+VERORDENING (EG) Nr. 1099/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
---+Artikel 2
---+Artikel 3
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
---+Artikel 4
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.
---+Artikel 5
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
---+Artikel 6
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
------+Artikel 6 5.
---+Artikel 7
---+Artikel 8
---+Artikel 9
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
---+Artikel 10
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
---+Artikel 11
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
---+Artikel 12
---+BIJLAGE A TOELICHTING OP DE TERMINOLOGIE
---+BIJLAGE B JAARLIJKSE ENERGIESTATISTIEKEN
---+ANNEX C MONTHLY ENERGY STATISTICS
---+ANNEX D SHORT-TERM MONTHLY STATISTICS
English - European Union - Energy -

VERORDENING (EG) Nr. 1099/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENING (EG) Nr. 1099/2008 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2008

betreffende energiestatistieken

(Voor de EER relevante tekst)

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1
Artikel 2

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) 

„communautaire statistieken”: communautaire statistieken zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

b) 

„productie van statistieken”: productie van statistieken zoals gedefinieerd in artikel 2, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

c) 

„Commissie (Eurostat)”: communautaire instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, vierde streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

d) 

„energieproducten”: brandstoffen, warmte, hernieuwbare energie, elektriciteit of een andere vorm van energie;

e) 

„aggregaten”: op nationaal niveau geaggregeerde gegevens over de behandeling of het gebruik van energieproducten, met name productie, handel, voorraden, omzetting, verbruik, en de structurele kenmerken van het energiesysteem, zoals het geïnstalleerd vermogen voor elektriciteitsproductie en de productiecapaciteit voor olieproducten;

f) 

„kwaliteit van de gegevens”: de volgende aspecten van statistische kwaliteit: relevantie, nauwkeurigheid, actualiteit en stiptheid, toegankelijkheid en duidelijkheid, vergelijkbaarheid, coherentie en volledigheid.

Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7

Artikel 7

Referentieperiode en frequentie

De lidstaten verzamelen alle in deze verordening vermelde gegevens vanaf het begin van het kalenderjaar dat volgt op de vaststelling van deze verordening, en dienen deze vanaf dan in met de in artikel 4, lid 1, vastgestelde frequentie.

Artikel 8

Artikel 8

Jaarstatistieken over kernenergie

De Commissie (Eurostat) stelt, in overleg met de kernenergiesector in de Europese Unie, een reeks jaarstatistieken over kernenergie vast die vanaf 2009, het jaar van de eerste verslagperiode, worden gerapporteerd en verspreid, indien nodig onder eerbiediging van de vertrouwelijkheid en met vermijding van elke overlapping bij de gegevensverzameling, en waarbij de productiekosten laag en de rapportagelast redelijk worden gehouden.

De reeks jaarstatistieken over kernenergie wordt vastgesteld en kan worden gewijzigd volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BIJLAGE A TOELICHTING OP DE TERMINOLOGIE


BIJLAGE A

TOELICHTING OP DE TERMINOLOGIE

Deze bijlage verschaft toelichtingen, geografische opmerkingen en definities van termen die in de overige bijlagen worden gebruikt, tenzij deze anders worden gespecificeerd in deze bijlagen.

1.    GEOGRAFISCHE OPMERKINGEN

Uitsluitend voor de statistische rapportage gelden de volgende geografische definities:

— 
Australië omvat niet de overzeese gebieden;
— 
Denemarken omvat niet de Faeröer en Groenland;
— 
Frankrijk omvat Monaco en de Franse overzeese departementen Guadeloupe, Martinique, Frans-Guyana, Réunion en Mayotte;
— 
Italië omvat San Marino en Vaticaanstad (de Heilige Stoel);
— 
Japan omvat Okinawa;
— 
Portugal omvat de Azoren en Madeira;
— 
Spanje omvat de Canarische eilanden, de Balearen, en Ceuta en Melilla;
— 
Zwitserland omvat niet Liechtenstein,
— 
de Verenigde Staten omvatten de vijftig staten, het District of Columbia, de Amerikaanse Maagdeneilanden, Puerto Rico en Guam.

2.    AGGREGATEN

De producenten van elektriciteit en warmte worden ingedeeld volgens het doel van de productie:

— 
producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben: particuliere of overheidsbedrijven die als hoofdactiviteit elektriciteit en/of warmte opwekken voor verkoop aan derde partijen;
— 
zelfopwekkers: particuliere of overheidsbedrijven die volledig of gedeeltelijk voor eigen gebruik elektriciteit en/of warmte opwekken als nevenactiviteit bij hun hoofdactiviteit.

Opmerking: wanneer een herziening van de NACE-classificatie in werking treedt, kan de Commissie de terminologie verder verduidelijken door volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing bedoelde NACE ( 2 )-codes toe te voegen.

2.1.    Voorziening

2.1.1.   PRODUCTIE/BINNENLANDSE PRODUCTIE

Hoeveelheden gewonnen of geproduceerde brandstoffen worden berekend na eventuele verwijdering van inert materiaal. De productie omvat de hoeveelheden die de producent tijdens het productieproces verbruikt (bv. voor verwarming en het functioneren van apparatuur en hulpmiddelen) en leveringen aan andere energieproducenten voor omzetting of ander gebruik.

Onder “binnenlandse productie” wordt verstaan: productie uit hulpbronnen binnen een specifiek grondgebied — nationaal grondgebied van het rapporterende land.

2.1.2.   TERUGWINNING

Alleen van toepassing op steenkool. Slurry en mijnsteen van afvalbergen die door mijnen worden teruggewonnen.

2.1.3.   ONTVANGSTEN UIT ANDERE BRONNEN

De hoeveelheden brandstoffen waarvan de productie wordt bestreken in andere verslaglegging over brandstoffen, maar die zijn gemengd met andere brandstoffen en die worden verbruikt als een mengsel. Verdere details over dit onderdeel moeten worden verstrekt als:

— 
Ontvangsten uit andere bronnen: Steenkool
— 
Ontvangsten uit andere bronnen: Aardolie en aardolieproducten
— 
Ontvangsten uit andere bronnen: Aardgas
— 
Ontvangsten uit andere bronnen: Hernieuwbare energiebronnen
— 
Ontvangsten uit andere bronnen: Waterstof

2.1.4.   INVOER/UITVOER

Tenzij anders vermeld, heeft “invoer” betrekking op de eerste oorsprong (het land waar de energieproducten zijn geproduceerd) met het oog op gebruik in het land en “uitvoer” op het land waar de geproduceerde energieproducten uiteindelijk worden verbruikt. Hoeveelheden worden geacht te zijn in- of uitgevoerd wanneer zij de politieke grenzen van het land hebben overschreden, ongeacht of zij al dan niet zijn in- of uitgeklaard.

Indien oorsprong of bestemming onbekend zijn, mag “Niet-gespecificeerd/Andere” worden gebruikt.

2.1.5.   INTERNATIONALE SCHEEPSBUNKERS

Hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan schepen onder om het even welke vlag in de internationale scheepvaart. Het kan daarbij gaan om zee-, binnen- en kustvaart. Hieronder vallen niet:

— 
het verbruik van schepen in de binnenlandse scheepvaart; het onderscheid tussen binnenlandse en internationale scheepvaart wordt gemaakt op basis van de havens van vertrek en aankomst, niet op basis van de vlag of de nationaliteit van het schip;
— 
het verbruik van vissersvaartuigen;
— 
het verbruik van militaire vaartuigen.

2.1.6.   INTERNATIONALE LUCHTVAART

De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vliegtuigen voor de internationale luchtvaart. Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale luchtvaart wordt gemaakt op basis van de luchthavens van vertrek en aankomst, niet op basis van de nationaliteit van de luchtvaartmaatschappij. Hieronder vallen niet brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt voor hun wegvoertuigen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Vervoer”) en militair gebruik van vliegtuigbrandstoffen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Overige”).

2.1.7.   VOORRAADWIJZIGINGEN

Het verschil tussen begin- en eindinventaris van voorraden op het nationale grondgebied. Tenzij anders vermeld, wordt een toename van de voorraad weergegeven met een negatief getal en een afname van de voorraad met een positief getal.

2.1.8.   TOTALE BEGIN- EN EINDVOORRADEN OP HET NATIONALE GRONDGEBIED

Alle voorraden op het nationale grondgebied, waaronder voorraden van de staat, grote consumenten en opslagmaatschappijen, voorraden aan boord van binnenkomende zeeschepen, voorraden in zones onder douanetoezicht en voorraden die voor anderen worden bijgehouden, al dan niet in het kader van bilaterale overeenkomsten tussen staten. Met begin- en eindvoorraad wordt de voorraad op de eerste, respectievelijk de laatste dag van de verslagperiode bedoeld. Voorraden omvatten voorraden die worden bewaard in alle typen speciale bergingen, zowel bovengronds als ondergronds.

2.1.9.   RECHTSTREEKS GEBRUIK

Aardolie (ruwe olie en aardolieproducten) die rechtstreeks wordt gebruikt, zonder in aardolieraffinaderijen te worden verwerkt. Hieronder valt ook ruwe olie die wordt verbrand om elektriciteit op te wekken.

2.1.10.   ONTVANGSTEN VAN PRIMAIRE PRODUCTEN

Hieronder vallen de hoeveelheden binnenlandse of ingevoerde ruwe olie (met inbegrip van condensaat) en binnenlandse NGL ( 3 ) die rechtstreeks worden gebruikt, zonder in een aardolieraffinaderij te worden verwerkt, en de hoeveelheden backflows uit de petrochemische industrie die, hoewel ze geen primaire brandstoffen zijn, rechtstreeks worden gebruikt.

2.1.11.   BRUTO-OUTPUT VAN DE RAFFINADERIJEN

Productie van afgewerkte producten in raffinaderijen en mengbedrijven. Hieronder vallen niet de verliezen bij de raffinage, maar wel de raffinaderijbrandstof.

2.1.12.   GERECYCLEERDE PRODUCTEN

Afgewerkte producten die, nadat ze al eens aan eindgebruikers zijn geleverd, een tweede maal in de handel worden gebracht (bv. gebruikte smeermiddelen die opnieuw worden verwerkt). Deze hoeveelheden moeten worden onderscheiden van de backflows uit de petrochemische sector.

2.1.13.   BACKFLOWS

Afgewerkte producten of halffabricaten die van de eindgebruikers teruggaan naar de raffinaderijen om te worden verwerkt, gemengd of verkocht. Het gaat gewoonlijk om bijproducten van de petrochemische productie.

2.1.14.   OVERBOEKINGEN TUSSEN PRODUCTEN

Hoeveelheden die worden heringedeeld omdat de specificatie is veranderd of omdat zij met een ander product worden gemengd. Een negatieve vermelding voor een product wordt gecompenseerd door een of meer positieve vermeldingen voor een of meer andere producten en vice versa; het totale nettoresultaat moet nul zijn.

2.1.15.   OVERGEBOEKTE PRODUCTEN

Ingevoerde aardolieproducten die worden heringedeeld als grondstoffen voor verdere verwerking in de raffinaderij en die niet aan de eindgebruiker worden verkocht.

2.1.16.   STATISTISCH VERSCHIL

Berekende waarde, gedefinieerd als het verschil tussen de berekening uit het oogpunt van het aanbod (top-downbenadering) en de berekening uit het oogpunt van het verbruik (bottom-upaanpak). Eventuele grote statistische verschillen moeten worden verklaard door de rapporterende landen.

2.2.    Sector omzetting

In de sector omzetting worden alleen de hoeveelheden brandstoffen die zijn omgezet naar andere brandstoffen gerapporteerd. De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming, het functioneren van apparatuur en in het algemeen ter ondersteuning van de omzetting, moeten als verbruik in de sector energie worden opgegeven.

2.2.1.   PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — ALLEEN ELEKTRICITEIT

De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om elektriciteit te produceren in eenheden/installaties voor alleen elektriciteit.

2.2.2.   PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — WARMTEKRACHTEENHEDEN

De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om elektriciteit en/of warmte te produceren in warmtekrachteenheden.

2.2.3.   PRODUCENTEN DIE OPWEKKING ALS HOOFDACTIVITEIT HEBBEN — ALLEEN WARMTE

De hoeveelheden brandstoffen die door producenten met opwekking als hoofdactiviteit worden gebruikt om warmte te produceren in eenheden/installaties voor alleen warmte.

2.2.4.   ZELFOPWEKKERS — ALLEEN ELEKTRICITEIT

De hoeveelheden brandstoffen die door zelfopwekkers worden gebruikt om elektriciteit te produceren in eenheden/installaties voor alleen elektriciteit.

2.2.5.   ZELFOPWEKKERS — WARMTEKRACHTEENHEDEN

Alle hoeveelheden brandstoffen die door zelfopwekkers worden gebruikt om elektriciteit te produceren en het proportionele deel van de brandstoffen dat in warmtekrachteenheden wordt gebruikt om warmte te produceren die voor de verkoop is bestemd. Het proportionele deel van de brandstoffen dat wordt gebruikt om warmte te produceren die niet wordt verkocht (zelfverbruikte warmte), moet worden gerapporteerd in de relevante sector van het eindenergieverbruik op basis van de NACE-classificatie. Warmte die is verkocht, maar niet geleverd aan andere entiteiten onder niet-financiële overeenkomsten of aan entiteiten met verschillende eigenaren, wordt opgegeven op basis van hetzelfde principe als verkochte warmte.

2.2.6.   ZELFOPWEKKERS — ALLEEN WARMTE

Het proportionele deel van brandstoffen die worden gebruikt om warmte te produceren die door zelfopwekkers wordt verkocht in eenheden/installaties voor alleen warmte. Het proportionele deel van de brandstoffen dat wordt gebruikt om warmte te produceren die niet wordt verkocht (zelfverbruikte warmte), moet worden gerapporteerd in de relevante sector van het eindenergieverbruik op basis van de NACE-classificatie. Warmte die is verkocht, maar niet geleverd aan andere entiteiten onder niet-financiële overeenkomsten of aan entiteiten met verschillende eigenaren, wordt opgegeven op basis van hetzelfde principe als verkochte warmte.

2.2.7.   STEENKOOLBRIKETTENCENTRALES

De hoeveelheden brandstoffen die in steenkoolbrikettencentrales worden gebruikt voor de productie van steenkoolbriketten.

2.2.8.   COKESOVENS

De hoeveelheden brandstoffen die in cokesovens worden gebruikt voor de productie van cokesovencokes en cokesovengas.

2.2.9.   BRUINKOOLBRIKETTEN- EN TURFBRIKETTENCENTRALES

De hoeveelheden brandstoffen die in bruinkoolbrikettenfabrieken worden gebruikt om bruinkoolbriketten te produceren en de hoeveelheden brandstoffen die in turfbrikettenfabrieken worden gebruikt om turfbriketten te produceren.

2.2.10.   GASFABRIEKEN

De hoeveelheden brandstoffen die in gasfabrieken en steenkoolvergassingsinstallaties worden gebruikt om fabrieksgas te produceren.

2.2.11.   HOOGOVENS

De hoeveelheden brandstoffen die de hoogoven binnenkomen, ofwel door de bovenkant met het ijzererts of door de blaasmonden aan de onderkant met de verhitte blaaslucht.

2.2.12.   KOLENLIQUEFACTIE

De hoeveelheden brandstof die worden gebruikt om synthetische olie te produceren.

2.2.13.   INSTALLATIES VOOR DE OMZETTING VAN GAS NAAR VLOEISTOF

De hoeveelheden gasvormige brandstoffen die worden omgezet in vloeibare brandstoffen.

2.2.14.   HOUTSKOOLPRODUCTIE-INSTALLATIE

De hoeveelheden vaste biobrandstoffen die worden omgezet in houtskool.

2.2.15.   AARDOLIERAFFINADERIJEN

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt om aardolieproducten te produceren.

2.2.16.   AARDGASMENGBEDRIJVEN (VOOR GEMENGD AARDGAS)

De hoeveelheden gassen die worden gemengd met aardgas en in het aardgasnetwerk (aardgasnet) worden geïnjecteerd.

2.2.17.   VOOR MENGING MET MOTORBENZINE / DIESEL / KEROSINE:

De hoeveelheden vloeibare biobrandstoffen die met fossiele brandstoffen worden gemengd. De hoeveelheden waterstof die met fossiele brandstoffen worden gemengd.

2.2.18.   PRODUCTIE VAN WATERSTOF

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt om waterstof te produceren

2.2.19.   NIET ELDERS VERMELD

De hoeveelheden brandstoffen die voor omzetting worden gebruikt en niet elders zijn vermeld. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.

2.3.    Sector energie

De hoeveelheden die door de sector energie worden verbruikt voor de winning van energie (mijnen, olie- en gasproductie) of het functioneren van omzettingsinstallaties. Dit komt overeen met NACE-afdelingen 05, 06, 19 en 35, NACE-groep 09.1 en NACE-klassen 07.21 en 08.92.

Hieronder vallen niet de hoeveelheden brandstoffen die in een andere energievorm worden omgezet (te vermelden onder de sector omzetting) of worden gebruikt ter ondersteuning van het beheer van olie-, gas- en kolenslurrypijpleidingen (te vermelden onder de sector vervoer).

2.3.1.   EIGEN GEBRUIK VAN ELEKTRICITEITS-, WARMTEKRACHT- EN WARMTECENTRALES

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties met eenheden voor alleen elektriciteit, eenheden voor alleen warmte en warmtekrachteenheden.

2.3.2.   KOLENMIJNEN

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt ter ondersteuning van de winning en het wassen van steenkool in de steenkoolindustrie. Steenkool die in mijncentrales wordt verbrand, moet onder de sector omzetting worden opgegeven.

2.3.3.   STEENKOOLBRIKETTENCENTRALES

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van steenkoolbrikettencentrales.

2.3.4.   COKESOVENS

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van cokesovens (cokesfabrieken).

2.3.5.   BRUINKOOLBRIKETTEN- EN TURFBRIKETTENCENTRALES

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties voor bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales (briketteninstallaties).

2.3.6.   GASFABRIEKEN/KOLENVERGASSINGSINSTALLATIES

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van gasfabrieken en kolenvergassingsinstallaties.

2.3.7.   HOOGOVENS

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van hoogovens.

2.3.8.   KOLENLIQUEFACTIE

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van kolenliquefactie-installaties.

2.3.9.   LIQUEFACTIE (LNG) / HERVERGASSING

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van aardgasliquefactie-en hervergassingsinstallaties.

2.3.10.   VERGASSINGSINSTALLATIES (BIOGAS)

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van vergassingsinstallaties voor biogas.

2.3.11.   INSTALLATIES VOOR DE OMZETTING VAN GAS NAAR VLOEISTOF

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van installaties voor de omzetting van gas naar vloeistof.

2.3.12.   HOUTSKOOLPRODUCTIE-INSTALLATIES

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van houtskoolproductie-installaties.

2.3.13.   AARDOLIERAFFINADERIJEN

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van aardolieraffinaderijen.

2.3.14.   NUCLEAIRE INDUSTRIE

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor het functioneren van de nucleaire industrie (mijnbouw, verwerking, opwerking van kernmateriaal voor kernsplijting en kernfusie), met inbegrip van de behandeling, berging en opslag van radioactief kernafval.

2.3.15.   OLIE- EN GASWINNING

De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt in faciliteiten voor de extractie van aardolie en aardgas. Hieronder vallen niet: verliezen uit pijpleidingen (te vermelden onder “distributieverliezen” en hoeveelheden energie die worden gebruikt voor het beheer van pijpleidingen (te vermelden onder de sector vervoer).

2.3.16.   PRODUCTIE, LIQUEFACTIE EN VERGASSING VAN WATERSTOF

De hoeveelheden brandstoffen die als energie worden verbruikt voor de ondersteuning van de productie, liquefactie en vergassing van waterstof.

2.3.17.   NIET ELDERS VERMELD — ENERGIE

De hoeveelheden brandstoffen met betrekking tot energieactiviteiten die niet elders zijn vermeld. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.

2.4.    Verliezen bij transmissie en distributie

2.4.1.   Verliezen bij transmissie

De hoeveelheden brandstofverliezen bij het vervoer en de distributie, in het deel van het systeem dat door de transmissiesysteembeheerder wordt beheerd. Het begrip omvat technische en niet-technische verliezen. Voor elektriciteit omvat dit verliezen in transformatoren die niet als integraal deel van centrales worden beschouwd. Voor gas omvat het begrip ontluchting en affakkeling tijdens de transmissie.

2.4.2.   Distributieverliezen

De hoeveelheden brandstofverliezen bij de distributie, in het deel van het systeem dat door de distributiesysteembeheerder wordt beheerd. Het begrip omvat technische en niet-technische verliezen. Voor gas omvat het ontluchting en affakkeling tijdens de distributie.

2.5.    Niet-energetisch eindverbruik

Hoeveelheden brandstoffen die zijn bestemd voor niet-energetisch gebruik -niet-verbrande brandstoffen.

2.6.    Finaal energieverbruik (specificaties van het eindgebruik)

2.6.1.   INDUSTRIE

Dit betreft de hoeveelheden brandstoffen die industriële ondernemingen verbruiken ter ondersteuning van hun kernactiviteiten.

Wat warmte- en warmtekrachteenheden betreft, moeten alleen de hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor de productie van warmte die de installatie zelf gebruikt (binnen de installatie gebruikte warmte) worden opgegeven. De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor de productie van warmte die wordt verkocht en voor de productie van elektriciteit, moeten onder de desbetreffende sector omzetting worden opgegeven.

2.6.1.1. Winning van delfstoffen: NACE-afdelingen 07 (met uitzondering van 07.21) en 08 (met uitzondering van 08.92); NACE-groep: 09.9

2.6.1.1.1. Winning van metaalertsen: [NACE-afdeling 07; hieronder valt niet NACE-klasse 07.21, Winning van uranium- en thoriumerts]

2.6.1.1.2. Overige winning van delfstoffen [NACE-afd. 08; hieronder valt niet NACE-klasse 08.92, Winning van turf]

2.6.1.1.3. Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw [NACE-afd. 09; hieronder valt niet NACE-groep 09.1, Ondersteunende activiteiten in verband met de aardolie- en aardgaswinning]

2.6.1.2. Voedings- en genotmiddelen: NACE-afdelingen 10, 11 en 12.

2.6.1.2.1. Vervaardiging van voedingsmiddelen [NACE-afd. 10]

2.6.1.2.2. Vervaardiging van dranken [NACE-afd. 11]

2.6.1.2.3. Vervaardiging van tabaksproducten [NACE-afd. 12]

2.6.1.3. Textiel en leer [NACE-afd. 13, 14 en 15; omvat de Vervaardiging van textiel, de Vervaardiging van kleding en de Vervaardiging van leer en van producten van leer]

2.6.1.4. Hout en artikelen van hout — Houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout en van kurk, exclusief meubelen; Vervaardiging van artikelen van riet en van vlechtwerk [NACE-afd. 16]

2.6.1.5. Pulp, papier en drukkerijen: NACE-afdelingen 17 en 18.

2.6.1.5.1. Vervaardiging van papier en papierwaren [NACE-afd. 17]

2.6.1.5.1.1. Vervaardiging van pulp [NACE-klasse 17.11]

2.6.1.5.1.2. Overig papier en papierwaren [NACE-klasse 17.12 en NACE-groep 17.2]

2.6.1.5.2 Drukkerijen, reproductie van opgenomen media [NACE-afd. 18]

2.6.1.6. Chemische en petrochemische industrie: NACE-afdelingen 20 en 21.

2.6.1.6.1. Vervaardiging van chemische producten [NACE-afd. 20]

2.6.1.6.2. Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten [NACE-afd. 21]

2.6.1.7. Niet-metaalhoudende minerale producten [NACE-afd. 23]

2.6.1.7.1. Vervaardiging van glas en glaswerk [NACE-groep 23.1]

2.6.1.7.2. Vervaardiging van cement, kalk en gips (incl. klinker) [NACE-groep 23.5]

2.6.1.7.3. Overige niet-metaalhoudende minerale producten [NACE-groepen 23.2, 23.3, 23.4, 23.6, 23.7 en 23.9]

2.6.1.8. IJzer en staal [Vervaardiging van metalen in primaire vorm A: NACE-groepen 24.1, 24.2 en 24.3 en klassen 24.51 en 24.52]

2.6.1.9. Non-ferrometaalindustrie [Vervaardiging van metalen in primaire vorm B: NACE-groep 24.4 en klassen 24.53 en 24.54]

2.6.1.9.1. Productie van aluminium [NACE-klasse 24.42]

2.6.1.9.2. Overige non-ferrometaalindustrie [NACE-groep 24.4 — excl. NACE-klasse 24.42; NACE-klassen 24.53 en 24.54]

2.6.1.10. Machines en toestellen: NACE-afdelingen 25, 26, 27 en 28.

2.6.1.10.1. Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparaten [NACE-afd. 25]

2.6.1.10.2. Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten [NACE-afd. 26]

2.6.1.10.3. Vervaardiging van elektrische apparatuur [NACE-afd. 27]

2.6.1.10.4. Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen, n.e.g. [NACE-afd. 28]

2.6.1.11. Hulpmiddel bij het vervoer: Aan vervoermiddelen gerelateerde industriesectoren [NACE, afd. 29 en 30; omvat de Vervaardiging van auto’s, aanhangwagens en opleggers en de Vervaardiging van andere transportmiddelen]

2.6.1.12. Niet elders vermeld – Industrie: NACE-afdelingen 22, 31 en 32

2.6.1.12.1. Vervaardiging van producten van rubber of kunststof [NACE-afd. 22]

2.6.1.12.2. Vervaardiging van meubelen [NACE-afd. 31]

2.6.1.12.3. Overige industrie [NACE-afd. 32]

2.6.1.13. Bouwnijverheid [NACE-afdelingen 41, 42 en 43]

2.6.2.   VERVOER

Energie die wordt gebruikt voor alle vervoeractiviteiten, ongeacht in welke NACE-categorie (economische sector) deze plaatsvinden. Brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming en verlichting op treinstations, busstations, pieren en luchthavens, moeten worden gerapporteerd onder “Commerciële en openbare diensten” en niet onder de vervoerssector.

2.6.2.1.   Spoor

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door het spoorwegverkeer, met inbegrip van industriële spoorwegen en vervoer per spoor dat deel uitmaakt van stads- en voorstadsvervoersystemen (bijvoorbeeld treinen, trams, metro’s).

2.6.2.1.1.   Hogesnelheidsspoor

Energie die wordt gebruikt door treinen op sporen waar de snelheid 200 kilometer per uur kan overschrijden.

2.6.2.1.2.   Conventioneel spoor

Energie die wordt gebruikt door spoorwegverkeer, met uitzondering van hogesnelheidsspoor en metro en tram.

2.6.2.1.2.1.   Personenvervoer per conventioneel spoor

Energie die wordt gebruikt door personenvervoer per spoor, dat wil zeggen voor het vervoer van reizigers waarbij tussen de plaats van instappen en de plaats van uitstappen spoorvoertuigen worden gebruikt. Een reiziger is iemand die een reis per spoor maakt, met uitzondering van het treinpersoneel.

2.6.2.1.2.2.   Vrachtvervoer per conventioneel spoor

Energie die wordt gebruikt door vrachtvervoer per spoor, dat wil zeggen voor het vervoer van vracht waarbij tussen de plaats van inladen en de plaats van uitladen spoorvoertuigen worden gebruikt.

2.6.2.1.3.   Metro en tram

Energie die wordt gebruikt door vervoer per metro, tram spoor, lichte spoorvoertuigen en andere verhoogde of ondergrondse stedelijke spoorwegsystemen.

2.6.2.2.   Binnenlandse scheepvaart

De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vaartuigen onder om het even welke vlag in de internationale scheepvaart (zie “Internationale scheepsbunkers”). Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale scheepvaart wordt gemaakt op basis van de havens van vertrek en aankomst, niet op basis van de vlag of de nationaliteit van het schip.

2.6.2.3.   Wegvervoer

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door wegvoertuigen. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden verbruikt door landbouwvoertuigen op de openbare weg en smeermiddelen voor gebruik in wegvoertuigen.

Hieronder vallen niet: energie die wordt verbruikt door stationaire motoren (zie “Overige sectoren”), door landbouwvoertuigen buiten de openbare weg (zie “Landbouw”), voor militair gebruik in wegvoertuigen (zie “Overige sectoren — niet elders vermeld”), asfalt als wegbedekking en energie die wordt gebruikt door machines op bouwplaatsen (zie “Bouwnijverheid”).

2.6.2.3.1.   Zware bedrijfsvoertuigen voor vrachtvervoer

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door vrachtwagens met meer dan 3,5 t laadcapaciteit, voor goederenvervoer (voertuigen van categorie N2 en N3, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).

2.6.2.3.2.   Collectief vervoer

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door grote voertuigen die passagiers vervoeren, zoals bussen, grote bestelwagens enz. (voertuigen van categorie M2 en M3, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).

2.6.2.3.3.   Auto’s en bestelwagens

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door kleine voertuigen, zoals auto’s en bestelwagens die passagiers of goederen vervoeren, (voertuigen van categorie N1 en M1, volgens de Europese classificatie voor voertuigcategorieën, overeenkomstig de VN-ECE-normen).

2.6.2.3.4.   Ander wegvervoer

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt door alle vormen van wegvervoer, afgezien van zware bedrijfsvoertuigen voor vrachtvervoer, openbaar vervoer en auto’s en bestelwagens.

2.6.2.4.   Vervoer door pijpleidingen

De hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt voor de ondersteuning van het beheer van pijpleidingen voor het transport van gassen, vloeistoffen, slurry en andere producten. Hieronder valt ook energie die wordt gebruikt voor pompstations en voor het onderhoud van pijpleidingen. Hieronder vallen niet: energie die wordt gebruikt voor de distributie van aardgas en fabrieksgas via pijpleidingen van de distributeur naar de eindgebruikers (te vermelden onder sector energie), energie die wordt gebruikt voor de finale distributie van water aan huishoudelijke, industriële, commerciële en andere gebruikers (te vermelden onder commerciële en openbare diensten) en verliezen bij het transport tussen distributeur en eindgebruikers (te vermelden als distributieverliezen).

2.6.2.5.   Binnenlandse luchtvaart

De hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd aan vliegtuigen voor de binnenlandse luchtvaart. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden gebruikt voor andere doeleinden dan vliegen, bv. stationair proefdraaien van motoren. Het onderscheid tussen binnenlandse en internationale luchtvaart wordt gemaakt op basis van de luchthavens van vertrek en aankomst, niet op basis van de nationaliteit van de luchtvaartmaatschappij. Hieronder vallen reizen van aanzienlijke duur tussen twee luchthavens in een land met gebieden overzee. Hieronder vallen niet brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt voor hun wegvoertuigen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Vervoer”) en militair gebruik van vliegtuigbrandstoffen (te vermelden onder “Niet elders vermeld — Overige”).

2.6.2.6.   Niet elders vermeld – Vervoer

De hoeveelheden brandstoffen die voor vervoer worden gebruikt en niet elders zijn vermeld. Hieronder vallen ook brandstoffen die door luchtvaartmaatschappijen worden gebruikt in hun wegvoertuigen en brandstoffen die in havens worden gebruikt voor losinstallaties en verschillende soorten kranen. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.

2.6.3.   OVERIGE SECTOREN

Deze categorie bestrijkt de hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt in sectoren die niet uitdrukkelijk zijn genoemd of die niet onder energie, industrie of vervoer vallen.

2.6.3.1.   Commerciële en openbare diensten

Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door bedrijven en kantoren in de particuliere en openbare sector. NACE-afdelingen 33, 36, 37, 38, 39, 45, 46, 47, 52, 53, 55, 56, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 84 (met uitzondering van klasse 84.22), 85, 86, 87, 88, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96 en 99. Brandstoffen die worden gebruikt voor verwarming en verlichting op spoorwegen, busstations, pieren en luchthavens moeten worden gerapporteerd in deze categorie. Dit omvat brandstoffen gebruikt voor alle voor alle niet-vervoersactiviteiten van NACE-afdelingen 49, 50 en 51.

2.6.3.1.1. Reparatie en installatie van machines, apparaten en werktuigen [NACE-sectie C, afdeling 33]

2.6.3.1.2. Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer, sanering [NACE-sectie E]

2.6.3.1.3. Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen (NACE G)

2.6.3.1.3.1. Groothandel [NACE-sectie G, afdeling 46]

2.6.3.1.3.2. Detailhandel [NACE-sectie G, afdeling 47]

2.6.3.1.4. Opslag en vervoerondersteunende activiteiten [NACE-sectie H, afdeling 52]

2.6.3.1.5. Posterijen en koeriers [NACE-sectie H, afdeling 53]

2.6.3.1.6. Verschaffen van accommodatie en maaltijden [NACE-sectie I]

2.6.3.1.6.1. Verschaffen van accommodatie [NACE-sectie I, afdeling 55]

2.6.3.1.6.2. Eet- en drinkgelegenheden [NACE-sectie I, afdeling 56]

2.6.3.1.7. Informatie en communicatie [NACE-sectie J]

2.6.3.1.8. Financiële activiteiten en verzekeringen en Exploitatie van en handel in onroerend goed [NACE-sectie K en NACE-sectie L]

2.6.3.1.9. Administratieve en ondersteunende diensten [NACE-sectie N]

2.6.3.1.10. Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen [NACE-sectie O]

2.6.3.1.11. Onderwijs [NACE-sectie P]

2.6.3.1.12. Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening [NACE-sectie Q]

2.6.3.1.12.1. Ziekenhuizen [NACE-sectie Q, groep 86.1]

2.6.3.1.13. Kunst, amusement en recreatie [NACE-sectie R]

2.6.3.1.13.1. Sport [NACE-sectie R, afdeling 93]

2.6.3.1.14. Extraterritoriale organisaties en lichamen [NACE-sectie U]

2.6.3.1.15. Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten en Overige diensten [NACE-sectie M en NACE-sectie S]

2.6.3.1.16. Datacentra Een datacentrum wordt gedefinieerd als een structuur of groep structuren die wordt gebruikt om computersystemen/servers en bijbehorende apparatuur voor de opslag, verwerking en/of distributie van gegevens, alsmede aanverwante activiteiten, te huisvesten, aan te sluiten en te exploiteren.

2.6.3.2.   Huishoudens

Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door alle huishoudens, inclusief “huishoudens als werkgever”. NACE-afdelingen 97 en 98.

Voor de sector huishoudens gelden de volgende definities:

Een huishouden is een alleenstaande, een gezin of een groep personen die samen in dezelfde particuliere woning wonen en voorzieningen en andere kosten van noodzakelijke levensbehoeften delen. De sector huishoudens — ook bekend als de sector woningen — is daarom een verzameling van alle huishoudens in een land.

Gemeenschappelijke woonruimten die hetzij permanent (bv. gevangenissen) hetzij tijdelijk (bv. ziekenhuizen) zijn, moeten worden uitgesloten, aangezien zij zijn opgenomen in het verbruik in de dienstensector. De energie die wordt gebruikt voor vervoeractiviteiten, moet worden vermeld in de sector vervoer en niet in de sector huishoudens.

Energieverbruik dat is gerelateerd aan aanzienlijke economische activiteiten die worden verricht door huishoudens, moet eveneens worden uitgesloten van het totale energieverbruik van huishoudens. Deze activiteiten omvatten agrarische economische activiteiten op kleine landbouwbedrijven en andere economische activiteiten die worden uitgevoerd in de woning van een huishouden en moeten worden vermeld in de desbetreffende sector van eindverbruik.

2.6.3.2.1.   Ruimteverwarming

Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om de binnenruimten van een woning te verwarmen.

2.6.3.2.2.   Ruimtekoeling

Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om een woning te koelen door middel van een koelsysteem en/of -aggregaat.

Ventilatoren en andere apparaten die niet zijn aangesloten op een koelaggregaat worden in dit punt uitgesloten, maar deze moeten worden opgenomen in de sectie “Verlichting en elektrische apparatuur”.

2.6.3.2.3.   Waterverwarming

Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om water te verwarmen voor warm stromend water, baden, schoonmaak en andere niet met koken verbonden toepassingen.

De verwarming van zwembaden is uitgesloten, en moet worden opgenomen in de sector “Overig eindgebruik”.

2.6.3.2.4.   Koken

Deze energiedienst betreft het gebruik van energie om voedsel te bereiden.

Hulpmiddelen bij het koken (magnetrons, ketels, koffiezetapparaten enz.) zijn uitgesloten, en moeten worden opgenomen in de sector “Verlichting en elektrische apparatuur”.

2.6.3.2.5.   Verlichting en elektrische apparatuur (alleen elektriciteit):

Gebruik van elektriciteit voor verlichting en andere elektrische apparatuur in een woning, die niet in andere sectoren worden vermeld.

2.6.3.2.6.   Overig eindgebruik

Al het andere energieverbruik in huishoudens, zoals het gebruik van energie buitenshuis en eventuele andere activiteiten die niet zijn opgenomen in de vijf hierboven vermelde vormen van energie-eindverbruik (bv. grasmaaiers, zwembadverwarming, buitenverwarming, buitenbarbecues, sauna’s enz.).

2.6.3.3.   Landbouw

Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door gebruikers die onder plantaardige en dierlijke productie, jacht en diensten in verband met deze activiteiten zijn ingedeeld; NACE-afdeling 01.

2.6.3.4.   Bosbouw

Hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt door gebruikers die onder bosbouw en de exploitatie van bossen zijn ingedeeld; NACE-afdeling 02.

2.6.3.5.   Visserij

Hoeveelheden brandstoffen die worden geleverd voor binnen-, kust- en zeevisserij. Hieronder vallen ook brandstoffen die worden geleverd aan schepen onder om het even welke vlag die in het land in kwestie hebben getankt (inclusief internationale visserij) en energie die in de visserijsector wordt gebruikt. NACE-afdeling 03.

2.6.3.6.   Niet elders vermeld — Overige

De hoeveelheden brandstoffen die worden verbruikt voor activiteiten die niet elders zijn vermeld (zoals NACE-klasse 84.22). Deze categorie omvat militaire brandstof voor alle soorten mobiel en stationair verbruik (bv. schepen, vliegtuigen, wegvoertuigen en energie voor woonverblijven), ongeacht of de geleverde brandstof voor het leger van het land in kwestie of voor dat van een ander land bestemd is. Wanneer hieronder iets wordt vermeld, moet dat in het verslag worden toegelicht.

3.    PRODUCTEN

3.1.    STEENKOOL (vaste fossiele brandstoffen en fabrieksgassen)

3.1.1.   STEENKOOL

Het productaggregaat “steenkool” is gelijk aan de som van antraciet, cokeskool en andere bitumineuze steenkool.

3.1.2.   ANTRACIET

Hoogwaardige steenkool die wordt gebruikt in de industrie en in huishoudens. Bevat gewoonlijk minder dan 10 % vluchtige bestanddelen en heeft een hoog koolstofgehalte (ongeveer 90 % gebonden koolstof). De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000  kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.

3.1.3.   COKESKOOL

Bitumineuze kool met een kwaliteit die geschikt is voor de productie van hoogovencokes (cokesovencokes). De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000 kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.

3.1.4.   ANDERE BITUMINEUZE KOOL

Kolen die worden gebruikt om stoom op te wekken; hieronder valt alle bitumineuze steenkool die niet onder cokeskool of antraciet valt. Deze categorie wordt gekenmerkt door een hoger gehalte aan vluchtige bestanddelen (meer dan 10 %) en een lager koolstofgehalte (minder dan 90 % gebonden koolstof) dan antraciet. De calorische bovenwaarde bedraagt meer dan 24 000  kJ/kg in asvrije maar vochtige toestand.

3.1.5.   BRUINKOOL

Het productaggregaat “bruinkool” is gelijk aan de som van subbitumineuze kool en bruinkool.

3.1.6.   SUBBITUMINEUZE KOOL

Geen sinters vormende kolen met een calorische bovenwaarde tussen 20 000  kJ/kg en 24 000  kJ/kg en met meer dan 31 % vluchtige bestanddelen in het droge, mineraalvrije product.

3.1.7.   LIGNIET

Geen sinters vormende kolen met een calorische bovenwaarde van minder dan 20 000  kJ/kg en met meer dan 31 % vluchtige bestanddelen in het droge, mineraalvrije product.

3.1.8.   STEENKOOLBRIKETTEN

Samengestelde brandstof die wordt gemaakt van fijnkool met toevoeging van een bindmiddel. De geproduceerde hoeveelheid steenkoolbriketten kan dus iets groter zijn dan de hoeveelheid kolen die in het omzettingsproces wordt verbruikt.

3.1.9.   COKESOVENCOKES

Vast product dat wordt verkregen door vercooksing van kolen (voornamelijk cokeskool) bij hoge temperatuur, met een laag gehalte aan vocht en vluchtige stoffen. Cokesovencokes wordt vooral gebruikt als energiebron en chemisch agens in de ijzer- en staalindustrie.

Cokesbries en hoogovencokes moeten worden vermeld in deze categorie.

Halfcokes (een vast product dat wordt verkregen door vercooksing van kolen bij lage temperatuur) valt eveneens onder deze categorie. Halfcokes wordt gebruikt als brandstof voor verwarming of in de verwerkingsinrichting zelf.

Hieronder vallen ook cokes, cokesbries en halfcokes op basis van bruinkool.

3.1.10.   GASCOKES

Bijproduct van steenkool dat in gasfabrieken wordt gebruikt voor de productie van stadsgas. Gascokes wordt voor verwarming gebruikt.

3.1.11.   KOOLTEER

Resultaat van de destructieve destillatie van bitumineuze kool. Koolteer is het vloeibare bijproduct van de destillatie van kool in het cokesovenproces, of wordt op basis van bruinkool geproduceerd (“lage-temperatuurteer”).

3.1.12.   BRUINKOOLBRIKETTEN

Samengestelde brandstof die wordt vervaardigd door bruinkool of subbitumineuze kool te briketteren onder hoge druk, zonder toevoeging van bindmiddel, met inbegrip van gedroogde bruinkool en bruinkoolstof.

3.1.13.   FABRIEKSGASSEN

Het productaggregaat “fabrieksgas” is gelijk aan de som van fabrieksgas, cokesovengas, hoogovengas en andere teruggewonnen gassen.

3.1.14.   FABRIEKSGAS

Dit omvat alle soorten gas die worden geproduceerd in openbare of particuliere inrichtingen die de vervaardiging, het vervoer en de distributie van gas als hoofdactiviteit hebben. Hieronder valt ook gas dat wordt geproduceerd door vercooksing (waaronder gas dat door cokesovens wordt geproduceerd en in fabrieksgas wordt omgezet), door volledige vergassing met of zonder verrijking met aardolieproducten (lpg, huisbrandolie enz.) en door reforming en gewoon mengen van gassen en/of lucht, met inbegrip van vermenging met aardgas dat via het aardgasnetwerk wordt gedistribueerd en verbruikt. De hoeveelheid gas die uit de omzetting van andere steenkoolgassen in fabrieksgas ontstaat, moet als productie van fabrieksgas worden opgegeven.

3.1.15.   COKESOVENGAS

Cokesovengas is een gas dat wordt verkregen als bijproduct van de vervaardiging van cokesovencokes voor de productie van ijzer en staal.

3.1.16.   HOOGOVENGAS

Hoogovengas wordt geproduceerd bij de verbranding van cokes in hoogovens in de ijzer- en staalindustrie. Wordt teruggewonnen en als brandstof gebruikt, deels in de inrichting en deels in andere processen in de staalindustrie of in energiecentrales die de nodige uitrusting hebben om het te verbranden.

