+BIJLAGE V

BIJLAGE V




BIJLAGE V

RAPPORTAGE VAN FINANCIËLE INFORMATIE

Inhoudsopgave

ALGEMENE INSTRUCTIES

1.

Referenties

2.

Conventies

3.

Consolidatie

4.

Boekhoudkundige portefeuilles van financiële instrumenten

4.1.

Financiële activa

4.2.

Financiële verplichtingen

5.

Financiële instrumenten

5.1.

Financiële activa

5.2.

Brutoboekwaarde

5.3.

Financiële verplichtingen

6.

Uitsplitsing naar tegenpartij

INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

1.

Balans

1.1.

Activa (1.1)

1.2.

Verplichtingen (1.2)

1.3.

Eigen vermogen (1.3)

2.

Winst-en-verliesrekening (2)

3.

Overzicht van het totaalresultaat (3)

4.

Uitsplitsing van financiële activa naar instrument en naar sector van de tegenpartij (4)

5.

Uitsplitsing van leningen en voorschotten voor niet-handelsdoeleinden naar product (5)

6.

Uitsplitsing van leningen en voorschotten voor niet-handelsdoeleinden aan niet-financiële vennootschappen naar NACE-code (6)

7.

Aan bijzondere waardevermindering onderhevige financiële activa die achterstallig zijn (7)

8.

Uitsplitsing van financiële verplichtingen (8)

9.

Toegezegde leningen, financiële garanties en overige toezeggingen (9)

10.

Derivaten en hedge accounting (10 en 11)

10.1.

Classificatie van derivaten naar soort risico

10.2.

Voor derivaten te rapporteren bedragen

10.3.

Als „economische afdekkingen” geclassificeerde derivaten

10.4.

Uitsplitsing van derivaten naar sector van de tegenpartij

10.5.

Hedge accounting volgens de nationale GAAP (11.2)

10.6.

Te rapporteren bedrag voor niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten (11.3 en 11.3.1)

10.7.

Afgedekte posities bij reëlewaardeafdekkingen (11.4)

11.

Wijzigingen in voorzieningen voor kredietverliezen (12)

11.1.

Wijzigingen in voorzieningen voor kredietverliezen en bijzondere waardevermindering van eigenvermogensinstrumenten overeenkomstig de op de RJB gebaseerde nationale GAAP (12.0)

11.2.

Wijzigingen in voorzieningen voor kredietverliezen overeenkomstig de IFRS (12.1)

11.3.

Overboekingen tussen bijzonderewaardeverminderingsfasen (weergave op brutobasis) (12.2)

12.

Ontvangen zekerheden en garanties (13)

12.1.

Uitsplitsing van zekerheden en garanties naar leningen en voorschotten anders dan voor handelsdoeleinden aangehouden (13.1)

12.2.

Gedurende de rapportageperiode door bezitsverkrijging verkregen zekerheden (aangehouden op de rapportagedatum) (13.2.1)

12.3.

Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden geaccumuleerd (13.3.1)

13.

Reëlewaardehiërarchie: tegen reële waarde gewaardeerde financiële instrumenten (14)

14.

Uitboeking en financiële verplichtingen in verband met overgedragen financiële activa (15)

15.

Uitsplitsing van geselecteerde posten in de winst- en verliesrekening (16)

15.1.

Rentebaten en -lasten naar instrument en naar sector van de tegenpartij (16.1)

15.2.

Winsten of verliezen bij uitboeking van financiële activa en verplichtingen die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, naar instrument (16.2)

15.3.

Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden en financiële activa voor handelsdoeleinden en financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden, naar instrument (16.3)

15.4.

Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden en financiële activa voor handelsdoeleinden en financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden, naar risico (16.4)

15.5.

Winsten of verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, naar instrument (16.4.1)

15.6.

Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, naar instrument (16.5)

15.7.

Winsten of verliezen uit hoofde van hedge accounting (16.6)

15.8.

Bijzondere waardevermindering van niet-financiële activa (16.7)

15.9.

Overige administratieve lasten (16.8)

16.

Aansluiting tussen de boekhoudkundige consolidatiekring en de consolidatiekring in het kader van de VKV (17)

17.

Niet-renderende blootstellingen (18)

17.1.

Informatie over renderende en niet-renderende blootstellingen (18.0)

17.2.

Instromen en uitstromen van niet-renderende blootstellingen — leningen en voorschotten per tegenpartijsector (18.1)

17.3.

Zakelijk onroerendgoedleningen en aanvullende informatie over door onroerend goed gedekte leningen (18.2)

18.

Respijtblootstellingen (19)

19.

Geografische uitsplitsing (20)

19.1.

Geografische uitsplitsing naar locatie van de activiteiten (20.1-20.3)

19.2.

Geografische uitsplitsing naar vestigingsplaats van de tegenpartij (20.4-20.7)

20.

Materiële en immateriële activa: activa die zijn onderworpen aan een operationele lease (21)

21.

Vermogensbeheer, bewaarneming en andere diensten (22)

21.1.

Baten en lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies naar activiteit (22.1)

21.2.

Bij de verleende diensten betrokken activa (22.2)

22.

Belangen in niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten (30)

23.

Verbonden partijen (31)

23.1.

Verbonden partijen: te betalen bedragen aan en te ontvangen bedragen van (31.1)

23.2.

Verbonden partijen: baten en lasten uit hoofde van transacties met (31.2)

24.

Groepsstructuur (40)

24.1.

Groepsstructuur: „per entiteit” (40.1)

24.2.

Groepsstructuur: „per instrument” (40.2)

25.

Reële waarde (41)

25.1.

Reëlewaardehiërarchie: tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële instrumenten (41.1)

25.2.

Gebruik van de reëlewaardeoptie (41.2)

26.

Materiële en immateriële activa: boekwaarde volgens waarderingsmethode (42)

27.

Voorzieningen (43)

28.

Toegezegdpensioenregelingen en personeelsbeloningen (44)

28.1.

Componenten van netto-activa en -verplichtingen uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen (44.1)

28.2.

Verloop van de verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (44.2)

28.3.

Personeelslasten naar soort uitkering (44.3)

28.4.

Personeelslasten naar beloningscategorie en personeelscategorie (44.4)

29.

Uitsplitsing van geselecteerde posten in de winst- en verliesrekening (45)

29.1.

Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, naar boekhoudkundige portefeuille (45.1)

29.2.

Winsten of verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa (45.2)

29.3.

Overige bedrijfsbaten en -lasten (45.3)

30.

Mutatieoverzicht van het eigen vermogen (46)

31.

LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: AANVULLENDE INFORMATIE (23)

32.

LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: STROMEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN, BIJZONDERE WAARDEVERMINDERINGEN EN AFSCHRIJVINGEN SINDS HET EINDE VAN HET VORIGE BOEKJAAR (24)

32.1.

Leningen en voorschotten: Instromen en uitstromen van niet-renderende blootstellingen (24.1)

32.2.

Leningen en voorschotten: Stroom van bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico m.b.t. niet-renderende blootstellingen (24.2)

32.3.

Leningen en voorschotten: Afschrijvingen van niet-renderende blootstellingen gedurende de rapportageperiode (24.3)

33.

DOOR BEZITSVERKRIJGING EN VIA EXECUTIEPROCEDURES VERKREGEN ZEKERHEDEN (25)

33.1.

Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, niet zijnde als materiële vaste activa geclassificeerde zekerheden: instromen en uitstromen (25.1)

33.2.

Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, niet zijnde als materiële vaste activa geclassificeerde zekerheden — Soort verkregen zekerheid (25.2)

33.3.

Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden die als materiële vaste activa worden geclassificeerd (25.3)

34.

BEHEER VAN RESPIJTMAATREGELEN EN KWALITEIT VAN RESPIJTMAATREGELEN (26)

35.

LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: GEMIDDELDE DURATION EN INNINGSPERIODEN (47)

MAPPING VAN BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN EN TEGENPARTIJSECTOREN

DEEL 1

ALGEMENE INSTRUCTIES

1.   REFERENTIES

1. Deze bijlage bevat aanvullende instructies voor de templates voor financiële informatie („FINREP”) in de bijlagen III en IV bij deze verordening. Deze bijlage is een aanvulling op de instructies opgenomen in de vorm van referenties in de templates in de bijlagen III en IV.

2. Instellingen die met de IFRS verenigbare nationale standaarden voor jaarrekeningen („verenigbare nationale GAAP”) gebruiken, passen de gemeenschappelijke en de IFRS-instructies in deze bijlage toe, tenzij anders is bepaald. Dit laat onverlet dat de vereisten van de verenigbare nationale GAAP aan de vereisten van de RJB moeten voldoen. instellingen die gebruikmaken van niet met de IFRS verenigbare nationale GAAP of van nationale GAAP die nog niet met de vereisten van IFRS 9 in overeenstemming zijn gebracht, passen de gemeenschappelijke en de RJB-instructies in deze bijlage toe, tenzij anders is bepaald.

3. De in de templates genoemde data points worden opgesteld overeenkomstig de opnemings-, salderings- en waarderingsregels van het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving, als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 77, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

4. Een instelling dient uitsluitend de delen van de templates in met betrekking tot:

(a) 

activa, verplichtingen, eigen vermogen, baten en lasten die door de instelling worden opgenomen;

(b) 

blootstellingen en activiteiten buiten de balanstelling waarbij de instelling betrokken is;

(c) 

door de instelling verrichte transacties;

(d) 

door de instelling toegepaste waarderingsregels, met inbegrip van methoden voor de raming van voorzieningen voor kredietrisico.

5. In de bijlagen III en IV en in de onderhavige bijlage worden de volgende afkortingen gebruikt:

(a) 

„VKV”: Verordening (EU) nr. 575/2013;

(b) 

„IAS” of „IFRS”: „Internationale standaarden voor jaarrekeningen”, als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ), die door de Commissie zijn vastgesteld;

(c) 

„ECB BSI-verordening” of „ECB/2013/33”: Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale bank ( 12 );

(d) 

„NACE-verordening”: Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 13 );

(e) 

„NACE-codes”: codes in de NACE-verordening;

(f) 

„RJB”: Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ( 14 );

(g) 

„RJ”: Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 15 );

(h) 

„Nationale GAAP”: overeenkomstig de RJB ontwikkelde nationale algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen;

(i) 

„Kmo”: kleine, middelgrote en micro-ondernemingen als omschreven in Aanbeveling C(2003)1422 van de Commissie ( 16 );

(j) 

„ISIN-code”: het aan elke afzonderlijke uitgifte van effecten toegekende, unieke International Securities Identification Number, bestaande uit twaalf alfanumerieke tekens;

(k) 

„LEI-code”: de aan entiteiten toegekende mondiale Legal Entity Identifier, aan de hand waarvan een partij bij een financiële transactie op unieke wijze wordt geïdentificeerd;

(l) 

„bijzonderewaardeverminderingsfasen”: categorieën van bijzondere waardevermindering als omschreven in IFRS 9.5.5. Met „Fase 1” wordt de in overeenstemming met IFRS 9.5.5.5 gewaardeerde bijzondere waardevermindering bedoeld. Met „Fase 2” wordt de in overeenstemming met IFRS 9.5.5.3 gewaardeerde bijzondere waardevermindering bedoeld. Met „Fase 3” wordt de bijzondere waardevermindering van activa met verminderde kredietwaardigheid als omschreven in bijlage A bij IFRS 9 bedoeld.

(m) 

„ESRB-aanbeveling betreffende het opvullen van lacunes in onroerendgoedgegevens”: Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 31 oktober 2016 betreffende het opvullen van lacunes in onroerendgoedgegevens (ESRB/2016/14) ( 17 ).

2.   CONVENTIES

6. Data points die in de bijlagen III en IV grijs zijn gemarkeerd, zijn niet vereist of kunnen niet worden gerapporteerd. In bijlage IV betekent de zwarte markering van een rij of kolom met referenties dat de desbetreffende data points niet hoeven te worden ingediend door de instellingen die de referenties in die rij of kolom volgen.

7. De templates in de bijlagen III en IV bevatten impliciete validatievoorschriften die in de templates zelf door middel van conventies zijn vastgesteld.

8. Het gebruik van haakjes in het label van een post in een template betekent dat de desbetreffende post moet worden afgetrokken om een totaal te verkrijgen, maar betekent niet dat de post als een negatief bedrag moet worden gerapporteerd.

9. Als negatieve bedragen te rapporteren posten worden in de samenvattende templates aangegeven door middel van een minteken aan het begin van het desbetreffende label, bijv. „(—) Eigen aandelen”.

10. In het „Data Point Model” („DPM”) voor templates voor financiële rapportage van de bijlagen III en IV heeft elk data point (cel) een „basispost” waaraan het „credit/debet”-attribuut wordt toegekend. Die toekenning waarborgt dat alle entiteiten die data points rapporteren, de „tekenconventie” volgen en dat het bij elk afzonderlijk data point behorende „credit/debet”-attribuut bekend is.

11. De werking van deze conventie is schematisch weergegeven in tabel 1.



Tabel 1

Credit/debet-conventie, positieve en negatieve tekens

Onderdeel

Credit /Debet

Saldo /Mutatie

Gerapporteerd bedrag

Activa

Debet

Saldo van activa

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Toename van activa

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Negatief saldo van activa

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Afname van activa

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Lasten

Saldo van lasten

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Toename van lasten

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Negatief saldo (inclusief terugnemingen) van lasten

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Afname van lasten

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Verplichtingen

Credit

Saldo van verplichtingen

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Toename van verplichtingen

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Negatief saldo van verplichtingen

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Afname van verplichtingen

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Eigen vermogen

Saldo van eigen vermogen

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Toename van eigen vermogen

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Negatief saldo van eigen vermogen

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Afname van eigen vermogen

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Baten

Saldo van baten

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Toename van baten

Positief („Normaal”, geen teken nodig)

Negatief saldo (inclusief terugnemingen) van baten

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

Afname van baten

Negatief (Min, „—”-teken nodig)

3.   CONSOLIDATIE

12. Tenzij in deze bijlage anders is vermeld, worden de FINREP-templates opgesteld met gebruikmaking van de prudentiële consolidatiekring in overeenstemming met deel 1, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, VKV. De instellingen verwerken hun dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen met gebruikmaking van dezelfde methoden als die welke gelden voor de prudentiële consolidatie:

(a) 

overeenkomstig artikel 18, lid 5, VKV kan het worden toegestaan of voorgeschreven dat de instellingen de vermogensmutatiemethode toepassen op investeringen in verzekeringsondernemingen en niet-financiële dochterondernemingen;

(b) 

overeenkomstig artikel 18, lid 2, VKV kan de instellingen worden toegestaan om proportionele consolidatie toe te passen voor financiële dochterondernemingen;

(c) 

overeenkomstig artikel 18, lid 4, VKV kan van de instellingen worden verlangd dat zij proportionele consolidatie toepassen voor investeringen in joint ventures.

4.   BOEKHOUDKUNDIGE PORTEFEUILLES VAN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

13. Voor de toepassing van zowel de bijlagen III en IV als de onderhavige bijlage zijn „boekhoudkundige portefeuilles” op basis van waarderingsvoorschriften geaggregeerde financiële instrumenten. Die aggregaties omvatten geen investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen, direct opvraagbare tegoeden die zijn geclassificeerd als „Kasmiddelen, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s”, en evenmin financiële instrumenten die zijn geclassificeerd als „aangehouden voor verkoop” en die worden gepresenteerd in de posten „Vaste activa en groepen activa die worden afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop” en „Verplichtingen die deel uitmaken van groepen activa die worden afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop”.

14. Overeenkomstig de nationale GAAP zijn instellingen die krachtens de IFRS bepaalde waarderingsvoorschriften voor financiële instrumenten mogen of moeten toepassen, verplicht om, voor zover die voorschriften worden toegepast, de toepasselijke op de IFRS gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles mee te delen. Indien de waarderingsvoorschriften voor financiële instrumenten die instellingen overeenkomstig de op de RJB gebaseerde nationale GAAP mogen of moeten toepassen, naar de waarderingsvoorschriften van IAS 39 verwijzen, delen instellingen voor al hun financiële instrumenten de op de RJB gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles mee totdat de door hen toegepaste waarderingsvoorschriften naar de waarderingsvoorschriften van IFRS 9 verwijzen.

4.1.    Financiële activa

15. Voor financiële activa worden de volgende op de IFRS gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles gebruikt:

(a) 

„Financiële activa aangehouden voor handelsdoeleinden”;

(b) 

„Verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies”;

(c) 

„Financiële activa die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen”;

(d) 

„Tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat”;

(e) 

„Tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële instrumenten”.

16. Voor financiële activa worden de volgende op de nationale GAAP gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles gebruikt:

(a) 

„Financiële activa voor handelsdoeleinden”;

(b) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies”;

c) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen”;

d) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd”;

e) 

„Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden”.

17. „Financiële activa voor handelsdoeleinden” omvat alle financiële activa die volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP als voor handelsdoeleinden zijn geclassificeerd. Ongeacht de volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP toegepaste waarderingsmethode worden alle derivaten met een positief saldo voor de rapporterende instelling die in overeenstemming met punt 22 van dit deel niet onder hedge accounting zijn geclassificeerd, als financiële activa voor handelsdoeleinden gerapporteerd. Die classificatie geldt ook voor derivaten die volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP niet op de balans staan, waarvan enkel de veranderingen in de reële waarde op de balans staan, of die worden gebruikt als economische afdekkingen als omschreven in deel 2, punt 137, van deze bijlage.

18. Wat financiële activa betreft, omvatten „kostprijsmethoden” volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP de waarderingsvoorschriften aan de hand waarvan het schuldinstrument wordt gewaardeerd tegen kostprijs, vermeerderd met de opgelopen rente en verminderd met bijzonderewaardeverminderingsverliezen.

19. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvat „Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd” zowel volgens kostprijsmethoden gewaardeerde financiële instrumenten als instrumenten gewaardeerd tegen kostprijs of marktwaarde, al naargelang welke waarde het laagst is („lower of cost or market” — „LOCOM”), zij het niet continu (gematigde LOCOM-methode), ongeacht de feitelijke waardering op de rapportagereferentiedatum. Volgens de gematigde LOCOM-methode gewaardeerde activa zijn activa waarop de LOCOM-methode enkel in specifieke omstandigheden wordt toegepast. Die omstandigheden, die in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving worden beschreven, omvatten onder meer een bijzondere waardevermindering, een langdurige daling van de reële waarde ten opzichte van de kostprijs, of een verandering in de voornemens van het management.

20. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvat „Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden” financiële activa die niet voor opname in andere boekhoudkundige portefeuilles in aanmerking komen. Die boekhoudkundige portefeuille bevat onder meer financiële activa die continu tegen LOCOM worden gewaardeerd („strikte LOCOM-methode”). Volgens de strikte LOCOM-methode gewaardeerde activa zijn activa die overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving bij eerste opname en daarna tegen LOCOM moeten worden gewaardeerd, dan wel die bij eerste opname tegen kostprijs en daarna tegen LOCOM moeten worden gewaardeerd.

21. Ongeacht de waarderingsmethode ervan, worden investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die volgens de wettelijke consolidatiekring niet geheel of proportioneel zijn geconsolideerd, in „Investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen” gerapporteerd, behalve wanneer deze overeenkomstig IFRS 5 als aangehouden voor verkoop zijn geclassificeerd.

22. „Derivaten — hedge accounting” omvat de derivaten met een positief saldo voor de rapporterende instelling die uit hoofde van de IFRS voor hedge accounting worden aangehouden. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP worden derivaten in de bankportefeuille enkel onder hedge accounting geclassificeerd indien er in het kader van de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP bijzondere boekhoudkundige regels bestaan voor derivaten in de bankportefeuille en de derivaten het risico van een andere positie in de bankportefeuille reduceren.

4.2.    Financiële verplichtingen

23. Voor financiële verplichtingen worden de volgende op de IFRS gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles gebruikt:

(a) 

„Financiële verplichtingen aangehouden voor handelsdoeleinden”;

(b) 

„Financiële verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden aangewezen”;

(c) 

„Tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële verplichtingen”.

24. Voor financiële verplichtingen worden de volgende op de nationale GAAP gebaseerde boekhoudkundige portefeuilles gebruikt:

a) 

„Financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden”;

b) 

„Niet-afgeleide financiële verplichtingen voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd”.

25. „Financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden” omvat alle financiële verplichtingen die volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP als voor handelsdoeleinden zijn geclassificeerd. Ongeacht de volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP toegepaste waarderingsmethode worden alle derivaten met een negatief saldo voor de rapporterende instelling die in overeenstemming met punt 26 van dit deel van de bijlage niet onder hedge accounting zijn geclassificeerd, als financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden gerapporteerd. Die classificatie geldt ook voor derivaten die volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP niet op de balans staan, waarvan enkel de veranderingen in de reële waarde op de balans staan, of die worden gebruikt als economische afdekkingen als omschreven in deel 2, punt 137, van deze bijlage.

26. „Derivaten — hedge accounting” omvat de derivaten met een negatief saldo voor de rapporterende instelling die uit hoofde van de IFRS voor hedge accounting worden aangehouden. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP worden derivaten in de bankportefeuille enkel onder hedge accounting geclassificeerd indien er in het kader van de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP bijzondere boekhoudkundige regels bestaan voor derivaten in de bankportefeuille en de derivaten het risico van een andere positie in de bankportefeuille reduceren.

5.   FINANCIËLE INSTRUMENTEN

27. Voor de toepassing van zowel de bijlagen III en IV als de onderhavige bijlage is „de boekwaarde” het in de balans te rapporteren bedrag. In de boekwaarde van financiële instrumenten is de opgelopen rente inbegrepen. Volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP is de boekwaarde van derivaten ofwel de boekwaarde volgens de nationale GAAP inclusief overlopende posten, premiewaarden en voorzieningen, indien van toepassing, ofwel gelijk aan nul wanneer derivaten niet in de balans zijn opgenomen.

28. Indien overlopende posten van financiële instrumenten inclusief opgelopen rente, premies en disagio of transactiekosten volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP worden opgenomen, worden deze samen met het instrument en niet als overige activa of overige verplichtingen gerapporteerd.

29. Indien zulks overeenkomstig de op de RJB gebaseerde nationale GAAP toepasselijk is, worden „Reductiefactoren voor posities voor handelsdoeleinden tegen reële waarde” gerapporteerd. De reductiefactoren verlagen de waarde van activa voor handelsdoeleinden en verhogen de waarde van verplichtingen voor handelsdoeleinden.

5.1.    Financiële activa

30. Financiële instrumenten worden over de volgende categorieën instrumenten verdeeld: „Kasmiddelen”, „Derivaten”, „Eigenvermogensinstrumenten”, „Schuldbewijzen” en „Leningen en voorschotten”.

31. „Schuldbewijzen” zijn schuldinstrumenten die door de instelling worden aangehouden en die zijn uitgegeven als effecten die geen „leningen” in de zin van de tabel in deel 2 van bijlage 2 bij de ECB BSI-verordening zijn.

32. „Leningen en voorschotten” zijn door instellingen aangehouden schuldinstrumenten die geen effecten zijn. Die post omvat zowel leningen in de zin van de tabel in deel 2 van bijlage 2 bij de ECB BSI-Verordening (met inbegrip van opvraagbare deposito’s bij kredietinstellingen en centrale banken, ongeacht hun classificatie volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving) als voorschotten die niet kunnen worden geclassificeerd als „leningen” in de zin van de tabel in deel 2 van bijlage 2 bij de ECB BSI-verordening „Voorschotten die geen leningen zijn” worden nader omschreven in deel 2, punt 85, g), van deze bijlage.

33. In de FINREP omvat „Schuldinstrumenten”„Leningen en voorschotten” en „Schuldbewijzen”.

5.2.    Brutoboekwaarde

34. Onder brutoboekwaarde van schuldinstrumenten wordt het volgende verstaan:

(a) 

volgens de IFRS en de op de RJB gebaseerde nationale GAAP is de brutoboekwaarde van schuldinstrumenten die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en die geen deel uitmaken van de portefeuille „aangehouden voor handelsdoeleinden” of van de portefeuille „voor handelsdoeleinden”, afhankelijk van de vraag of die schuldinstrumenten als renderend of als niet-renderend zijn geclassificeerd. Voor renderende schuldinstrumenten is de brutoboekwaarde de reële waarde. Voor niet-renderende schuldinstrumenten is de brutoboekwaarde de reële waarde na optelling van geaccumuleerde negatieve wijzigingen van de reële waarde als gevolg van kredietrisico, als omschreven in deel 2, punt 69, van deze bijlage. Voor de bepaling van de brutoboekwaarde worden schuldinstrumenten op het niveau van de afzonderlijke financiële instrumenten gewaardeerd;

(b) 

volgens IFRS is de brutoboekwaarde voor schuldinstrumenten die tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd, de boekwaarde vóór aanpassing voor een eventuele voorziening voor verliezen en voor tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, de boekwaarde vóór aanpassing voor een eventuele voorziening voor verliezen;

(c) 

volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP is voor schuldinstrumenten die zijn geclassificeerd als „Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die op basis van een kostprijsmethode zijn gewaardeerd”, de brutoboekwaarde van aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa gelijk aan de boekwaarde vóór aanpassing voor specifieke voorzieningen voor kredietrisico’s. De brutoboekwaarde van niet aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa is de boekwaarde vóór aanpassing voor algemene voorzieningen voor kredietrisico en algemene voorzieningen voor bankrisico, voor zover deze de boekwaarde beïnvloeden;

(d) 

volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP is de brutoboekwaarde van schuldinstrumenten die zijn geclassificeerd als „Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen” afhankelijk van de vraag of die financiële activa aan vereisten inzake bijzondere waardevermindering onderworpen zijn. Indien zij aan vereisten inzake bijzondere waardevermindering zijn onderworpen, is de brutoboekwaarde de boekwaarde vóór aanpassing voor een geaccumuleerde bijzondere waardevermindering overeenkomstig het in punt c) bepaalde voor wel of niet aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa, dan wel een cumulatief bedrag van de aanpassing van de reële waarde dat als een bijzonderewaardeverminderingsverlies wordt aangemerkt. Indien die financiële activa niet aan vereisten inzake bijzondere waardevermindering zijn onderworpen, is de brutoboekwaarde van die financiële activa voor renderende blootstellingen de reële waarde ervan, en voor niet-renderende blootstellingen de reële waarde na optelling van een eventuele geaccumuleerde negatieve wijziging van de reële waarde als gevolg van kredietrisico;

(e) 

volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP is de brutoboekwaarde van schuldinstrumenten die volgens de strikte of de gematigde LOCOM-methode worden gewaardeerd, de kostprijs wanneer deze in de rapportagereferentieperiode tegen kostprijs worden gewaardeerd. Wanneer die schuldinstrumenten tegen marktwaarde worden gewaardeerd, is de brutoboekwaarde de marktwaarde vóór aanpassing voor waardeaanpassingen als gevolg van kredietrisico;

(f) 

volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP is de brutoboekwaarde van schuldinstrumenten die in „Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden” worden gerapporteerd en die volgens andere waarderingsmethoden dan de LOCOM-methode worden gewaardeerd, de boekwaarde vóór inaanmerkingneming van een eventuele waardeaanpassing die een bijzondere waardevermindering is;

(g) 

voor financiële activa voor handelsdoeleinden in de zin van de op de RJB gebaseerde GAAP of voor voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa in de zin van de IFRS is de brutoboekwaarde de reële waarde. Indien krachtens de op de RJB gebaseerde GAAP op instrumenten voor handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd, reductiefactoren moeten worden toegepast, is de boekwaarde van de financiële instrumenten de reële waarde vóór toepassing van die reductiefactoren.

5.3.    Financiële verplichtingen

35. Financiële verplichtingen worden over de volgende categorieën instrumenten verdeeld: „Derivaten”, „Shortposities”, „Deposito’s”, „Uitgegeven schuldbewijzen” en „Overige financiële verplichtingen”.

36. Voor de toepassing van zowel de bijlagen III en IV als de onderhavige bijlage geldt de definitie van „deposito’s” in de tabel in deel 2 van bijlage 2 bij de ECB BSI-verordening.

37. „Uitgegeven schuldbewijzen” zijn schuldinstrumenten die door de instelling in de vorm van effecten zijn uitgegeven en die geen deposito’s zijn in de zin van de tabel in deel 2 van bijlage 2 bij de ECB BSI-verordening.

38. „Overige financiële verplichtingen” omvat alle financiële verplichtingen die geen derivaten, shortposities, deposito’s en uitgegeven schuldbewijzen zijn.

39. Volgens de IFRS omvat „Overige financiële verplichtingen” verstrekte financiële garanties indien die zijn gewaardeerd ofwel tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (IFRS 9.4.2.1(a)), ofwel tegen het oorspronkelijk opgenomen bedrag, verminderd met het cumulatieve bedrag van de afschrijvingen (IFRS 9.4.2.1(c)(ii)). Toegezegde leningen worden als „Overige financiële verplichtingen” gerapporteerd indien deze zijn geclassificeerd als financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (IFRS 9.4.2.1(a)) of als het gaat om toezeggingen tot het verstrekken van een lening tegen een rente die lager is dan de marktrente (IFRS 9.2.3(c), IFRS 9.4.2.1(d)).

40. Indien toegezegde leningen, financiële garanties en overige gedane toezeggingen worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt elke verandering in de reële waarde, met inbegrip van veranderingen als gevolg van kredietrisico, als „Overige financiële verplichtingen” en niet als „Verstrekte toezeggingen en garanties” gerapporteerd.

41. „Overige financiële verplichtingen” omvat ook te betalen dividenden, te betalen bedragen met betrekking tot posten op tussenrekeningen en overlopende posten, en te betalen bedragen ten aanzien van de toekomstige afwikkeling van effecten- of valutatransacties wanneer te betalen bedragen voor transacties vóór de datum van betaling worden opgenomen.

6.   UITSPLITSING NAAR TEGENPARTIJ

42. Waar een uitsplitsing naar tegenpartij is vereist, worden de volgende sectoren van tegenpartijen gebruikt:

(a) 

centrale banken;

(b) 

overheden: centrale overheden, deelstaat- of regionale overheden, en lokale overheden, met inbegrip van administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen, maar exclusief door deze overheden aangehouden publieke en particuliere vennootschappen die commerciële activiteiten verrichten (welke onder „Kredietinstellingen”, „Andere financiële vennootschappen” of „Niet-financiële vennootschappen” worden gerapporteerd, naargelang van de activiteit ervan); fondsen voor sociale zekerheid, en internationale organisaties zoals instellingen van de Europese Unie, het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen;

(c) 

kredietinstellingen: elke instelling die valt onder de definitie in artikel 4, lid 1, punt 1, VKV („een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening”) en multilaterale ontwikkelingsbanken;

(d) 

andere financiële vennootschappen: alle financiële vennootschappen en quasivennootschappen die geen kredietinstellingen zijn, zoals beleggingsondernemingen, beleggingsfondsen, verzekeringsondernemingen, pensioenfondsen, instellingen voor collectieve belegging en clearinginstituten, alsook alle overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband;

(e) 

niet-financiële vennootschappen: vennootschappen en quasivennootschappen die zich niet bezighouden met financiële intermediatie maar hoofdzakelijk met de productie van marktgoederen en niet-financiële diensten, in de zin van de tabel in deel 3 van bijlage II bij de ECB BSI-verordening;

(f) 

huishoudens: particulieren of groepen particulieren, zoals consumenten, en partijen die uitsluitend voor eigen eindgebruik goederen en niet-financiële diensten produceren, alsmede producenten van marktgoederen en niet-financiële en financiële diensten mits hun activiteiten niet die van quasivennootschappen zijn. Deze categorie omvat ook instellingen zonder winstoogmerk die huishoudens bedienen en die zich hoofdzakelijk bezighouden met de productie van niet-marktgoederen en -diensten die voor specifieke groepen huishoudens zijn bedoeld.

