BIJLAGE A
TOELICHTING OP DE TERMINOLOGIE
Deze bijlage verschaft toelichtingen, geografische opmerkingen en definities van termen die in de overige bijlagen worden gebruikt, tenzij deze anders worden gespecificeerd in deze bijlagen.
1.
GEOGRAFISCHE OPMERKINGEN
Uitsluitend voor de statistische rapportage gelden de volgende geografische definities:
—
Australië omvat niet de overzeese gebieden;
—
Denemarken omvat niet de Faeröer en Groenland;
—
Frankrijk omvat Monaco en de Franse overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Frans-Guyana, Réunion en Mayotte;
—
Italië omvat San Marino en Vaticaanstad (de Heilige Stoel);
—
Portugal omvat de Azoren en Madeira;
—
Spanje omvat de Canarische eilanden, de Balearen, en Ceuta en Melilla;
—
Zwitserland omvat niet Liechtenstein,
—
de Verenigde Staten omvatten de vijftig staten, het District of Columbia, de Amerikaanse Maagdeneilanden, Puerto Rico en Guam.
2.
AGGREGATEN
De producenten van elektriciteit en warmte worden ingedeeld volgens het doel van de productie:
—
producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben: particuliere of overheidsbedrijven die als hoofdactiviteit elektriciteit en/of warmte opwekken voor verkoop aan derde partijen;
—
zelfopwekkers: particuliere of overheidsbedrijven die volledig of gedeeltelijk voor eigen gebruik elektriciteit en/of warmte opwekken als nevenactiviteit bij hun hoofdactiviteit.
Opmerking: wanneer een herziening van de NACE-classificatie in werking treedt, kan de Commissie de terminologie verder verduidelijken door volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing bedoelde NACE (
2
)-codes toe te voegen.
2.1.
Voorziening
2.1.1. PRODUCTIE/BINNENLANDSE PRODUCTIE
Hoeveelheden gewonnen of geproduceerde brandstoffen worden berekend na eventuele verwijdering van inert materiaal. De productie omvat de hoeveelheden die de producent tijdens het productieproces verbruikt (bv. voor verwarming en het functioneren van apparatuur en hulpmiddelen) en leveringen aan andere energieproducenten voor omzetting of ander gebruik.
Onder “binnenlandse productie” wordt verstaan: productie uit hulpbronnen binnen een specifiek grondgebied — nationaal grondgebied van het rapporterende land.
2.1.2. TERUGWINNING
Alleen van toepassing op steenkool. Slurry en mijnsteen van afvalbergen die door mijnen worden teruggewonnen.
2.1.3. ONTVANGSTEN UIT ANDERE BRONNEN
De hoeveelheden brandstoffen waarvan de productie wordt bestreken in andere verslaglegging over brandstoffen, maar die zijn gemengd met andere brandstoffen en die worden verbruikt als een mengsel. Verdere details over dit onderdeel moeten worden verstrekt als:
—
Ontvangsten uit andere bronnen: Steenkool
—
Ontvangsten uit andere bronnen: Aardolie en aardolieproducten
—
Ontvangsten uit andere bronnen: Aardgas
—
Ontvangsten uit andere bronnen: Hernieuwbare energiebronnen
—
Ontvangsten uit andere bronnen: Waterstof
2.1.4. INVOER/UITVOER
Tenzij anders vermeld, heeft “invoer” betrekking op de eerste oorsprong (het land waar de energieproducten zijn geproduceerd) met het oog op gebruik in het land en “uitvoer” op het land waar de geproduceerde energieproducten uiteindelijk worden verbruikt. Hoeveelheden worden geacht te zijn in- of uitgevoerd wanneer zij de politieke grenzen van het land hebben overschreden, ongeacht of zij al dan niet zijn in- of uitgeklaard.
Indien oorsprong of bestemming onbekend zijn, mag “Niet-gespecificeerd/Andere” worden gebruikt.
2.1.5. INTERNATIONALE SCHEEPSBUNKERS
Hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan schepen onder om het even welke vlag in de internationale scheepvaart. Het kan daarbij gaan om zee-, binnen- en kustvaart. Hieronder vallen niet:
—
het verbruik van schepen in de binnenlandse scheepvaart; het onderscheid tussen binnenlandse en internationale scheepvaart wordt gemaakt op basis van de havens van vertrek en aankomst, niet op basis van de vlag of de nationaliteit van het schip;
—
het verbruik van vissersvaartuigen;
—
het verbruik van militaire vaartuigen.
2.1.6. INTERNATIONALE LUCHTVAART
De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vliegtuigen voor de internationale luchtvaart. Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale luchtvaart wordt gemaakt op basis van de luchthavens van vertrek en aankomst, niet op basis van de nationaliteit van de luchtvaartmaatschappij. Hieronder vallen niet brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt voor hun wegvoertuigen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Vervoer”) en militair gebruik van vliegtuigbrandstoffen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Overige”).
2.1.7. VOORRAADWIJZIGINGEN
Het verschil tussen begin- en eindinventaris van voorraden op het nationale grondgebied. Tenzij anders vermeld, wordt een toename van de voorraad weergegeven met een negatief getal en een afname van de voorraad met een positief getal.
2.1.8. TOTALE BEGIN- EN EINDVOORRADEN OP HET NATIONALE GRONDGEBIED
Alle voorraden op het nationale grondgebied, waaronder voorraden van de staat, grote consumenten en opslagmaatschappijen, voorraden aan boord van binnenkomende zeeschepen, voorraden in zones onder douanetoezicht en voorraden die voor anderen worden bijgehouden, al dan niet in het kader van bilaterale overeenkomsten tussen staten. Met begin- en eindvoorraad wordt de voorraad op de eerste, respectievelijk de laatste dag van de verslagperiode bedoeld. Voorraden omvatten voorraden die worden bewaard in alle typen speciale bergingen, zowel bovengronds als ondergronds.
2.1.9. RECHTSTREEKS GEBRUIK
Aardolie (ruwe olie en aardolieproducten) die rechtstreeks wordt gebruikt, zonder in aardolieraffinaderijen te worden verwerkt. Hieronder valt ook ruwe olie die wordt verbrand om elektriciteit op te wekken.
2.1.10. ONTVANGSTEN VAN PRIMAIRE PRODUCTEN
Hieronder vallen de hoeveelheden binnenlandse of ingevoerde ruwe olie (met inbegrip van condensaat) en binnenlandse NGL (
3
) die rechtstreeks worden gebruikt, zonder in een aardolieraffinaderij te worden verwerkt, en de hoeveelheden backflows uit de petrochemische industrie die, hoewel ze geen primaire brandstoffen zijn, rechtstreeks worden gebruikt.
2.1.11. BRUTO-OUTPUT VAN DE RAFFINADERIJEN
Productie van afgewerkte producten in raffinaderijen en mengbedrijven. Hieronder vallen niet de verliezen bij de raffinage, maar wel de raffinaderijbrandstof.
2.1.12. GERECYCLEERDE PRODUCTEN
Afgewerkte producten die, nadat ze al eens aan eindgebruikers zijn geleverd, een tweede maal in de handel worden gebracht (bv. gebruikte smeermiddelen die opnieuw worden verwerkt). Deze hoeveelheden moeten worden onderscheiden van de backflows uit de petrochemische sector.
2.1.13. BACKFLOWS
Afgewerkte producten of halffabricaten die van de eindgebruikers teruggaan naar de raffinaderijen om te worden verwerkt, gemengd of verkocht. Het gaat gewoonlijk om bijproducten van de petrochemische productie.
2.1.14. OVERBOEKINGEN TUSSEN PRODUCTEN
Hoeveelheden die worden heringedeeld omdat de specificatie is veranderd of omdat zij met een ander product worden gemengd. Een negatieve vermelding voor een product wordt gecompenseerd door een of meer positieve vermeldingen voor een of meer andere producten en vice versa; het totale nettoresultaat moet nul zijn.
2.1.15. OVERGEBOEKTE PRODUCTEN
Ingevoerde aardolieproducten die worden heringedeeld als grondstoffen voor verdere verwerking in de raffinaderij en die niet aan de eindgebruiker worden verkocht.
2.1.16. STATISTISCH VERSCHIL
Berekende waarde, gedefinieerd als het verschil tussen de berekening uit het oogpunt van het aanbod (top-downbenadering) en de berekening uit het oogpunt van het verbruik (bottom-upaanpak). Eventuele grote statistische verschillen moeten worden verklaard door de rapporterende landen.
2.2.
Sector omzetting
In de sector omzetting worden alleen de hoeveelheden brandstoffen die zijn omgezet naar andere brandstoffen gerapporteerd. De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming, het functioneren van apparatuur en in het algemeen ter ondersteuning van de omzetting, moeten als verbruik in de sector energie worden opgegeven.
2.2.1. PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — ALLEEN ELEKTRICITEIT
De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om elektriciteit te produceren in eenheden/installaties voor alleen elektriciteit.