3.1.17.   ANDERE TERUGGEWONNEN GASSEN

Bijproduct van de productie van staal in oxystaalovens, dat wordt teruggewonnen wanneer het de oven verlaat. Deze gassen worden ook convertorgas, LD-gas of BOS-gas genoemd. De hoeveelheid teruggewonnen brandstof moet in calorische bovenwaarde worden uitgedrukt. Omvatten ook niet-gespecificeerd, hierboven niet vermeld fabrieksgas, zoals niet elders genoemde gasbrandstoffen van vastekoolstofoorsprong die worden teruggewonnen bij niet elders genoemde industriële en chemische processen.

3.1.18.   TURF

Turf is een zacht, poreus of samengeperst brandbaar materiaal, afkomstig van plantaardige afzettingen, met een hoog watergehalte (maximaal 90 % in onbewerkte toestand), gemakkelijk te snijden, met een licht- tot donkerbruine kleur. Turf omvat turfzoden en gemalen turf. Turf voor niet-energetisch gebruik valt hier niet onder.

3.1.19.   TURFPRODUCTEN

Producten als turfbriketten die al dan niet rechtstreeks zijn afgeleid van turfzoden en gemalen turf.

3.1.20.   OLIESCHALIE EN OLIEZAND

Olieschalie en oliezand betreffen sedimentgesteente dat organisch materiaal bevat in de vorm van kerogeen. Kerogeen is een wasachtig koolwaterstofrijk materiaal dat als een voorloper van aardolie wordt beschouwd. Olieschalie kan rechtstreeks worden verbrand of worden verwerkt door verhitting om schalieolie te extraheren. Schalieolie en andere afgeleide producten van liquefactie moeten als andere koolwaterstoffen binnen aardolieproducten worden opgegeven.

3.2.    AARDGAS

3.2.1.   AARDGAS

Aardgas omvat in de ondergrond voorkomend gas, hetzij vloeibaar gemaakt of in gasvorm, dat hoofdzakelijk uit methaan bestaat, onafhankelijk van de extractiemethode (conventioneel en niet-conventioneel). Hieronder valt ook “niet-geassocieerd” gas afkomstig van velden die alleen gasvormige koolwaterstoffen produceren, “geassocieerd” gas dat wordt geproduceerd tezamen met ruwe olie, en methaan dat uit kolenmijnen of kolenlagen (mijngas) wordt gewonnen. Biogas en fabrieksgas vallen niet onder aardgas. Overdracht van deze producten in het aardgasnetwerk worden afzonderlijk van aardgas gerapporteerd. Aardgas omvat vloeibaar gemaakt aardgas (LNG) en gecomprimeerd aardgas (CNG).

3.3.    ELEKTRICITEIT EN WARMTE

3.3.1.   ELEKTRICITEIT

Elektriciteit is de overdracht van energie door middel van het fysieke verschijnsel waarbij elektrische ladingen en de effecten ervan in rust en bij beweging betrokken zijn. Alle gebruikte, geproduceerde en verbruikte elektriciteit moet worden opgegeven, met inbegrip van off-grid- en zelfverbruikte elektriciteit. Off-grid elektriciteit wordt geproduceerd door installaties die van het net zijn losgekoppeld vanuit het oogpunt van productie; de installatie kan de opgewekte elektriciteit niet in het net injecteren. Zelfverbruikte elektriciteit is elektriciteit die door de producent wordt verbruikt voordat deze in het net wordt geïnjecteerd.

3.3.2.   WARMTE (AFGELEIDE WARMTE)

Warmte is de energie die wordt verkregen uit de translatie-, rotatie- en trillingsbeweging van de onderdelen van de materie en de veranderingen in de fysische toestand. Alle geproduceerde warmte, met uitzondering van warmte die door zelfopwekkers wordt geproduceerd voor eigen gebruik en niet wordt verkocht, moet worden vermeld; alle andere vormen van warmte worden opgegeven als gebruik van producten waarmee de warmte was geproduceerd.

3.4.    AARDOLIE (ruwe olie en aardolieproducten)

3.4.1.   RUWE OLIE

Ruwe olie is een minerale olie van natuurlijke oorsprong die bestaat uit een mengsel van koolwaterstoffen en daarin voortkomende onzuiverheden zoals zwavel. Bij normale omgevingstemperatuur en atmosferische druk is ruwe olie vloeibaar, en de fysieke kenmerken (dichtheid, viscositeit enz.) zijn zeer variabel. Hieronder valt ook condensaat dat bij de winning of de verwerking wordt teruggewonnen uit geassocieerd en niet-geassocieerd gas en dat met de commerciële ruwe olie wordt gemengd. De hoeveelheden moeten onafhankelijk van de extractiemethode worden gerapporteerd (conventioneel en niet-conventioneel). NGL valt niet onder ruwe olie.

3.4.2.   NATURAL GAS LIQUIDS (NGL, AARDGASCONDENSATEN)

NGL (aardgascondensaten) zijn vloeibare of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen die in separatoren of gasverwerkingsfabrieken uit aardgas worden teruggewonnen. NGL omvat ethaan, propaan, butaan (gewoon en isobutaan), (iso)pentaan en hogere koolwaterstoffen (soms aardgasbenzine of condensaat genoemd).

3.4.3.   RAFFINAGEGRONDSTOFFEN

Raffinagegrondstoffen zijn verwerkte aardolie (bv. direct door destillatie verkregen stookolie en vacuümgasolie), die bestemd is voor verdere verwerking, met uitzondering van menging. Bij deze verdere verwerking worden de raffinagegrondstoffen omgezet in een of meer componenten en/of afgewerkte producten. Deze definitie omvat ook producten die de petrochemische industrie terugzendt naar de raffinage-industrie (bv. pyrolysebenzine, C4-fracties en gasolie- en stookoliefracties).

3.4.4.   ADDITIEVEN/OXYGENATEN

Additieven zijn niet-koolwaterstofverbindingen die aan aardolieproducten worden toegevoegd of ermee worden gemengd om de eigenschappen ervan (octaan- of cetaangetal, koude-eigenschappen enz.) te wijzigen. Additieven omvatten oxygenaten (zoals alcoholen (methanol, ethanol), ethers (bv. methyl-tertiair-butylether (MTBE), ethyl-tertiair-butylether (ETBE), tertiair-amyl-methylether (TAME) enz.), esters (koolzaadolie of dimethylester enz.) en chemische verbindingen (bv. tetramethyllood (TML), tetraethyllood (TEL) en detergenten). De in deze categorie vermelde hoeveelheden additieven/oxygenaten (alcoholen, ethers, esters en andere chemische verbindingen) moeten betrekking hebben op de hoeveelheden die met brandstoffen zijn gemengd of als brandstof worden gebruikt. Deze categorie omvat biobrandstoffen die worden gemengd met vloeibare fossiele brandstoffen.

3.4.5.   BIOBRANDSTOFFEN IN ADDITIEVEN/OXYGENATEN

De in deze categorie vermelde hoeveelheden vloeibare biobrandstoffen hebben betrekking op het gemengde vloeibare biobrandstoffen en hebben enkel betrekking op het aandeel vloeibare biobrandstof en niet op het totale volume van de vloeistoffen waarmee de biobrandstoffen worden gemengd. Niet-gemengde vloeibare biobrandstoffen vallen niet hieronder.

3.4.6.   ANDERE KOOLWATERSTOFFEN

Synthetische ruwe olie uit teerzand, schalieolie enz., vloeistoffen uit de liquefactie van kolen, output van vloeistoffen uit de omzetting van aardgas in benzine, geëmulgeerde oliën (bv. orimulsion); met uitzondering van olieschalie; met inbegrip van schalieolie (secondair product).

3.4.7.   AARDOLIEPRODUCTEN

Het productaggregaat “aardolieproducten” is gelijk is aan de som van raffinaderijgas, ethaan, vloeibaar petroleumgas, nafta, motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof, reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie, stookolie, white spirit en SBP, smeermiddelen, bitumen, paraffine, petroleumcokes en overige producten.

3.4.8.   RAFFINADERIJGAS

Raffinaderijgas is een mengsel van niet-gecondenseerde gassen, voornamelijk waterstof, methaan, ethaan en alkenen, die worden verkregen bij de destillatie van ruwe olie of bij de behandeling van aardolieproducten (bv. kraken) in raffinaderijen. Hieronder vallen ook gassen die terugkomen uit de petrochemische industrie.

3.4.9.   ETHAAN

Van nature gasvormige, niet-vertakte koolwaterstof (C2H6) die uit aardgas en raffinaderijgas wordt geëxtraheerd.

3.4.10.   VLOEIBAAR PETROLEUMGAS (LPG)

Lpg bestaat uit lichte paraffinehoudende koolwaterstoffen afkomstig van raffinaderijprocessen, de stabilisatie van ruwe olie en aardgasverwerkingsfabrieken. Lpg bestaat voornamelijk uit propaan (C3H8), butaan (C4Hl0) of een combinatie daarvan. Lpg kan ook propyleen, butyleen, isopropyleen en isobutyleen bevatten. Lpg wordt gewoonlijk onder druk vloeibaar gemaakt voor vervoer en opslag.

3.4.11.   NAFTA

Nafta is een grondstof voor de petrochemische industrie (bv. de vervaardiging van ethyleen of aromaten) of voor de productie van benzine door reforming of isomerisatie in de raffinaderij. Nafta omvat producten met een kooktraject tussen 30 °C en 210 °C.

3.4.12.   MOTORBENZINE

Motorbenzine bestaat uit een mengsel van lichte koolwaterstoffen tussen 35 °C en 215 °C en wordt gebruikt als brandstof voor vonkontstekingsmotoren in landvoertuigen. Motorbenzine kan additieven, oxygenaten en octaanverhogende stoffen, waaronder loodverbindingen, bevatten. Hieronder vallen ook mengproducten voor motorbenzine (met uitzondering van additieven/oxygenaten), bv. alkylaten, isomeraat en reformaat en kraakbenzine bestemd om als afgewerkte motorbenzine te worden gebruikt. Het productaggregaat “motorbenzine” is gelijk aan de som van gemengde biobenzine (biobenzine in motorbenzine) en niet-biobenzine.

3.4.12.1.   Gemengde biobenzine (biobenzine in motorbenzine)

Biobenzine die is vermengd met motorbenzine.

3.4.12.2.   Niet-biobenzine

Het resterende deel van motorbenzine — motorbenzine met uitzondering van gemengde biobenzine (dit is vooral motorbenzine van fossiele oorsprong).

3.4.13.   VLIEGTUIGBENZINE

Speciaal voor vliegtuigzuigermotoren gemaakte motorbrandstof met een aan de motor aangepast octaangetal, een vriespunt van – 60 °C en een kooktraject dat gewoonlijk tussen 30 °C en 180 °C ligt.

3.4.14.   LICHTE REACTIEMOTORBRANDSTOF (VAN HET NAFTATYPE OF JP4)

Hieronder vallen alle lichte koolwaterstofoliën die in vliegtuigturbinemotoren worden gebruikt, met een kooktraject tussen 100 °C en 250 °C. Zij worden verkregen door kerosine zodanig met benzine of nafta te mengen dat het gehalte aan aromaten (in volume) niet meer dan 25 % bedraagt en de dampspanning tussen 13,7 en 20,6 kPa ligt.

3.4.15.   REACTIEMOTORBRANDSTOF VAN HET KEROSINETYPE

Destillaat dat voor vliegtuigturbinemotoren wordt gebruikt. Het heeft dezelfde destillatiekarakteristieken tussen 150 °C en 300 °C (gewoonlijk niet boven 250 °C) en hetzelfde vlampunt als kerosine. Daarnaast heeft dit product bepaalde specificaties (bv. vriespunt) die door de International Air Transport Association worden vastgesteld. Hieronder vallen ook mengproducten voor kerosine. Het productaggregaat “reactiemotorbrandstof van het kerosinetype” is gelijk aan de som van gemengde bioreactiemotorkerosine (bioreactiemotorkerosine in reactiemotorbrandstof van het kerosinetype) en niet-bioreactiemotorkerosine.

3.4.15.1.   Gemengde bioreactiemotorkerosine (bioreactiemotorkerosine in reactiemotorbrandstof van het kerosinetype)

Bioreactiemotorkerosine die is vermengd met reactiemotorbrandstof van het kerosinetype.

3.4.15.2.   Niet-bioreactiemotorkerosine

Het resterende deel van reactiemotorbrandstof van het kerosinetype -reactiemotorbrandstof van het kerosinetype met uitzondering van gemengde bioreactiemotorkerosine (dit is vooral reactiemotorbrandstof van het kerosinetype van fossiele oorsprong).

3.4.16.   ANDERE KEROSINE

Geraffineerd petroleumdestillaat dat in andere sectoren dan de luchtvaart wordt gebruikt. Het kooktraject ligt tussen 150 en 300 °C.

3.4.17.   GASOLIE/DIESELOLIE (GEDISTILLEERDE STOOKOLIE)

Gasolie/dieselolie is voornamelijk een tussendestillaat met een kooktraject tussen 180 °C en 380 °C. Hieronder vallen ook mengproducten. Afhankelijk van het gebruik zijn er verschillende soorten beschikbaar. Gasolie/dieselolie omvat dieselolie voor dieselmotoren met compressieontsteking in personenauto’s en vrachtwagens. Gasolie/dieselolie omvat lichte stookolie voor industrieel en commercieel gebruik, mariene diesel en diesel voor het spoorwegverkeer en andere gasoliën, waaronder zware gasoliën met een kooktraject tussen 380 °C en 540 °C die als grondstoffen voor de petrochemische industrie worden gebruikt. Het productaggregaat “gasolie/dieselolie” is gelijk aan de som van gemengde biodiesel (biodiesel in gasolie/dieselolie) en niet-biodiesel.

3.4.17.1.   Gemengde biodiesel (biodiesel in gasolie/dieselolie)

Biodiesel die is vermengd met gasolie/dieselolie.

3.4.17.2.   Niet-biodiesels

Het resterende deel van gasolie/dieselolie - gasolie/dieselolie met uitzondering van gemengde biodiesel (dit is vooral gasolie/dieselolie van fossiele oorsprong).

3.4.18.   STOOKOLIE (ZWARE STOOKOLIE)

Alle overblijvende (zware) stookoliën (inclusief die door menging zijn verkregen). De kinematische viscositeit bedraagt meer dan 10 cSt bij 80 °C. Het vlampunt ligt steeds boven 50 °C en de dichtheid bedraagt steeds meer dan 0,90 kg/l. Het productaggregaat “stookolie” is gelijk aan de som van laagzwavelige en hoogzwavelige stookolie.

3.4.18.1.   Laagzwavelige stookolie

Stookolie met een zwavelgehalte van minder dan 0,5 %.

3.4.18.2.   Hoogzwavelige stookolie

Stookolie met een zwavelgehalte van 0,5 % of meer.

3.4.19.   WHITE SPIRIT EN INDUSTRIËLE SPIRITUS

White spirit en SBP worden gedefinieerd als geraffineerde tussendestillaten met een kooktraject zoals nafta en kerosine. Dit omvat kookpuntbenzine (ook SBP genoemd; lichte oliën met een kooktraject tussen 30 °C en 200 °C in 7 à 8 soorten kookpuntbenzine, afhankelijk van het precieze kooktraject — de soorten worden gedefinieerd volgens het temperatuurverschil tussen het 5 %- en het 90 %-destillatiepunt (niet meer dan 60 °C) en white spirit (kookpuntbenzine met een vlampunt boven 30 °C en een kooktraject tussen 135 en 200 °C).

3.4.20.   SMEERMIDDELEN

Koolwaterstoffen die van bijproducten van destillatie worden gemaakt. Ze worden voornamelijk gebruikt om de wrijving tussen contactvlakken te verminderen. Hieronder vallen alle soorten smeerolie, van spindelolie tot cilinderolie, en oliën die worden gebruikt in vetten, motorolie en alle soorten smeeroliegrondstoffen.

3.4.21.   BITUMEN

Vaste, halfvaste of viskeuze koolwaterstof met een colloïdale structuur, met een bruine tot zwarte kleur, die wordt verkregen als residu bij de destillatie van ruwe olie, bij de vacuümdestillatie van olieresiduen van atmosferische destillatie. Bitumen wordt vaak ook asfalt genoemd en wordt voornamelijk gebruikt voor de wegenbouw en als dakbedekking. Hieronder vallen ook vloeibitumen en cutbackbitumen.

3.4.22.   PARAFFINEWASSEN

Dit zijn verzadigde alifatische koolwaterstoffen. Het zijn residuen die worden gewonnen bij het deparaffineren van smeeroliën. Ze hebben een kristallijne structuur die naargelang van de soort min of meer fijn is. De voornaamste kenmerken zijn: kleurloos, reukloos en doorschijnend, met een smeltpunt boven 45 °C.

3.4.23.   PETROLEUMCOKES

Zwart vast bijproduct dat voornamelijk wordt verkregen door kraken en carboniseren van grondstoffen op basis van aardolie, residuen van vacuümdestillatie, en teer en pek van processen zoals vertraagde en fluïde verkooksing. Petroleumcokes bestaat hoofdzakelijk uit koolstof (90-95 %) en heeft een laag asgehalte. Petroleumcokes wordt gebruikt als grondstof in cokesovens in de staalindustrie, voor verwarming, voor de vervaardiging van elektroden en voor de productie van chemicaliën. De twee belangrijkste soorten zijn “groene cokes” en “gecalcineerde cokes”. Hieronder valt ook “katalysatorcokes”, dat zich tijdens het raffinageproces op de katalysators afzet; dit soort cokes is niet terugwinbaar en wordt gewoonlijk als raffinaderijbrandstof verbrand.

3.4.24.   OVERIGE PRODUCTEN

Alle niet uitdrukkelijk hierboven vermelde producten, bv. teer en zwavel. teer en zwavel. Hieronder vallen aromaten (bv. BTX — benzeen, tolueen en xyleen) en alkenen (bv. propyleen) die in raffinaderijen worden geproduceerd.

3.5.    HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN EN AFVAL

3.5.1.   WATERKRACHT

Potentiële en kinetische energie van water die in waterkrachtcentrales in elektriciteit wordt omgezet. Het productaggregaat “waterkracht” is gelijk aan de som van zuivere waterkrachtcentrales, gemengde waterkrachtcentrales en zuivere pompaccumulatie-installaties.

3.5.1.1.   Zuivere waterkrachtcentrales

Waterkrachtcentrales die alleen natuurlijke watertoevoer gebruiken en geen capaciteit hebben voor pompaccumulatie (water naar een hoger gelegen positie pompen).

3.5.1.2.   Gemengde waterkrachtcentrales

Waterkrachtcentrales met natuurlijke watertoevoer in een bovenste reservoir waar een deel van de apparatuur of alle apparatuur kan worden gebruikt om het water naar een hoger gelegen positie te pompen; de elektriciteit wordt opgewekt met natuurlijke watertoevoer en met water dat eerder naar een hoger gelegen positie is gepompt.

3.5.1.2.1.   Waarvan pompen

Dit is het aandeel van de elektriciteit die in gemengde waterkrachtcentrales wordt opgewekt in pompaccumulatie (uit water dat eerder was omhooggepompt).

3.5.1.3.   Zuivere pompaccumulatie-installaties

Waterkrachtcentrales zonder natuurlijke watertoevoer in een bovenste reservoir; het grootste gedeelte van het water dat de elektriciteit genereert, is eerder naar een hoger gelegen positie gepompt; met uitzondering van regen- en sneeuwval.

3.5.2.   GEOTHERMISCHE ENERGIE

Energie die beschikbaar is als door de aardkorst afgegeven warmte, gewoonlijk in de vorm van heet water of stoom; met uitzondering van omgevingswarmte die wordt opgevangen door warmtepompen die de bodem als warmtebron gebruiken. De productie van geothermische energie is het verschil tussen de enthalpie van de in het boorgat geproduceerde vloeistof en die van de uiteindelijk verwijderde vloeistof.

3.5.3.   ZONNE-ENERGIE

Het productaggregaat “zonne-energie” is gelijk aan de som van fotovoltaïsche zonne-energie en thermische zonne-energie.

3.5.3.1.   Fotovoltaïsche zonne-energie

Zonlicht dat in elektriciteit wordt omgezet met behulp van zonnecellen die bij blootstelling aan zonlicht elektriciteit opwekken. Alle geproduceerde elektriciteit moet worden opgegeven (met inbegrip van kleinschalige productie en off-grid-installaties).

3.5.3.1.1.   Dakinstallatie

Vermeld hier de hoeveelheid energie die wordt opgewekt door fotovoltaïsche zonnepanelen op bouwconstructies die een ander primair doel hebben dan energieproductie. Het omvat ook BIPV (in gebouwen geïntegreerde zonnepanelen), waarbij de zonnepanelen zich niet op het dak bevinden, maar bijvoorbeeld aan het gebouw zijn bevestigd. Zonnepanelen worden niet als dakinstallatie beschouwd als ze op een groot terrein, op de grond, worden geplaatst, en daardoor extra ruimte in beslag nemen (bv. landbouwarealen).

3.5.3.1.2.   Off-grid

Meld hier off-grid zoals gedefinieerd in bijlage A, 3.3.1.

3.5.3.2.   Thermische zonne-energie

Warmte van zonnestraling (zonlicht) die voor nuttige energiedoeleinden wordt benut. Dit omvat bijvoorbeeld thermodynamische zonnecentrales en actieve systemen voor de productie van warm water voor sanitaire doeleinden of voor de ruimteverwarming in gebouwen. Deze energieproductie is de warmte die beschikbaar is voor het warmteoverdrachtmedium, d.w.z. het invallende zonlicht verminderd met de optische verliezen en de verliezen in de collectoren. Zonne-energie die wordt opgevangen door passieve systemen voor verwarming, koeling of verlichting van woningen of andere gebouwen valt hier niet onder; alleen zonne-energie met betrekking tot de actieve systemen moet worden opgenomen.

3.5.4.   GETIJDEN-, GOLF- EN OCEAANENERGIE

Mechanische energie van getijbewegingen, golven of oceaanstromingen, die worden benut om elektriciteit op te wekken.