43. De toerekening aan een tegenpartijsector is uitsluitend gebaseerd op de aard van de directe tegenpartij. Blootstellingen die gezamenlijk door meerdere debiteuren zijn aangegaan, worden geclassificeerd op basis van de kenmerken van de debiteur die het meest relevant of bepalend was voor toekenning van de blootstelling door de instelling. Naast andere indelingen wordt de classificatie van gezamenlijk aangegane blootstellingen naar tegenpartijsector, land van vestiging en NACE-codes, bepaald door de kenmerken van de meest relevante of bepalende debiteur.

44. De directe tegenpartijen bij de volgende transacties zijn:

(a) 

bij leningen en voorschotten: de directe leningnemer. Bij handelsvorderingen is de directe leningnemer de tegenpartij die verplicht is de vorderingen te betalen, behalve bij transacties met regres, waarbij de directe leningnemer de overdragende partij van de vorderingen is wanneer de rapporterende instelling niet nagenoeg alle risico’s en voordelen van de eigendom van de overgedragen vorderingen verkrijgt;

(b) 

bij schuldbewijzen (met inbegrip van securitisatie-instrumenten) en eigenvermogensinstrumenten: de emittent van de effecten;

(c) 

bij deposito’s: de deposant;

(d) 

bij shortposities: de tegenpartij van de effectenlening of omgekeerde retrocessieovereenkomst;

(e) 

bij derivaten: de directe tegenpartij van het derivatencontract. Bij centraal geclearde otc-derivaten is de directe tegenpartij het clearinginstituut dat als centrale tegenpartij optreedt. De uitsplitsing naar tegenpartij voor kredietrisicoderivaten betreft de sector waartoe de tegenpartij van het contract (protectiegever of -nemer) behoort;

(f) 

bij verstrekte financiële garanties: de directe tegenpartij van het onderliggende gegarandeerde schuldinstrument;

(g) 

bij toegezegde leningen en overige gedane toezeggingen: de tegenpartij waarvan het kredietrisico door de rapporterende instelling is overgenomen;

(h) 

bij toegezegde leningen, financiële garanties en andere ontvangen toezeggingen: de garantiegever of de tegenpartij die de toezegging aan de rapporterende instelling heeft gedaan.

DEEL 2

INSTRUCTIES MET BETREKKING TOT DE TEMPLATES

1.   BALANS

1.1.    Activa (1.1)

1. „Kasmiddelen” omvat de aangehouden binnenlandse en vreemde bankbiljetten en munten in omloop die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen.

2. „Tegoeden bij centrale banken” omvatten „leningen en voorschotten” die direct opvraagbare tegoeden bij centrale banken zijn.

3. „Overige direct opvraagbare deposito’s” omvatten „leningen en voorschotten” die direct opvraagbare tegoeden bij kredietinstellingen zijn.

4. „Investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen” omvat de investeringen in geassocieerde deelnemingen, joint ventures en dochterondernemingen die volgens de wettelijke consolidatiekring niet geheel of proportioneel zijn geconsolideerd, behalve wanneer deze overeenkomstig IFRS 5 als aangehouden voor verkoop moeten worden geclassificeerd, ongeacht hoe zij worden gewaardeerd, ook als zij volgens de standaarden voor jaarrekeningen mogen worden opgenomen in de verschillende boekhoudkundige portefeuilles die voor financiële instrumenten worden gebruikt. De boekwaarde van investeringen die volgens de vermogensmutatiemethode zijn verwerkt, omvat de gerelateerde goodwill.

5. Activa die geen financiële activa zijn en die vanwege de aard ervan niet bij specifieke balansposten kunnen worden ondergebracht, worden gerapporteerd onder „Overige activa”. Overige activa omvatten onder meer goud, zilver en andere grondstoffen, zelfs wanneer deze met de intentie om te handelen worden aangehouden.

6. Overeenkomstig de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP wordt de boekwaarde van teruggekochte eigen aandelen als „Overige activa” gerapporteerd indien volgens de desbetreffende nationale GAAP de presentatie als actief is toegestaan.

7. „Vaste activa en groepen activa die worden afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop” heeft dezelfde betekenis als in IFRS 5.

1.2.    Verplichtingen (1.2)

8. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP worden voorzieningen voor potentiële verliezen die uit het ineffectieve deel van de afdekkingsrelatie van de portefeuille voortvloeien, gerapporteerd in de rij „Derivaten — hedge accounting” wanneer het verlies uit de waardering van het afdekkingsderivaat voortvloeit, dan wel in de rij „Veranderingen in reële waarde van afgedekte posities bij afdekking van het renterisico van een portefeuille” wanneer het verlies uit de waardering van de afgedekte positie voortvloeit. Wanneer geen onderscheid kan worden gemaakt tussen verliezen die uit de waardering van het afdekkingsderivaat voortvloeien en verliezen die uit de waardering van de afgedekte positie voortvloeien, worden alle voorzieningen voor potentiële verliezen die uit het ineffectieve deel van de afdekkingsrelatie van de portefeuille voortvloeien, in de rij „Derivaten — hedge accounting” gerapporteerd.

9. „Voorzieningen voor pensioenverplichtingen en andere verplichtingen uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen” omvat het bedrag van de nettoverplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten.

10. Volgens de IFRS omvatten voorzieningen voor „Overige langetermijnpersoneelsbeloningen” het bedrag van de tekorten in de in alinea IAS 19.153 genoemde regelingen inzake langetermijnpersoneelsbeloningen. De te betalen lasten uit hoofde van kortetermijnpersoneelsbeloningen (IAS 19.11(a)), toegezegdebijdragenregelingen (IAS 19.51(a)) en ontslagvergoedingen (IAS 19.169(a)) worden onder „Overige verplichtingen” opgenomen.

11. Volgens de IFRS omvatten voorzieningen voor „Verstrekte toezeggingen en garanties” de met alle toezeggingen en garanties verband houdende voorzieningen, ongeacht of de bijzondere waardevermindering ervan in overeenstemming met IFRS 9 is bepaald, of de voorziening daarvoor overeenkomstig IAS 37 is gevormd, dan wel of deze als verzekeringscontracten in de zin van IFRS 4 worden behandeld. In overeenstemming met deel 1, punt 40, van deze bijlage worden uit toezeggingen en financiële garanties voortvloeiende verplichtingen die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, ook al zijn zij aan kredietrisico toe te rekenen, niet als voorzieningen gerapporteerd, maar als „Overige financiële verplichtingen”. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvatten voorzieningen voor „Verstrekte toezeggingen en garanties” de met alle toezeggingen en garanties verband houdende voorzieningen.

12. „Direct opvraagbaar aandelenkapitaal” omvat de door de instelling uitgegeven kapitaalinstrumenten die niet voldoen aan de criteria voor indeling onder eigen vermogen. In deze post rapporteren de instellingen de aandelen van coöperaties die niet voldoen aan de criteria voor indeling onder eigen vermogen.

13. Verplichtingen die geen financiële verplichtingen zijn en die vanwege de aard ervan niet in specifieke balansposten kunnen worden ondergebracht, worden gerapporteerd onder „Overige verplichtingen”.

14. „Verplichtingen die deel uitmaken van groepen activa die worden afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop” heeft dezelfde betekenis als in IFRS 5.

15. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP zijn „Fondsen voor algemeen bankrisico” bedragen die overeenkomstig artikel 38 RJB zijn toegewezen. Wanneer deze bedragen worden opgenomen, worden ze in overeenstemming met de desbetreffende nationale GAAP afzonderlijk gerapporteerd, ofwel als verplichtingen onder „Voorzieningen”, ofwel als eigen vermogen onder „Overige reserves”.

1.3.    Eigen vermogen (1.3)

16. Volgens de IFRS omvatten eigenvermogensinstrumenten die financiële instrumenten zijn, de contracten die binnen het toepassingsgebied van IAS 32 vallen.

17. Volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP omvat „Opgevraagd niet-gestort kapitaal” de boekwaarde van door de instelling uitgegeven kapitaal dat bij de intekenaars is opgevraagd maar op de referentiedatum nog niet is gestort. Indien een nog niet gestorte kapitaalverhoging als een verhoging van het aandelenkapitaal wordt gerapporteerd, wordt het opgevraagde niet-gestorte kapitaal zowel in „Opgevraagd niet-gestort kapitaal” in template 1.3 als in „Overige activa” in template 1.1 gerapporteerd. Indien een kapitaalverhoging volgens de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP pas na ontvangst van de betaling van de aandeelhouders kan worden geboekt, wordt het niet-gestorte kapitaal niet in template 1.3 gerapporteerd.

18. „Eigenvermogenscomponent van samengestelde financiële instrumenten” omvat de eigenvermogenscomponent van door de instelling uitgegeven samengestelde financiële instrumenten (d.w.z. financiële instrumenten die zowel een verplichtings- als een eigenvermogenscomponent bevatten), wanneer deze overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving is gescheiden (met inbegrip van samengestelde financiële instrumenten met meerdere in de contracten besloten derivaten die, wat hun waarde betreft, van elkaar afhankelijk zijn).

19. „Overige uitgegeven eigenvermogensinstrumenten” omvat eigenvermogensinstrumenten die financiële instrumenten zijn die geen „Kapitaal” en „Eigenvermogenscomponent van samengestelde financiële instrumenten” zijn.

20. „Overig eigen vermogen” omvat alle eigenvermogensinstrumenten die geen financiële instrumenten zijn, met inbegrip van, onder andere, in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties (IFRS 2.10).

21. „Veranderingen in reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” omvat de geaccumuleerde winsten en verliezen die toe te rekenen zijn aan veranderingen in de reële waarde van beleggingen in eigenvermogensinstrumenten waarvoor de rapporterende entiteit de onherroepelijke keuze gemaakt heeft veranderingen in de reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren.

22. „Afdekkingsineffectiviteit van reëlewaardeafdekkingen voor eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” omvat de geaccumuleerde afdekkingsineffectiviteit die zich voordoet bij reëlewaardeafdekkingen waarbij de afgedekte positie een eigenvermogensinstrument is dat tegen reële waarde is gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. De in deze rij gerapporteerde afdekkingsineffectiviteit is het verschil tussen de geaccumuleerde verandering in de reële waarde van het eigenvermogensinstrument gerapporteerd in „Veranderingen in reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (afgedekte positie)” en de geaccumuleerde veranderingen in de reële waarde van het afdekkingsderivaat gerapporteerd in „Veranderingen in reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (afdekkingsinstrument)” (IFRS 9.6.5.3 en IFRS 9.6.5.8).

23. „Veranderingen in reële waarde van financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wegens veranderingen in het kredietrisico ervan” omvat de geaccumuleerde winsten en verliezen die in de overige onderdelen van het totaalresultaat zijn opgenomen en die verband houden met het eigen kredietrisico van verplichtingen die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, ongeacht of de aanwijzing bij eerste opname of daarna plaatsvindt.

24. „Afdekking van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten (effectief deel)” omvat de valutaomrekeningsreserve voor het effectieve deel van zowel lopende afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten als niet meer toepasselijke afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten terwijl de buitenlandse activiteiten nog steeds op de balans staan.

25. „Afdekkingsderivaten. Reserve voor kasstroomafdekkingen (effectief deel)” omvat de kasstroomafdekkingsreserve voor het effectieve deel van de verandering in de reële waarde van afdekkingsderivaten bij een kasstroomafdekking, zowel voor lopende kasstroomafdekkingen als voor niet meer toepasselijke kasstroomafdekkingen.

26. „Veranderingen in reële waarde van schuldinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” omvat de geaccumuleerde winsten of verliezen op schuldinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, na aftrek van de op de rapportagedatum in overeenstemming met IFRS 9.5.5 gewaardeerde voorziening voor verliezen.

27. „Afdekkingsinstrumenten (niet aangewezen onderdelen)” omvat de geaccumuleerde veranderingen in de reële waarde van al hetgeen volgt:

(a) 

de tijdswaarde van een optie wanneer de veranderingen in de tijdswaarde en in de intrinsieke waarde van de optie zijn gesplitst en alleen de verandering in de intrinsieke waarde als afdekkingsinstrument is aangewezen (IFRS 9.6.5.15);

(b) 

het termijnelement van een termijncontract wanneer het termijnelement en het contante element van het termijncontract zijn gesplitst en alleen de verandering in het contante element van het termijncontract als afdekkingsinstrument is aangewezen;

(c) 

de valutabasisspread van een financieel instrument wanneer deze spread van de aanwijzing van het financiële instrument als afdekkingsinstrument is uitgesloten (IFRS 9.6.5.15, IFRS 9.6.5.16).

28. Overeenkomstig de IFRS omvat „Herwaarderingsreserves” het bedrag aan reserves die uit de eerste toepassing van de IAS voortvloeien en die niet zijn vrijgevallen ten gunste van andere soorten reserves.

29. „Overige reserves” wordt opgesplitst in „Reserves of geaccumuleerde verliezen op investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die met behulp van de vermogensmutatiemethode administratief zijn verwerkt” en „Overige”. „Reserves of geaccumuleerde verliezen op investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die met behulp van de vermogensmutatiemethode administratief zijn verwerkt” omvat het cumulatieve bedrag aan baten en lasten dat via de winst-en-verliesrekening door de voornoemde investeringen is gerealiseerd in eerdere jaren toen deze administratief werden verwerkt volgens de vermogensmutatiemethode. „Overige” omvat de andere reserves dan de afzonderlijk in andere posten opgegeven reserves en kan ook wettelijke en statutaire reserves omvatten.

30. „Eigen aandelen” heeft betrekking op alle financiële instrumenten met de kenmerken van eigenvermogensinstrumenten die door de instelling zijn ingekocht maar niet worden verkocht of geamortiseerd, behalve wanneer zij overeenkomstig de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP in „Overige activa” worden gerapporteerd.

2.   WINST-EN-VERLIESREKENING (2)

31. Rentebaten en -lasten uit financiële instrumenten die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en uit afdekkingsderivaten die in de categorie „Hedge accounting” zijn ondergebracht, worden ofwel afzonderlijk van andere winsten en verliezen in de posten „Rentebaten” en „Rentelasten” (de zogeheten „clean price”) gerapporteerd, ofwel als onderdeel van de winsten of verliezen uit hoofde van deze categorieën instrumenten (de zogeheten „dirty price”). De op de „clean price” of „dirty price” gebaseerde benadering wordt consequent toegepast op alle financiële instrumenten die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, alsook op afdekkingsderivaten die in de categorie „Hedge accounting” zijn ondergebracht.

32. Instellingen rapporteren de volgende posten, die de baten en de lasten omvatten met betrekking tot verbonden partijen die volgens de wettelijke consolidatiekring niet geheel of proportioneel zijn geconsolideerd, uitgesplitst naar boekhoudkundige portefeuille:

(a) 

„Rentebaten”;

(b) 

„Rentelasten”;

(c) 

„Dividendbaten”;

(d) 

„Winsten of verliezen bij uitboeking van financiële activa en verplichtingen die niet tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, netto”;

(e) 

„Herzieningswinsten of -verliezen, netto”;

(f) 

„Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies”.

33. „Rentebaten. Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa” en „Rentelasten. Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële verplichtingen” omvatten, wanneer de „clean price” wordt gebruikt, de bedragen gerelateerd aan de derivaten die in de categorie „Voor handelsdoeleinden aangehouden” zijn ondergebracht en die wel vanuit economisch maar niet vanuit boekhoudkundig perspectief afdekkingsinstrumenten zijn, zodat de rentebaten en -lasten uit de afgedekte financiële instrumenten correct worden weergegeven.

34. Wanneer de „clean price” wordt gebruikt, omvatten „Rentebaten. Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa” en „Rentelasten. Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële verplichtingen” ook pro rata temporis toegerekende provisies en compensatiebetalingen met betrekking tot tegen reële waarde gewaardeerde kredietderivaten die zijn gebruikt om het kredietrisico te beheren van een financieel instrument of een gedeelte daarvan dat bij die gelegenheid als gewaardeerd tegen reële waarde is aangewezen (IFRS 9.6.7).

35. „Rentebaten. Derivaten — hedge accounting, renterisico” en „Rentelasten. Derivaten — hedge accounting, renterisico” omvatten, wanneer de „clean price” wordt gebruikt, de bedragen gerelateerd aan de derivaten die in de categorie „Hedge accounting” zijn ondergebracht en die het renterisico afdekken, met inbegrip van afdekkingen van een groep posten met elkaar compenserende risicoposities (afdekkingen van een nettopositie) waarvan het afgedekte risico van invloed is op verschillende posten van de winst-en-verliesrekening. Wanneer de „clean price” wordt gebruikt, worden die bedragen als rentebaten en -lasten op brutobasis gerapporteerd om de correcte rentebaten en -lasten uit de afgedekte posities waarmee zij verband houden, weer te geven. Wanneer de afgedekte positie bij een „clean price” rentebaten (rentelasten) genereert, worden die bedragen als rentebaten (rentelasten) gerapporteerd, ook al betreft het een negatief (positief) bedrag.

36. „Rentebaten — overige activa” omvat de bedragen aan niet in andere posten opgenomen rentebaten, zoals rentebaten die gerelateerd zijn aan kasmiddelen, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s, alsmede aan voor handelsdoeleinden aangehouden geclassificeerde vaste activa en groepen activa die worden afgestoten, en netto rentebaten uit netto-activa die met toegezegde pensioenrechten samenhangen.

37. Volgens de IFRS en indien in de nationale GAAP niet anders is bepaald, wordt rente met betrekking tot financiële verplichtingen met een negatieve effectieve rentevoet gerapporteerd in „Rentebaten uit financiële verplichtingen”. Die verplichtingen en de rente daarop geven aanleiding tot een positief rendement voor een instelling.

38. „Rentelasten — overige verplichtingen” omvat de bedragen aan niet in andere posten opgenomen rentelasten, zoals rentelasten die gerelateerd zijn aan verplichtingen die deel uitmaken van als aangehouden voor verkoop geclassificeerde groepen activa die worden afgestoten, lasten afkomstig van de naar tijdsverloop gestegen boekwaarde van een voorziening of netto rentelasten uit nettoverplichtingen die met toegezegde pensioenrechten samenhangen.

39. Volgens de IFRS en indien in de nationale GAAP niet anders is bepaald, wordt rente met betrekking tot financiële activa met een negatieve effectieve rentevoet gerapporteerd in „Rentelasten uit financiële activa”. Die activa en de rente daarop geven aanleiding tot een negatief rendement voor een instelling.

40. Dividendbaten uit eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden ofwel afzonderlijk van andere winsten en verliezen uit hoofde van die categorieën instrumenten als „Dividendbaten” gerapporteerd wanneer de „clean price” wordt gebruikt, ofwel als onderdeel van de winsten en verliezen uit hoofde van die categorieën instrumenten wanneer de „dirty price” wordt gebruikt.

41. Dividendbaten uit eigenvermogensinstrumenten die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat zijn aangewezen, omvatten dividenden die verband houden met instrumenten die gedurende de rapportagereferentieperiode zijn uitgeboekt en dividenden die verband houden met aan het einde van de rapportagereferentieperiode aangehouden instrumenten.

42. Dividendbaten uit investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen omvatten de dividenden van die investeringen wanneer deze volgens een andere dan de vermogensmutatiemethode administratief zijn verwerkt.

43. „Winsten of (—) verliezen uit financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, netto” omvat de winsten en verliezen als gevolg van de herwaardering en uitboeking van financiële instrumenten die als voor handelsdoeleinden aangehouden waren geclassificeerd. Deze post bevat ook de winsten en verliezen op kredietderivaten die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en die zijn gebruikt om het kredietrisico te beheren van een financieel instrument of een gedeelte daarvan dat als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is aangewezen, alsook de dividend- en rentebaten en -lasten uit voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa en verplichtingen wanneer de „dirty price” wordt gebruikt.

44. „Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen” omvat ook het in de winst-en-verliesrekening opgenomen bedrag van het eigen kredietrisico van verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde zijn aangewezen wanneer de opname van veranderingen in het eigen kredietrisico in de overige onderdelen van het totaalresultaat aanleiding geeft tot het ontstaan of de vergroting van een accounting mismatch (IFRS 9.5.7.8). Deze post bevat ook de winsten en verliezen op de afdekkingsinstrumenten die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen wanneer de aanwijzing is gebruikt om het kredietrisico te beheren, alsook de rentebaten en -lasten uit financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen wanneer de „dirty price” wordt gebruikt.

45. „Winsten of (—) verliezen bij uitboeking van financiële activa en verplichtingen die niet tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” omvat geen winsten op eigenvermogensinstrumenten waarvoor een rapporterende entiteit de keuze heeft gemaakt deze te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (IFRS 9.5.7.1(b)).

46. Indien een wijziging in het bedrijfsmodel tot de herclassificatie van een financieel actief in een andere boekhoudkundige portefeuille leidt, worden de uit de herclassificatie voortvloeiende winsten of verliezen in overeenstemming met het onderstaande gerapporteerd in de desbetreffende rijen van de boekhoudkundige portefeuille waarin het financiële actief is geherclassificeerd:

(a) 

wanneer een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs naar de boekhoudkundige portefeuille gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt geherclassificeerd (IFRS 9.5.6.2), worden uit een herclassificatie voortvloeiende winsten of verliezen gerapporteerd in „Winsten of (—) verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, netto” of „Winsten of (—) verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, netto”, al naargelang het geval;

(b) 

wanneer een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt geherclassificeerd (IFRS 9.5.6.7), worden de voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen cumulatieve winsten of verliezen die als winst of verlies zijn geherclassificeerd, gerapporteerd in „Winsten of (—) verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, netto” of „Winsten of (—) verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, netto”, al naargelang het geval.

47. „Winsten of (—) verliezen uit hoofde van hedge accounting, netto” omvat winsten en verliezen op afdekkingsinstrumenten en op afgedekte posities, met inbegrip van die op afgedekte posities die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat en die geen eigenvermogensinstrumenten zijn, in het kader van een reëlewaardeafdekking in overeenstemming met IFRS 9.6.5.8. Deze post omvat ook het ineffectieve deel van de verandering in de reële waarde van de afdekkingsinstrumenten in het kader van een kasstroomafdekking. De herclassificaties van de reserve voor kasstroomafdekkingen of van de reserve voor afdekkingen van een netto-investering in een buitenlandse activiteit worden in dezelfde rijen van de winst-en-verliesrekening opgenomen als die welke door de kasstromen van de afgedekte posities worden beïnvloed. „Winsten of (—) verliezen uit hoofde van hedge accounting, netto” omvat ook de winsten en verliezen uit hoofde van afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten. Deze post omvat ook winsten op afdekkingen van nettoposities.

48. „Winsten of verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa” omvat de winsten en verliezen bij de uitboeking van niet-financiële activa, behalve wanneer deze als aangehouden voor verkoop of als investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen zijn geclassificeerd.

48i. „Bijdragen in contanten aan afwikkelingsfondsen en depositogarantiestelsels” omvatten de bedragen van bijdragen aan afwikkelingsfondsen en depositogarantiestelsels indien deze in contanten worden voldaan. Wanneer de bijdrage plaatsvindt in de vorm van een betalingsverplichting, wordt deze betalingsverplichting opgenomen in „voorzieningen of (—) terugneming van voorzieningen” indien de betalingsverplichting overeenkomstig de toepasselijke standaard voor jaarrekeningen tot een verplichting leidt.

49. „Herzieningswinsten of (—) -verliezen, netto” bevat de bedragen die uit de aanpassing van de brutoboekwaarde van de financiële activa voortvloeien om de heronderhandelde of herziene contractuele kasstromen te weerspiegelen (IFRS 9.5.4.3 en bijlage A). In de herzieningswinsten of -verliezen is geen rekening gehouden met het effect van herzieningen op het bedrag van de te verwachten kredietverliezen, dat wordt gerapporteerd in „Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies”.

50. „Voorzieningen of (—) terugneming van voorzieningen. Verstrekte toezeggingen en garanties” omvat de in de winst-en-verliesrekening opgenomen nettolasten voor voorzieningen voor alle toezeggingen en garanties die overeenkomstig punt 11 van dit deel of volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP binnen het toepassingsgebied van IFRS 9, IAS 37 of IFRS 4 vallen. Volgens de IFRS worden alle veranderingen in de reële waarde van tegen reële waarde gewaardeerde toezeggingen en financiële garanties gerapporteerd in „Winsten of (—) verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, netto”. De voorzieningen omvatten derhalve het bedrag van de bijzondere waardevermindering van de toezeggingen en garanties waarvan de bijzondere waardevermindering in overeenstemming met IFRS 9 is bepaald, waarvan de voorziening daarvoor overeenkomstig IAS 37 is gevormd, of die als verzekeringscontracten in de zin van IFRS 4 worden behandeld.

51. Volgens de IFRS omvat „Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” alle bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen op schuldinstrumenten die uit de toepassing van de bijzonderewaardeverminderingsvoorschriften van IFRS 9.5.5 voortvloeien, ongeacht of de in overeenstemming met IFRS 9.5.5 te verwachten kredietverliezen over een periode van twaalf maanden of de gehele looptijd worden geraamd, met inbegrip van de bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen op handelsvorderingen, contractactiva en leasevorderingen (IFRS 9.5.5.15).

52. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvat „Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” zowel alle voorzieningen en terugnemingen van voorzieningen van op basis van kostprijsmethoden gewaardeerde financiële instrumenten vanwege de wijziging in de kredietwaardigheid van de debiteur of emittent, als, naargelang van de specificaties van de nationale GAAP, de voorzieningen als gevolg van de bijzondere waardevermindering van financiële instrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen en volgens andere waarderingsmethoden, met inbegrip van de LOCOM-methode.

53. „Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” omvat ook de afgeschreven bedragen (als omschreven in punt 72, punt 74 en punt 165, b), van dit deel van deze bijlage) die op de afschrijvingsdatum hoger waren dan het bedrag van de voorziening voor verliezen en die bijgevolg rechtstreeks in de winst-en-verliesrekening zijn opgenomen, alsook van voorheen afgeschreven bedragen die rechtstreeks in de winst-en-verliesrekening zijn geboekt.

54. Het aandeel in de winst of het verlies van dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die volgens de vermogensmutatiemethode administratief in de wettelijke consolidatiekring zijn verwerkt, wordt gerapporteerd in „Aandeel in de winst of (—) het verlies van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die met behulp van de vermogensmutatiemethode administratief zijn verwerkt”. Overeenkomstig IAS 28.10 wordt de boekwaarde van de investeringen verminderd met het bedrag van de door die entiteiten uitgekeerde dividenden. De bijzondere waardeverminderingen van die investeringen worden gerapporteerd in „(Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen)”. De winsten of verliezen bij de uitboeking van deze investeringen worden gerapporteerd in overeenstemming met de punten 55 en 56 van dit deel.

55. „Winsten of verliezen van als aangehouden voor verkoop geclassificeerde en niet als beëindigde bedrijfsactiviteiten in aanmerking komende vaste activa en groepen activa die worden afgestoten” omvat de winsten of verliezen die worden gegenereerd door als aangehouden voor verkoop geclassificeerde en niet als beëindigde bedrijfsactiviteiten in aanmerking komende vaste activa en groepen activa die worden afgestoten.

56. Volgens de IFRS worden de winsten of verliezen bij de uitboeking van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen gerapporteerd in „Winst of (—) verlies vóór belasting uit beëindigde activiteiten” wanneer deze investeringen als beëindigde activiteiten in de zin van IFRS 5 worden beschouwd. Indien investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen gerapporteerd worden uitgeboekt dat zij voordien als voor handelsdoeleinden aangehouden waren geclassificeerd en zonder dat zij op grond van IFRS 5 als beëindigde activiteiten werden beschouwd, wordt de winst of het verlies bij het niet langer opnemen van deze investeringen gerapporteerd in „Winsten of (—) verliezen bij uitboeking van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde ondernemingen, netto”, ongeacht de consolidatiemethode die wordt toegepast. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP worden alle winsten en verliezen van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen gerapporteerd in „Winsten of (—) verliezen bij uitboeking van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde ondernemingen, netto”.

3.   OVERZICHT VAN HET TOTAALRESULTAAT (3)

57. „Winsten of (—) verliezen uit hoofde van hedge accounting van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” omvat de verandering in de geaccumuleerde afdekkingsineffectiviteit die zich voordoet bij reëlewaardeafdekkingen waarbij de afgedekte positie een eigenvermogensinstrument is dat tegen reële waarde is gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. De in deze rij gerapporteerde verandering in de geaccumuleerde afdekkingsineffectiviteit is het verschil tussen de wijzigingen in de verandering in de reële waarde van het eigenvermogensinstrument gerapporteerd in „Veranderingen in reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (afgedekte post)” en de wijzigingen in de verandering in de reële waarde van het afdekkingsderivaat gerapporteerd in „Veranderingen in reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (afdekkingsinstrument)”.

58. „Afdekking van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten (effectief deel)” omvat de verandering in de geaccumuleerde valutaomrekeningsreserve voor het effectieve deel van zowel lopende als beëindigde afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten.

59. Voor afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten en kasstroomafdekkingen omvatten de respectieve bedragen die in „Overgeboekt naar winst of verlies” zijn gerapporteerd, de bedragen die zijn overgeboekt omdat de afgedekte stromen zich hebben voorgedaan en zich naar verwachting niet meer zullen voordoen.

60. „Afdekkingsinstrumenten (niet aangewezen onderdelen)” omvat veranderingen in de geaccumuleerde veranderingen in de reële waarde van al hetgeen volgt wanneer deze onderdelen niet als een component van een afdekking zijn aangewezen:

(a) 

tijdswaarde van opties;

(b) 

termijnelementen van termijncontracten;

(c) 

valutabasisspread van financiële instrumenten.

61. Voor opties omvatten de bedragen die naar winst of verlies zijn geherclassificeerd en die in „Overgeboekt naar winst of verlies” zijn gerapporteerd, herclassificaties als gevolg van opties die een transactiegerelateerde afgedekte positie afdekken en opties die een periodegerelateerde afgedekte positie afdekken.

62. „Tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” omvat winsten of verliezen op tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat welke geen bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen en geen winsten en verliezen uit wisselkoersverschillen zijn, die worden gerapporteerd in respectievelijk „(Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardeverminderingen van financiële activa die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies)” en „Wisselkoersverschillen (winsten of (—) verliezen), netto” in template 2. „Overgeboekt naar winst of verlies” omvat met name het naar winst of verlies overgeboekte bedrag als gevolg van de uitboeking of de herclassificatie naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

63. Wanneer een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt geherclassificeerd (IFRS 9.5.6.4), worden de uit de herclassificatie voortvloeiende winsten of verliezen gerapporteerd in „Tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat”.

64. Wanneer een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt geherclassificeerd naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (IFRS 9.5.6.7) of naar de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs (IFRS 9.5.6.5), worden de geherclassificeerde cumulatieve winsten en verliezen die voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat waren opgenomen, gerapporteerd in respectievelijk „Overgeboekt naar winst of verlies” en „Andere herindelingen”, waarbij in het laatstgenoemde geval de boekwaarde van het financiële actief wordt aangepast.

65. Voor alle componenten van de overige onderdelen van het totaalresultaat omvat „Andere herindelingen” alle andere overboekingen dan de herclassificaties uit de overige onderdelen van het totaalresultaat naar de winst of het verlies of naar de eerste boekwaarde van afgedekte posities bij kasstroomafdekkingen.

66. Volgens de IFRS worden „Inkomstenbelasting gerelateerd aan posten die niet worden hergeclassificeerd” en „Inkomstenbelasting gerelateerd aan posten die kunnen worden geherclassificeerd bij winst of (—) verlies” (IAS 1.91 (b), TL6) als afzonderlijke posten gerapporteerd.

4.   UITSPLITSING VAN FINANCIËLE ACTIVA NAAR INSTRUMENT EN NAAR SECTOR VAN DE TEGENPARTIJ (4)

67. Financiële activa worden uitgesplitst naar boekhoudkundige portefeuille en instrument en — indien vereist — naar tegenpartij. Voor tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat en tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde schuldinstrumenten wordt de brutoboekwaarde van activa en geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen uitgesplitst naar bijzonderewaardeverminderingsfasen, behalve indien het verworven of gecreëerde financiële activa betreft met verminderde kredietwaardigheid bij eerste opname als omschreven in bijlage A bij IFRS 9. Voor deze activa wordt de brutoboekwaarde en de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering afzonderlijk gerapporteerd, buiten de bijzonderewaardeverminderingsfases, in de templates 4.3.1 en 4.4.1.

