voor kosteneffectieve energiebesparing gebaseerde bijdrage (“Fpotential”).
3. Fearly-action wordt voor iedere lidstaat berekend als het product van zijn energiebesparing en de verbetering van de energie-intensiteit die elke lidstaat heeft verwezenlijkt. De omvang van de energiebesparing wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van de vermindering van het energieverbruik (in toe) in verhouding tot de vermindering van het energieverbruik van de Unie tussen het driejaarsgemiddelde voor de periode 2007-2009 en het driejaarsgemiddelde voor de periode 2017-2019. De verbetering van de energie-intensiteit wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van de vermindering van de energie-intensiteit (in toe/EUR) in verhouding tot de vermindering van de energie-intensiteit van de Unie tussen het driejaarsgemiddelde voor de periode 2007-2009 en het driejaarsgemiddelde voor de periode 2017-2019.
4. Fwealth wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van zijn over drie jaar gemiddelde Eurostat-indexcijfer van het reële bbp per hoofd van de bevolking in verhouding tot het driejaarsgemiddelde van de Unie voor de periode 2017-2019, uitgedrukt in koopkrachtpariteiten (KKP's).
5. Fintensity wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van zijn over drie jaar gemiddelde index van eindenergie-intensiteit (FEC of PEC per reële bbp in KKP's) in verhouding tot het driejaarsgemiddelde van de Unie voor de periode 2017-2019.
6. Fpotential wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van de besparingen van eindenergie of primaire energie in het kader van het PRIMES-scenario MIX 55 % voor 2030. De besparingen worden uitgedrukt in verhouding tot de prognoses voor 2030 van het EU-referentiescenario 2020.
7. Voor ieder criterium van punt 2, a) tot en met d), wordt een onder- en bovengrens toegepast. Voor het ambitieniveau voor de factoren Fwealth Fintensity en Fpotential geldt een bovengrens van 50 % tot 150 % van het gemiddelde ambitieniveau in de Unie voor een gegeven factor. Voor het ambitieniveau voor de factor Fearly-action geldt een bovengrens van 50 % tot 100 % van het gemiddelde ambitieniveau in de Unie.
8. Tenzij anders vermeld, wordt bij de berekening van de factoren Eurostat als bron voor de inputgegevens gebruikt.
9. Ftotal wordt berekend als de gewogen som van alle vier de factoren (Fearly-action. Fwealth Fintensity en Fpotential). Het streefcijfer wordt vervolgens berekend als het product van totaalfactor Ftotal en het Uniestreefcijfer.
10. De Commissie berekent een correctiefactor voor primair en finaal energieverbruik CEU, die wordt toegepast om de som van de formuleresultaten voor alle nationale bijdragen af te stemmen op de respectieve Uniestreefcijfers in 2030. De factor CEU is identiek voor alle lidstaten.
|
|
BIJLAGE II ALGEMENE BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN ELEKTRICITEIT UIT WARMTEKRACHTKOPPELING
|
BIJLAGE II
ALGEMENE BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN ELEKTRICITEIT UIT WARMTEKRACHTKOPPELING
Deel I
Algemene beginselen
De waarden die voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling worden gebruikt, worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden. Voor micro-warmtekrachtkoppelingseenheden kunnen de berekeningen worden gebaseerd op gecertificeerde waarden.
1)
De elektriciteitsproductie uit warmtekrachtkoppeling wordt gelijkgesteld aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid op jaarbasis, gemeten op de aansluiting op de hoofdgeneratoren, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen 2), 4), 5), 6), 7) en 8) met een totaal rendement op jaarbasis dat door de lidstaten wordt vastgesteld op ten minste 75 %;
b)
in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen 1) en 3) met een totaal rendement op jaarbasis dat door de lidstaten wordt vastgesteld op ten minste 80 %.
2)
In warmtekrachtkoppelingseenheden met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de in punt 1), a), genoemde waarde, namelijk warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen 2), 4), 5), 6), 7) en 8) of met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de in punt 1), b), genoemde waarde, namelijk warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen 1) en 3) wordt de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling berekend volgens de volgende formule:
ECHP=HCHP*C
waarbij:
ECHP de hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is;
C de elektriciteit-warmteratio is;
HCHP de hoeveelheid nuttige warmte uit warmtekrachtkoppeling is (voor dit doel berekend als de totale warmteproductie minus de warmte die is geproduceerd in aparte ketels of door aftap van directe stoom van de stoomgenerator vóór de turbine).
De elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de werkelijke elektriciteit-warmteratio. Als de werkelijke elektriciteit-warmteratio van een warmtekrachtkoppelingseenheid onbekend is, kunnen, met name voor statistische doeleinden, de volgende standaardwaarden worden gebruikt voor eenheden van de in deel II genoemde typen 1), 2), 3), 4) en 5), mits de berekende elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling minder is dan of gelijk is aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid:
|
Type eenheid
|
Standaard elektriciteit-warmteratio, C
|
|
Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning
|
0,95
|
|
Tegendrukstoomturbine
|
0,45
|
|
Aftap-condensatiestoomturbine
|
0,45
|
|
Gasturbine met warmteterugwinning
|
0,55
|
|
Interne verbrandingsmotor
|
0,75
|
Als de lidstaten standaardwaarden voor de elektriciteit-warmteratio's introduceren voor eenheden van de in deel II genoemde typen 6), 7), 8), 9), 10) en 11), worden deze standaardwaarden bekendgemaakt en ter kennis van de Commissie gebracht.
3)
Indien een deel van de energie-inhoud van de brandstofinvoer in het warmtekrachtkoppelingsproces wordt teruggewonnen in de vorm van chemicaliën en wordt gerecycled, kan dat deel op de brandstofinvoer in mindering worden gebracht voordat het totale rendement, bedoeld in de punten 1) en 2), wordt berekend.
4)
De lidstaten kunnen de elektriciteit-warmteratio definiëren als de verhouding tussen elektriciteit en nuttige warmte wanneer de warmtekrachtkoppelingsmodus op een lagere capaciteit in bedrijf is, op basis van operationele gegevens van de specifieke eenheid.
5)
De lidstaten mogen voor de berekeningen overeenkomstig de punten 1) en 2) andere rapportageperioden dan die van één jaar hanteren.
Deel II
Technologieën voor warmtekrachtkoppeling waarop de richtlijn betrekking heeft
1)
Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning
3)
Aftap-condensatiestoomturbine
4)
Gasturbine met warmteterugwinning
5)
Interne verbrandingsmotor
10)
Organische Rankine-cyclus
11)
Alle overige typen technologie of combinaties waarbij warmtekrachtkoppeling wordt gebruikt.
Bij het uitvoeren en toepassen van de algemene beginselen voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling gebruiken de lidstaten de gedetailleerde richtsnoeren die zijn vastgesteld bij Beschikking 2008/952/EG van de Commissie (
16
).
|
|
BIJLAGE III METHODE VOOR DE BEPALING VAN HET RENDEMENT VAN HET WARMTEKRACHTKOPPELINGSPROCES
|
BIJLAGE III
METHODE VOOR DE BEPALING VAN HET RENDEMENT VAN HET WARMTEKRACHTKOPPELINGSPROCES
De waarden die gebruikt worden voor de berekening van het rendement van warmtekrachtkoppeling en de besparingen op primaire energie worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden.
a) Hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
Voor de toepassing van deze richtlijn voldoet hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan de volgende criteria:
—
warmtekrachtkoppelingsproductie afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden levert een besparing op primaire energie op van ten minste 10 % berekend overeenkomstig b), ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit;
—
de productie afkomstig van kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden die een besparing op primaire energie opleveren, kan worden aangemerkt als hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
—
voor warmtekrachtkoppelingseenheden die na de omzetting van deze bijlage worden gebouwd of ingrijpend worden gerenoveerd, zijn de directe emissies van koolstofdioxide uit warmtekrachtkoppelingsproductie die wordt gestookt met fossiele brandstoffen, minder dan 270 gCO2 per 1 kWh energieoutput uit de gekoppelde opwekking (met inbegrip van warmte/koude, stroom en mechanische energie);
—
voor warmtekrachtkoppelingseenheden die vóór 10 oktober 2023 in gebruik zijn, kan tot 1 januari 2034 van deze vereiste worden afgeweken mits er een plan voor bestaat om de emissies geleidelijk te verminderen teneinde uiterlijk op 1 januari 2034 te voldoen aan de drempel van minder dan 270 gCO2 per 1 kWH en mits dit plan ter kennis van de betrokken exploitanten en van de bevoegde autoriteiten is gebracht.
Wanneer een warmtekrachtkoppelingseenheid wordt gebouwd of ingrijpend wordt gerenoveerd, zorgen de lidstaten ervoor dat het gebruik van andere fossiele brandstoffen dan aardgas in bestaande warmtebronnen niet toeneemt ten opzichte van het gemiddelde jaarlijkse verbruik over de laatste drie kalenderjaren van volledige exploitatie vóór de renovatie, en dat nieuwe warmtebronnen in dat systeem geen andere fossiele brandstoffen dan aardgas gebruiken.
b) Berekening van de besparing op primaire energie
De besparing op primaire energie als gevolg van warmtekrachtkoppelingsproductie, gedefinieerd in bijlage II, wordt met de volgende formule berekend:
Waarbij:
PES de besparing op primaire energie is.
CHP Hη het warmterendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als de opbrengst aan nuttige warmte op jaarbasis gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling.
Ref Hη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden warmteproductie is.
CHP Eη het elektriciteitsrendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling. Indien een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit gelijk aan die van mechanische energie. Dit aanvullend element geeft niet het recht om overeenkomstig artikel 26, lid 13, garanties van oorsprong af te geven.
Ref Eη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden elektriciteitsproductie is.
c) Berekening van de energiebesparing met een alternatieve berekeningsmethode
De lidstaten mogen de besparingen op primaire energie uit de productie van warmte, elektriciteit en mechanische energie op onderstaande wijze berekenen zonder bijlage II toe te passen ter uitsluiting van de aandelen van warmte of elektriciteit van hetzelfde proces die niet van warmtekrachtkoppeling afkomstig zijn. Deze productie kan als hoogrenderende warmtekrachtkoppeling worden aangemerkt, mits is voldaan aan de rendementscriteria van punt a) van deze bijlage, en dat, wat warmtekrachtkoppelingseenheden met een groter elektrisch vermogen dan 25 MW betreft, het totale rendement hoger is dan 70 %. De in deze productie geproduceerde hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling wordt overeenkomstig bijlage II evenwel afzonderlijk bepaald, met het oog op de afgifte van een garantie van oorsprong, en voor statistische doeleinden.