3.5.5.   WINDENERGIE

Kinetische energie van de wind, die in windturbines wordt benut om elektriciteit op te wekken. Het productaggregaat “windenergie” is gelijk aan de som van onshore windenergie en offshore windenergie.

3.5.5.1.   Onshore windenergie

De productie van elektriciteit door windturbines op onshore locaties (aan land, met inbegrip van meren en andere waterlichamen die in het binnenland zijn gelegen).

3.5.5.2.   Offshore-windenergie

Productie van elektriciteit op offshore-locaties (bv. zee, oceaan en kunstmatige eilanden). Voor de productie van offshore-windenergie buiten de territoriale wateren van het betrokken grondgebied worden alle installaties in de exclusieve economische zone van een land in aanmerking genomen.

3.5.6.   INDUSTRIEEL AFVAL (NIET-HERNIEUWBAAR AANDEEL)

Vermeld afval van industriële, niet-hernieuwbare oorsprong, dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Afval dat wordt verbrand zonder dat energie wordt teruggewonnen, wordt uitgesloten. Het hernieuwbare aandeel van industrieel afval moet worden opgegeven in de categorie vloeibare biobrandstoffen die deze het beste beschrijft.

3.5.7.   HUISHOUDELIJK AFVAL:

Afval van huishoudens, ziekenhuizen en de tertiaire sector (in het algemeen alle afvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijk afval) dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Afval dat wordt verbrand zonder dat energie wordt teruggewonnen, wordt uitgesloten. Het productaggregaat “huishoudelijk afval” is gelijk aan de som van hernieuwbaar huishoudelijk afval en niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval.

3.5.7.1.   Hernieuwbaar huishoudelijk afval

Het aandeel van het huishoudelijk afval dat van biologische oorsprong is.

3.5.7.2.   Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval

Het aandeel van het huishoudelijk afval dat van niet-biologische oorsprong is.

3.5.8.   BIOBRANDSTOFFEN

Het productaggregaat “biobrandstoffen” is gelijk aan de som van vaste biobrandstoffen, biogas en vloeibare biobrandstoffen. Biobrandstoffen die zijn bestemd voor niet-energetisch gebruik, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de energiestatistieken (bijvoorbeeld hout voor de bouwnijverheid of de vervaardiging van meubelen, biosmeermiddelen voor de smering van motoren en biobitumen voor het wegdek).

3.5.8.1.   Vaste biobrandstoffen

Vast organisch, niet-fossiel materiaal van biologische oorsprong (ook wel biomassa genoemd), dat kan worden gebruikt als brandstof om warmte of elektriciteit op te wekken. Het productaggregaat “vaste biobrandstoffen” is gelijk aan de som van houtskool, brandhout, houtafval en bijproducten, zwart residuloog, bagasse, dierlijk afval, ander plantaardig materiaal en afval en het hernieuwbare deel van industrieel afval.

3.5.8.1.1.   Houtskool

Houtskool is een brandstof die wordt vervaardigd uit vaste biobrandstoffen – het vaste residu van de destructieve destillatie en pyrolyse van hout en ander plantaardig materiaal.

3.5.8.1.2.   Brandhout, houtafval en bijproducten

Brandhout (stammen, kreupelhout, houtpellets of spaanders) dat wordt verkregen uit natuurlijke of beheerde bossen of geïsoleerde bomen. Hieronder valt houtafval dat als brandstof wordt gebruikt en waarbij de oorspronkelijke samenstelling van hout is behouden; met inbegrip van houtpellets. Houtskool en zwart residuloog zijn uitgesloten. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.1.2.1.   Houtpellets

Houtpellets zijn cilindrische producten die door middel van compressie zijn samengesteld uit houtresten.

3.5.8.1.3.   Zwart residuloog (“black liquor”)

Energie uit het residuloog dat wordt verkregen uit de gistingstanks tijdens de productie van de sulfaat- of natronpulp die gebruikt wordt bij de vervaardiging van papier. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.1.4.   Bagasse

Brandstof die wordt verkregen uit de vezels die overblijven na de sapextractie bij de verwerking van suikerriet. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.1.5.   Dierlijk afval

Energie uit uitscheidingsproducten van dieren en vlees- en visafval dat droog rechtstreeks als brandstof wordt gebruikt. Afval dat wordt gebruikt in installaties voor anaerobe gisting, valt hier niet onder. Brandstofgassen van deze installaties worden opgenomen onder biogassen. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.1.6.   Ander plantaardig materiaal en afval

Niet elders vermelde biobrandstoffen, met inbegrip van stro, plantaardige vliezen, notendoppen, kreupelhout, perskoeken van olijven en andere afvalstoffen die vrijkomen bij het onderhoud, de teelt en verwerking van planten. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.1.7.   Het hernieuwbare aandeel van industrieel afval

Het vaste, hernieuwbare deel van industrieel afval, dat rechtstreeks wordt verbrand in specifieke installaties voor zinvolle energiedoeleinden (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aandeel van natuurlijke rubber in afval van rubberbanden of het aandeel van natuurlijke vezels in textielafval — uit de respectievelijke afvalcategorieën 07.3 en 07.6, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken). De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt.

3.5.8.2.   Biogas

Gas dat hoofdzakelijk bestaat uit methaan en kooldioxide en dat ontstaat bij de anaerobe afbraak van biomassa of uit thermische processen uit biomassa, met inbegrip van biomassa in afval. De gebruikte hoeveelheid brandstof moet als calorische onderwaarde worden uitgedrukt. Het productaggregaat “biogas” is gelijk aan de som van stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, overig biogas uit anaerobe afbraak en biogassen uit thermische processen.

3.5.8.2.1.   Stortgas

Biogas dat wordt geproduceerd door de afbraak van stortafval.

3.5.8.2.2.   Rioolwaterzuiveringsgas

Biogas dat ontstaat bij de anaerobe gisting van rioolslib.

3.5.8.2.3.   Andere biogassen uit anaerobe afbraak

Biogas dat ontstaat bij de anaerobe gisting van drijfmest en afval van slachthuizen, brouwerijen en andere sectoren van de agrovoedingsindustrie.

3.5.8.2.4.   Biogassen uit thermische processen

Biogas dat wordt geproduceerd bij thermische processen (door vergassing en pyrolyse) van biomassa.

3.5.8.3.   Vloeibare biobrandstoffen

Deze categorie omvat alle vloeibare brandstoffen van natuurlijke oorsprong (bv. geproduceerd uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare fractie van afval) die geschikt zijn om te worden gemengd met vloeibare brandstoffen van fossiele oorsprong of om deze te vervangen. De hoeveelheden van de in deze categorie vermelde vloeibare biobrandstoffen omvatten de hoeveelheden zuivere biobrandstoffen die niet zijn vermengd met fossiele brandstoffen. In het geval van in- en uitvoer van vloeibare biobrandstoffen is alleen de handel in hoeveelheden die niet met transportbrandstoffen zijn gemengd (d.w.z. zuivere biobrandstoffen) relevant; de handel in vloeibare biobrandstoffen die met transportbrandstoffen zijn gemengd, moet in de categorie olieproducten worden opgegeven. Alleen vloeibare biobrandstoffen die voor energiedoeleinden worden gebruikt — door rechtstreekse verbranding of na vermenging met fossiele brandstoffen — moeten worden gerapporteerd. Het productaggregaat “vloeibare biobrandstoffen” is gelijk aan de som van biobenzine, biodiesel, bioreactiemotorkerosine en andere vloeibare biobrandstoffen.

3.5.8.3.1.   Biobenzine

Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met motorbenzine van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.

3.5.8.3.1.1.   Bio-ethanol

Ethanol als onderdeel van biobenzine.

3.5.8.3.2.   Biodiesel

Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met gasolie/dieselolie van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.

3.5.8.3.3.   Bioreactiemotorkerosine

Vloeibare biobrandstoffen die geschikt zijn om te worden gemengd met reactiemotorkerosine van fossiele oorsprong of om deze te vervangen.

3.5.8.3.4.   Andere vloeibare biobrandstoffen

Vloeibare biobrandstoffen die niet zijn opgenomen in een van de vorige categorieën.

3.5.9.   OMGEVINGSWARMTE

Thermische energie die op een bruikbare temperatuur wordt geëxtraheerd (gewonnen) door middel van warmtepompen die elektriciteit of een andere aanvullende energiebron nodig hebben om te functioneren. Deze thermische energie kan worden opgeslagen in de omgevingslucht, onder het solide aardoppervlak of in oppervlaktewater. De waarden worden berekend volgens dezelfde methode die wordt gebruikt voor de rapportage van thermische energie die wordt opgevangen door warmtepompen uit hoofde van Richtlijn 2009/28/EG en Richtlijn (EU) 2018/2001, maar alle warmtepompen moeten worden opgenomen ongeacht de prestaties.

3.6.    WATERSTOF

Waterstof die als grondstof, brandstof of energiedrager/opslag wordt gebruikt, moet worden gerapporteerd. Waterstof moet worden gerapporteerd, ook indien zelfgeproduceerd en zelfverbruikt. Waterstof in mengsels hoeft niet te worden gerapporteerd, tenzij geëxtraheerd (gescheiden) voor energetisch of niet-energetisch gebruik.


BIJLAGE B JAARLIJKSE ENERGIESTATISTIEKEN


BIJLAGE B

JAARLIJKSE ENERGIESTATISTIEKEN

In deze bijlage worden het toepassingsgebied, de eenheden, de verslagperiode, de frequentie, de indieningstermijn en de regelingen voor indiening voor de jaarlijkse verzameling van energiestatistieken beschreven.

Tenzij anders vermeld, gelden voor alle in deze bijlage beschreven gegevensverzameling de volgende bepalingen:

a) 

verslagperiode: De verslagperiode van de ingediende gegevens is een kalenderjaar (van 1 januari tot en met 31 december), te beginnen met het referentiejaar 2022;

b) 

frequentie: De gegevens worden op jaarbasis opgegeven;

c) 

termijn voor de indiening van de gegevens: De gegevens moeten uiterlijk 31 oktober van het jaar volgend op de verslagperiode worden ingediend, tenzij anders vermeld;

d) 

formaat van indiening: De ingediende gegevens moeten in overeenstemming zijn met een door Eurostat gespecificeerde uitwisselingsnorm;

e) 

methode van indiening: De gegevens moeten in elektronische vorm bij het centrale punt voor gegevenstoezending bij Eurostat worden ingediend of geüpload.

Bijlage A verschaft toelichting bij termen die niet in deze bijlage worden verklaard.

1.    VASTE FOSSIELE BRANDSTOFFEN EN FABRIEKSGASSEN

1.1.    Energieproducten

Tenzij anders vermeld, betreft deze gegevensverzameling alle energieproducten die zijn opgenomen in bijlage A, hoofdstuk 3.1. STEENKOOL (vaste fossiele brandstoffen en fabrieksgassen)

1.2.    Lijst van aggregaten

Voor alle in de vorige sectie vermelde energieproducten moeten de volgende aggregaten worden opgegeven, tenzij anders vermeld.

1.2.1. VOORZIENING

1.2.1.1. Productie

1.2.1.1.1. Ondergrondse productie

Alleen van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool en bruinkool.

1.2.1.1.2. Bovengrondse productie

Alleen van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool en bruinkool.

1.2.1.2. Ontvangsten uit andere bronnen

Hieronder vallen twee categorieën:

— 
teruggewonnen slurry, tussenproducten en andere kolenproducten van lage kwaliteit, die niet volgens de soort kolen kunnen worden ingedeeld, met inbegrip van kolen die uit afvalhopen en andere afvalrecipiënten worden teruggewonnen;
— 
ontvangsten uit andere bronnen.

1.2.1.3. Ontvangsten uit andere bronnen: uit aardolieproducten

Niet van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool, bruinkool, turf, olieschalie en oliezand.

1.2.1.4. Ontvangsten uit andere bronnen: uit aardgas

Niet van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool, bruinkool, turf, olieschalie en oliezand.

1.2.1.5. Ontvangsten uit andere bronnen: uit hernieuwbare energiebronnen

Niet van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool, bruinkool, turf, olieschalie en oliezand.

1.2.1.6. Invoer

1.2.1.7. Uitvoer

1.2.1.8. Internationale scheepsbunkers

1.2.1.9. Voorraadwijzigingen

1.2.2. SECTOR OMZETTING

1.2.2.1. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen elektriciteit

1.2.2.2. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — warmtekrachteenheden

1.2.2.3. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen warmte

1.2.2.4. Zelfopwekkers — alleen elektriciteit

1.2.2.5. Zelfopwekkers — warmtekrachteenheden

1.2.2.6. Zelfopwekkers — alleen warmte

1.2.2.7. Steenkoolbrikettencentrales

1.2.2.8. Cokesovens

1.2.2.9. Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

1.2.2.10. Gasfabrieken

1.2.2.11. Hoogovens

1.2.2.12. Kolenliquefactie

1.2.2.13. Voor gemengd aardgas

1.2.2.14. Productie van waterstof

1.2.2.15. Niet elders vermeld — Omzetting

1.2.3. SECTOR ENERGIE

1.2.3.1. Elektriciteits-, warmtekracht- en warmtecentrales

1.2.3.2. Kolenmijnen

1.2.3.3. Steenkoolbrikettencentrales

1.2.3.4. Cokesovens

1.2.3.5. Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

1.2.3.6. Gasfabrieken

1.2.3.7. Hoogovens

1.2.3.8. Aardolieraffinaderijen

1.2.3.9. Kolenliquefactie

1.2.3.10. Productie, liquefactie en hervergassing van waterstof

1.2.3.11. Niet elders vermeld — Energie

1.2.4. VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE EN DISTRIBUTIE

1.2.5. NIET-ENERGETISCH VERBRUIK

1.2.5.1. Sectoren industrie, omzetting en energie

Niet-energetisch gebruik in alle subsectoren van industrie, omzetting en energie

1.2.5.1.1. Chemische en petrochemische sector

NACE-afdelingen 20 en 21; niet-energetisch gebruik, met inbegrip van het gebruik van steenkool als grondstof voor meststoffen en andere petrochemische producten.

1.2.5.2. Vervoerssector

Niet-energetisch gebruik in alle subsectoren van het vervoer.

1.2.5.3. Overige sectoren

Niet-energetisch gebruik in commerciële en openbare diensten, huishoudens, de landbouw en in “Niet elders vermeld — Overige”.

1.2.6. EINDENERGIEVERBRUIK — INDUSTRIE

1.2.6.1. IJzer en staal

1.2.6.2. Chemische en petrochemische industrie

1.2.6.3. Non-ferrometalen

1.2.6.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

1.2.6.5. Hulpmiddel bij het vervoer

1.2.6.6. Machines en toestellen

1.2.6.7. Winning van delfstoffen

1.2.6.8. Voedings- en genotmiddelen

1.2.6.9. Pulp, papier en drukkerijen

1.2.6.10. Hout en houtproducten

1.2.6.11. Bouwnijverheid

1.2.6.12. Textiel en leder

1.2.6.13. Niet elders vermeld – Industrie

1.2.7. EINDENERGIEVERBRUIK — VERVOER

1.2.7.1. Spoor

1.2.7.2. Binnenlandse scheepvaart

1.2.7.3. Niet elders vermeld — Vervoer

1.2.8. EINDENERGIEVERBRUIK — OVERIGE SECTOREN

1.2.8.1. Commerciële en openbare diensten

1.2.8.2. Huishoudens

1.2.8.3. Landbouw

1.2.8.4. Bosbouw

1.2.8.5. Visserij

1.2.8.6. Niet elders vermeld — Overige

1.2.9. INVOER NAAR LAND VAN OORSPRONG EN UITVOER NAAR LAND VAN BESTEMMING

Invoer naar land van oorsprong en uitvoer naar land van bestemming moeten worden opgegeven. Van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool, bruinkool, steenkoolbriketten, cokesovencokes, koolteer, bruinkoolbriketten, turf, turfproducten, olieschalie en oliezand.

1.2.10. CALORISCHE WAARDEN

Van toepassing op antraciet, cokeskool, andere bitumineuze kool, subbitumineuze kool, bruinkool, steenkoolbriketten, cokesovencokes, gascokes, koolteer, bruinkoolbriketten, turf, turfproducten, olieschalie en oliezand.

Voor de volgende aggregaten moeten zowel de calorische boven- als onderwaarde worden opgegeven:

1.2.10.1. 

Productie

1.2.10.2. 

Invoer

1.2.10.3. 

Uitvoer

1.2.10.4. 

Gebruikt in cokesovens

1.2.10.5. 

Gebruikt in hoogovens

1.2.10.6. 

Gebruikt in eenheden voor eenheden voor alleen elektriciteit, eenheden voor alleen warmte en warmtekrachteenheden van producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben

1.2.10.7. 

Gebruikt in de industrie

1.2.10.8. 

Voor ander gebruik

1.3.    Meeteenheden

De gerapporteerde hoeveelheden moeten worden opgegeven in kt (kiloton), behalve voor fabrieksgassen (fabrieksgas, cokesovengas, hoogovengas, andere teruggewonnen gassen) waarvoor de gerapporteerde hoeveelheden moeten worden opgegeven in TJ (terajoule) op basis van de calorische bovenwaarde.

Calorische waarden moeten worden opgegeven in MJ/t (megajoule per ton).

1.4.    Afwijkingen en vrijstellingen

Niet van toepassing.

2.    AARDGAS

2.1.    Energieproducten

Dit hoofdstuk omvat de verslaglegging over aardgas.

2.2.    Lijst van aggregaten

De volgende aggregaten moeten worden opgegeven voor aardgas.

2.2.1. VOORZIENING

De opgegeven hoeveelheden voor de sector voorziening wordt uitgedrukt in zowel volume- als energie-eenheden, met inbegrip van de calorische boven- en onderwaarde.

2.2.1.1. Binnenlandse productie

Deze omvat offshore productie.

2.2.1.1.1. Geassocieerd gas

Aardgas dat samen met ruwe olie wordt geproduceerd.

2.2.1.1.2. Niet-geassocieerd gas

Aardgas afkomstig van velden die alleen gasvormige koolwaterstoffen produceren.

2.2.1.1.3. Mijngas

Methaan uit kolenmijnen of kolenlagen dat via leidingen aan de oppervlakte wordt gebracht en in de mijn wordt verbruikt of via pijpleidingen naar verbruikers wordt gebracht.

2.2.1.2. Ontvangsten uit andere bronnen

2.2.1.2.1. Ontvangsten uit andere bronnen: Aardolie en aardolieproducten

2.2.1.2.2. Ontvangsten uit andere bronnen: Steenkool

2.2.1.2.3. Ontvangsten uit andere bronnen: Hernieuwbare energiebronnen

2.2.1.2.4. Ontvangsten uit andere bronnen: Waterstof

2.2.1.3. Invoer

2.2.1.4. Uitvoer

2.2.1.5. Internationale scheepsbunkers

2.2.1.6. Voorraadwijzigingen

Begin- en eindvoorraden worden afzonderlijk opgegeven als respectievelijk voorraden op het nationale grondgebied en voorraden in het buitenland. “Voorraden”: de hoeveelheid gas die in de loop van een input-outputcyclus beschikbaar is voor levering.

2.2.1.7. Binnenlands verbruik (Waargenomen)

2.2.1.8. Terugwinbaar gas

Hieronder vallen ook terugwinbaar aardgas dat in speciale bergingen (uitgeputte gas- en olievelden, watervoerende lagen, zoutholten, combinaties daarvan enz.) is opgeslagen en in vloeibare vorm opgeslagen aardgas. Kussengas valt hier niet onder. De calorische waarden hoeven hier niet te worden opgegeven.

2.2.1.9. Geloosd gas

Het volume gas dat op de plaats van productie of in gasverwerkingsfabrieken in de lucht wordt geloosd. De calorische waarden hoeven hier niet te worden opgegeven.

2.2.1.10. Afgefakkeld gas

Het volume gas dat op de plaats van productie of in gasverwerkingsfabrieken via fakkels wordt verbrand. De calorische waarden hoeven hier niet te worden opgegeven.

2.2.2. SECTOR OMZETTING

2.2.2.1. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen elektriciteit

2.2.2.2. Zelfopwekkers — alleen elektriciteit

2.2.2.3. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — warmtekrachteenheden

2.2.2.4. Zelfopwekkers — warmtekrachteenheden

2.2.2.5. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen warmte

2.2.2.6. Zelfopwekkers — alleen warmte

2.2.2.7. Gasfabrieken

2.2.2.8. Cokesovens

2.2.2.9. Hoogovens

2.2.2.10. Gas naar vloeistof

2.2.2.11. Productie van waterstof

2.2.2.12. Niet elders vermeld — omzetting

2.2.3. SECTOR ENERGIE

2.2.3.1. Kolenmijnen

2.2.3.2. Olie- en gaswinning

2.2.3.3. Aardolieraffinaderijen

2.2.3.4. Cokesovens

2.2.3.5. Hoogovens

2.2.3.6. Gasfabrieken

2.2.3.7. Elektriciteits-, warmtekracht- en warmtecentrales

2.2.3.8. Liquefactie (LNG) en vergassing

2.2.3.9. Gas naar vloeistof

2.2.3.10. Productie, liquefactie en hervergassing van waterstof

2.2.3.11. Niet elders vermeld — Energie

2.2.4. VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE

2.2.5. DISTRIBUTIEVERLIEZEN

2.2.6. VERVOER

Het eindenergieverbruik en het niet-energetisch eindverbruik worden afzonderlijk opgegeven voor de volgende aggregaten.

2.2.6.1. Wegvervoer

2.2.6.2. Vervoer door pijpleidingen

2.2.6.3. Binnenlandse scheepvaart

2.2.6.4. Niet elders vermeld – vervoer

2.2.7. INDUSTRIE

Het eindenergieverbruik en het niet-energetisch eindverbruik worden afzonderlijk opgegeven voor de volgende aggregaten.