68. Derivaten die volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP als financiële activa voor handelsdoeleinden worden gerapporteerd, omvatten zowel tegen reële waarde gewaardeerde instrumenten als op basis van kostprijsmethoden of volgens de LOCOM-methode gewaardeerde instrumenten.

69. Voor de toepassing van zowel de bijlagen III en IV als deze bijlage wordt onder „geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico” met betrekking tot niet-renderende blootstellingen het volgende verstaan: geaccumuleerde veranderingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico waarbij de geaccumuleerde nettoverandering negatief is. De geaccumuleerde nettoverandering in de reële waarde als gevolg van kredietrisico wordt berekend door optelling van alle negatieve en positieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico welke zich sinds de opname van het schuldinstrument hebben voorgedaan. Dat bedrag wordt enkel gerapporteerd indien de optelling van de positieve en negatieve veranderingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico in een negatief bedrag resulteert. De schuldinstrumenten worden op het niveau van de afzonderlijke financiële instrumenten gewaardeerd. Voor elk schuldinstrument wordt de post „Geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico” gerapporteerd totdat het instrument wordt uitgeboekt.

70. Voor de toepassing van zowel de bijlagen III en IV als de onderhavige bijlage wordt onder „geaccumuleerde bijzondere waardevermindering” het volgende verstaan:

(a) 

voor schuldinstrumenten gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs of op basis van een kostprijsmethode, die geen verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn, is de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering het cumulatieve bedrag van bijzonderewaardeverminderingsverliezen, na aftrek van opgenomen en teruggenomen bedragen die zijn geboekt, in voorkomend geval voor elk van de bijzonderewaardeverminderingsfasen. De geaccumuleerde bijzondere waardevermindering resulteert in een verlaging van de boekwaarde van het schuldinstrument via het gebruik van een voorziening in het kader van de IFRS en de op de RJB gebaseerde nationale GAAP, dan wel via directe verlagingen die volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP geen uitboekingsgebeurtenis vormen;

(b) 

voor in het kader van de IFRS tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat die geen verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn, is de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering de som van de te verwachten kredietverliezen en de veranderingen daarin die zijn opgenomen als een vermindering van de reële waarde van een gegeven instrument sinds de eerste opname ervan;

(c) 

voor volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen welke een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan: het cumulatieve bedrag van de bijzonderewaardeverminderingsverliezen, na aftrek van opgenomen en teruggenomen bedragen die zijn geboekt. De verlaging van de boekwaarde is bewerkstelligd ofwel via het gebruik van een voorziening, ofwel via directe verlagingen die geen uitboekingsgebeurtenis vormen.

(d) 

voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid wordt de initiële raming van tijdens de looptijd verwachte kredietverliezen opgenomen in de berekening van de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet en is de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering de som van de nadien tijdens de looptijd sinds de eerste opname verwachte veranderingen in kredietverliezen die zijn opgenomen als een vermindering van de boekwaarde/reële waarde van een gegeven instrument. Geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen van verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid kunnen positief zijn in het geval van bijzonderewaardeverminderingswinsten die eerder opgenomen bijzonderewaardeverminderingsverliezen overschrijden (IFRS 9.5.5.14).

71. Volgens de IFRS omvat de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering de voorziening voor te verwachten kredietverliezen voor financiële activa in elk van de bijzonderewaardeverminderingsfasen waarin IFRS 9 voorziet, en de voorziening voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvat zij zowel de specifieke en algemene voorziening voor kredietrisico als de algemene voorziening voor bankrisico wanneer deze in een vermindering van de boekwaarde van schuldinstrumenten resulteert. De geaccumuleerde bijzondere waardevermindering omvat ook de waardeaanpassingen van financiële activa als gevolg van kredietrisico in het kader van de LOCOM-methode.

72. „Geaccumuleerde gedeeltelijke afschrijvingen” en „Geaccumuleerde totale afschrijvingen” omvatten respectievelijk het cumulatieve gedeeltelijke en totale bedrag op de referentiedatum van de hoofdsom, de achterstandsrente en de provisies van alle schuldinstrumenten die tot die datum volgens de in punt 74 beschreven methoden zijn uitgeboekt omdat de instelling niet in redelijkheid verwacht dat de contractuele kasstromen realiseerbaar zullen zijn. Die bedragen worden gerapporteerd tot alle rechten van de rapporterende instelling geheel zijn komen te vervallen (als gevolg van verjaring, kwijtschelding of anderszins), dan wel tot het moment van terugvordering. Wanneer de afgeschreven bedragen niet zijn teruggevorderd, worden zij derhalve gerapporteerd terwijl uitwinningsactiviteiten aan de gang zijn.

73. Wanneer een schuldinstrument vanwege achtereenvolgende gedeeltelijke afschrijvingen uiteindelijk volledig is afgeschreven, wordt het cumulatieve afgeschreven bedrag geherclassificeerd uit de kolom „Geaccumuleerde gedeeltelijke afschrijvingen” naar de kolom „Geaccumuleerde totale afschrijvingen”.

74. Afschrijvingen vormen een uitboekingsgebeurtenis en hebben betrekking op een financieel actief in zijn geheel of op een deel ervan, ook wanneer de herziening van een actief ertoe leidt dat de instelling afstand doet van haar recht op het ontvangen van kasstromen op een deel of het geheel van dit actief, zoals verder wordt uitgelegd in punt 72. Afschrijvingen omvatten bedragen die het gevolg zijn van zowel rechtstreeks in de winst-en-verliesrekening opgenomen verminderingen van de boekwaarde van financiële activa als van verlagingen van de bedragen van de voorzieningen voor kredietverliezen welke ten laste worden gebracht van de boekwaarde van financiële activa.

75. De kolom „waarvan: instrumenten met een laag kredietrisico” omvat instrumenten waarvan op de rapportagedatum is vastgesteld dat daaraan een laag kredietrisico verbonden is en waarvoor de instelling in overeenstemming met IFRS 9.5.5.10 aanneemt dat het kredietrisico sinds de eerste opname niet significant is toegenomen.

76. Handelsvorderingen in de zin van IAS 1.54(h), contractactiva en leasevorderingen waarvoor voor de raming van de voorziening voor verliezen de vereenvoudigde benadering van IFRS 9.5.5.15 is toegepast, worden in template 4.4.1 in leningen en voorschotten gerapporteerd. De overeenkomstige voorziening voor verliezen voor die activa die geen verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn, wordt ofwel in „Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering van activa met significante toename van het kredietrisico sinds de eerste opname maar die geen financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn (fase 2)”, ofwel in „Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering van activa met verminderde kredietwaardigheid (fase 3)” gerapporteerd, al naargelang het antwoord op de vraag of de handelsvorderingen, contractactiva of leasevorderingen volgens de vereenvoudigde benadering als activa met verminderde kredietwaardigheid worden aangemerkt.

78. In template 4.5 rapporteren instellingen de boekwaarde van „Leningen en voorschotten” en „Schuldbewijzen” die onder de definitie van „achtergestelde schuld” in punt 100 van dit deel vallen.

79. In template 4.8 is de te rapporteren informatie afhankelijk van het antwoord op de vraag of de niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden die tegen reële waarde zijn gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen, volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP aan vereisten inzake bijzondere waardevermindering onderworpen kunnen zijn. Wanneer die financiële activa een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, rapporteren instellingen in deze template informatie over de boekwaarde, de brutoboekwaarde van niet aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa en aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa, de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering en de geaccumuleerde afschrijvingen. Wanneer die financiële activa geen bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, rapporteren instellingen de geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot niet-renderende blootstellingen.

80. In template 4.9 worden de volgens de gematigde LOCOM-methode gewaardeerde financiële activa en de gerelateerde waardeaanpassingen ervan afzonderlijk van de andere volgens de kostprijsmethode gewaardeerde activa en de gerelateerde bijzondere waardeverminderingen ervan gerapporteerd. Volgens een kostprijsmethode gewaardeerde financiële activa, met inbegrip van volgens de gematigde LOCOM-methode gewaardeerde financiële activa, worden gerapporteerd als niet aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa wanneer daaraan geen waardeaanpassingen of bijzondere waardeverminderingen gerelateerd zijn, en als aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa wanneer daaraan als bijzondere waardeverminderingen aan te merken waardeaanpassingen of bijzondere waardeverminderingen gerelateerd zijn. Als bijzondere waardeverminderingen aan te merken waardeaanpassingen zijn waardeaanpassingen als gevolg van kredietrisico welke de verslechtering van de kredietwaardigheid van de tegenpartij weerspiegelen. Volgens de gematigde LOCOM-methode gewaardeerde financiële activa met waardeaanpassingen als gevolg van marktrisico welke het effect van veranderingen in de marktomstandigheden op de waarde van het actief weerspiegelen, worden niet als aan bijzondere waardevermindering onderhevige financiële activa beschouwd. Geaccumuleerde waardeaanpassingen als gevolg van kredietrisico en marktrisico worden afzonderlijk gerapporteerd.

81. In template 4.10 worden de volgens de strikte LOCOM-methode gewaardeerde activa en de gerelateerde waardeaanpassingen ervan afzonderlijk van volgens andere waarderingsmethoden gewaardeerde activa gerapporteerd. Volgens de strikte LOCOM-methode gewaardeerde financiële activa en volgens andere waarderingsmethoden gewaardeerde financiële activa worden als aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa gerapporteerd wanneer daaraan waardeaanpassingen als gevolg van kredietrisico als omschreven in punt 80 of bijzondere waardeverminderingen gerelateerd zijn. Volgens de strikte LOCOM-methode gewaardeerde financiële activa met waardeaanpassingen als gevolg van marktrisico als omschreven in punt 80 worden niet als aan bijzondere waardevermindering onderhevige financiële activa beschouwd. Geaccumuleerde waardeaanpassingen als gevolg van kredietrisico en marktrisico worden afzonderlijk gerapporteerd.

82. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP wordt in de toepasselijke templates enkel het deel van het bedrag van de algemene voorzieningen voor bankrisico’s gerapporteerd dat de boekwaarde van de schuldinstrumenten beïnvloedt (artikel 37, lid 2, RJB).

5.   UITSPLITSING VAN LENINGEN EN VOORSCHOTTEN VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN NAAR PRODUCT (5)

83. Leningen en voorschotten niet zijnde activa aangehouden voor handelsdoeleinden, niet zijnde activa voor handelsdoeleinden of voor verkopen aangehouden activa worden uitgesplitst naar soort product en naar sector van de tegenpartij wat de boekwaarde betreft, en enkel naar soort product wat de brutoboekwaarde betreft.

84. Direct opvraagbare saldi die als „Kasmiddelen, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s” zijn geclassificeerd, worden eveneens in deze template gerapporteerd, ongeacht hoe deze worden gewaardeerd.

85. Leningen en voorschotten worden aan de volgende producten toegewezen:

(a) 

„Opvraagbaar (call) en korte termijn (rekening-courant)” omvat direct opvraagbare saldi (call), op korte termijn opvraagbare saldi (tegen het einde van de werkdag na die in de loop waarvan de opvraging plaatsvond), vorderingen in rekening-courant en soortgelijke saldi, inclusief leningen die deposito’s met een looptijd tot de volgende ochtend zijn voor de leningnemer (leningen die moeten worden terugbetaald tegen het einde van de werkdag na die in de loop waarvan zij werden toegekend), ongeacht de rechtsvorm ervan. Deze post omvat ook „rekening-courantkredieten”; dit zijn debetsaldi in rekening-courant en bij de centrale bank aangehouden verplichte reserves;

(b) 

„Kredietkaartschulden” omvat krediet dat is verleend ofwel via kaarten met vertraagde debetfunctie, ofwel via kredietkaarten als omschreven in de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-Verordening;

(c) 

„Handelsvorderingen” omvat leningen aan andere debiteuren die zijn verstrekt op basis van wissels of andere documenten die recht verlenen op de opbrengsten van transacties voor de verkoop van goederen of het verlenen van diensten. Die post bevat alle factoring- en soortgelijke transacties, zoals accepten, rechtstreekse aankopen van handelsvorderingen, forfaiting, factuurdiscontering, wissels, commercial paper en andere vorderingen waarbij de rapporterende instelling de handelsvorderingen aankoopt (met en zonder regres);

(d) 

„Financiële leases” omvat de boekwaarde van vorderingen uit hoofde van financiële leases. In het kader van de IFRS worden „vorderingen uit hoofde van financiële leases” omschreven in IAS 17;

(e) 

„Omgekeerde retrocessieovereenkomsten” omvat financiering die is verleend in ruil voor effecten of goud gekocht in het kader van retrocessieovereenkomsten of geleend in het kader van effectenuitleenovereenkomsten als omschreven in de punten 183 en 184 van dit deel;

(f) 

„Leningen met andere voorwaarden” omvat debetsaldi met contractueel vastgelegde looptijden of voorwaarden welke niet in andere posten zijn opgenomen;

(g) 

„Voorschotten die geen leningen zijn” omvat voorschotten die niet als „leningen” overeenkomstig de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-Verordening kunnen worden geclassificeerd. Die post omvat onder meer te ontvangen brutobedragen uit hoofde van posten op tussenrekeningen (zoals gelden die wachten op belegging, overboeking of verevening) en overlopende posten (zoals cheques en andere betalingsvormen die ter inning zijn verzonden).

86. Leningen en voorschotten worden als volgt geclassificeerd op basis van de ontvangen zekerheden:

(a) 

„Door onroerend goed zekergestelde leningen” omvat leningen en voorschotten die formeel door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed zijn gedekt, ongeacht de ratio van de lening ten opzichte van de zekerheid (doorgaans de schuld/waardequote of LTV-ratio genoemd) en de rechtsvorm van de zekerheid;

(b) 

„Overige zekergestelde leningen” omvat leningen en voorschotten die formeel door zekerheden zijn gedekt, ongeacht de ratio van de lening ten opzichte van de zekerheid (doorgaans de schuld/waardequote of LTV-ratio genoemd) en de rechtsvorm van de zekerheid, en die geen „Door onroerend goed zekergestelde leningen” zijn. Die zekerheden omvatten in pand gegeven effecten, contanten en andere zekerheden, ongeacht de rechtsvorm van de zekerheden.

87. Leningen en voorschotten worden geclassificeerd op basis van de ontvangen zekerheden en ongeacht het doel van de lening. De boekwaarde van leningen en voorschotten die door meer dan één soort zekerheden worden gedekt, wordt geclassificeerd en gerapporteerd als door onroerend goed zekergestelde leningen wanneer die leningen en voorschotten door onroerend goed worden gedekt, ongeacht of zij ook door andere soorten zekerheden worden gedekt.

88. Leningen en voorschotten worden als volgt geclassificeerd op basis van het doel ervan:

(a) 

„Consumptief krediet” omvat leningen voor hoofdzakelijk persoonlijke consumptie van goederen en diensten als omschreven in de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-Verordening;

(b) 

„Lening voor huisaankoop” omvat krediet dat aan huishoudens wordt verleend voor investering in huizen voor eigen gebruik en verhuur, met inbegrip van bouwen en herinrichting, als omschreven in de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-Verordening.

89. Leningen worden geclassificeerd op basis van de wijze waarop zij kunnen worden teruggevorderd. „Leningen voor projectfinanciering” omvat leningen die voldoen aan de voorwaarden van blootstellingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als bedoeld in artikel 147, lid 8, VKV.

6.   UITSPLITSING VAN LENINGEN EN VOORSCHOTTEN VOOR NIET-HANDELSDOELEINDEN AAN NIET-FINANCIËLE VENNOOTSCHAPPEN NAAR NACE-CODE (6)

90. De brutoboekwaarde van andere leningen en voorschotten aan niet-financiële vennootschappen niet zijnde die in de portefeuilles „aangehouden voor handelsdoeleinden”, „voor handelsdoeleinden” of „aangehouden voor verkoop”, wordt geclassificeerd naar desbetreffende economische sector, met gebruikmaking van de NACE-codes op basis van de hoofdactiviteit van de tegenpartij.

91. Blootstellingen die gezamenlijk door meer dan één debiteur worden aangegaan, worden geclassificeerd overeenkomstig deel 1, punt 43, van deze bijlage.

92. De rapportage van NACE-codes geschiedt op basis van het eerste niveau van opsplitsing (naar „sectie”). instellingen rapporteren leningen en voorschotten aan niet-financiële vennootschappen die financiële of verzekeringsactiviteiten uitoefenen in „K — Financiële en verzekeringsactiviteiten”.

93. Volgens de IFRS omvatten financiële activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan de volgende boekhoudkundige portefeuilles: i) financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, en ii) financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP omvatten financiële activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, financiële activa die volgens een kostprijsmethode, met inbegrip van de LOCOM-methode, zijn gewaardeerd. Al naargelang de specificaties in elke nationale GAAP kunnen zij de volgende financiële activa omvatten: i) tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen, en ii) volgens andere waarderingsmethoden gewaardeerde financiële activa.

7.   AAN BIJZONDERE WAARDEVERMINDERING ONDERHEVIGE FINANCIËLE ACTIVA DIE ACHTERSTALLIG ZIJN (7)

94. De boekwaarde van schuldinstrumenten die in aan bijzondere waardevermindering onderhevige boekhoudkundige portefeuilles zijn opgenomen, worden enkel in template 7.1 gerapporteerd indien zij achterstallig zijn. Achterstallige instrumenten worden op basis van hun specifieke situatie aan de overeenkomstige achterstalligheidscategorieën toegewezen.

95. Aan bijzondere waardevermindering onderhevige boekhoudkundige portefeuilles zijn financiële activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, als omschreven in punt 93 van dit deel.

96. Financiële activa zijn achterstallig wanneer enig bedrag van de hoofdsom, rente of provisies niet betaald is op de datum waarop het verschuldigd was. Van achterstallige blootstellingen wordt de volledige boekwaarde gerapporteerd en uitgesplitst naar aantal dagen van het oudste achterstallige bedrag dat op de referentiedatum onbetaald is gebleven. Volgens de IFRS wordt de boekwaarde van activa die geen verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn, gerapporteerd volgens bijzonderewaardeverminderingsfasen; de boekwaarde van verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid wordt afzonderlijk gerapporteerd. Volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP worden achterstallige activa volgens bijzonderewaardeverminderingsstatus gerapporteerd conform de toepasselijke standaarden voor jaarrekeningen.

8.   UITSPLITSING VAN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN (8)

97. „Deposito’s” en de uitsplitsing naar product zijn gedefinieerd als in de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-verordening. Gereglementeerde spaartegoeden worden derhalve overeenkomstig de ECB BSI-verordening geclassificeerd en naar tegenpartij verdeeld. Met name niet-overdraagbare, direct opvraagbare spaartegoeden die juridisch gezien weliswaar onmiddellijk opvraagbaar zijn, maar waarvoor aanzienlijke boeten en beperkingen gelden en die een sterke gelijkenis vertonen met deposito’s met een looptijd tot de volgende ochtend, worden als deposito’s met opzegtermijn geclassificeerd.

98. „Uitgegeven schuldbewijzen” wordt opgesplitst in de volgende soorten producten:

(a) 

„Depositocertificaten” zijn effecten die de houder in staat stellen gelden op te nemen van een rekening;

(b) 

„Door activa gedekte effecten” zijn effecten afgeleid van securitisatietransacties in de zin van artikel 4, lid 1, punt 61, VKV;

(c) 

„Gedekte obligaties” in de zin van artikel 129, lid 1, VKV;

(d) 

„Hybride contracten” omvat contracten met daarin besloten derivaten die niet in de in de punten b) en c) genoemde producten zijn begrepen of die zijn geclassificeerd als converteerbare samengestelde financiële instrumenten uit punt e);

(e) 

„Overige uitgegeven schuldbewijzen” omvat schuldbewijzen die niet in de in de punten a) tot en met d) genoemde producten zijn begrepen en waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen converteerbare samengestelde financiële instrumenten en niet-converteerbare instrumenten.

99. „Achtergestelde financiële verplichtingen” in de vorm van uitgiften worden op dezelfde manier behandeld als andere aangegane financiële verplichtingen. Achtergestelde verplichtingen in de vorm van uitgegeven effecten worden als „Uitgegeven schuldbewijzen” geclassificeerd en achtergestelde verplichtingen in de vorm van deposito’s als „Deposito’s” worden geclassificeerd.

100. Template 8.2 bevat de boekwaarde van „Deposito’s” en „Uitgegeven schuldbewijzen” die aan de definitie van achtergestelde schuld voldoen, als bepaald in de tabel in deel 2 van bijlage II bij de ECB BSI-verordening, geclassificeerd naar boekhoudkundige portefeuille. Achtergestelde schuldinstrumenten verschaffen een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status zijn voldaan.

101. „Geaccumuleerde veranderingen van de reële waarde als gevolg van veranderingen in het eigen kredietrisico” omvat alle genoemde geaccumuleerde veranderingen in de reële waarde, ongeacht of deze in winst of verlies dan wel in de overige onderdelen van het totaalresultaat zijn opgenomen.

9.   TOEGEZEGDE LENINGEN, FINANCIËLE GARANTIES EN OVERIGE TOEZEGGINGEN (9)

102. Blootstellingen buiten de balanstelling omvatten de in de lijst in bijlage I bij de VKV genoemde posten buiten de balanstelling. In de templates 9.1, 9.1.1 en 9.2 worden alle in bijlage I bij de VKV vermelde blootstellingen buiten de balanstelling uitgesplitst in toegezegde leningen, financiële garanties en overige toezeggingen.

103. De informatie over toegezegde leningen, financiële garanties en overige verstrekte en ontvangen toezeggingen heeft betrekking op zowel herroepelijke als onherroepelijke toezeggingen.

104. De in bijlage I bij de VKV genoemde toegezegde leningen, financiële garanties en overige gedane toezeggingen kunnen instrumenten zijn die binnen het toepassingsgebied van IFRS 9 vallen indien zij worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, of indien zij aan de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9 onderworpen zijn, alsook instrumenten die binnen het toepassingsgebied van IAS 37 of IFRS 4 vallen.

105. In het kader van de IFRS worden toegezegde leningen, financiële garanties en overige gedane toezeggingen in template 9.1.1 gerapporteerd wanneer aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) 

zij vallen onder de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9;

(b) 

zij zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9;

(c) 

zij vallen binnen het toepassingsgebied van IAS 37 of IFRS 4.

106. Verplichtingen die als kredietverliezen voor de in punt 105, a) en c), van dit deel van deze bijlage bedoelde financiële garanties en gedane toezeggingen worden opgenomen, worden als voorzieningen gerapporteerd, ongeacht de toegepaste waarderingscriteria.

107. Onder de IFRS vallende instellingen rapporteren het nominale bedrag van en de voorzieningen voor instrumenten die aan de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9 zijn onderworpen, met inbegrip van de instrumenten gewaardeerd tegen de eerste kostprijs verminderd met de opgenomen cumulatieve baten, uitgesplitst naar bijzonderewaardeverminderingsfasen, behalve indien zij in overeenstemming met de definitie van verworven of gecreëerde financiële activa in bijlage A bij IFRS 9 als verminderd kredietwaardig bij eerste opname worden beschouwd. Voor die blootstellingen worden het nominale bedrag en de voorzieningen afzonderlijk gerapporteerd, buiten de bijzonderewaardeverminderingsfases in template 9.1.1.

108. In template 9.1.1 wordt enkel het nominale bedrag van de toezegging gerapporteerd wanneer een schuldinstrument zowel een op de balans staande als een niet op de balans staande component omvat. Wanneer de rapporterende entiteit niet in staat is de te verwachten kredietverliezen op de op de balans staande component te scheiden van de te verwachten kredietverliezen op de niet op de balans staande component, worden de te verwachten kredietverliezen op de toezegging samen met de geaccumuleerde bijzondere waardevermindering van de op de balans staande component gerapporteerd. Wanneer de gecombineerde te verwachten kredietverliezen groter zijn dan de brutoboekwaarde van het schuldinstrument, wordt het resterende saldo van de te verwachten kredietverliezen in de passende kolom in template 9.1.1 als een voorziening opgenomen (IFRS 9.5.5.20 en IFRS 7.B8E).

109. Een financiële garantie of een toezegging tot het verstrekken van een lening tegen een lagere rente dan de marktrente die in overeenstemming met IFRS 9.4.2.1(d) is gewaardeerd en waarvoor de desbetreffende voorziening voor verliezen in overeenstemming met IFRS 9.5.5 is vastgesteld, wordt in de passende kolom gerapporteerd.

110. Wanneer toegezegde leningen, financiële garanties en overige toezeggingen overeenkomstig IFRS 9 tegen reële waarde worden gewaardeerd, rapporteren instellingen in template 9.1.1 het nominale bedrag en de geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van het kredietrisico met betrekking tot die financiële garanties en toezeggingen in aparte kolommen. „Geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico” worden gerapporteerd door toepassing van de criteria van punt 69 van dit deel.

111. Het nominale bedrag en de voorzieningen voor overige toezeggingen of garanties die binnen het toepassingsgebied van IAS 37 of IFRS 4 vallen, worden in aparte kolommen gerapporteerd.

112. Instellingen die onder de op de RJB gebaseerde nationale GAAP vallen, rapporteren in template 9.1 het nominale bedrag van de in de punten 102 en 103 bedoelde toezeggingen en financiële garanties, alsook het bedrag van de voorzieningen die ten aanzien van die blootstellingen buiten de balanstelling moeten worden aangehouden.

113. „Toegezegde leningen” zijn vaste toezeggingen om krediet te verstrekken tegen vooraf bepaalde voorwaarden, behalve die welke derivaten zijn omdat deze netto in contanten of middels de levering of uitgifte van een ander financieel instrument kunnen worden voldaan. De volgende posten uit bijlage I bij de VKV worden als „toegezegde leningen” geclassificeerd:

(a) 

deposito’s in de vorm van tussenswaps („forward deposits”);

(b) 

„niet-opgenomen kredietfaciliteiten”, omvattende overeenkomsten tot het „verstrekken van leningen” of het verschaffen van „acceptfaciliteiten” tegen vooraf bepaalde voorwaarden.

114. „Financiële garanties” zijn contracten waarbij de garantiegever bepaalde betalingen moet verrichten om de garantiehouder een verlies te vergoeden dat ontstaat wanneer een bepaalde debiteur verzuimt een krachtens de oorspronkelijke of gewijzigde voorwaarden van een schuldinstrument verschuldigde betaling te verrichten, en omvatten ook garanties die voor andere financiële garanties zijn verstrekt. In het kader van de IFRS voldoen die contracten aan de in IFRS 9.2.1(e) en IFRS 4.A vervatte definitie van financiële garantiecontracten. De volgende posten uit bijlage I bij de VKV worden als „financiële garanties” geclassificeerd:

(a) 

„garanties die het karakter van kredietvervangingen hebben”;

(b) 

„kredietderivaten” die aan de definitie van financiële garanties voldoen;

(c) 

“onherroepelijke „stand by’-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen”.

115. „Overige toezeggingen” omvat de volgende posten uit bijlage I bij de VKV:

(a) 

„onbetaald deel van niet-volgestorte aandelen en effecten”;

(b) 

„verstrekte of geconfirmeerde documentaire kredieten”;

(c) 

„posten buiten de balanstelling in verband met handelsfinanciering”;

(d) 

„documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties”;

(e) 

„garanties en schadeloosstellingen” (met inbegrip van inschrijvings- en uitvoeringsgaranties) en „garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben”;

(f) 

„verzendgaranties, douane- en belastinggaranties”;

(g) 

„note issuance facilities” (NIF’s) en „revolving underwriting facilities” (RUF’s);

(h) 

„niet-opgenomen kredietfaciliteiten”, met inbegrip van overeenkomsten tot het „verstrekken van leningen” of het verschaffen van „acceptfaciliteiten” zonder vooraf bepaalde voorwaarden;

(i) 

„niet-opgenomen kredietfaciliteiten”, met inbegrip van overeenkomsten tot het „aankopen van effecten” of „verschaffen van garanties”;

(j) 

„niet-opgenomen kredietfaciliteiten voor inschrijvings- en uitvoeringsgaranties”;

(k) 

„overige posten buiten de balanstelling” in bijlage I bij de VKV.

116. De volgende posten worden overeenkomstig de IFRS in de balans opgenomen en mogen derhalve niet als blootstellingen buiten de balanstelling worden vermeld:

(a) 

„kredietderivaten” die niet aan de definitie van financiële garanties voldoen, zijn „derivaten” in de zin van IFRS 9;

(b) 

„accepten” zijn verplichtingen van een instelling om aan het einde van de looptijd de nominale waarde van een wissel te betalen, normaal gesproken voor de verkoop van goederen. Zij worden in de balans derhalve als „handelsvorderingen” geclassificeerd;

(c) 

„endossementen van wissels” die niet voldoen aan de criteria voor uitboeking overeenkomstig IFRS 9;

(d) 

„transacties met regres” die niet voldoen aan de criteria voor uitboeking overeenkomstig IFRS 9;

(e) 

„activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende koop op termijn zonder rugdekking” zijn „derivaten” in de zin van IFRS 9;

(f) 

„overeenkomsten betreffende cessie en retrocessie van activa als bedoeld in artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn 86/635/EEG”. Bij die contracten heeft de cessionaris de optie, maar niet de verplichting, de activa op een vooraf bepaalde (of later te bepalen) datum tegen een vooraf overeengekomen prijs terug te verkopen. Die contracten voldoen derhalve aan de definitie van „derivaten” in bijlage A bij IFRS 9.

117. De post „waarvan: niet-renderende” bevat het nominale bedrag van die toegezegde leningen, financiële garanties en overige gedane toezeggingen die overeenkomstig de punten 213 tot en met 239 van dit deel als niet-renderend worden beschouwd.

118. Voor financiële garanties, toegezegde leningen en overige gedane toezeggingen is het „nominale bedrag” het bedrag dat de maximale blootstelling van de instelling aan kredietrisico het beste weergeeft, zonder rekening te houden met aangehouden zekerheden of andere kredietverbeteringen. Meer bepaald is voor verstrekte financiële garanties het nominale bedrag het maximumbedrag dat de entiteit verplicht zou zijn te betalen als de garantie wordt aangesproken. Voor toegezegde leningen is het nominale bedrag het niet-opgenomen bedrag dat de instelling heeft toegezegd te zullen lenen. Nominale bedragen zijn de blootstellingswaarden vóór toepassing van omrekeningsfactoren en kredietrisicolimiteringstechnieken.

119. In template 9.2 geldt voor ontvangen toegezegde leningen dat het nominale bedrag het totale niet-opgenomen bedrag is dat de tegenpartij heeft toegezegd aan de instelling te zullen lenen. Voor andere ontvangen toezeggingen is het nominale bedrag het totale bedrag waartoe de andere partij bij de transactie zich heeft verbonden. Voor ontvangen financiële garanties is het „Maximale in aanmerking te nemen bedrag van de garantie” het maximumbedrag dat de tegenpartij verplicht zou zijn te betalen als de garantie wordt aangesproken. Wanneer een ontvangen financiële garantie door meerdere garantiegevers is verstrekt, wordt het gegarandeerde bedrag slechts eenmaal in deze template gerapporteerd; het gegarandeerde bedrag wordt toegerekend aan de voor de limitering van het kredietrisico meest relevante garantiegever.

10.   DERIVATEN EN HEDGE ACCOUNTING (10 EN 11)

120. Voor de doeleinden van de templates 10 en 11 worden derivaten ofwel als afdekkingsderivaten beschouwd wanneer zij overeenkomstig de IFRS of de op de RJB gebaseerde toepasselijke nationale GAAP in het kader van een in aanmerking komende afdekkingsrelatie worden gebruikt, ofwel als aangehouden voor handelsdoeleinden in andere gevallen.