Indien de besparing op primaire energie voor een proces wordt berekend met de bovenstaande alternatieve berekeningsmethode, wordt de besparing op primaire energie berekend met behulp van de formule van punt b) van deze bijlage, waarbij “CHP Hη” wordt vervangen door “Hη” en “CHP Eη” wordt vervangen door “Eη”, waarbij
Hη het warmterendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte en elektriciteit te produceren;
Eη het elektriciteitsrendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan elektriciteit, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte en elektriciteit te produceren. Indien een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit gelijk aan die van mechanische energie. Dit aanvullend element geeft niet het recht om overeenkomstig artikel 26, lid 13, garanties van oorsprong af te geven.
De lidstaten mogen voor de berekeningen overeenkomstig de punten b) en c) van deze bijlage andere rapportageperioden dan die van één jaar hanteren.
Voor microwarmtekrachtkoppelingseenheden kan de berekening van de besparing op primaire energie worden gebaseerd op gecertificeerde gegevens.
d) Rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit
De geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden bestaan uit een matrix van waarden naargelang van de relevante factoren, met inbegrip van bouwjaar en type brandstof, en zijn gebaseerd op een goed gedocumenteerde analyse, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met gegevens over operationeel gebruik onder realistische omstandigheden, brandstofmengsel en klimatologische omstandigheden alsmede toegepaste warmtekrachtkoppelingstechnologieën.
De rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit overeenkomstig de formule van punt b) bepalen het bedrijfsrendement van de gescheiden warmte- en elektriciteitsproductie die warmtekrachtkoppeling beoogt te vervangen.
De rendementsreferentiewaarden worden berekend overeenkomstig de volgende beginselen:
i)
voor warmtekrachtkoppelingseenheden is de vergelijking met gescheiden elektriciteitsproductie gebaseerd op het beginsel dat dezelfde brandstofcategorieën moeten worden vergeleken;
ii)
elke warmtekrachtkoppelingseenheid wordt vergeleken met de best beschikbare en economisch verantwoorde technologie voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit op de markt in het jaar waarin de warmtekrachtkoppelingseenheid is gebouwd;
iii)
de rendementsreferentiewaarden voor warmtekrachtkoppelingseenheden die meer dan tien jaar oud zijn, worden vastgesteld op basis van de referentiewaarden voor eenheden die tien jaar oud zijn;
iv)
de rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte weerspiegelen de klimaatverschillen tussen de lidstaten.
|
|
BIJLAGE IV ENERGIE-EFFICIËNTIE-EISEN VOOR OPENBARE AANBESTEDINGEN
|
BIJLAGE IV
ENERGIE-EFFICIËNTIE-EISEN VOOR OPENBARE AANBESTEDINGEN
Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties die producten, diensten, gebouwen en werken aankopen, gaan in procedures voor de gunning van overheidsopdrachten en concessies als volgt te werk:
a)
zij kopen, in het geval van producten die onder een gedelegeerde handeling krachtens Verordening (EU) 2017/1369, Richtlijn 2010/31/EU of een daaraan gerelateerde uitvoeringshandeling van de Commissie vallen, alleen die producten aan welke voldoen aan het criterium van artikel 7, lid 2, van die verordening;
b)
zij kopen, in het geval van producten die niet onder a) vallen en het voorwerp uitmaken van een uitvoeringsmaatregel krachtens Richtlijn 2009/125/EG, alleen die producten aan welke voldoen aan de in die uitvoeringsmaatregel vermelde energie-efficiëntiebenchmarks;
c)
indien een product of dienst, wat betreft de energie-efficiëntie ervan, onder de Uniecriteria voor groene overheidsopdrachten of beschikbare gelijkwaardige nationale criteria valt, stellen zij alles in het werk om uitsluitend producten en diensten aan te kopen die minstens voldoen aan de technische specificaties die op “kernniveau” zijn vastgesteld in de betrokken Uniecriteria voor groene overheidsopdrachten of beschikbare gelijkwaardige nationale criteria, onder meer voor datacentra, serverruimten en clouddiensten, straatverlichting en verkeerslichten, computers, monitoren, tablets en smartphones;
d)
zij kopen alleen banden aan uit de hoogste brandstofrendementsklasse, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2020/740, hetgeen overheidsinstanties niet belet uit overwegingen van veiligheid of volksgezondheid banden aan te kopen met de beste grip op nat wegdek of de laagste rolgeluidemissie;
e)
zij eisen in hun aanbestedingen voor dienstverleningscontracten dat dienstverleners voor het verlenen van de desbetreffende diensten uitsluitend producten gebruiken die voldoen aan de punten a), b) en d). Deze verplichting geldt alleen voor nieuwe producten die door dienstverleners geheel of gedeeltelijk worden aangekocht voor het verlenen van de desbetreffende dienst;
f)
zij kopen gebouwen aan of sluiten nieuwe huurovereenkomsten voor gebouwen die ten minste bijna-energieneutraal zijn, onverminderd artikel 6 van deze richtlijn, tenzij het doel van de aankoop één van de volgende is:
i)
het uitvoeren van een grondige renovatie of afbraak;
ii)
in het geval van overheidsinstanties, het weer verkopen van het gebouw zonder het voor zijn eigen overheidsdoeleinden te gebruiken; of
iii)
het vrijwaren van het gebouw als een officieel beschermd gebouw als onderdeel van een als waardevol aangemerkt gebied, of vanwege zijn bijzondere architectuur of historische waarde.
De naleving van de in punt f) van deze bijlage vastgelegde verplichtingen wordt gecontroleerd aan de hand van de in artikel 11 van Richtlijn 2010/31/EU genoemde energieprestatiecertificaten.
|
|
BIJLAGE V GEMEENSCHAPPELIJKE METHODEN EN BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN HET EFFECT VAN VERPLICHTINGSREGELINGEN VOOR ENERGIE-EFFICIËNTIE OF ANDERE BELEIDSMAATREGELEN UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN 8, 9 EN 10, EN ARTIKEL 30, LID 14
|
BIJLAGE V
GEMEENSCHAPPELIJKE METHODEN EN BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN HET EFFECT VAN VERPLICHTINGSREGELINGEN VOOR ENERGIE-EFFICIËNTIE OF ANDERE BELEIDSMAATREGELEN UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN 8, 9 EN 10, EN ARTIKEL 30, LID 14
1. Methoden voor de berekening van andere energiebesparing dan die welke voortvloeien uit belastingmaatregelen ten behoeve van de artikelen 8, 9 en 10, en artikel 30, lid 14.
Aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen dan wel uitvoerende overheidsinstanties kunnen de volgende methoden gebruiken om de energiebesparing te berekenen:
a)
verwachte besparingen via verwijzing naar de uitkomsten van voorgaande onafhankelijk gecontroleerde energieverbeteringen in soortgelijke installaties. De generieke benadering wordt omschreven als “ex ante”;
b)
gemeten besparingen, in het kader waarvan de besparingen naar aanleiding van het instellen van een maatregel of een pakket maatregelen worden bepaald door middel van registratie van de feitelijke vermindering van het energiegebruik, naar behoren rekening houdend met factoren zoals additionaliteit, bezettingsgraad, productieniveaus en het weer, die van invloed kunnen zijn op het verbruik. De generieke benadering wordt omschreven als “ex post”;
c)
afgewogen besparingen, in het kader waarvan technische ramingen van de besparingen worden gebruikt. Deze aanpak mag alleen worden gehanteerd als de vaststelling van harde gemeten gegevens voor een specifieke installatie moeilijk of buitensporig duur is, bijvoorbeeld het vervangen van een compressor of elektromotor met een andere kWh-inschaling dan die waarvoor onafhankelijke gegevens inzake besparingen zijn gemeten, of als die ramingen volgens nationaal vastgestelde methoden en benchmarks worden uitgevoerd door gekwalificeerde of geaccrediteerde deskundigen die onafhankelijk zijn van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen;
d)
bij de berekening van de energiebesparing voor de toepassing van artikel 8, lid 3, die kunnen worden meegeteld om te voldoen aan de verplichting van dat artikel, kunnen de lidstaten de energiebesparing van mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers, mensen in huishoudens met een laag inkomen en, in voorkomend geval, mensen die in een sociale woning wonen, ramen op basis van technische ramingen aan de hand van gestandaardiseerde voorwaarden of parameters inzake bezettingsgraad en thermisch comfort, zoals parameters die zijn omschreven in nationale regelgeving over gebouwen. De wijze waarop met comfort rekening wordt gehouden voor acties in gebouwen, moet door de lidstaten aan de Commissie worden gerapporteerd, samen met uitleg over de berekeningsmethode daarvan.
e)
besparingen gebaseerd op onderzoeken, in het kader waarvan de reactie van consumenten op advies, voorlichtingscampagnes, etiketterings- of certificeringsregelingen of slimme meting wordt bepaald. Deze benadering mag uitsluitend worden toegepast op besparingen naar aanleiding van wijzigingen in het gedrag van de consument. Zij mag niet worden toegepast op besparingen die voortvloeien uit fysieke maatregelen.
2. Bij het bepalen van de energiebesparing voor een energie-efficiëntiemaatregel ten behoeve van de artikelen 8, 9 en 10, en artikel 30, lid 14, zijn de volgende beginselen van toepassing:
a)
de lidstaten tonen aan dat een van de doelstellingen van de nieuwe of bestaande beleidsmaatregel is de besparing op het finaal energieverbruik overeenkomstig artikel 8, lid 1, te realiseren en tonen met bewijsmateriaal en documentatie aan dat de energiebesparing voortvloeit uit de beleidsmaatregel, vrijwillige overeenkomsten daarbij inbegrepen;
b)
het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen of uitvoerende overheidsinstanties zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, houden de lidstaten rekening met hoe het energiegebruik en de energievraag zouden evolueren zonder de beleidsmaatregel in kwestie door rekening te houden met ten minste de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ten uitvoer worden gelegd;
c)
besparing die voortvloeit uit de toepassing van verplichtend Unierecht wordt beschouwd als besparing die hoe dan ook zou hebben plaatsgevonden, en mag dus niet worden geclaimd als energiebesparing uit hoofde van artikel 8, lid 1. In afwijking van dat vereiste mag besparing die verband houdt met de renovatie van bestaande gebouwen, waaronder de besparing die voortvloeit uit de toepassing van minimumnormen inzake energieprestaties in gebouwen overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU, worden geclaimd als energiebesparing uit hoofde van artikel 8, lid 1, voor zover het in punt 3, h), van deze bijlage bedoelde materieel belang is aangetoond. Maatregelen ter bevordering van de energie-efficiëntie in de openbare sector overeenkomstig de artikelen 5 en 6 kunnen in aanmerking komen om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsvereisten van artikel 8, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare eindenergiebesparing. De berekening van energiebesparing wordt uitgevoerd overeenkomstig deze bijlage;
d)
besparing op het eindverbruik van energie die voortvloeit uit de toepassing van energie-efficiëntieverbeteringsmaatregelen welke zijn genomen op grond van noodverordeningen uit hoofde van artikel 122 VWEU, kan worden geclaimd ten behoeve van artikel 8, lid 1, mits zij resulteert in verifieerbare en meet- of raambare besparing op het eindverbruik van energie, met uitzondering van energiebesparing die voortvloeit uit rationaliserings- of beperkende maatregelen;
e)
maatregelen die worden genomen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/842 kunnen als relevant worden beschouwd, maar de lidstaten moeten aantonen dat die maatregelen tot verifieerbare en meet- of raambare besparing van het finaal energieverbruik leiden. De berekening van energiebesparing wordt uitgevoerd overeenkomstig deze bijlage;
f)
de lidstaten mogen de besparingen op het finaal energieverbruik als gevolg van beleidsmaatregelen in sectoren of installaties die onder hoofdstuk IV bis van Richtlijn 2003/87/EG vallen, alleen meetellen indien ze het gevolg zijn van de toepassing van artikel 9 of artikel 10 van deze richtlijn en verder gaan dan de in Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde vereisten of dan de uitvoering van acties die verband houden met de toewijzing van kosteloze emissierechten uit hoofde van die richtlijn. De lidstaten tonen aan dat de beleidsmaatregelen resulteren in verifieerbare en meet- of raambare besparingen op het finaal energieverbruik. De berekening van energiebesparing wordt uitgevoerd overeenkomstig deze bijlage. Indien een entiteit een aan verplichtingen verbonden partij is in het kader van een nationale verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn en in het kader van de EU-ETS voor gebouwen en wegvervoer krachtens hoofdstuk IV bis van Richtlijn 2003/87/EG, zorgt het systeem voor toezicht en controle ervoor dat de koolstofprijs die wordt doorberekend wanneer brandstof op grond van dat hoofdstuk wordt vrijgegeven voor verbruik, in aanmerking wordt genomen bij de berekening en kennisgeving van de energiebesparing als gevolg van de energiebesparingsmaatregelen van de entiteit;
g)
er mag alleen rekening worden gehouden met besparingen die de volgende niveaus overschrijden:
i)
emissienormen van de Unie voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, ingevolge de toepassing van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (
17
). De lidstaten moeten de redenen vermelden, alsook de aannamen en berekeningsmethode hiervoor, teneinde de additionaliteit ervan met de Unievoorschriften inzake CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen aan te tonen;
ii)
voorschriften van de Unie inzake de verwijdering van de markt van sommige energiegerelateerde producten ingevolge de toepassing van uitvoeringsmaatregelen krachtens Richtlijn 2009/125/EG. De lidstaten leggen bewijsstukken voor, alsook de aannamen en berekeningsmethode hiervoor, om de additionaliteit ervan aan te tonen;
h)
beleidsmaatregelen die tot doel hebben een hogere energie-efficiëntie van producten, apparatuur, vervoerssystemen, voertuigen en brandstoffen, gebouwen en gebouwelementen, processen of markten aan te moedigen, zijn toegestaan, met uitzondering van beleidsmaatregelen inzake:
i)
het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen die pas vanaf 1 januari 2026 worden uitgevoerd, en
ii)
het subsidiëren van het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen in woongebouwen vanaf 1 januari 2026.
i)
energiebesparing als gevolg van beleidsmaatregelen die pas vanaf 1 januari 2024 worden uitgevoerd, inzake het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen in producten, apparatuur, vervoerssystemen, voertuigen, gebouwen en werken tellen niet mee bij het naleven van de energiebesparingsverplichting uit hoofde van artikel 8, lid 1, punt b). In het geval van beleidsmaatregelen ter bevordering van combinaties van technologieën komt het aandeel energiebesparing in verband met de verbrandingstechnologie voor fossiele brandstoffen niet in aanmerking vanaf 1 januari 2024.
j)
bij wijze van afwijking van punt i) mag, voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2030, energiebesparing als gevolg van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen ter energie-efficiëntieverbetering in energie-intensieve ondernemingen in de industriesector tot en met 31 december 2030 alleen voor de toepassing van artikel 8, lid 1, punten b) en c), als energiebesparing worden meegeteld op voorwaarde dat:
i)
de onderneming een energie-audit overeenkomstig artikel 11, lid 2, en een uitvoeringsplan heeft uitgevoerd met:
—
een overzicht van alle kosteneffectieve energie-efficiëntiemaatregelen met een terugverdienperiode van vijf jaar of minder, op basis van eenvoudige door de lidstaat verstrekte terugverdienmethoden,
—
een tijdschema voor de uitvoering van alle aanbevolen energie-efficiëntiemaatregelen met een terugverdienperiode van vijf jaar of minder,
—
een berekening van de verwachte energiebesparing als gevolg van de aanbevolen energie-efficiëntiemaatregelen, en
—
energie-efficiëntiemaatregelen met betrekking tot het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen met de relevante informatie die nodig is om:
—
te bewijzen dat de vastgestelde maatregel de hoeveelheid benodigde energie of de capaciteit van een installatie niet verhoogt,
—
te verantwoorden dat de toepassing van duurzame, niet-fossiele brandstoftechnologieën technisch niet haalbaar is,
—
aan te tonen dat de technologie voor directe verbranding van fossiele brandstoffen aan de meest actuele overeenkomstige Uniewetgeving inzake emissieprestaties voldoet en lock-ineffecten van technologie voorkomt door toekomstige verenigbaarheid met klimaatneutrale alternatieve niet-fossiele brandstoffen en technologieën te waarborgen;
ii)
het verdere gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen een energie-efficiënte maatregel is om het energieverbruik te verlagen met een terugverdienperiode van vijf jaar of minder, op basis van eenvoudige door de lidstaat verstrekte terugverdienmethoden, aanbevolen als resultaat van een energie-audit overeenkomstig artikel 11, lid 2, die is vervat in het uitvoeringsplan;
iii)
het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen in overeenstemming is met de meest actuele overeenkomstige Uniewetgeving inzake emissieprestaties, niet tot lock-ineffecten van technologie leidt en toekomstige verenigbaarheid met klimaatneutrale alternatieve brandstoffen en technologieën waarborgt;
iv)
het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen niet tot een hoger energieverbruik of tot een verhoging van de capaciteit van de installatie in die onderneming leidt;
v)
er bewijs wordt geleverd van het feit dat geen enkele alternatieve, duurzame oplossing met niet-fossiele brandstoffen technisch haalbaar was;
vi)
het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen resulteert in verifieerbare en meet- of raambare, besparingen op het finaal energieverbruik die overeenkomstig deze bijlage worden berekend;
vii)
bewijs wordt gepubliceerd op een website of openbaar beschikbaar wordt gemaakt voor alle belangstellende burgers;
k)
maatregelen ter bevordering van de installatie van kleinschalige technologieën voor hernieuwbare energie op of in gebouwen komen in aanmerking om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsvereisten van artikel 8, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare besparingen op het finaal energieverbruik. De berekening van energiebesparing wordt uitgevoerd overeenkomstig deze bijlage;
l)
maatregelen ter bevordering van de installatie van zonne-energietechnologie komen in aanmerking om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsverplichting overeenkomstig artikel 8, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare besparingen op het finaal energieverbruik. De met zonne-energietechnologie uit zonnestraling geproduceerde warmte kan worden uitgesloten van hun finaal energieverbruik;
m)
beleidsmaatregelen die de aanwending van efficiëntere producten en voertuigen versnellen, met uitzondering van beleidsmaatregelen die pas vanaf 1 januari 2024 worden ingevoerd met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen, mogen volledig worden geclaimd voor zover is aangetoond dat de aanwending plaatsvindt voor het verstrijken van de gemiddelde verwachte levensduur van het product of voertuig, of voor het product of voertuig gewoonlijk wordt vervangen. De besparingen mogen alleen worden geclaimd voor de periode tot het verstrijken van de gemiddelde verwachte levensduur van het te vervangen product of voertuig;
n)
bij de bevordering van de aanwending van energie-efficiëntiemaatregelen zien de lidstaten er, in voorkomend geval, op toe dat de kwaliteitsnormen voor producten, diensten en installaties gehandhaafd blijven of worden ingevoerd, indien dergelijke normen nog niet bestaan;
o)
om rekening te houden met verschillen in klimaat tussen regio's kunnen de lidstaten ervoor kiezen de besparingen aan te passen aan een normwaarde of verschillende energiebesparing toe te kennen in overeenstemming met de temperatuurverschillen tussen regio's;
p)
bij de berekening van energiebesparing wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen en met het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt. Die berekening telt de besparingen op die elke afzonderlijke actie aan het eind van elke verplichtingsperiode zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparing die met deze andere methoden is berekend, niet hoger is dan de energiebesparing die het resultaat zou zijn geweest van hun berekening als zij de besparing meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 2030. De lidstaten geven in hun integrale nationale energie- en klimaatplannen die overeenkomstig artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend, aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.
3. De lidstaten zien erop toe dat wordt voldaan aan de volgende eisen voor beleidsmaatregelen die worden genomen uit hoofde van artikel 10 en artikel 30, lid 14:
a)
beleidsmaatregelen en individuele acties moeten verifieerbare besparingen op het eindverbruik van energie opleveren;
b)
de taak van iedere deelnemende partij, met de uitvoering belaste partij of uitvoerende overheidsinstantie, naargelang het geval, wordt duidelijk omschreven;
c)
de behaalde of te behalen energiebesparing moet op transparante wijze worden vastgesteld;
d)
de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparing is uitgedrukt in primair energieverbruik dan wel finaal energieverbruik, waarbij de netto calorische waarden of primaire-energiefactoren zoals bedoeld in artikel 31 worden gebruikt;
e)
een jaarverslag over de energiebesparing die door met de uitvoering belaste partijen, deelnemende partijen en uitvoerende overheidsinstanties is verwezenlijkt, moet worden opgesteld en openbaar gemaakt, alsmede gegevens over de jaarlijkse tendens van de energiebesparing;
f)
de resultaten moeten worden gemonitord en indien onvoldoende voortgang wordt geboekt, moeten passende maatregelen worden genomen;
g)
de energiebesparing ten gevolge van een afzonderlijke actie mag niet door meer dan één partij worden geclaimd;
h)
het moet worden aangetoond dat de activiteiten van de deelnemende partij, de met de uitvoering belaste partij of de uitvoerende overheidsinstantie wezenlijk hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de geclaimde energiebesparing;
i)
de activiteiten van de deelnemende partij, de met de uitvoering belaste partij of de uitvoerende overheidsinstantie hebben geen negatief effect op mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers, en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen.