2.2.7.1. IJzer en staal

2.2.7.2. Chemische en petrochemische industrie

2.2.7.3. Non-ferrometalen

2.2.7.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

2.2.7.5. Hulpmiddel bij het vervoer

2.2.7.6. Machines en toestellen

2.2.7.7. Winning van delfstoffen

2.2.7.8. Voedings- en genotmiddelen

2.2.7.9. Pulp, papier en drukkerijen

2.2.7.10. Hout en houtproducten

2.2.7.11. Bouwnijverheid

2.2.7.12. Textiel en leder

2.2.7.13. Niet elders vermeld — industrie

2.2.8. OVERIGE SECTOREN

Het eindenergieverbruik en het niet-energetisch eindverbruik worden afzonderlijk opgegeven voor de volgende aggregaten.

2.2.8.1. Commerciële en openbare diensten

2.2.8.2. Huishoudens

2.2.8.3. Landbouw

2.2.8.4. Bosbouw

2.2.8.5. Visserij

2.2.8.6. Niet elders vermeld — Overige

2.2.9. INVOER NAAR LAND VAN OORSPRONG EN UITVOER NAAR LAND VAN BESTEMMING

Zowel de hoeveelheden aardgas als het aandeel van LNG daarin moeten worden opgegeven, uitgesplitst naar land van oorsprong (voor invoer) en land van bestemming (voor uitvoer).

2.2.10. GASOPSLAGCAPACITEIT

Afzonderlijk op te geven als opslagfaciliteiten voor gas in gasvormige toestand en LNG-terminals (er moet onderscheid worden gemaakt tussen LNG-invoerterminals en LNG-uitvoerterminals).

2.2.10.1. Naam

Naam van de plaats van de opslagfaciliteit of de LNG-terminal.

2.2.10.2. Type (alleen voor opslagfaciliteiten voor gas in gasvormige toestand)

Type opslag, bv. uitgeput gasveld, watervoerende lagen, zoutcaverne enz.

2.2.10.3. Werkvolume

Voor opslagfaciliteiten voor gas in gasvormige toestand: totale gasopslagcapaciteit na aftrek van het kussengas. Het kussengas is het totale volume gas dat permanent aanwezig moet zijn om voldoende druk in het ondergrondse reservoir te handhaven en gedurende de hele outputcyclus een voldoende productie te kunnen leveren.

Voor LNG-terminals: totale gasopslagcapaciteit uitgedrukt als het equivalent van gas in gasvormige toestand.

2.2.10.4. Piekoutput

Maximale gasproductie uit de opslag in kwestie, in %; dit komt overeen met de maximale onttrekkingscapaciteit.

2.2.10.5. Hervergassings- en liquefactiecapaciteit (alleen voor LNG-terminals)

De hervergassingscapaciteit voor de invoerterminals en de liquefactiecapaciteit voor de uitvoerterminals.

2.3.    Meeteenheden

Van hoeveelheden aardgas wordt de energie-inhoud in TJ opgegeven, op basis van de calorische bovenwaarde. Volumes worden opgegeven in 106 m3, onder standaardomstandigheden (15 °C, 101 325  Pa).

Calorische waarden worden opgegeven in kJ/m3 onder standaardomstandigheden (15 °C, 101 325  Pa).

Het werkvolume wordt opgegeven in 106 m3, onder standaardomstandigheden (15 °C, 101 325  Pa).

Piekoutput, hervergassings- en liquefactiecapaciteit opgegeven in 106 m3 per dag, onder standaardomstandigheden (15 °C, 101 325  Pa).

3.    ELEKTRICITEIT EN WARMTE

3.1.    Energieproducten

Dit hoofdstuk betreft warmte en elektriciteit.

3.2.    Lijst van aggregaten

De volgende aggregaten moeten voor warmte en elektriciteit worden opgegeven, tenzij anders vermeld.

3.2.1. PRODUCTIE VAN ELEKTRICITEIT EN WARMTE

Voor de elektriciteits- en warmteaggregaten in deze sectie gelden de volgende definities:

— 
Bruto-elektriciteitsproductie: de som van de elektrische energie die door alle generatoraggregaten in kwestie wordt geproduceerd (inclusief pompaccumulatie), gemeten aan de uitgang van de hoofdgeneratoren.
— 
Brutowarmteproductie: de totale hoeveelheid warmte die door de inrichting wordt geproduceerd, met inbegrip van de warmte van warme vloeistoffen die voor bv. vloerverwarming en verwarmingssystemen met vloeibare brandstof in de inrichting worden gebruikt, verliezen bij de warmte-uitwisseling in de inrichting of het netwerk, en warmte van chemische processen die als primaire energievorm worden gebruikt.
— 
Netto-elektriciteitsproductie: de bruto-elektriciteitsproductie verminderd met het elektriciteitsverbruik van de productie-installaties en met de verliezen in de hoofdtransformatoren.
— 
Nettowarmteproductie: de warmte die aan het distributiesysteem wordt geleverd, zoals vastgesteld op basis van metingen van de uitgaande en retourstromen.

De aggregaten 3.2.1.1 tot en met 3.2.1.11 moeten afzonderlijk worden opgegeven voor producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben en voor zelfopwekkers. Binnen deze twee categorieën installaties moeten zowel de bruto als de netto elektriciteits- en warmteproductie in voorkomend geval worden uitgesplitst voor alleen elektriciteit, voor alleen warmte en voor warmtekrachteenheden. Voor bruto elektriciteitsproductie in warmtekrachteenheden, waarvoor de subcategorie in volledige warmtekrachtkoppeling moet worden vermeld. Voor geproduceerde nettowarmte in warmtekrachteenheden moet een afzonderlijk item over zelfverbruikte warmte worden vermeld.

3.2.1.1. Kernenergie

3.2.1.2. Waterkracht (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.1.3. Geothermische energie

3.2.1.4. Zonne-energie

3.2.1.5. Getijden-, golf- en oceaanenergie (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.1.6. Windenergie (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.1.7. Brandstoffen

Brandstoffen die kunnen ontbranden of branden, d.w.z. met zuurstof reageren en daarbij een aanzienlijke hoeveelheid warmte creëren, en rechtstreeks worden verbrand om elektriciteit en/of warmte op te wekken.

3.2.1.8. Warmtepompen (alleen van toepassing op warmte)

3.2.1.9. Elektrische ketels (alleen van toepassing op warmte)

3.2.1.10. Warmte van chemische processen

Warmte afkomstig van processen zonder input van energie, bv. chemische reacties. Warmte afkomstig van door energie aangedreven processen valt hier niet onder en moet worden opgegeven als uit de desbetreffende brandstof geproduceerde warmte.

3.2.1.11. Andere bronnen

3.2.2. VOORZIENING

Voor 3.2.2.1 en 3.2.2.2 zijn de opgegeven hoeveelheden in overeenstemming met de waarden die zijn opgegeven voor aggregaten 3.2.1.1 tot en met 3.2.1.11.

3.2.2.1. Totale brutoproductie

3.2.2.2 Totale nettoproductie

3.2.2.3. Invoer

Hoeveelheden elektriciteit worden geacht te zijn in- of uitgevoerd wanneer zij de politieke grenzen van een land hebben overschreden, ongeacht of zij al dan niet zijn in- of uitgeklaard. Indien elektriciteit via een land wordt doorgevoerd, moet de hoeveelheid onder zowel invoer als uitvoer worden opgegeven.

3.2.2.4. Uitvoer

Zie uitleg onder 3.2.2.3. “Invoer”.

3.2.2.5. Internationale scheepsbunkers

3.2.2.6. Gebruikt voor warmtepompen (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.2.7. Gebruikt voor elektrische ketels (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.2.8. Gebruikt voor pompaccumulatie — zuivere pompaccumulatie-installaties (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.2.9. Gebruikt voor pompaccumulatie — gemengde waterkrachtcentrales (alleen van toepassing op elektriciteit)

3.2.2.10. Gebruikt voor de productie van elektriciteit (alleen van toepassing op warmte)

3.2.2.11. Gebruikt voor de productie van waterstof (omzetting)

3.2.3. VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE

3.2.4. DISTRIBUTIEVERLIEZEN

3.2.5. EINDENERGIEVERBRUIK – VERVOER

Het eindenergieverbruik en het niet-energetisch eindverbruik worden afzonderlijk opgegeven voor de volgende aggregaten.

3.2.5.1. Spoor

3.2.5.2. Vervoer door pijpleidingen

3.2.5.3. Wegvervoer

3.2.5.4. Binnenlandse scheepvaart

3.2.5.5. Niet elders vermeld – Vervoer

3.2.6. EINDENERGIEVERBRUIK – OVERIGE SECTOREN

3.2.6.1. Commerciële en openbare diensten

3.2.6.2. Huishoudens

3.2.6.3. Landbouw

3.2.6.4. Bosbouw

3.2.6.5. Visserij

3.2.6.6. Niet elders vermeld — Overige

3.2.7. SECTOR ENERGIE

Hieronder vallen niet: eigen gebruik door de centrale voor pompaccumulatie, warmtepompen en elektrische ketels.

3.2.7.1. Kolenmijnen

3.2.7.2. Olie- en gaswinning

3.2.7.3. Steenkoolbrikettencentrales

3.2.7.4. Cokesovens

3.2.7.5. Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

3.2.7.6. Gasfabrieken

3.2.7.7. Hoogovens

3.2.7.8. Aardolieraffinaderijen

3.2.7.9. Nucleaire industrie

3.2.7.10. Kolenliquefactie-installaties

3.2.7.11. Liquefactie- (LNG) en hervergassingsinstallaties

3.2.7.12. Vergassingsinstallaties (biogas)

3.2.7.13. Gas naar vloeistof

3.2.7.14. Productie, liquefactie en hervergassing van waterstof

3.2.7.16. Houtskoolproductie-installaties

3.2.7.17. Niet elders vermeld — Energie

3.2.8. INDUSTRIE

3.2.8.1. IJzer en staal

3.2.8.2. Chemische en petrochemische industrie

3.2.8.3. Non-ferrometalen

3.2.8.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

3.2.8.5. Hulpmiddel bij het vervoer

3.2.8.6. Machines en toestellen

3.2.8.7. Winning van delfstoffen

3.2.8.8. Voedings- en genotmiddelen

3.2.8.9. Pulp, papier en drukkerijen

3.2.8.10. Hout en houtproducten

3.2.8.11. Bouwnijverheid

3.2.8.12. Textiel en leder

3.2.8.13. Niet elders vermeld – Industrie

3.2.9. INVOER EN UITVOER

In- en uitvoer van hoeveelheden elektriciteit en warmte, respectievelijk naar land van oorsprong en bestemming, moeten worden vermeld. Zie uitleg onder 3.2.2.3. “Invoer”.

3.2.10. NETTOPRODUCTIE VAN ZELFOPWEKKERS

Voor de volgende installaties en activiteiten moet de netto-elektriciteitsproductie en de nettowarmteproductie van zelfopwekkers moeten worden opgegeven voor alleen elektriciteit, voor alleen warmte en voor warmtekrachteenheden:

3.2.10.1. 

Energiesector: Kolenmijnen

3.2.10.2. 

Energiesector: Olie- en gaswinning

3.2.10.3. 

Energiesector: Steenkoolbrikettencentrales

3.2.10.4. 

Energiesector: Cokesovens

3.2.10.5. 

Energiesector: Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

3.2.10.6. 

Energiesector: Gasfabrieken

3.2.10.7. 

Energiesector: Hoogovens

3.2.10.8. 

Energiesector: Aardolieraffinaderijen

3.2.10.9. 

Energiesector: Kolenliquefactie-installaties

3.2.10.10. 

Energiesector: Liquefactie- (LNG) en hervergassingsinstallaties

3.2.10.11. 

Energiesector: Vergassingsinstallaties (biogas)

3.2.10.12. 

Energiesector: Gas naar vloeistof

3.2.10.13. 

Energiesector: Houtskoolproductie-installaties

3.2.10.14. 

Energiesector: Productie, liquefactie en vergassing van waterstof

3.2.10.15. 

Energiesector: Niet elders vermeld — Energie

3.2.10.16. 

Industrie: IJzer en staal

3.2.10.17. 

Industrie: Chemische en petrochemische industrie

3.2.10.18. 

Industrie: Non-ferrometalen

3.2.10.19. 

Industrie: Niet-metaalhoudende minerale producten

3.2.10.20. 

Industrie: Hulpmiddel bij het vervoer

3.2.10.21. 

Industrie: Machines en toestellen

3.2.10.22. 

Industrie: Winning van delfstoffen

3.2.10.23. 

Industrie: Voedings- en genotmiddelen

3.2.10.24. 

Industrie: Pulp, papier en drukkerijen

3.2.10.25. 

Industrie: Hout en houtproducten

3.2.10.26. 

Industrie: Bouwnijverheid

3.2.10.27. 

Industrie: Textiel en leder

3.2.10.28. 

Industrie: Niet elders vermeld – Industrie

3.2.10.29. 

Vervoer: Spoor

3.2.10.30. 

Vervoer: Vervoer door pijpleidingen

3.2.10.31. 

Vervoer: Wegvervoer

3.2.10.32. 

Vervoer: Niet elders vermeld – Vervoer

3.2.10.33. 

Overige sectoren: Huishoudens

3.2.10.34. 

Overige sectoren: Commerciële en openbare diensten

3.2.10.35. 

Overige sectoren: Landbouw/bosbouw

3.2.10.36. 

Overige sectoren: Visserij

3.2.10.37. 

Overige sectoren: Niet elders vermeld — Overige

3.2.11. NETTOPRODUCTIE VAN ELEKTRICITEIT PER SECTOR

De totale nettoproductie van elektriciteit en het deel dat zelf wordt verbruikt (zonder opsplitsing tussen producent als hoofdactiviteit en zelfopwekker) moeten afzonderlijk worden opgegeven voor huishoudens, commerciële en openbare diensten, energiesector, industrie en andere sectoren voor elk van de volgende groepen brandstoffen:

3.2.11.1. 

Zon-PV

3.2.11.2. 

Vaste, vloeibare en gasvormige biobrandstoffen

3.2.11.3. 

Andere hernieuwbare energiebronnen

3.2.11.4. 

Aardgas

3.2.11.5. 

Andere (niet-hernieuwbare energiebronnen)

3.2.12. BRUTO-ELEKTRICITEITSPRODUCTIE EN BRUTOWARMTEPRODUCTIE UIT BRANDSTOFFEN

De geproduceerde bruto-elektriciteit, de verkochte warmte en de gebruikte hoeveelheden brandstoffen, met in begrip van de desbetreffende totale energie, die voortkomen uit hieronder vermelde brandstoffen, moeten afzonderlijk worden opgegeven voor producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben en zelfopwekkers. Voor deze twee categorieën installaties moeten de elektriciteits- en warmteproductie worden uitgesplitst voor alleen elektriciteit, voor alleen warmte en voor warmtekrachteenheden.

3.2.12.1. Antraciet

3.2.12.2. Cokeskolen

3.2.12.3. Andere bitumineuze kool

3.2.12.4. Subbitumineuze kool

3.2.12.5. Ligniet

3.2.12.6. Turf

3.2.12.7. Steenkoolbriketten

3.2.12.8. Cokesovencokes

3.2.12.9. Gascokes

3.2.12.10. Koolteer

3.2.12.11. Bruinkoolbriketten

3.2.12.12. Fabrieksgas

3.2.12.13. Cokesovengas

3.2.12.14. Hoogovengas

3.2.12.15. Andere teruggewonnen gassen

3.2.12.16. Turfproducten

3.2.12.17. Olieschalie en oliezand

3.2.12.18. Ruwe olie

3.2.12.19. NGL

3.2.12.20. Raffinaderijgas

3.2.12.21. Lpg

3.2.12.22. Nafta

3.2.12.23. Reactiemotorbrandstof van het kerosinetype

3.2.12.24. Andere kerosine

3.2.12.25. Gasolie/dieselolie

3.2.12.26. Stookolie

3.2.12.27. Bitumen

3.2.12.28. Petroleumcokes

3.2.12.29. Overige aardolieproducten

3.2.12.30. Aardgas

3.2.12.31. Industrieel afval

3.2.12.32. Hernieuwbaar huishoudelijk afval

3.2.12.33. Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval

3.2.12.34. Vaste biobrandstoffen

3.2.12.35. Biogassen

3.2.12.36. Biodiesel

3.2.12.37. Biobenzine

3.2.12.38. Andere vloeibare biobrandstoffen

3.2.12.39. Waterstof

3.2.13. NETTO MAXIMAAL ELEKTRISCH VERMOGEN

Het vermogen moet worden opgegeven op 31 december van het jaar waarover verslag wordt uitgebracht en voor de hieronder vermelde brandstoffen. Dit omvat het elektrisch vermogen van zowel elektriciteits- als warmtekrachteenheden. Het netto maximaal elektrisch vermogen moet worden opgegeven voor producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben en voor zelfopwekkers. Het is de som van de netto maximumvermogens van alle afzonderlijke centrales gedurende een bepaalde periode. Hierbij wordt uitgegaan van een doorlopende exploitatie: in de praktijk 15 uur of meer per dag. Het netto maximaal vermogen is het maximaal vermogen dat doorlopend aan het elektriciteitsnet kan worden geleverd wanneer de volledige installatie in bedrijf is.

3.2.13.1. Kernenergie

3.2.13.2. Zuivere waterkrachtcentrales

3.2.13.3. Gemengde waterkrachtcentrales

3.2.13.4. Zuivere pompaccumulatie-installaties

3.2.13.5. Geothermische energie

3.2.13.6. Fotovoltaïsche zonne-energie

3.2.13.7. Thermische zonne-energie

3.2.13.8. Getijden-, golf- en oceaanenergie

3.2.13.9. Windenergie

3.2.13.10. Brandstoffen

3.2.13.10.1. Type opwekking: Stoom

3.2.13.10.2. Type opwekking: Verbrandingsmotoren

3.2.13.10.3. Type opwekking: Gasturbines

3.2.13.10.4. Type opwekking: Gecombineerde cyclus

3.2.13.10.5. Type opwekking: Andere

3.2.13.11. Waterstof (brandstofcellen)

3.2.13.12. Andere bronnen

3.2.14. NETTO MAXIMAAL ELEKTRISCH VERMOGEN VAN BRANDSTOFFEN

Het netto maximaal elektrisch vermogen van brandstoffen moet worden opgegeven voor producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben en voor zelfopwekkers en moet worden uitgesplitst naar type centrale zoals hieronder vermeld. Onder multibrandstofcentrales worden alleen eenheden verstaan die doorlopend met meer dan één soort brandstof kunnen worden gestookt. Centrales met afzonderlijke eenheden die elk een verschillende soort brandstof gebruiken, moeten worden beschouwd als verschillende typen met één soort brandstof gestookte centrales en aldus worden uitgesplitst. Voor alle categorieën multibrandstofcentrales moet worden aangegeven welke soorten brandstof als voornaamste en als alternatieve brandstof worden gebruikt.

3.2.14.1. Met één soort brandstof gestookte centrales (voor alle categorieën van primaire brandstoffen)

3.2.14.2. Multibrandstofcentrales, vast en vloeibaar

3.2.14.3. Multibrandstofcentrales, vast en aardgas

3.2.14.4. Multibrandstofcentrales, vloeibaar en aardgas

3.2.14.5. Multibrandstofcentrales, vast, vloeibaar en aardgas

3.2.15. NIEUW GEÏNSTALLEERDE EN BUITEN GEBRUIK GESTELDE ELEKTRISCH VERMOGEN

Nieuw geïnstalleerd vermogen is het netto maximale elektrisch vermogen van de productie-eenheden die in het referentiejaar operationeel worden. Buiten gebruik gestelde capaciteit is het netto maximaal elektrisch vermogen dat in het referentiejaar niet mee operationeel is.

Voor alle onder 3.2.13 en 3.2.14 vermelde brandstoffen moet het nieuw geïnstalleerde en buiten gebruik gestelde elektrisch vermogen worden gemeld voor het referentiejaar.

3.2.16. ACCU’S

De opslagcapaciteit of energiecapaciteit van een accu is de totale hoeveelheid energie die de accu kan opslaan. Het nominale vermogen is de maximale ontladingssnelheid die de accu kan bereiken, uitgaande van een volledig opgeladen toestand. De onderstaande informatie moet worden opgegeven voor accu’s die op het netwerk zijn aangesloten en als opslag-/balanceerelement worden gebruikt. Alleen accu’s met een opslagcapaciteit van 1 MWh of meer en alleen uitwisselingen met het netwerk moeten worden vermeld.

3.2.16.1. Opslagcapaciteit van accu’s

3.2.16.2. Nominaal vermogen van accu’s

3.2.16.3. Elektriciteit die in het net wordt geïnjecteerd vanuit accu’s.

3.2.16.4. Elektriciteit die aan het net wordt ontleend om accu’s op te laden.

Elk van de bovenstaande elementen moet worden opgesplitst in de volgende grootteklassen van opslagcapaciteit:

— 
Van 1 MWh tot en met 10 MWh
— 
Van meer dan 10 MWh tot en met 100 MWh
— 
Meer dan 100 MWh.

3.3.    Meeteenheden

Elektriciteit wordt opgegeven in GWh (gigawattuur), warmte in TJ (terajoule) en het vermogen in MW (megawatts). Voor batterijen moet de opslagcapaciteit worden opgegeven in MWh en het nominale vermogen in MW.

Als de rapportage van andere brandstoffen is vereist, worden de toepasselijke eenheden in de desbetreffende hoofdstukken van deze bijlage gedefinieerd.

4.    AARDOLIE EN AARDOLIEPRODUCTEN

4.1.    Energieproducten

Tenzij anders vermeld, betreft deze gegevensverzameling alle energieproducten die zijn opgenomen in bijlage A, hoofdstuk 3.4. AARDOLIE (ruwe olie en aardolieproducten)

4.2.    Lijst van aggregaten

Voor alle in de vorige sectie vermelde energieproducten moeten de volgende aggregaten worden opgegeven, tenzij anders vermeld.