2.2.2. PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — WARMTEKRACHTEENHEDEN
De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om elektriciteit en/of warmte te produceren in warmtekrachteenheden.
2.2.3. PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — ALLEEN WARMTE
De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om warmte te produceren in eenheden/installaties voor alleen warmte.
2.2.4. ZELFOPWEKKERS — ALLEEN ELEKTRICITEIT
De hoeveelheden brandstoffen die door zelfopwekkers worden gebruikt om elektriciteit te produceren in eenheden/installaties voor alleen elektriciteit.
2.2.5. ZELFOPWEKKERS — WARMTEKRACHTEENHEDEN
Alle hoeveelheden brandstoffen die door zelfopwekkers worden gebruikt om elektriciteit te produceren en het proportionele deel van de brandstoffen dat in warmtekrachteenheden wordt gebruikt om warmte te produceren die voor de verkoop is bestemd. Het proportionele deel van de brandstoffen dat wordt gebruikt om warmte te produceren die niet wordt verkocht (zelfverbruikte warmte), moet worden gerapporteerd in de relevante sector van het eindenergieverbruik op basis van de NACE-classificatie. Warmte die is verkocht, maar niet geleverd aan andere entiteiten onder niet-financiële overeenkomsten of aan entiteiten met verschillende eigenaren, wordt opgegeven op basis van hetzelfde principe als verkochte warmte.
2.2.6. ZELFOPWEKKERS — ALLEEN WARMTE
Het proportionele deel van brandstoffen die worden gebruikt om warmte te produceren die door zelfopwekkers wordt verkocht in eenheden/installaties voor alleen warmte. Het proportionele deel van de brandstoffen dat wordt gebruikt om warmte te produceren die niet wordt verkocht (zelfverbruikte warmte), moet worden gerapporteerd in de relevante sector van het eindenergieverbruik op basis van de NACE-classificatie. Warmte die is verkocht, maar niet geleverd aan andere entiteiten onder niet-financiële overeenkomsten of aan entiteiten met verschillende eigenaren, wordt opgegeven op basis van hetzelfde principe als verkochte warmte.
2.2.7. STEENKOOLBRIKETTENCENTRALES
De hoeveelheden brandstoffen die in steenkoolbrikettencentrales worden gebruikt voor de productie van steenkoolbriketten.
2.2.8. COKESOVENS
De hoeveelheden brandstoffen die in cokesovens worden gebruikt voor de productie van cokesovencokes en cokesovengas.
2.2.9. BRUINKOOLBRIKETTEN- EN TURFBRIKETTENCENTRALES
De hoeveelheden brandstoffen die in bruinkoolbrikettenfabrieken worden gebruikt om bruinkoolbriketten te produceren en de hoeveelheden brandstoffen die in turfbrikettenfabrieken worden gebruikt om turfbriketten te produceren.
2.2.10. GASFABRIEKEN
De hoeveelheden brandstoffen die in gasfabrieken en steenkoolvergassingsinstallaties worden gebruikt om fabrieksgas te produceren.
2.2.11. HOOGOVENS
De hoeveelheden brandstoffen die de hoogoven binnenkomen, ofwel door de bovenkant met het ijzererts of door de blaasmonden aan de onderkant met de verhitte blaaslucht.
2.2.12. KOLENLIQUEFACTIE
De hoeveelheden brandstof die worden gebruikt om synthetische olie te produceren.
2.2.13. INSTALLATIES VOOR DE OMZETTING VAN GAS NAAR VLOEISTOF
De hoeveelheden gasvormige brandstoffen die worden omgezet in vloeibare brandstoffen.
2.2.14. HOUTSKOOLPRODUCTIE-INSTALLATIE
De hoeveelheden vaste biobrandstoffen die worden omgezet in houtskool.
2.2.15. AARDOLIERAFFINADERIJEN
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt om aardolieproducten te produceren.
2.2.16. AARDGASMENGBEDRIJVEN (VOOR GEMENGD AARDGAS)
De hoeveelheden gassen die worden gemengd met aardgas en in het aardgasnetwerk (aardgasnet) worden geïnjecteerd.
2.2.17. VOOR MENGING MET MOTORBENZINE / DIESEL / KEROSINE:
De hoeveelheden vloeibare biobrandstoffen die met fossiele brandstoffen worden gemengd. De hoeveelheden waterstof die met fossiele brandstoffen worden gemengd.
2.2.18. PRODUCTIE VAN WATERSTOF
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt om waterstof te produceren
2.2.19. NIET ELDERS VERMELD
De hoeveelheden brandstoffen die voor omzetting worden gebruikt en niet elders zijn vermeld. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.
2.3.
Sector energie
De hoeveelheden die door de sector energie worden verbruikt voor de winning van energie (mijnen, olie- en gasproductie) of het functioneren van omzettingsinstallaties. Dit komt overeen met NACE-afdelingen 05, 06, 19 en 35, NACE-groep 09.1 en NACE-klassen 07.21 en 08.92.
Hieronder vallen niet de hoeveelheden brandstoffen die in een andere energievorm worden omgezet (te vermelden onder de sector omzetting) of worden gebruikt ter ondersteuning van het beheer van olie-, gas- en kolenslurrypijpleidingen (te vermelden onder de sector vervoer).
2.3.1. EIGEN GEBRUIK VAN ELEKTRICITEITS-, WARMTEKRACHT- EN WARMTECENTRALES
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties met eenheden voor alleen elektriciteit, eenheden voor alleen warmte en warmtekrachteenheden.
2.3.2. KOLENMIJNEN
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt ter ondersteuning van de winning en het wassen van steenkool in de steenkoolindustrie. Steenkool die in mijncentrales wordt verbrand, moet onder de sector omzetting worden opgegeven.
2.3.3. STEENKOOLBRIKETTENCENTRALES
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van steenkoolbrikettencentrales.
2.3.4. COKESOVENS
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van cokesovens (cokesfabrieken).
2.3.5. BRUINKOOLBRIKETTEN- EN TURFBRIKETTENCENTRALES
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties voor bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales (briketteninstallaties).
2.3.6. GASFABRIEKEN/KOLENVERGASSINGSINSTALLATIES
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van gasfabrieken en kolenvergassingsinstallaties.
2.3.7. HOOGOVENS
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van hoogovens.
2.3.8. KOLENLIQUEFACTIE
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van kolenliquefactie-installaties.
2.3.9. LIQUEFACTIE (LNG) / HERVERGASSING
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van aardgasliquefactie-en hervergassingsinstallaties.
2.3.10. VERGASSINGSINSTALLATIES (BIOGAS)
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van vergassingsinstallaties voor biogas.
2.3.11. INSTALLATIES VOOR DE OMZETTING VAN GAS NAAR VLOEISTOF
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties voor de omzetting van gas naar vloeistof.
2.3.12. HOUTSKOOLPRODUCTIE-INSTALLATIES
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van houtskoolproductie-installaties.
2.3.13. AARDOLIERAFFINADERIJEN
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van aardolieraffinaderijen.
2.3.14. NUCLEAIRE INDUSTRIE
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van de nucleaire industrie (mijnbouw, verwerking, opwerking van kernmateriaal voor kernsplijting en kernfusie), met inbegrip van de behandeling, berging en opslag van radioactief kernafval.
2.3.15. OLIE- EN GASWINNING
De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt in faciliteiten voor de extractie van aardolie en aardgas. Hieronder vallen niet: verliezen uit pijpleidingen (te vermelden onder “distributieverliezen” en hoeveelheden energie die worden gebruikt voor het beheer van pijpleidingen (te vermelden onder de sector vervoer).
2.3.16. PRODUCTIE, LIQUEFACTIE EN VERGASSING VAN WATERSTOF
De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor de ondersteuning van de productie, liquefactie en vergassing van waterstof.
2.3.17. NIET ELDERS VERMELD — ENERGIE
De hoeveelheden brandstoffen met betrekking tot energieactiviteiten die niet elders zijn vermeld. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.
2.4.
Verliezen bij transmissie en distributie
2.4.1. Verliezen bij transmissie
De hoeveelheden brandstofverliezen bij het vervoer en de distributie, in het deel van het systeem dat door de transmissiesysteembeheerder wordt beheerd. Het begrip omvat technische en niet-technische verliezen. Voor elektriciteit omvat dit verliezen in transformatoren die niet als integraal deel van centrales worden beschouwd. Voor gas omvat het begrip ontluchting en affakkeling tijdens de transmissie.
2.4.2. Distributieverliezen
De hoeveelheden brandstofverliezen bij de distributie, in het deel van het systeem dat door de distributiesysteembeheerder wordt beheerd. Het begrip omvat technische en niet-technische verliezen. Voor gas omvat het ontluchting en affakkeling tijdens de distributie.
2.5.
Niet-energetisch eindverbruik
Hoeveelheden brandstoffen die zijn bestemd voor niet-energetisch gebruik -niet-verbrande brandstoffen.
2.6.
Finaal energieverbruik (specificaties van het eindgebruik)
2.6.1. INDUSTRIE
Dit betreft de hoeveelheden brandstoffen die industriële ondernemingen verbruiken ter ondersteuning van hun kernactiviteiten.
Wat warmte- en warmtekrachteenheden betreft, moeten alleen de hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor de productie van warmte die de installatie zelf gebruikt (binnen de installatie gebruikte warmte) worden opgegeven. De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor de productie van warmte die wordt verkocht en voor de productie van elektriciteit, moeten onder de desbetreffende sector omzetting worden opgegeven.
2.6.1.1. Winning van delfstoffen: NACE-afdelingen 07 (met uitzondering van 07.21) en 08 (met uitzondering van 08.92); NACE-groep: 09.9
2.6.1.1.1. Winning van metaalertsen: [NACE-afdeling 07; hieronder valt niet NACE-klasse 07.21, Winning van uranium- en thoriumerts]
2.6.1.1.2. Overige winning van delfstoffen [NACE-afd. 08; hieronder valt niet NACE-klasse 08.92, Winning van turf]
2.6.1.1.3. Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw [NACE-afd. 09; hieronder valt niet NACE-groep 09.1, Ondersteunende activiteiten in verband met de aardolie- en aardgaswinning]
2.6.1.2. Voedings- en genotmiddelen: NACE-afdelingen 10, 11 en 12.
2.6.1.2.1. Vervaardiging van voedingsmiddelen [NACE-afd. 10]
2.6.1.2.2. Vervaardiging van dranken [NACE-afd. 11]
2.6.1.2.3. Vervaardiging van tabaksproducten [NACE-afd. 12]
2.6.1.3. Textiel en leer [NACE-afd. 13, 14 en 15; omvat de Vervaardiging van textiel, de Vervaardiging van kleding en de Vervaardiging van leer en van producten van leer]
2.6.1.4. Hout en artikelen van hout — Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; Vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk [NACE-afd. 16]
2.6.1.5. Pulp, papier en drukkerijen: NACE-afdelingen 17 en 18.
2.6.1.5.1. Vervaardiging van papier en papierwaren [NACE-afd. 17]
2.6.1.5.1.1. Vervaardiging van pulp [NACE-klasse 17.11]
2.6.1.5.1.2. Overig papier en papierwaren [NACE-klasse 17.12 en NACE-groep 17.2]
2.6.1.5.2 Drukkerijen, reproductie van opgenomen media [NACE-afd. 18]
2.6.1.6. Chemische en petrochemische industrie: NACE-afdelingen 20 en 21.
2.6.1.6.1. Vervaardiging van chemische producten [NACE-afd. 20]
2.6.1.6.2. Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten [NACE-afd. 21]
2.6.1.7. Niet-metaalhoudende minerale producten [NACE-afd. 23]
2.6.1.7.1. Vervaardiging van glas en glaswerk [NACE-groep 23.1]
2.6.1.7.2. Vervaardiging van cement, kalk en gips (incl. klinker) [NACE-groep 23.5]
2.6.1.7.3. Overige niet-metaalhoudende minerale producten [NACE-groepen 23.2, 23.3, 23.4, 23.6, 23.7 en 23.9]
2.6.1.8. IJzer en staal [Vervaardiging van metalen in primaire vorm A: NACE-groepen 24.1, 24.2 en 24.3 en klassen 24.51 en 24.52]
2.6.1.9. Non-ferrometaalindustrie [Vervaardiging van metalen in primaire vorm B: NACE-groep 24.4 en klassen 24.53 en 24.54]
2.6.1.9.1. Productie van aluminium [NACE-klasse 24.42]
2.6.1.9.2. Overige non-ferrometaalindustrie [NACE-groep 24.4 — excl. NACE-klasse 24.42; NACE-klassen 24.53 en 24.54]
2.6.1.10. Machines en toestellen: NACE-afdelingen 25, 26, 27 en 28.
2.6.1.10.1. Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparaten [NACE-afd. 25]
2.6.1.10.2. Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten [NACE-afd. 26]
2.6.1.10.3. Vervaardiging van elektrische apparatuur [NACE-afd. 27]
2.6.1.10.4. Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g. [NACE-afd. 28]
2.6.1.11. Hulpmiddel bij het vervoer: Aan vervoermiddelen gerelateerde industriesectoren [NACE, afd. 29 en 30; omvat de Vervaardiging van auto’s, aanhangwagens en opleggers en de Vervaardiging van andere transportmiddelen]
2.6.1.12. Niet elders vermeld – Industrie: NACE-afdelingen 22, 31 en 32
2.6.1.12.1. Vervaardiging van producten van rubber of kunststof [NACE-afd. 22]
2.6.1.12.2. Vervaardiging van meubelen [NACE-afd. 31]
2.6.1.12.3. Overige industrie [NACE-afd. 32]
2.6.1.13. Bouwnijverheid [NACE-afdelingen 41, 42 en 43]
2.6.2. VERVOER
Energie die wordt gebruikt voor alle vervoeractiviteiten, ongeacht in welke NACE-categorie (economische sector) deze plaatsvinden. Brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming en verlichting op treinstations, busstations, pieren en luchthavens, moeten worden gerapporteerd onder “Commerciële en openbare diensten” en niet onder de vervoerssector.
2.6.2.1. Spoor
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door het spoorwegverkeer, met inbegrip van industriële spoorwegen en vervoer per spoor dat deel uitmaakt van stads- en voorstadsvervoersystemen (bijvoorbeeld treinen, trams, metro’s).
2.6.2.1.1. Hogesnelheidsspoor
Energie die wordt gebruikt door treinen op sporen waar de snelheid 200 kilometer per uur kan overschrijden.
2.6.2.1.2. Conventioneel spoor
Energie die wordt gebruikt door spoorwegverkeer, met uitzondering van hogesnelheidsspoor en metro en tram.
2.6.2.1.2.1. Personenvervoer per conventioneel spoor
Energie die wordt gebruikt door personenvervoer per spoor, dat wil zeggen voor het vervoer van reizigers waarbij tussen de plaats van instappen en de plaats van uitstappen spoorvoertuigen worden gebruikt. Een reiziger is iemand die een reis per spoor maakt, met uitzondering van het treinpersoneel.
2.6.2.1.2.2. Vrachtvervoer per conventioneel spoor
Energie die wordt gebruikt door vrachtvervoer per spoor, dat wil zeggen voor het vervoer van vracht waarbij tussen de plaats van inladen en de plaats van uitladen spoorvoertuigen worden gebruikt.
2.6.2.1.3. Metro en tram
Energie die wordt gebruikt door vervoer per metro, tram spoor, lichte spoorvoertuigen en andere verhoogde of ondergrondse stedelijke spoorwegsystemen.
2.6.2.2. Binnenlandse scheepvaart
De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vaartuigen onder om het even welke vlag in de internationale scheepvaart (zie “Internationale scheepsbunkers”). Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale scheepvaart wordt gemaakt op basis van de havens van vertrek en aankomst, niet op basis van de vlag of de nationaliteit van het schip.
2.6.2.3. Wegvervoer
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door wegvoertuigen. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden verbruikt door landbouwvoertuigen op de openbare weg en smeermiddelen voor gebruik in wegvoertuigen.
Hieronder vallen niet: energie die wordt verbruikt door stationaire motoren (zie “Overige sectoren”), door landbouwvoertuigen buiten de openbare weg (zie “Landbouw”), voor militair gebruik in wegvoertuigen (zie “Overige sectoren — niet elders vermeld”), asfalt als wegbedekking en energie die wordt gebruikt door machines op bouwplaatsen (zie “Bouwnijverheid”).
2.6.2.3.1. Zware bedrijfsvoertuigen voor vrachtvervoer
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door vrachtwagens met meer dan 3,5 t laadcapaciteit, voor goederenvervoer (voertuigen van categorie N2 en N3, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).
2.6.2.3.2. Collectief vervoer
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door grote voertuigen die passagiers vervoeren, zoals bussen, grote bestelwagens enz. (voertuigen van categorie M2 en M3, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).
2.6.2.3.3. Auto’s en bestelwagens
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door kleine voertuigen, zoals auto’s en bestelwagens die passagiers of goederen vervoeren, (voertuigen van categorie N1 en M1, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).
2.6.2.3.4. Ander wegvervoer
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door alle vormen van wegvervoer, afgezien van zware bedrijfsvoertuigen voor vrachtvervoer, openbaar vervoer en auto’s en bestelwagens.
2.6.2.4. Vervoer door pijpleidingen
De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt voor de ondersteuning van het beheer van pijpleidingen voor het transport van gassen, vloeistoffen, slurry en andere producten. Hieronder valt ook energie die wordt gebruikt voor pompstations en voor het onderhoud van pijpleidingen. Hieronder vallen niet: energie die wordt gebruikt voor de distributie van aardgas en fabrieksgas via pijpleidingen van de distributeur naar de eindgebruikers (te vermelden onder sector energie), energie die wordt gebruikt voor de finale distributie van water aan huishoudelijke, industriële, commerciële en andere gebruikers (te vermelden onder commerciële en openbare diensten) en verliezen bij het transport tussen distributeur en eindgebruikers (te vermelden als distributieverliezen).
2.6.2.5. Binnenlandse luchtvaart
De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vliegtuigen voor de binnenlandse luchtvaart. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden gebruikt voor andere doeleinden dan vliegen, bv. stationair proefdraaien van motoren. Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale luchtvaart wordt gemaakt op basis van de luchthavens van vertrek en aankomst, niet op basis van de nationaliteit van de luchtvaartmaatschappij. Hieronder vallen reizen van aanzienlijke duur tussen twee luchthavens in een land met gebieden overzee. Hieronder vallen niet brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt voor hun wegvoertuigen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Vervoer”) en militair gebruik van vliegtuigbrandstoffen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Overige”).
2.6.2.6. Niet elders vermeld – Vervoer
De hoeveelheden brandstoffen die voor vervoer worden gebruikt en niet elders zijn vermeld. Hieronder vallen ook brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt in hun wegvoertuigen en brandstoffen die in havens worden gebruikt voor losinstallaties en verschillende soorten kranen. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.
2.6.3. OVERIGE SECTOREN
Deze categorie bestrijkt de hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt in sectoren die niet uitdrukkelijk zijn genoemd of die niet onder energie, industrie of vervoer vallen.
2.6.3.1. Commerciële en openbare diensten
Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door bedrijven en kantoren in de particuliere en openbare sector. NACE-afdelingen 33, 36, 37, 38, 39, 45, 46, 47, 52, 53, 55, 56, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 84 (met uitzondering van klasse 84.22), 85, 86, 87, 88, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96 en 99. Brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming en verlichting op spoorwegen, busstations, pieren en luchthavens moeten worden gerapporteerd in deze categorie. Dit omvat brandstoffen gebruikt voor alle voor alle niet-vervoersactiviteiten van NACE-afdelingen 49, 50 en 51.
2.6.3.1.1. Reparatie en installatie van machines, apparaten en werktuigen [NACE-sectie C, afdeling 33]
2.6.3.1.2. Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer, sanering [NACE-sectie E]
2.6.3.1.3. Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen (NACE G)
2.6.3.1.3.1. Groothandel [NACE-sectie G, afdeling 46]
2.6.3.1.3.2. Detailhandel [NACE-sectie G, afdeling 47]
2.6.3.1.4. Opslag en vervoerondersteunende activiteiten [NACE-sectie H, afdeling 52]
2.6.3.1.5. Posterijen en koeriers [NACE-sectie H, afdeling 53]
2.6.3.1.6. Verschaffen van accommodatie en maaltijden [NACE-sectie I]
2.6.3.1.6.1. Verschaffen van accommodatie [NACE-sectie I, afdeling 55]
2.6.3.1.6.2. Eet- en drinkgelegenheden [NACE-sectie I, afdeling 56]
2.6.3.1.7. Informatie en communicatie [NACE-sectie J]
2.6.3.1.8. Financiële activiteiten en verzekeringen en Exploitatie van en handel in onroerend goed [NACE-sectie K en NACE-sectie L]
2.6.3.1.9. Administratieve en ondersteunende diensten [NACE-sectie N]
2.6.3.1.10. Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen [NACE-sectie O]
2.6.3.1.11. Onderwijs [NACE-sectie P]
2.6.3.1.12. Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening [NACE-sectie Q]
2.6.3.1.12.1. Ziekenhuizen [NACE-sectie Q, groep 86.1]
2.6.3.1.13. Kunst, amusement en recreatie [NACE-sectie R]
2.6.3.1.13.1. Sport [NACE-sectie R, afdeling 93]
2.6.3.1.14. Extraterritoriale organisaties en lichamen [NACE-sectie U]
2.6.3.1.15. Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten en Overige diensten [NACE-sectie M en NACE-sectie S]
2.6.3.1.16. Datacentra Een datacentrum wordt gedefinieerd als een structuur of groep structuren die wordt gebruikt om computersystemen/servers en bijbehorende apparatuur voor de opslag, verwerking en/of distributie van gegevens, alsmede aanverwante activiteiten, te huisvesten, aan te sluiten en te exploiteren.
2.6.3.2. Huishoudens
Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door alle huishoudens, inclusief “huishoudens als werkgever”. NACE-afdelingen 97 en 98.
Voor de sector huishoudens gelden de volgende definities:
Een huishouden is een alleenstaande, een gezin of een groep personen die samen in dezelfde particuliere woning wonen en voorzieningen en andere kosten van noodzakelijke levensbehoeften delen. De sector huishoudens — ook bekend als de sector woningen — is daarom een verzameling van alle huishoudens in een land.
Gemeenschappelijke woonruimten die hetzij permanent (bv. gevangenissen) hetzij tijdelijk (bv. ziekenhuizen) zijn, moeten worden uitgesloten, aangezien zij zijn opgenomen in het verbruik in de dienstensector. De energie die wordt gebruikt voor vervoeractiviteiten, moet worden vermeld in de sector vervoer en niet in de sector huishoudens.
Energieverbruik dat is gerelateerd aan aanzienlijke economische activiteiten die worden verricht door huishoudens, moet eveneens worden uitgesloten van het totale energieverbruik van huishoudens. Deze activiteiten omvatten agrarische economische activiteiten op kleine landbouwbedrijven en andere economische activiteiten die worden uitgevoerd in de woning van een huishouden en moeten worden vermeld in de desbetreffende sector van eindverbruik.
2.6.3.2.1. Ruimteverwarming
Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om de binnenruimten van een woning te verwarmen.
2.6.3.2.2. Ruimtekoeling
Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om een woning te koelen door middel van een koelsysteem en/of -aggregaat.
Ventilatoren en andere apparaten die niet zijn aangesloten op een koelaggregaat worden in dit punt uitgesloten, maar deze moeten worden opgenomen in de sectie “Verlichting en elektrische apparatuur”.
2.6.3.2.3. Waterverwarming
Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om water te verwarmen voor warm stromend water, baden, schoonmaak en andere niet met koken verbonden toepassingen.
De verwarming van zwembaden is uitgesloten, en moet worden opgenomen in de sector “Overig eindgebruik”.
2.6.3.2.4. Koken
Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om voedsel te bereiden.
Hulpmiddelen bij het koken (magnetrons, ketels, koffiezetapparaten enz.) zijn uitgesloten, en moeten worden opgenomen in de sector “Verlichting en elektrische apparatuur”.
2.6.3.2.5. Verlichting en elektrische apparatuur (alleen elektriciteit):
Gebruik van elektriciteit voor verlichting en andere elektrische apparatuur in een woning, die niet in andere sectoren worden vermeld.
2.6.3.2.6. Overig eindgebruik
Al het andere energieverbruik in huishoudens, zoals het gebruik van energie buitenshuis en eventuele andere activiteiten die niet zijn opgenomen in de vijf hierboven vermelde vormen van energie-eindverbruik (bv. grasmaaiers, zwembadverwarming, buitenverwarming, buitenbarbecues, sauna’s enz.).
2.6.3.3. Landbouw
Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door gebruikers die onder plantaardige en dierlijke productie, jacht en diensten in verband met deze activiteiten zijn ingedeeld; NACE-afdeling 01.
2.6.3.4. Bosbouw
Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door gebruikers die onder bosbouw en de exploitatie van bossen zijn ingedeeld; NACE-afdeling 02.
2.6.3.5. Visserij
Hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd voor binnen-, kust- en zeevisserij. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden geleverd aan schepen onder om het even welke vlag die in het land in kwestie hebben getankt (inclusief internationale visserij) en energie die in de visserijsector wordt gebruikt. NACE-afdeling 03.
2.6.3.6. Niet elders vermeld — Overige
De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor activiteiten die niet elders zijn vermeld (zoals NACE-klasse 84.22). Deze categorie omvat militaire brandstof voor alle soorten mobiel en stationair verbruik (bv. schepen, vliegtuigen, wegvoertuigen en energie voor woonverblijven), ongeacht of de geleverde brandstof voor het leger van het land in kwestie of voor dat van een ander land bestemd is. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.
3.
PRODUCTEN
3.1.
STEENKOOL (vaste fossiele brandstoffen en fabrieksgassen)
3.1.1. STEENKOOL
Het productaggregaat “steenkool” is gelijk aan de som van antraciet, cokeskool en andere bitumineuze steenkool.
3.1.2. ANTRACIET
Hoogwaardige steenkool die wordt gebruikt in de industrie en in huishoudens. Bevat gewoonlijk minder dan 10 % vluchtige bestanddelen en heeft een hoog koolstofgehalte (ongeveer 90 % gebonden koolstof). De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000 kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.
3.1.3. COKESKOOL
Bitumineuze kool met een kwaliteit die geschikt is voor de productie van hoogovencokes (cokesovencokes). De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000 kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.
3.1.4. ANDERE BITUMINEUZE KOOL
Kolen die worden gebruikt om stoom op te wekken; hieronder valt alle bitumineuze steenkool die niet onder cokeskool of antraciet valt. Deze categorie wordt gekenmerkt door een hoger gehalte aan vluchtige bestanddelen (meer dan 10 %) en een lager koolstofgehalte (minder dan 90 % gebonden koolstof) dan antraciet. De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000 kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.
3.1.5. BRUINKOOL
Het productaggregaat “bruinkool” is gelijk aan de som van subbitumineuze kool en bruinkool.
3.1.6. SUBBITUMINEUZE KOOL
Geen sinters vormende kolen met een calorische bovenwaarde tussen 20 000 kJ/kg en 24 000 kJ/kg en met meer dan 31 % vluchtige bestanddelen in het droge, mineraalvrije product.
3.1.7. LIGNIET
Geen sinters vormende kolen met een calorische bovenwaarde van minder dan 20 000 kJ/kg en met meer dan 31 % vluchtige bestanddelen in het droge, mineraalvrije product.
3.1.8. STEENKOOLBRIKETTEN
Samengestelde brandstof die wordt gemaakt van fijnkool met toevoeging van een bindmiddel. De geproduceerde hoeveelheid steenkoolbriketten kan dus iets groter zijn dan de hoeveelheid kolen die in het omzettingsproces wordt verbruikt.
3.1.9. COKESOVENCOKES
Vast product dat wordt verkregen door vercooksing van kolen (voornamelijk cokeskool) bij hoge temperatuur, met een laag gehalte aan vocht en vluchtige stoffen. Cokesovencokes wordt vooral gebruikt als energiebron en chemisch agens in de ijzer- en staalindustrie.
Cokesbries en hoogovencokes moeten worden vermeld in deze categorie.
Halfcokes (een vast product dat wordt verkregen door vercooksing van kolen bij lage temperatuur) valt eveneens onder deze categorie. Halfcokes wordt gebruikt als brandstof voor verwarming of in de verwerkingsinrichting zelf.
Hieronder vallen ook cokes, cokesbries en halfcokes op basis van bruinkool.
3.1.10. GASCOKES
Bijproduct van steenkool dat in gasfabrieken wordt gebruikt voor de productie van stadsgas. Gascokes wordt voor verwarming gebruikt.
3.1.11. KOOLTEER
Resultaat van de destructieve destillatie van bitumineuze kool. Koolteer is het vloeibare bijproduct van de destillatie van kool in het cokesovenproces, of wordt op basis van bruinkool geproduceerd (“lage-temperatuurteer”).
3.1.12. BRUINKOOLBRIKETTEN
Samengestelde brandstof die wordt vervaardigd door bruinkool of subbitumineuze kool te briketteren onder hoge druk, zonder toevoeging van bindmiddel, met inbegrip van gedroogde bruinkool en bruinkoolstof.
3.1.13. FABRIEKSGASSEN
Het productaggregaat “fabrieksgas” is gelijk aan de som van fabrieksgas, cokesovengas, hoogovengas en andere teruggewonnen gassen.
3.1.14. FABRIEKSGAS
Dit omvat alle soorten gas die worden geproduceerd in openbare of particuliere inrichtingen die de vervaardiging, het vervoer en de distributie van gas als hoofdactiviteit hebben. Hieronder valt ook gas dat wordt geproduceerd door vercooksing (waaronder gas dat door cokesovens wordt geproduceerd en in fabrieksgas wordt omgezet), door volledige vergassing met of zonder verrijking met aardolieproducten (lpg, huisbrandolie enz.) en door reforming en gewoon mengen van gassen en/of lucht, met inbegrip van vermenging met aardgas dat via het aardgasnetwerk wordt gedistribueerd en verbruikt. De hoeveelheid gas die uit de omzetting van andere steenkoolgassen in fabrieksgas ontstaat, moet als productie van fabrieksgas worden opgegeven.
3.1.15. COKESOVENGAS
Cokesovengas is een gas dat wordt verkregen als bijproduct van de vervaardiging van cokesovencokes voor de productie van ijzer en staal.
3.1.16. HOOGOVENGAS
Hoogovengas wordt geproduceerd bij de verbranding van cokes in hoogovens in de ijzer- en staalindustrie. Wordt teruggewonnen en als brandstof gebruikt, deels in de inrichting en deels in andere processen in de staalindustrie of in energiecentrales die de nodige uitrusting hebben om het te verbranden.
3.1.17. ANDERE TERUGGEWONNEN GASSEN
Bijproduct van de productie van staal in oxystaalovens, dat wordt teruggewonnen wanneer het de oven verlaat. Deze gassen worden ook convertorgas, LD-gas of BOS-gas genoemd. De hoeveelheid teruggewonnen brandstof moet in calorische bovenwaarde worden uitgedrukt. Omvatten ook niet-gespecificeerd, hierboven niet vermeld fabrieksgas, zoals niet elders genoemde gasbrandstoffen van vastekoolstofoorsprong die worden teruggewonnen bij niet elders genoemde industriële en chemische processen.
3.1.18. TURF
Turf is een zacht, poreus of samengeperst brandbaar materiaal, afkomstig van plantaardige afzettingen, met een hoog watergehalte (maximaal 90 % in onbewerkte toestand), gemakkelijk te snijden, met een licht- tot donkerbruine kleur. Turf omvat turfzoden en gemalen turf. Turf voor niet-energetisch gebruik valt hier niet onder.
3.1.19. TURFPRODUCTEN
Producten als turfbriketten die al dan niet rechtstreeks zijn afgeleid van turfzoden en gemalen turf.
3.1.20. OLIESCHALIE EN OLIEZAND
Olieschalie en oliezand betreffen sedimentgesteente dat organisch materiaal bevat in de vorm van kerogeen. Kerogeen is een wasachtig koolwaterstofrijk materiaal dat als een voorloper van aardolie wordt beschouwd. Olieschalie kan rechtstreeks worden verbrand of worden verwerkt door verhitting om schalieolie te extraheren. Schalieolie en andere afgeleide producten van liquefactie moeten als andere koolwaterstoffen binnen aardolieproducten worden opgegeven.
3.2.
AARDGAS
3.2.1. AARDGAS
Aardgas omvat in de ondergrond voorkomend gas, hetzij vloeibaar gemaakt of in gasvorm, dat hoofdzakelijk uit methaan bestaat, onafhankelijk van de extractiemethode (conventioneel en niet-conventioneel). Hieronder valt ook “niet-geassocieerd” gas afkomstig van velden die alleen gasvormige koolwaterstoffen produceren, “geassocieerd” gas dat wordt geproduceerd tezamen met ruwe olie, en methaan dat uit kolenmijnen of kolenlagen (mijngas) wordt gewonnen. Biogas en fabrieksgas vallen niet onder aardgas. Overdracht van deze producten in het aardgasnetwerk worden afzonderlijk van aardgas gerapporteerd. Aardgas omvat vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) en gecomprimeerd aardgas (CNG).
3.3.
ELEKTRICITEIT EN WARMTE
3.3.1. ELEKTRICITEIT
Elektriciteit is de overdracht van energie door middel van het fysieke verschijnsel waarbij elektrische ladingen en de effecten ervan in rust en bij beweging betrokken zijn. Alle gebruikte, geproduceerde en verbruikte elektriciteit moet worden opgegeven, met inbegrip van off-grid- en zelfverbruikte elektriciteit. Off-grid elektriciteit wordt geproduceerd door installaties die van het net zijn losgekoppeld vanuit het oogpunt van productie; de installatie kan de opgewekte elektriciteit niet in het net injecteren. Zelfverbruikte elektriciteit is elektriciteit die door de producent wordt verbruikt voordat deze in het net wordt geïnjecteerd.
3.3.2. WARMTE (AFGELEIDE WARMTE)
Warmte is de energie die wordt verkregen uit de translatie-, rotatie- en trillingsbeweging van de onderdelen van de materie en de veranderingen in de fysische toestand. Alle geproduceerde warmte, met uitzondering van warmte die door zelfopwekkers wordt geproduceerd voor eigen gebruik en niet wordt verkocht, moet worden vermeld; alle andere vormen van warmte worden opgegeven als gebruik van producten waarmee de warmte was geproduceerd.
3.4.
AARDOLIE (ruwe olie en aardolieproducten)
3.4.1. RUWE OLIE
Ruwe olie is een minerale olie van natuurlijke oorsprong die bestaat uit een mengsel van koolwaterstoffen en daarin voortkomende onzuiverheden zoals zwavel. Bij normale omgevingstemperatuur en atmosferische druk is ruwe olie vloeibaar, en de fysieke kenmerken (dichtheid, viscositeit enz.) zijn zeer variabel. Hieronder valt ook condensaat dat bij de winning of de verwerking wordt teruggewonnen uit geassocieerd en niet-geassocieerd gas en dat met de commerciële ruwe olie wordt gemengd. De hoeveelheden moeten onafhankelijk van de extractiemethode worden gerapporteerd (conventioneel en niet-conventioneel). NGL valt niet onder ruwe olie.
3.4.2. NATURAL GAS LIQUIDS (NGL, AARDGASCONDENSATEN)
NGL (aardgascondensaten) zijn vloeibare of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen die in separatoren of gasverwerkingsfabrieken uit aardgas worden teruggewonnen. NGL omvat ethaan, propaan, butaan (gewoon en isobutaan), (iso)pentaan en hogere koolwaterstoffen (soms aardgasbenzine of condensaat genoemd).
3.4.3. RAFFINAGEGRONDSTOFFEN
Raffinagegrondstoffen zijn verwerkte aardolie (bv. direct door destillatie verkregen stookolie en vacuümgasolie), die bestemd is voor verdere verwerking, met uitzondering van menging. Bij deze verdere verwerking worden de raffinagegrondstoffen omgezet in een of meer componenten en/of afgewerkte producten. Deze definitie omvat ook producten die de petrochemische industrie terugzendt naar de raffinage-industrie (bv. pyrolysebenzine, C4-fracties en gasolie- en stookoliefracties).
3.4.4. ADDITIEVEN/OXYGENATEN
Additieven zijn niet-koolwaterstofverbindingen die aan aardolieproducten worden toegevoegd of ermee worden gemengd om de eigenschappen ervan (octaan- of cetaangetal, koude-eigenschappen enz.) te wijzigen. Additieven omvatten oxygenaten (zoals alcoholen (methanol, ethanol), ethers (bv. methyl-tertiair-butylether (MTBE), ethyl-tertiair-butylether (ETBE), tertiair-amyl-methylether (TAME) enz.), esters (koolzaadolie of dimethylester enz.) en chemische verbindingen (bv. tetramethyllood (TML), tetraethyllood (TEL) en detergenten). De in deze categorie vermelde hoeveelheden additieven/oxygenaten (alcoholen, ethers, esters en andere chemische verbindingen) moeten betrekking hebben op de hoeveelheden die met brandstoffen zijn gemengd of als brandstof worden gebruikt. Deze categorie omvat biobrandstoffen die worden gemengd met vloeibare fossiele brandstoffen.
3.4.5. BIOBRANDSTOFFEN IN ADDITIEVEN/OXYGENATEN
De in deze categorie vermelde hoeveelheden vloeibare biobrandstoffen hebben betrekking op het gemengde vloeibare biobrandstoffen en hebben enkel betrekking op het aandeel vloeibare biobrandstof en niet op het totale volume van de vloeistoffen waarmee de biobrandstoffen worden gemengd. Niet-gemengde vloeibare biobrandstoffen vallen niet hieronder.
3.4.6. ANDERE KOOLWATERSTOFFEN
Synthetische ruwe olie uit teerzand, schalieolie enz., vloeistoffen uit de liquefactie van kolen, output van vloeistoffen uit de omzetting van aardgas in benzine, geëmulgeerde oliën (bv. orimulsion); met uitzondering van olieschalie; met inbegrip van schalieolie (secondair product).
3.4.7. AARDOLIEPRODUCTEN
Het productaggregaat “aardolieproducten” is gelijk is aan de som van raffinaderijgas, ethaan, vloeibaar petroleumgas, nafta, motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof, reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie, stookolie, white spirit en SBP, smeermiddelen, bitumen, paraffine, petroleumcokes en overige producten.
3.4.8. RAFFINADERIJGAS
Raffinaderijgas is een mengsel van niet-gecondenseerde gassen, voornamelijk waterstof, methaan, ethaan en alkenen, die worden verkregen bij de destillatie van ruwe olie of bij de behandeling van aardolieproducten (bv. kraken) in raffinaderijen. Hieronder vallen ook gassen die terugkomen uit de petrochemische industrie.
3.4.9. ETHAAN
Van nature gasvormige, niet-vertakte koolwaterstof (C2H6) die uit aardgas en raffinaderijgas wordt geëxtraheerd.
3.4.10. VLOEIBAAR PETROLEUMGAS (LPG)
Lpg bestaat uit lichte paraffinehoudende koolwaterstoffen afkomstig van raffinaderijprocessen, de stabilisatie van ruwe olie en aardgasverwerkingsfabrieken. Lpg bestaat voornamelijk uit propaan (C3H8), butaan (C4Hl0) of een combinatie daarvan. Lpg kan ook propyleen, butyleen, isopropyleen en isobutyleen bevatten. Lpg wordt gewoonlijk onder druk vloeibaar gemaakt voor vervoer en opslag.
3.4.11. NAFTA
Nafta is een grondstof voor de petrochemische industrie (bv. de vervaardiging van ethyleen of aromaten) of voor de productie van benzine door reforming of isomerisatie in de raffinaderij. Nafta omvat producten met een kooktraject tussen 30 °C en 210 °C.
3.4.12. MOTORBENZINE
Motorbenzine bestaat uit een mengsel van lichte koolwaterstoffen tussen 35 °C en 215 °C en wordt gebruikt als brandstof voor vonkontstekingsmotoren in landvoertuigen. Motorbenzine kan additieven, oxygenaten en octaanverhogende stoffen, waaronder loodverbindingen, bevatten. Hieronder vallen ook mengproducten voor motorbenzine (met uitzondering van additieven/oxygenaten), bv. alkylaten, isomeraat en reformaat en kraakbenzine bestemd om als afgewerkte motorbenzine te worden gebruikt. Het productaggregaat “motorbenzine” is gelijk aan de som van gemengde biobenzine (biobenzine in motorbenzine) en niet-biobenzine.
3.4.12.1. Gemengde biobenzine (biobenzine in motorbenzine)
Biobenzine die is vermengd met motorbenzine.
3.4.12.2. Niet-biobenzine
Het resterende deel van motorbenzine — motorbenzine met uitzondering van gemengde biobenzine (dit is vooral motorbenzine van fossiele oorsprong).
3.4.13. VLIEGTUIGBENZINE
Speciaal voor vliegtuigzuigermotoren gemaakte motorbrandstof met een aan de motor aangepast octaangetal, een vriespunt van – 60 °C en een kooktraject dat gewoonlijk tussen 30 °C en 180 °C ligt.
3.4.14. LICHTE REACTIEMOTORBRANDSTOF (VAN HET NAFTATYPE OF JP4)
Hieronder vallen alle lichte koolwaterstofoliën die in vliegtuigturbinemotoren worden gebruikt, met een kooktraject tussen 100 °C en 250 °C. Zij worden verkregen door kerosine zodanig met benzine of nafta te mengen dat het gehalte aan aromaten (in volume) niet meer dan 25 % bedraagt en de dampspanning tussen 13,7 en 20,6 kPa ligt.
3.4.15. REACTIEMOTORBRANDSTOF VAN HET KEROSINETYPE
Destillaat dat voor vliegtuigturbinemotoren wordt gebruikt. Het heeft dezelfde destillatiekarakteristieken tussen 150 °C en 300 °C (gewoonlijk niet boven 250 °C) en hetzelfde vlampunt als kerosine. Daarnaast heeft dit product bepaalde specificaties (bv. vriespunt) die door de International Air Transport Association worden vastgesteld. Hieronder vallen ook mengproducten voor kerosine. Het productaggregaat “reactiemotorbrandstof van het kerosinetype” is gelijk aan de som van gemengde bioreactiemotorkerosine (bioreactiemotorkerosine in reactiemotorbrandstof van het kerosinetype) en niet-bioreactiemotorkerosine.
3.4.15.1. Gemengde bioreactiemotorkerosine (bioreactiemotorkerosine in reactiemotorbrandstof van het kerosinetype)
Bioreactiemotorkerosine die is vermengd met reactiemotorbrandstof van het kerosinetype.
3.4.15.2. Niet-bioreactiemotorkerosine
Het resterende deel van reactiemotorbrandstof van het kerosinetype -reactiemotorbrandstof van het kerosinetype met uitzondering van gemengde bioreactiemotorkerosine (dit is vooral reactiemotorbrandstof van het kerosinetype van fossiele oorsprong).
3.4.16. ANDERE KEROSINE
Geraffineerd petroleumdestillaat dat in andere sectoren dan de luchtvaart wordt gebruikt. Het kooktraject ligt tussen 150 en 300 °C.
3.4.17. GASOLIE/DIESELOLIE (GEDISTILLEERDE STOOKOLIE)
Gasolie/dieselolie is voornamelijk een tussendestillaat met een kooktraject tussen 180 °C en 380 °C. Hieronder vallen ook mengproducten. Afhankelijk van het gebruik zijn er verschillende soorten beschikbaar. Gasolie/dieselolie omvat dieselolie voor dieselmotoren met compressieontsteking in personenauto’s en vrachtwagens. Gasolie/dieselolie omvat lichte stookolie voor industrieel en commercieel gebruik, mariene diesel en diesel voor het spoorwegverkeer en andere gasoliën, waaronder zware gasoliën met een kooktraject tussen 380 °C en 540 °C die als grondstoffen voor de petrochemische industrie worden gebruikt. Het productaggregaat “gasolie/dieselolie” is gelijk aan de som van gemengde biodiesel (biodiesel in gasolie/dieselolie) en niet-biodiesel.
3.4.17.1. Gemengde biodiesel (biodiesel in gasolie/dieselolie)
Biodiesel die is vermengd met gasolie/dieselolie.
3.4.17.2. Niet-biodiesels
Het resterende deel van gasolie/dieselolie - gasolie/dieselolie met uitzondering van gemengde biodiesel (dit is vooral gasolie/dieselolie van fossiele oorsprong).
3.4.18. STOOKOLIE (ZWARE STOOKOLIE)
Alle overblijvende (zware) stookoliën (inclusief die door menging zijn verkregen). De kinematische viscositeit bedraagt meer dan 10 cSt bij 80 °C. Het vlampunt ligt steeds boven 50 °C en de dichtheid bedraagt steeds meer dan 0,90 kg/l. Het productaggregaat “stookolie” is gelijk aan de som van laagzwavelige en hoogzwavelige stookolie.
3.4.18.1. Laagzwavelige stookolie
Stookolie met een zwavelgehalte van minder dan 0,5 %.
3.4.18.2. Hoogzwavelige stookolie
Stookolie met een zwavelgehalte van 0,5 % of meer.
3.4.19. WHITE SPIRIT EN INDUSTRIËLE SPIRITUS
White spirit en SBP worden gedefinieerd als geraffineerde tussendestillaten met een kooktraject zoals nafta en kerosine. Dit omvat kookpuntbenzine (ook SBP genoemd; lichte oliën met een kooktraject tussen 30 °C en 200 °C in 7 à 8 soorten kookpuntbenzine, afhankelijk van het precieze kooktraject — de soorten worden gedefinieerd volgens het temperatuurverschil tussen het 5 %- en het 90 %-destillatiepunt (niet meer dan 60 °C) en white spirit (kookpuntbenzine met een vlampunt boven 30 °C en een kooktraject tussen 135 en 200 °C).
3.4.20. SMEERMIDDELEN
Koolwaterstoffen die van bijproducten van destillatie worden gemaakt. Ze worden voornamelijk gebruikt om de wrijving tussen contactvlakken te verminderen. Hieronder vallen alle soorten smeerolie, van spindelolie tot cilinderolie, en oliën die worden gebruikt in vetten, motorolie en alle soorten smeeroliegrondstoffen.
3.4.21. BITUMEN
Vaste, halfvaste of viskeuze koolwaterstof met een colloïdale structuur, met een bruine tot zwarte kleur, die wordt verkregen als residu bij de destillatie van ruwe olie, bij de vacuümdestillatie van olieresiduen van atmosferische destillatie. Bitumen wordt vaak ook asfalt genoemd en wordt voornamelijk gebruikt voor de wegenbouw en als dakbedekking. Hieronder vallen ook vloeibitumen en cutbackbitumen.
3.4.22. PARAFFINEWASSEN
Dit zijn verzadigde alifatische koolwaterstoffen. Het zijn residuen die worden gewonnen bij het deparaffineren van smeeroliën. Ze hebben een kristallijne structuur die naargelang van de soort min of meer fijn is. De voornaamste kenmerken zijn: kleurloos, reukloos en doorschijnend, met een smeltpunt boven 45 °C.
3.4.23. PETROLEUMCOKES
Zwart vast bijproduct dat voornamelijk wordt verkregen door kraken en carboniseren van grondstoffen op basis van aardolie, residuen van vacuümdestillatie, en teer en pek van processen zoals vertraagde en fluïde verkooksing. Petroleumcokes bestaat hoofdzakelijk uit koolstof (90-95 %) en heeft een laag asgehalte. Petroleumcokes wordt gebruikt als grondstof in cokesovens in de staalindustrie, voor verwarming, voor de vervaardiging van elektroden en voor de productie van chemicaliën. De twee belangrijkste soorten zijn “groene cokes” en “gecalcineerde cokes”. Hieronder valt ook “katalysatorcokes”, dat zich tijdens het raffinageproces op de katalysators afzet; dit soort cokes is niet terugwinbaar en wordt gewoonlijk als raffinaderijbrandstof verbrand.
3.4.24. OVERIGE PRODUCTEN
Alle niet uitdrukkelijk hierboven vermelde producten, bv. teer en zwavel. teer en zwavel. Hieronder vallen aromaten (bv. BTX — benzeen, tolueen en xyleen) en alkenen (bv. propyleen) die in raffinaderijen worden geproduceerd.
3.5.
HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN EN AFVAL
3.5.1. WATERKRACHT
Potentiële en kinetische energie van water die in waterkrachtcentrales in elektriciteit wordt omgezet. Het productaggregaat “waterkracht” is gelijk aan de som van zuivere waterkrachtcentrales, gemengde waterkrachtcentrales en zuivere pompaccumulatie-installaties.
3.5.1.1. Zuivere waterkrachtcentrales
Waterkrachtcentrales die alleen natuurlijke watertoevoer gebruiken en geen capaciteit hebben voor pompaccumulatie (water naar een hoger gelegen positie pompen).
3.5.1.2. Gemengde waterkrachtcentrales
Waterkrachtcentrales met natuurlijke watertoevoer in een bovenste reservoir waar een deel van de apparatuur of alle apparatuur kan worden gebruikt om het water naar een hoger gelegen positie te pompen; de elektriciteit wordt opgewekt met natuurlijke watertoevoer en met water dat eerder naar een hoger gelegen positie is gepompt.
3.5.1.2.1. Waarvan pompen
Dit is het aandeel van de elektriciteit die in gemengde waterkrachtcentrales wordt opgewekt in pompaccumulatie (uit water dat eerder was omhooggepompt).
3.5.1.3. Zuivere pompaccumulatie-installaties
Waterkrachtcentrales zonder natuurlijke watertoevoer in een bovenste reservoir; het grootste gedeelte van het water dat de elektriciteit genereert, is eerder naar een hoger gelegen positie gepompt; met uitzondering van regen- en sneeuwval.
3.5.2. GEOTHERMISCHE ENERGIE
Energie die beschikbaar is als door de aardkorst afgegeven warmte, gewoonlijk in de vorm van heet water of stoom; met uitzondering van omgevingswarmte die wordt opgevangen door warmtepompen die de bodem als warmtebron gebruiken. De productie van geothermische energie is het verschil tussen de enthalpie van de in het boorgat geproduceerde vloeistof en die van de uiteindelijk verwijderde vloeistof.
3.5.3. ZONNE-ENERGIE
Het productaggregaat “zonne-energie” is gelijk aan de som van fotovoltaïsche zonne-energie en thermische zonne-energie.
3.5.3.1. Fotovoltaïsche zonne-energie
Zonlicht dat in elektriciteit wordt omgezet met behulp van zonnecellen die bij blootstelling aan zonlicht elektriciteit opwekken. Alle geproduceerde elektriciteit moet worden opgegeven (met inbegrip van kleinschalige productie en off-grid-installaties).
3.5.3.1.1. Dakinstallatie
Vermeld hier de hoeveelheid energie die wordt opgewekt door fotovoltaïsche zonnepanelen op bouwconstructies die een ander primair doel hebben dan energieproductie. Het omvat ook BIPV (in gebouwen geïntegreerde zonnepanelen), waarbij de zonnepanelen zich niet op het dak bevinden, maar bijvoorbeeld aan het gebouw zijn bevestigd. Zonnepanelen worden niet als dakinstallatie beschouwd als ze op een groot terrein, op de grond, worden geplaatst, en daardoor extra ruimte in beslag nemen (bv. landbouwarealen).
3.5.3.1.2. Off-grid
Meld hier off-grid zoals gedefinieerd in bijlage A, 3.3.1.
3.5.3.2. Thermische zonne-energie
Warmte van zonnestraling (zonlicht) die voor nuttige energiedoeleinden wordt benut. Dit omvat bijvoorbeeld thermodynamische zonnecentrales en actieve systemen voor de productie van warm water voor sanitaire doeleinden of voor de ruimteverwarming in gebouwen. Deze energieproductie is de warmte die beschikbaar is voor het warmteoverdrachtmedium, d.w.z. het invallende zonlicht verminderd met de optische verliezen en de verliezen in de collectoren. Zonne-energie die wordt opgevangen door passieve systemen voor verwarming, koeling of verlichting van woningen of andere gebouwen valt hier niet onder; alleen zonne-energie met betrekking tot de actieve systemen moet worden opgenomen.
3.5.4. GETIJDEN-, GOLF- EN OCEAANENERGIE
Mechanische energie van getijbewegingen, golven of oceaanstromingen, die worden benut om elektriciteit op te wekken.
3.5.5. WINDENERGIE
Kinetische energie van de wind, die in windturbines wordt benut om elektriciteit op te wekken. Het productaggregaat “windenergie” is gelijk aan de som van onshore windenergie en offshore windenergie.
3.5.5.1. Onshore windenergie
De productie van elektriciteit door windturbines op onshore locaties (aan land, met inbegrip van meren en andere waterlichamen die in het binnenland zijn gelegen).
3.5.5.2. Offshore-windenergie
Productie van elektriciteit op offshore-locaties (bv. zee, oceaan en kunstmatige eilanden). Voor de productie van offshore-windenergie buiten de territoriale wateren van het betrokken grondgebied worden alle installaties in de exclusieve economische zone van een land in aanmerking genomen.
3.5.6. INDUSTRIEEL AFVAL (NIET-HERNIEUWBAAR AANDEEL)
Vermeld afval van industriële, niet-hernieuwbare oorsprong, dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Afval dat wordt verbrand zonder dat energie wordt teruggewonnen, wordt uitgesloten. Het hernieuwbare aandeel van industrieel afval moet worden opgegeven in de categorie vloeibare biobrandstoffen die deze het beste beschrijft.
3.5.7. HUISHOUDELIJK AFVAL:
Afval van huishoudens, ziekenhuizen en de tertiaire sector (in het algemeen alle afvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijk afval) dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Afval dat wordt verbrand zonder dat energie wordt teruggewonnen, wordt uitgesloten. Het productaggregaat “huishoudelijk afval” is gelijk aan de som van hernieuwbaar huishoudelijk afval en niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval.
3.5.7.1. Hernieuwbaar huishoudelijk afval
Het aandeel van het huishoudelijk afval dat van biologische oorsprong is.
3.5.7.2. Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval
Het aandeel van het huishoudelijk afval dat van niet-biologische oorsprong is.
3.5.8. BIOBRANDSTOFFEN
Het productaggregaat “biobrandstoffen” is gelijk aan de som van vaste biobrandstoffen, biogas en vloeibare biobrandstoffen. Biobrandstoffen die zijn bestemd voor niet-energetisch gebruik, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de energiestatistieken (bijvoorbeeld hout voor de bouwnijverheid of de vervaardiging van meubelen, biosmeermiddelen voor de smering van motoren en biobitumen voor het wegdek).
3.5.8.1. Vaste biobrandstoffen
Vast organisch, niet-fossiel materiaal van biologische oorsprong (ook wel biomassa genoemd), dat kan worden gebruikt als brandstof om warmte of elektriciteit op te wekken. Het productaggregaat “vaste biobrandstoffen” is gelijk aan de som van houtskool, brandhout, houtafval en bijproducten, zwart residuloog, bagasse, dierlijk afval, ander plantaardig materiaal en afval en het hernieuwbare deel van industrieel afval.
3.5.8.1.1. Houtskool
Houtskool is een brandstof die wordt vervaardigd uit vaste biobrandstoffen – het vaste residu van de destructieve destillatie en pyrolyse van hout en ander plantaardig materiaal.
3.5.8.1.2. Brandhout, houtafval en bijproducten
Brandhout (stammen, kreupelhout, houtpellets of spaanders) dat wordt verkregen uit natuurlijke of beheerde bossen of geïsoleerde bomen. Hieronder valt houtafval dat als brandstof wordt gebruikt en waarbij de oorspronkelijke samenstelling van hout is behouden; met inbegrip van houtpellets. Houtskool en zwart residuloog zijn uitgesloten. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.1.2.1. Houtpellets
Houtpellets zijn cilindrische producten die door middel van compressie zijn samengesteld uit houtresten.
3.5.8.1.3. Zwart residuloog (“black liquor”)
Energie uit het residuloog dat wordt verkregen uit de gistingstanks tijdens de productie van de sulfaat- of natronpulp die gebruikt wordt bij de vervaardiging van papier. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.1.4. Bagasse
Brandstof die wordt verkregen uit de vezels die overblijven na de sapextractie bij de verwerking van suikerriet. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.1.5. Dierlijk afval
Energie uit uitscheidingsproducten van dieren en vlees- en visafval dat droog rechtstreeks als brandstof wordt gebruikt. Afval dat wordt gebruikt in installaties voor anaerobe gisting, valt hier niet onder. Brandstofgassen van deze installaties worden opgenomen onder biogassen. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.1.6. Ander plantaardig materiaal en afval
Niet elders vermelde biobrandstoffen, met inbegrip van stro, plantaardige vliezen, notendoppen, kreupelhout, perskoeken van olijven en andere afvalstoffen die vrijkomen bij het onderhoud, de teelt en verwerking van planten. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.1.7. Het hernieuwbare aandeel van industrieel afval
Het vaste, hernieuwbare deel van industrieel afval, dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aandeel van natuurlijke rubber in afval van rubberbanden of het aandeel van natuurlijke vezels in textielafval — uit de respectievelijke afvalcategorieën 07.3 en 07.6, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken). De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.
3.5.8.2. Biogas
Gas dat hoofdzakelijk bestaat uit methaan en kooldioxide en dat ontstaat bij de anaerobe afbraak van biomassa of uit thermische processen uit biomassa, met inbegrip van biomassa in afval. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Het productaggregaat “biogas” is gelijk aan de som van stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, overig biogas uit anaerobe afbraak en biogassen uit thermische processen.
3.5.8.2.1. Stortgas
Biogas dat wordt geproduceerd door de afbraak van stortafval.
3.5.8.2.2. Rioolwaterzuiveringsgas
Biogas dat ontstaat bij de anaerobe gisting van rioolslib.
3.5.8.2.3. Andere biogassen uit anaerobe afbraak
Biogas dat ontstaat bij de anaerobe gisting van drijfmest en afval van slachthuizen, brouwerijen en andere sectoren van de agrovoedingsindustrie.
3.5.8.2.4. Biogassen uit thermische processen
Biogas dat wordt geproduceerd bij thermische processen (door vergassing en pyrolyse) van biomassa.
3.5.8.3. Vloeibare biobrandstoffen
Deze categorie omvat alle vloeibare brandstoffen van natuurlijke oorsprong (bv. geproduceerd uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare fractie van afval) die geschikt zijn om te worden gemengd met vloeibare brandstoffen van fossiele oorsprong of om deze te vervangen. De hoeveelheden van de in deze categorie vermelde vloeibare biobrandstoffen omvatten de hoeveelheden zuivere biobrandstoffen die niet zijn vermengd met fossiele brandstoffen. In het geval van in- en uitvoer van vloeibare biobrandstoffen is alleen de handel in hoeveelheden die niet met transportbrandstoffen zijn gemengd (d.w.z. zuivere biobrandstoffen) relevant; de handel in vloeibare biobrandstoffen die met transportbrandstoffen zijn gemengd, moet in de categorie olieproducten worden opgegeven. Alleen vloeibare biobrandstoffen die voor energiedoeleinden worden gebruikt — door rechtstreekse verbranding of na vermenging met fossiele brandstoffen — moeten worden gerapporteerd. Het productaggregaat “vloeibare biobrandstoffen” is gelijk aan de som van biobenzine, biodiesel, bioreactiemotorkerosine en andere vloeibare biobrandstoffen.
3.5.8.3.1. Biobenzine
Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met motorbenzine van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.
3.5.8.3.1.1. Bio-ethanol
Ethanol als onderdeel van biobenzine.
3.5.8.3.2. Biodiesel
Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met gasolie/dieselolie van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.
3.5.8.3.3. Bioreactiemotorkerosine
Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met reactiemotorkerosine van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.
3.5.8.3.4. Andere vloeibare biobrandstoffen
Vloeibare biobrandstoffen die niet zijn opgenomen in een van de vorige categorieën.
3.5.9. OMGEVINGSWARMTE
Thermische energie die op een bruikbare temperatuur wordt geëxtraheerd (gewonnen) door middel van warmtepompen die elektriciteit of een andere aanvullende energiebron nodig hebben om te functioneren. Deze thermische energie kan worden opgeslagen in de omgevingslucht, onder het solide aardoppervlak of in oppervlaktewater. De waarden worden berekend volgens dezelfde methode die wordt gebruikt voor de rapportage van thermische energie die wordt opgevangen door warmtepompen uit hoofde van Richtlijn 2009/28/EG en Richtlijn (EU) 2018/2001, maar alle warmtepompen moeten worden opgenomen ongeacht de prestaties.
3.6.
WATERSTOF
Waterstof die als grondstof, brandstof of energiedrager/opslag wordt gebruikt, moet worden gerapporteerd. Waterstof moet worden gerapporteerd, ook indien zelfgeproduceerd en zelfverbruikt. Waterstof in mengsels hoeft niet te worden gerapporteerd, tenzij geëxtraheerd (gescheiden) voor energetisch of niet-energetisch gebruik.