4. Bij het bepalen van de energiebesparing ingevolge belastinggerelateerde beleidsmaatregelen die uit hoofde van artikel 10 zijn genomen, gelden de volgende beginselen:
a)
er wordt alleen rekening gehouden met energiebesparing ingevolge belastingmaatregelen die de minimumbelastingniveaus voor brandstoffen, vereist op grond van de Richtlijnen 2003/96/EG (
18
) of 2006/112/EG (
19
) van de Raad, overschrijden;
b)
de prijselasticiteit op korte termijn voor de berekening van het effect van de energiebelastingmaatregelen moet een weergave zijn van de gevoeligheid van de vraag naar energie voor prijsveranderingen, en worden geraamd op basis van recente en representatieve officiële gegevensbronnen die van toepassing zijn op de lidstaat en in voorkomend geval gebaseerd zijn op begeleidende studies van een onafhankelijk instituut. Indien een andere prijselasticiteit wordt gebruikt dan de prijselasticiteit op korte termijn, leggen de lidstaten uit hoe energie-efficiëntieverbeteringen als gevolg van de tenuitvoerlegging van andere Uniewetgeving zijn opgenomen in de gebruikte grondslag voor de raming van energiebesparing, of hoe is vermeden dat energiebesparing als gevolg van andere Uniewetgeving dubbel wordt geteld;
c)
de energiebesparing ingevolge begeleidende instrumenten van het belastingbeleid, met inbegrip van fiscale stimuli of betaling aan een fonds, wordt afzonderlijk gerekend;
d)
ramingen van de elasticiteit op korte termijn moeten worden gebruikt om de energiebesparing als gevolg van belastingmaatregelen te beoordelen teneinde overlapping met Uniewetgeving en andere beleidsmaatregelen te voorkomen;
e)
de lidstaten stellen vast wat de verdelingseffecten van belastingmaatregelen en gelijkwaardige maatregelen zijn op mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen, en tonen aan wat de effecten zijn van de overeenkomstig artikel 24, leden 1, 2 en 3, genomen mitigatiemaatregelen;
f)
de lidstaten verstrekken bewijs, inclusief berekeningsmethoden, dat wanneer de effecten van energie- of koolstofbelastingmaatregelen of emissiehandel overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG elkaar overlappen, de energiebesparing niet dubbel wordt geteld.
5. Kennisgeving betreffende de methode
Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de bijzonderheden van de methode die zij voorstellen voor de uitvoering van de verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en van de alternatieve maatregelen, zoals bedoeld in de artikelen 9 en 10 en artikel 30, lid 14, van deze richtlijn. Uitgezonderd in het geval van belastingen bevat deze kennisgeving informatie over:
a)
het niveau van de energiebesparing die is vereist op grond van artikel 8, lid 1, eerste alinea, of de besparing die naar verwachting zal worden gerealiseerd over de volledige periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030;
b)
de manier waarop de berekende hoeveelheid nieuwe energiebesparing die vereist is op grond van artikel 8, lid 1, eerste alinea, dan wel de energiebesparing die naar verwachting zal worden verwezenlijkt, gespreid zal worden over de verplichtingsperiode;
c)
de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen of de uitvoerende overheidsinstanties;
e)
de beleidsmaatregelen en individuele acties, met inbegrip van de verwachte totale hoeveelheid cumulatieve energiebesparing per maatregel;
f)
beleidsmaatregelen of programma's of maatregelen die worden gefinancierd uit een nationaal fonds voor energie-efficiëntie, prioritair uitgevoerd ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen;
g)
het aandeel en de hoeveelheid energiebesparing die moeten worden verwezenlijkt ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen;
h)
in voorkomend geval, de toegepaste indicatoren, het rekenkundig gemiddelde aandeel en de resultaten van de overeenkomstig artikel 8, lid 3, vastgestelde beleidsmaatregelen;
i)
in voorkomend geval, de impact en negatieve effecten van overeenkomstig artikel 8, lid 3, uitgevoerde beleidsmaatregelen op mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen;
j)
de duur van de verplichtingsperiode in het kader van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie;
k)
in voorkomend geval, het aandeel en de hoeveelheid energiebesparing of de streefcijfers voor de verlaging van de energiekosten die aan verplichtingen gebonden partijen moeten verwezenlijken ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in een sociale woning wonen;
l)
de acties waarin de beleidsmaatregel voorziet;
m)
de berekeningsmethode, waaronder de wijze waarop additionaliteit en materieel belang zijn bepaald en welke methoden en benchmarks zijn gebruikt voor verwachte of afgewogen besparingen, en, indien van toepassing, de gebruikte netto calorische waarden en conversiefactoren;
n)
de levensduur van maatregelen, hoe deze is berekend en waarop deze is gebaseerd;
o)
de benadering bij het aanpakken van klimaatverschillen binnen lidstaten;
p)
de toezichts- en verificatiesystemen voor maatregelen in het kader van de artikelen 9 en 10 en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat deze onafhankelijk zijn van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen;
q)
in geval van belastingen:
i)
de doelsectoren en het segment van belastingplichtigen;
ii)
de uitvoerende overheidsinstantie;
iii)
de verwachte besparingen;
iv)
de duur van de belastingmaatregel;
v)
de berekeningsmethode, met vermelding van de gebruikte prijselasticiteit en hoe deze is vastgesteld; en
vi)
de manier waarop overlapping met de EU-ETS overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG is vermeden en het risico op dubbele telling wordt uitgesloten.
|
|
BIJLAGE VI MINIMUMCRITERIA VOOR ENERGIE-AUDITS, ONDER MEER DIE WELKE ALS ONDERDEEL VAN EEN ENERGIEBEHEERSYSTEEM WORDEN UITGEVOERD
|
BIJLAGE VI
MINIMUMCRITERIA VOOR ENERGIE-AUDITS, ONDER MEER DIE WELKE ALS ONDERDEEL VAN EEN ENERGIEBEHEERSYSTEEM WORDEN UITGEVOERD
De in artikel 11 bedoelde energie-audits:
a)
zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastingsprofielen;
b)
omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruik-profiel van gebouwen of groepen gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
c)
brengen efficiëntiemaatregelen in kaart om het energieverbruik te verminderen;
d)
brengen het potentieel voor kostenefficiënt gebruik of kostenefficiënte productie van hernieuwbare energie in kaart;
e)
bouwen, zo veel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
f)
zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.
Energie-audits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.
De bij energie-audits gebruikte gegevens moeten kunnen worden opgeslagen met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.
|
|
BIJLAGE VII MINIMUMEISEN VOOR HET MONITOREN EN BEKENDMAKEN VAN DE ENERGIEPRESTATIES VAN DATACENTRA
|
BIJLAGE VII
MINIMUMEISEN VOOR HET MONITOREN EN BEKENDMAKEN VAN DE ENERGIEPRESTATIES VAN DATACENTRA
Ten minste de volgende informatie over de energieprestaties van datacentra zoals bedoeld in artikel 12 wordt gemonitord en bekendgemaakt:
a)
de naam van het datacentrum; de naam van de eigenaar en exploitanten van het datacentrum; de datum waarop het datacentrum zijn activiteiten is begonnen en de gemeente waar het datacentrum ligt;
b)
de vloeroppervlakte van het datacentrum, het geïnstalleerde vermogen, het jaarlijks inkomende en uitgaande dataverkeer, en de hoeveelheid in het datacentrum opgeslagen en verwerkte data;
c)
de prestaties van het datacentrum in het laatste volledige kalenderjaar aan de hand van kernprestatie-indicatoren over, onder andere, energieverbruik, stroomverbruik, temperatuurinstelpunten, restwarmtegebruik, waterverbruik en gebruik van hernieuwbare energie, zulks op basis van, indien toepasselijk, CEN/CENELEC EN 50600-4 “Informatietechnologie — Datacentrumfaciliteiten en -infrastructuur”, tot de inwerkingtreding van de op grond van artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling.
|
|
BIJLAGE IX MINIMUMEISEN VOOR INFORMATIE OVER FACTURERING EN VERBRUIK BETREFFENDE VERWARMING, KOELING EN WARM WATER VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK
|
BIJLAGE IX
MINIMUMEISEN VOOR INFORMATIE OVER FACTURERING EN VERBRUIK BETREFFENDE VERWARMING, KOELING EN WARM WATER VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK
1. Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers
Om eindgebruikers in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.
2. Minimumfrequentie van informatie over facturering of verbruik
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet tot en met 31 december 2021 minstens elk kwartaal wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar, informatie over facturering of verbruik aan de eindgebruikers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers.
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturering of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan de eindgebruikers worden verstrekt. Deze informatie kan ook via het internet beschikbaar worden gesteld en zo vaak worden bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen van dit voorschrift worden uitgesloten buiten het verwarmings- of koelingsseizoen.
3. Minimumgegevens op de rekening
De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal, de volgende informatie krijgen indien die factuur is gebaseerd op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:
a)
de huidige actuele prijzen en het werkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;
b)
de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en een beschrijving van de verschillende belastingen, heffingen en tarieven;
c)
vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
d)
contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur;
e)
informatie over relevante klachtenprocedures, ombudsmandiensten of alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, naargelang hetgeen in de lidstaten van toepassing is;
f)
vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindgebruiker van dezelfde verbruikerscategorie. In het geval van elektronische facturen kunnen deze vergelijkingen bij wijze van alternatief online beschikbaar worden gesteld en kan er in de facturen naar worden verwezen.
De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van het vereiste in de eerste alinea, punt b), om informatie over broeikasgasemissies te verstrekken, beperken tot uitsluitend leveringen uit stadsverwarmingssystemen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW.
Facturen die niet gebaseerd zijn op het werkelijke verbruik of op meetgegevens van warmtekostenverdelers, bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de factuur genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie zoals bedoeld in de punten d) en e).
|
|
BIJLAGE X EFFICIËNTIEPOTENTIEEL INZAKE VERWARMING EN KOELING
|
BIJLAGE X
EFFICIËNTIEPOTENTIEEL INZAKE VERWARMING EN KOELING
De alomvattende beoordeling van het in artikel 25, lid 1, bedoelde nationale verwarmings- en koelingspotentieel omvat en is gebaseerd op het volgende:
Deel I
OVERZICHT VAN VERWARMING EN KOELING
1. de vraag naar verwarming en koeling in termen van geraamde nuttige energie (
20
) en gekwantificeerd finaal energieverbruik in GWh per jaar (
21
) per sector:
d)
elke andere sector die afzonderlijk meer dan 5 % van de totale nationale vraag naar nuttig verwarmings- en koelingsvermogen verbruikt;
2. de opgave, of in het geval van punt a), i), de opgave of raming van de huidige verwarmings- en koelingsvoorziening:
a)
naar technologie, in GWh per jaar (
22
), in de onder punt 1 bedoelde sectoren, waar mogelijk uitgesplitst in energie uit fossiele brandstoffen en uit hernieuwbare bronnen:
i)
geleverd on-site in woonwijken en op dienstenlocaties door:
—
ketels die alleen warmte produceren;
—
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
—
andere on-site technologieën en bronnen;
ii)
geleverd on-site op andere dan dienstenlocaties en woonwijken door:
—
ketels die alleen warmte produceren;
—
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
—
andere on-site technologieën en bronnen;
iii)
geleverd off-site door:
—
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
—
andere off-site technologieën en bronnen;
b)
de opgave van installaties die restwarmte of -koude produceren en hun potentieel voor verwarming of koeling, in GWh per jaar:
i)
thermische energieopwekkingsinstallaties die restwarmte kunnen leveren of kunnen worden aangepast om restwarmte te leveren, met een totaal thermisch vermogen van meer dan 50 MW;
ii)
installaties voor warmtekrachtkoppeling die gebruikmaken van technologieën zoals bedoeld in deel II van bijlage II, met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW;
iii)
afvalverbrandingsinstallaties;
iv)
installaties voor hernieuwbare energie met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW, andere dan de installaties als omschreven in de punten i) en ii), die verwarming of koeling met energie uit hernieuwbare bronnen genereren;
v)
industriële installaties met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW die restwarmte kunnen leveren;
c)
gerapporteerd aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen en uit restwarmte of -koude in het finaal energieverbruik van de sector stadsverwarming en -koeling (
23
) in de afgelopen 5 jaar, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001;
3. geaggregeerde gegevens over warmtekrachtkoppelingseenheden in bestaande stadsverwarmings- en -koelingsnetwerken in vijf capaciteitsranges, die het volgende bestrijken:
a)
het primaire energieverbruik;
c)
de besparing van primaire energie;
4. geaggregeerde gegevens over bestaande stadsverwarmings- en -koelingsnetwerken beleverd door warmtekrachtkoppeling in vijf capaciteitsranges, die het volgende bestrijken:
a)
het totale primaire energieverbruik;
b)
het primaire energieverbruik van warmtekrachtkoppelingseenheden;
c)
het aandeel warmtekrachtkoppeling in de belevering van stadsverwarming of -koeling;
d)
de verliezen van stadsverwarmingssystemen;
e)
de verliezen van stadskoelingssystemen;
g)
aandelen van systemen per afzonderlijke bedrijfstemperatuurgroep;
5. een kaart van het gehele nationale grondgebied, ter identificatie — onder bescherming van commercieel gevoelige informatie —van:
a)
gebieden van vraag naar verwarming en koeling zoals die naar voren komen uit de analyse van punt 1, waarbij gebruikt wordt gemaakt van coherente criteria om te focussen op gebieden met een hoge energiedichtheid in gemeenten en stadsgebieden;
b)
bestaande voorzieningspunten van verwarming en koeling opgegeven onder punt 2, b), en transmissie-installaties voor stadsverwarming;
c)
geplande voorzieningspunten van verwarming en koeling zoals beschreven onder punt 2, b), en aangewezen nieuwe gebieden voor de stadsverwarming en -koeling;
6. een prognose van de vraagtrends inzake verwarming en koeling tegen de horizon van de komende 30 jaar in GWh, met name rekening houdend met de voorspellingen voor de komende 10 jaar, de ontwikkelingen van de vraag in de woningensector en verschillende industriële sectoren, en de impact van beleid en strategieën in verband met het beheer van de vraag, zoals langetermijnstrategieën voor de renovatie van gebouwen op grond van Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad (
24
);
Deel II
DOELSTELLINGEN, STRATEGIEËN EN BELEIDSMAATREGELEN
7. de geplande bijdrage van de lidstaat aan de nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, zoals vastgelegd in artikel 3, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2018/1999, te leveren door middel van efficiëntie bij verwarming en koeling, in het bijzonder met betrekking tot artikel 4, punt b), subpunten 1 tot en met 4, en artikel 15, lid 4, punt b), van die verordening, met vermelding welk van die elementen aanvullend is ten opzichte van de integrale nationale energie- en klimaatplannen die overeenkomstig artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van die verordening zijn ingediend;
8. een algemeen overzicht van het bestaande beleid en de bestaande maatregelen zoals beschreven in het recentste verslag ingediend in overeenstemming met de artikelen 3, 20 en 21 en artikel 27, punt a), van Verordening (EU) 2018/1999;
Deel III
ANALYSE VAN HET ECONOMISCHE POTENTIEEL VOOR EFFICIËNTE VERWARMING EN KOELING
9. Een analyse van het economische potentieel (
25
) van verschillende verwarmings- en koelingstechnologieën wordt gevraagd voor het gehele nationale grondgebied, gebruikmakend van de in artikel 25, lid 3, bedoelde kosten-batenanalyse; daarbij dienen alternatieve scenario's voor efficiëntere en hernieuwbare verwarmings- en koelingstechnologieën te worden opgegeven, en dient zo mogelijk een onderscheid te wordt gemaakt tussen energie uit fossiele brandstoffen en uit hernieuwbare bronnen.
De volgende technologieën moeten in aanmerking worden genomen:
a)
industriële restwarmte en -koude;
c)
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
d)
hernieuwbare energiebronnen, zoals geothermie, zonne-energie en biomassa, andere dan die welke gebruikt worden voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
f)
vermindering van warmte- en koudeverlies bij bestaande stadsnetwerken;
g)
stadsverwarming- en koeling;
10. de analyse van het economische potentieel omvat de volgende stappen en overwegingen:
a)
Overwegingen:
i)
de kosten-batenanalyse ten behoeve van artikel 25, lid 3, omvat een economische analyse waarbij rekening wordt gehouden met sociaal-economische en milieufactoren (
26
) en een financiële analyse waarbij projecten vanuit het oogpunt van de investeerder worden beoordeeld, waarbij zowel voor de economische als voor de financiële analyse de netto contante waarde als beoordelingscriterium wordt gebruikt;
ii)
het basisscenario dat als referentie dient, moet vertrekken van het bestaande beleid op het moment waarop deze alomvattende beoordeling wordt opgesteld (
27
) en verband houden met de gegevens verzameld overeenkomstig deel I en deel II, punt 6, van deze bijlage;
iii)
alternatieve scenario's voor het basisscenario moeten rekening houden met energie-efficiëntie en de doelstellingen inzake hernieuwbare energie van Verordening (EU) 2018/1999, waarbij elk scenario de volgende elementen bevat in vergelijking met het basisscenario:
—
het economisch potentieel van de onderzochte technologieën, gebruikmakend van de netto contante waarde als criterium;
—
broeikasgasemissiereducties;
—
besparing op primaire energie in GWh per jaar;
—
het effect op het aandeel hernieuwbare energie in de nationale energiemix.
Scenario's die om technische of financiële redenen of omwille van de nationale regelgeving of tijdsbeperkingen niet haalbaar zijn, kunnen - indien gerechtvaardigd - in een vroeg stadium van de kosten-batenanalyse worden uitgesloten op basis van zorgvuldige, expliciete en goed gedocumenteerde overwegingen.
De lidstaten beoordelen de kosten en de energiebesparing ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's en houden er rekening mee in de besluitvorming.
b)
Kosten en baten
De in punt a) bedoelde kosten en baten omvatten ten minste de volgende kosten en baten:
i)
kosten:
—
de kapitaalkosten van installaties en apparatuur;
—
de kapitaalkosten van de betrokken energienetten;
—
de variabele en vaste beheerskosten;
—
de milieu-, gezondheids- en veiligheidskosten, voor zover mogelijk;
—
de arbeidsmarktkosten, energiezekerheid en concurrentievermogen, voor zover mogelijk.
ii)
baten:
—
de waarde van de output voor de consument (verwarming, koeling en elektriciteit);
—
de externe baten zoals milieu-, broeikasgasemissie-, gezondheids- en veiligheidsvoordelen, in de mate van het mogelijke;
—
de arbeidsmarkteffecten, energiezekerheid en concurrentievermogen, voor zover mogelijk.
c)
Voor het basisscenario relevante scenario's:
Alle voor het basisscenario relevante scenario's worden in beschouwing genomen, met inbegrip van de rol van efficiënte individuele verwarming en koeling. De kosten-batenanalyse kan betrekking hebben op een projectbeoordeling van een afzonderlijke installatie of van een groep projecten voor een bredere plaatselijke, regionale of nationale beoordeling om vast te stellen wat voor een bepaald geografisch gebied de meest kosteneffectieve en gunstige mogelijkheid inzake verwarming of koeling is met het oog op planning;
d)
Grenzen en integrale aanpak:
i)
de geografische begrenzing heeft betrekking op een geschikt, nauwkeurig omschreven geografisch gebied;
ii)
de kosten-batenanalyse houdt rekening met alle relevante gecentraliseerde of gedecentraliseerde bevoorradingsbronnen die binnen het systeem en binnen de geografische grenzen beschikbaar zijn, met inbegrip van de in deel III, punt 9, van deze bijlage bedoelde technologieën, en de trends en de kenmerken van de vraag naar verwarming en koeling.
e)
Aannames:
i)
de lidstaten verstrekken ten behoeve van de kosten-batenanalyses aannames betreffende de prijzen van belangrijke input- en outputfactoren en de discontovoet;
ii)
de discontovoet die in de economische analyse wordt gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde, wordt gekozen op basis van Europese of nationale richtsnoeren;
iii)
de lidstaten maken gebruik van nationale, Europese of internationale prognoses betreffende de ontwikkeling van de energieprijzen waar passend in hun nationale, regionale of plaatselijke context;
iv)
de in de economische analyse gebruikte prijzen weerspiegelen de sociaal-economische kosten en baten. Externe kosten, zoals milieu- en gezondheidseffecten, moeten voor zover mogelijk worden opgenomen, namelijk wanneer er een marktprijs bestaat of wanneer deze reeds in de Europese of nationale regelgeving is opgenomen.
f)
Gevoeligheidsanalyse: er wordt een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om de kosten en baten van een project of groep projecten te beoordelen, op basis van variabelen die een significant effect hebben op de uitkomst van de berekeningen, zoals verschillende energieprijzen, vraagniveaus, discontovoeten enz.
Deel IV
MOGELIJKE NIEUWE STRATEGIEËN EN BELEIDSMAATREGELEN
11. een overzicht van nieuwe wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen (
28
) om het overeenkomstig de punten 9 en 10 vastgestelde economische potentieel te verwezenlijken, samen met een prognose van:
a)
broeikasgasemissiereducties;
b)
besparing op primaire energie in GWh per jaar;
c)
effect op het aandeel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
d)
effect op het aandeel hernieuwbare energie in de nationale energiemix en in de sector verwarming en koeling;
e)
verbanden met nationale financiële programmering en kostenbesparingen voor de overheidsbegroting en marktdeelnemers;
f)
geraamde overheidssteunmaatregelen, met het jaarlijkse budget en opgave van de potentiële steuncomponent.
|
|
BIJLAGE XI KOSTEN-BATENANALYSES
|
BIJLAGE XI
KOSTEN-BATENANALYSES
Kosten-batenanalyses bevatten informatie met het oog op de maatregelen bedoeld in artikel 25, lid 3, en artikel 26, lid 7:
Indien een installatie voor de productie van alleen elektriciteit of een installatie zonder warmteterugwinning is gepland, wordt een vergelijking gemaakt tussen de geplande installatie of de geplande renovatie en een gelijkwaardige installatie die dezelfde hoeveelheid elektriciteit of proceswarmte produceert, maar de restwarmte terugwint en warmte levert door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of stadsverwarmings- en -koelingsnetten, of beide.