4.2.1.   VOORZIENING VAN RUWE OLIE, NGL, RAFFINAGEGRONDSTOFFEN, ADDITIEVEN EN ANDERE KOOLWATERSTOFFEN

De volgende aggregaten moeten worden opgegeven voor ruwe olie, NGL, raffinagegrondstoffen, additieven/oxygenaten, biobrandstoffen in additieven/oxygenaten en andere koolwaterstoffen:

4.2.1.1. Binnenlandse productie

Niet van toepassing op raffinagegrondstoffen en biobrandstoffen.

4.2.1.2. Ontvangsten uit andere bronnen.

Niet van toepassing op ruwe olie, NGL en raffinagegrondstoffen.

4.2.1.2.1. Ontvangsten uit andere bronnen: uit kolen

4.2.1.2.2. Ontvangsten uit andere bronnen: uit aardgas

4.2.1.2.3. Ontvangsten uit andere bronnen: uit hernieuwbare energiebronnen

4.2.1.2.4. Ontvangsten uit andere bronnen: van waterstof

4.2.1.3. Backflows uit de petrochemische sector

Alleen van toepassing op raffinagegrondstoffen.

4.2.1.4. Overgeboekte producten

Alleen van toepassing op raffinagegrondstoffen.

4.2.1.5. Invoer

Hieronder vallen de hoeveelheden ruwe olie en aardolieproducten die in het kader van verwerkingsovereenkomsten (voor andermans rekening) worden in- of uitgevoerd. Voor ruwe olie en NGL moet het land van eerste oorsprong worden vermeld; voor raffinagegrondstoffen en afgewerkte producten het laatste land van verzending. Hieronder vallen ook vloeibare gassen (bv. lpg) die bij de verdamping van ingevoerd LNG worden gewonnen, en aardolieproducten die rechtstreeks door de petrochemische industrie worden in- of uitgevoerd. Opmerking: alle handel in biobrandstoffen die niet vermengd zijn met vervoersbrandstoffen (d.w.z. in zuivere vorm) moet niet hier worden vermeld. De heruitvoer van ruwe olie voor verwerking in zones onder douanetoezicht moet worden opgegeven als uitvoer van het product van het verwerkende land naar de eindbestemming.

4.2.1.6. Uitvoer

De opmerking over invoer (4.2.1.5) is ook van toepassing op uitvoer.

4.2.1.7. Rechtstreeks gebruik

4.2.1.8. Voorraadwijzigingen

4.2.1.9. Waargenomen inzet van raffinaderijen

De gemeten hoeveelheden die door raffinaderijen zijn ingeslagen.

4.2.1.10. Verliezen bij de raffinage

Het verschil tussen de inzet van raffinaderijen (waargenomen) en de bruto-output van raffinaderijen. Gedurende het destillatieproces kunnen zich verliezen voordoen door verdamping. De vermelde verliezen zijn positief. Toename in volume is mogelijk, toename in massa niet.

4.2.1.11. Totale beginvoorraden op het nationale grondgebied

4.2.1.12. Totale eindvoorraden op het nationale grondgebied

4.2.1.13. Calorische onderwaarde

4.2.1.13.1. Productie (niet van toepassing op raffinagegrondstoffen en biobrandstoffen in additieven/oxygenaten)

4.2.1.13.2. Invoer (niet van toepassing voor biobrandstoffen in additieven/oxygenaten)

4.2.1.13.3. Uitvoer (niet van toepassing voor biobrandstoffen in additieven/oxygenaten)

4.2.1.13.4. Algemeen gemiddelde

4.2.2.   VOORZIENING VAN OLIEPRODUCTEN

De volgende aggregaten zijn alleen van toepassing op afgewerkte producten (raffinaderijgas, ethaan, lpg, nafta, motorbenzine met inbegrip van het aandeel biobenzine erin, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof, reactiemotorbrandstof van het kerosinetype met inbegrip van het bioaandeel erin, andere kerosine, gasolie/dieselolie, laagzwavelige en hoogzwavelige stookolie, white spirit en SBP, smeermiddelen, bitumen, paraffine, petroleumcokes en overige producten). Ruwe olie en NGL die rechtstreeks worden verbrand, moeten worden opgegeven als leveringen van afgewerkte producten en overboekingen tussen producten.

4.2.2.1. Ontvangsten van primaire producten

4.2.2.2. Bruto-output van de raffinaderijen

4.2.2.3. Gerecycleerde producten

4.2.2.4. Raffinaderijbrandstof (aardolieraffinaderijen)

In deze categorie moeten ook de brandstoffen die in raffinaderijen worden gebruikt voor opwekking van elektriciteit en warmte die worden verkocht, worden opgenomen.

4.2.2.4.1. Gebruikt in eenheden/installaties voor alleen elektriciteit

4.2.2.4.2. Gebruikt in warmtekrachteenheden

4.2.2.4.3. Gebruikt in eenheden/installaties voor alleen warmte

4.2.2.5. Invoer

De opmerking voor invoer in punt 4.2.1.5 is ook hier van toepassing.

4.2.2.6. Uitvoer

De opmerking voor invoer in punt 4.2.1.5 is ook hier van toepassing.

4.2.2.7. Internationale scheepsbunkers

4.2.2.8. Overboekingen tussen producten

4.2.2.9. Overgeboekte producten

4.2.2.10. Voorraadwijzigingen

4.2.2.11. Beginvoorraden

4.2.2.12. Eindvoorraden

4.2.2.13. Voorraadwijzigingen bij producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben

Voorraadwijzigingen bij openbare nutsbedrijven die niet elders onder voorraden en voorraadwijzigingen zijn vermeld. Een toename van de voorraad wordt weergegeven met een negatief getal, een afname van de voorraad met een positief getal.

4.2.2.14. Gemiddelde netto calorische waarden

4.2.3.   LEVERINGEN AAN DE PETROCHEMISCHE SECTOR

De waargenomen leveringen van afgewerkte aardolieproducten uit primaire bronnen (bv. raffinaderijen, mengbedrijven enz.) op de binnenlandse markt.

4.2.3.1. Brutoleveringen aan de petrochemische sector

4.2.3.2. Energetisch gebruik in de petrochemische sector

De hoeveelheden olie die worden gebruikt als brandstof voor petrochemische processen, bv. stoomkraken.

4.2.3.3. Niet-energetisch gebruik in de petrochemische sector

De hoeveelheden olie die in de petrochemische industrie worden gebruikt voor de productie van ethyleen, propyleen, butyleen, synthesegas, aromaten, butadieen en andere grondstoffen op basis van koolwaterstoffen in processen zoals stoomkraken, de vervaardiging van aromaten en stoomreforming. Hieronder vallen niet de hoeveelheden aardolie die als brandstof worden gebruikt.

4.2.3.4. Backflows uit de petrochemische sector naar raffinaderijen

4.2.4.   SECTOR OMZETTING

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.4.1. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen elektriciteit

4.2.4.2. Zelfopwekkers — alleen elektriciteit

4.2.4.3. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — warmtekrachteenheden

4.2.4.4. Zelfopwekkers — warmtekrachteenheden

4.2.4.5. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen warmte

4.2.4.6. Zelfopwekkers — alleen warmte

4.2.4.7. Gasfabrieken/vergassingsinstallaties

4.2.4.8. Gemengd aardgas

4.2.4.9. Cokesovens

4.2.4.10. Hoogovens

4.2.4.11. Petrochemische industrie

4.2.4.12. Steenkoolbrikettencentrales

4.2.4.13. Productie van waterstof

4.2.4.14. Niet elders vermeld — Omzetting

4.2.5.   SECTOR ENERGIE

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.5.1. Kolenmijnen

4.2.5.2. Olie- en gaswinning

4.2.5.3. Cokesovens

4.2.5.4. Hoogovens

4.2.5.5. Gasfabrieken

4.2.5.6. Eigen gebruik van elektriciteits-, warmtekracht- en warmtecentrales

4.2.5.7. Productie, liquefactie en vergassing van waterstof

4.2.5.8. Niet elders vermeld — energie

4.2.6.   VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE EN DISTRIBUTIE

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.7.   EINDENERGIEVERBRUIK — INDUSTRIE

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.7.1. IJzer en staal

4.2.7.2. Chemische en petrochemische industrie

4.2.7.3. Non-ferrometalen

4.2.7.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

4.2.7.5. Hulpmiddel bij het vervoer

4.2.7.6. Machines en toestellen

4.2.7.7. Winning van delfstoffen

4.2.7.8. Voedings- en genotmiddelen

4.2.7.9. Pulp, papier en drukkerijen

4.2.7.10. Hout en houtproducten

4.2.7.11. Bouwnijverheid

4.2.7.12. Textiel en leder

4.2.7.13. Niet elders vermeld – Industrie

4.2.8.   EINDENERGIEVERBRUIK – VERVOER

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.8.1. Internationale luchtvaart

4.2.8.2. Binnenlandse luchtvaart

4.2.8.3. Wegvervoer

4.2.8.4. Spoor

4.2.8.5. Binnenlandse scheepvaart

4.2.8.6. Vervoer door pijpleidingen

4.2.8.7. Niet elders vermeld – Vervoer

4.2.9.   EINDENERGIEVERBRUIK – OVERIGE SECTOREN

Zowel de hoeveelheden voor energetisch gebruik als die voor niet-energetisch gebruik moeten worden opgegeven.

4.2.9.1. Commerciële en openbare diensten

4.2.9.2. Huishoudens

4.2.9.3. Landbouw

4.2.9.4. Bosbouw

4.2.9.5. Visserij

4.2.9.6. Niet elders vermeld — Overige

4.2.10.   INVOER NAAR LAND VAN OORSPRONG EN UITVOER NAAR LAND VAN BESTEMMING

Invoer moet worden opgegeven naar land van oorsprong, en uitvoer naar land van bestemming. De opmerking voor invoer in punt 4.2.1.5 is ook hier van toepassing.

4.2.11.   RAFFINAGECAPACITEIT

Vermeld de nationale totale raffinagecapaciteit en de uitsplitsing van de jaarlijkse productiecapaciteit per raffinaderij in duizend metrieke ton per jaar. De volgende gegevens moeten worden vermeld:

4.2.11.1. Naam/locatie

4.2.11.2. Atmosferische distillatie

4.2.11.3. Vacuümdistillatie

4.2.11.4. Kraken (thermisch)

4.2.11.4.1. Waarvan visbreaking

4.2.11.4.2. Waarvan vercooksen

4.2.11.5. Kraken (katalytisch)

4.2.11.5.1. Waarvan gefluïdiseerd katalytisch kraken

4.2.11.5.2. Waarvan hydrokraken

4.2.11.6. Reforming

4.2.11.7. Ontzwaveling

4.2.11.8. Alkylering, polymerisatie, isomerisatie

4.2.11.9. Ethervorming

4.3.    Meeteenheden

De gerapporteerde hoeveelheden moeten worden opgegeven in kt (kiloton). Calorische waarden moeten worden opgegeven in MJ/t (megajoule per ton).

4.4.    Vrijstellingen

Cyprus is vrijgesteld van de rapportage over de aggregaten in punt 4.2.9 (Eindenergieverbruik — Overige sectoren); alleen de totale waarden moeten worden vermeld. Cyprus is ook vrijgesteld van de rapportage over het niet-energetisch gebruik in de punten 4.2.4 (Sector omzetting), 4.2.5 (Sector energie), 4.2.7 (Industrie), 4.2.7.2 (Industrie — Chemische en petrochemische industrie), 4.2.8 (Vervoer) en 4.2.9 (Overige sectoren).

5.   HERNIEUWBARE ENERGIE EN ENERGIE UIT AFVAL

5.1.    Energieproducten

Tenzij anders vermeld, betreft deze gegevensverzameling alle energieproducten die zijn opgenomen in bijlage A, hoofdstuk 3.5. HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN EN AFVAL. Alleen hoeveelheden brandstoffen die worden gebruikt voor energiedoeleinden (bv. bij opwekking van elektriciteit en warmte, verbranding met energieterugwinning, in mobiele motoren in het vervoer en voor gebruik in stationaire motoren) moeten worden opgegeven. De hoeveelheden hernieuwbare energieproducten die worden gebruikt ter vervanging van fossiele brandstoffen voor niet-energetische doeleinden, moeten worden vermeld in punt 5.2.9, maar mogen niet worden opgenomen in de rest van de afdelingen van dit hoofdstuk. Hernieuwbare producten die niet zijn ontwikkeld ter vervanging van fossiele brandstoffen, moeten worden uitgesloten van de rapportage in punt 5.2.9, zoals vaste biobrandstoffen die worden gebruikt voor meubels, de bouw en de productie van papier/karton, alcoholen die in de voedingsindustrie worden gebruikt en katoen/natuurlijke vezels die in de textielindustrie worden gebruikt. Ook passieve thermische energie wordt niet opgegeven in hoofdstuk 5 (bijvoorbeeld: verwarming van gebouwen door middel van passieve thermische zonne-energie).

5.2.    Lijst van aggregaten

Voor alle in de vorige sectie vermelde energieproducten moeten de volgende aggregaten worden opgegeven, tenzij anders vermeld. Omgevingswarmte (warmtepompen) behoeft slechts te worden gerapporteerd voor de volgende sectoren: Omzetting (alleen in het geval van aggregaten met betrekking tot de verkochte warmte), Energie (alleen totaal, geen subcategorieën), Totaal industrie (alleen totaal, geen subcategorieën), Commerciële en openbare diensten, Huishoudens en Niet elders vermeld — Overige. Voor omgevingswarmte (warmtepompen) worden de subcategorieën Aerothermisch, Geothermisch en Hydrothermisch onder de binnenlandse productie opgegeven. Voor elk van deze drie categorieën moet de subcategorie van warmtepompen met SPF boven de drempelwaarde worden opgegeven. De SPF-drempelwaarde (seizoensgebonden rendement) moet in overeenstemming zijn met Richtlijn 2009/28/EG en Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

5.2.1.   BRUTO-ELEKTRICITEITSPRODUCTIE EN BRUTOWARMTEPRODUCTIE

De definities van punt 3.2.1 zijn van toepassing. De aggregaten 5.2.1.1 tot en met 5.2.1.18 moeten afzonderlijk worden opgegeven voor producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben en zelfopwekkers. Voor deze twee categorieën centrales moeten de bruto-elektriciteitsproductie en brutowarmteproductie in voorkomend geval worden uitgesplitst voor alleen elektriciteit, voor alleen warmte en voor warmtekrachteenheden.

5.2.1.1. Zuivere waterkrachtcentrales (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.2. Gemengde waterkrachtcentrales (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.2.1. Waarvan pompen (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.3. Zuivere pompaccumulatie-installaties (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.4. Geothermische energie

5.2.1.5. Fotovoltaïsche zonne-energie (alleen van toepassing op elektriciteit)

De volgende subcategorieën moeten worden vermeld voor fotovoltaïsche zonne-energie:

5.2.1.5.1. Minder dan 30 kW

5.2.1.5.2. Van 30 tot 1 000  kW

5.2.1.5.3. Meer dan 1 000  kW

Voor 5.2.1.5.1 tot en met 5.2.1.5.3 moeten de subcategorieën dakinstallatie en off-grid worden vermeld. De categorie off-grid is alleen verplicht als deze 1 % of meer van de fotovoltaïsche capaciteit in de respectieve grootteklasse uitmaakt.

5.2.1.6. Thermische zonne-energie

5.2.1.7. Getijden-, golf- en oceaanenergie (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.8. Windenergie (alleen van toepassing op elektriciteit)

5.2.1.9. Onshore windenergie

5.2.1.10. Offshore-windenergie

5.2.1.11. Hernieuwbaar huishoudelijk afval

5.2.1.12. Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval

5.2.1.13. Vaste biobrandstoffen

5.2.1.14. Biogassen

5.2.1.15. Biodiesel

5.2.1.16. Biobenzine

5.2.1.17. Andere vloeibare biobrandstoffen

5.2.1.18. Warmtepompen (alleen van toepassing op warmte)

5.2.2.   VOORZIENING

5.2.2.1. Productie

5.2.2.2. Invoer

5.2.2.3. Uitvoer

5.2.2.4. Internationale scheepsbunkers

5.2.2.5. Voorraadwijzigingen

5.2.3.   SECTOR OMZETTING

5.2.3.1. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen elektriciteit

5.2.3.2. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — warmtekrachteenheden

5.2.3.3. Producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben — alleen warmte

5.2.3.4. Zelfopwekkers — alleen elektriciteit

5.2.3.5. Zelfopwekkers — warmtekrachteenheden

5.2.3.6. Zelfopwekkers — alleen warmte

5.2.3.7. Steenkoolbrikettencentrales

5.2.3.8. Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

5.2.3.9. Hoogovens

5.2.3.10. Gemengd in het gasnet (bv. Aardgasmengbedrijven)

5.2.3.11. Gemengd met vloeibare fossiele brandstoffen (bv. motorbenzine/diesel/kerosine)

5.2.3.12. Houtskoolproductie-installaties

5.2.4.13. Productie van waterstof

5.2.3.14. Niet elders vermeld — Omzetting

5.2.4.   SECTOR ENERGIE

5.2.4.1. Vergassingsinstallaties (biogas)

5.2.4.2. Elektriciteits-, warmtekracht- en warmtecentrales

5.2.4.3. Kolenmijnen

5.2.4.4. Steenkoolbrikettencentrales

5.2.4.5. Cokesovens

5.2.4.6. Aardolieraffinaderijen

5.2.4.7. Bruinkoolbriketten- en turfbrikettencentrales

5.2.4.8. Gasfabrieken

5.2.4.9. Hoogovens

5.2.4.10. Houtskoolproductie-installaties

5.2.4.11. Productie, liquefactie en hervergassing van waterstof

5.2.4.12. Niet elders vermeld — Energie

5.2.5.   VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE EN DISTRIBUTIE

5.2.6.   EINDENERGIEVERBRUIK – INDUSTRIE

5.2.6.1. IJzer en staal

5.2.6.2. Chemische en petrochemische industrie

5.2.6.3. Non-ferrometalen

5.2.6.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

5.2.6.5. Hulpmiddel bij het vervoer

5.2.6.6. Machines en toestellen

5.2.6.7. Winning van delfstoffen

5.2.6.8. Voedings- en genotmiddelen

5.2.6.9. Pulp, papier en drukkerijen

5.2.6.10. Hout en houtproducten

5.2.6.11. Bouwnijverheid

5.2.6.12. Textiel en leder

5.2.6.13. Niet elders vermeld – Industrie

5.2.7.   EINDENERGIEVERBRUIK – VERVOER

5.2.7.1. Spoor

5.2.7.2. Wegvervoer

5.2.7.3. Binnenlandse scheepvaart

5.2.7.4. Binnenlandse luchtvaart

5.2.7.5. Internationale luchtvaart

5.2.7.6. Niet elders vermeld – Vervoer

5.2.8.   EINDENERGIEVERBRUIK – OVERIGE SECTOREN

5.2.8.1. Commerciële en openbare diensten

5.2.8.2. Huishoudens

5.2.8.3. Landbouw

5.2.8.4. Bosbouw

5.2.8.5. Visserij

5.2.8.6. Niet elders vermeld — Overige

5.2.9.   EINDVERBRUIK — NIET-ENERGETISCH GEBRUIK

Voor de volgende eenheden:

5.2.9.1. 

Vervoerssector

5.2.9.2. 

Industriesector

5.2.9.3. 

Overige sectoren

Het eindverbruik — niet-energetisch gebruik moet worden opgegeven voor de volgende groepen brandstoffen:

5.2.9.4. 

Vaste biobrandstoffen

5.2.9.5. 

Vloeibare biobrandstoffen

5.2.9.6. 

Biogassen

Het eerste referentiejaar waarin de elementen in sectie 5.2.9 worden vermeld, is 2024. Tot het referentiejaar 2027 kan alleen het totale eindverbruik — niet-energetisch verbruik — in plaats van de rubrieken 5.2.9.1 tot en met 5.2.9.3 afzonderlijk worden opgegeven. De in 5.2.9 gerapporteerde hoeveelheden mogen niet worden meegerekend in de periode 5.2.2-5.2.8.

5.2.10.   NETTO MAXIMAAL ELEKTRISCH VERMOGEN

Vermogen moet worden opgegeven op 31 december van het jaar waarover verslag wordt uitgebracht. Dit omvat het elektrisch vermogen van zowel elektriciteits- als warmtekrachteenheden. Het netto maximaal elektrisch vermogen is de som van de netto maximumvermogens van alle afzonderlijke centrales gedurende een specifieke periode. Hierbij wordt uitgegaan van een doorlopende exploitatie: in de praktijk 15 uur of meer per dag. Het netto maximaal vermogen is het maximaal vermogen dat doorlopend aan het elektriciteitsnet kan worden geleverd wanneer de volledige installatie in bedrijf is.

5.2.10.1. Zuivere waterkrachtcentrales

5.2.10.2. Gemengde waterkrachtcentrales

5.2.10.3. Zuivere pompaccumulatie-installaties

5.2.10.4. Geothermische energie

5.2.10.5. Fotovoltaïsche zonne-energie

De volgende subcategorieën moeten worden vermeld voor fotovoltaïsche zonne-energie:

5.2.10.5.1. 

Minder dan 30 kW

5.2.10.5.2. 

Van 30 tot en met 1 000  kW

5.2.10.5.3. 

Meer dan 1 000  kW

Voor 5.2.10.5.1 tot en met 5.2.10.5.3 moeten de subcategorieën dakinstallatie en off-grid worden vermeld. De categorie off-grid is alleen verplicht als deze 1 % of meer van de capaciteit in de respectieve grootteklasse uitmaakt.