121. De boekwaarde en de notionele waarde van de voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten, met inbegrip van economische afdekkingen, en van de voor hedge accounting aangehouden derivaten worden in de templates 10 en 11 gerapporteerd, uitgesplitst naar soort onderliggend risico, soort markt en soort product. De instellingen rapporteren de voor hedge accounting aangehouden derivaten ook uitgesplitst naar soort afdekking. Informatie over niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten wordt afzonderlijk gerapporteerd en naar soorten afdekkingen uitgesplitst.

122. Overeenkomstig de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP worden alle derivaten in deze templates gerapporteerd, ongeacht of ze overeenkomstig de desbetreffende nationale GAAP al dan niet op de balans staan.

123. Bij de uitsplitsing van de boekwaarde, de reële waarde en de notionele waarde van derivaten voor handelsdoeleinden en afdekkingsderivaten naar boekhoudkundige portefeuilles en soorten afdekkingen wordt rekening gehouden met de in het kader van de IFRS of de op de RJB gebaseerde nationale GAAP toepasselijke boekhoudkundige portefeuilles en soorten afdekkingen, ongeacht welk raamwerk op de rapporterende entiteit van toepassing is.

124. Derivaten voor handelsdoeleinden en afdekkingsderivaten die overeenkomstig de op de RJB gebaseerde nationale GAAP tegen kostprijs of LOCOM worden gewaardeerd, worden afzonderlijk gerapporteerd.

125. Template 11 bevat afdekkingsinstrumenten en afgedekte posities, ongeacht de standaarden voor jaarrekeningen die zijn gehanteerd om een in aanmerking komende afdekkingsrelatie op te nemen, ook wanneer die in aanmerking komende afdekkingsrelatie op een nettopositie betrekking heeft. Wanneer een instelling ervoor heeft gekozen om de vereisten van IAS 39 inzake hedge accounting als grondslag voor financiële verslaggeving te blijven toepassen (IFRS 9.7.2.21), worden de verwijzingen naar en de namen van de soorten afdekkingen en boekhoudkundige portefeuilles gelezen als de desbetreffende verwijzingen en namen in IAS 39.9: „Tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” betreft „voor verkoop beschikbare activa” en „activa tegen geamortiseerde kostprijs” omvat zowel „tot einde looptijd aangehouden” als „leningen en kortlopende vorderingen”.

126. Derivaten die deel uitmaken van hybride instrumenten die van het basiscontract zijn gescheiden, worden gerapporteerd in de templates 10 en 11 naargelang van de aard van het derivaat. Het bedrag van het basiscontract wordt niet in die templates opgenomen. Als het hybride instrument echter wordt gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt het contract als geheel gerapporteerd en worden de in de contracten besloten derivaten niet in de templates 10 en 11 gerapporteerd.

127. Toezeggingen die als derivaten worden beschouwd (IFRS 9.2.3(b)) en kredietderivaten die niet aan de in punt 114 van dit deel van deze bijlage vervatte definitie van een financiële garantie voldoen, worden in de templates 10 en 11 gerapporteerd volgens dezelfde uitsplitsing als bij de overige afgeleide instrumenten, maar worden niet in template 9 gerapporteerd.

128. De boekwaarde van niet-afgeleide financiële activa of niet-afgeleide financiële verplichtingen die conform de IFRS of de op de RJB gebaseerde desbetreffende nationale GAAP als afdekkingsinstrument zijn opgenomen, wordt afzonderlijk gerapporteerd in template 11.3.

10.1.    Classificatie van derivaten naar soort risico

129. Alle derivaten worden in één van de volgende risicocategorieën geclassificeerd:

(a) 

rente: rentederivaten zijn contracten die verband houden met een rentedragend financieel instrument waarvan de kasstromen worden bepaald door referentierentevoeten of een ander rentecontract, zoals een optie op een termijncontract voor de aankoop van schatkistpapier. Die categorie is beperkt tot transacties waarvan alle onderdelen zijn blootgesteld aan de rentevoet van slechts één valuta. Zij omvat derhalve geen contracten waarbij sprake is van omwisseling van één of meer valuta, zoals cross-currency swaps en valutaopties, dan wel andere contracten waarbij het valutarisico het voornaamste risicokenmerk is en die als valutacontracten moeten worden gerapporteerd. De enige uitzondering betreft het geval waarin cross-currency swaps als onderdeel van een instrument ter afdekking van het renterisico van een portefeuille worden gebruikt; in dat geval worden zij in de desbetreffende rijen voor die soorten afdekkingen gerapporteerd. Rentecontracten omvatten rentetermijncontracten, renteswaps die betrekking hebben op één valuta, rentefutures, renteopties (met inbegrip van caps, floors, collars en corridors), renteswaps en warrants op rente;

(b) 

aandelen: aandelenderivaten instrumenten zijn contracten waarvan het rendement of een deel van het rendement gekoppeld is aan de koers van een bepaald aandeel of aan een aandelenindex;

(c) 

vreemde valuta en goud: deze derivaten omvatten contracten waarbij sprake is van de omwisseling van valuta op de termijnmarkt en blootstelling met betrekking tot goud. Het betreft derhalve overeenkomsten tot koop op termijn zonder rugdekking, valutaswaps (met inbegrip van cross-currency renteswaps), valutafutures, valutaopties, valutaswaps en warrants op valuta. Valutaderivaten omvatten alle transacties waarbij sprake is van blootstelling met betrekking tot meerdere valuta, zowel wat rente als wat wisselkoersen betreft, behalve wanneer cross-currency swaps als onderdeel van een instrument ter afdekking van het renterisico van een portefeuille worden gebruikt. Goudcontracten omvatten alle transacties waarbij sprake is van blootstelling met betrekking tot deze grondstof;

(d) 

krediet: kredietderivaten zijn contracten waarbij de uitbetaling primair is gekoppeld aan een maatstaf voor de kredietwaardigheid van een bepaald referentiekrediet en die niet voldoen aan de definitie van financiële garanties (IFRS 9.4.2.1 (c)). In het contract is een uitwisseling van betalingen aangegeven waarbij ten minste één van de beide onderdelen wordt bepaald door de prestatie van het referentiekrediet. De uitbetalingen kunnen door diverse gebeurtenissen worden veroorzaakt, zoals onder meer een wanbetaling, een ratingverlaging of een welomschreven verandering in de credit spread van het referentiekrediet. Kredietderivaten die aan de in punt 114 van dit deel van de bijlage vervatte definitie van een financiële garantie voldoen, worden alleen in template 9 gerapporteerd.

(e) 

grondstof: deze derivaten zijn contracten waarvan het rendement of een deel van het rendement gekoppeld is aan de koers of aan een index van een grondstof, zoals een edelmetaal (met uitzondering van goud), petroleum, constructiehout of landbouwproducten;

(f) 

overige: alle overige derivatencontracten waarbij geen sprake is van blootstelling met betrekking tot valuta-, rente-, aandelen-, grondstoffen- of kredietrisico, zoals klimaatderivaten of verzekeringsderivaten.

130. Als een derivaat door meerdere soorten onderliggende risico’s wordt beïnvloed, wordt het instrument toegerekend aan het meest gevoelige soort risico. Bij derivaten ter dekking van meerdere risico’s worden de transacties bij twijfel toegerekend volgens de hieronder aangegeven rangorde:

(a) 

grondstoffen: alle derivatentransacties waarbij sprake is van blootstelling met betrekking tot een grondstof of grondstoffenindex — ongeacht of het gaat om een gezamenlijke blootstelling met betrekking tot grondstoffen en enigerlei andere risicocategorie, met inbegrip van vreemde valuta, rente of aandelen — worden in deze categorie gerapporteerd;

(b) 

aandelen: met uitzondering van contracten waarbij sprake is van een gezamenlijke blootstelling met betrekking tot grondstoffen en aandelen (die als grondstoffen moeten worden gerapporteerd), worden alle derivatentransacties die aan de prestatie van aandelen of aandelenindexen zijn gekoppeld, in de categorie aandelen gerapporteerd. Ook aandelentransacties waarbij sprake is van blootstelling met betrekking tot vreemde valuta of rente, worden in deze categorie ondergebracht;

(c) 

vreemde valuta en goud: deze categorie omvat alle derivatentransacties (met uitzondering van transacties die reeds in de categorieën grondstoffen of aandelen zijn gerapporteerd) waarbij sprake is van blootstellingen met betrekking tot meerdere valuta, ongeacht of die verband houden met rentedragende financiële instrumenten of wisselkoersen, behalve wanneer wordt gebruikgemaakt van cross-currency swaps als onderdeel van een instrument ter afdekking van het renterisico van een portefeuille.

10.2.    Voor derivaten te rapporteren bedragen

131. Overeenkomstig de IFRS is de „boekwaarde” van alle derivaten (voor afdekkings- of handelsdoeleinden) gelijk aan de reële waarde. Derivaten met een positieve reële waarde (meer dan nul) zijn „financiële activa” en derivaten met een negatieve reële waarde (minder dan nul) zijn „financiële verplichtingen”. De „boekwaarde” van derivaten met een positieve reële waarde („financiële activa”) en de boekwaarde van derivaten met een negatieve reële waarde („financiële verplichtingen”) worden afzonderlijk gerapporteerd. Op de datum van eerste opname wordt een derivaat als „financieel actief” of als „financiële verplichting” geclassificeerd, naargelang van de initiële reële waarde ervan. Na de eerste opname kunnen, al naargelang de reële waarde van een derivaat stijgt of daalt, de voorwaarden van de uitwisseling gunstig of ongunstig worden voor de instelling (waarbij het derivaat respectievelijk als „financieel actief” of als „financiële verplichting” wordt geclassificeerd). De boekwaarde van afdekkingsderivaten is de volledige reële waarde ervan, in voorkomend geval met inbegrip van de componenten van deze reële waarde die niet als afdekkingsinstrumenten zijn aangewezen.

132. Rapporterende instellingen die onder de op de RJB gebaseerde nationale GAAP vallen, rapporteren voor alle afgeleide instrumenten, naast de boekwaarde als omschreven in deel 1, punt 27, van deze bijlage, ook de reële waarde, ongeacht of deze instrumenten volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP wel of niet op de balans moeten worden geboekt.

133. De „notionele waarde” is de nominale brutowaarde van alle transacties die op de referentiedatum zijn afgesloten maar nog niet zijn afgewikkeld, ongeacht of die transacties leiden tot derivatenblootstellingen die op de balans worden geboekt. Meer bepaald wordt bij het vaststellen van de notionele waarde rekening gehouden met het volgende:

(a) 

voor contracten met een variabele nominale of notionele hoofdsom is de grondslag voor de rapportage de nominale of notionele hoofdsom op de referentiedatum;

(b) 

de notionele waarde die voor een derivatencontract met multiplicator moet worden gerapporteerd, is de effectieve notionele waarde of nominale waarde van het contract;

(c) 

swaps: de notionele waarde van een swap is de onderliggende hoofdsom waarop de uitwisseling van rente, vreemde valuta of andere baten of lasten is gebaseerd;

(d) 

aan aandelen of grondstoffen gekoppelde contracten: de voor een aandelen- of grondstoffencontract te rapporteren notionele waarde is de hoeveelheid van de voor aankoop of verkoop gecontracteerde grondstoffen of aandelen, vermenigvuldigd met de contractuele eenheidsprijs. De notionele waarde die voor grondstoffencontracten met meervoudige uitwisseling van hoofdsommen moet worden gerapporteerd, is de contractsom vermenigvuldigd met het aantal resterende uitwisselingen van hoofdsommen dat volgens het contact nog moet worden verricht;

(e) 

kredietderivaten: het contractuele bedrag dat voor kredietderivaten moet worden gerapporteerd, is de nominale waarde van het desbetreffende referentiekrediet;

(f) 

voor digitale opties geldt een vooraf bepaalde vergoeding die kan bestaan uit ofwel een geldbedrag, ofwel een aantal contracten betreffende een onderliggende waarde. De notionele waarde van digitale opties is ofwel het vooraf bepaalde geldbedrag, ofwel de reële waarde van de onderliggende waarde op de referentiedatum.

134. De kolom „Notionele waarde” van derivaten bevat voor elke post de som van de notionele waarden van alle contracten waarbij de instelling tegenpartij is, ongeacht of de derivaten als activa of verplichtingen op de balans zijn opgenomen, dan wel niet op de balans worden geboekt. Alle notionele waarden worden gerapporteerd, ongeacht of de reële waarde van de derivaten positief, negatief of gelijk aan nul is. Saldering van de notionele waarden is niet toegestaan.

135. De „notionele waarde” wordt als „Totaal” en „waarvan: verkocht” gerapporteerd voor de volgende posten: „Otc-opties”, „Georganiseerdemarktopties”, „Krediet”, „Grondstof” en „Overige”. De post „waarvan: verkocht” bevat de notionele waarden (uitoefenprijs) van de contracten waarbij de tegenpartijen (optiehouders) van de instelling (optieschrijver) het recht hebben om de optie uit te oefenen en, voor de posten die met kredietrisicoderivaten verband houden, de notionele waarden van de contracten waarbij de instelling (protectiegever) protectie heeft verkocht (verstrekt) aan haar tegenpartijen (protectienemers).

136. De classificatie van een transactie als otc-transactie of als transactie op een georganiseerde markt is gebaseerd op de aard van de markt waarop de transactie plaatsvindt en niet op het antwoord op de vraag of er voor die transactie van een bindende clearingverplichting sprake is. Een „georganiseerde markt” is een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 92, VKV. Wanneer een rapporterende entiteit een derivatencontract sluit op een otc-markt waarop centrale clearing verplicht is, classificeert zij dat derivaat derhalve onder „otc” en niet onder „georganiseerde markt”.

10.3.    Als „economische afdekkingen” geclassificeerde derivaten

137. Voor afdekkingsdoeleinden aangehouden derivaten die niet voldoen aan de criteria van effectieve afdekkingsinstrumenten in de zin van IFRS 9, van IAS 39 wanneer IAS 39 ten behoeve van hedge accounting wordt toegepast, of van het kader voor financiële verslaggeving van de op de RJB gebaseerde nationale GAAP, worden in template 10 als „economische afdekkingen” gerapporteerd. Dit geldt ook voor alle volgende gevallen:

(a) 

derivaten die niet-beursgenoteerde eigenvermogensinstrumenten zijn waarvan de kostprijs een passende raming van de reële waarde kan vormen;

(b) 

kredietderivaten die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en die zijn gebruikt om het kredietrisico te beheren van een financieel instrument of een gedeelte daarvan dat bij eerste opname of later, dan wel terwijl het niet opgenomen is, als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is aangewezen in overeenstemming met IFRS 9.6.7;

(c) 

derivaten die zijn geclassificeerd als „voor handelsdoeleinden aangehouden” in de zin van bijlage A bij IFRS 9, dan wel als activa voor handelsdoeleinden in de zin van de op de RJB gebaseerde nationale GAAP maar die geen deel uitmaken van de handelsportefeuille als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 86, VKV.

138. „Economische afdekkingen” omvat geen derivaten voor handel voor eigen rekening.

139. Derivaten die aan de definitie van „economische afdekkingen” voldoen, worden voor elke soort risico afzonderlijk gerapporteerd in template 10.

140. Kredietderivaten die zijn gebruikt om het kredietrisico te beheren van een financieel instrument of een gedeelte daarvan dat bij eerste opname of later, dan wel terwijl het niet opgenomen is, als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is aangewezen in overeenstemming met IFRS 9.6.7, worden in template 10 in een aparte kolom binnen „kredietrisico” gerapporteerd. Andere economische afdekkingen van het kredietrisico waarvoor de rapporterende entiteit IFRS 9.6.7 niet toepast, worden afzonderlijk gerapporteerd.

10.4.    Uitsplitsing van derivaten naar sector van de tegenpartij

141. De boekwaarde en de totale notionele waarde van voor handelsdoeleinden of voor hedge accounting aangehouden derivaten die op de otc-markt worden verhandeld, worden per tegenpartij gerapporteerd op basis van de volgende categorieën:

(a) 

„kredietinstellingen”;

(b) 

„overige financiële vennootschappen”;

(c) 

„Overige”, te weten alle andere tegenpartijen.

142. Alle otc-derivaten, ongeacht het soort risico waarop zij betrekking hebben, worden uitgesplitst op basis van die tegenpartijen.

10.5.    Hedge accounting volgens de nationale GAAP (11.2)

143. Wanneer afdekkingsderivaten krachtens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP aan afdekkingscategorieën moeten worden toegewezen, worden de afdekkingsderivaten voor elk van de volgende toepasselijke categorieën afzonderlijk gerapporteerd: „reëlewaardeafdekkingen”, „kasstroomafdekkingen”, „kostprijsafdekkingen”, „afdekkingen van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten”, „reëlewaardeafdekkingen van het renterisico van een portefeuille” en „kasstroomafdekkingen van het renterisico van een portefeuille”.

144. In voorkomend geval verwijst „kostprijsafdekkingen” in de zin van de op de RJB gebaseerde nationale GAAP naar een afdekkingscategorie waarin het afdekkingsderivaat doorgaans tegen kostprijs is gewaardeerd.

10.6.    Te rapporteren bedrag voor niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten (11.3 en 11.3.1)

145. Voor niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten is het te rapporteren bedrag de boekwaarde van die niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten overeenkomstig de volgens de IFRS of volgens de op de RJB gebaseerde GAAP toepasselijke waarderingsvoorschriften voor de boekhoudkundige portefeuille waarvan zij deel uitmaken. Voor niet-afgeleide afdekkingsinstrumenten wordt geen „notionele waarde” gerapporteerd.

10.7.    Afgedekte posities bij reëlewaardeafdekkingen (11.4)

146. De boekwaarde van afgedekte posities bij een reëlewaardeafdekking die in het overzicht van de financiële positie is opgenomen, wordt uitgesplitst naar boekhoudkundige portefeuille en naar soort afgedekt risico voor afgedekte financiële activa en afgedekte financiële verplichtingen. Wanneer een financieel instrument tegen meer dan één risico is afgedekt, wordt het gerapporteerd in het soort risico waarin het afdekkingsinstrument overeenkomstig punt 129 wordt gerapporteerd.

147. „Microafdekkingen” zijn andere afdekkingen dan instrumenten ter afdekking van het renterisico van een portefeuille in de zin van IAS 39.89A. Microafdekkingen omvatten afdekkingen van een nettopositie in overeenstemming met IFRS 9.6.6.6.

148. „Afdekkingsaanpassingen van microafdekkingen” omvatten alle afdekkingsaanpassingen van alle microafdekkingen als omschreven in punt 147.

149. „In de boekwaarde van activa/verplichtingen opgenomen afdekkingsaanpassingen” is het cumulatieve bedrag van de winsten en verliezen op de afgedekte posities die in een aanpassing van de boekwaarde van die posities hebben geresulteerd en die in winst of verlies zijn opgenomen. Afdekkingsaanpassingen voor de afgedekte posities die overeenstemmen met eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden in template 1.3 gerapporteerd. Afdekkingsaanpassingen voor niet-opgenomen vaststaande toezeggingen of een component daarvan worden niet gerapporteerd.

150. „Resterende aanpassingen voor beëindigde microafdekkingen inclusief afdekkingen van nettoposities” omvat de afdekkingsaanpassingen die na de beëindiging van de afdekkingsrelatie en na de aanpassing van afgedekte posities voor afdekkingswinsten en -verliezen nog moeten worden geamortiseerd in winst of verlies via een herberekende effectieve rentevoet wanneer het afgedekte posities gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs betreft, dan wel in het bedrag dat overeenstemt met de voorheen opgenomen cumulatieve afdekkingswinst of het voorheen opgenomen cumulatieve afdekkingsverlies wanneer het afgedekte activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat betreft.

151. Wanneer een groep van financiële activa of financiële verplichtingen, met inbegrip van een groep van financiële activa of financiële verplichtingen die een nettopositie vormen, als afgedekte positie in aanmerking komt, worden de financiële activa en financiële verplichtingen waaruit die groep is samengesteld, tegen de boekwaarde ervan op brutobasis gerapporteerd in „In de afdekking van een nettopositie opgenomen activa of verplichtingen (vóór verrekening)” voordat tussen instrumenten binnen de groep wordt gesaldeerd.

152. „Afgedekte posities bij afdekking van het renterisico van een portefeuille” omvat de financiële activa en financiële verplichtingen die zijn opgenomen in een reëlewaardeafdekking van het renterisico van een portefeuille van financiële activa of financiële verplichtingen. Die financiële instrumenten worden tegen de boekwaarde ervan op brutobasis gerapporteerd voordat tussen instrumenten binnen de portefeuille wordt gesaldeerd.

11.   WIJZIGINGEN IN VOORZIENINGEN VOOR KREDIETVERLIEZEN (12)

11.1.    Wijzigingen in voorzieningen voor kredietverliezen en bijzondere waardevermindering van eigenvermogensinstrumenten overeenkomstig de op de RJB gebaseerde nationale GAAP (12.0)

153. Template 12.0 bevat een aansluiting tussen het beginsaldo en het eindsaldo van de voorziening voor zowel financiële activa gewaardeerd volgens kostprijsmethoden, als financiële activa gewaardeerd volgens andere waarderingsmethoden of gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen indien deze activa volgens de op de RJB gebaseerde nationale GAAP aan vereisten inzake bijzondere waardevermindering onderworpen zijn (met inbegrip van tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s). Waardeaanpassingen van activa gewaardeerd tegen kostprijs of marktwaarde, al naargelang welke waarde het laagst is, worden niet in template 12.0 gerapporteerd.

154. „Toenamen als gevolg van bedragen die zijn gereserveerd voor geraamde verliezen op leningen in de rapportageperiode” wordt gerapporteerd wanneer de voor de rapportageperiode geraamde bijzondere waardevermindering voor de hoofdcategorie van activa of de tegenpartij in de opname van nettolasten resulteert, d.w.z. wanneer voor de gegeven categorie of tegenpartij de toenamen van de bijzondere waardevermindering voor de rapportageperiode groter zijn dan de afnamen. „Afnamen als gevolg van teruggeboekte bedragen voor geraamde verliezen op leningen gedurende de rapportageperiode” wordt gerapporteerd wanneer de voor de hoofdcategorie van activa of de tegenpartij geraamde bijzondere waardevermindering voor de rapportageperiode in de opname van nettobaten resulteert, d.w.z. wanneer voor de gegeven categorie of tegenpartij de afnamen van de bijzondere waardevermindering voor de rapportageperiode groter zijn dan de toenamen.

155. Veranderingen in de bedragen van de voorzieningen als gevolg van de terugbetaling en afstoting van financiële activa worden in „Overige aanpassingen” gerapporteerd. Afschrijvingen worden gerapporteerd in overeenstemming met de punten 72 tot en met 74.

11.2.    Wijzigingen in voorzieningen voor kredietverliezen overeenkomstig de IFRS (12.1)

156. Template 12.1 bevat een aansluiting tussen het beginsaldo en het eindsaldo van de voorziening voor financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs en tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, uitgesplitst naar bijzonderewaardeverminderingsfasen, naar instrument (met inbegrip van tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s) en naar tegenpartij. In de template wordt een afzonderlijke aansluiting voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid gerapporteerd.

157. De voorzieningen voor blootstellingen buiten de balanstelling die aan de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9 zijn onderworpen, worden per bijzonderewaardeverminderingsfase en afzonderlijk voor verworven of gecreëerde blootstellingen met verminderde kredietwaardigheid gerapporteerd. Overeenkomstig IFRS 9.7.B8E en punt 108 van dit deel worden bijzondere waardeverminderingen van toegezegde leningen enkel als voorzieningen gerapporteerd wanneer deze niet samen met bijzondere waardeverminderingen van op de balans staande activa worden beschouwd. Wijzigingen in voorzieningen voor overeenkomstig IAS 37 gewaardeerde toezeggingen en financiële garanties en voor als verzekeringscontracten in de zin van IFRS 4 behandelde financiële garanties worden niet in deze template maar in template 43 gerapporteerd. Overeenkomstig punt 50 van dit deel worden als gevolg van kredietrisico opgetreden veranderingen in de reële waarde van verplichtingen en financiële garanties gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met IFRS 9 niet in deze template gerapporteerd, maar in de post „Winsten of (—) verliezen m.b.t. financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, netto”.

158. De posten „waarvan: gezamenlijk gewaardeerde voorzieningen” en „waarvan: afzonderlijk gewaardeerde voorzieningen” omvatten de wijzigingen in het cumulatieve bedrag van de bijzondere waardeverminderingen gerelateerd aan de financiële activa die respectievelijk gezamenlijk of afzonderlijk zijn gewaardeerd.

159. „Stijgingen als gevolg van creatie en verwerving” bevat het bedrag van de stijgingen in te verwachten verliezen die administratief zijn verwerkt bij de eerste opname van gecreëerde of verworven financiële activa. Die stijging van de voorziening wordt gerapporteerd op de eerste rapportagereferentiedatum die valt na de creatie of verwerving van de betrokken financiële activa. Stijgingen of dalingen van de te verwachten verliezen op deze financiële activa na de eerste opname ervan worden in andere kolommen gerapporteerd. Gecreëerde of verworven activa omvatten activa die resulteren uit de opneming van gedane toezeggingen buiten de balanstelling.

160. „Afnames als gevolg van verwijdering uit de balans” bevat het bedrag van veranderingen in voorzieningen omdat financiële activa in de rapportagereferentieperiode volledig zijn uitgeboekt om ander redenen dan afschrijvingen, zoals onder meer overdrachten aan derden of het vervallen van de contractuele rechten als gevolg van volledige terugbetaling, de afstoting van de financiële activa in kwestie of de overboeking ervan naar een andere boekhoudkundige portefeuille. De verandering in voorzieningen wordt in deze kolom opgenomen op de eerste rapportagereferentiedatum die valt na de terugbetaling, afstoting of overboeking. Voor blootstellingen buiten de balanstelling omvat deze post ook de afnames van de bijzondere waardevermindering omdat de post buiten de balanstelling een op de balans staand actief is geworden.

161. „Wijzigingen als gevolg van wijzigingen van het kredietrisico (netto)” bevat het nettobedrag van de veranderingen in de te verwachten verliezen aan het einde van de rapportagereferentieperiode vanwege een stijging of daling van het kredietrisico sinds de eerste opname, ongeacht of die wijzigingen tot een overboeking van het financiële actief naar een andere fase hebben geleid. In deze kolom wordt het effect op de voorziening gerapporteerd dat toe te schrijven is aan de stijging of daling van het bedrag van de financiële activa als gevolg van de opgelopen en betaalde rentebaten. Deze post bevat ook het effect van het verstrijken van tijd op de te verwachten verliezen berekend in overeenstemming met IFRS 9.5.4.1(a) en (b). In deze kolom worden ook de wijzigingen in de schattingen gerapporteerd die het gevolg zijn van zowel actualiseringen of herzieningen van risicoparameters als veranderingen in toekomstgerichte economische informatie. Veranderingen in te verwachten verliezen als gevolg van een gedeeltelijke terugbetaling van blootstellingen in de vorm van termijnen worden in deze kolom gerapporteerd, met uitzondering van de betaling van de laatste termijn, die wordt gerapporteerd in de kolom „Afnames als gevolg van uitboeking”.

162. Alle veranderingen in te verwachten kredietverliezen die met revolverende blootstellingen te maken hebben, worden gerapporteerd in „Wijzigingen als gevolg van wijzigingen van het kredietrisico (netto)”, met uitzondering van veranderingen die verband houden met afschrijvingen en bijwerkingen van de door de instelling gehanteerde methodologie voor de schatting van kredietverliezen. Revolverende blootstellingen zijn blootstellingen waarvan de openstaande saldi van cliënten naargelang van hun beslissingen om te lenen en terug te betalen, mogen fluctueren tot een door de instelling vastgestelde limiet.

163. „Wijzigingen als gevolg van de actualisering van de schattingsmethodologie van de instelling (netto)” omvat wijzigingen als gevolg van bijwerkingen van de door de instelling gehanteerde methodologie voor de schatting van te verwachten verliezen. Deze bijwerkingen kunnen op hun beurt een gevolg zijn van wijzigingen in de bestaande modellen of de vaststelling van nieuwe modellen voor de schatting van bijzondere waardevermindering. Ook het effect van de invoering van nieuwe standaarden valt onder methodologische bijwerkingen. Methodologische wijzigingen die ertoe leiden dat een actief van bijzonderewaardeverminderingsfase verandert, worden in hun geheel als een modelwijziging beschouwd. In deze kolom worden geen wijzigingen in schattingen gerapporteerd die het gevolg zijn van zowel actualiseringen of herzieningen van risicoparameters als veranderingen in toekomstgerichte economische informatie.

164. De rapportage van de veranderingen in te verwachten verliezen die met herziene activa verband houden (IFRS 9.5.4.3 en bijlage A) is afhankelijk van de aard van de herziening in overeenstemming met het volgende:

(a) 

wanneer de herziening resulteert in de volledige of gedeeltelijke uitboeking van een actief als gevolg van een afschrijving als omschreven in punt 74, wordt het effect van deze uitboeking op de te verwachten verliezen in „Afname van de voorziening als gevolg van afschrijvingen” gerapporteerd en worden alle andere effecten van de uitboeking op de te verwachten verliezen in andere passende kolommen gerapporteerd;

(b) 

wanneer de herziening resulteert in de volledige uitboeking van een actief uit de balans om andere redenen dan een afschrijving als omschreven in punt 74 en tevens in de vervanging ervan door een nieuw actief, wordt het effect van de herziening op de te verwachten kredietverliezen gerapporteerd in „Wijzigingen als gevolg van uitboeking” wat de wijzigingen betreft die aan het niet langer opgenomen actief toe te rekenen zijn, en in „Stijgingen als gevolg van creatie en verwerving” wat de wijzigingen betreft die aan het nieuw opgenomen, herziene actief toe te rekenen zijn. Uitboeking om andere redenen dan afschrijving omvat ook de uitboeking wanneer de voorwaarden van het herziene actief ingrijpende wijzigingen hebben ondergaan;

(c) 

wanneer de herziening niet resulteert in de volledige of gedeeltelijke uitboeking van het herziene actief, wordt het effect ervan op de te verwachten verliezen gerapporteerd in „Wijzigingen als gevolg van herzieningen zonder uitboeking”.

165. Afschrijvingen worden overeenkomstig de punten 72 tot en met 74 van dit deel van deze bijlage gerapporteerd en in overeenstemming met het volgende:

(a) 

wanneer het schuldinstrument geheel of gedeeltelijk is uitgeboekt omdat redelijkerwijs geen realisatie ervan te verwachten is, wordt de als gevolg van de afgeschreven bedragen gerapporteerde daling van de voorziening voor verliezen gerapporteerd in: „Afname van de voorziening als gevolg van afschrijvingen”;

(b) 

„Bedragen die rechtstreeks via de winst-en-verliesrekening worden afgeschreven” zijn de gedurende de rapportagereferentieperiode afgeschreven bedragen van financiële activa welke hoger zijn dan de voorziening voor de desbetreffende financiële activa op de datum van uitboeking. Deze omvatten alle gedurende de rapportagereferentieperiode afgeschreven bedragen en niet alleen die waarvoor nog steeds uitwinningsactiviteiten aan de gang zijn.

166. „Overige aanpassingen” omvat alle bedragen die niet in de eerder genoemde kolommen gerapporteerd zijn, met inbegrip van de aanpassingen voor te verwachten verliezen als gevolg van wisselkoersverschillen wanneer zulks consistent is met de rapportage van het effect van wisselkoersen in template 2.

166i. „Winsten of verliezen bij uitboeking van schuldinstrumenten” omvat het verschil tussen de boekwaarde van financiële activa gewaardeerd op de datum van uitboeking en de ontvangen vergoeding.

11.3.    Overboekingen tussen bijzonderewaardeverminderingsfasen (weergave op brutobasis) (12.2)

167. Voor in de boekhoudkundige portfolio’s en blootstellingen buiten de balanstelling opgenomen financiële activa niet zijnde verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid die aan de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van IFRS 9 zijn onderworpen, worden de brutoboekwaarde en het nominale bedrag dat gedurende de rapportagereferentieperiode tussen bijzonderewaardeverminderingsfasen is overgeboekt, in template 12.2 gerapporteerd.

168. Enkel de brutoboekwaarde of het nominale bedrag van de financiële activa of blootstellingen buiten de balanstelling die zich op de rapportagereferentiedatum in een andere bijzonderewaardeverminderingsfase bevinden dan de fase waarin zij zich aan het begin van het boekjaar of bij de eerste opname ervan bevonden, wordt gerapporteerd. Bij op de balans staande blootstellingen waarvoor de in template 12.1 gerapporteerde bijzondere waardevermindering een niet-opgenomen gedeelte omvat (IFRS 9.5.5.20 en IFRS 7.B8E), wordt de faseverandering van het opgenomen en het niet-opgenomen gedeelte in aanmerking genomen.

169. Voor de rapportage van de overboekingen die tijdens het boekjaar hebben plaatsgevonden, worden de financiële activa of de blootstellingen buiten de balanstelling die sinds het begin van het boekjaar of sinds de eerste opname ervan meerdere keren van bijzonderewaardeverminderingsfase zijn veranderd, gerapporteerd als zijnde overgeboekt van de bijzonderewaardeverminderingsfase ervan aan het begin van het boekjaar of bij eerste opname naar de bijzonderewaardeverminderingsfase waarin zij zich bevonden op de rapportagereferentiedatum.

170. De brutoboekwaarde die of het nominale bedrag dat in template 12.2 moet worden gerapporteerd, is de brutoboekwaarde of het nominale bedrag op de rapportagedatum, ongeacht of deze waarde of dat bedrag hoger of lager was op de datum van overboeking.

12.   ONTVANGEN ZEKERHEDEN EN GARANTIES (13)

12.1.    Uitsplitsing van zekerheden en garanties naar leningen en voorschotten anders dan voor handelsdoeleinden aangehouden (13.1)

171. De zekerheden en garanties ter dekking van leningen en voorschotten in de boekhoudkundige portefeuilles worden, ongeacht de rechtsvorm ervan, gerapporteerd naar soort pandgeving (door onroerend goed zekergestelde leningen en overige zekergestelde leningen) en naar ontvangen financiële garantie. De leningen en voorschotten worden uitgesplitst naar tegenpartij en doel. In de post „waarvan: niet-renderende” worden leningen en voorschotten in de zin van de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel gerapporteerd.

172. In template 13.1 wordt het „Maximale in aanmerking te nemen bedrag van de zekerheid of garantie” gerapporteerd. De som van de bedragen van een financiële garantie en/of zekerheid die in de desbetreffende kolommen van template 13.1 worden opgenomen, mag niet hoger zijn dan de boekwaarde van de overeenkomstige lening.

173. Voor de rapportage van leningen en voorschotten volgens het soort pandgeving gelden de volgende definities:

(a) 

binnen „Door onroerend goed zekergestelde leningen” omvat „Niet-zakelijk” door niet-zakelijk onroerend goed gedekte leningen, terwijl „Zakelijk” leningen betreft die worden gedekt door in pand gegeven zakelijk onroerend goed, zoals onder meer kantoorpanden, handelspanden en andere soorten zakelijk onroerend goed. Of een als zekerheid verschaft onroerend goed zakelijk of niet-zakelijk is, wordt bepaald in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt 75, VKV;

(b) 

binnen „Overige zekergestelde leningen”:

(i) 

omvat „Contanten, deposito’s, (Uitgegeven schuldinstrumenten)”: a) deposito’s bij de rapporterende instelling die als zekerheid voor een lening zijn verstrekt, en b) door de rapporterende instelling uitgegeven schuldbewijzen die als zekerheid voor een lening zijn verstrekt;

(ii) 

„Roerende goederen” omvat in pand gegeven fysieke zekerheden niet zijnde onroerende goederen en omvat auto’s, vliegtuigen, schepen, industriële en mechanische uitrusting (machines, mechanische en technische uitrusting), voorraden en grondstoffen (handelswaar, afgewerkte en halfafgewerkte producten, grondstoffen) en andere vormen van roerende goederen;

(iii) 

„Aandelen en schuldbewijzen” omvat zekerheden in de vorm van eigenvermogensinstrumenten, daaronder begrepen investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen, alsmede in de vorm van door derden uitgegeven schuldbewijzen;

(iv) 

„Overige” omvat in pand gegeven activa;

(c) 

„Ontvangen financiële garanties” omvat contracten op grond waarvan de garantiegever overeenkomstig punt 114 van dit deel van deze bijlage verplicht is bepaalde betalingen te verrichten om de instelling een verlies te vergoeden dat ontstaat omdat een bepaalde debiteur verzuimt een krachtens de oorspronkelijke of herziene voorwaarden van een schuldinstrument verschuldigde betaling te verrichten.

174. Voor leningen en voorschotten die gelijktijdig door meerdere soorten zekerheden of garanties worden gedekt, wordt het „Maximale in aanmerking te nemen bedrag van de zekerheid of garantie” toegerekend overeenkomstig de kwaliteit ervan, te beginnen bij de zekerheid/garantie met de beste kwaliteit. Bij door onroerend goed zekergestelde leningen wordt de zekerheid in de vorm van onroerend goed altijd eerst gerapporteerd, ongeacht de kwaliteit ervan in vergelijking met andere zekerheden. Indien het „Maximale in aanmerking te nemen bedrag van de zekerheid of garantie” groter is dan de waarde van de zekerheid in de vorm van onroerend goed, wordt de resterende waarde ervan aan andere soorten zekerheden en garanties toegerekend overeenkomstig de kwaliteit ervan, te beginnen bij de zekerheid/garantie met de beste kwaliteit.

12.2.    Gedurende de rapportageperiode door bezitsverkrijging verkregen zekerheden (aangehouden op de rapportagedatum) (13.2.1)

175. Deze template wordt gebruikt om informatie te rapporteren over zekerheden die tussen het begin en het einde van de referentieperiode zijn verkregen en die op de referentiedatum nog op de balans staan. „Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden” omvat activa die door de debiteur niet als zekerheid in pand zijn gegeven, maar die werden verkregen in ruil voor kwijtschelding van schulden, op vrijwillige basis of in het kader van een juridische procedure. De soorten zekerheden zijn de in punt 173 genoemde soorten zekerheden, met uitzondering van die in punt b), i), van dat punt.

175i. „Waarde bij eerste opname” is de brutoboekwaarde van de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden op het tijdstip van de eerste opname op de balans van de rapporterende instelling.

175ii. „Geaccumuleerde negatieve wijzigingen” is het verschil, op het niveau van de individuele zekerheid, tussen de waarde bij eerste opname van de zekerheid en de boekwaarde op de rapportagereferentiedatum, wanneer dat verschil negatief is.

12.3.    Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden geaccumuleerd (13.3.1)

176. Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden die op de referentiedatum nog op de balans staan, ongeacht het tijdstip waarop deze zijn verkregen, worden in template 13.3.1 gerapporteerd. Zowel door bezitsverkrijging verkregen zekerheden die als „Materiële vaste activa” zijn geclassificeerd, als overige door bezitsverkrijging verkregen zekerheden worden opgenomen. „Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden” omvat activa die door de debiteur niet als zekerheid in pand zijn gegeven, maar die werden verkregen in ruil voor kwijtschelding van schulden, op vrijwillige basis of in het kader van een juridische procedure.

13.   REËLEWAARDEHIËRARCHIE: TEGEN REËLE WAARDE GEWAARDEERDE FINANCIËLE INSTRUMENTEN (14)

177. De instellingen rapporteren de waarde van tegen reële waarde gewaardeerde financiële instrumenten overeenkomstig de in IFRS 13.72 vermelde hiërarchie. Indien nationale GAAP onder RJB de toerekening van tegen reële waarde gewaardeerde activa tussen verschillende niveaus van reële waarde vereist, rapporteren instellingen onder nationale GAAP eveneens deze template.

178. „Wijziging in de reële waarde gedurende de rapportageperiode” omvat winsten of verliezen als gevolg van herwaarderingen (in overeenstemming met IFRS 9, IFRS 13 of de nationale GAAP, al naargelang het geval) gedurende de rapportageperiode van de instrumenten die op de rapportagedatum nog steeds bestaan. Die winsten of verliezen worden gerapporteerd zoals zij worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening of, in voorkomend geval, in het overzicht van het totaalresultaat; de te rapporteren bedragen zijn dus bedragen vóór belastingen.

179. „Geaccumuleerde wijziging in de reële waarde vóór belasting” bevat het uit herwaarderingen van de instrumenten voortvloeiende bedrag aan winsten of verliezen, geaccumuleerd vanaf de eerste opname tot aan de referentiedatum.

14.   UITBOEKING EN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET OVERGEDRAGEN FINANCIËLE ACTIVA (15)

180. Template 15 bevat informatie over overgedragen financiële activa die niet of niet helemaal voor uitboeking in aanmerking komen, alsmede financiële activa die volledig zijn uitgeboekt maar ten aanzien waarvan de instelling beheerrechten behoudt.

181. De desbetreffende verplichtingen worden gerapporteerd volgens de portefeuille waarin de corresponderende overgedragen financiële activa aan de actiefzijde waren opgenomen, en niet volgens de portefeuille waarin zij aan de passiefzijde waren opgenomen.

182. De kolom „Voor kapitaaldoeleinden uitgeboekte bedragen” bevat de boekwaarde van de financiële activa die voor verslaggevingsdoeleinden zijn opgenomen maar die voor prudentiële doeleinden zijn uitgeboekt omdat de instelling deze overeenkomstig de artikelen 109, 243 en 244 VKV als securitisatieposities voor kapitaaldoeleinden behandelt.

183. „Retrocessieovereenkomsten” („repo’s”) zijn transacties waarbij de instelling contanten ontvangt in ruil voor financiële activa die tegen een bepaalde prijs zijn verkocht onder beding van wederinkoop van dezelfde (of identieke) activa tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Transacties die de tijdelijke overdracht van goud tegen zekerheid in de vorm van contanten behelzen, worden eveneens als „Retrocessieovereenkomsten” („repo’s”) beschouwd. Bedragen die de instelling ontvangt in ruil voor financiële activa die aan een derde („tijdelijke verkrijger”) zijn overgedragen, worden onder „Retrocessieovereenkomsten” geclassificeerd indien er een vaste verplichting is om de transactie om te keren en niet louter een optie daartoe. De volgende repo-achtige transacties vallen eveneens onder retrocessieovereenkomsten:

(a) 

ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een effectenlening tegen zekerheid in de vorm van contanten;

(b) 

ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een verkoop/terugkoopovereenkomst.

184. Bij „Retrocessieovereenkomsten” („repo’s”) en „Omgekeerde retrocessieovereenkomsten” („omgekeerde repo’s”) is sprake van door de instelling ontvangen of uitgeleende contanten.

185. Wanneer bij een securitisatietransactie de overgedragen financiële activa worden uitgeboekt, rapporteren de instellingen in de winst-en-verliesrekening de door de post gegenereerde winsten (verliezen) die overeenstemmen met de „boekhoudkundige portefeuilles” waarvan die financiële activa deel uitmaakten voordat ze werden uitgeboekt.

15.   UITSPLITSING VAN GESELECTEERDE POSTEN IN DE WINST- EN VERLIESREKENING (16)

186. Geselecteerde posten in de winst- en verliesrekening worden bij de rapportage nader uitgesplitst naar winsten (of baten) en verliezen (of lasten).

15.1.    Rentebaten en -lasten naar instrument en naar sector van de tegenpartij (16.1)

187. Rentebaten worden uitgesplitst in overeenstemming met het volgende:

(a) 

rentebaten uit financiële activa in de boekhoudkundige portefeuilles en andere activa (kasmiddelen, tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s);

(b) 

rentebaten uit financiële verplichtingen met een negatieve effectieve rente.

188. Rentelasten worden uitgesplitst in overeenstemming met het volgende:

(a) 

rentebaten uit financiële verplichtingen in de boekhoudkundige portefeuilles en overige verplichtingen;

(b) 

rentelasten uit financiële activa met een negatieve effectieve rente.

189. Rentebaten uit financiële activa en uit financiële verplichtingen met een negatieve effectieve rente omvatten rentebaten uit voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten, schuldbewijzen, leningen en voorschotten, alsook uit deposito’s, uitgegeven schuldbewijzen en andere financiële verplichtingen met een negatieve effectieve rente.

190. Rentelasten uit financiële verplichtingen en uit financiële activa met een negatieve effectieve rente omvatten rentelasten uit voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten, deposito’s, uitgegeven schuldbewijzen en andere financiële verplichtingen, alsook uit schuldbewijzen, leningen en voorschotten met een negatieve effectieve rente.

191. Voor de toepassing van template 16.1 worden shortposities binnen andere financiële verplichtingen in aanmerking genomen. Alle instrumenten in de verschillende portefeuilles worden in aanmerking genomen, behalve instrumenten die deel uitmaken van de post „Derivaten — hedge accounting” en niet voor afdekking van renterisico’s worden gebruikt.

192. „Derivaten — hedge accounting, renterisico” omvat de rentebaten en -lasten uit afdekkingsinstrumenten indien de afgedekte posities rente genereren.

193. Wanneer de „clean price” wordt gebruikt, omvat rente op voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten de met voor handelsdoeleinden aangehouden derivaten die in aanmerking komen als „economische afdekkingsinstrumenten” verband houdende bedragen die zijn opgenomen als rentebaten of -lasten ter correctie van de baten en lasten van financiële instrumenten die wel vanuit economisch maar niet vanuit boekhoudkundig perspectief afgedekt zijn. In een dergelijk geval worden rentebaten uit economische afdekkingsderivaten afzonderlijk gerapporteerd binnen rentebaten uit handelsderivaten. Tijdsevenredig toegedeelde vergoedingen of vereffeningsbetalingen met betrekking tot kredietderivaten gewaardeerd tegen reële waarde en gebruikt om geheel of gedeeltelijk het kredietrisico te beheren van een financieel instrument dat bij die gelegenheid is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde worden eveneens gerapporteerd binnen rente op derivaten aangehouden voor handelsdoeleinden.

194. Onder IFRS betekent „waarvan: rentebaten uit financiële activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan” rentebaten uit financiële activa met verminderde kredietwaardigheid, inclusief verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid, waarbij deze laatste als niet-renderend in de zin van punt 215 van dit deel worden beschouwd. Onder op RJB gebaseerde nationale GAAP omvat dit rentebaten uit aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa met een specifieke of bijzonderewaardeverminderingsvoorziening voor kredietrisico.

194i. „Waarvan: consumptief krediet” en „waarvan: lening voor huisaankoop” weerspiegelt de baten en lasten uit leningen en voorschotten als beschreven in punt 88 van dit deel.

194ii. „Waarvan: rente uit leases” weerspiegelt, respectievelijk, de rentebaten van de lessor uit leasevorderingen (financiële leases) en de rentelasten van de lessee uit de leaseverplichting.

15.2.    Winsten of verliezen bij uitboeking van financiële activa en verplichtingen die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, naar instrument (16.2)

195. Winsten of verliezen bij uitboeking van financiële activa en verplichtingen die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, worden uitgesplitst naar soort instrument en naar boekhoudkundige portefeuille. Voor iedere post wordt de gerealiseerde nettowinst of het gerealiseerde nettoverlies uit de uitgeboekte transactie gerapporteerd. De nettowaarde vertegenwoordigt het verschil tussen gerealiseerde winsten en gerealiseerde verliezen.

196. Template 16.2 is onder IFRS van toepassing op financiële activa en verplichtingen tegen geamortiseerde kostprijs en schuldinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. Onder op RJB gebaseerde nationale GAAP is template 16.2 van toepassing op financiële activa gewaardeerd op basis van een kostprijsmethode, tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen, en overeenkomstig andere waarderingsmethoden zoals de „lower of cost or market” (LOCOM). Winsten en verliezen uit financiële instrumenten die in het kader van de desbetreffende, op RJB gebaseerde nationale GAAP voor handelsdoeleinden zijn geclassificeerd, worden niet in deze template gerapporteerd, ongeacht de waarderingsvoorschriften die voor deze instrumenten van toepassing zijn.

15.3.    Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden en financiële activa voor handelsdoeleinden en financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden, naar instrument (16.3)

197. Winsten en verliezen uit hoofde van financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, worden uitgesplitst naar soort instrument; elke post in de uitsplitsing is het gerealiseerde en niet-gerealiseerde nettobedrag (winsten min verliezen) van het financiële instrument.

198. Winsten en verliezen uit de handel in vreemde valuta op de spotmarkt, met uitzondering van het wisselen van bankbiljetten en munten, worden opgenomen als handelswinsten en -verliezen. Winsten en verliezen uit de handel in edele metalen of uitboeking en herwaardering worden niet opgenomen in handelswinsten en -verliezen maar in „Overige bedrijfsopbrengsten” of „Overige bedrijfskosten” overeenkomstig punt 316 van dit deel.

199. De post „Waarvan: economische afdekkingen onder gebruikmaking van de reëlewaardeoptie” omvat alleen winsten en verliezen uit kredietderivaten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies die zijn gebruikt om geheel of gedeeltelijk het kredietrisico te beheren van financiële instrumenten die bij die gelegenheid overeenkomstig IFRS 9.6.7 zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Winsten of verliezen als gevolg van de herclassificatie van financiële activa uit de boekhoudkundige portefeuille gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs naar de boekhoudkundige portefeuille gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies of naar de voor handelsdoeleinden aangehouden portefeuille (IFRS 9.5.6.2) worden gerapporteerd in „Waarvan: winsten en verliezen als gevolg van de herclassificatie van activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs”.

15.4.    Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden en financiële activa voor handelsdoeleinden en financiële verplichtingen voor handelsdoeleinden, naar risico (16.4)

200. Winsten en verliezen uit hoofde van financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, worden eveneens uitgesplitst naar soort risico. Elke post in de uitsplitsing is het gerealiseerde en niet-gerealiseerde nettobedrag (winsten min verliezen) van het onderliggende risico (rente-, aandelen-, valuta-, krediet-, grondstoffenrisico en andere risico’s) verbonden aan de blootstelling, met inbegrip van gerelateerde derivaten. Winsten en verliezen uit hoofde van wisselkoersverschillen worden opgenomen in de post waarin ook de resterende uit het geconverteerde instrument voortvloeiende winsten en verliezen zijn opgenomen. Winsten en verliezen op financiële activa en financiële verplichtingen die geen derivaten zijn, worden als volgt in de risicocategorieën opgenomen:

(a) 

rente: omvat de handel in leningen en voorschotten, deposito’s en schuldbewijzen (aangehouden of uitgegeven);

(b) 

aandelen: omvat de handel in aandelen, quota van icbe’s en andere eigenvermogensinstrumenten;

(c) 

handel in vreemde valuta: omvat uitsluitend de handel op valutamarkten;

(d) 

kredietrisico: omvat de handel in credit linked notes;

(e) 

grondstoffen: deze post omvat uitsluitend derivaten; grondstoffen die met de intentie om te handelen worden aangehouden, worden immers gerapporteerd onder „Overige bedrijfsbaten” of „Overige bedrijfslasten” overeenkomstig punt 316 van dit deel;

(f) 

overige: omvat de handel in financiële instrumenten die niet bij andere uitsplitsingen kunnen worden ondergebracht.

15.5.    Winsten of verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, naar instrument (16.4.1)

201. Winsten of verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden uitgesplitst naar soort instrument. Elke post in de uitsplitsing is het gerealiseerde en niet-gerealiseerde nettobedrag (winsten min verliezen) van het financiële instrument.

202. Winsten of verliezen als gevolg van de herclassificatie van financiële activa uit de boekhoudkundige portefeuille gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs naar de boekhoudkundige portefeuille verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (IFRS 9.5.6.2) worden gerapporteerd in „waarvan: winsten en verliezen als gevolg van de herclassificatie van activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs”.

15.6.    Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, naar instrument (16.5)

203. Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, worden uitgesplitst naar soort instrument. De instellingen rapporteren de netto gerealiseerde en niet-gerealiseerde winsten of verliezen; ook het bedrag van de verandering in de reële waarde van financiële verplichtingen gedurende de rapportageperiode als gevolg van wijzigingen van het kredietrisico (eigen kredietrisico van leningnemer of -gever) wordt gerapporteerd indien het eigen kredietrisico niet binnen de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gerapporteerd.

204. Indien een tegen reële waarde gewaardeerd kredietderivaat is gebruikt om geheel of gedeeltelijk het kredietrisico te beheren van een financieel instrument dat bij die gelegenheid is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, worden de winsten of verliezen van het financieel instrument bij die aanwijzing gerapporteerd in „Waarvan: winsten of (—) verliezen bij aanwijzing van financiële activa en verplichtingen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies voor afdekkingsdoeleinden, netto”. Latere tegen reële waarde gewaardeerde winsten of verliezen met betrekking tot die financiële instrumenten worden gerapporteerd in „Waarvan: winsten of (—) verliezen na aanwijzing van financiële activa en verplichtingen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies voor afdekkingsdoeleinden, netto”.

15.7.    Winsten of verliezen uit hoofde van hedge accounting (16.6)

205. Alle winsten en verliezen uit hoofde van hedge accounting, met uitzondering van rentebaten of -lasten waarbij de „clean price” wordt gebruikt, worden uitgesplitst volgens het type hedge accounting: reëlewaardeafdekking, kasstroomafdekking en afdekking van netto-investeringen in buitenlandse activiteiten. Aan de afdekking van de reële waarde gerelateerde winsten en verliezen worden uitgesplitst naar afdekkingsinstrument en afgedekte post. Winsten en verliezen uit afdekkingsinstrumenten omvatten geen winsten en verliezen die verband houden met elementen van de afdekkingsinstrumenten die niet zijn aangewezen als afdekkingsinstrumenten conform IFRS 9.6.2.4. Die niet-aangewezen afdekkingsinstrumenten worden gerapporteerd overeenkomstig punt 60 van dit deel. Winsten en verliezen uit hoofde van hedge accounting omvatten ook winsten en verliezen uit de afdekkingen van een groep posten met compenserende risicoposities (afdekkingen van een nettopositie).

206. „Veranderingen in de reële waarde van het afgedekte instrument vanwege het afgedekte risico” omvat winsten en verliezen op afgedekte posities indien de posten schuldinstrumenten zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat overeenkomstig IFRS 9.4.1.2A (IFRS 9.6.5.8).

207. Onder nationale GAAP op basis van RJB wordt de uitsplitsing volgens het type afdekkingen, zoals bepaald in deze template, gerapporteerd voor zover de uitsplitsing verenigbaar is met de geldende boekhoudkundige vereisten.

15.8.    Bijzondere waardevermindering van niet-financiële activa (16.7)

208. „Toevoegingen” worden gerapporteerd indien, ten aanzien van de boekhoudkundige portefeuille of de voornaamste activacategorie, de raming van de bijzondere waardevermindering voor de rapportageperiode leidt tot de opname van nettolasten. „Terugboekingen” worden gerapporteerd indien, ten aanzien van de boekhoudkundige portefeuille of de voornaamste activacategorie, de raming van de bijzondere waardevermindering voor de rapportageperiode leidt tot de opname van nettobaten.

15.9.    Overige administratieve lasten (16.8)

208i. „IT-uitgaven” zijn de uitgaven om IT-enabled bedrijfsprocessen, applicatiediensten en infrastructuuroplossingen te leveren voor door bedrijven beoogde uitkomsten, met inbegrip van kosten voor het creëren en onderhouden van IT-systemen, doch met uitsluiting van beloning voor IT-specialisten op de loonlijst van de instelling (deze wordt onder personeelsuitgaven gerapporteerd).

208ii. Bij de „IT-uitgaven” wordt met „IT-uitbesteding” de IT-uitgaven bedoeld met betrekking tot het gebruik van externe dienstverrichters. Dit omvat niet de uitgaven met betrekking tot: i) zuivere diensten inzake personeel (uitzendkrachten) voor zover de instelling gewoon personeelsleden tijdelijk inhuurt en volledige controle behoudt over de geleverde diensten, en ii) louter gestandaardiseerde contracten voor het onderhoud van operationele hardware/software op zuiver aangeschafte activa.

208iii. „Belastingen en heffingen (overige)” omvat belastingen en heffingen niet zijnde i) belastingen met betrekking tot winst- of verliesbelastingen, en ii) belastingen en heffingen uit beëindigde activiteiten. Deze post omvat belastingen en heffingen zoals belastingen over goederen en diensten en de door de instelling betaalde heffingen.

208iv. „Consultancy en zakelijke dienstverlening” zijn uitgaven om deskundig of strategisch advies te krijgen.

208v. „Reclame, marketing en communicatie” omvat uitgaven met betrekking tot marketingcommunicatie zoals reclame, directe of onlinemarketing en events.

208vi. „Kosten in verband met kredietrisico” zijn administratieve uitgaven in het kader van kredietgebeurtenissen, zoals uitgaven met betrekking tot de bezitsverkrijging van zekerheden of juridische procedures.

208vii. „Niet door voorzieningen gedekte proceskosten” zijn niet met kredietrisico verband houdende proceskosten die niet waren gedekt door een daarbij behorende voorziening.

208viii. „Vastgoedlasten” zijn de reparatie- en onderhoudsuitgaven die het gebruik van het onroerend goed niet verbeteren of de levensduur ervan niet verlengen, alsmede nutskosten (water, stroom en verwarming).

208ix. Onder IFRS omvatten „leasingkosten” de kosten van de lessee ervoor als gevolg van leaseovereenkomsten van korte duur en leaseovereenkomsten waarvan het onderliggende actief een lage waarde heeft, als bedoeld in IFRS 16.5 en 16.6. Volgens de nationale GAAP omvatten „leasingkosten” de kosten van de lessee indien volgens de standaard voor jaarrekeningen leasebetalingen als kosten worden behandeld.

208x. „Overige administratieve lasten — Rest” omvatten alle overige bestanddelen van „overige administratieve lasten”, zoals toezichtvergoedingen of bankenheffingen, administratieve en logistieke diensten, porto en verzending van documenten, bewakings- en beveiligingsdiensten, diensten voor het tellen van geld en geldtransport. Bijdragen in contanten aan afwikkelingsfondsen en depositogarantiestelsels worden niet in deze categorie gerapporteerd, omdat deze in een afzonderlijke rij van template 2 worden gerapporteerd.

16.   AANSLUITING TUSSEN DE BOEKHOUDKUNDIGE CONSOLIDATIEKRING EN DE CONSOLIDATIEKRING IN HET KADER VAN DE VKV (17)

209. „Boekhoudkundige consolidatiekring” bevat de boekwaarde van activa, verplichtingen en eigen vermogen, alsook de nominale bedragen van de blootstellingen buiten de balanstelling berekend op basis van de boekhoudkundige consolidatiekring, d.w.z. met opname in de consolidatie van dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen en niet-financiële vennootschappen zijn. De instellingen verwerken de dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen met gebruikmaking van dezelfde methode als in hun jaarrekening.

210. In deze template zijn onder de post „Investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen” geen dochterondernemingen begrepen, aangezien alle dochterondernemingen volledig binnen de boekhoudkundige consolidatiekring worden geconsolideerd.

211. „Onder verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten vallende activa” omvatten in herverzekering gegeven activa, alsook (indien van toepassing) activa die verband houden met gesloten verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten.

212. „Verplichtingen uit hoofde van verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten” omvatten verplichtingen uit hoofde van gesloten verzekerings- en herverzekeringsovereenkomsten.

17.   NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN (18)

17.1.    Informatie over renderende en niet-renderende blootstellingen (18.0)

213. Voor de toepassing van template 18 zijn niet-renderende blootstellingen de in artikel 47 bis, lid 3, VKV genoemde blootstellingen.

215. Onder IFRS gelden, voor de toepassing van template 18, blootstellingen met verminderde kredietwaardigheid (fase 3) als aan bijzondere waardevermindering onderhevige blootstellingen. Blootstellingen in andere bijzonderewaardeverminderingsfasen dan fase 3 en verworven of gecreëerde blootstellingen met verminderde kredietwaardigheid gelden als niet-renderend indien deze voldoen aan de criteria om overeenkomstig artikel 47 bis, lid 3, VKV als niet-renderend te worden aangemerkt.

216. Blootstellingen worden voor hun volledige bedrag gecategoriseerd en zonder rekening te houden met het bestaan van enige zekerheid. Voor de in artikel 47 bis, lid 3, punt a), VKV bedoelde blootstellingen wordt de materialiteit beoordeeld overeenkomstig artikel 178 VKV en Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 van de Commissie (technische reguleringsnormen voor de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen).

217. Voor de toepassing van template 18 omvat „blootstellingen” alle schuldinstrumenten (schuldbewijzen en leningen en voorschotten die ook bij centrale banken aangehouden tegoeden en overige direct opvraagbare deposito’s omvatten) en blootstellingen buiten de balanstelling, met uitzondering van die welke voor het verhandelen van blootstellingen worden aangehouden.

218. Schuldinstrumenten worden opgenomen in de volgende boekhoudkundige portefeuilles: a) tegen kostprijs of geamortiseerde kostprijs gewaardeerde schuldinstrumenten; b) tegen reële waarde gewaardeerde schuldinstrumenten die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of in het eigen vermogen, en c) tegen strikte LOCOM of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies of eigen vermogen gewaardeerde schuldinstrumenten die niet aan bijzondere waardevermindering onderhevig zijn, in overeenstemming met de criteria van punt 233 van dit deel. Elke categorie wordt uitgesplitst naar instrument en naar tegenpartij.

219. Onder IFRS en toepasselijke nationale GAAP op basis van RJB omvatten blootstellingen buiten de balanstelling de volgende herroepelijke en onherroepelijke posten:

(a) 

verstrekte toegezegde leningen;

(b) 

verstrekte financiële garanties;

(c) 

overige gedane toezeggingen.

220. Overeenkomstig IFRS 5 als aangehouden voor verkoop geclassificeerde schuldinstrumenten worden afzonderlijk gerapporteerd.

221. In template 18 wordt voor schuldinstrumenten de „bruto boekwaarde” gerapporteerd zoals omschreven in deel 1, punt 34, van deze bijlage. Voor blootstellingen buiten de balanstelling wordt het nominale bedrag als omschreven in punt 118 van deze bijlage gerapporteerd.

222. Voor de toepassing van template 18 is een blootstelling „achterstallig” indien deze aan de criteria van punt 96 van dit deel voldoet. Voor de indeling van blootstellingen als niet-renderend overeenkomstig artikel 47 bis, lid 3, onder a), VKV, begint de termijn van 90 dagen achterstallig te lopen zodra het achterstallige bedrag, zijnde de som van de achterstallige hoofdsom, achterstandsrente en provisies, de in punt 216 van dit deel bepaalde materialiteitsdrempel overschrijdt. Indien het achterstallige gedeelte van de blootstellingen voor 90 opeenvolgende dagen achterstallig blijft, moet de blootstelling vervolgens als niet-renderend worden geclassificeerd.

223. Voor de toepassing van template 18 is een „debiteur” een debiteur in de zin van artikel 178 VKV.

226. In overeenstemming met punt 213 als niet-renderend geclassificeerde blootstellingen worden beschouwd hetzij als niet-renderend op individuele basis („transactiegebaseerd”) hetzij als niet-renderend wat betreft de totale blootstelling aan een gegeven debiteur („debiteurgebaseerd”). Voor de categorisering van niet-renderende blootstellingen als „op individuele basis” of als „aan een gegeven debiteur” worden voor de verschillende types niet-renderende blootstellingen de volgende categorisatiebenaderingen gebruikt:

(a) 

voor in overeenstemming met artikel 178 VKV als blootstellingen in wanbetaling geclassificeerde niet-renderende blootstellingen geldt de categorisatiebenadering van dat artikel;

(b) 

voor blootstellingen die als niet-renderend worden geclassificeerd omdat zij ingevolge het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als aan bijzondere waardevermindering onderhevig worden beschouwd, gelden de criteria om ingevolge het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als aan bijzondere waardevermindering onderhevig te worden opgenomen;

(c) 

voor andere niet-renderende blootstellingen die noch als blootstellingen in wanbetaling noch als aan bijzondere waardevermindering onderhevig geclassificeerd zijn, gelden de bepalingen van artikel 178 VKV voor blootstellingen in wanbetaling.

227. Indien een instelling blootstellingen binnen de balanstelling aan een debiteur heeft die meer dan 90 dagen achterstallig zijn en de bruto boekwaarde van de achterstallige blootstellingen meer dan 20 % van de bruto boekwaarde van alle blootstellingen binnen de balanstelling aan die debiteur vertegenwoordigt, worden alle blootstellingen binnen en buiten de balanstelling aan die debiteur als niet-renderend beschouwd. Indien een debiteur tot een groep behoort, wordt beoordeeld of ook blootstellingen aan andere entiteiten van de groep als niet-renderend moeten worden beschouwd, met uitzondering van blootstellingen die het voorwerp zijn van op zichzelf staande geschillen welke geen verband houden met de solvabiliteit van de tegenpartij.

228. Blootstelling gelden als niet langer niet-renderend indien alle voorwaarden van artikel 47 bis, lid 4, VKV zijn vervuld.

230. De classificatie van een niet-renderende blootstelling als vast actief aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5 houdt niet in dat de classificatie ervan als niet-renderende blootstelling overeenkomstig artikel 47 bis, lid 5, VKV wordt beëindigd.

231. Het verlenen van respijtmaatregelen met betrekking tot een niet-renderende blootstelling leidt er niet toe dat deze blootstelling niet langer als niet-renderend wordt beschouwd. Indien blootstellingen niet-renderend zijn met respijtmaatregelen, als bedoeld in punt 262, worden die blootstellingen niet langer als niet-renderend beschouwd indien aan alle voorwaarden van artikel 47 bis, lid 6, VKV is voldaan.

232. Indien de voorwaarden waarvan sprake in punt 231 van dit deel van deze bijlage, aan het einde van de in artikel 47 bis, lid 6, punt b), VKV genoemde termijn van één jaar niet zijn vervuld, blijft de blootstelling als niet-renderende respijtblootstelling aangemerkt worden totdat aan alle voorwaarden is voldaan. De voorwaarden worden ten minste op kwartaalbasis beoordeeld.

233. De boekhoudkundige portefeuilles onder IFRS opgenomen in deel 1, punt 15, van deze bijlage en onder toepasselijke nationale GAAP op basis van RJB opgenomen in deel 1, punt 16, van deze bijlage worden als volgt gerapporteerd in template 18:

a) 

„Schuldinstrumenten tegen kostprijs of tegen geamortiseerde kostprijs” omvat schuldinstrumenten opgenomen in een van de volgende posten:

i) 

„financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs” (IFRS);

ii) 

„niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden op basis van een kostprijsmethode”, inclusief schuldinstrumenten onder gematigde LOCOM (nationale GAAP op basis van RJB);

iii) 

„overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden”, behalve schuldinstrumenten gewaardeerd tegen strikte LOCOM (nationale GAAP op basis van RJB);

b) 

„Schuldinstrumenten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat of in het eigen vermogen onderhevig aan bijzondere waardevermindering” omvat schuldinstrumenten opgenomen in een van de volgende posten:

i) 

„Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat” (IFRS);

ii) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen”, indien instrumenten in die waarderingscategorie aan bijzondere waardevermindering onderhevig kunnen zijn overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving onder nationale GAAP op basis van RJB;

c) 

„Schuldinstrumenten tegen strikte LOCOM of reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies of eigen vermogen niet onderhevig aan bijzondere waardevermindering” omvat schuldinstrumenten opgenomen in een van de volgende:

i) 

„Financiële activa voor niet-handelsdoeleinden, verplicht gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” (IFRS);

ii) 

„Financiële activa aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” (IFRS);

iii) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” (nationale GAAP op basis van RJB);

iv) 

„Overige niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden”, indien schuldinstrumenten worden gewaardeerd onder strikte LOCOM (nationale GAAP op basis van RJB);

v) 

„Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het eigen vermogen”, indien instrumenten in die waarderingscategorie niet aan bijzondere waardevermindering onderhevig zijn overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving onder GAAP op basis van RJB.

234. Indien IFRS of de toepasselijke nationale GAAP op basis van RJB voorzien in de aanwijzing van toezeggingen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt de boekwaarde van een activum uit hoofde van die aanwijzing en waardering tegen reële waarde gerapporteerd in „Financiële activa aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” (IFRS) of „Niet-afgeleide financiële activa voor niet-handelsdoeleinden, gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies” (nationale GAAP op basis van RJB). De boekwaarde van een verplichting uit hoofde van die aanwijzing wordt niet gerapporteerd in template 18. Het notionele bedrag van alle toezeggingen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt gerapporteerd in template 9.

234i. De volgende blootstellingen worden in afzonderlijke rijen weergegeven:

(a) 

„Door onroerend goed zekergestelde leningen” in de zin van punt 86, a), en punt 87 van dit deel;

(b) 

„Consumptief krediet” in de zin van punt 88, a), van dit deel.

235. Achterstallige blootstellingen worden voor hun volledige bedrag afzonderlijk binnen de categorieën renderend en niet-renderend gerapporteerd als omschreven in punt 96 van dit deel. Meer dan 90 dagen achterstallige blootstellingen die echter niet materieel zijn overeenkomstig artikel 178 VKV worden gerapporteerd binnen renderende blootstellingen in „Achterstallig > 30 dagen ≤ 90 dagen”.

236. Niet-renderende blootstellingen worden naar tijdsintervallen van achterstalligheid uitgesplitst gerapporteerd. Indien de debiteurenbenadering wordt toegepast voor de classificatie van blootstellingen als niet-renderend in de zin van punt 226 van dit deel van deze bijlage, worden de blootstellingen van de debiteur gerapporteerd, afhankelijk van hun individuele achterstalligheidsstatus, gerapporteerd volgens tijdsintervallen van achterstalligheid. Blootstellingen die niet achterstallig zijn of 90 dagen of minder achterstallig zijn, maar niettemin als niet-renderend worden aangemerkt omdat onvolledige terugbetaling waarschijnlijk is, worden in een aparte kolom gerapporteerd. Blootstellingen die achterstallig zijn en waarschijnlijk onvolledig zullen worden terugbetaald, worden in overeenstemming met het aantal dagen dat zij achterstallig zijn, aan de hand van tijdsintervallen van achterstalligheid toegewezen.

237. De volgende blootstellingen worden in afzonderlijke kolommen weergeven:

(a) 

blootstellingen die worden geacht aan bijzondere waardevermindering onderhevig te zijn in overeenstemming met het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving; onder IFRS wordt het bedrag van de activa met verminderde kredietwaardigheid (fase 3) dat geen verworven of gecreëerde activa met verminderde kredietwaardigheid omvat, gerapporteerd; onder nationale GAAP wordt het bedrag van aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa gerapporteerd;

(b) 

blootstellingen ten aanzien waarvan een wanbetaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 178 VKV;

(c) 

onder IFRS, activa met significante toename van het kredietrisico sinds de eerste opname maar die geen financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn (fase 2), die geen verworven of gecreëerde activa met verminderde kredietwaardigheid omvatten;

(d) 

onder IFRS, voor renderende blootstellingen, activa zonder significante toename van het kredietrisico sinds de eerste opname (fase 1);

(e) 

blootstellingen die worden beschouwd als verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid bij eerste opname als omschreven in bijlage A bij IFRS 9, met inbegrip van blootstellingen buiten de balanstelling die bij hun eerste opname als verminderd kredietwaardig worden beschouwd;

(f) 

voor renderende blootstellingen, het bedrag van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen voor blootstellingen die meer dan 30 dagen achterstallig zijn.

238. Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering, geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico en voorzieningen worden in overeenstemming met punt 11, de punten 69 tot en met 71, punt 106 en punt 110 van dit deel gerapporteerd.

239. Informatie over aangehouden zekerheden en ontvangen garanties betreffende renderende en niet-renderende blootstellingen wordt afzonderlijk gerapporteerd. Bedragen als gerapporteerd voor ontvangen zekerheden en ontvangen garanties worden berekend in overeenstemming met de punten 172 en 174 van dit deel. De som van de zowel voor zekerheden als garanties gerapporteerde bedragen is gemaximeerd op de boekwaarde of de nominale waarde (na aftrek van voorzieningen) van de betrokken blootstelling.

17.2.    Instromen en uitstromen van niet-renderende blootstellingen — leningen en voorschotten per tegenpartijsector (18.1)

239i. Template 18.1 geeft de instromen en uitstromen van leningen en voorschotten, met uitzondering van als financiële activa voor handelsdoeleinden of als voor handelsdoeleinden aangehouden geclassificeerde leningen en voorschotten, die werden geclassificeerd in of uit de categorie niet-renderende blootstellingen in de zin van de punt 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel. Instromen en uitstromen van niet-renderende leningen en voorschotten worden uitgesplitst naar tegenpartijsector.

239ii. Instromen in de categorie niet-renderende blootstellingen worden op cumulatieve basis gerapporteerd vanaf het begin van het boekjaar. De instroom weerspiegelt de brutoboekwaarde van blootstellingen die tijdens de rapportageperiode niet-renderend zijn geworden in de zin van de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel, met inbegrip van gekochte niet-renderende blootstellingen. Een toename van de brutoboekwaarde van een niet-renderende blootstelling als gevolg van opgelopen rente of van een toename van de geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde wordt eveneens als een instroom gerapporteerd.

239iii. Voor een blootstelling die in de rapportageperiode meermaals is geherclassificeerd van niet-renderend naar renderend (of omgekeerd), wordt het bedrag aan instromen en uitstromen gegeven op basis van een vergelijking tussen de status van de blootstelling (renderend of niet-renderend) aan het begin van het boekjaar of bij de eerste opname ervan en de status ervan op de rapportagereferentiedatum.

239iv. Uitstromen uit de categorie niet-renderende blootstellingen worden op cumulatieve basis gerapporteerd vanaf het begin van het boekjaar. De uitstroom weerspiegelt de totale brutoboekwaarde van blootstellingen die tijdens de rapportageperiode niet langer niet-renderend zijn, en omvat, in voorkomend geval het bedrag van de afschrijvingen die hebben plaatsgevonden in het kader van de gedeeltelijke of volledige uitboeking van de blootstelling. Een afname van de brutoboekwaarde van een niet-renderende blootstelling als gevolg van betaalde rente of van een afname van de geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico wordt eveneens als een uitstroom gerapporteerd.

239v. Een uitstroom wordt in de volgende gevallen gerapporteerd:

(a) 

een niet-renderende blootstelling voldoet aan de criteria om overeenkomstig de punten 228 tot en met 232 van dit deel niet langer te worden geclassificeerd als niet-renderend, en wordt geherclassificeerd als „renderend zonder respijt” of „renderend met respijt”;

(b) 

een niet-renderende blootstelling wordt gedeeltelijk of volledig terugbetaald; in het geval van een gedeeltelijke terugbetaling wordt alleen het terugbetaalde bedrag als uitstroom geclassificeerd;

(c) 

zekerheden worden geliquideerd, met inbegrip van uitstromen als gevolg van andere liquidatie- of juridische procedures, zoals de liquidatie van activa niet zijnde via juridische procedures verkregen zekerheden, en de vrijwillige verkoop van de zekerheden;

(d) 

de instelling verkrijgt het bezit van de zekerheid als bedoeld in punt 175 van dit deel, met inbegrip van gevallen van debt-assets swaps, vrijwillige overdracht en debt-equity swaps;

(e) 

een niet-renderende blootstelling wordt verkocht;

(f) 

het risico verbonden aan een niet-renderende blootstelling wordt overgedragen, en de blootstelling voldoet aan de criteria om te worden uitgeboekt;

(g) 

een niet-renderende blootstelling wordt gedeeltelijk of volledig afgeschreven; in het geval van gedeeltelijke afschrijving wordt alleen het afgeschreven bedrag als uitstroom geclassificeerd;

(h) 

een niet-renderende blootstelling (of delen van een niet-renderende blootstelling) is (zijn) om andere redenen niet langer niet-renderend.

239vi. De herclassificatie van een niet-renderende blootstelling van een boekhoudkundige portefeuille naar een andere wordt niet als instroom of als uitstroom gerapporteerd. Een uitzondering is de herclassificatie van een niet-renderende blootstelling uit een boekhoudkundige portefeuille naar „aangehouden voor verkoop”: deze wordt gerapporteerd als uitstroom van de oorspronkelijke boekhoudkundige portefeuille en als instroom in „aangehouden voor verkoop”.

239vii. De volgende blootstellingen worden in afzonderlijke rijen weergegeven:

(a) 

zakelijk onroerendgoedleningen in de zin van punt 239ix, uitgesplitst in leningen voor zakelijk onroerend goed aan kmo’s en leningen voor zakelijk onroerend goed aan niet-financiële vennootschappen niet zijnde kmo’s;

(b) 

door onroerend goed zekergestelde leningen in de zin van punt 86, a), en punt 87 van dit deel;

(c) 

consumptief krediet in de zin van punt 88, a), van dit deel.

17.3.    Zakelijk onroerendgoedleningen en aanvullende informatie over door onroerend goed gedekte leningen (18.2)

239viii. In template 18.2 wordt informatie gegeven over, respectievelijk, zakelijk onroerendgoedleningen (CRE-leningen) aan niet-financiële vennootschappen en door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed zekergestelde leningen aan niet-financiële vennootschappen en huishoudens, uitgesplitst naar schuld/waardequote (LTV-ratio). Leningen en voorschotten die zijn geclassificeerd als aangehouden voor handelsdoeleinden, financiële activa voor handelsdoeleinden en schuldinstrumenten aangehouden voor verkoop, worden uitgesloten.

239ix. „Zakelijk onroerendgoedleningen (CRE-leningen)” omvatten blootstellingen in de zin van afdeling 2, hoofdstuk 1, punt 1, van de ESRB-aanbeveling betreffende het opvullen van lacunes in onroerendgoedgegevens ( 18 ).

239x. De LTV-ratio wordt berekend volgens de methode voor het berekenen van de „current loan-to-value ratio” (LTV-C) die is vastgelegd in afdeling 2, hoofdstuk 1, punt 1, van de ESRB-aanbeveling betreffende het opvullen van lacunes in onroerendgoedgegevens

239xi. Informatie over ontvangen zekerheden en ontvangen financiële garanties voor leningen wordt gerapporteerd overeenkomstig punt 239 van dit deel. De som van de zowel voor zekerheden als garanties gerapporteerde bedragen is dus gemaximeerd op de boekwaarde van de betrokken blootstelling.

18.   RESPIJTBLOOTSTELLINGEN (19)

240. Voor de toepassing van template 19 zijn respijtblootstellingen schuldcontracten ten aanzien waarvan respijtmaatregelen in de zin van artikel 47 ter, leden 1 en 2, VKV zijn toegepast.

243. Respijtmaatregelen omvatten ook de uitoefening van clausules die, indien zij naar goedvinden van de debiteur worden gebruikt, de debiteur in staat stellen de voorwaarden van het contract te wijzigen („ingebouwde respijtclausules”) en als een concessie worden behandeld indien de instelling de uitvoering van die clausules goedkeurt en besluit dat de debiteur financiële moeilijkheden ondervindt.

244. Voor de toepassing van de bijlagen III en IV alsook deze bijlage wordt onder „herfinanciering” verstaan het gebruik van schuldcontracten om te zorgen voor de gehele of gedeeltelijke betaling van andere schuldcontracten aan de voorwaarden waarvan de debiteur niet kan voldoen.

245. Voor de toepassing van template 19 is een „debiteur” een debiteur in de zin van artikel 47 ter, lid 4, VKV.

246. Voor de toepassing van template 19 omvat „schuld” leningen en voorschotten (met inbegrip van bij centrale banken aangehouden tegoeden en overige direct opvraagbare deposito’s), schuldbewijzen en herroepelijke en onherroepelijke verstrekte toegezegde leningen, met inbegrip van verstrekte toegezegde leningen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies die activa zijn op de rapportagedatum. „Schuld” omvat geen blootstellingen aangehouden voor handelsdoeleinden.

247. „Schuld” omvat ook leningen en voorschotten en schuldbewijzen geclassificeerd als vaste activa en groepen activa die worden afgestoten, geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5.

248. Voor de toepassing van template 19 heeft „blootstelling” dezelfde betekenis als „schuld” in de punten 246 en 247 van dit deel.

249. De boekhoudkundige portefeuilles onder IFRS (opgenomen in deel 1, punt 15, van deze bijlage) en onder toepasselijke nationale GAAP op basis van RJB (opgenomen in deel 1, punt 16, van deze bijlage) worden in template 19 gerapporteerd overeenkomstig punt 233 van dit deel.

250. Voor de toepassing van template 19 wordt onder „instelling” verstaan de instelling die de respijtmaatregelen heeft toegepast.

251. In template 19 wordt voor „schuld” de „bruto boekwaarde” gerapporteerd overeenkomstig deel 1, punt 34, van deze bijlage. Voor verstrekte toegezegde leningen die blootstellingen buiten de balanstelling zijn, wordt het nominale bedrag als omschreven in punt 118 van dit deel van deze bijlage gerapporteerd.

252. Blootstellingen worden als respijtblootstellingen beschouwd indien een concessie overeenkomstig artikel 47 ter, lid 1, VKV is gedaan, ongeacht of enig bedrag achterstallig is of de blootstellingen als aan bijzondere waardevermindering onderhevig in overeenstemming met het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving of als blootstellingen in wanbetaling in overeenstemming met artikel 178 VKV zijn geclassificeerd. Blootstellingen worden niet als respijtblootstellingen behandeld indien de debiteur zich niet in financiële moeilijkheden bevindt. Onder IFRS worden herziene financiële activa (IFRS 9.5.4.3 en bijlage A) behandeld als respijtactiva indien een concessie als omschreven in artikel 47 ter, lid 1, VKV is gedaan, ongeacht de invloed van de herziening op de wijziging van het kredietrisico van het financieel actief sinds eerste opname.

254. In de in artikel 47 ter, lid 3, VKV genoemde omstandigheden bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat respijtverlening heeft plaatsgevonden.

255. Financiële moeilijkheden worden beoordeeld op het niveau van de debiteur als bedoeld in punt 245. Alleen blootstellingen waarvoor respijtmaatregelen gelden, worden als respijtblootstellingen aangemerkt.

256. Respijtblootstellingen worden binnen de categorie niet-renderende blootstellingen of de categorie renderende blootstellingen opgenomen overeenkomstig de punten 213 tot en met 239 en punt 260 van dit deel. De classificatie als respijtblootstelling vervalt indien alle voorwaarden van artikel 47 bis, lid 7, VKV zijn vervuld.

257. Indien de voorwaarden van artikel 47 bis, lid 7, VKV aan het einde van de proeftermijn niet zijn vervuld, blijft de blootstelling als renderende respijtblootstelling op proef aangemerkt worden totdat aan alle voorwaarden is voldaan. De voorwaarden worden ten minste op kwartaalbasis beoordeeld.

258. Respijtblootstellingen die overeenkomstig IFRS 5 als vaste activa aangehouden voor verkoop zijn geclassificeerd, blijven als respijtblootstellingen geclassificeerd.

259. Een respijtblootstelling kan vanaf de datum dat de respijtmaatregelen zijn toegepast, als renderend worden beschouwd indien aan beide van de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) 

die respijtverlening heeft er niet toe geleid dat de blootstelling als niet-renderend is geclassificeerd;

(b) 

de blootstelling werd op de datum dat de respijtmaatregelen werden verleend, niet als niet-renderende blootstelling beschouwd.

260. Indien op een renderende respijtblootstelling op proef die geherclassificeerd is na voorheen tot de categorie niet-renderend te hebben behoord, bijkomende respijtmaatregelen worden toegepast of de respijtblootstelling op proef die geherclassificeerd is na voorheen tot de categorie niet-renderend te hebben behoord, meer dan 30 dagen achterstallig wordt, wordt deze blootstelling als niet-renderend overeenkomstig artikel 47 bis, lid 3, punt c), VKV geclassificeerd.

261. „Renderende blootstellingen met respijtmaatregelen” (renderende respijtblootstellingen) omvatten respijtblootstellingen die niet aan de criteria voldoen om als niet-renderend te worden beschouwd en worden in de categorie renderende blootstellingen opgenomen. Renderende respijtblootstellingen zijn „op proef” totdat aan alle criteria van artikel 47 bis, lid 7, VKV is voldaan, ook ingeval punt 259 van dit deel van toepassing is. Renderende respijtblootstellingen op proef die zijn geherclassificeerd na tot de categorie „niet-renderende respijtblootstellingen” te hebben behoord, worden binnen de renderende blootstellingen met respijtmaatregelen afzonderlijk gerapporteerd in de kolom „waarvan: Renderende respijtblootstellingen op proef die na tot de categorie niet-renderend te hebben behoord zijn geherclassificeerd”.

262. „Niet-renderende blootstellingen met respijtmaatregelen” (niet-renderende respijtblootstellingen) omvatten respijtblootstellingen die aan de criteria voldoen om als niet-renderend te worden beschouwd en in de categorie niet-renderende blootstellingen worden opgenomen. Die niet-renderende respijtblootstellingen omvatten de volgende blootstellingen:

(a) 

blootstellingen die vanwege de toepassing van respijtmaatregelen niet-renderend zijn geworden;

(b) 

blootstellingen die voorafgaand aan de verlening van respijtmaatregelen niet-renderend waren;

(c) 

respijtblootstellingen die, na tot de categorie renderend te hebben behoord, zijn geherclassificeerd, daaronder begrepen blootstellingen die op grond van punt 260 zijn geherclassificeerd.

263. Indien met betrekking tot blootstellingen die voorafgaand aan de verlening van respijtmaatregelen niet-renderend waren respijtmaatregelen worden genomen, wordt het bedrag van die respijtblootstellingen afzonderlijk vermeld in de kolom „waarvan: verlening van respijtmaatregelen t.a.v. blootstellingen die voorafgaand aan de respijtverlening niet-renderend waren”.

264. De volgende niet-renderende blootstellingen met respijtmaatregelen worden in afzonderlijke kolommen weergeven:

(a) 

blootstellingen die, in overeenstemming met het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving, worden geacht aan bijzondere waardevermindering onderhevig te zijn. Onder IFRS wordt het bedrag van de activa met verminderde kredietwaardigheid (fase 3) en het bedrag van verworven of gecreëerde activa met verminderde kredietwaardigheid indien deze als niet-renderend in de zin van punt 215 van dit deel worden beschouwd, in deze kolom gerapporteerd;

(b) 

blootstellingen ten aanzien waarvan een wanbetaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 178 VKV;

265. De kolom „Herfinanciering” omvat de brutoboekwaarde van het nieuwe contract („herfinancieringsschuld”) dat als onderdeel van een herfinancieringstransactie die als een respijtmaatregel kwalificeert is verleend, alsook de brutoboekwaarde van het oude terugbetaalde contract dat nog uitstaat.

266. Respijtblootstellingen die wijzigingen en herfinanciering combineren, worden in de kolom „Instrumenten met wijzigingen van de voorwaarden” of de kolom „Herfinanciering” ondergebracht, naargelang de maatregel die de meeste impact op de kasstromen heeft. Herfinanciering door een pool van banken wordt in de kolom „Herfinanciering” gerapporteerd voor het totale bedrag van de herfinancieringsschuld dat is verstrekt door of van de geherfinancierde schuld dat nog steeds uitstaat bij de rapporterende instelling. Herverpakking van verschillende schulden tot een nieuwe schuld wordt als een wijziging gerapporteerd, tenzij er ook een herfinancieringstransactie bestaat die een grotere impact op de kasstromen heeft. Indien respijtverlening middels wijziging van de voorwaarden van een probleemblootstelling tot uitboeking ervan en tot het opnemen in de balans van een nieuwe blootstelling leidt, wordt die nieuwe blootstelling als respijtschuld behandeld.

267. Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering, geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico en voorzieningen worden in overeenstemming met punt 11, de punten 69 tot en met 71, punt 106 en punt 110 van dit deel gerapporteerd.

268. Zekerheden en garanties ontvangen met betrekking tot blootstellingen met respijtmaatregelen worden gerapporteerd voor alle blootstellingen met respijtmaatregelen, ongeacht of deze de status renderend of niet-renderend hebben. Daarnaast worden met betrekking tot niet-renderende blootstellingen met respijtmaatregelen ontvangen zekerheden en financiële garanties afzonderlijk vermeld. Bedragen die voor ontvangen zekerheden en ontvangen garanties worden gerapporteerd, worden berekend in overeenstemming met de punten 172 en 174 van dit deel. De som van de zowel voor zekerheden als garanties gerapporteerde bedragen is gemaximeerd op de boekwaarde van de betrokken blootstelling binnen de balanstelling of de nominale waarde (na aftrek van voorzieningen) van de betrokken blootstelling buiten de balanstelling.

19.   GEOGRAFISCHE UITSPLITSING (20)

269. Template 20 wordt gerapporteerd indien de instelling de in artikel 5, punt a), 4), van deze verordening bedoelde drempelwaarde overschrijdt.

19.1.    Geografische uitsplitsing naar locatie van de activiteiten (20.1-20.3)

270. Bij de geografische uitsplitsing naar locatie van de activiteiten in de templates 20.1 tot en met 20.3 wordt onderscheid gemaakt tussen „binnenlandse activiteiten” en „niet-binnenlandse activiteiten”. Voor de toepassing van dit deel wordt onder „locatie” verstaan het rechtsgebied van oprichting waar de juridische entiteit die het overeenkomstige actief of de overeenkomstige verplichting heeft opgenomen. Voor bijkantoren wordt onder „locatie” verstaan het rechtsgebied van de plaats van vestiging. „Binnenlandse activiteiten” omvatten de activiteiten die zijn opgenomen in de lidstaat waar de rapporterende instelling is gevestigd.

19.2.    Geografische uitsplitsing naar vestigingsplaats van de tegenpartij (20.4-20.7)

271. De templates 20.4 tot en met 20.7 bevatten informatie „per land” op basis van de vestigingsplaats van de directe tegenpartij als omschreven in deel 1, punt 43, van deze bijlage. De verstrekte uitsplitsing omvat blootstellingen of verplichtingen met betrekking tot ingezetenen in elk land buiten het land van vestiging waar de instelling blootstellingen heeft. Blootstellingen of verplichtingen met betrekking tot internationale organisaties en multilaterale ontwikkelingsbanken worden niet aan het land van vestiging van de instelling maar aan de geografische zone „Andere landen” toegerekend.

272. „Derivaten” omvat zowel derivaten voor handelsdoeleinden, inclusief economische afdekkingen, als afdekkingsderivaten onder IFRS en onder GAAP, gerapporteerd in de templates 10 en 11.

273. Activa aangehouden voor handelsdoeleinden onder IFRS en activa voor handelsdoeleinden onder GAAP worden afzonderlijk vermeld. „Aan bijzondere waardevermindering onderhevige financiële activa” hebben dezelfde betekenis als in punt 93 van dit deel. Voor de toepassing van template 20.4 worden tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s samen met financiële activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, gerapporteerd. Activa gewaardeerd volgens LOCOM die waardeaanpassingen hebben ondergaan als gevolg van kredietrisico, worden als aan bijzondere waardevermindering onderhevig beschouwd.

274. In de templates 20.4 en 20.7 worden „Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering” en „Geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico m.b.t. niet-renderende blootstellingen” gerapporteerd als omschreven in de punten 69 tot en met 71 van dit deel.

275. In template 20,4 wordt voor schuldinstrumenten de „brutoboekwaarde” gerapporteerd zoals die in overeenstemming met deel 1, punt 34, van deze bijlage is bepaald. Voor derivaten en eigenvermogensinstrumenten is het te rapporteren bedrag de boekwaarde. In de kolom „Waarvan: niet-renderende” worden schuldinstrumenten, als omschreven in de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel, gerapporteerd. Schuldrespijt omvat alle „schuld”-contracten voor de toepassing van template 19 waarvoor respijtmaatregelen, als omschreven in de punten 240 tot en met 268 van dit deel, zijn verleend.

276. In template 20.5 omvat „Voorzieningen voor verstrekte toezeggingen en garanties” voorzieningen gewaardeerd onder IAS 37, de kredietverliezen van financiële garanties behandeld als verzekeringscontracten onder IFRS 4 en de voorzieningen met betrekking tot toegezegde leningen en financiële garanties onder de bijzonderewaardeverminderingsvereisten van IFRS 9 en voorzieningen voor toezeggingen en garanties onder nationale GAAP op basis van RJB overeenkomstig punt 11 van dit deel.

277. In template 20.7 worden leningen en voorschotten niet zijnde activa aangehouden voor handelsdoeleinden, niet zijnde activa voor handelsdoeleinden of activa aangehouden voor verkoop gerapporteerd „per land” volgens de classificatie naar NACE-code. De rapportage naar NACE-codes vindt plaats op het eerste niveau van opsplitsing (naar „sectie”). Met aan bijzondere waardevermindering onderhevige leningen en voorschotten worden dezelfde portefeuilles bedoeld als in punt 93 van dit deel.

20.   MATERIËLE EN IMMATERIËLE ACTIVA: ACTIVA DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN EEN OPERATIONELE LEASE (21)

278. Ten behoeve van de berekening van de drempel in artikel 9, punt e), van deze verordening worden materiële activa die door de instelling (lessor) aan derden zijn geleased krachtens overeenkomsten die onder het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving als operationele lease kunnen worden aangemerkt, gedeeld door het totaal van de materiële activa.

279. Onder IFRS worden activa die door de instelling (als lessor) in de vorm van een operationele lease aan derden worden geleased, bij de rapportage uitgesplitst naar waarderingsmethode.

21.   VERMOGENSBEHEER, BEWAARNEMING EN ANDERE DIENSTEN (22)

280. Ten behoeve van de berekening van de drempel in artikel 9, punt f), van deze verordening is het bedrag van de „netto vergoedings- en provisiebaten” de absolute waarde van het verschil tussen „vergoedings- en provisiebaten” en „vergoedings- en provisielasten”. Bij dezelfde berekening is het bedrag van de „nettorente” de absolute waarde van het verschil tussen „rentebaten” en „rentelasten”.

21.1.    Baten en lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies naar activiteit (22.1)

281. De baten en lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies worden gerapporteerd naar soort activiteit. Onder IFRS omvat deze template baten uit hoofde van vergoedingen en provisies met uitzondering van:

(a) 

in aanmerking te nemen bedragen bij de berekening van de effectieve rente van financiële instrumenten (IFRS 7.20.(c)), en

(b) 

bedragen die voortvloeien uit financiële instrumenten die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (IFRS 7.20.(c).(i)).

282. Transactiekosten die rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de verwerving of uitgifte van financiële instrumenten die niet zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, worden niet opgenomen. Die transactiekosten maken deel uit van de initiële verwervings- of uitgiftewaarde van die instrumenten en worden gedurende de resterende looptijd op basis van de effectieve rente met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies geamortiseerd (IFRS 9.5.1.1).

283. Onder IFRS worden, afhankelijk van de boekhoudkundige portefeuille waarbij die transactiekosten worden geclassificeerd, transactiekosten die rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de verwerving of uitgifte van financiële instrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, opgenomen als onderdeel van „Winsten of verliezen uit hoofde van financiële activa en verplichtingen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden, netto”, „Winsten of verliezen op verplicht tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa voor niet-handelsdoeleinden met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, netto” en „Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, netto”. Die transactiekosten maken geen deel uit van de initiële verwervings- of uitgiftewaarde van die instrumenten en worden rechtstreeks in winst of verlies opgenomen.

284. De instellingen rapporteren de baten en lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies overeenkomstig de volgende criteria:

(a) 

„Effecten. Uitgiften” omvat ontvangen vergoedingen en provisies voor betrokkenheid bij het initiëren of uitgeven van effecten die niet door de instelling zijn geïnitieerd of uitgegeven;

(b) 

„Effecten. Overboekingsopdrachten” omvat vergoedingen en provisies die voortvloeien uit de ontvangst, transmissie en uitvoering, namens cliënten, van opdrachten tot kopen of verkopen van effecten;

(c) 

„Effecten. Overige vergoedings- en provisiebaten in verband met effecten” omvat vergoedingen en provisies die de instelling genereert door het verlenen van andere diensten die verband houden met effecten die niet door de instelling zijn geïnitieerd of uitgegeven;

(d) 

Onder vergoedings- en provisiebaten omvatten „effecten” vergoedingen en provisies die de instelling worden berekend indien zij diensten ontvangt die verband houden met effecten, ongeacht of deze door de instelling zijn geïnitieerd of uitgegeven;

(e) 

„Corporate Finance. Adviesverlening inzake fusies en acquisities” omvat vergoedingen en provisies voor adviesdiensten met betrekking tot de activiteiten van zakelijke cliënten op het gebied van fusies en acquisities.

(f) 

„Corporate Finance. Treasurydiensten” omvat vergoedingen en provisies voor zakelijke diensten met betrekking tot kapitaalmarktadvies voor zakelijke cliënten;

(g) 

„Corporate Finance. Overige vergoedings- en provisiebaten in verband met effecten” omvat alle overige vergoedingen en provisies met betrekking tot Corporate Finance.

(h) 

„Advies tegen vergoeding” omvat vergoedingen en provisies berekend voor aan cliënten geleverde adviesdiensten die niet rechtstreeks met vermogensbeheer verband houden, zoals vergoedingen in het kader van private banking. Adviesvergoedingen met betrekking tot fusies en acquisities worden niet hier, maar onder „Corporate Finance. Adviesverlening inzake fusies en acquisities”;

(i) 

„Clearing en afwikkeling” omvat baten (lasten) uit hoofde van vergoedingen en provisies die de instelling genereert (moet betalen) als gevolg van haar deelname aan tegenpartij-, clearing- en afwikkelingsfaciliteiten;

(j) 

„Vermogensbeheer”, „Bewaarneming”, „Centrale administratiediensten voor instellingen voor collectieve belegging” en „Fiduciaire transacties” omvatten baten (lasten) uit hoofde van vergoedingen en provisies die de instelling genereert (moet betalen) als gevolg van het verrichten van die diensten;

(k) 

„Betaaldiensten” omvat baten (lasten) uit hoofde van vergoedingen en provisies die de instelling genereert (moet betalen) als gevolg van de in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad ( 19 ) genoemde betaaldiensten die zij verricht (ontvangt). Informatie over de baten uit hoofde van vergoedingen en provisies wordt afzonderlijk gerapporteerd voor betaalrekeningen, kredietkaarten, debetkaarten en andere kaartbetalingen, overmakingen en andere betaalopdrachten, alsmede andere baten uit hoofde van vergoedingen en provisies met betrekking tot betaaldiensten. „Andere baten uit hoofde van vergoedingen en provisies met betrekking tot betaaldiensten” omvat heffingen voor het gebruik van het geldautomatennetwerk van de instelling door kaarten die niet door de instelling zijn uitgegeven. Informatie over de lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies voor krediet-, debet- en andere kaarten wordt afzonderlijk gerapporteerd;

(l) 

„Cliëntmiddelen die worden gedistribueerd maar niet beheerd (naar soort product)” omvat baten uit hoofde van vergoedingen en provisies voor de distributie van producten die door buiten de prudentiële groep vallende entiteiten worden uitgegeven aan hun actuele cliënten. Deze informatie wordt gerapporteerd per soort product;

(m) 

Bij lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies omvat „Extern verrichte distributie van producten” de lasten voor de distributie van de producten en diensten van de instelling via een extern netwerk van tussenpersonen/distributieregeling met externe aanbieders zoals hypotheekbemiddelaars, onlinekredietplatforms of Fintech front-ends;

(n) 

„Gestructureerde financiering” omvat ontvangen vergoedingen en provisies voor betrokkenheid bij het initiëren of uitgeven van financiële instrumenten niet zijnde effecten die door de instelling zijn geïnitieerd of uitgegeven;

(o) 

Vergoedingen uit hoofde van „Beheersdiensten in verband met leningen” omvat aan de inkomstenzijde de vergoedings- en provisiebaten die de instelling genereert door beheersdiensten in verband met leningen te verlenen, en aan de uitgavenzijde de vergoedings- en provisielasten die door verleners van beheersdiensten in verband met leningen aan de instelling in rekening worden gebracht;

(p) 

„Verstrekte toegezegde leningen” en „Verstrekte financiële garanties” omvatten het als baten voor de rapportageperiode opgenomen bedrag van de afschrijving van de vergoedingen en provisies voor de aanvankelijk als „Overige verplichtingen” opgenomen activiteiten;

(q) 

„Ontvangen toegezegde leningen” en „Ontvangen financiële garanties” omvatten de door de instelling tijdens de rapportageperiode als lasten opgenomen vergoeding en provisie als gevolg van de bedragen die in rekening zijn gebracht aan de tegenpartij die de lening heeft toegezegd of de financiële garantie heeft verstrekt die voor het eerst als „overige activa” is opgenomen;

(r) 

Onder „verstrekte leningen” worden vergoedingen en provisies gerapporteerd die worden berekend tijdens het verstrekken van leningen, maar die niet zijn opgenomen in de berekende effectieve rente;

(s) 

„Vreemde valuta” omvat baten (lasten) uit hoofde van vergoedingen en provisies voor diensten met betrekking tot vreemde valuta (zoals het wisselen van vreemde bankbiljetten of munten, vergoedingen op buitenlandse cheques, bid-ask-spread) en baten of lasten uit hoofde van internationale transacties. Indien de aan transacties in vreemde valuta toe te rekenen baten (lasten) kunnen worden gescheiden van de overige inkomsten uit hoofde van vergoedingen voor krediet-/debetkaarten, omvat deze post ook via krediet- of debetkaarten gegenereerde vergoedingen en provisies met betrekking tot vreemde valuta;

(t) 

„Grondstoffen” omvatten de inkomsten uit hoofde van vergoedingen en provisies met betrekking tot grondstoffenactiviteiten, met uitzondering van inkomsten met betrekking tot grondstoffenhandel — die worden als overige bedrijfsbaten gerapporteerd;

(u) 

„Overige vergoedings- en provisiebaten (lasten)” omvatten baten (lasten) uit hoofde van vergoedingen en provisies die de instelling genereert (moet betalen) en die niet aan een van de overige hier genoemde posten kunnen worden toegewezen.

21.2.    Bij de verleende diensten betrokken activa (22.2)

285. De bedrijfsactiviteiten die met vermogensbeheer, bewaarnemingsfuncties en andere door de instelling verleende diensten verband houden, worden gerapporteerd op basis van de volgende definities:

(a) 

„Vermogensbeheer” betreft activa die rechtstreeks eigendom zijn van de cliënten en die de instelling in beheer heeft. „Vermogensbeheer” wordt gerapporteerd naar soort cliënt: instellingen voor collectieve belegging, pensioenfondsen, op discretionaire basis beheerde cliëntenportefeuilles en andere beleggingsvehikels;

(b) 

„Bewaard vermogen” betreft de door de instelling verleende diensten inzake bewaarneming en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten en met bewaarneming samenhangende diensten, zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer. „Bewaard vermogen” wordt gerapporteerd naar soort cliënt waarvoor de instelling het vermogen in bewaring heeft, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen instellingen voor collectieve belegging en andere. De post „Waarvan: toevertrouwd aan andere entiteiten” betreft het bedrag aan activa dat deel uitmaakt van het bewaard vermogen waarvan de instelling de effectieve bewaring aan andere entiteiten heeft overgedragen;

(c) 

„Centrale administratieve diensten voor collectieve belegging” betreft de administratieve diensten die de instelling verleent aan instellingen voor collectieve belegging. Deze post omvat onder meer: transferagentdiensten; het opstellen van boekhoudbescheiden; het opstellen van het prospectus, financiële verslagen en alle overige voor beleggers bedoelde documentatie; het verzorgen van de correspondentie via de distributie van financiële verslagen en van alle overige voor beleggers bedoelde documentatie; het verrichten van uitgiften en aflossingen en het bijhouden van het register van beleggers, alsmede het berekenen van de intrinsieke waarde;

(d) 

„Fiduciaire transacties” betreffen de activiteiten waarbij de instelling handelt in eigen naam doch voor rekening en risico van haar cliënten. Bij fiduciaire transacties verleent de instelling in veel gevallen diensten zoals bewaarnemingsdiensten of vermogensbeheerdiensten aan een gestructureerde entiteit, dan wel diensten voor portefeuillebeheer op discretionaire basis. Alle fiduciaire transacties worden uitsluitend in deze post gerapporteerd, ongeacht of de instelling ook nog andere diensten verleent;

(e) 

„Betaaldiensten” betreffen de in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2015/2366 genoemde betaaldiensten;

(f) 

„Cliëntmiddelen die worden gedistribueerd maar niet beheerd” betreffen producten die door buiten de prudentiële groep vallende entiteiten worden uitgegeven aan hun actuele cliënten. Deze post wordt gerapporteerd per soort product;

(g) 

„Bedrag van de bij de dienstverlening betrokken activa” omvat het op basis van de reële waarde bepaalde bedrag van de activa waarop het optreden van de instelling betrekking heeft. Andere waarderingsgrondslagen, waaronder de nominale waarde, kunnen worden gehanteerd indien de reële waarde niet beschikbaar is. Indien de instelling diensten verleent aan entiteiten zoals instellingen voor collectieve belegging of pensioenfondsen, kunnen de desbetreffende activa worden opgenomen tegen de waarde waartegen die entiteiten de activa op hun eigen balans hebben opgenomen. De gerapporteerde bedragen zijn inclusief opgelopen rente (indien van toepassing).

22.   BELANGEN IN NIET-GECONSOLIDEERDE GESTRUCTUREERDE ENTITEITEN (30)

286. Voor de toepassing van de bijlagen III en IV alsook deze bijlage is „opgenomen liquiditeitssteun” de som van de boekwaarde van de aan niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten verstrekte leningen en voorschotten en de boekwaarde van aangehouden schuldbewijzen die door niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten zijn uitgegeven.

287. „Door de rapporterende instelling geleden verliezen in de lopende rapportageperiode” omvat verliezen als gevolg van bijzondere waardevermindering en andere verliezen die gedurende de rapportagereferentieperiode door een rapporterende instelling zijn geleden met betrekking tot haar belangen in niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten.

23.   VERBONDEN PARTIJEN (31)

288. De instellingen rapporteren bedragen of transacties in verband met de blootstellingen binnen en buiten de balanstelling waarbij de tegenpartij een verbonden partij is overeenkomstig IAS 24.

289. Intragroepstransacties en uitstaande saldi binnen de groep van de prudentiële groep worden geëlimineerd. De instellingen nemen onder „Dochterondernemingen en andere entiteiten van dezelfde groep” ook uitstaande saldi en transacties met dochterondernemingen op die niet zijn geëlimineerd, hetzij omdat de dochterondernemingen niet geheel binnen de prudentiële consolidatiekring vallen, hetzij omdat de dochterondernemingen overeenkomstig artikel 19 VKV buiten de prudentiële consolidatiekring vallen vanwege het te verwaarlozen belang ervan, hetzij omdat, bij instellingen die deel uitmaken van een grotere groep, zij niet van de instelling zijn maar van de uiteindelijke moederonderneming. Indien proportionele consolidatie wordt toegepast, rapporteren de instellingen onder „Geassocieerde deelnemingen en joint ventures” ook de niet-geëlimineerde delen van saldi en transacties met joint ventures en geassocieerde deelnemingen van de groep waarvan de entiteit deel uitmaakt.

23.1.    Verbonden partijen: te betalen bedragen aan en te ontvangen bedragen van (31.1)

290. Voor „Toegezegde leningen, financiële garanties en andere ontvangen toezeggingen” zijn de te rapporteren bedragen gelijk aan de som van het „nominale bedrag” van de toegezegde leningen en andere ontvangen toezeggingen en het „maximale in aanmerking te nemen bedrag van de garantie” van ontvangen financiële garanties als omschreven in punt 119 van dit deel.

291. „Geaccumuleerde bijzondere waardevermindering en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico m.b.t. niet-renderende blootstellingen” wordt alleen voor niet-renderende blootstellingen gerapporteerd als bepaald in de punten 69 tot en met 71 in dit deel. „Voorzieningen m.b.t. niet-renderende blootstellingen buiten de balanstelling” omvat voorzieningen als omschreven in de punten 11, 106 en 111 van dit deel voor blootstellingen die niet-renderend zijn overeenkomstig de punten 213 tot en met 239 van dit deel.

23.2.    Verbonden partijen: baten en lasten uit hoofde van transacties met (31.2)

292. „Winsten of verliezen bij uitboeking van andere dan financiële activa” omvat alle winsten en verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa die voortvloeien uit transacties met verbonden partijen. Deze post omvat de winsten en verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa die zijn voortgekomen uit transacties met verbonden partijen en deel uitmaken van een de volgende posten van de „winst- en verliesrekening”:

(a) 

„Winsten of verliezen bij uitboeking van investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen”, indien onder nationale GAAP op basis van RJB wordt gerapporteerd;

(b) 

„Winsten of verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa”;

(c) 

„Winst of verlies uit hoofde van vaste activa en groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop die niet als beëindigde bedrijfsactiviteiten in aanmerking komen”;

(d) 

„Brutowinst of -verlies na belastingen uit hoofde van beëindigde bedrijfsactiviteiten”.

293. „Bijzondere waardevermindering of (—) terugneming van bijzondere waardevermindering van niet-renderende blootstellingen” omvat waardeverminderingsverliezen als omschreven in de punten 51 tot en met 53 van dit deel voor blootstellingen die niet-renderend zijn overeenkomstig de punten 213 tot en met 239 van dit deel. „Voorzieningen of (—) terugneming van voorzieningen m.b.t. niet-renderende blootstellingen” omvat voorzieningen als omschreven in punt 50 van dit deel voor blootstellingen buiten de balanstelling die niet-renderend zijn overeenkomstig de punten 213 tot en met 239 van dit deel.

24.   GROEPSSTRUCTUUR (40)

294. De instellingen verstrekken per de rapportagedatum gedetailleerde informatie over dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen die geheel of proportioneel zijn geconsolideerd binnen de boekhoudkundige consolidatiekring, alsook als „Investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen” gerapporteerde entiteiten overeenkomstig punt 4 van dit deel, met inbegrip van de entiteiten waarin deelnemingen worden aangehouden voor verkoop onder IFRS 5. Alle entiteiten worden gerapporteerd, ongeacht de activiteit die zij verrichten.

295. Eigenvermogensinstrumenten die niet voldoen aan de criteria om te worden geclassificeerd als investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen en in eigen aandelen van de rapporterende instelling die zij zelf bezit („Eigen aandelen”), zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van deze template.

24.1.    Groepsstructuur: „per entiteit” (40.1)

296. De volgende informatie wordt gerapporteerd „per entiteit” en daarbij gelden de volgende voorwaarden ten aanzien van de bijlagen III en IV alsook deze bijlage:

(a) 

„Code” is de identificatiecode van de entiteit waarin wordt deelgenomen. De code is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke entiteit waarvoor wordt gerapporteerd. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is deze code de LEI-code. Voor de overige entiteiten is deze code de LEI-code of, indien die niet beschikbaar is, een nationale code. De code is uniek en wordt consistent in alle templates en in de tijd gebruikt. De code heeft steeds een waarde;

(b) 

„Soort code”: instellingen identificeren het in de kolom „Code” gerapporteerde soort code als „LEI-code” of „Niet-LEI-code”. Het soort code wordt steeds gerapporteerd;

(c) 

„Nationale code”: instellingen mogen, wanneer zij hun LEI-code als identificatiecode rapporteren in de kolom „Code”, ook de nationale code rapporteren;

(d) 

„Entiteitsnaam” is de naam van de entiteit waarin wordt deelgenomen;

(e) 

„Toetredingsdatum” is de datum waarop de entiteit waarin wordt deelgenomen „deel van de groep” is gaan uitmaken;

(f) 

„Aandelenkapitaal van de entiteit waarin wordt deelgenomen” is het totaalbedrag van het kapitaal dat door de entiteit waarin wordt deelgenomen, per de referentiedatum is uitgegeven;

(g) 

„Eigen vermogen van de entiteit waarin wordt deelgenomen”, „Totale activa van de entiteit waarin wordt deelgenomen” en „Winst (of verlies) van de entiteit waarin wordt deelgenomen” zijn de bedragen van deze posten in de meest recente jaarrekening van de entiteit waarin wordt deelgenomen zoals die is goedgekeurd door de raad van bestuur of een vergelijkbaar daartoe gemachtigd orgaan;

(h) 

„Vestigingsplaats van de entiteit waarin wordt deelgenomen” is het land waar de entiteit waarin wordt deelgenomen, is gevestigd;

(i) 

„Sector van de entiteit waarin wordt deelgenomen” is de sector van de tegenpartij als genoemd in deel 1, punt 42, van deze bijlage;

(j) 

de „NACE-code” wordt verstrekt op basis van de hoofdactiviteit van de entiteit waarin wordt deelgenomen. Voor niet-financiële vennootschappen wordt de NACE-code gerapporteerd op basis van het eerste niveau van opsplitsing (naar „sectie”). Voor financiële vennootschappen wordt de NACE-code gerapporteerd op het tweede niveau (naar „afdeling”);

(k) 

„Geaccumuleerd eigenvermogensbelang (%)” is het percentage van de eigendomsinstrumenten die door de instelling op de referentiedatum worden aangehouden;

(l) 

„Stemrechten (%)” is het percentage van de stemrechten die verbonden zijn aan de eigendomsinstrumenten aangehouden door de instelling op de referentiedatum.

(m) 

„Groepsstructuur (relatie)” betreft de relatie tussen de uiteindelijke moederonderneming en de entiteit waarin wordt deelgenomen (moederonderneming of entiteit met gezamenlijke zeggenschap over de rapporterende instelling, dochteronderneming, joint venture of geassocieerde deelneming);

(n) 

„Boekhoudkundige behandeling (Boekhoudgroep)” betreft de relatie tussen de boekhoudkundige behandeling binnen de boekhoudkundige consolidatiekring (volledige consolidatie, proportionele consolidatie, vermogensmutatiemethode of andere);

(o) 

„Boekhoudkundige behandeling (VKV-groep)” betreft de relatie tussen de boekhoudkundige behandeling binnen de VKV-consolidatiekring (volledige consolidatie, proportionele consolidatie, vermogensmutatiemethode of andere);

(p) 

„Boekwaarde” betreft de op de balans van de instelling gerapporteerde bedragen voor entiteiten waarin wordt deelgenomen en die noch geheel, noch proportioneel geconsolideerd zijn;

(q) 

„Verwervingskosten” is het door de investeerders betaalde bedrag;

(r) 

„Goodwill met betrekking tot de entiteit waarin wordt deelgenomen” is het bedrag aan goodwill dat de rapporterende instelling op de geconsolideerde balans in de posten „Goodwill” of „Investeringen in dochterondernemingen, joint ventures en geassocieerde deelnemingen” heeft gerapporteerd met betrekking tot de entiteit waarin wordt deelgenomen;

(s) 

„Reële waarde van de deelnemingen waarvoor openbare prijsnoteringen beschikbaar zijn” is de prijs op de referentiedatum. Deze prijs wordt alleen vermeld indien het beursgenoteerde instrumenten betreft.

24.2.    Groepsstructuur: „per instrument” (40.2)

297. De volgende informatie wordt „per instrument” gerapporteerd:

(a) 

„Effectcode” is de ISIN-code van het effect. Voor effecten zonder ISIN-code wordt een andere code opgenomen waarmee dat effect op unieke wijze wordt geïdentificeerd. „Effectcode” en „Holding/Code” zijn een samengestelde identificatiecode van een rij, en zijn samen uniek voor elke rij in template 40.2;

(b) 

„Holding/Code” is de identificatiecode van de entiteit binnen de groep die de deelneming aanhoudt. De code is een identificatiecode van een rij en is uniek voor elke entiteit waarvoor wordt gerapporteerd. Voor instellingen en verzekeringsondernemingen is deze code de LEI-code. Voor de overige entiteiten is deze code de LEI-code of, indien die niet beschikbaar is, een nationale code. De code is uniek en wordt consistent in alle templates en in de tijd gebruikt. De code heeft steeds een waarde;

(c) 

„Holding/Type code”: instellingen identificeren het in de kolom „Holding/Code” gerapporteerde soort code als „LEI-code” of „Niet-LEI-code”. Het soort code wordt steeds gerapporteerd;

(d) 

„Holding/Nationale code”: instellingen mogen, wanneer zij hun LEI-code als identificatiecode rapporteren in de kolom „Holding/Code”, ook de nationale code rapporteren;

(e) 

„Entiteit waarin wordt deelgenomen/Code”, „Entiteit waarin wordt deelgenomen/Soort code”, „Geaccumuleerd eigenvermogensbelang (%)”, „Boekwaarde” en „Verwervingskosten” worden omschreven in punt 296 van dit deel. De bedragen stemmen overeen met de effecten die de betrokken holding aanhoudt.

25.   REËLE WAARDE (41)

25.1.    Reëlewaardehiërarchie: tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële instrumenten (41.1)

298. In deze template wordt informatie gerapporteerd over de reële waarde van tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële instrumenten op basis van de hiërarchie in IFRS 13.72, 76, 81, en 86. Indien nationale GAAP onder RJB ook de toerekening van tegen reële waarde gewaardeerde activa tussen verschillende niveaus van reële waarde vereist, rapporteren instellingen onder nationale GAAP ook deze template.

25.2.    Gebruik van de reëlewaardeoptie (41.2)

299. In deze template wordt informatie gerapporteerd over het gebruik van de reëlewaardeoptie voor financiële activa en verplichtingen die zijn gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

300. „Hybride contracten” omvatten, wat verplichtingen betreft, de boekwaarde van hybride financiële instrumenten die in hun geheel zijn ondergebracht in de boekhoudkundige portefeuille van verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen. Dit betekent dus inclusief niet-gescheiden hybride instrumenten in hun geheel.

301. „Beheerd voor kredietrisico” omvat de boekwaarde van instrumenten die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen naar aanleiding van hun afdekking tegen kredietrisico door kredietderivaten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies overeenkomstig IFRS 9.6.7.

26.   MATERIËLE EN IMMATERIËLE ACTIVA: BOEKWAARDE VOLGENS WAARDERINGSMETHODE (42)

302. „Materiële vaste activa”, „Vastgoedbeleggingen” en „Overige immateriële activa” worden gerapporteerd op basis van de criteria die voor de waardering ervan zijn gebruikt.

303. „Overige immateriële activa” omvat alle immateriële activa niet zijnde goodwill. Softwareactiva worden gerapporteerd onder „Overige immateriële activa” of onder „Materiële vaste activa” in overeenstemming met het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

303i. Indien de instelling de rol van een lessee vervult, verschaft zij afzonderlijke informatie over activa uit hoofde van leaseovereenkomsten (met een gebruiksrecht overeenstemmende activa).

27.   VOORZIENINGEN (43)

304. Deze template omvat de aansluiting tussen de boekwaarde van de post „Voorzieningen” aan het begin en aan het einde van de rapportageperiode volgens de aard van de mutaties, behalve voorzieningen gewaardeerd onder IFRS 9 die in plaats daarvan in template 12 worden gerapporteerd.

305. „Overige verstrekte toezeggingen en garanties gewaardeerd onder IAS 37 en verstrekte garanties gewaardeerd onder IFRS 4” omvat voorzieningen gewaardeerd onder IAS 37 en de kredietverliezen van financiële garanties behandeld als verzekeringscontracten onder IFRS 4.

28.   TOEGEZEGDPENSIOENREGELINGEN EN PERSONEELSBELONINGEN (44)

306. Deze templates bevatten geaccumuleerde informatie over alle toegezegdpensioenregelingen van de instelling. Indien er sprake is van meerdere toegezegdpensioenregelingen, wordt het totaalbedrag van alle regelingen samen gerapporteerd.

28.1.    Componenten van netto-activa en -verplichtingen uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen (44.1)

307. De template met betrekking tot componenten van netto-activa en -verplichtingen uit hoofde van toegezegdpensioenregelingen heeft betrekking op de aansluiting van de geaccumuleerde actuele waarde van alle netto verplichtingen (netto-activa) uit hoofde van toegezegde pensioenrechten, alsook restitutierechten (IAS 19.140 (a), (b)).

308. „Netto-activa uit hoofde van toegezegde pensioenrechten” omvat, in geval van een surplus, de surplusbedragen die op de balans moeten worden opgenomen omdat ze niet onder de in IAS 19.63 vastgestelde limieten vallen. Het bedrag van deze post en het bedrag opgenomen in de pro-memoriepost „Reële waarde van enig als activum opgenomen restitutierecht” worden in de balanspost „Overige activa” opgenomen.

28.2.    Verloop van de verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten (44.2)

309. De template met betrekking tot het verloop van de verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten heeft betrekking op de aansluiting van de begin- en eindsaldi van de geaccumuleerde actuele waarde van alle verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten van de instelling. Het effect van de verschillende in IAS 19.141 genoemde elementen gedurende deze rapportageperiode wordt afzonderlijk gepresenteerd.

310. Het bedrag van het „Eindsaldo [contante waarde]” in de template voor het verloop van de verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten dient gelijk te zijn aan de „Contante waarde van de verplichtingen uit hoofde van toegezegde pensioenrechten”.

28.3.    Personeelslasten naar soort uitkering (44.3)

311. Voor de rapportage van personeelslasten naar soort uitkering gelden de volgende definities:

(a) 

„Pensioenlasten en soortgelijke lasten” omvat het voor de rapportageperiode als personeelslasten opgenomen bedrag voor eventuele verplichtingen uit hoofde van vergoedingen na uitdiensttreding (zowel toegezegdpensioen- als toegezegdebijdrageregelingen), met inbegrip van bijdragen na uitdiensttreding aan door de overheid of socialezekerheidsinstanties aangehouden socialezekerheidsfondsen (pensioenfondsen);

(b) 

„Op aandelen gebaseerde betalingen” omvat het voor de referentieperiode opgenomen bedrag aan personeelslasten voor op aandelen gebaseerde betalingen;

(c) 

„Lonen en salarissen” omvat de beloning van de werknemers van de instelling voor hun arbeid of diensten, met uitsluiting van ontslagvergoedingen en vergoedingen in de vorm van op aandelen gebaseerde posten; deze worden als afzonderlijke posten gerapporteerd;

(d) 

„Socialezekerheidsbijdragen” omvat bijdragen aan socialezekerheidsfondsen, aan de overheid of aan socialezekerheidsinstanties betaalde bedragen om in de toekomst een sociale uitkering te kunnen ontvangen, met uitsluiting van bijdragen na uitdiensttreding aan socialezekerheidsfondsen in termen van pensioenen (bijdragen aan pensioenfondsen);

(e) 

„Ontslagvergoedingen” zijn betalingen in verband met de vervroegde beëindiging van het dienstverband en omvat ontslagvergoedingen in de zin van IAS 19.8;

(f) 

„Andere soorten personeelslasten” omvat personeelslasten die niet in een van de bovenstaande categorieën kunnen worden ondergebracht.

28.4.    Personeelslasten naar beloningscategorie en personeelscategorie (44.4)

311i. Voor de rapportage van personeelslasten naar beloningscategorie en personeelscategorie gelden de volgende definities:

(a) 

„Vaste beloning”, „variabele beloning”, „aangewezen medewerkers” en „leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie” hebben dezelfde betekenis als in de EBA-richtsnoeren betreffende een beheerst beloningsbeleid overeenkomstig artikel 74, lid 3, en artikel 75, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU en openbaarmaking overeenkomstig artikel 450 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (EBA/GL/2015/22);

(b) 

„Leidinggevend orgaan”, „leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie” en „directie” omvatten personeelsleden in de zin van artikel 3, lid 1, punten 7, 8 en 9, RKV.

311ii. „Aantal personeelsleden” omvat per de rapportagereferentiedatum het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdequivalenten (fte’s), plus het aantal leden van het leidinggevend orgaan, uitgedrukt in personeelsformatie voor de prudentiële (VKV) consolidatiekring. Van die personeelsleden worden het aantal aangewezen medewerkers en het aantal vertegenwoordigers in het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie en in de directie, alsmede het aantal vertegenwoordigers in het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie afzonderlijk gerapporteerd.

29.   UITSPLITSING VAN GESELECTEERDE POSTEN IN DE WINST- EN VERLIESREKENING (45)

29.1.    Winsten of verliezen op financiële activa en verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, naar boekhoudkundige portefeuille (45.1)

312. „Financiële verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden aangewezen” omvatten alleen de winsten en verliezen vanwege de wijziging van het eigen kredietrisico van emittenten van verplichtingen die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden aangewezen indien de rapporterende instelling ervoor heeft gekozen deze in winst of verlies op te nemen omdat een opname in overige onderdelen van het totaalresultaat een boekhoudkundige mismatch zou creëren of vergroten.

29.2.    Winsten of verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa (45.2)

313. „Winsten of verliezen bij uitboeking van niet-financiële activa” wordt uitgesplitst naar soort actief. Voor iedere post wordt de winst of het verlies opgenomen met betrekking tot het actief dat is uitgeboekt. „Overige activa” omvat overige materiële activa, immateriële activa en deelnemingen die niet elders worden gerapporteerd.

29.3.    Overige bedrijfsbaten en -lasten (45.3)

314. Overige bedrijfsbaten en -lasten worden uitgesplitst op basis van de volgende posten: reëlewaardeaanpassingen voor materiële activa die volgens het reëlewaardemodel zijn gewaardeerd; huuropbrengsten en directe bedrijfslasten van vastgoedbeleggingen; baten en lasten van operationele leases die geen vastgoedbeleggingen zijn, en andere bedrijfsbaten en -lasten.

315. „Operationele leases die geen vastgoedbeleggingen zijn” omvat in de kolom „baten” de rendementen en in de kolom „lasten” de kosten die de instelling als lessor bij haar operationele leaseactiviteiten heeft behaald respectievelijk gemaakt en die geen betrekking hebben op activa die als vastgoedbeleggingen zijn geclassificeerd. De kosten voor de instelling als lessor worden in de post „Overige administratieve lasten” opgenomen.

316. Winsten of verliezen uit hoofde van uitboeking en herwaarderingen van aangehouden goud, overige edele metalen of andere grondstoffen gewaardeerd tegen reële waarde minus verkoopkosten worden gerapporteerd in de posten die deel uitmaken van „Overige bedrijfsbaten. Andere” of „Overige bedrijfslasten. Andere”.

30.   MUTATIEOVERZICHT VAN HET EIGEN VERMOGEN (46)

317. In het mutatieoverzicht van het eigen vermogen wordt voor elk afzonderlijk eigenvermogensbestanddeel de aansluiting gegeven tussen de boekwaarde aan het begin van de rapportageperiode (beginsaldo) en aan het einde van de rapportageperiode (eindsaldo).

318. „Overboekingen tussen eigenvermogensbestanddelen” omvat alle binnen eigen vermogen overgeboekte bedragen, inclusief zowel winsten als verliezen vanwege eigen kredietrisico van verplichtingen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en de geaccumuleerde wijzigingen van de reële waarde van eigenvermogensinstrumenten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat die naar andere eigenvermogensbestanddelen worden overgeboekt bij uitboeking.

31.   LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: AANVULLENDE INFORMATIE (23)

319. In template 23 wordt aanvullende informatie verschaft over leningen en voorschotten, met uitsluiting van leningen en voorschotten geclassificeerd als tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s, als aangehouden voor handelsdoeleinden, als financiële activa voor handelsdoeleinden en als schuldinstrumenten aangehouden voor verkoop.

320. Voor het bepalen van het „aantal instrumenten” geldt als „instrument” een bancair product met een uitstaand saldo en, in voorkomend geval, een kredietlimiet, doorgaans gekoppeld aan een rekening. Een blootstelling aan een specifieke tegenpartij kan uit meerdere instrumenten bestaan. Het aantal instrumenten wordt bepaald op basis van de wijze waarop de instelling de blootstelling beheert. Het aantal instrumenten wordt afzonderlijk vermeld voor blootstellingen in preprocessuele fase en blootstellingen in processuele fase als omschreven in de punten 321 en 322 van dit deel.

321. Een blootstelling is „in preprocessuele status” wanneer de debiteur formeel is kennisgegeven dat de instelling, tenzij aan bepaalde contractuele of andere betalingsverplichtingen is voldaan, binnen een bepaalde termijn juridische stappen zal ondernemen tegen de debiteur. Dat omvat ook gevallen waarin het contract is opgezegd door de rapporterende instelling omdat de debiteur formeel de contractvoorwaarden schendt en de debiteur daarvan in kennis is gesteld, maar de instelling formeel nog geen juridische stappen heeft ondernomen tegen de debiteur. Bij als „in preprocessuele status” geclassificeerde blootstellingen kan deze classificatie vervallen indien de uitstaande bedragen worden betaald of indien zij overgaan naar „in processuele status” zoals omschreven in het volgende punt.

322. Een blootstelling is „in processuele status” wanneer formeel juridische stappen tegen de debiteur zijn ondernomen. Dit omvat gevallen waarin een rechter heeft bevestigd dat formele gerechtelijke procedures hebben plaatsgevonden of dat het gerecht in kennis is gesteld van het voornemen om juridische procedures te beginnen.

323. „Ongedekte leningen en voorschotten zonder garanties” betreft blootstellingen waarvoor geen zekerheden in pand zijn gegeven noch financiële garanties zijn ontvangen; het ongedekte deel van een gedeeltelijk gedekte of gedeeltelijk gegarandeerde blootstelling wordt niet opgenomen.

324. Leningen en voorschotten met een geaccumuleerde dekkingsratio van meer dan 90 % worden afzonderlijk gerapporteerd. In dat verband is de „geaccumuleerde dekkingsratio” de verhouding tussen de geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen, respectievelijk de geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico verbonden aan een lening of voorschot (teller) en de brutoboekwaarde van die lening of dat voorschot (noemer).

325. Door onroerend goed zekergestelde leningen in de zin van punt 86, a), en punt 87 van dit deel, alsmede zakelijk onroerendgoedleningen in de zin van punt 239ix van dit deel worden gerapporteerd uitgesplitst naar de ratio van de lening ten opzichte van de zekerheid (schuld/waardequote (LTV-ratio)) in de zin van punt 239x van dit deel.

326. Informatie over aangehouden zekerheden en ontvangen garanties voor leningen en voorschotten wordt gerapporteerd overeenkomstig punt 239 van dit deel. De som van de zowel voor zekerheden als garanties gerapporteerde bedragen is dus gemaximeerd op de boekwaarde van de betrokken blootstelling. Daarnaast wordt als zekerheid in pand gegeven onroerend goed afzonderlijk gerapporteerd.

327. In afwijking van het vorige punt geven „Voor leningen en voorschotten ontvangen zekerheden — niet-geplafonneerde bedragen” de volledige waarde van de ontvangen zekerheid weer zonder dat de boekwaarde van de betrokken blootstelling is gemaximeerd.

32.   LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: STROMEN VAN NIET-RENDERENDE BLOOTSTELLINGEN, BIJZONDERE WAARDEVERMINDERINGEN EN AFSCHRIJVINGEN SINDS HET EINDE VAN HET VORIGE BOEKJAAR (24)

32.1.    Leningen en voorschotten: Instromen en uitstromen van niet-renderende blootstellingen (24.1)

328. In template 24.1 wordt een aansluiting gegeven van de begin- en eindsaldi van de uitstaande leningen en voorschotten, met uitsluiting van leningen en voorschotten geclassificeerd als tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s, als voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa, financiële activa voor handelsdoeleinden of aangehouden voor verkoop en die als niet-renderend zijn geclassificeerd in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel en in template 18 zijn gerapporteerd. Instromen en uitstromen van niet-renderende leningen en voorschotten worden uitgesplitst naar soort instroom of uitstroom.

329. Instromen van de categorie niet-renderende blootstellingen worden gerapporteerd in overeenstemming met de punten 239ii tot en met 239 iii en punt 239vi van dit deel, met uitzondering van de instromen in de categorie „aangehouden voor verkoop”, die buiten het bereik van deze template vallen. Instromen worden uitgesplitst naar soort (bron) van instroom. In dit verband geldt het volgende:

(a) 

„Instroom als gevolg van opgelopen rente” is de rente opgelopen op niet-renderende leningen en voorschotten niet opgenomen in een van de andere categorieën van de uitsplitsing naar soort (bron). In dit verband geeft deze instroom de rente weer die is opgelopen op niet-renderende leningen en voorschotten die aan het einde van het voorafgaande boekjaar als niet-renderend waren geclassificeerd en die sindsdien als dusdanig geclassificeerd zijn gebleven. Rente opgelopen op blootstellingen die in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel slechts gedurende de rapportageperiode als niet-renderend werden geclassificeerd, worden samen met de instroom zelf gerapporteerd in het desbetreffende soort (bron) categorie;

(b) 

„waarvan: Renderende respijtblootstellingen op proef die, na tot de categorie niet-renderend te hebben behoord, zijn geherclassificeerd” omvatten „Renderende respijtblootstellingen op proef die, na tot de categorie niet-renderend te hebben behoord, zijn geherclassificeerd”, als omschreven in punt 261 van dit deel, die gedurende de rapportageperiode opnieuw als niet-renderend werden geherclassificeerd in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel;

(c) 

„Instroom om andere redenen” omvat instromen die niet in verband kunnen worden gebracht met de andere, gespecificeerde bronnen van instromen en omvatten onder meer toenamen van de brutoboekwaarde van niet-renderende blootstellingen doordat gedurende de rapportageperiode aanvullende bedragen zijn uitgekeerd, de kapitalisering van achterstallige bedragen met inbegrip van gekapitaliseerde vergoedingen en lasten en wisselkoersveranderingen met betrekking tot niet-renderende leningen en voorschotten die aan het einde van het voorafgaande boekjaar als niet-renderend waren geclassificeerd en die sindsdien als dusdanig geclassificeerd zijn gebleven.

330. De volgende blootstellingen worden in afzonderlijke rijen gerapporteerd:

(a) 

„Instroom meer dan eens” omvat leningen en voorschotten die in de rapportageperiode meermaals zijn geherclassificeerd van niet-renderend naar renderend (of omgekeerd);

(b) 

„Instroom van in de laatste 24 maanden toegekende blootstellingen” omvatten leningen en voorschotten die zijn toegekend in de 24 maanden vóór de referentiedatum en die gedurende de rapportageperiode in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel als niet-renderend waren geclassificeerd. Van deze blootstellingen worden de gedurende de rapportageperiode toegekende blootstellingen ook nog afzonderlijk gerapporteerd.

331. Uitstromen uit de categorie niet-renderende blootstellingen worden gerapporteerd in overeenstemming met de punten 239iii tot en met 239vi van dit deel en worden uitgesplitst naar soort (reden) van de uitstroom. In dit verband geeft „uitstroom als gevolg van afschrijvingen” het bedrag van de afschrijvingen gedurende de rapportageperiode weer die niet in verband kunnen worden gebracht met een van de andere gespecificeerde soorten uitstromen, en omvat zij ook afschrijvingen in verband met het feit dat alle rechten van de rapporterende instelling geheel zijn komen te vervallen als gevolg van verjaring, kwijtschelding of anderszins, dan wel door andere oorzaken die zich gedurende de rapportageperiode hebben voorgedaan.

332. In die gevallen waarin een blootstelling gedeeltelijk wordt uitgeboekt en het resterende deel als renderend wordt geherclassificeerd, worden de uitstroom met betrekking tot de herclassificatie en de uitstroom met betrekking tot de uitboeking als aparte uitstromen gerapporteerd. Voor uitstromen als gevolg van de liquidatie van zekerheden, de verkoop van blootstellingen, de overdracht van risico’s en de bezitsverkrijging van zekerheden worden de netto gecumuleerde teruggevorderde bedragen gerapporteerd. Indien op het tijdstip van de liquidatie van zekerheden, de verkoop van blootstellingen, de overdracht van risico’s en de bezitsverkrijging van zekerheden een afschrijving heeft plaatsgevonden, wordt dat bedrag gerapporteerd als een deel van het desbetreffende soort uitstroom.

333. „Netto gecumuleerde teruggevorderde bedragen” zijn, respectievelijk, i) het bedrag aan ontvangen geldmiddelen of kasequivalenten, na aftrek van de daaraan verbonden kosten, in het kader van de liquidatie van zekerheden, van de verkoop van blootstellingen en van risico-overdrachten, en ii) de waarde bij eerste opname (als omschreven in punt 175i van dit deel) van de in het kader van uitstromen door bezitsverkrijging verkregen zekerheden.

334. De uitstroom met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode niet-renderend werden en nadien niet langer voldeden aan de criteria om als niet-renderend te worden geclassificeerd, worden afzonderlijk gerapporteerd.

32.2.    Leningen en voorschotten: Stroom van bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico m.b.t. niet-renderende blootstellingen (24.2)

335. In template 24.2 wordt een aansluiting gegeven van de begin- en eindsaldi van de voorzieningen en de stand van geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die als niet-renderend worden of zijn geclassificeerd in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel, met uitsluiting van leningen en voorschotten geclassificeerd als tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s of als aangehouden voor verkoop.

336. „Toenamen gedurende de rapportageperiode” omvatten:

(a) 

de voorraad, per de referentiedatum, van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode niet-renderend zijn geworden en die per de rapportagereferentiedatum nog steeds als niet-renderend zijn geclassificeerd;

(b) 

de voorraad, per de datum van uitboeking, van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode niet-renderend zijn geworden en die gedurende de rapportageperiode zijn uitgeboekt, en

(c) 

de toename van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die aan het einde van het voorafgaande boekjaar als niet-renderend waren geclassificeerd en die ofwel per de rapportagereferentiedatum nog steeds als dusdanig zijn geclassificeerd of gedurende de rapportageperiode zijn uitgeboekt.

337. Het deel van de toename dat is toe te rekenen aan bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde geboekt tegen opgelopen rente, wordt daarnaast afzonderlijk gerapporteerd.

338. „Afnamen gedurende de rapportageperiode” omvatten:

(a) 

de voorraad, per de datum van uitboeking, van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode niet langer niet-renderend zijn en die gedurende de rapportageperiode uit de portefeuille van de instelling zijn verdwenen;

(b) 

de voorraad, per de referentiedatum, van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode niet langer niet-renderend waren en die per de referentiedatum nog steeds niet als niet-renderend zijn geclassificeerd;

(c) 

de voorraad, per de referentiedatum, van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die gedurende de rapportageperiode als „aangehouden voor verkoop” zijn geherclassificeerd, en

(d) 

de afname van geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingen en geaccumuleerde negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico met betrekking tot leningen en voorschotten die aan het einde van het voorafgaande boekjaar als niet-renderend waren geclassificeerd en die per de rapportagereferentiedatum nog steeds als dusdanig zijn geclassificeerd.

339. De volgende posten worden afzonderlijk gerapporteerd:

(a) 

de afname die is toe te schrijven aan de terugneming van voorzieningen en de terugneming van negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico;

(b) 

de afname die is toe te schrijven aan de „unwinding” van discontovoeten in het kader van de toepassing van de boekhoudmethode van de effectieverentemethode.

32.3.    Leningen en voorschotten: Afschrijvingen van niet-renderende blootstellingen gedurende de rapportageperiode (24.3)

340. Template 24.3 dient voor het rapporteren van de afschrijvingen in de zin van punt 74 van dit deel voor zover deze i) plaatsvonden tijdens de rapportageperiode (instromen) en ii) leningen en voorschotten betreffen die gedurende de rapportageperiode als niet-renderend zijn geclassificeerd in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel, met uitsluiting van leningen en voorschotten geclassificeerd als aangehouden voor handelsdoeleinden, financiële activa voor handelsdoeleinden of aangehouden voor verkoop. Zowel gedeeltelijke als volledige afschrijvingen worden gerapporteerd. Van deze afschrijvingen worden de afschrijvingen die zijn toe te schrijven aan het afzien van het recht om een blootstelling (of een deel daarvan) juridisch in te vorderen, afzonderlijk gerapporteerd.

33.   DOOR BEZITSVERKRIJGING EN VIA EXECUTIEPROCEDURES VERKREGEN ZEKERHEDEN (25)

341. „Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden” omvat zowel activa die door de debiteur als zekerheid in pand zijn gegeven als activa die niet door de debiteur als zekerheid in pand zijn gegeven, maar die zijn verkregen in ruil voor kwijtschelding van schulden, op vrijwillige basis of in het kader van een juridische procedure.

33.1.    Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, niet zijnde als materiële vaste activa geclassificeerde zekerheden: instromen en uitstromen (25.1)

342. Template 25.1 dient om de aansluiting te geven van het beginsaldo, per het begin van het boekjaar, en het eindsaldo van de voorraad door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, niet zijnde als materiële vaste activa geclassificeerde zekerheden. Daarnaast wordt in deze template informatie gegeven over de desbetreffende „vermindering uitstaande schuld” en de „waarde bij eerste opname” van door bezitsverkrijging verkregen zekerheden.

343. „Vermindering uitstaande schuld” is de brutoboekwaarde van de blootstelling die werd uitgeboekt in ruil voor de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, op het precieze tijdstip van de ruil, en de op dat tijdstip geaccumuleerde daarmee samenhangende bijzondere waardevermindering en negatieve wijzigingen in de reële waarde als gevolg van kredietrisico. Indien op het tijdstip van de ruil een afschrijving heeft plaatsgevonden, wordt ook dat bedrag beschouwd als onderdeel van de vermindering van de uitstaande schuld. Uitboekingen om andere redenen, zoals het ontvangen van kasstromen, worden niet gerapporteerd.

344. „Waarde bij eerste opname” heeft dezelfde betekenis als beschreven in punt 175i van dit deel.

345. Wat betreft de „instromen gedurende de rapportageperiode”:

a) 

omvatten de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden: i) nieuwe door bezitsverkrijging verkregen zekerheden gedurende de rapportageperiode (sinds het begin van het boekjaar), ongeacht of de zekerheden op de referentiedatum nog in de balans van de instellingen zijn opgenomen (aangehouden) of niet, en ii) positieve wijzigingen in de waardering van zekerheden gedurende de rapportageperiode om verschillende redenen (zoals positieve wijzigingen in reële waarde, waardestijging, terugneming van bijzondere waardeverminderingen, wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving). Deze soorten instromen worden daarnaast afzonderlijk gerapporteerd;

b) 

de „vermindering uitstaande schuld” geeft de vermindering van de uitstaande schuld weer van de uitgeboekte blootstelling met betrekking tot de zekerheden die tijdens de rapportageperiode is verkregen.

346. Wat betreft „uitstromen gedurende de rapportageperiode”:

a) 

omvatten de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden: i) gedurende de rapportageperiode tegen contanten verkochte zekerheden; ii) gedurende de rapportageperiode verkochte zekerheden met vervanging door financiële instrumenten, en iii) negatieve wijzigingen in de waardering van zekerheden gedurende de rapportageperiode om verschillende redenen (zoals negatieve wijzigingen in reële waarde, waardedaling, bijzondere waardeverminderingen, wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving). Die soorten uitstromen worden afzonderlijk gerapporteerd. Indien zekerheden worden uitgeboekt in ruil voor zowel contanten als financiële middelen, worden de desbetreffende bedragen uitgesplitst aan de twee soorten uitstromen toegewezen. Met „Zekerheden verkocht met vervanging door financiële instrumenten” worden gevallen beschreven waarin de zekerheden aan een tegenpartij worden verkocht en de verwerving door die tegenpartij door de rapporterende instelling wordt gefinancierd;

b) 

de „vermindering uitstaande schuld” geeft de vermindering van de uitstaande schuld weer van de blootstellingen met betrekking tot gevallen waarin de zekerheden in de rapportageperiode tegen contanten werden verkocht of door financiële instrumenten werden vervangen.

347. In het geval van een verkoop van zekerheden tegen contanten is de „Uitstroom waarvoor contanten zijn ontvangen” gelijk aan de som van „Contanten ontvangen exclusief kosten” en „Winsten/(—) verliezen uit verkopen van door bezitsverkrijging verkregen zekerheden”. „Contanten ontvangen exclusief kosten” is het bedrag aan ontvangen contanten exclusief transactiekosten, zoals aan agenten betaalde vergoedingen en provisies, overdrachtsbelastingen en heffingen. „Winsten/(—) verliezen uit verkopen van door bezitsverkrijging verkregen zekerheden” is het verschil tussen de boekwaarde van de zekerheid gewaardeerd op de datum van uitboeking en het aan contanten ontvangen bedrag exclusief transactiekosten. In het geval van een vervanging van zekerheden door financiële instrumenten zoals beschreven in punt 346 van dit deel, wordt de boekwaarde van de toegekende financiering gerapporteerd.

348. Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden worden gerapporteerd uitgesplitst naar periode vanaf wanneer de zekerheid op de balans van de instelling is opgenomen.

349. Bij de presentatie van verkregen zekerheden volgens periode vanaf wanneer de zekerheid op de balans van de instelling is opgenomen, wordt de „veroudering” van zekerheden op de balans (d.w.z. de migratie tussen vooraf bepaalde tijdsintervallen) noch als instroom noch als uitstroom gerapporteerd.

33.2.    Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden, niet zijnde als materiële vaste activa geclassificeerde zekerheden — Soort verkregen zekerheid (25.2)

350. Template 25.2 bevat een uitsplitsing van de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden als omschreven in punt 341 van dit deel, naar soort verkregen zekerheden. De template weerspiegelt zekerheden die op de referentiedatum nog op de balans staan, ongeacht het tijdstip waarop deze zijn verkregen. Daarnaast geeft deze template informatie over de desbetreffende „vermindering uitstaande schuld” en de „waarde bij eerste opname” zoals omschreven in de punten 343 en 344 van dit deel, en over het aantal zekerheden dat door bezitsverkrijging werd verkregen en op de referentiedatum op de balans is opgenomen. Het aantal door bezitsverkrijging verkregen zekerheden wordt berekend ongeacht de boekwaarde van de zekerheden en kan plaatsvinden voor één of meer dan één van elk van de blootstellingen die zijn uitgeboekt in ruil voor de door bezitsverkrijging verkregen zekerheden.

351. De soorten zekerheden zijn de in punt 173 genoemde soorten zekerheden, met uitzondering van die in punt b), i), van dat punt.

352. Wat betreft zekerheden in de vorm van onroerend goed, wordt de volgende informatie in afzonderlijke rijen gerapporteerd:

(a) 

onroerend goed in aanbouw of in ontwikkeling;

(b) 

wat betreft zakelijk onroerend goed: zekerheden in de vorm van gronden met betrekking tot ondernemingen in zakelijk vastgoed (exclusief landbouwgrond). Daarnaast wordt afzonderlijke informatie over gronden met gronden en zonder bouwvergunning gerapporteerd.

33.3.    Door bezitsverkrijging verkregen zekerheden die als materiële vaste activa worden geclassificeerd (25.3)

353. In template 25.3 wordt informatie gerapporteerd over door bezitsverkrijging verkregen zekerheden die als materiële vaste activa worden geclassificeerd. Daarnaast wordt in deze template informatie gegeven over de desbetreffende „vermindering uitstaande schuld” en „de waarde bij eerste opname” als omschreven in de punten 343 en 344 van dit deel.

354. Informatie wordt gegeven over de voorraad zekerheden per de referentiedatum, ongeacht het tijdstip waarop deze zijn verkregen, en over de instromen van nieuwe zekerheden die gedurende de rapportageperiode door bezitsverkrijging zijn verkregen tussen het begin en het einde van de referentieperiode, en die op de referentiedatum op de balans blijven staan. Wat betreft „vermindering uitstaande schuld” is „totaal” de weerspiegeling van de vermindering van uitstaande schuld met betrekking tot de zekerheden per de referentiedatum en zijn „de instromen van nieuwe door bezitsverkrijging verkregen zekerheden” de vermindering van de uitstaande schuld met betrekking tot zekerheden die gedurende de rapportageperiode zijn verkregen.

34.   BEHEER VAN RESPIJTMAATREGELEN EN KWALITEIT VAN RESPIJTMAATREGELEN (26)

355. In template 26 wordt nadere informatie verschaft over leningen en voorschotten die in overeenstemming met de punten 240 tot en met 268 van dit deel als respijtblootstellingen zijn geclassificeerd, met uitsluiting van als tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s of als „aangehouden voor verkoop” geclassificeerde instrumenten. Respijtblootstellingen waarbij het gaat om een wijziging van de voorgaande voorwaarden dan wel een volledige of gedeeltelijke herfinanciering van een probleemschuldcontract in de zin van punt 241 van dit deel, worden uitgesplitst in specifiekere soorten respijtmaatregelen.

356. Het „Aantal instrumenten” wordt bepaald als omschreven in punt 320 van dit deel.

357. De brutoboekwaarde van blootstellingen met respijtmaatregelen wordt toegewezen aan een categorie die het soort respijtmaatregelen weerspiegelt. Indien meerdere respijtmaatregelen op een blootstelling zijn toegepast, wordt de brutoboekwaarde van blootstellingen met respijtmaatregelen toegewezen aan het meeste relevante soort respijtmaatregel. Deze laatste wordt bepaald op basis van het soort respijtmaatregel met de grootste impact op de netto contante waarde (NCW) van de respijtblootstelling, of door gebruik te maken van andere methoden die toepasselijk worden geacht.

358. Bij de soorten respijtmaatregelen gaat het om de volgende maatregelen:

(a) 

aflossingsvrije periode/betalingsmoratorium: tijdelijke opschorting van aflossingsverplichtingen ten aanzien van de hoofdsom of de rente, waarbij de aflossingen op een later tijdstip zullen worden hervat;

(b) 

verlaging rentetarief: permanente of tijdelijke verlaging van het (vaste of variabele) rentetarief tot een billijk en houdbaar tarief;

(c) 

verlenging looptijd/termijn: verlenging van de looptijd van de blootstelling, waardoor het bedrag van de tranches wordt verlaagd doordat de aflossingen over een langere periode worden gespreid;

(d) 

herschikte betalingen: aanpassing van het contractuele aflossingsschema met of zonder aanpassingen van het bedrag van de tranches, niet zijnde aflossingsvrije perioden/betalingsmoratorium, verlenging van de looptijd/termijn en schuldkwijtschelding. Die categorie omvat onder meer de kapitalisatie van achterstallige betalingen en/of achterstand bij opgelopen rente op het resterende uitstaande saldo van de hoofdsom voor aflossing volgens een duurzaam, herschikt programma; verlaging van het bedrag van de tranches voor de aflossing van de hoofdsom over een bepaalde periode, ongeacht of de rente nog volledig moet worden betaald dan wel wordt gekapitaliseerd of kwijtgescholden;

(e) 

schuldkwijtschelding: gedeeltelijke annulering van de blootstelling door de rapporterende instelling door af te zien van het recht om die juridisch in te vorderen;

(f) 

debt-assets swaps: gedeeltelijke vervanging van blootstellingen in de vorm van schuldinstrumenten door activa of aandelen;

(g) 

andere respijtmaatregelen zoals onder meer gehele of gedeeltelijke herfinanciering van een probleemschuldcontract.

359. Indien de respijtmaatregel van invloed is op de brutoboekwaarde van een blootstelling, wordt de brutoboekwaarde op de referentiedatum, d.w.z. na toepassing van de respijtmaatregel, gerapporteerd. In het geval van herfinanciering wordt de brutoboekwaarde van het toegekende nieuwe contract („herfinancieringsschuld”) dat als een respijtmaatregel kwalificeert, alsook de brutoboekwaarde van het oude terugbetaalde contract dat nog uitstaat, gerapporteerd.

360. De volgende posten worden in afzonderlijke rijen gerapporteerd:

(a) 

Instrumenten waarvoor op meerdere tijdstippen respijtmaatregelen zijn toegekend, waarbij:

i) 

„Leningen en voorschotten waarvoor tweemaal respijtmaatregelen zijn toegekend” en „Leningen en voorschotten waarvoor meer dan tweemaal respijtmaatregelen zijn toegekend” zijn blootstellingen die op de rapportagereferentiedatum in overeenstemming met de punten 240 tot en met 268 van dit deel als respijtblootstellingen zijn geclassificeerd en waarop respijtmaatregelen op, respectievelijk, twee en meer dan twee verschillende tijdstippen zijn toegepast. Dat omvat onder meer oorspronkelijke respijtblootstellingen die niet langer respijtblootstellingen waren („herstelde” respijtblootstellingen), maar waarvoor nadien nieuwe respijtmaatregelen zijn toegekend;

ii) 

„Leningen en voorschotten waarvoor respijtmaatregelen zijn toegekend naast reeds bestaande respijtmaatregelen” zijn respijtblootstellingen op proef waarop respijtmaatregelen zijn toegepast naast respijtmaatregelen die op een eerder tijdstip zijn toegekend, zonder dat de blootstelling in de tussentijd is hersteld.

(b) 

Niet-renderende respijtblootstellingen die niet aan de criteria voldeden om de categorie niet-renderend te verlaten. Dat omvat niet-renderende respijtblootstellingen die niet voldeden aan de voorwaarden om aan het einde van de in punt 231, b), van dit deel bepaalde proefperiode van één jaar niet langer niet-renderend te zijn als omschreven in punt 232 van dit deel.

361. Blootstellingen waarvoor respijtmaatregelen zijn toegekend sinds het einde van het laatste boekjaar, worden in afzonderlijke kolommen gerapporteerd.

35.   LENINGEN EN VOORSCHOTTEN: GEMIDDELDE DURATION EN INNINGSPERIODEN (47)

362. De in template 47 te verstrekken informatie betreft leningen en voorschotten, met uitsluiting van leningen en voorschotten die zijn geclassificeerd als tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito’s, als voor handelsdoeleinden aangehouden, als financiële activa voor handelsdoeleinden of als aangehouden voor verkoop.

363. De „gewogen gemiddelde tijd sinds de datum waarop de achterstalligheid is ontstaan (in jaren)” wordt berekend als het gewogen gemiddelde van het aantal achterstallige dagen van, in overeenstemming met de punten 213 tot en met 239 of punt 260 van dit deel, op de referentiedatum als niet-renderend geclassificeerde blootstellingen. Bij deze berekening geldt dat niet-renderende blootstellingen die niet achterstallig zijn, nul dagen achterstallig zijn. Blootstellingen worden gewogen volgens de op de referentiedatum gewaardeerde brutoboekwaarde. De gewogen gemiddelde tijd sinds de datum waarop de achterstalligheid is ontstaan, wordt in jaren (met decimalen) uitgedrukt.

364. De volgende informatie over de uitkomsten van gedurende de rapportageperiode afgesloten rechtszaken over niet-renderende leningen en voorschotten wordt gerapporteerd:

(a) 

Netto gecumuleerde teruggevorderde bedragen: deze post omvat terugvorderingen als gevolg van gerechtelijke procedures. Terugvorderingen als gevolg van vrijwillige overeenkomsten worden niet opgenomen;

(b) 

Vermindering van de brutoboekwaarde: deze post omvat de brutoboekwaarde van niet-renderende leningen en voorschotten die zijn uitgeboekt als reactie op de beëindiging van een geschilprocedure. Dit omvat de desbetreffende afschrijvingen;

(c) 

Gemiddelde duur van tijdens de rapportageperiode afgesloten rechtszaken (in jaren): wordt berekend als het gemiddelde van de tijd die is verlopen tussen de datum van de classificatie van het instrument als „in processuele status” in de zin van punt 322 van dit deel, en de datum van de beëindiging van juridische procedures. Dit wordt uitgedrukt in jaren (met decimalen).

DEEL 3

MAPPING VAN BLOOTSTELLINGSCATEGORIEËN EN TEGENPARTIJSECTOREN

1. In de tabellen 2 en 3 worden de voor de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig de VKV te gebruiken blootstellingscategorieën gemapt met de tegenpartijsectoren zoals die in de FINREP-tabellen worden gebruikt.



Tabel 2

Standaardbenadering

Blootstellingscategorieën bij de standaardbenadering (artikel 112 VKV)

FINREP-tegenpartijsectoren

Opmerkingen

a)  Centrale overheden of centrale banken

1)  Centrale banken

2)  Overheden

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

b)  Regionale of lokale overheden

2) Overheden

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

c)  Publiekrechtelijke lichamen

2) Overheden

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

d)  Multilaterale ontwikkelingsbanken

3)  Kredietinstellingen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

e)  Internationale organisaties

2) Overheden

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

f)  instellingen

(d.w.z. kredietinstellingen en beleggingsondernemingen)

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

g)  Ondernemingen

2) Overheden

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

h)  Detailhandel

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

i)  Gedekt door hypotheken op onroerend goed

2) Overheden

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

j)  In wanbetaling

1)  Centrale banken

2)  Overheden

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

jbis)  Blootstellingen met een bijzonder hoog risico

1)  Centrale banken

2)  Overheden

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

k)  Gedekte obligaties

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

l)  Securitisatieposities

2) Overheden

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van het onderliggende risico van de securitisatie. Indien gesecuritiseerde posities op de balans blijven staan, zijn in het kader van de FINREP de tegenpartijsectoren de sectoren van de directe tegenpartijen van die posities.

m)  instellingen en ondernemingen met een kredietbeoordeling voor de korte termijn

3)  Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

n)  instellingen voor collectieve belegging

Eigenvermogensinstrumenten

Investeringen in icb’s worden in het kader van de FINREP als eigenvermogensinstrumenten geclassificeerd, ongeacht of overeenkomstig de VKV de doorkijkbenadering mag worden toegepast.

o)  Eigen vermogen

Eigenvermogensinstrumenten

In het kader van de FINREP wordt eigen vermogen gescheiden als instrumenten die vallen onder verschillende categorieën van financiële activa.

p)  Overige posten.

Diverse posten op de balans

In het kader van de FINREP kunnen andere posten onder verschillende activacategorieën worden opgenomen.



Tabel 3

Interneratingbenadering

Blootstellingscategorieën bij de interneratingbenadering

(artikel 147 VKV)

FINREP-tegenpartijsectoren

Opmerkingen

a)  Centrale overheden en centrale banken

1)  Centrale banken

2)  Overheden

3)  Kredietinstellingen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

b)  instellingen

(d.w.z. kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, alsmede bepaalde overheden en multilaterale banken)

2) Overheden

3) Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

c)  Ondernemingen

2) Overheden

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

d)  Detailhandel

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van de aard van de directe tegenpartij.

e)  Eigen vermogen

Eigenvermogensinstrumenten

In het kader van de FINREP wordt eigen vermogen gescheiden als instrumenten die vallen onder verschillende categorieën van financiële activa.

f)  Securitisatieposities

2) Overheden

3) Kredietinstellingen

4)  Andere financiële vennootschappen

5)  Niet-financiële vennootschappen

6)  Huishoudens

Deze blootstellingen worden aan de FINREP-tegenpartijsectoren toegerekend naargelang van het onderliggende risico van de securitisatieposities. Indien gesecuritiseerde posities op de balans blijven staan, zijn in het kader van de FINREP de tegenpartijsectoren de sectoren van de directe tegenpartijen van die posities.

g)  Andere posten die geen kredietverplichting vertegenwoordigen

Diverse posten op de balans

In het kader van de FINREP kunnen andere posten onder verschillende activacategorieën worden opgenomen.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • Builddate: 01.09.2024 00:00:00 -Doknr: CELEX:32021R0451
  • EULAW_LV -

    EULAW_LV