Binnen bepaalde geografische grenzen wordt in de beoordeling rekening gehouden met de geplande installatie en eventuele passende bestaande of potentiële warmte- of koelingsvraagpunten die daardoor kunnen worden bediend, met inachtneming van de redelijke mogelijkheden, bijvoorbeeld technische haalbaarheid en afstand.
De systeemgrens omvat de geplande installatie en de warmte- en koelingsbelastingen, zoals gebouwen en industriële processen. Binnen deze systeemgrens worden de totale kosten van de warmte- en elektriciteitsvoorziening voor beide gevallen vastgesteld en vergeleken.
Warmte- of koelingsbelastingen omvatten bestaande warmte- of koelingsbelastingen, zoals een industriële installatie of een bestaand stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem, en ook, in stedelijke gebieden, de warmte- of koelingsbelasting en kosten die zouden ontstaan indien een groep gebouwen of een deel van een stad voorzien zou worden van of aangesloten zou worden op een nieuw stadsverwarmings- of stadskoelingsnet, of beide.
De kosten-batenanalyses worden gebaseerd op een beschrijving van de geplande installatie en de installatie(s) waarmee wordt vergeleken, en hebben betrekking op het elektrisch en het thermisch vermogen, naargelang van het geval, de soort brandstof, het geplande gebruik en het aantal geplande bedrijfsuren op jaarbasis, de plaats en de vraag naar elektriciteit en warmte.
Bij de beoordeling van het restwarmtegebruik wordt rekening gehouden met de huidige technologieën. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het directe gebruik van restwarmte of de opwarming ervan naar hogere temperatuurniveaus, of beide. In het geval van terugwinning van restwarmte ter plaatse wordt ten minste het gebruik van warmtewisselaars, warmtepompen en technologieën voor warmtekrachtkoppeling beoordeeld. In het geval van terugwinning van restwarmte elders worden ten minste industriële installaties, landbouwterreinen en stadsverwarmingsnetten beoordeeld als potentiële vraagpunten.
Ten behoeve van de vergelijking wordt rekening gehouden met de vraag naar thermische energie en de soorten verwarming en koeling waarvan de nabije warmte- of koelingsvraagpunten gebruikmaken. De vergelijking heeft betrekking op de met infrastructuur samenhangende kosten voor de geplande installatie en de installatie waarmee wordt vergeleken.
Kosten-batenanalyses ten behoeve van artikel 26, lid 7, omvatten een economische analyse met een financiële analyse waarin de werkelijke cashflowtransacties uit investeringen in en de exploitatie van individuele installaties worden weergegeven.
Projecten met een positief kosten-batenresultaat zijn die waarbij de som van de verwachte voordelen in de economische en financiële analyse groter is dan de som van de verwachte kosten (kosten-batenoverschot).
De lidstaten bepalen de basisregels inzake de methode, de aannamen en de termijn voor de economische analyse.
De lidstaten kunnen verlangen dat de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor het beheer van installaties voor thermische elektriciteitsopwekking, industriële bedrijven, stadsverwarmings- en -koelingsnetwerkbeheerders, of andere partijen die worden beïnvloed door de vastgestelde systeemgrenzen en geografische grenzen, gegevens verstrekken die kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de kosten en baten van een afzonderlijke installatie.
|
|
BIJLAGE XII GARANTIE VAN OORSPRONG VOOR ELEKTRICITEIT UIT HOOGRENDERENDE WARMTEKRACHTKOPPELING
|
BIJLAGE XII
GARANTIE VAN OORSPRONG VOOR ELEKTRICITEIT UIT HOOGRENDERENDE WARMTEKRACHTKOPPELING
1.
De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat:
a)
de garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling:
—
producenten in staat stelt aan te tonen dat de elektriciteit die zij verkopen, geproduceerd is door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en voor dat doel op verzoek van de producent wordt afgegeven;
—
accuraat, betrouwbaar en fraudebestendig is;
—
elektronisch wordt afgegeven, overgedragen en geannuleerd;
b)
dezelfde eenheid energie uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling slechts één keer wordt geteld.
2.
De in artikel 26, lid 13, bedoelde garantie van oorsprong bevat ten minste de volgende gegevens:
a)
de identiteit, de locatie, het type en het vermogen (thermisch en elektrisch) van de installatie waar de energie werd geproduceerd;
b)
de productiedatums en -plaatsen;
c)
de lagere calorische waarde van de brandstofbron waaruit de elektriciteit werd geproduceerd;
d)
de hoeveelheid en het gebruik van de samen met de elektriciteit opgewekte warmte;
e)
overeenkomstig bijlage III de hoeveelheid elektriciteit gewonnen uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling waarvoor de garantie van oorsprong geldt;
f)
de besparing op primaire energie berekend overeenkomstig bijlage III op basis van de in bijlage III, punt d), vastgestelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden;
g)
het nominale elektrische en thermische rendement van de installatie;
h)
of en in welke mate de installatie investeringssteun heeft genoten;
i)
of en in welke mate de energie-eenheid een of andere nationale steunregeling heeft genoten, en het soort steunregeling;
j)
de datum waarop de installatie operationeel is geworden; en
k)
de datum en het land van afgifte alsmede een uniek identificatienummer.
De garantie van oorsprong wordt afgegeven voor de standaardhoeveelheid van 1 MWh en heeft betrekking op de netto-elektriciteitsoutput die wordt gemeten aan de stationsgrens en die wordt geëxporteerd naar het net.
|
|
BIJLAGE XIII ENERGIE-EFFICIËNTIECRITERIA VOOR DE REGULERING VAN ENERGIENETTEN EN VOOR ELEKTRICITEITSNETTARIEVEN
|
BIJLAGE XIII
ENERGIE-EFFICIËNTIECRITERIA VOOR DE REGULERING VAN ENERGIENETTEN EN VOOR ELEKTRICITEITSNETTARIEVEN
1. Nettarieven zijn transparant en niet-discriminerend, en zijn in overeenstemming met artikel 18 van Verordening (EU) 2019/943 en weerspiegelen de kostenbesparingen in netten die worden behaald vanuit de vraagzijde en vraagresponsmaatregelen en gedistribueerde opwekking, waaronder besparingen door het verlagen van de leveringskosten of van netinvesteringen en een betere werking van het net.
2. Netregulering en nettarieven beletten netbeheerders of energiedetailhandelaren niet systeemdiensten beschikbaar te stellen voor vraagresponsmaatregelen, vraagbeheer en gedistribueerde opwekking op georganiseerde elektriciteitsmarkten, waaronder over-the-counter-markten en energie-uitwisseling voor het verhandelen van energie, vermogen, balancerings- en nevendiensten op verschillende termijnen, zoals markten op lange termijn, tijdens de volgende dag en gedurende de dag, met name:
a)
het verschuiven van de belasting van piekperioden naar dalperioden omdat de eindafnemer rekening houdt met de beschikbaarheid van hernieuwbare energie, energie uit warmtekrachtkoppeling en verspreide opwekking;
b)
energiebesparing vanuit de vraagrespons van verspreide verbruikers door onafhankelijke aankoopgroeperingen;
c)
vermindering van de vraag resulterend uit energie-efficiëntiemaatregelen die door aanbieders van energiediensten met inbegrip van ESCO's, zijn genomen;
d)
de aansluiting op en verdeling van opwekkingsbronnen op lagere spanningsniveaus;
e)
de aansluiting van opwekkingsbronnen vanuit een locatie dichter bij het verbruik; en
3. Netwerk- of eindgebruikerstarieven kunnen een dynamische prijsstelling ondersteunen voor vraagresponsmaatregelen door eindafnemers, zoals:
a)
tarieven op het moment van verbruik;
b)
prijsstelling tijdens extreme piekmomenten;
c)
realtime prijsstelling; en
|
|
BIJLAGE XIV ENERGIE-EFFICIËNTIEVERPLICHTINGEN VOOR TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDERS
|
BIJLAGE XIV
ENERGIE-EFFICIËNTIEVERPLICHTINGEN VOOR TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDERS
Transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders:
a)
stellen hun gestandaardiseerde regels op voor het dragen en verdelen van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen, netverzwaringen en de invoering van nieuwe netten, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net leveren, op het koppelnet aan te sluiten, en maken deze regels openbaar;
b)
verstrekken elke nieuwe elektriciteitsproducent die produceert uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en die aansluiting op het net wenst, de vereiste uitvoerige en noodzakelijke gegevens, waaronder:
i)
een volledige en gedetailleerde raming van de kosten van aansluiting;
ii)
een redelijk en precies tijdschema voor het ontvangen en verwerken van het verzoek tot netaansluiting;
iii)
een redelijk indicatief tijdschema voor alle geplande netaansluitingen. Het volledige proces voor netaansluiting zou niet meer dan 24 maanden in beslag mogen nemen, rekening houdend met hetgeen redelijkerwijs haalbaar en niet-discriminerend is;
c)
gestandaardiseerde en vereenvoudigde procedures voor de aansluiting van gedistribueerde hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsproducenten om hun netaansluiting te vergemakkelijken.
De in de eerste alinea, punt a), bedoelde standaardregels zijn gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met alle kosten en baten van de aansluiting van die producenten op het net. Deze regels kunnen voorzien in verschillende typen van aansluiting.
|
|
BIJLAGE XV ENERGIEPRESTATIECONTRACTEN OF DE BIJBEHORENDE BESTEKKEN MOETEN TEN MINSTE HET VOLGENDE BEVATTEN:
|
BIJLAGE XV
ENERGIEPRESTATIECONTRACTEN OF DE BIJBEHORENDE BESTEKKEN MOETEN TEN MINSTE HET VOLGENDE BEVATTEN:
—
Bevindingen en aanbevelingen die zijn vervat in analyses en energie-audits die vóór de sluiting van het contract zijn uitgevoerd en betrekking hebben op het energieverbruik van het gebouw met het oog op de uitvoering van energie-efficiëntieverbeteringsmaatregelen.
—
Een heldere en transparante lijst van efficiëntiemaatregelen die moeten worden ingevoerd of van de te behalen efficiëntieresultaten.
—
Gegarandeerde besparingen die worden behaald door de maatregelen in de overeenkomst uit te voeren.
—
De looptijd en mijlpalen van de overeenkomst, voorwaarden en opzeggingstermijn.
—
Een heldere en transparante lijst van de verplichtingen van elke overeenkomstsluitende partij.
—
Referentiegegeven(s) om de behaalde besparing vast te stellen.
—
Een heldere en transparante lijst van stappen die moeten worden ondernomen om een maatregel of een pakket maatregelen uit te voeren en, indien relevant, de kosten daarvan.
—
De verplichting om de maatregelen in de overeenkomst volledig uit te voeren en alle veranderingen die tijdens het project worden gemaakt, te documenteren.
—
Regelgeving inzake het opnemen van gelijkwaardige eisen in iedere onderaanneming met derde partijen.
—
Een heldere en transparante weergave van de financiële gevolgen van het project en de verdeling van het aandeel van beide partijen in de bereikte geldelijke besparingen, namelijk de bezoldiging van de dienstenleverancier.
—
Heldere en transparante bepalingen inzake het meten en de verificatie van de behaalde gegarandeerde besparing, kwaliteitscontroles en -garanties.
—
Bepalingen ter verduidelijking van de procedure voor het veranderen van kadervoorwaarden die een weerslag hebben op de inhoud en het resultaat van de overeenkomst, namelijk veranderende energieprijzen en de gebruiksintensiteit van een installatie.
—
Gedetailleerde gegevens inzake de verplichtingen van elke overeenkomstsluitende partij en de sancties wegens niet-nakoming.
|
|
BIJLAGE XVI
|
BIJLAGE XVI
Deel A
Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan (als bedoeld in artikel 39)
|
Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1)
|
|
|
Richtlijn 2013/12/EU van de Raad
(PB L 141 van 28.5.2013, blz. 28)
|
|
|
Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75)
|
Enkel artikel 2
|
|
Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210)
|
|
|
Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1)
|
Enkel artikel 54
|
|
Besluit (EU) 2019/504 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 85 I van 27.3.2019, blz. 66)
|
Enkel artikel 1
|
|
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/826 van de Commissie
(PB L 137 van 23.5.2019, blz. 3)
|
|
|
Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125)
|
Enkel artikel 70
|
Deel B
Termijnen voor omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 39)
|
Richtlijn
|
Omzettingstermijn
|
|
2012/27/EU
|
5 juni 2014
|
|
(EU) 2018/844
|
10 maart 2020
|
|
(EU) 2018/2002
|
25 juni 2020, met uitzondering van de punten 5 tot en met 10 van artikel 1, en de punten 3 en 4 van de bijlage
25 oktober 2020 voor de punten 5 tot en met 10 van artikel 1, en de punten 3 en 4 van de bijlage
|
|
(EU) 2019/944
|
31 december 2019 voor artikel 70, punt 5, a)
25 oktober 2020 voor artikel 70, punt 4
31 december 2020 voor artikel 70, punten 1, 2 en 3, punt 5, b) en punt 6
|
|
|
BIJLAGE XVII Concordantietabel
|
BIJLAGE XVII
Concordantietabel
|
Richtlijn 2012/27/EU
|
Deze richtlijn
|
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
Artikel 2, aanhef
|
Artikel 2, aanhef
|
|
Artikel 2, punt 1
|
Artikel 2, punt 1
|
|
—
|
Artikel 2, punten 2, 3 en 4
|
|
Artikel 2, punt 2
|
Artikel 2, punt 5
|
|
Artikel 2, punt 3
|
Artikel 2, punt 6
|
|
—
|
Artikel 2, punt 7
|
|
Artikel 2, punt 4
|
Artikel 2, punt 8
|
|
Artikel 2, punt 5
|
Artikel 2, punt 9
|
|
Artikel 2, punt 6
|
Artikel 2, punt 10
|
|
Artikel 2, punt 7
|
Artikel 2, punt 11
|
|
Artikel 2, punt 8
|
Artikel 2, punt 12
|
|
Artikel 2, punt 9
|
—
|
|
Artikel 2, punt 10
|
Artikel 2, punt 13
|
|
—
|
Artikel 2, punten 14 en 15
|
|
Artikel 2, punt 11
|
Artikel 2, punt 16
|
|
Artikel 2, punt 12
|
Artikel 2, punt 17
|
|
Artikel 2, punt 13
|
Artikel 2, punt 18
|
|
Artikel 2, punt 14
|
Artikel 2, punt 19
|
|
Artikel 2, punt 15
|
Artikel 2, punt 20
|
|
Artikel 2, punt 16
|
Artikel 2, punt 21
|
|
Artikel 2, punt 17
|
Artikel 2, punt 22
|
|
Artikel 2, punt 18
|
Artikel 2, punt 23
|
|
Artikel 2, punt 19
|
Artikel 2, punt 24
|
|
Artikel 2, punt 20
|
Artikel 2, punt 25
|
|
Artikel 2, punt 21
|
Artikel 2, punt 26
|
|
Artikel 2, punt 22
|
Artikel 2, punt 27
|
|
Artikel 2, punt 23
|
Artikel 2, punt 28
|
|
Artikel 2, punt 24
|
Artikel 2, punt 29
|
|
—
|
Artikel 2, punt 30
|
|
—
|
Artikel 2, punt 31
|
|
Artikel 2, punt 25
|
Artikel 2, punt 32
|
|
Artikel 2, punt 26
|
—
|
|
Artikel 2, punt 27
|
Artikel 2, punt 33
|
|
Artikel 2, punt 28
|
Artikel 2, punt 34
|
|
Artikel 2, punt 29
|
Artikel 2, punt 35
|
|
Artikel 2, punt 30
|
Artikel 2, punt 36
|
|
Artikel 2, punt 31
|
Artikel 2, punt 37
|
|
Artikel 2, punt 32
|
Artikel 2, punt 38
|
|
Artikel 2, punt 33
|
Artikel 2, punt 39
|
|
Artikel 2, punt 34
|
Artikel 2, punt 40
|
|
Artikel 2, punt 35
|
Artikel 2, punt 41
|
|
Artikel 2, punt 36
|
Artikel 2, punt 42
|
|
Artikel 2, punt 37
|
Artikel 2, punt 43
|
|
Artikel 2, punt 38
|
Artikel 2, punt 44
|
|
Artikel 2, punt 39
|
Artikel 2, punt 45
|
|
Artikel 2, punt 40
|
—
|
|
Artikel 2, punt 41
|
Artikel 2, punt 46
|
|
Artikel 2, punt 42
|
Artikel 2, punt 47
|
|
Artikel 2, punt 43
|
Artikel 2, punt 48
|
|
—
|
Artikel 2, punt 49
|
|
Artikel 2, punt 44
|
Artikel 2, punt 50
|
|
Artikel 2, punt 45
|
Artikel 2, punt 51
|
|
—
|
Artikel 2, punten 52, 53, 54, 55 en 56
|
|
—
|
Artikel 3
|
|
—
|
Artikel 4, lid 1,
|
|
Artikel 3, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 4, lid 2, eerste alinea
Artikel 4, lid 2, tweede alinea
|
|
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, aanhef
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, aanhef
|
|
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, punten a) en b)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punten a) en b)
|
|
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, punt c)
|
—
|
|
Artikel 3, lid 1, tweede alinea, punt d)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt c)
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, aanhef
|
—
|
|
—
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt d), aanhef
|
|
—
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punten d) i), ii) en iii)
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, punt a)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt d) iv)
|
|
—
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt e), aanhef
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, punt b)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt e) i)
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, punt c)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt e) ii)
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, punt d)
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt e) iii)
|
|
Artikel 3, lid 1, derde alinea, punt e)
|
—
|
|
—
|
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, punt e) iv)
|
|
Artikel 3, leden 2 en 3
|
—
|
|
Artikel 3, lid 4
|
Artikel 35, lid 6,
|
|
Artikel 3, leden 5 en 6
|
—
|
|
—
|
Artikel 4, lid 4,
|
|
—
|
Artikel 4, lid 5,
|
|
|
Artikel 4, lid 6,
|
|
|
Artikel 4, lid 7,
|
|
—
|
Artikel 5
|
|
Artikel 5, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 5, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 6, lid 1, vijfde alinea
|
|
—
|
Artikel 6, lid 1, tweede en derde alinea
|
|
Artikel 5, lid 1, derde alinea
|
Artikel 6, lid 1, vierde alinea
|
|
Artikel 5, lid 1, vierde en vijfde alinea
|
—
|
|
Artikel 5, lid 2
—
|
Artikel 6, lid 2
Artikel 6, lid 2, tweede alinea
|
|
Artikel 5, lid 3
|
Artikel 6, lid 3
|
|
Artikel 5, lid 4
|
Artikel 6, lid 4
|
|
Artikel 5, lid 5
|
Artikel 6, lid 5
|
|
Artikel 5, lid 5, eerste alinea, punt b)
|
Artikel 6, lid 5, tweede alinea, punt c)
|
|
—
|
Artikel 6, lid 5, tweede alinea, punt b)
|
|
Artikel 5, lid 6
|
Artikel 6, lid 6
|
|
—
|
Artikel 6, lid 6, tweede alinea, punt a)
|
|
Artikel 5, lid 6, tweede alinea
|
Artikel 6, lid 6, tweede alinea, punt b)
|
|
Artikel 5, lid 6, derde alinea
|
Artikel 6, lid 6, derde alinea
|
|
Artikel 5, lid 7
|
—
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 7, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 6, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 7, lid 1, eerste alinea
|
|
|
Artikel 7, lid 1, tweede alinea
|
|
|
—
|
|
Artikel 6, leden 2, 3 en 4
|
Artikel 7, leden 2, 3 en 4
|
|
—
|
Artikel 7, leden 5, 6, 7 en 8
|
|
—
|
|
|
Artikel 7, lid 1, aanhef, punten a) en b)
|
Artikel 8, lid 1, aanhef, punten a) en b)
|
|
—
|
Artikel 8, lid 1, punt c)
|
|
Artikel 7, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 8, lid 5
|
|
Artikel 7, lid 1, derde alinea
|
Artikel 8, lid 1, vijfde alinea
|
|
Artikel 7, lid 1, vierde alinea
|
Artikel 8, lid 1, vierde alinea
|
|
—
|
Artikel 8, leden 3 en 4
|
|
Artikel 7, lid 2
|
Artikel 8, lid 6
|
|
Artikel 7, lid 3
|
Artikel 8, lid 7
|
|
Artikel 7, lid 4
|
Artikel 8, lid 8
|
|
Artikel 7, lid 5
|
Artikel 8, lid 9
|
|
Artikel 7, lid 6
|
Artikel 8, lid 10
|
|
Artikel 7, lid 7
|
—
|
|
Artikel 7, lid 8
|
—
|
|
Artikel 7, lid 9
|
—
|
|
Artikel 7, lid 10
|
Artikel 8, lid 2
|
|
Artikel 7, lid 11
|
—
|
|
|
Artikel 8, leden 11, 12 en 13
|
|
Artikel 7, lid 12
|
Artikel 8, lid 14
|
|
Artikel 7 bis, lid 1
|
Artikel 9, lid 1,
|
|
Artikel 7 bis, lid 2
|
Artikel 9, lid 3
|
|
Artikel 7 bis, lid 3
|
Artikel 9, lid 4
|
|
—
|
Artikel 9, lid 2
|
|
—
|
Artikel 9, leden 5, 6 en 7
|
|
Artikel 7 bis, leden 4 en 5
|
Artikel 9, leden 8 en 9
|
|
—
|
Artikel 9, lid 10
|
|
Artikel 7 bis, leden 6 en 7
|
Artikel 9, leden 11 en 12
|
|
Artikel 7 ter, leden 1 en 2
|
Artikel 10, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 10, leden 3 en 4
|
|
—
|
Artikel 11, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 11, leden 3 en 4
|
|
Artikel 8, leden 1 en 2
|
Artikel 11, leden 5, 6 en 7
|
|
Artikel 8, leden 3 en 4
|
—
|
|
—
|
Artikel 11, lid 8
|
|
Artikel 8, lid 5
|
Artikel 11, lid 9
|
|
—
|
Artikel 11, lid 10
|
|
Artikel 8, lid 6
|
Artice 11, lid 11
|
|
Artikel 8, lid 7
|
Artikel 11, lid 12
|
|
—
|
Artikel 12
|
|
Artikel 9
|
Artikel 13
|
|
Artikel 9 bis
|
Artikel 14
|
|
Artikel 9 ter
|
Artikel 15
|
|
Artikel 9 quater
|
Artikel 16
|
|
Artikel 10
|
Artikel 17
|
|
Artikel 10 bis
|
Artikel 18
|
|
Artikel 11
|
Artikel 19
|
|
Artikel 12
|
Artikel 20
|
|
—
|
Artikel 21
|
|
—
|
Artikel 22, lid 1
|
|
Artikel 12, lid 1
|
Artikel 22, lid 2
|
|
Artikel 12, lid 2, aanhef en punt a), subpunten i) tot v)
|
Artikel 22, lid 2, tweede alinea, punten a) tot g)
Artikel 22, lid 2, tweede alinea, punt h)
|
|
Artikel 12, lid 2, punt b)
|
Artikel 22, lid 3, derde alinea
|
|
—
|
Artikel 22, lid 3, derde alinea, punten a) en b)
|
|
Artikel 12, lid 2, punt b), subpunten i) en ii)
|
Artikel 22, lid 3, derde alinea, punten c) en d)
|
|
—
|
Artikel 22, lid 3, derde alinea, punt e)
|
|
—
|
Artikel 22, leden 4 tot en met 9
|
|
—
|
Artikel 23
|
|
—
|
Artikel 24
|
|
Artikel 13
|
Artikel 32
|
|
Artikel 14, lid 1
|
Artikel 25, lid 1
|
|
—
|
Artikel 25, lid 2
|
|
Artikel 14, lid 2
|
Artikel 25, lid 5
|
|
Artikel 14, lid 3
|
Artikel 25, lid 3, eerste alinea
|
|
—
|
Artikel 25, lid 3, tweede alinea
|
|
Artikel 14, lid 4
|
Artikel 25, lid 4
|
|
—
|
Artikel 25, lid 6
|
|
—
|
Artikel 26, leden 1, 2, 3, 4, 5 en 6
|
|
Artikel 14, lid 5, aanhef en punt a)
|
Artikel 26, lid 7, aanhef en punt a)
|
|
Artikel 14, lid 5, punten b), c) en d)
|
—
|
|
—
|
Artikel 26, lid 7, punten b), c) en d) en tweede alinea
|
|
Artikel 14, lid 5, tweede en derde alinea
|
Artikel 26, lid 7, derde en vierde alinea
|
|
Artikel 14, lid 6, punt a)
|
Artikel 26, lid 8, punt a)
|
|
Artikel 14, lid 6, punt b)
|
—
|
|
Artikel 14, lid 6, punt c)
|
Artikel 26, lid 8, punt b)
|
|
—
|
Artikel 26, lid 8, punt c)
|
|
Artikel 14, lid 6, tweede en derde alinea
|
Artikel 26, lid 8, tweede en derde alinea
|
|
Artikel 14, leden 7, 8 en 9
|
Artikel 26, leden 9, 10 en 11
|
|
—
|
Artikel 26, lid 12
|
|
Artikel 14, leden 10 en 11
|
Artikel 26, leden 13 en 14
|
|
Artikel 15, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 27, lid 1
|
|
Artikel 15, lid 1, tweede en derde alinea
|
—
|
|
—
|
Artikel 27, leden 2, 3 en 4
|
|
Artikel 15, lid 1, vierde alinea
|
Artikel 27, lid 5
|
|
Artikel 15, leden 2 en 2 bis
|
—
|
|
Artikel 15, leden 3, 4 en 5, eerste alinea
|
Artikel 27, leden 6, 7 en 8
|
|
Artikel 15, lid 5, tweede alinea
|
—
|
|
Artikel 15, lid 6, eerste alinea
|
—
|
|
Artikel 15, lid 6, tweede alinea
|
Artikel 27, lid 9
|
|
Artikel 15, lid 7,
|
Artikel 27, lid 10
|
|
Artikel 15, lid 9, eerste alinea
|
Artikel 27, lid 11
|
|
Artikel 15, lid 9, tweede alinea
|
—
|
|
Artikel 16, leden 1 en 2
|
—
|
|
—
|
Artikel 28, leden 1, 2, 3 en 5
|
|
Artikel 16, lid 3
|
Artikel 28, lid 4
|
|
Artikel 17, lid 1, eerste alinea
|
—
|
|
Artikel 17, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 30, lid 3
|
|
Artikel 17, lid 2
|
Artikel 22, lid 7
|
|
Artikel 17, lid 3
|
—
|
|
Artikel 17, lid 4
|
—
|
|
Artikel 17, lid 5
|
Artikel 22, lid 10
|
|
Artikel 18, lid 1, aanhef
|
Artikel 29, lid 1, aanhef
|
|
Artikel 18, lid 1, punt a), subpunten i) en ii)
|
Artikel 29, lid 1, punten a) en b)
|
|
—
|
Artikel 29, lid 1, punten c) en d)
|
|
Artikel 18, lid 1, punt b)
|
Artikel 29, lid 2
|
|
Artikel 18, lid 1, punt c)
|
Artikel 29, lid 3
|
|
—
|
Artikel 29, lid 4
|
|
Artikel 18, lid 1, punt d), subpunten i) en ii)
|
Artikel 29, lid 5, punten a) en b)
|
|
—
|
Artikel 29, lid 5, punt c)
|
|
Artikel 18, lid 2, punten a) en b)
|
Artikel 29, lid 6, punten a) en b)
|
|
Artikel 18, lid 2, punt c) en d)
|
—
|
|
—
|
Artikel 29, lid 6, punt c)
|
|
—
|
Artikel 29, lid 7
|
|
Artikel 18, lid 3
|
Artikel 29, lid 8
|
|
Artikel 19, lid 1, punt a)
|
Artikel 22, lid 5, eerste alinea
|
|
Artikel 19, lid 1, punt b)
|
Artikel 7, lid 7, eerste alinea
|
|
Artikel 19, lid 1, tweede alinea
|
Artikel 22, lid 9, tweede alinea
|
|
Artikel 19, lid 2
|
—
|
|
Artikel 20, leden 1 en 2
|
Artikel 30, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 30, leden 3, 4 en 5
|
|
Artikel 20, leden 3, 3 bis, 3 ter en 3 quater
|
Artikel 30, leden 6, 7, 8 en 9
|
|
Artikel 20, lid 3 quinquies
|
Artikel 30, lid 10, eerste alinea
|
|
—
|
Artikel 30, lid 10, tweede alinea
|
|
Artikel 20, leden 4, 5, 6 en 7
|
Artikel 30, leden 11, 13, 14 en 15
|
|
—
|
Artikel 30, lid 12
|
|
—
|
Artikel 30, lid 16
|
|
—
|
Artikel 30, lid 17
|
|
Artikel 21
|
Artikel 31, lid 1
|
|
Bijlage IV, voetnoot 3
|
Artikel 31, leden 2, 3 en 4
|
|
-
|
Artikel 31, lid 5
|
|
Bijlage IV, voetnoot 3
|
Artikel 31, leden 6 en 7
|
|
Artikel 22, leden 1 en 2
|
Artikel 33, leden 1 en 2
|
|
—
|
Artikel 33, lid 3
|
|
Artikel 23
|
Artikel 34
|
|
Artikel 24, leden 4 bis, 5 en 6
|
Artikel 35, leden 1, 2 en 3
|
|
Artikel 24, leden 7, 8, 9, 10 en 12
|
—
|
|
Artikel 24, leden 13 en 14
|
Artikel 35, leden 4 en 5
|
|
Artikel 24, lid 15, aanhef
|
Artikel 35, lid 7, aanhef
|
|
Artikel 24, lid 15, punt a)
|
—
|
|
Artikel 24, lid 15, punt b)
|
Artikel 35, lid 7, punt a)
|
|
—
|
Artikel 35, lid 7, punten b), c), d), e),f), g) en h
|
|
—
|
Artikel 35, lid 7, tweede alinea
|
|
Artikel 24, lid 8,
|
Artikel 35, lid 7, derde alinea
|
|
Artikel 25
|
—
|
|
Artikel 26
|
—
|
|
Artikel 28
|
Artikel 36
|
|
—
|
Artikel 37
|
|
Artikel 27, eerste alinea
|
Artikel 38, eerste alinea
|
|
Artikel 27, tweede alinea
|
—
|
|
Artikel 27, derde alinea
|
Artikel 38, tweede alinea
|
|
Artikel 27, leden 2 en 3,
|
—
|
|
Artikel 28, lid 1, eerste alinea
|
Artikel 36, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 28, lid 1, tweede alinea
|
—
|
|
Artikel 28, lid 1, derde en vierde alinea
|
Artikel 36, lid 1, tweede alinea
|
|
Artikel 28, lid 2
|
Artikel 36, lid 2
|
|
Artikel 29
|
Artikel 39
|
|
—
|
Artikel 39, tweede alinea
|
|
—
|
Artikel 39, derde alinea
|
|
Artikel 30
|
Artikel 40
|
|
—
|
Bijlage I
|
|
Bijlage I
|
Bijlage II
|
|
Bijlage II
|
Bijlage III
|
|
Bijlage III
|
Bijlage IV
|
|
Bijlage IV
|
—
|
|
Bijlage V
|
Bijlage V
|
|
Bijlage VI
—
|
Bijlage VI
Bijlage VII
|
|
Bijlage VII
|
Bijlage VIII
|
|
Bijlage VIIa
|
Bijlage IX
|
|
Bijlage VIII
|
Bijlage X
|
|
Bijlage IX
|
Bijlage XI
|
|
Bijlage X
|
Bijlage XII
|
|
Bijlage XI
|
Bijlage XIII
|
|
Bijlage XII
|
Bijlage XIV
|
|
Bijlage XIII
|
Bijlage XV
|
|
Bijlage XV
|
—
|
|
—
|
Bijlage XVI
|
|
—
|
Bijlage XVII
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|