5.2.10.6. Thermische zonne-energie

5.2.10.7. Getijden-, golf- en oceaanenergie

5.2.10.8. Onshore windenergie

5.2.10.9. Offshore-windenergie

5.2.10.10. Industrieel afval

5.2.10.11. Stedelijk afval

5.2.10.12. Vaste biobrandstoffen

5.2.10.13. Biogassen

5.2.10.14. Biodiesel

5.2.10.15. Biobenzine

5.2.10.16. Andere vloeibare biobrandstoffen

5.2.11.   TECHNISCHE KENMERKEN

5.2.11.1. Oppervlakte van zonnecollectoren

De totale oppervlakte van de geïnstalleerde zonnecollectoren moet worden opgegeven. De oppervlakte van zonnecollectoren heeft alleen betrekking op zonnecollectoren die worden gebruikt voor de productie van thermische zonne-energie; de oppervlakte van zonnecollectoren die wordt gebruikt voor elektriciteitsopwekking moet hier niet worden opgegeven (fotovoltaïsche en geconcentreerde zonne-energie). De oppervlakte van alle zonnecollectoren moet worden meegeteld: collectors met en zonder glasplaat, vlakkeplaatcollectors en vacuümbuizen met een vloeistof of lucht als energiedragers.

5.2.11.2. Productiecapaciteit voor biobenzine

5.2.11.3. Productiecapaciteit voor biodiesel

5.2.11.4. Productiecapaciteit voor bioreactiemotorkerosine

5.2.11.5. Productiecapaciteit voor andere vloeibare biobrandstoffen

5.2.11.6. Gemiddelde netto calorische waarde voor biobenzine

5.2.11.7. Gemiddelde netto calorische waarde voor bio-ethanol

5.2.11.8. Gemiddelde netto calorische waarde voor biodiesel

5.2.11.9. Gemiddelde netto calorische waarde voor bioreactiemotorkerosine

5.2.11.10. Gemiddelde netto calorische waarde voor andere vloeibare biobrandstoffen

5.2.11.11. Gemiddelde netto calorische waarde voor houtskool

5.2.11.12. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch

5.2.11.12.1. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Lucht – Lucht

5.2.11.12.2. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Lucht – Water

5.2.11.12.3. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Lucht – Lucht (omkeerbaar)

5.2.11.12.4. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Lucht – Water (omkeerbaar)

5.2.11.12.5. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Uitlaat Lucht – Lucht

5.2.11.12.6. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aerothermisch Uitlaat Lucht – Water

5.2.11.13. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aardwarmte

5.2.11.13.1. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aardwarmte Grond-Lucht

5.2.11.13.2. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Aardwarmte Grond-Water

5.2.11.14. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Hydrothermische warmte

5.2.11.14.1. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Hydrothermische warmte Water-Lucht

5.2.11.14.2. Warmtecapaciteit van warmtepompen: Hydrothermische warmte Water-Water

Voor alle eenheden van 5.2.11.12 tot en met 5.2.11.14.2 moet de subcategorie van warmtepompen met SPF boven de drempelwaarde worden opgegeven. De SPF-drempelwaarde (seizoensgebonden rendement) moet in overeenstemming zijn met Richtlijn 2009/28/EG en Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

5.2.12.   PRODUCTIE VAN VASTE BIOBRANDSTOFFEN EN BIOGASSEN

De totale productie van vaste brandstoffen (met uitzondering van houtskool) wordt uitgesplitst in de volgende brandstoffen:

5.2.12.1. Brandhout, houtafval en bijproducten

5.2.12.1.1. Houtpellets als deel van brandhout, houtafval en bijproducten

5.2.12.2. Zwart residuloog (“black liquor”)

5.2.12.3. Bagasse

5.2.12.4. Dierlijk afval

5.2.12.5. Ander plantaardig materiaal en afval

5.2.12.6. Het hernieuwbare deel van industrieel afval

De totale productie van biogas wordt uitgesplitst in de volgende productiemethoden:

5.2.12.7. Biogassen uit anaerobe gisting: stortgas

5.2.12.8. Biogassen uit anaerobe gisting: rioolwaterzuiveringsgas

5.2.12.9. Biogassen uit anaerobe gisting: andere biogassen uit anaerobe gisting

5.2.12.10. Biogassen uit thermische processen

5.2.13.   INVOER NAAR LAND VAN OORSPRONG EN UITVOER NAAR LAND VAN BESTEMMING

Invoer moet worden vermeld naar land van oorsprong en uitvoer naar land van bestemming. Van toepassing op biobenzine, bio-ethanol, bioreactiemotorkerosine, biodiesel, andere vloeibare biobrandstoffen en houtpellets.

5.3.    Meeteenheden

Elektriciteit wordt opgegeven in GWh (gigawattuur), warmte in TJ (terajoule) en het elektrisch vermogen in MW (megawatt).

De gerapporteerde hoeveelheden moeten worden opgegeven in TJ (terajoule) op basis van de calorische onderwaarde, behalve voor houtskool, biobenzine, bio-ethanol, bioreactiemotorkerosine, biodiesel en andere vloeibare biobrandstoffen die moeten worden opgegeven in kt (kiloton).

Calorische waarden moeten worden opgegeven in MJ/t (megajoule per ton).

De oppervlakte van zonnecollectoren wordt opgegeven in 1 000  m2.

De productiecapaciteit wordt opgegeven in kt (kiloton) per jaar.

6.    JAARSTATISTIEKEN OVER KERNENERGIE

De volgende gegevens over de civiele toepassingen van kernenergie moeten worden opgegeven:

6.1.    Lijst van aggregaten

6.1.1.   VERRIJKINGSCAPACITEIT

De jaarlijkse capaciteit voor scheidingsarbeid van operationele verrijkingsfabrieken (isotopenscheiding van uranium).

6.1.2.   PRODUCTIECAPACITEIT VAN NIEUWE SPLIJTSTOFELEMENTEN

De jaarlijkse productiecapaciteit van kernsplijtstoffabrieken. MOX-splijtstoffabrieken vallen hier niet onder.

6.1.3.   PRODUCTIECAPACITEIT VAN MOX-SPLIJTSTOFFABRIEKEN

De jaarlijkse productiecapaciteit van MOX-splijtstoffabrieken.

MOX is een splijtstof die een mengsel van plutonium en uranium bevat (mixed oxide).

6.1.4.   PRODUCTIE VAN NIEUWE SPLIJTSTOFELEMENTEN

Productie van afgewerkte nieuwe splijtstofelementen in kernsplijtstoffabrieken. Staven of andere deelproducten vallen hier niet onder. Fabrieken die MOX-splijtstof vervaardigen, vallen hier evenmin onder.

6.1.5.   PRODUCTIE VAN MOX-SPLIJTSTOFELEMENTEN

Productie van afgewerkte nieuwe splijtstofelementen in MOX-splijtstoffabrieken. Staven of andere deelproducten vallen hier niet onder.

6.1.6.   PRODUCTIE VAN NUCLEAIRE WARMTE

De totale hoeveelheid warmte die door kernreactoren wordt opgewekt voor elektriciteitsproductie of andere nuttige toepassingen van warmte.

6.1.7.   GEMIDDELDE JAARLIJKSE OPBRAND VAN DEFINITIEF ONTLADEN BESTRAALDE SPLIJTSTOFELEMENTEN

Berekend gemiddelde van de opbrand van splijtstofelementen die in het betrokken referentiejaar definitief ontladen zijn van de kernreactoren. Splijtstofelementen die tijdelijk ontladen zijn en waarschijnlijk later zullen worden herladen, vallen hier niet onder.

6.1.8.   PRODUCTIE VAN URANIUM EN PLUTONIUM IN OPWERKINGSFABRIEKEN

Uranium en plutonium die in het referentiejaar in opwerkingsfabrieken zijn geproduceerd.

6.1.9.   CAPACITEIT (URANIUM EN PLUTONIUM) VAN OPWERKINGSFABRIEKEN

Jaarlijkse opwerkingscapaciteit voor uranium en plutonium.

6.2.    Meeteenheden

ton scheidingsarbeid voor 6.1.1.
tHM (ton zwaar metaal) voor 6.1.4, 6.1.5, 6.1.8.
tHM (ton zwaar metaal) per jaar voor 6.1.2, 6.1.3, 6.1.9.
TJ (terajoule) voor 6.1.6.
GWd/tHM (gigawattdag per ton zwaar metaal) voor 6.1.7.

7.    WATERSTOF

De volgende gegevens over waterstof worden voor het eerst opgegeven voor het referentiejaar 2024:

7.1.    Lijst van aggregaten

7.1.1.   VOORZIENING

7.1.1.1. Binnenlandse productie

7.1.1.1.1. Uit aardgas

7.1.1.1.2. Uit ruwe olie en aardolieproducten

7.1.1.1.3. Uit vaste brandstoffen

7.1.1.1.4. Uit hernieuwbare energiebronnen (met inbegrip van hernieuwbaar afval)

7.1.1.1.5. Uit niet-hernieuwbaar afval

7.1.1.1.6. Uit elektrolyse

7.1.1.1.6.1. Waarvan: elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen - rechtstreekse transmissieleiding

7.1.1.1.6.2. Waarvan: elektriciteit uit kernenergie - rechtstreekse transmissieleiding

7.1.1.1.6.3. Waarvan: elektriciteit uit fossiele brandstoffen - rechtstreekse transmissieleiding

7.1.1.1.7. Uit elektriciteit - overige

7.1.1.1.8. Uit andere bronnen (overige)

7.1.1.2. Invoer

7.1.1.3. Uitvoer

7.1.1.4. Voorraadwijzigingen

7.1.1.5. Internationale scheepsbunkers

7.1.1.6. Internationale luchtvaart

7.1.2.   SECTOR OMZETTING

7.1.2.1. Elektriciteit van producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben

7.1.2.2. Elektriciteit van zelfopwekkers

7.1.2.3. Warmtekracht van producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben

7.1.2.4. Warmtekracht van zelfopwekkers

7.1.2.5. Warmte van producenten die opwekking als hoofdactiviteit hebben

7.1.2.6. Warmte van zelfopwekkers

7.1.2.7. Gasfabrieken (en andere omzetting naar gas)

7.1.2.8. Aardolieraffinaderijen

7.1.2.9. Aardgasmengbedrijven

7.1.2.10. Voor menging met motorbenzine/diesel/kerosine

7.1.2.11. Voor menging met hernieuwbare energiebronnen

7.1.2.12. Waterstof gemengd met hernieuwbare brandstoffen

7.1.2.13. Niet elders vermeld (Omzetting)

7.1.3.   SECTOR ENERGIE

7.1.3.1. Kolenmijnen

7.1.3.2. Olie- en gaswinning

7.1.3.3. Aardolieraffinaderijen

7.1.3.4. Cokesovencokes (Energie)

7.1.3.5. Hoogovengas (Energie)

7.1.3.6. Fabrieksgas (Energie)

7.1.3.7. Elektriciteit, warmtekracht en warmte

7.1.3.8. Productie, liquefactie en hervergassing van waterstof

7.1.3.10. Niet elders vermeld (Energie)

7.1.4.   VERLIEZEN BIJ TRANSMISSIE EN DISTRIBUTIE

7.1.5.   EINDENERGIEVERBRUIK — INDUSTRIE

7.1.5.1. IJzer en staal

7.1.5.2. Chemische en petrochemische industrie

7.1.5.3. Non-ferrometalen

7.1.5.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

7.1.5.5. Hulpmiddel bij het vervoer

7.1.5.6. Machines en toestellen

7.1.5.7. Winning van delfstoffen

7.1.5.8. Voedings- en genotmiddelen

7.1.5.9. Pulp, papier en drukkerijwezen

7.1.5.10. Hout en houtproducten

7.1.5.11. Bouwnijverheid

7.1.5.12. Textiel en leder

7.1.5.13. Niet elders vermeld (Industrie)

7.1.5.14. Overige sectoren

7.1.6.   EINDENERGIEVERBRUIK — INDUSTRIE

7.1.6.1. IJzer en staal

7.1.6.2. Chemische en petrochemische industrie

7.1.6.3. Non-ferrometalen

7.1.6.4. Niet-metaalhoudende minerale producten

7.1.6.5. Hulpmiddel bij het vervoer

7.1.6.6. Machines en toestellen

7.1.6.7. Winning van delfstoffen

7.1.6.8. Voedings- en genotmiddelen

7.1.6.9. Pulp, papier en drukkerijwezen

7.1.6.10. Hout en houtproducten

7.1.6.11. Bouwnijverheid

7.1.6.12. Textiel en leder

7.1.6.13. Niet elders vermeld (Industrie)

7.1.7.   EINDENERGIEVERBRUIK — VERVOER

7.1.7.1. Binnenlandse luchtvaart

7.1.7.2. Wegvervoer

7.1.7.3. Spoor

7.1.7.4. Binnenlandse scheepvaart

7.1.7.5. Vervoer door pijpleidingen

7.1.7.6. Niet elders vermeld (Vervoer)

7.1.8.   EINDENERGIEVERBRUIK — OVERIGE SECTOREN

7.1.8.1. Commerciële en openbare diensten

7.1.8.2. Huishoudens

7.1.8.3. Landbouw

7.1.8.4. Bosbouw

7.1.8.5. Visserij

7.1.8.6. Niet elders vermeld (Overige)

7.2.    Productiecapaciteit

De productiecapaciteit voor waterstof op 31 december van het referentiejaar moet worden opgegeven met dezelfde mate van gedetailleerdheid als voor de productie (punten 7.1.1.1 tot en met 7.1.1.1.8)

7.3.    Meeteenheden

De hoeveelheden moeten worden opgegeven in TJ (GCV) en de productiecapaciteit in TJ (GCV) per jaar.

8.    GEDETAILLEERDE STATISTIEKEN OVER HET EINDENERGIEVERBRUIK

De volgende uitgesplitste gegevens over eindenergieverbruik moeten worden opgegeven.

8.1.    Lijst van aggregaten

8.1.1.   INDUSTRIESECTOR

Te vermelden op basis van de definities van punt 2.6.1 van bijlage A.

8.1.1.1. Winning van delfstoffen

8.1.1.1.1. Winning van metaalertsen

8.1.1.1.2. Overige winning van delfstoffen

8.1.1.1.3. Ondersteunende activiteiten in verband met de mijnbouw

8.1.1.2. Voedings- en genotmiddelen

8.1.1.2.1. Vervaardiging van voedingsmiddelen

8.1.1.2.2. Vervaardiging van dranken

8.1.1.2.3. Vervaardiging van tabaksproducten

8.1.1.3. Textiel en leder

8.1.1.4. Hout en houtproducten

8.1.1.5. Pulp, papier en drukkerijen

8.1.1.5.1. Vervaardiging van papier en papierwaren

8.1.1.5.1.1. Vervaardiging van pulp

8.1.1.5.1.2. Ander papier en papierwaren

8.1.1.5.2 Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

8.1.1.6. Chemische en petrochemische industrie

8.1.1.6.1. Vervaardiging van chemische producten

8.1.1.6.2. Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten

8.1.1.7. Niet-metaalhoudende minerale producten

8.1.1.7.1. Vervaardiging van glas en glaswerk

8.1.1.7.2. Vervaardiging van cement, kalk en gips (incl. klinker)

8.1.1.7.3. Andere niet-metaalhoudende minerale producten

8.1.1.8. IJzer en staal [Vervaardiging van metalen in primaire vorm A]

8.1.1.9. Non-ferrometaalindustrie [Vervaardiging van metalen in primaire vorm B]

8.1.1.9.1. Productie van aluminium

8.1.1.9.2. Overige non-ferrometaalindustrie

8.1.1.10. Machines en toestellen

8.1.1.10.1. Vervaardiging van producten van metaal, exclusief machines en apparatuur

8.1.1.10.2. Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten

8.1.1.10.3. Vervaardiging van elektrische apparatuur

8.1.1.10.4. Vervaardiging van machines en apparatuur, n.e.g.

8.1.1.11. Hulpmiddel bij het vervoer

8.1.1.12. Niet elders vermeld – Industrie

8.1.1.12.1. Vervaardiging van producten van rubber of kunststof

8.1.1.12.2. Vervaardiging van meubelen

8.1.1.12.3. Overige industrie

8.1.2.   VERVOERSSECTOR

Te vermelden op basis van de definities van punt 2.6.2 van bijlage A.

8.1.2.1. Spoor

8.1.2.1.1. Hogesnelheidsspoor

8.1.2.1.2. Conventioneel spoor

8.1.2.1.2.1. Personenvervoer per conventioneel spoor

8.1.2.1.2.2. Vrachtvervoer per conventioneel spoor

8.1.2.1.3. Metro en tram

8.1.2.2. Wegvervoer

8.1.2.2.1. Zware bedrijfsvoertuigen voor vrachtvervoer

8.1.2.2.2. Collectief vervoer

8.1.2.2.3. Auto’s en bestelwagens

8.1.2.2.4. Overige transportmiddelen voor de weg

8.1.3.   COMMERCIËLE EN OPENBARE DIENSTENSECTOR

Te vermelden op basis van de definities van punt 2.6.3.1 van bijlage A.

8.1.3.1. Reparatie en installatie van machines en apparatuur

8.1.3.2. Distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

8.1.3.3. Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen

8.1.3.3.1. Groothandel

8.1.3.3.2. Detailhandel

8.1.3.4. Opslag en vervoerondersteunende activiteiten

8.1.3.5. Posterijen en koeriers

8.1.3.6. Verschaffen van accommodatie en maaltijden

8.1.3.6.1. Verschaffen van accommodatie

8.1.3.6.2. Verschaffen van maaltijden

8.1.3.7. Informatie en communicatie

8.1.3.8. Financiële en verzekeringsactiviteiten en handel in onroerend goed

8.1.3.9. Administratieve en ondersteunende diensten

8.1.3.10. Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen

8.1.3.11. Onderwijs

8.1.3.12. Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening

8.1.3.12.1. Activiteiten van ziekenhuizen

8.1.3.13. Kunst, amusement en recreatie

8.1.3.13.1 Sport

8.1.3.14. Activiteiten van extraterritoriale organisaties en lichamen

8.1.3.15. Professionele, wetenschappelijke en technische beroepsactiviteiten en andere diensten

8.1.3.16. Datacentra Alleen datacentra die worden gehost door rapporterende eenheden (ongeacht hun NACE-code) met een totale capaciteit van 1 MW of meer hoeven te worden opgegeven.

De eerste verplichte rapportage voor dit item is het referentiejaar 2024.

8.1.4.   DE SECTOR HUISHOUDENS

Te vermelden op basis van de definities van punt 2.6.3.2 van bijlage A.

8.1.4.1. Huishoudens: Ruimteverwarming

8.1.4.2. Huishoudens: Ruimtekoeling

8.1.4.3. Huishoudens: Waterverwarming

8.1.4.4. Huishoudens: Koken

8.1.4.5. Huishoudens: Verlichting en apparatuur

Betreft alleen elektriciteit

8.1.4.6. Huishoudens: Overig eindgebruik

8.2.    Energieproducten

Tenzij anders vermeld, betreft deze gegevensverzameling alle energieproducten die zijn opgenomen in bijlage A.

Eurostat specificeert de lijst van energieproducten waarvoor gegevens als bedoeld in hoofdstuk 7 van bijlage B moeten worden vermeld in het rapportagesjabloon, als een sub-eenheid van de gegevens die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van bijlage A.

8.3.    Meeteenheden

De hoeveelheden vaste fossiele brandstoffen moeten worden opgegeven in kt (kiloton).

De hoeveelheden ruwe olie en aardolieproducten moeten worden opgegeven in kt (kiloton).

De hoeveelheden aardgas en fabrieksgassen (fabrieksgas, cokesovengas, hoogovengas, andere teruggewonnen gassen) moeten worden opgegeven in TJ (terajoule) op basis van de calorische bovenwaarde.

Elektriciteit moet worden opgegeven in GWh (gigawattuur).

De hoeveelheden warmte moeten worden opgegeven in TJ (terajoule), op basis van de calorische bovenwaarde.

De hoeveelheden hernieuwbare energie en energie uit afval moeten worden opgegeven in TJ (terajoule) op basis van de calorische onderwaarde, behalve voor houtskool, biobenzine, bio-ethanol, bioreactiemotorkerosine, biodiesel en andere vloeibare biobrandstoffen die moeten worden opgegeven in kt (kiloton).

Calorische waarden voor vaste fossiele brandstoffen, ruwe olie en aardolieproducten en hernieuwbare energie en energie uit afval moeten worden opgegeven in MJ/t (megajoules per ton).

Calorische waarden voor aardgas en fabrieksgassen worden opgegeven in kJ/m3 onder standaardomstandigheden (15 °C, 101 325  Pa).

Voor andere energieproducten waarvoor rapportage is vereist, worden de toepasselijke eenheden in de desbetreffende hoofdstukken van deze bijlage gedefinieerd.

8.4.    Termijn voor de indiening van de gegevens:

De gegevens moeten uiterlijk 31 maart van het tweede jaar volgend op van het jaar waarover verslag wordt uitgebracht, worden ingediend.

8.5.    Vrijstellingen

Cyprus is vrijgesteld van de rapportage over het uitgesplitste eindenergieverbruik van ruwe olie en aardolieproducten (zoals gedefinieerd in punt 3.4 van bijlage A) voor alle aggregaten die vallen onder punt 8.1.4 van deze bijlage (Huishoudens).

9.    VOORAFGAANDE JAARLIJKSE GEGEVENS

9.1.    Energieproducten

Deze gegevensverzameling geldt voor alle in de punten 1.1, 2.1, 3.1, 4.1 en 5.1 van deze bijlage beschreven producten.

9.2.    Lijst van aggregaten

De volgende aggregaten moeten worden opgegeven.

9.2.1. 

Voor vaste fossiele brandstoffen en fabrieksgassen: 1.2.1.1., 1.2.1.2., 1.2.1.6., 1.2.1.7., 1.2.1.8., 1.2.1.9. als gedefinieerd in hoofdstuk 1 van deze bijlage.

9.2.2. 

Voor aardgas: 2.2.1.1., 2.2.1.2., 2.2.1.3., 2.2.1.4., 2.2.1.5., 2.2.1.6., 2.2.9. als gedefinieerd in hoofdstuk 2 van deze bijlage.

9.2.3. 

Voor elektriciteit en warmte: brutoproductie per product voor alle afzonderlijke producten, eigen gebruik, totaal van transmissie- en distributieverliezen (3.2.3. en 3.2.4.) en 3.2.2.3., 3.2.2.4, 3.2.2.5, 3.2.2.6., 3.2.2.7., 3.2.2.8., 3.2.2.9. zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 van deze bijlage.

9.2.4. 

Voor aardolie en aardolieproducten: 4.2.1.1., 4.2.1.2., 4.2.1.3., 4.2.1.4., 4.2.1.5., 4.2.1.6., 4.2.1.7., 4.2.1.8., 4.2.1.9., 4.2.1.10., 4.2.2.1., 4.2.2.2., 4.2.2.3., 4.2.2.4., 4.2.2.5., 4.2.2.6., 4.2.2.7., 4.2.2.8., 4.2.2.9., 4.2.2.10. als gedefinieerd in hoofdstuk 4 van deze bijlage.

9.2.5. 

Voor hernieuwbare energie en energie uit afval: 5.2.2.1., 5.2.2.2., 5.2.2.3., 5.2.2.4., 5.2.10.1., 5.2.10.2., 5.2.10.3., 5.2.10.8., 5.2.10.9. als gedefinieerd in hoofdstuk 5 van deze bijlage.

9.3.    Meeteenheden

De hoeveelheden moeten worden opgegeven in eenheden als omschreven in de punten 1.3, 2.3, 3.3, 4.3 en 5.3 van deze bijlage:

9.4.    Termijn voor de indiening van de gegevens

De gegevens moeten uiterlijk 31 mei van het jaar volgend op van het jaar waarover verslag wordt uitgebracht, worden ingediend.

ANNEX C MONTHLY ENERGY STATISTICS




ANNEX C

MONTHLY ENERGY STATISTICS

This annex describes the scope, units, reported period, frequency, deadline and transmission arrangements for the monthly collection of energy statistics.

Annex A provides explanations of terms not explained in this annex.

The following provisions apply to all data collections specified in this Annex:

(a) 

Reported period: The reported period of declared data will be one calendar month.

(b) 

Frequency: Data should be declared on a monthly basis.

(c) 

Transmission format: The transmission format should conform to the relevant interchange standard specified by Eurostat.

(d) 

Transmission method: Data should be submitted or uploaded by electronic means to the Eurostat’s single entry point for data.

1.    SOLID FUELS

1.1.    Applicable energy products

This chapter covers the reporting of:

1.1.1. Hard coal

1.1.2. Brown coal

1.1.3. Peat

1.1.4. Oil shale and oil sands

1.1.5. Coke oven coke

1.2.    List of aggregates

1.2.1. The following aggregates must be declared for hard coal:

1.2.1.1. Production

1.2.1.2. Recovered products

1.2.1.3. Imports

1.2.1.4. Imports from outside EU

1.2.1.5. Exports

1.2.1.6. Opening total stocks on national territory

These are the quantities held by mines, importers and consumers who import directly.

1.2.1.7. Closing total stocks on national territory

These are the quantities held by mines, importers and consumers who import directly.

1.2.1.8. Deliveries to main activity producers

1.2.1.9. Deliveries to coke ovens

Excludes hard coal consumed as energy for support operations to coke ovens, to be reported in ‘Deliveries to total industry’.

1.2.1.10. Deliveries to total industry

Includes hard coal delivered to the transformation sector (except hard coal reported in ‘Deliveries to main activity producers’ and ‘Deliveries to coke ovens’), the energy sector, and final energy consumption of hard coal in the industry sector.

1.2.1.10.1 Deliveries to iron and steel industry

Includes hard coal entering blast furnaces as defined in Annex A, Article 2.2.11, and the final energy consumption of hard coal in the Iron and steel sector as defined in Annex A, Article 2.6.1.8.

Excludes hard coal consumed as energy for support operations at blast furnaces, to be reported in ‘Deliveries to total industry’.

1.2.1.11. Other deliveries (services, households, etc.).

The amount of hard coal delivered to sectors not specifically mentioned.

1.2.2. The following aggregates must be declared for brown coal, peat and oil shale and oil sands:

1.2.2.1. Production

1.2.2.2. Imports

1.2.2.3. Exports

1.2.2.4. Opening total stocks on national territory

These are the quantities held by mines, importers and consumers who import directly.

1.2.2.5. Closing total stocks on national territory

These are the quantities held by mines, importers and consumers who import directly.

1.2.2.6. For peat, stock changes can be declared instead of opening and closing total stocks.

1.2.2.7. Deliveries to main activity producers

1.2.3. The following aggregates must be declared for coke oven coke:

1.2.3.1. Production

1.2.3.2. Imports

1.2.3.3. Imports from outside the EU

1.2.3.4. Exports

1.2.3.5. Opening total stocks on national territory

These are the quantities held by producers, importers and consumers who import directly.

1.2.3.6. Closing total stocks on national territory

These are the quantities held by producers, importers and consumers who import directly.

1.2.3.7. Deliveries to iron and steel industry

Includes coke oven coke entering blast furnaces as defined in Annex A, Article 2.2.11, and the final energy consumption of coke oven coke in the Iron and steel sector as defined in Annex A, Article 2.6.1.8.

Excludes coke oven coke consumed as energy for support operations at blast furnaces.

1.3.    Units of measurement

Reported quantities must be declared in kt (kilo-tonnes).

1.4.    Deadline for transmission of data

Within two calendar months following the reported month.

2.    ELECTRICITY

2.1.    Applicable energy products

This chapter covers the reporting of electricity.

2.2.    List of aggregates

The following aggregates must be declared for electricity:

2.2.1. Net electricity production from nuclear plants

2.2.2. Net electricity production from conventional thermal power generation using coal

2.2.3. Net electricity production from conventional thermal power generation using oil

2.2.4. Net electricity production from conventional thermal power generation using gas

2.2.5. Net electricity production from conventional thermal power generation using combustible renewables (such as solid biofuels, biogases, liquid biofuels, renewable municipal waste)

2.2.6. Net electricity production from conventional thermal power generation using other non-renewable combustible fuels (such as non-renewable industrial and non-renewable municipal waste)

2.2.7. Net electricity production from pure hydro plants

2.2.8. Net electricity production from mixed hydro plants

2.2.9. Net electricity production from pure pumped storage hydro plants

2.2.10. Net electricity production from wind installations on shore

2.2.11. Net electricity production from wind installations off shore

2.2.12. Net electricity production from solar PV installations

2.2.13. Net electricity production from solar thermal installations

2.2.14. Net electricity production from geothermal power generation

2.2.15. Net electricity production from other renewable sources (such as tide, wave, ocean and other non-combustible renewable sources)

2.2.16. Net electricity production from non-specified origin

2.2.17. Imports

2.2.17.1. Of which from the EU

2.2.18. Exports

2.2.18.1. Of which to the EU

2.2.19. Electricity used for pumped storage

2.3.    Units of measurement

Reported quantities must be declared in GWh (giga-watt hours).

2.4.    Deadline for transmission of data

Within two calendar months following the reported month.

3.    OIL AND PETROLEUM PRODUCTS

3.1.    Applicable energy products

Unless otherwise specified, this data collection applies to all energy products listed in Annex A, Chapter 3.4. OIL (crude oil and petroleum products).

The ‘Other products’ category includes both the quantities that correspond to the definition in Annex A Chapter 3.4 and the quantities of white spirit and SBP, lubricants, bitumen and paraffin waxes; these products should not be declared separately.

3.2.    List of aggregates

The following aggregates must be declared for all energy products listed in the previous paragraph unless otherwise specified.

3.2.1.   SUPPLY OF CRUDE OIL, NGL, REFINERY FEEDSTOCKS, ADDITIVES AND OTHER HYDROCARBONS

Note for additives and biofuels: include here not only already blended volumes, but also all quantities destined for blending.

The following aggregates must be declared for crude oil, NGL, refinery feedstocks, additives/oxygenates, biofuels and other hydrocarbons:

3.2.1.1. Indigenous Production (not applicable for refinery feedstocks and biofuels).

3.2.1.2. Receipts from other sources (not applicable for crude oil, NGL, refinery feedstocks)

3.2.1.3. Backflows

Finished or semi-finished products final consumers return to refineries for processing, blending or sale. They are usually by-products of petrochemical manufacturing. Only applicable for refinery feedstocks.

3.2.1.4. Products transferred

Imported petroleum products that are reclassified as feedstocks for further processing in the refinery, without delivery to final consumers. Only applicable for refinery feedstocks.

3.2.1.5. Imports

3.2.1.6. Exports

Note for import and exports: Includes quantities of crude oil and products imported or exported under processing agreements (i.e. refining on account). Crude oil and NGLs should be reported as coming from the country of ultimate origin; refinery feedstocks and finished products should be reported as coming from the country of last consignment. Includes any gas liquids (e.g. LPG) extracted during the regasification of imported liquefied natural gas and petroleum products imported or exported directly by the petrochemical industry.

3.2.1.7. Direct use

3.2.1.8. Stock changes

A stock build is shown as a positive number and a stock draw is shown as a negative number.

3.2.1.9. Observed refinery intake

This is defined as the total amount of oil (including Other hydrocarbons and Additives) observed to have entered the refinery process (input to refineries).

3.2.1.10. Refinery losses

The difference between observed refinery intake and gross refinery output. Losses may occur during distillation processes due to evaporation. Reported losses are positive. There may be volumetric gains but no gains in mass.

3.2.2.   SUPPLY OF FINISHED PRODUCTS

The following aggregates must be declared for Crude oil, NGL, Refinery gas, Ethane, LPG, Naphtha, Biogasoline, Non-biogasoline, Aviation gasoline, Gasoline type jet fuel, Bio jet kerosene, Non-bio jet Kerosene, Other kerosene, Biodiesels, Non-bio gas/diesel oil, LSFO, HSFO, Petroleum coke, and Other products:

3.2.2.1. Primary product receipts

3.2.2.2. Gross refinery output (not applicable for crude oil and NGL)

3.2.2.3. Recycled products (not applicable for crude oil and NGL)

3.2.2.4. Refinery Fuel (not applicable for crude oil and NGL)

Annex A Chapter 2.3. Energy sector – Petroleum refineries; Includes fuels used at the refineries for the production of electricity and heat sold.

3.2.2.5. Imports (not applicable for crude oil, NGL and refinery gas)

3.2.2.6. Exports (not applicable for crude oil, NGL and refinery gas)

The note made for imports and exports in Section 3.2.1. also applies here.

3.2.2.7. International marine bunkers (not applicable for crude oil and NGL)

3.2.2.8. Interproduct transfers

3.2.2.9. Products transferred (not applicable for crude oil and NGL)

3.2.2.10. Stock changes (not applicable for crude oil, NGL and refinery gas)

A stock build is shown as a positive number and a stock draw is shown as a negative number.

3.2.2.11. Observed gross inland deliveries

The observed delivery of finished petroleum products from primary sources (e.g. refineries, blending plants, etc.) to the inland market.

3.2.2.11.1. International aviation (applicable only for Aviation gasoline, Gasoline type jet fuel, Bio jet kerosene, Non-bio jet kerosene)

3.2.2.11.2. Main activity producer power plants

3.2.2.11.3. Road (applicable only for LPG)

3.2.2.11.4. Domestic navigation and Rail (applicable only for Biodiesels, Non-bio gas/diesel oil)

3.2.2.12. Petrochemical

3.2.2.13. Backflow to refineries (not applicable for crude oil and NGL)

3.2.3.   IMPORTS BY ORIGIN – EXPORTS BY DESTINATION

Imports should be reported by country of origin and exports by country of destination. The note made for imports and exports in Section 3.2.1. also applies here.

3.2.4.   STOCK LEVELS

The following opening and closing stocks must be declared for all energy products, including for additives/oxygenates but except for refinery gas:

3.2.4.1.   Stocks on national territory

Stocks in the following locations: refinery tanks, bulk terminals, pipeline tankage, barges and coastal tankers (when port of departure and destination are in the same country), tankers in a port of a member country (if their cargo is to be discharged at the port), inland ship bunkers. Excludes stocks of oil held in pipelines, in rail tanks cars, in truck tanks cars, in sea-going ships’ bunkers, in service stations, in retail stores and in bunkers at sea.

3.2.4.2.   Stocks held for other countries under bilateral government agreements

Stocks on national territory which belong to another country and to which access is guaranteed by an agreement between the respective governments.

3.2.4.3.   Stocks with known foreign destination

Stocks not included in point 3.2.4.2 on national territory which belong to and are destined for another country. These stocks may be located inside or outside bonded areas.

3.2.4.4.   Other stocks held in bonded areas

Includes stocks not included in point 3.2.4.2 nor 3.2.4.3 irrespective of whether they have received customs clearance or not.

3.2.4.5.   Stocks held by major consumers

Include stocks which are subject to government control. This definition does not include other consumer stocks.

3.2.4.6.   Stocks held on board incoming ocean vessels in port or at mooring

Stocks irrespective of whether they have been cleared by customs or not. This category excludes stocks on board vessels at high seas.

Includes oil in coastal tankers if both their port of departure and destination are in the same country. In the case of incoming vessels with more than one port of unloading, only report the amount to be unloaded in the reporting country.

3.2.4.7.   Stocks held by government on national territory

Includes non-military stocks that are held by the government within the national territory, and are government-owned or controlled and held exclusively for emergency purposes.

Excludes stocks held by state oil companies or electric utilities or stocks held directly by oil companies on behalf of governments.

3.2.4.8.   Stocks held by stockholding organisation on national territory

Stocks held by both public and private corporations established to maintain stocks exclusively for emergency purposes.

Excludes mandatory stocks held by private companies.

3.2.4.9.   All other stocks held on national territory

All other stocks satisfying the conditions described in point 3.2.4.1 above.

3.2.4.10.   Stocks held abroad under bilateral government agreements

Stocks belonging to the reporting country but held in another country, to which access is guaranteed by an agreement between the respective governments.

3.2.4.10.1. Of which: Government stocks

3.2.4.10.2. Of which: Holding organisation’s stocks

3.2.4.10.3. Of which: Other stocks

3.2.4.11.   Stocks held abroad designated definitely for import stocks

Stocks that are not included in category 10 and that belong to the reporting state but are held in another state and are awaiting import there.

3.2.4.12.   Other stocks in bonded areas

Other stocks in the national territory not included in the above categories.

3.2.4.13.   Pipeline fill

Oil (crude oil and petroleum products) contained in pipelines, necessary to maintain flow in the pipelines.

In addition, a breakdown of quantities per corresponding country must be declared for:

3.2.4.13.1. 

closing stocks held for other countries under official agreement, by beneficiary,

3.2.4.13.2. 

closing stocks held for other countries under official agreement, of which held as stock tickets, by beneficiary,

3.2.4.13.3. 

closing stocks with known foreign destination, by beneficiary,

3.2.4.13.4. 

closing stocks held abroad under official agreement, by location,

3.2.4.13.5. 

closing stocks held abroad under official agreement, of which held as stock tickets, by location,

3.2.4.13.6. 

closing stocks held abroad designated definitely for import into the declarer’s country, by location.

‘Opening stocks’ means the stocks on the last day of the month preceding the reported one. ‘Closing stocks’ means the stocks on the last day of the reported month.

3.3.    Units of measurement

Reported quantities must be declared in kt (kilo-tonnes).

3.4.    Deadline for transmission of data

Within 55 days following the reported month.

3.5.    Geographical notes

For statistical reporting purposes only, the clarifications in Annex A Chapter 1 apply with the following specific exception: Switzerland includes Liechtenstein.

4.    NATURAL GAS

4.1.    Applicable energy products

This chapter covers the reporting of natural gas.

4.2.    List of aggregates

The following aggregates must be declared for natural gas.

4.2.1.   INDIGENOUS PRODUCTION

All dry marketable production within national boundaries, including offshore production. Production is measured after purification and extraction of NGLs and sulphur. Excludes extraction losses and quantities reinjected, vented or flared. Includes quantities used within the natural gas industry, in gas extraction, pipeline systems and processing plants.

4.2.2.   IMPORTS (ENTRIES)

4.2.3.   EXPORTS (EXITS)

Note for imports and exports: Report all natural gas volumes which have physically crossed the national boundaries of the country, whether customs clearance has taken place or not. This includes quantities transiting your country; transit volumes should be included as an import and as an export. Imports of liquefied natural gas should cover only the dry marketable equivalent, including amounts used as own consumption in the regasification process. The amounts used as own consumption during regasification should be reported under Own use and losses of the natural gas industry (see 4.2.11). Any gas liquids (e.g. LPG) extracted during the regasification process of imported LNG should be reported under ‘Receipts from other sources’ of ‘Other hydrocarbons’ as defined in Chapter 3 of this annex (OIL AND PETROLEUM PRODUCTS).

4.2.4.   STOCK CHANGES

A stock build is shown as a positive number and a stock draw is shown as a negative number.

4.2.5.   OBSERVED GROSS INLAND DELIVERIES

This category represents deliveries of marketable gas to the inland market, including gas used by the gas industry for heating and operation of their equipment (i.e. consumption in gas extraction, in the pipeline system and in processing plants); losses in transmission and distribution should also be included.

4.2.6.   OPENING LEVELS OF STOCKS HELD ON NATIONAL TERRITORY

4.2.8.   CLOSING LEVELS OF STOCKS HELD ON NATIONAL TERRITORY

4.2.9.   OPENING LEVELS OF STOCKS HELD ABROAD

4.2.10.   CLOSING LEVELS OF STOCKS HELD ABROAD

Note for levels of stocks: includes natural gas stored in gaseous form as well as in liquefied form.

4.2.11.   OWN USE AND LOSSES OF THE NATURAL GAS INDUSTRY

Quantities used by the gas industry for heating and operation of its equipment (i.e. consumption in gas extraction, in the pipeline system and in processing plants); includes losses in transmission and distribution.

4.2.12.   IMPORTS (ENTRIES) BY ORIGIN AND EXPORTS (EXITS) BY DESTINATION

Imports (entries) should be reported by country of origin and exports (exits) by country of destination. The note made for imports and exports in section 4.2.3 also applies here. Imports and exports are to be declared only for the neighbouring country or country with a direct pipeline connection or, in the case of LNG, for the country where the gas has been loaded onto the transport ship.

4.2.13.   DELIVERIES TO POWER GENERATION

4.3.    Units of measurement

Quantities must be declared in two units:

4.3.1. 

in physical quantity, in million m3 (million cubic metres) assuming reference gas conditions (15 C, 101 325 Pa),

4.3.2. 

in energy content, in TJ (tera-joules), based on the gross calorific value.

4.4.    Deadline for transmission of data

Within 55 days following the reported month.

ANNEX D SHORT-TERM MONTHLY STATISTICS




ANNEX D

SHORT-TERM MONTHLY STATISTICS

This annex describes the scope, units, reported period, frequency, deadline and transmission arrangements for the short-term monthly collection of statistical data.

Annex A provides explanations of terms not explained in this annex.

The following provisions apply to all data collections specified in this annex:

(a) 

Reported period: The reported period of declared data will be one calendar month.

(b) 

Frequency: Data should be declared on a monthly basis.

(c) 

Transmission format: The transmission format should conform to the relevant interchange standard specified by Eurostat.

(d) 

Transmission method: Data should be submitted or uploaded by electronic means to Eurostat’s single entry point for data.

1.    CRUDE OIL IMPORTS AND SUPPLY

1.1.    Applicable energy products

This chapter covers the reporting of crude oil.

1.2.    Definitions

1.2.1.   Imports

Imports cover every quantity of crude oil which either enters the customs territory of the Member State or comes from another Member State for purposes other than transit. Crude oil used for stock building must be included.

Oil extracted from the seabed over which a Member State exercises exclusive rights for the purposes of exploitation and entering the customs territory of the Community should be excluded from imports.

1.2.2.   Supply:

Supply covers the crude oil imported and the crude oil produced in the Member State during the reference period. The provision of crude oil from previously built stocks is excluded.

1.2.3.   CIF price:

The CIF (cost, insurance and freight) price includes the FOB (free on board) price, which is the price actually invoiced at the port/place of loading in addition to the cost of transport, insurance and charges linked to crude oil transfer operations.

The CIF price of the crude oil produced in a Member State is to be calculated free at port of discharge or free at frontier, i.e. at the moment when the crude oil falls under the customs jurisdiction of the importing country.

1.2.4.   API gravity:

The API gravity is a measure of how heavy/light crude oil is compared to water. The API gravity is to be reported according to the following formula, with respect to the specific gravity (SG): API = (141,5 ÷ SG) – 131,5

1.3.    List of aggregates

1.3.1.   The following list of aggregates must be declared for crude oil imports split by type and geographical area of production:

1.3.1.1. 

the designation of the crude oil

1.3.1.2. 

the average API gravity

1.3.1.3. 

the average sulphur content

1.3.1.4. 

the total volume imported

1.3.1.5. 

the total CIF price

1.3.1.6. 

the number of reporting entities.

1.3.2.   The following list of aggregates must be declared for crude oil supply:

1.3.2.1. 

the volume supplied

1.3.2.2. 

the weighted average CIF price

1.4.    Units of measurement

bbl (barrel) for 2.3.1.4. and 2.3.2.1.

kt (thousand tonnes) for 2.3.2.1.

% (percentage) for 2.3.1.3.

° (degrees) for 2.3.1.2.

$ (US Dollar) per barrel for 1.3.1.5. and 1.3.2.2.

$ (US Dollar) per tonne for 1.3.2.2.

1.5.    Applicable provisions

1. Reported period:

One calendar month.

2. Frequency:

Monthly.

3. Deadline for transmission of data:

Within one calendar month following the reported month.

4. Transmission format:

The transmission format should conform to the relevant interchange standard specified by Eurostat.

5. Transmission method:

Data should be submitted or uploaded by electronic means to Eurostat’s single entry point for data.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis