+GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/923 VAN DE COMMISSIE van 25 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden (Voor de EER relevante tekst)
---+Preamble: 1
---+Artikel 1 Definities
------+Artikel 1 1)
------+Artikel 1 2)
------+Artikel 1 3)
---+Artikel 2 Toepassing van de criteria
------+Artikel 2 1
------+Artikel 2 2
------+Artikel 2 3
------+Artikel 2 4
---+Artikel 3 Criteria om te bepalen of de beroepswerkzaamheden van personeelsleden een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van de betrokken essentiële bedrijfseenheid hebben als bedoeld in artikel 94, lid 2, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU
------+Artikel 3 a)
------+Artikel 3 b)
------+Artikel 3 c)
------+Artikel 3 d)
------+Artikel 3 e)
------+Artikel 3 f)
---+Artikel 4 Personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden
---+Artikel 5 Kwalitatieve criteria
------+Artikel 5 a)
------+Artikel 5 b)
------+Artikel 5 c)
------+Artikel 5 d)
------+Artikel 5 e)
------+Artikel 5 f)
---+Artikel 6 Kwantitatieve criteria
------+Artikel 6 1
------+Artikel 6 2
------+Artikel 6 3
------+Artikel 6 4
---+Artikel 7 Berekening van de gemiddelde totale beloning voor leden van het leidinggevend orgaan en de directie en van de toegekende variabele beloning
------+Artikel 7 1
------+Artikel 7 2
------+Artikel 7 3
------+Artikel 7 4
---+Artikel 8 Intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014
---+Artikel 9 Inwerkingtreding
English - European Union - Financial Industry - Banking -

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/923 VAN DE COMMISSIE van 25 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden (Voor de EER relevante tekst)

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/923 VAN DE COMMISSIE

van 25 maart 2021

tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Preamble: 1

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 94, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Niet alleen de beroepswerkzaamheden van de in artikel 92, lid 3, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden kunnen het risicoprofiel van een instelling wezenlijk beïnvloeden, maar ook de beroepswerkzaamheden van andere personeelsleden. Dit zal met name het geval zijn wanneer dergelijke personeelsleden leidinggevende verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van essentiële bedrijfseenheden of controlefuncties, omdat zij strategische of andere fundamentele beslissingen kunnen nemen die van invloed zijn op de bedrijfsactiviteiten of op het toegepaste controlekader. Dergelijke controlefuncties hebben doorgaans betrekking op risicobeheer, naleving en interne audit. De risico’s die essentiële bedrijfseenheden nemen en de manier waarop die eenheden worden beheerd, zijn de belangrijkste factoren voor het risicoprofiel van een instelling.

(2)

Daarom moeten criteria worden vastgesteld om andere personeelsleden te identificeren dan de in artikel 92, lid 3, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden, wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden. Die criteria moeten rekening houden met de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van dergelijke personeelsleden en met het risicoprofiel en de prestatie-indicatoren, de interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van de betrokken instelling. Deze criteria moeten instellingen ook in staat stellen om in het kader van hun beloningsbeleid passende stimulansen te geven om ervoor te zorgen dat de betrokken personeelsleden prudent handelen bij de uitvoering van hun taken. Tot slot moeten deze criteria het risiconiveau van de verschillende activiteiten binnen de instelling weerspiegelen.

(3)

Sommige personeelsleden zijn verantwoordelijk voor het verlenen van interne ondersteuning die van cruciaal belang is voor het functioneren van de bedrijfsactiviteiten van een instelling. Hun activiteiten en besluiten kunnen het risicoprofiel van een instelling ook wezenlijk beïnvloeden, omdat deze de instelling kunnen blootstellen aan wezenlijke operationele en andere risico’s.

(4)

Het is een gewone gang van zaken om kredietrisico’s en marktrisico’s aan te gaan om bedrijfsactiviteiten te genereren. Afhankelijk van de betrokken bedragen en risico’s kunnen dergelijke bedrijfsactiviteiten het risicoprofiel van een instelling wezenlijk beïnvloeden. Daarom is het passend om aan de hand van op bevoegdheidslimieten gebaseerde criteria personeelsleden te identificeren wier activiteiten het risicoprofiel van een instelling wezenlijk kunnen beïnvloeden. Deze criteria moeten ten minste jaarlijks op basis van de kapitaalcijfers en de voor regelgevingsdoeleinden gebruikte benaderingen worden berekend Om de evenredige toepassing van de criteria binnen kleine instellingen te waarborgen, moet echter een de-minimisdrempel voor kredietrisico worden toegepast.

(5)

Bij de criteria om personeelsleden te identificeren wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling wezenlijk beïnvloeden, moet ook ermee rekening worden gehouden dat sommige instellingen op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) van de vereisten inzake de handelsportefeuille kunnen worden vrijgesteld, en dat in die verordening limieten op verschillende manieren worden vastgesteld voor instellingen die verschillende benaderingen hanteren voor de berekening van kapitaalvereisten.

(6)

Passende kwalitatieve criteria moeten ervoor zorgen dat wanneer personeelsleden verantwoordelijk zijn voor groepen personeelsleden wier werkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk zouden kunnen beïnvloeden, zij worden geïdentificeerd als personeelsleden die het risicoprofiel van een instelling wezenlijk beïnvloeden. Dit omvat situaties waarin de werkzaamheden van individuele personeelsleden onder hun leiding individueel het risicoprofiel van de instelling niet wezenlijk beïnvloeden, maar de globale omvang van hun werkzaamheden dat wel zou kunnen.

(7)

De totale bezoldiging van personeelsleden hangt doorgaans af van de bijdrage die het personeel levert aan de succesvolle verwezenlijking van de bedrijfsdoelstellingen van de instelling. Deze bezoldiging hangt dus af van de verantwoordelijkheden, taken, bekwaamheden en vaardigheden van de personeelsleden en van de prestaties van personeelsleden en de instelling. Wanneer een personeelslid een totale beloning wordt toegekend die een bepaalde drempel overschrijdt, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat deze beloning verband houdt met de bijdrage van het personeelslid aan de bedrijfsdoelstellingen van de instelling en dus met de invloed van zijn beroepswerkzaamheden op het risicoprofiel van de instelling. Daarom is het passend kwantitatieve criteria te hanteren die verband houden met de totale beloning van een personeelslid, zowel in absolute cijfers als in verhouding tot de beloning van andere personeelsleden binnen dezelfde instelling, om te bepalen of de beroepswerkzaamheden van een dergelijk personeelslid het risicoprofiel van de instelling wezenlijk zouden kunnen beïnvloeden.

(8)

Er moeten duidelijke en passende drempels worden vastgesteld voor het identificeren van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling wezenlijk beïnvloeden. Van instellingen moet worden gevraagd dat zij de kwantitatieve criteria tijdig toepassen. Kwantitatieve criteria moeten de ontwikkelingen op het gebied van beloningen volgen, willen zij realistisch zijn. Een eerste methode om dergelijke ontwikkelingen te volgen, bestaat erin deze criteria te baseren op de totale beloning die in het voorgaande prestatiejaar is toegekend en die is opgebouwd uit de voor dat prestatiejaar betaalde vaste beloning en toegekende variabele beloning. Een tweede methode om dergelijke ontwikkelingen te volgen, bestaat erin deze criteria te baseren op de totale beloning die voor het voorgaande prestatiejaar is toegekend en die is opgebouwd uit de voor dat prestatiejaar betaalde vaste beloning en de variabele beloning die in het lopende prestatiejaar voor het voorgaande boekjaar is toegekend. De tweede methode zorgt voor een betere afstemming van het identificatieproces op de werkelijke beloning die voor een prestatieperiode wordt toegekend, maar kan alleen worden toegepast wanneer het nog niet te laat is voor een berekening voor de toepassing van de kwantitatieve criteria. Wanneer een dergelijke berekening niet meer mogelijk is, moet de eerste methode worden gebruikt. Bij beide methoden kan de variabele beloning bedragen omvatten die worden toegekend op basis van prestatieperioden van meer dan een jaar, afhankelijk van de door de instelling gehanteerde prestatiecriteria.

(9)

In artikel 92, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU is een kwantitatieve drempel vastgesteld van 500 000 EUR in combinatie met de gemiddelde beloning van leden van het leidinggevend orgaan en de directie voor het identificeren van personeelsleden wier activiteiten het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid wezenlijk beïnvloeden. Beloning boven die kwantitatieve drempel of ten belope van een van de hoogste beloningen binnen de instelling leidt dus tot een sterk vermoeden dat de werkzaamheden van de personeelsleden die een dergelijke beloning ontvangen, het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden, in welk geval nog nauwlettender toezicht moet worden uitgeoefend om vast te stellen of de beroepswerkzaamheden van dergelijke personeelsleden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden.

(10)

Personeelsleden mogen niet onder artikel 94 van Richtlijn 2013/36/EU vallen wanneer instellingen op basis van aanvullende objectieve criteria vaststellen dat de werkzaamheden van deze personeelsleden het risicoprofiel van de instelling in feite niet wezenlijk beïnvloeden, rekening houdend met alle risico’s waaraan de instelling is of kan worden blootgesteld. Met het oog op een doeltreffende en consistente toepassing van deze objectieve criteria moeten de bevoegde autoriteiten instemmen met de uitsluiting van de op grond van de kwantitatieve criteria geïdentificeerde personeelsleden met het hoogste inkomen. De bevoegde autoriteiten moeten de Europese Bankautoriteit (“EBA”) informeren over de uitsluiting van personeelsleden aan wie meer dan 1 000 000 EUR wordt toegekend (grootverdieners), alvorens deze goed te keuren, zodat de EBA kan beoordelen of die criteria consequent zijn toegepast.

(11)

Om de bevoegde autoriteiten en auditors in staat te stellen de beoordelingen te evalueren die instellingen hebben uitgevoerd om na te gaan van wie van hun personeelsleden de beroepswerkzaamheden hun risicoprofiel wezenlijk beïnvloeden, is het van cruciaal belang dat instellingen een register bijhouden van de uitgevoerde beoordelingen en de resultaten daarvan, en daarbij de personeelsleden registreren die zijn geïdentificeerd aan de hand van op hun totale beloning gebaseerde criteria, maar wier beroepswerkzaamheden worden geacht het risicoprofiel van de instelling niet wezenlijk te beïnvloeden.

(12)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 (3) moet worden ingetrokken. Beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mogen wegens de naleving van deze verordening echter geen ongerechtvaardigde kosten dragen. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 moet derhalve op dergelijke ondernemingen van toepassing blijven tot 26 juni 2021, de uiterste datum waarop de lidstaten de maatregelen moeten vaststellen en bekendmaken om te voldoen aan Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(13)

Deze verordening is gebaseerd op het ontwerp van technische reguleringsnormen dat de EBA bij de Commissie heeft ingediend.

(14)

De EBA heeft openbare raadplegingen gehouden over het ontwerp van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5) opgerichte Stakeholdersgroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Artikel 2 Toepassing van de criteria
Artikel 3 Criteria om te bepalen of de beroepswerkzaamheden van personeelsleden een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van de betrokken essentiële bedrijfseenheid hebben als bedoeld in artikel 94, lid 2, punt b), van Richtlijn 2013/36/EU

Instellingen passen in het kader van hun beloningsbeleid alle volgende criteria toe om te bepalen of de beroepswerkzaamheden van personeelsleden een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid:

Artikel 4 Personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden

Artikel 4

Personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden

Instellingen identificeren personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde personeelsleden indien die personeelsleden of categorieën personeelsleden voldoen aan een van de criteria van artikel 5 of artikel 6 van deze verordening.

Artikel 5 Kwalitatieve criteria

Naast personeelsleden die op grond van de criteria van artikel 92, lid 3, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU zijn geïdentificeerd, worden personeelsleden geacht het risicoprofiel van een instelling wezenlijk te beïnvloeden wanneer aan een of meer van de volgende kwalitatieve criteria wordt voldaan:

Artikel 6 Kwantitatieve criteria
Artikel 7 Berekening van de gemiddelde totale beloning voor leden van het leidinggevend orgaan en de directie en van de toegekende variabele beloning
Artikel 8 Intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014

Artikel 8

Intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 wordt ingetrokken. Die gedelegeerde verordening blijft echter tot 26 juni 2021 van toepassing op beleggingsondernemingen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de vijfde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.

(2)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 houdende aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met betrekking tot kwalitatieve en passende kwantitatieve criteria tot vaststelling van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden (PB L 167 van 6.6.2014, blz. 30).

(4)  Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).

(5)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(6)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 1).

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis