+RICHTLIJN (EU) 2024/1275 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+Artikel 1 Onderwerp
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
------+Artikel 1 3.
---+Artikel 2 Definities
---+Artikel 3 Nationaal plan voor de renovatie van gebouwen
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
------+Artikel 3 6.
------+Artikel 3 7.
------+Artikel 3 8.
------+Artikel 3 9.
---+Artikel 4 Vaststelling van een methodiek voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen
---+Artikel 5 Vaststelling van de minimumeisen inzake energieprestaties
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
---+Artikel 6 Berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
------+Artikel 6 3.
------+Artikel 6 4.
---+Artikel 7 Nieuwe gebouwen
------+Artikel 7 1.
------+Artikel 7 2.
------+Artikel 7 3.
------+Artikel 7 4.
------+Artikel 7 5.
------+Artikel 7 6.
---+Artikel 8 Bestaande gebouwen
------+Artikel 8 1.
------+Artikel 8 2.
------+Artikel 8 3.
---+Artikel 9 Minimumnormen voor energieprestaties voor niet voor bewoning bestemde gebouwen en trajecten voor geleidelijke renovatie van het woningenbestand
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
------+Artikel 9 4.
------+Artikel 9 5.
------+Artikel 9 6.
------+Artikel 9 7.
------+Artikel 9 8.
---+Artikel 10 Zonne-energie in gebouwen
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
------+Artikel 10 3.
------+Artikel 10 4.
------+Artikel 10 5.
---+Artikel 11 Emissievrije gebouwen
------+Artikel 11 1.
------+Artikel 11 2.
------+Artikel 11 3.
------+Artikel 11 4.
------+Artikel 11 5.
------+Artikel 11 6.
------+Artikel 11 7.
---+Artikel 12 Renovatiepaspoort
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
------+Artikel 12 4.
------+Artikel 12 5.
------+Artikel 12 6.
------+Artikel 12 7.
------+Artikel 12 8.
---+Artikel 13 Technische bouwsystemen
------+Artikel 13 1.
------+Artikel 13 2.
------+Artikel 13 3.
------+Artikel 13 4.
------+Artikel 13 5.
------+Artikel 13 6.
------+Artikel 13 7.
------+Artikel 13 8.
------+Artikel 13 9.
------+Artikel 13 10.
------+Artikel 13 11.
------+Artikel 13 12.
---+Artikel 14 Infrastructuur voor duurzame mobiliteit
------+Artikel 14 1.
------+Artikel 14 2.
------+Artikel 14 3.
------+Artikel 14 4.
------+Artikel 14 5.
------+Artikel 14 6.
------+Artikel 14 7.
------+Artikel 14 8.
------+Artikel 14 9.
------+Artikel 14 10.
---+Artikel 15 Gebouwen die gereed zijn voor slimme toepassingen
------+Artikel 15 1.
------+Artikel 15 2.
------+Artikel 15 3.
------+Artikel 15 4.
---+Artikel 16 Uitwisseling van gegevens
------+Artikel 16 1.
------+Artikel 16 2.
------+Artikel 16 3.
------+Artikel 16 4.
------+Artikel 16 5.
---+Artikel 17 Financiële stimulansen, vaardigheden en marktbelemmeringen
------+Artikel 17 1.
------+Artikel 17 2.
------+Artikel 17 3.
------+Artikel 17 4.
------+Artikel 17 5.
------+Artikel 17 6.
------+Artikel 17 7.
------+Artikel 17 8.
------+Artikel 17 9.
------+Artikel 17 10.
------+Artikel 17 11.
------+Artikel 17 12.
------+Artikel 17 13.
------+Artikel 17 14.
------+Artikel 17 15.
------+Artikel 17 16.
------+Artikel 17 17.
------+Artikel 17 18.
------+Artikel 17 19.
---+Artikel 18 Éénloketsystemen voor de energieprestatie van gebouwen
------+Artikel 18 1.
------+Artikel 18 2.
------+Artikel 18 3.
---+Artikel 19 Energieprestatiecertificaten
------+Artikel 19 1.
------+Artikel 19 2.
------+Artikel 19 3.
------+Artikel 19 4.
------+Artikel 19 5.
------+Artikel 19 6.
------+Artikel 19 7.
------+Artikel 19 8.
------+Artikel 19 9.
------+Artikel 19 10.
------+Artikel 19 11.
------+Artikel 19 12.
------+Artikel 19 13.
------+Artikel 19 14.
---+Artikel 20 Afgifte van energieprestatiecertificaten
------+Artikel 20 1.
------+Artikel 20 2.
------+Artikel 20 3.
------+Artikel 20 4.
------+Artikel 20 5.
------+Artikel 20 6.
------+Artikel 20 7.
------+Artikel 20 8.
---+Artikel 21 Afficheren van energieprestatiecertificaten
------+Artikel 21 1.
------+Artikel 21 2.
------+Artikel 21 3.
---+Artikel 22 Databanken voor de energieprestatie van gebouwen
------+Artikel 22 1.
------+Artikel 22 2.
------+Artikel 22 3.
------+Artikel 22 4.
------+Artikel 22 5.
------+Artikel 22 6.
------+Artikel 22 7.
---+Artikel 23 Keuringen
------+Artikel 23 1.
------+Artikel 23 2.
------+Artikel 23 3.
------+Artikel 23 4.
------+Artikel 23 5.
------+Artikel 23 6.
------+Artikel 23 7.
------+Artikel 23 8.
------+Artikel 23 9.
---+Artikel 24 Verslagen over de keuring van verwarmingssystemen, ventilatiesystemen en airconditioningsystemen
------+Artikel 24 1.
------+Artikel 24 2.
------+Artikel 24 3.
---+Artikel 25 Onafhankelijke deskundigen
------+Artikel 25 1.
------+Artikel 25 2.
---+Artikel 26 Certificering van professionals in de gebouwensector
------+Artikel 26 1.
------+Artikel 26 2.
---+Artikel 27 Onafhankelijk controlesysteem
------+Artikel 27 1.
------+Artikel 27 2.
------+Artikel 27 3.
---+Artikel 28 Evaluatie
---+Artikel 29 Informatie
------+Artikel 29 1.
------+Artikel 29 2.
------+Artikel 29 3.
------+Artikel 29 4.
---+Artikel 30 Overleg
---+Artikel 31 Aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang
---+Artikel 32 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
------+Artikel 32 1.
------+Artikel 32 2.
------+Artikel 32 3.
------+Artikel 32 4.
------+Artikel 32 5.
------+Artikel 32 6.
---+Artikel 33 Comitéprocedure
------+Artikel 33 1.
------+Artikel 33 2.
------+Artikel 33 3.
---+Artikel 34 Sancties
---+Artikel 35 Omzetting
------+Artikel 35 1.
------+Artikel 35 2.
---+Artikel 36 Intrekking
---+Artikel 37 Inwerkingtreding en toepassing
---+Artikel 38 Adressaten
---+BIJLAGE I Gemeenschappelijk algemeen kader voor het berekenen van de energieprestatie van gebouwen
---+BIJLAGE II Model voor de nationale plannen voor de renovatie van gebouwen
---+BIJLAGE III Berekening van het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen op grond van artikel 7, lid 2
---+BIJLAGE IV Gemeenschappelijk algemeen kader voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen
---+BIJLAGE V Model voor energieprestatiecertificaten
---+BIJLAGE VI Onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten
---+BIJLAGE VII
---+BIJLAGE VIII Eisen voor renovatiepaspoorten
---+BIJLAGE IX
---+BIJLAGE X Concordantietabel
English - European Union - Energy - Environment -

RICHTLIJN (EU) 2024/1275 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 april 2024 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)

RICHTLIJN (EU) 2024/1275 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 april 2024

betreffende de energieprestatie van gebouwen

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Onderwerp
Artikel 2 Definities

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1) 

„gebouw”: een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenmilieu te regelen;

2) 

„emissievrij gebouw”: gebouw met een zeer hoge energieprestatie, zoals vastgesteld volgens bijlage I, dat geen of zeer weinig energie nodig heeft, ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen en geen of zeer weinig operationele broeikasgasemissies genereert overeenkomstig artikel 11;

3) 

„bijna-energieneutraal gebouw”: gebouw met een zeer hoge energieprestatie, zoals vastgesteld volgens bijlage I, die niet slechter is dan het kostenoptimale niveau voor 2023 zoals gerapporteerd door de lidstaten op grond van artikel 6, lid 2, en waarbij de dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist, in zeer aanzienlijke mate wordt geleverd uit hernieuwbare energie, waaronder hernieuwbare energie die ter plaatse of energie uit hernieuwbare bronnen die dichtbij wordt geproduceerd;

4) 

„minimumnormen voor energieprestaties”: regels op grond waarvan bestaande gebouwen moeten voldoen aan een energieprestatie-eis als onderdeel van een breed renovatieplan voor een gebouwenbestand of op een triggermoment op de markt (zoals verkoop, huur, schenking of bestemmingswijziging in het gebouwen- of grondkadaster), in een bepaalde periode of uiterlijk op een specifieke datum, als gevolg waarvan de renovatie van bestaande gebouwen in gang wordt gezet;

5) 

„overheidsinstanties”: overheidsinstanties zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 12), van Richtlijn (EU) 2023/1791;

6) 

„technisch bouwsysteem”: technische uitrusting van een gebouw of gebouwunit voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ingebouwde verlichting, gebouwautomatisering en -controle, opwekking van hernieuwbare energie en energieopslag ter plaatse, of een combinatie daarvan, met inbegrip van systemen die gebruikmaken van hernieuwbare energie;

7) 

„systeem voor gebouwautomatisering en -controle”: een systeem dat alle producten, software en technische diensten omvat die het energie-efficiënt, zuinig en veilig functioneren van technische bouwsystemen kunnen ondersteunen door middel van automatische controles en het vergemakkelijken van het handmatig beheer van die technische bouwsystemen;

8) 

„energieprestatie van een gebouw”: de berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van het gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warm water voor huishoudelijke doeleinden en verlichting;

9) 

„primaire energie”: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;

10) 

„gemeten”: gemeten door een relevant apparaat, zoals een energiemeter, een stroommeter, een apparaat voor stroommeting en -monitoring, of een elektriciteitsmeter;

11) 

„niet-hernieuwbare primaire-energiefactor”: een indicator die wordt berekend door de primaire energie uit niet-hernieuwbare bronnen voor een bepaalde energiedrager, met inbegrip van de geleverde energie en de berekende energieverliezen als gevolg van de levering van energie aan de gebruikspunten, te delen door de geleverde energie;

12) 

„hernieuwbare primaire-energiefactor”: een indicator die wordt berekend door primaire energie uit hernieuwbare bronnen uit een plaatselijke, dichtbije of verafgelegen energiebron die via een bepaalde energiedrager wordt geleverd, met inbegrip van de geleverde energie en de berekende energieverliezen als gevolg van de levering van energie aan de gebruikspunten, te delen door de geleverde energie;

13) 

„totale primaire-energiefactor”: de som van de hernieuwbare en niet-hernieuwbare primaire-energiefactoren voor een bepaalde energiedrager;

14) 

„energie uit hernieuwbare bronnen”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk: wind, zonne- (thermische en fotovoltaïsche) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

15) 

„gebouwschil”: de geïntegreerde onderdelen die de binnenruimte van een gebouw scheiden van de buitenwereld;

16) 

„gebouwunit”: gedeelte, verdieping of appartement in een gebouw dat is ontworpen of gewijzigd om afzonderlijk te worden gebruikt;

17) 

„onderdeel van een gebouw”: technisch bouwsysteem of een onderdeel van de gebouwschil;

18) 

„woongebouw of woonunit”: een kamer of een reeks kamers in een permanent gebouw of een structureel afgescheiden gedeelte van een gebouw dat ontworpen is voor bewoning door één particulier huishouden gedurende het hele jaar;

19) 

„renovatiepaspoort”: een op maat gesneden routekaart voor de grondige renovatie van een specifiek gebouw in een maximaal aantal stappen om de energieprestatie ervan aanzienlijk te verbeteren;

20) 

„grondige renovatie”: renovatie die in overeenstemming is met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, die gericht is op essentiële onderdelen van gebouwen en waarbij een gebouw of gebouwunit wordt getransformeerd:

a) 

vóór 1 januari 2030, tot een bijna-energieneutraal gebouw;

b) 

vanaf 1 januari 2030, tot een emissievrij gebouw;

21) 

„gefaseerde grondige renovatie”: grondige renovatie die wordt uitgevoerd in een maximaal aantal stappen zoals beschreven in een renovatiepaspoort;

22) 

„ingrijpende renovatie”: de renovatie van een gebouw, waarbij

a) 

de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de gebouwschil of de technische bouwsystemen hoger zijn dan 25 % van de waarde van het gebouw, exclusief de grond, of

b) 

meer dan 25 % van de oppervlakte van de gebouwschil een renovatie ondergaat.

De lidstaten kunnen ervoor opteren punt a) of punt b) toe te passen;

23) 

„operationele broeikasgasemissies”: broeikasgasemissies die samenhangen met het energieverbruik van de technische bouwsystemen tijdens het gebruik en de exploitatie van het gebouw;

24) 

„broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus”: broeikasgasemissies die ontstaan gedurende de gehele levenscyclus van een gebouw, met inbegrip van de productie en vervoer van bouwproducten, bouwplaatsactiviteiten, het energieverbruik in het gebouw en de vervanging van bouwproducten, evenals sloop, vervoer en beheer van afvalmaterialen en hun hergebruik, recycling en definitieve verwijdering;

25) 

„aardopwarmingsvermogen gedurende de levenscyclus” of „GWP gedurende de levenscyclus”: indicator voor de kwantificering van de potentiële bijdrage van een gebouw aan de opwarming van de aarde gedurende de gehele levenscyclus van het gebouw;

26) 

„gescheiden prikkels”: gescheiden prikkels zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 54), van Richtlijn (EU) 2023/1791;

27) 

„energiearmoede”: energiearmoede zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 52), van Richtlijn (EU) 2023/1791;

28) 

„kwetsbare huishoudens”: huishoudens die in energiearmoede verkeren of huishoudens, met inbegrip van huishoudens met een lager middeninkomen, die bijzonder blootgesteld zijn aan hoge energiekosten en niet over de middelen beschikken om het gebouw waarin zij wonen, te renoveren;

29) 

„Europese norm”: een door het Europees Comité voor normalisatie, het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie of het Europees Instituut voor telecommunicatienormen goedgekeurde en voor publiek gebruik ter beschikking gestelde norm;

30) 

„energieprestatiecertificaat”: een door een lidstaat, of door een door deze lidstaat aangewezen rechtspersoon erkend certificaat waarin het resultaat van de berekening van de energieprestatie van een gebouw of gebouwunit is opgenomen, welke is berekend overeenkomstig een op grond van artikel 4 goedgekeurde methodiek;

31) 

„warmtekrachtkoppeling”: de gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische of mechanische energie;

32) 

„kostenoptimaal niveau” het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, waarbij:

a) 

de laagste kosten worden bepaald aan de hand van:

i) 

de categorie en het gebruik van het betrokken gebouw;

ii) 

de energiegerelateerde investeringskosten op basis van officiële prognoses;

iii) 

de onderhouds- en bedrijfskosten, met inbegrip van energiekosten, rekening houdend met de kosten van broeikasgasemissierechten;

iv) 

de externe milieu- en gezondheidskosten van energieverbruik;

v) 

inkomsten van ter plaatse geproduceerde energie, in voorkomend geval;

vi) 

kosten voor afvalbeheer, in voorkomend geval, en

b) 

de geraamde economische levensduur door elke lidstaat wordt bepaald en deze betrekking heeft op de resterende geraamde economische levensduur van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor het gebouw in zijn geheel worden vastgesteld, hetzij op de geraamde economische levensduur van een onderdeel van een gebouw, waarbij de energieprestatie-eisen voor afzonderlijke onderdelen van gebouwen worden vastgesteld.

Het kostenoptimale niveau ligt binnen de waaier van prestatieniveaus waar de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur positief is;

33) 

„laadpunt”: laadpunt zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 48), van Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

34) 

„voorbekabeling”: alle maatregelen die nodig zijn om de installatie van laadpunten mogelijk te maken, met inbegrip van datatransmissie, kabels, kabeltracés en, indien nodig, elektriciteitsmeters;

35) 

„overdekte parkeerruimte”: een overdekte constructie met ruimte voor ten minste drie auto’s, die geen energie gebruikt om het binnenmilieu te regelen;

36) 

„geïsoleerd microsysteem”: systeem met een verbruik van minder dan 500 GWh in 2022, zonder interconnectie met andere systemen;

37) 

„slim laden”: slim laden zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 14 quaterdecies), van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 );

38) 

„bidirectioneel laden”: bidirectioneel laden zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11), van Verordening (EU) 2023/1804;

39) 

„normen voor hypotheekportefeuilles”: mechanismen die hypotheekverstrekkers ertoe aanzetten een traject uit te stippelen om de mediane energieprestatie van de portefeuille van door hun hypotheken gedekte gebouwen tegen 2030 en 2050 te verhogen en potentiële cliënten ertoe aan te zetten de energieprestatie van hun eigendom te verbeteren overeenkomstig de decarbonisatieambitie van de Unie en de desbetreffende energiedoelstellingen op het gebied van energieverbruik in gebouwen, waarbij wordt uitgegaan van de criteria voor het bepalen van duurzame economische activiteiten zoals uiteengezet in artikel 3 van Verordening (EU) 2020/852;

40) 

„financiële „pay-as-you-save”-regeling”: een leenregeling die uitsluitend gericht is op verbeteringen van de energieprestaties waar bij het ontwerpen van de regeling een correlatie wordt vastgesteld tussen de terugbetalingen van de lening en de gerealiseerde energiebesparingen, en waarbij ook rekening wordt gehouden met andere economische factoren, zoals de indexering van de energiekosten, rentetarieven, hogere activawaarde en herfinanciering van leningen;

41) 

„digitaal gebouwlogboek”: gemeenschappelijk register voor alle relevante gebouwgegevens, met inbegrip van gegevens met betrekking tot energieprestaties, zoals energieprestatiecertificaten, renovatiepaspoorten en indicatoren van gereedheid voor slimme toepassingen, evenals gegevens met betrekking tot het GWP gedurende de levenscyclus, aan de hand waarvan weloverwogen beslissingen kunnen worden genomen en informatie kan worden gedeeld binnen de bouwsector, en tussen eigenaren en bewoners van gebouwen, financiële instellingen en overheidsinstanties;

42) 

„airconditioningsysteem”: een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling, waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd;

43) 

„verwarmingssysteem”: een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling, waardoor de temperatuur wordt verhoogd;

44) 

„ventilatiesysteem”: het technische bouwsysteem dat op natuurlijke of mechanische wijze een ruimte van buitenlucht voorziet;

45) 

„warmtegenerator”: het onderdeel van een verwarmingssysteem dat nuttige warmte genereert voor in bijlage I genoemde toepassingen via een of meer van de volgende processen:

a) 

de verbranding van brandstof in bijvoorbeeld een verwarmingsketel;

b) 

het joule-effect, dat plaatsvindt in de verwarmingselementen van een verwarmingssysteem met elektrische weerstand;

c) 

het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatieafvoerlucht, of een water- of aardwarmtebron met behulp van een warmtepomp;

46) 

„koelgenerator”: het onderdeel van een airconditioningsysteem dat nuttige koeling genereert voor de in bijlage I genoemde doeleinden;

47) 

„energieprestatiecontract”: energieprestatiecontract zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 33), van Richtlijn (EU) 2023/1791;

48) 

„verwarmingsketel”: het geheel van ketellichaam en brander dat de verbrandingswarmte op vloeistoffen overbrengt;

49) 

„nominaal vermogen”: het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald;

50) 

„stadsverwarming” of „stadskoeling”: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale of decentrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;

51) 

„bruikbare vloeroppervlakte”: de oppervlakte van de vloer van een gebouw die vereist is als parameter voor het kwantificeren van specifieke gebruiksomstandigheden uitgedrukt per vloeroppervlakte-eenheid en voor het toepassen van vereenvoudigingen en de indelings- en (her)bestemmingsregels;

52) 

„referentievloeroppervlakte”: de vloeroppervlakte die als referentiegrootte wordt gebruikt voor de beoordeling van de energieprestatie van een gebouw, berekend als de som van de bruikbare vloeroppervlakte van de ruimten binnen de gebouwschil die voor de beoordeling van de energieprestatie is gespecificeerd;

53) 

„beoordelingsgrens”: de grens waarop de geleverde en de geëxporteerde energie worden gemeten of beoordeeld;

54) 

„ter plaatse”: in of op een bepaald gebouw of op de grond waarop het gebouw zich bevindt;

55) 

„dichtbij geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen”: energie uit hernieuwbare bronnen die is geproduceerd binnen een perimeter, op lokaal of wijkniveau, rond een bepaald gebouw, die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a) 

de energie kan alleen binnen die perimeter op lokaal of wijkniveau worden gedistribueerd en gebruikt via een speciaal distributienetwerk;

b) 

er kan een specifieke primaire-energiefactor worden berekend die alleen geldt voor de energie uit hernieuwbare bronnen die binnen die perimeter op lokaal of wijkniveau wordt geproduceerd, en

c) 

de energie kan ter plaatse worden gebruikt door middel van een speciale aansluiting op de energieproductiebron, waarbij die speciale aansluiting specifieke apparatuur vereist voor de veilige levering en de meting van energie voor het eigen gebruik van het gebouw;

56) 

„diensten in verband met de energieprestatie van gebouwen of EPB-diensten”: diensten zoals verwarming, koeling, ventilatie, warm water voor huishoudelijke doeleinden en verlichting, en andere waarvan het energieverbruik in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de energieprestatie van gebouwen;

57) 

„energiebehoeften”: de energie die moet worden geleverd aan of onttrokken uit een geklimatiseerde ruimte om de gewenste ruimtecondities gedurende een bepaalde tijd te handhaven, zonder rekening te houden met eventuele inefficiënties van technische bouwsystemen;

58) 

„energiegebruik” of „energieverbruik”: energietoevoer naar een technisch bouwsysteem dat een EPB-dienst levert die bedoeld is om in een energiebehoefte te voorzien;

59) 

„voor eigen gebruik”: het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen die ter plaatse wordt geproduceerd of energie uit hernieuwbare bronnen die dichtbij wordt geproduceerd door technische systemen ter plaatse voor EPB-diensten;

60) 

„verbruik voor andere toepassingen ter plaatse”: energie die ter plaatse wordt gebruikt voor andere doeleinden dan EPB-diensten, met inbegrip van apparaten, diverse en hulpbelastingen, of laadpunten voor elektromobiliteit;

61) 

„rekeninterval”: het discrete tijdsinterval dat wordt gebruikt voor de berekening van de energieprestatie;

62) 

„geleverde energie”: energie, uitgedrukt per energiedrager, die door de beoordelingsgrens heen wordt geleverd aan de technische bouwsystemen om te voorzien in de in aanmerking genomen toepassingen of om de geëxporteerde energie te produceren;

63) 

„geëxporteerde energie”: het aandeel van de hernieuwbare energie dat naar het energienet wordt geëxporteerd in plaats van ter plaatse te worden gebruikt voor eigen gebruik of voor andere toepassingen ter plaatse, uitgedrukt per energiedrager en per primaire-energiefactor;

64) 

„fietsparkeerplaats”: een bestemde ruimte voor het parkeren van minstens één fiets;

65) 

„aanpalende parkeerruimte”: een voor gebruik door bewoners, bezoekers of werknemers van een gebouw bestemde parkeerruimte en die zich op het eigendomsgebied of in de directe nabijheid van het gebouw bevindt;

66) 

„binnenmilieukwaliteit”: het resultaat van een beoordeling van de omstandigheden binnen een gebouw die van invloed zijn op de gezondheid en het welzijn van de bewoners, op basis van parameters zoals met betrekking tot temperatuur, vochtigheid, ventilatiesnelheid en aanwezigheid van verontreinigende stoffen.

Artikel 3 Nationaal plan voor de renovatie van gebouwen
Artikel 4 Vaststelling van een methodiek voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen

Artikel 4

Vaststelling van een methodiek voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen

De lidstaten passen voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen een methodiek toe overeenkomstig het gemeenschappelijk algemeen kader in bijlage I. Die methodiek wordt vastgesteld op nationaal of op regionaal niveau.

De Commissie verstrekt richtsnoeren voor de berekening van de energieprestatie van de tot de gebouwschil behorende doorzichtige onderdelen van een gebouw en voor het in aanmerking nemen van omgevingsenergie.

Artikel 5 Vaststelling van de minimumeisen inzake energieprestaties
Artikel 6 Berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties
Artikel 7 Nieuwe gebouwen
Artikel 8 Bestaande gebouwen
Artikel 9 Minimumnormen voor energieprestaties voor niet voor bewoning bestemde gebouwen en trajecten voor geleidelijke renovatie van het woningenbestand
Artikel 10 Zonne-energie in gebouwen
Artikel 11 Emissievrije gebouwen
Artikel 12 Renovatiepaspoort
Artikel 13 Technische bouwsystemen
Artikel 14 Infrastructuur voor duurzame mobiliteit
Artikel 15 Gebouwen die gereed zijn voor slimme toepassingen
Artikel 16 Uitwisseling van gegevens
Artikel 17 Financiële stimulansen, vaardigheden en marktbelemmeringen
Artikel 18 Éénloketsystemen voor de energieprestatie van gebouwen
Artikel 19 Energieprestatiecertificaten
Artikel 20 Afgifte van energieprestatiecertificaten
Artikel 21 Afficheren van energieprestatiecertificaten
Artikel 22 Databanken voor de energieprestatie van gebouwen
Artikel 23 Keuringen
Artikel 24 Verslagen over de keuring van verwarmingssystemen, ventilatiesystemen en airconditioningsystemen
Artikel 25 Onafhankelijke deskundigen
Artikel 26 Certificering van professionals in de gebouwensector
Artikel 27 Onafhankelijk controlesysteem
Artikel 28 Evaluatie

Artikel 28

Evaluatie

De Commissie, bijgestaan door het in artikel 33 bedoelde comité, verricht uiterlijk op 31 december 2028 een evaluatie van deze richtlijn in het licht van de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt met de toepassing ervan en doet zo nodig voorstellen.

In het kader van die evaluatie beoordeelt de Commissie of de toepassing van deze richtlijn in combinatie met andere wetgevingsinstrumenten met betrekking tot energieprestaties en broeikasgasemissies van gebouwen, met name door middel van koolstofbeprijzing, voldoende vooruitgang oplevert in de richting van een volledig koolstofvrij en emissievrij gebouwenbestand tegen 2050, dan wel of er verdere bindende maatregelen op Unieniveau moeten worden genomen, met name verplichte minimumnormen voor energieprestaties voor het hele gebouwenbestand, onder meer om ervoor te zorgen dat de in artikel 9, lid 2, vastgelegde waarden voor 2030 en 2035 kunnen worden gehaald. De Commissie beoordeelt ook de nationale routekaarten en met name de geplande grenswaarden voor het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen op grond van artikel 7, lid 4, en overweegt of aanvullende maatregelen ter bevordering van een duurzame gebouwde omgeving nodig zijn. De Commissie onderzoekt ook op welke wijze de lidstaten geïntegreerde stads- of buurtbenaderingen in het gebouwen- en energie-efficiëntiebeleid van de Unie kunnen toepassen, waarbij wordt gewaarborgd dat elk gebouw aan de minimumeisen voor de energieprestatie voldoet, bijvoorbeeld door middel van geïntegreerde renovatieprogramma’s en algemene renovatieregelingen die van toepassing zijn op een aantal gebouwen in een ruimtelijke context in plaats van op een enkel gebouw. De Commissie beoordeelt ook of alternatieve indicatoren, zoals het eindenergieverbruik en de energiebehoeften, beter geschikt zijn voor de doeleinden van bijlage I.

Artikel 29 Informatie
Artikel 30 Overleg

Artikel 30

Overleg

Om een doeltreffende uitvoering van deze richtlijn in de hand te werken, voeren de lidstaten overleg met de betrokken belanghebbenden, waaronder plaatselijke en regionale overheden, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en voor zover het passend is. Dergelijk overleg is met name van belang voor de toepassing van artikel 29.

Artikel 31 Aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang

Artikel 31

Aanpassing van bijlage I aan de technische vooruitgang

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van deze richtlijn, met betrekking tot de aanpassing van de punten 4 en 5 van bijlage I aan de technische vooruitgang.

Artikel 32 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Artikel 33 Comitéprocedure
Artikel 34 Sancties

Artikel 34

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen daarvan mee.

Artikel 35 Omzetting
Artikel 36 Intrekking

Artikel 36

Intrekking

Richtlijn 2010/31/EU, zoals gewijzigd bij de in deel A van bijlage IX genoemde handelingen, wordt met ingang van 30 mei 2026 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in deel B van bijlage IX genoemde termijnen voor de omzetting in intern recht en de data voor de toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage X.

Artikel 37 Inwerkingtreding en toepassing

Artikel 37

Inwerkingtreding en toepassing

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 30, 31, 33 en 34 zijn van toepassing met ingang van 30 mei 2026.

Artikel 38 Adressaten

Artikel 38

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

BIJLAGE I Gemeenschappelijk algemeen kader voor het berekenen van de energieprestatie van gebouwen




BIJLAGE I

Gemeenschappelijk algemeen kader voor het berekenen van de energieprestatie van gebouwen

(bedoeld in artikel 4)

1. De energieprestatie van een gebouw wordt bepaald op grond van het berekende of gemeten energieverbruik en geeft het normale energieverbruik weer voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, ingebouwde verlichting en andere technische bouwsystemen. De lidstaten zorgen ervoor dat het normale energieverbruik representatief is voor de werkelijke gebruiksomstandigheden voor elke relevante typologie en het normale gebruikersgedrag weerspiegelt. Waar mogelijk worden het normale energieverbruik en het normale gebruikersgedrag gebaseerd op beschikbare nationale statistieken, bouwvoorschriften en metergegevens.

Wanneer het gemeten energieverbruik de basis vormt voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen, moet de berekeningsmethode de invloed van het gedrag van de bewoners en het lokale klimaat, die niet in het resultaat van de berekening mogen worden weerspiegeld, kunnen vaststellen. Metergegevens die worden gebruikt om de energieprestatie van gebouwen te berekenen, moeten ten minste maandelijks worden afgelezen en moeten differentiëren tussen energiedragers.

De lidstaten kunnen zich baseren op het gemeten energieverbruik onder normale gebruiksomstandigheden om de juistheid van het berekende energiegebruik te controleren en een vergelijking tussen de berekende en de werkelijke prestaties mogelijk te maken. Gemeten energieverbruik voor verificatie- en vergelijkingsdoeleinden mag worden gebaseerd op maandelijkse metingen.

Ten behoeve zowel van energieprestatiecertificering als conformiteit met de minimumeisen inzake energieprestatie wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik per eenheid referentievloeroppervlakte per jaar, in kWh/(m2.jaar). De methodiek voor de bepaling van de energieprestatie van een gebouw is transparant en vatbaar voor innovatie.

De lidstaten beschrijven hun nationale berekeningsmethode op basis van bijlage A bij de belangrijkste Europese normen inzake de energieprestatie van gebouwen, met name (EN) ISO 52000-1, (EN) ISO 52003-1, (EN) ISO 52010-1, (EN) ISO 52016-1, (EN) ISO 52018-1, (EN) ISO 52120-1, EN 16798-1 en EN 17423 of vervangende documenten. De onderhavige bepaling vormt geen juridische codificatie van deze normen.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat voor gebouwen waar stadsverwarming of -koeling wordt geleverd, de voordelen van die levering, met name het percentage hernieuwbare energie, worden erkend en in de berekeningsmethode in aanmerking worden genomen via afzonderlijk gecertificeerde of erkende primaire-energiefactoren.

2. De energiebehoeften en het energieverbruik voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie, verlichting en andere technische bouwsystemen worden berekend per rekenintervallen van een maand, een uur, of minder, teneinde rekening te houden met wisselende omstandigheden die een aanzienlijke invloed hebben op de werking van het systeem en het binnenklimaat, en teneinde de door de lidstaten op nationaal of regionaal niveau bepaalde normen inzake gezondheid, de binnenluchtkwaliteit, met inbegrip van comfort, te optimaliseren.

Wanneer productspecifieke regelgeving voor energiegerelateerde producten die is vastgesteld krachtens Richtlijn 2009/125/EG, specifieke eisen inzake productinformatie bevat met het oog op de berekening van de energieprestatie en het GWP gedurende de levenscyclus op grond van de onderhavige richtlijn, vereisen de nationale berekeningsmethoden geen aanvullende informatie.

Primaire energie wordt berekend op basis van op geregelde tijdstippen geactualiseerde en toekomstgerichte primaire-energiefactoren (waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen niet-hernieuwbaar, hernieuwbaar en totaal) of wegingsfactoren per energiedrager, die erkend zijn door de nationale autoriteiten en waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte energiemix op basis van het nationale energie- en klimaatplan. Die primaire-energiefactoren of wegingsfactoren kunnen op hun beurt gebaseerd zijn op nationale, regionale of plaatselijke informatie. Primaire-energiefactoren of wegingsfactoren kunnen worden vastgesteld op jaarlijkse, seizoensbepaalde, maandelijkse, dagelijkse of uurlijkse basis of op specifiekere informatie die beschikbaar wordt gesteld voor afzonderlijke stedelijke systemen.

De lidstaten definiëren de primaire-energiefactoren of de wegingsfactoren. De gekozen opties en de gegevensbronnen worden gerapporteerd overeenkomstig EN 17423 of een vervangend document. De lidstaten kunnen kiezen voor een op grond van Richtlijn (EU) 2023/1791 vastgestelde gemiddelde primaire-energiefactor voor elektriciteit in de Unie in plaats van een primaire-energiefactor die de elektriciteitsmix in het land weerspiegelt.

3. Om de energieprestatie van een gebouw uit te drukken, bepalen de lidstaten aanvullende numerieke indicatoren voor het totale verbruik van primaire (niet-hernieuwbare en hernieuwbare) energie en voor de geproduceerde operationele broeikasgasemissies in kg CO2-equivalent per m2 per jaar.

4. Bij het bepalen van de methodiek worden ten minste de volgende aspecten in aanmerking genomen:

a) 

de volgende feitelijke thermische kenmerken van het gebouw, inclusief scheidingswanden:

i) 

warmtecapaciteit;

ii) 

isolatie;

iii) 

passieve verwarming;

iv) 

koelingselementen;

v) 

koudebruggen;

b) 

verwarmingsinstallatie en warmwatervoorziening voor huishoudelijke doeleinden, met inbegrip van de isolatiekenmerken;

c) 

capaciteit van ter plaatse geïnstalleerde opwekking van hernieuwbare energie en energieopslag;

d) 

installaties voor airconditioning;

e) 

natuurlijke en mechanische ventilatie, wat luchtdichtheid en terugwinning van warmte kan omvatten;

f) 

ingebouwde lichtinstallatie (vooral buiten de woonsector);

g) 

ontwerp, plaatsing en plaatsbepaling van het gebouw, met inbegrip van het buitenklimaat;

h) 

passieve zonnesystemen en zonwering;

i) 

de omstandigheden betreffende het binnenklimaat, inclusief het kunstmatig binnenklimaat;

j) 

interne belasting;

k) 

systemen voor gebouwautomatisering en -controle en het vermogen daarvan om de energieprestatie te monitoren, te controleren en te optimaliseren.

5. Er wordt rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten:

a) 

plaatselijke blootstelling aan zonlicht, actieve zonnesystemen en andere verwarmings- en elektriciteitssystemen op basis van hernieuwbare energie;

b) 

elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling;

c) 

stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen of blokverwarmings- en blokkoelingssystemen;

d) 

natuurlijk licht;

e) 

systemen voor elektriciteitopslag;

f) 

systemen voor warmteopslag.

6. Ten behoeve van de berekening van de energieprestatie van gebouwen, moeten gebouwen op een geschikte wijze worden onderverdeeld in de volgende categorieën:

a) 

eengezinswoningen van verschillende typen;

b) 

appartementencomplexen;

c) 

kantoren;

d) 

onderwijsgebouwen;

e) 

ziekenhuizen;

f) 

hotels en restaurants;

g) 

sportvoorzieningen;

h) 

groot- en kleinhandelsgebouwen;

i) 

andere typen energieverbruikende gebouwen.

BIJLAGE II Model voor de nationale plannen voor de renovatie van gebouwen




BIJLAGE II

Model voor de nationale plannen voor de renovatie van gebouwen

(bedoeld in artikel 3)



Deze richtlijn Artikel 3

Verplichte indicatoren

Facultatieve indicatoren

a)  Overzicht van het nationale gebouwenbestand

Aantal gebouwen en totale vloeroppervlakte (m2):

— per type gebouw (inclusief openbare gebouwen en sociale woningen)

— per energieprestatieklasse

— bijna-nul-energie-gebouwen

— slechtst presterende gebouwen (met inbegrip van een definitie)

— de 43 % slechts presterende gebouwen

— raming van het aandeel gebouwen dat is vrijgesteld op grond van artikel 9, lid 6, punt b)

Aantal gebouwen en totale vloeroppervlakte (m2):

— per leeftijd van het gebouw

— per grootte van het gebouw

— per klimaatzone

— sloop (aantal en totale vloeroppervlakte (m2))

Aantal energieprestatiecertificaten:

— per type gebouw (inclusief openbare gebouwen)

— per energieprestatieklasse

Aantal energieprestatiecertificaten:

— per bouwperiode

Jaarlijkse renovatiepercentages: aantal en totale vloeroppervlakte (m2):

— per type gebouw

— tot bijna-energieneutrale en/of tot emissievrije gebouwen

— per grondigheidsniveau van de renovatie (gewogen gemiddelde renovatie)

— openbare gebouwen

 

Jaarlijks primair en finaal energieverbruik (ktoe):

— per type gebouw

— per eindgebruik

Energiebesparing (ktoe)

— woongebouwen

— niet voor bewoning bestemde gebouwen

— openbare gebouwen

Gemiddeld primair energieverbruik in kWh/(m2.jaar) voor woongebouwen

Aandeel hernieuwbare energie in de gebouwensector (geïnstalleerde MWh of opgewekte GWh):

— voor verschillende toepassingen

Vermindering van de energiekosten (EUR) per huishouden (gemiddeld)

Primair energieverbruik van gebouwen in de top 15 % (drempel substantiële bijdrage) en de top 30 % (drempel „geen ernstige afbreuk doen aan”) van het nationale gebouwenbestand, overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139

Aandeel verwarmingssysteem in de gebouwensector per type verwarmingsketel/verwarmingssysteem

Aandeel hernieuwbare energie in de gebouwensector (geïnstalleerde MW of opgewekte GWh):

— ter plaatse

— elders

Jaarlijkse operationele broeikasgasemissies (kgCO2eq/(m2.jaar):

— per type gebouw

Jaarlijkse operationele broeikasgasemissies (kgCO2eq/(m2.jaar):

— per type gebouw

GWP gedurende de levenscyclus (kgCO2eq/(m2) in nieuwe gebouwen:

— per type gebouw

Marktbelemmeringen en marktfalen (beschrijving):

— Gescheiden prikkels

— Capaciteit van de bouw- en energiesector

Evaluatie van de capaciteit in de bouwsector en de sectoren energie-efficiëntie en hernieuwbare energie

Marktbelemmeringen en marktfalen (beschrijving):

— administratief

— financieel

— technisch

— bewustzijn

— ander

Aantal:

— bedrijven die energiediensten verlenen

— bouwondernemingen

— architecten en ingenieurs

— geschoolde arbeidskrachten

— éénloketsystemen

— kmo’s in de bouw-/renovatiesector

— hernieuwbare-energiegemeenschappen en door burgers geleide renovatie-initiatieven

Projecties van het aantal werknemers in de bouwsector:

— architecten/ingenieurs/geschoolde werknemers met pensioen

— architecten/ingenieurs/geschoolde werknemers die de markt betreden

— jongeren in de sector

— vrouwen in de sector

Overzicht en prognose van de prijsontwikkeling van bouwmaterialen en nationale marktontwikkelingen

Energiearmoede (definitie):

— % personen getroffen door energiearmoede

— aandeel van het besteedbaar huishoudensinkomen dat wordt besteed aan energie

— bevolking die in slechte woonomstandigheden leeft (bv. lekkend dak) of met onvoldoende thermisch comfort

 

Primaire-energiefactoren:

— per energiedrager

— niet-hernieuwbare primaire-energiefactor

— hernieuwbare primaire-energiefactor

— totale primaire-energiefactor

 

Definitie van bijna-energieneutraal gebouw voor nieuwe en bestaande gebouwen

Het wettelijke en administratieve kader in kort bestek

Kostenoptimale minimumeisen energieprestatie voor nieuwe en bestaande gebouwen

 

b)  Routekaart voor 2030, 2040, 2050

Streefcijfers voor jaarlijkse renovatiepercentages: aantal en totale vloeroppervlakte (m2):

— per type gebouw

— slechtst presterende gebouwen

— de 43 % slechtst presterende gebouwen

Informatie op grond van artikel 9, lid 1:

— criteria voor het vrijstellen van afzonderlijke niet voor bewoning bestemde gebouwen

— geraamd aandeel vrijgestelde niet voor bewoning bestemde gebouwen

— raming van de verbeteringen van de energieprestaties die wegens de vrijgestelde niet voor bewoning bestemde gebouwen nodig zijn om tot een gelijkwaardige verbetering te komen

Streefcijfers voor het verwachte aandeel (%) gerenoveerde gebouwen:

— per type gebouw

— per grondigheidsniveau van de renovatie

Streefcijfers voor verwacht jaarlijks primair en finaal energieverbruik (ktoe):

— per type gebouw

— per eindgebruik

Verwachte energiebesparingen:

— per type gebouw

Streefcijfers voor verhoging van het aandeel hernieuwbare energie overeenkomstig artikel 15 bis van Richtlijn (EU) 2018/2001

Streefcijfers voor de uitrol van zonne-energie in gebouwen

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwensector (geïnstalleerde MWh of opgewekte GWh)

Streefcijfers voor verwachte operationele broeikasgasemissies (kgCO2eq/(m2.jaar):

— per type gebouw

Streefcijfers voor verwachte vermindering van operationele broeikasgasemissies (%):

— per type gebouw

Splitsen in emissies die onder hoofdstuk III (vaste installaties), onder hoofdstuk IV bis [emissiehandelssysteem voor de gebouwensector, de wegvervoersector en aanvullende sectoren] van Richtlijn 2003/87/EG en onder andere voorraden vallen:

Streefcijfers voor de verwachte broeikasgasemissies gedurende de hele levenscyclus (kgCO2eq/(m2.jaar) in nieuwe gebouwen:

— per type gebouw

Verwachte bredere voordelen:

— % daling van personen getroffen door energiearmoede

— Scheppen van nieuwe banen

— Stijging in bbp (aandeel en in miljard EUR)

Bijdrage van de lidstaat aan de energie-efficiëntiedoelstellingen van de Unie overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn (EU) 2023/1791 toe te schrijven aan de renovatie van gebouwen (aandeel en cijfer in ktoe)

 

Bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor hernieuwbare energie van de Unie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 (aandeel geïnstalleerde MWh of opgewekte GWh), toe te schrijven aan de renovatie van gebouwen:

 

c)  Overzicht van uitgevoerde en geplande beleidslijnen en maatregelen

Beleidslijnen en maatregelen met betrekking tot de volgende elementen:

a)  de identificatie van kosteneffectieve wijzen van aanpak van renovatie voor verschillende typen gebouwen en klimaatzones, waarbij rekening wordt gehouden met potentieel relevante interventiemomenten in de levenscyclus van het gebouw;

b)  nationale minimumnormen voor energieprestaties op grond van artikel 9 en andere beleidslijnen en acties gericht op de slechtst presterende segmenten van het nationale gebouwenbestand, inclusief waarborgen als bedoeld in artikel 17, lid 19;

c)  de bevordering van grondige renovatie van gebouwen, met inbegrip van gefaseerde grondige renovatie;

d)  kwetsbare afnemers slagvaardiger maken en beschermen en energiearmoede verzachten, met inbegrip van beleidslijnen en maatregelen op grond van artikel 24 van Richtlijn (EU) 2023/1791, en betaalbaarheid van huisvesting;

e)  de oprichting van éénloketsystemen of soortgelijke mechanismen krachtens artikel 18 voor het verstrekken van advies en bijstand op technisch, administratief en financieel gebied;

f)  het koolstofvrij maken van verwarming en koeling, onder meer via stadsverwarmings- en stadskoelingsnetwerken, en de uitfasering van fossiele brandstoffen voor verwarming en koeling met het oog op een volledige uitfasering van verwarmingsketels op fossiele brandstoffen uiterlijk in 2040;

g)  de preventie en hoogwaardige behandeling van bouw- en sloopafval overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG, met name wat betreft de afvalhiërarchie en de doelstellingen van de circulaire economie;

h)  de bevordering van hernieuwbare energiebronnen in gebouwen in overeenstemming met het indicatieve streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de gebouwensector als vastgesteld in artikel 15 bis, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

i)  de plaatsing van zonne-energie-installaties op gebouwen;

j)  de vermindering van broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus voor de bouw, de renovatie, het gebruik en het einde van de levensduur van gebouwen, en de invoering van koolstofverwijdering;

k)  de bevordering van wijk- en buurtbenaderingen en geïntegreerde renovatieprogramma’s op wijkniveau, die betrekking kunnen hebben op kwesties als energie, mobiliteit, groene infrastructuur, afval- en waterzuivering en andere aspecten van stadsplanning, waarbij rekening kan worden gehouden met lokale en regionale hulpbronnen, circulariteit en toereikendheid;

l)  de verbetering van gebouwen die eigendom zijn van openbare organen, met inbegrip van de beleidslijnen en maatregelen op grond van de artikelen 5, 6 en 7 van Richtlijn (EU) 2023/1791;

m)  de bevordering van slimme technologieën en infrastructuur voor duurzame mobiliteit in gebouwen;

n)  het aanpakken van marktbelemmeringen en marktfalen;

o)  het aanpakken van vaardigheidskloven en het bevorderen van onderwijs, gerichte opleiding, bij- en omscholing in de bouwsector en de sectoren energie-efficiëntie en hernieuwbare energie (openbaar of particulier), om ervoor te zorgen dat er voldoende arbeidskrachten zijn met het passende niveau van vaardigheden dat beantwoordt aan de behoeften in de bouwsector, met bijzondere aandacht voor ondervertegenwoordigde groepen;

p)  bewustmakingscampagnes en andere adviesinstrumenten, en

q)  de bevordering van modulaire en industriële oplossingen voor de bouw en renovatie van gebouwen.

Voor alle beleidslijnen en maatregelen:

— naam van beleidslijn of maatregel

— korte beschrijving (precieze reikwijdte, doel en werkwijze)

— gekwantificeerde doelstelling

— soort beleidslijn of maatregel (zoals wetgevend; economisch; fiscaal; opleiding, bewustmaking)

— geplande begroting en financieringsbronnen

— entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het beleid

— verwachte gevolgen

— stand van uitvoering

— datum inwerkingtreding

— uitvoeringstermijn

Beleidslijnen en maatregelen met betrekking tot de volgende elementen:

a)  verhoging van de klimaatbestendigheid van gebouwen;

b)  bevordering van de markt voor energiediensten;

c)  verhoging van de brandveiligheid;

d)  verhoging van de weerbaarheid tegen rampenrisico’s, waaronder risico’s in verband met intense seismische activiteit;

e)  verwijdering van gevaarlijke stoffen, waaronder asbest;

f)  toegankelijkheid voor personen met een beperking;

g)  rol van hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers in wijk- en buurtbenaderingen;

h)  verhelpen van mismatches op het gebied van menselijke capaciteiten, en

i)  verbetering van de binnenmilieukwaliteit.

Voor alle beleidslijnen en maatregelen:

— administratieve middelen en capaciteiten

— betrokken gebied(en)

— slechtst presterende

— minimumnormen voor energieprestaties

— energiearmoede, sociale huisvesting

— openbare gebouwen

— residentieel (één gezin, meer gezinnen)

— niet-residentieel

— bedrijfsleven

— hernieuwbare energiebronnen

— uitfasering van fossiele brandstoffen voor verwarming en koeling

— broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus

— circulaire economie en afval

— éénloketsystemen

— renovatiepaspoorten

— slimme technologieën

— duurzame mobiliteit in gebouwen

— stads- en buurtbenaderingen

— vaardigheden, opleiding

— bewustmakingscampagnes en adviesinstrumenten

d)  Overzicht van investeringsbehoeften, begrotingsmiddelen en administratieve middelen

— totale investeringsbehoeften voor 2030, 2040, 2050 (in miljoen EUR)

— overheidsinvesteringen (in miljoen EUR)

— particuliere investeringen (in miljoen EUR)

— begrotingsmiddelen

 

e)  Drempel voor nieuwe en gerenoveerde emissievrije gebouwen als bedoeld in artikel 11

— drempels voor operationele broeikasgasemissies van nieuwe emissievrije gebouwen

— drempels voor operationele broeikasgasemissies van gerenoveerde emissievrije gebouwen

— drempels voor het primair energieverbruik per jaar van nieuwe emissievrije gebouwen

— drempels voor het primair energieverbruik per jaar van gerenoveerde emissievrije gebouwen

 

f)  Minimumnormen voor energieprestaties voor niet voor bewoning bestemde gebouwen

— maximumdrempels voor energieprestatie, op grond van artikel 9, lid 1

 

g)  Nationaal traject voor de geleidelijke renovatie van het woningenbestand

— het nationale traject voor de geleidelijke renovatie van het woningenbestand, inclusief de intermediaire doelstellingen voor 2030 en 2035 voor het gemiddeld primair energieverbruik in kWh/(m2.jaar), op grond van artikel 9, lid 2

 

BIJLAGE III Berekening van het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen op grond van artikel 7, lid 2




BIJLAGE III

Berekening van het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen op grond van artikel 7, lid 2

1.   ALGEMEEN KADER

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, wordt in deze bijlage een Uniekader vastgesteld voor de nationale berekening van het GWP gedurende de levenscyclus, met het oog op de bekendmaking van de resultaten in het energieprestatiecertificaat van het gebouw. Voor de controle van de naleving van een grenswaarde overeenkomstig artikel 7, lid 5, kunnen de lidstaten beslissen sommige delen van levenscyclusfasen en sommige delen van het toepassingsgebied van gebouwonderdelen uit te sluiten, bijvoorbeeld door de toepassing van gewogen coëfficiënten die verband houden met de datum van emissie gedurende de levenscyclus van het gebouw.

Het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen wordt berekend overeenkomstig de minimumeisen van deze bijlage en volgens de relevante delen van norm EN 15978 (EN 15978:2011 — Duurzaamheid van bouwwerken — Beoordeling van de milieuprestaties van gebouwen — Berekeningsmethode) en rekening houdend met eventuele latere normen met betrekking tot de duurzaamheid van bouwwerken en de berekeningsmethode voor het beoordelen van de milieuprestaties van gebouwen. Dit vormt geen juridische codificatie van deze norm.

Het in het energieprestatiecertificaat (EPC) van het gebouw vermelde GWP gedurende de levenscyclus moet de „as built”-fase weerspiegelen.

2.   REFERENTIESTUDIEPERIODE

Het GWP gedurende de levenscyclus wordt berekend over een referentiestudieperiode van vijftig jaar ( 9 ).

3.   GEGEVENS VOOR DE BEREKENING

Gegevens die zijn verstrekt overeenkomstig Verordeningen (EU) nr. 305/2011 ( 10 ) of (EU) 2024/3110 ( 11 ) van het Europees Parlement en de Raad, in tabel 1 „gegevens op grond van de bouwproductenverordening” genoemd, worden gebruikt indien beschikbaar. Indien verenigbaar met de „gegevens op grond van de bouwproductenverordening”, worden ook gegevens gebruikt die zijn verstrekt overeenkomstig productverordeningen die zijn vastgesteld op basis van Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 of Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ), in tabel 1 „gegevens op grond van de wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering” genoemd. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, mogen andere in tabel 1 genoemde soorten gegevens worden gebruikt. De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten van de berekening van het GWP gedurende de levenscyclus zo nauwkeurig en betrouwbaar mogelijk zijn en worden aangemoedigd om het gebruik toe te staan van projectspecifieke of productspecifieke gegevens met een hogere kwaliteit en precisie dan generieke gegevens of standaardwaarden.



Tabel 1

Overzicht van definities van verschillende soorten gegevens over bouwproducten

Soorten gegevens

Definitie en gebruik

Gegevens op grond van de bouwproductenverordening

Productgegevens over de effecten van klimaatverandering die zijn verkregen uit de prestatie- en conformiteitsverklaring (DoPC) uit hoofde van Verordening (EU) nr. 305/2011 of Verordening (EU) 2024/3110, met inbegrip van DoPC’s die onder een geharmoniseerde technische specificatie vallen en DoPC’s die zijn afgegeven overeenkomstig het desbetreffende Europees beoordelingsdocument en de Europese technische beoordeling.

Gegevens op grond van de wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering

Compatibele gegevens die zijn afgegeven overeenkomstig productverordeningen die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 of Verordening (EU) 2024/1781.

Projectspecifieke gegevens

Projectspecifieke gegevens berekend overeenkomstig norm EN 15804 of EN 50693 of een compatibele norm, maar niet afgegeven op grond van Verordening (EU) nr. 305/2011 of Verordening (EU) 2024/3110 of productverordeningen die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 of Verordening (EU) 2024/1781. Deze gegevens mogen alleen worden gebruikt indien zij door de nationale wetgeving uitdrukkelijk zijn toegestaan.

Productspecifieke gegevens

Projectspecifieke gegevens berekend overeenkomstig norm EN 15804 of EN 50693 of een compatibele norm, maar niet afgegeven op grond van Verordening (EU) nr. 305/2011 of Verordening (EU) 2024/3110 of productverordeningen die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 of Verordening (EU) 2024/1781. Deze gegevens mogen alleen worden gebruikt indien zij door de nationale wetgeving uitdrukkelijk zijn toegestaan.

Gemiddelde gegevens voor een productgroep overeenkomstig norm EN 15804 of EN 50693

Sectorale milieugegevens vertegenwoordigen het gemiddelde van meerdere producten van een of meer ondernemingen en worden verstrekt door brancheverenigingen of andere gelijkwaardige organisaties die het product bestrijken. Deze gegevens mogen alleen worden gebruikt indien zij door de nationale wetgeving uitdrukkelijk zijn toegestaan.

Generieke gegevens

Generieke milieugegevens berekend overeenkomstig norm EN 15804 of EN 50693 of een compatibele norm voor een groep producten voor een land of regio. Deze gegevens zijn niet specifiek voor een locatie of een onderneming. De lidstaten stellen duidelijke regels vast voor de wijze waarop die gegevens moeten worden gegenereerd of berekend, op basis van soortgelijke bestaande productspecifieke gegevens. Die regels zijn gebaseerd op conservatieve aannames, zodat generieke gegevens niet op oneerlijke basis worden bevoordeeld ten opzichte van productspecifieke gegevens. De lidstaten kunnen generieke gegevens voor hergebruikte bouwproducten vaststellen, rekening houdend met de voordelen van circulaire benaderingen.

Standaardwaarden

Milieugegevens die overeenkomstig norm EN 15804 of EN 50693 of een compatibele norm zijn berekend, mogen worden gebruikt om hiaten in gegevens op te vullen, indien geen van de bovengenoemde soorten gegevens beschikbaar is of wanneer het nodig is de berekening te vereenvoudigen. Er kunnen standaardwaarden worden vastgesteld voor een specifiek toepassingsgebied van één of meer gebouwonderdelen, of voor een toepassingsgebied van een levenscyclusondermodule of een levenscyclusmodule, of meerdere levenscyclusondermodules of meerdere levenscyclusmodules. De lidstaten kunnen standaardwaarden vaststellen met conservatieve aannames die ertoe aanzetten de berekening uit te voeren met specifieke gegevens, indien beschikbaar. De lidstaten kunnen een reeks standaardwaarden vaststellen die ervoor zorgen dat de openbaarmaking van het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen overeenkomstig artikel 7, lid 2, zelfs bij gebrek aan specifieke gegevens mogelijk is.

De lidstaten stellen duidelijke regels vast, met een consistente en conservatieve aanpak, om generieke gegevens en standaardwaarden op te stellen en bij te werken. De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige gegevens, met inbegrip van generieke gegevens en standaardwaarden, openbaar worden gemaakt, zodat het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen uiterlijk op de in artikel 7, lid 2, vermelde data kan worden berekend, ook in gevallen waarin projectspecifieke of productspecifieke gegevens beschikbaar zijn.

Voor andere soorten gegevens dan gegevens op grond van de bouwproductenverordening of de wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering, worden de lidstaten aangemoedigd de marktfragmentatie te beperken door de erkenning van betrouwbare en compatibele beschikbare gegevens die in een lidstaat zijn verstrekt, met inbegrip van productspecifieke gegevens en projectspecifieke gegevens die zijn berekend overeenkomstig EN 15804 of EN 50693 of een compatibele norm. Wanneer lidstaten gegevens uit verschillende bronnen combineren, nemen zij in elk geval de nodige maatregelen om de samenhang en compatibiliteit tussen die gegevens te waarborgen en zorgen zij ervoor dat de eindresultaten voor het GWP gedurende de levenscyclus betrouwbaar zijn.

4.   BRUIKBARE VLOEROPPERVLAKTE

Het GWP gedurende de levenscyclus wordt uitgedrukt in kg CO2eq/m2 bruikbare vloeroppervlakte.

De lidstaten stellen vast hoe de definitie van bruikbare vloeroppervlakte in de praktijk moet worden gebruikt om het GWP gedurende de levenscyclus van nieuwe gebouwen te berekenen. De bruikbare vloeroppervlakte komt overeen met de oppervlakte van de delen van het gebouw die onder de berekening van het GWP gedurende de levenscyclus vallen en mag niet verder reiken dan de bouwschil. De lidstaten beschrijven op nationaal niveau de vastgestelde bruikbare vloeroppervlakte in termen van samenstellende oppervlakten, zoals gedefinieerd overeenkomstig de International Property Measurement Standards (IPMS) ( 13 ) of een gelijkwaardige norm, die de transparantie, consistentie en vergelijkbaarheid van de metingen van de vloeroppervlakte waarborgen.

Het GWP gedurende de levenscyclus wordt berekend en bekendgemaakt in het EPC van het gebouw, overeenkomstig artikel 19 en bijlage V, of van de gebouwunit, indien van toepassing. Indien relevant kunnen de lidstaten regels vaststellen voor de toewijzing van de emissies van gebouwonderdelen die door meerdere gebouwen worden gedeeld. Die regels zorgen ervoor dat de berekening van het GWP gedurende de levenscyclus eerlijk, transparant en consistent is voor verschillende gebouwen en projecten.

5.   TOEPASSINGSGEBIED VAN DE LEVENSCYCLUSFASEN

Het GWP gedurende de levenscyclus wordt berekend voor elke vereiste levenscyclusfase, zoals aangegeven in tabel 2. De lidstaten mogen besluiten facultatieve levenscyclusfasen uit te sluiten van de berekening, zoals uiteengezet in tabel 2.

Wanneer de op productniveau beschikbare informatie meerdere scenario’s mogelijk maakt, moet voor elke levenscyclusfase de berekening op gebouwniveau zo representatief mogelijk zijn voor het bouwproject of gebouw. Wanneer er geen betrouwbare informatie beschikbaar is of een vereenvoudigde berekening relevant is, kunnen de lidstaten besluiten om het gebruik van een standaardscenario voor de berekening toe te staan, op basis van het beginsel van het meest ongunstige scenario.

De lidstaten kunnen standaardwaarden vaststellen voor alle levenscyclus- of sublevenscyclusfasen overeenkomstig de in punt 3vastgestelde eisen inzake gegevens voor de berekening, om hiaten in de gegevens op te vullen of wanneer het noodzakelijk is de berekening te vereenvoudigen.



Tabel 2

Levenscyclusfasen, te berekenen overeenkomstig EN 15978:2011 en prEN 15978:2025 en rekening houdend met eventuele latere normen met betrekking tot de duurzaamheid van bouwwerken en de berekeningsmethode voor de beoordeling van de milieuprestaties van gebouwen

Levenscyclusfasen

Verplicht/facultatief

EN 15978:2011

prEN 15978:2025

A1:  Levering van grondstoffen

A1:  Winning en eerdere productiestappen

Verplicht

A2:  Vervoer

A2:  Vervoer naar de fabriek

Verplicht

A3:  Fabricage

A3:  Fabricage

Verplicht

A4:  Vervoer

A4:  Vervoer

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

A5:  Bouwinstallatieproces

A5:  Bouwinstallatieproces

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen processen in verband met sloopwerkzaamheden voorafgaand aan de bouw en het vervoer van bouwvakkers van en naar de bouwplaats uit te sluiten. Indien een proces in verband met sloopwerkzaamheden voorafgaand aan de bouw of het vervoer van bouwvakkers van en naar de bouwplaats wordt berekend, worden de resultaten als afzonderlijke indicatoren gerapporteerd.

B1:  Gebruik

B1:  Gebruik

B1.1:  Emissies uit materialen en carbonatatie

B1.2:  Vluchtige emissies van koelmiddelen

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden, met inbegrip van effecten die verband houden met vluchtige emissies van koelmiddelen.

B2:  Onderhoud

B2:  Onderhoud

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

B3:  Reparatie

B3:  Reparatie

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

B4:  Vervanging

B4:  Vervanging van gebouwonderdelen

Verplicht

De lidstaten stellen op nationaal niveau duidelijk de regel vast voor het kwantificeren van het toe te passen aantal vervangingen voor de componenten of producten, bijvoorbeeld een eenvoudig gemiddeld decimaal getal of een geheel getal voor het aantal vervangingen.

Indien beschikbaar, moet gebruik worden gemaakt van informatie over de referentielevensduur die beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 of Verordening (EU) 2024/3110 of productverordeningen die zijn vastgesteld op basis van Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 of Verordening (EU) 2024/1781.

B5:  Renovatie

B5:  Renovatie

Facultatief

B6:  Operationeel energieverbruik

B6:  Operationeel energieverbruik

B6.1:  Gereguleerde, in gebouwen geïntegreerde systemen (diensten)

B6.2:  Niet-gereguleerde, in gebouwen geïntegreerde systemen (diensten)

B6.3:  Ander energieverbruik in verband met activiteiten van gebruikers van gebouwen

Verplicht

De berekening moet consistent zijn met de berekening van de operationele broeikasgasemissies, overeenkomstig het in bijlage I uiteengezet gemeenschappelijk algemeen kader. De lidstaten mogen de berekening beperken tot uitsluitend gereguleerde, in gebouwen geïntegreerde systemen (diensten) die onder deze richtlijn vallen.

Indien de lidstaten besluiten toekomstgerichte broeikasgasemissiefactoren toe te staan voor de operationele emissies, moeten de factoren gerechtvaardigd, consistent en duidelijk gedefinieerd zijn voor de gehele referentiestudieperiode.

De toewijzing van de effecten van de uitgevoerde energie gebeurt overeenkomstig norm EN 15978. Het effect van de uitgevoerde energie wordt gerapporteerd in levenscyclusfase D2

B7:  Operationeel watergebruik

B7:  Operationeel watergebruik

B7.1:  Essentiële gebouwgeïntegreerde systemen (toiletten, douches, badkamers, verwarming, koeling, ventilatie, bevochtiging en irrigatie)

B7.2:  Andere gebouwgeïntegreerde systemen (zwembaden, sauna’s enz.)

B7.3:  Niet-gebouwgeïntegreerde systemen (bijvoorbeeld afwasmachines, wasmachines enz.)

Facultatief

 

B8:  Gebouwgeïntegreerde gebruikersactiviteiten die niet onder B1-B7 vallen

B8.1:  Vervoer van personen van en naar het gebouw

B8.2:  Opladen van elektrische voertuigen op de bouwplaats

B8.3:  Andere, zoals het gebruik van „verbruiksgoederen”, waaronder papier voor kantoren, of meubilair en uitrusting die niet aan het gebouw zijn bevestigd

Facultatief

C1:  Ontmanteling

C1:  Ontmanteling/afbraak

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

C2:  Vervoer

C2:  Vervoer naar afvalverwerking of -verwijdering

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

C3:  Afvalverwerking voor hergebruik, recycling en/of nuttige toepassing

C3:  Afvalverwerking voor hergebruik, recycling en/of nuttige toepassing

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

C4:  Verwijdering

C4:  Verwijdering van afval

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

D:  Voordelen en lasten buiten de systeemgrens

D1:  Hergebruik, recycling en energieterugwinning als gevolg van de nettostromen van materialen die de systeemgrens overschrijden

Verplicht

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de berekening te beperken tot informatie die beschikbaar is op productniveau en gelijkwaardige generieke gegevens of standaardwaarden.

D2:  Potentiële voordelen en lasten van uitgevoerde nutsvoorzieningen (bijvoorbeeld elektrische energie, thermische energie, drinkwater)

Verplicht

6.   TOEWIJZING VAN EMISSIES IN VERBAND MET HET ENERGIEVERBRUIK VAN EEN GEBOUW EN DE OPWEKKING TER PLAATSE

Tabel 3 geeft een overzicht van de drie mogelijke benaderingen voor de toewijzing van ingebedde emissies in verband met het energieverbruik van een gebouw en de opwekking ter plaatse. Om de transparantie, consistentie en nauwkeurigheid van de berekening te waarborgen, kiezen de lidstaten een van de in tabel 3 vermelde benaderingen, namelijk benadering A, B1 of B2. Indien benadering B1 of B2 op nationaal niveau wordt vastgesteld, maken de lidstaten de gekozen toewijzingsregels die nodig zijn voor de berekening overeenkomstig de energieberekening en de relevante normen, openbaar.

Voor de berekening van het GWP gedurende de levenscyclus wordt de toewijzing van operationele emissies in verband met het energieverbruik van een gebouw en de opwekking ter plaatse in alle levenscyclusfasen uitgevoerd in overeenstemming met de keuze voor de toewijzing van de ingebedde emissies en in overeenstemming met norm EN 15978.



Tabel 3

Berekening van ingebedde emissies van ter plaatse geproduceerde hernieuwbare energie

Factoren die een rol spelen

Benadering A

Benadering B1 of B2

Soort toewijzing van ingebedde emissies aan het gebouw voor onderdelen voor energieopslag

Volledige toewijzing aan het gebouw

Soort toewijzing van ingebedde emissies aan het gebouw voor andere systeemonderdelen

Volledige toewijzing aan het gebouw

B1:  Evenredige toewijzing aan het gebouw op basis van het aandeel opgevangen/opgewekte energie dat wordt gebruikt voor zelfverbruik

B2:  Toewijzing aan het gebouw van componenten die in de bouwschil zijn geïntegreerd en die het oppervlak ervan vormen, alsook evenredige toewijzing van de resterende ingebedde emissies aan het gebouw op basis van het aandeel opgevangen/opgewekte energie dat wordt gebruikt voor zelfverbruik

7.   TOEPASSINGSGEBIED VAN DE ONDERDELEN VAN HET GEBOUW EN DE TECHNISCHE UITRUSTING

De berekening van het GWP gedurende de levenscyclus omvat ten minste de onderdelen van gebouwen en technische uitrusting die zijn opgenomen in niveau 2 onder de categorieën schil en kern van tabel 4. De lidstaten zorgen voor een alomvattende en nauwkeurige berekening van het GWP gedurende de levenscyclus, waarbij op nationaal niveau duidelijk wordt beschreven welke onderdelen en technische uitrusting van een gebouw nodig zijn voor de berekening van het GWP gedurende de levenscyclus. Daartoe kunnen de lidstaten de voorbeelden in de niveaus 3 en 4 van tabel 4 volgen en eventuele substantiële afwijkingen in de nationale wetgeving verstrekken.

Bij de berekening wordt rekening gehouden met onderdelen van gebouwen en technische uitrusting of systemen die onder het EPC van het beoordeelde gebouw vallen, indien de lidstaten van oordeel zijn dat de eigendom en het onderhoud ervan geheel of gedeeltelijk onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het gebouw vallen ( 14 ), ook al vallen zij buiten het beoordeelde gebouw en zij er structureel van onafhankelijk. Wanneer onderdelen van gebouwen en technische uitrusting buiten het beoordeelde gebouw vallen en er structureel onafhankelijk van zijn, worden de emissies die gepaard gaan met dergelijke onderdelen van gebouwen en technische uitrusting in aanmerking genomen bij de analyse van de ingebedde koolstof en de operationele koolstof, maar met hun vloeroppervlakte wordt geen rekening gehouden voor de berekening van de vloeroppervlakken.

De lidstaten kunnen generieke gegevens of standaardwaarden vaststellen voor de in tabel 4 vermelde onderdelen, overeenkomstig de in punt 3 vastgestelde eisen inzake gegevens voor de berekening, om hiaten in de gegevens op te vullen of wanneer het noodzakelijk is de berekening te vereenvoudigen.



Tabel 4

Hiërarchie van de onderdelen van het gebouw en de technische uitrusting

Niveau 1

Niveau 2

Niveau 3 (voorbeeld)

Niveau 4 (voorbeelden)

Schil

Substructuur

Funderingspijlers en onderbouwing

Permanente pijlers en bouwkuip

Onderbouwing

Fundering

Zijdelingse steunen

Plaatfundering, poerfundering, kolomvoeten, strookfundering; bandbalken, ankerbalken

Muren en kolommen van de substructuur

Platen en balken van de begane grond (als het gebouw een kelder omvat, moeten de bodemplaten van de kelder worden meegerekend in de relevante kelderonderdelen van niveau 3)

Liftputten (platen en muren)

Kelderonderdelen

Zijdelingse keldersteunen

Bodemplaten en werkvloeren in de kelder

Keerwanden

Dragende muren, steunen en kolommen van de kelder

Balken, draagbalken, ankers en platen in de kelder

Keldertrappen en hellingen

Verticale kelderafdichting (bekuiping), drainagematten, afvoerbuizen en wanddrainage

Verticale kelderafdichting (bekuiping), drainagematten, drainagebuizen en wanddrainage

Kelderisolatie

Liftputten, opvangputten, kokers

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Substructuur” (1)

Structuur

Frames en platen (boven de bovenkant van platen van de begane grond)

Dragende muren, steunen en kolommen

Balken, draagbalken, ankers en platen van de verdiepingen

Balken, draagbalken, ankers en platen van het dak

Trappen (die deel uitmaken van de structuur)

Brandbestendig maken van stalen structuur

Tanks, bassins en diverse

Alleen wanneer zij zich binnen de bouwschil bevinden (anders opgenomen in externe werkzaamheden)

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Structuur” (2)

Externe architectuurwerken (niet-structureel)

Gevel

Niet-structurele buitenmuren en voorzieningen

Afwerking van buitenmuren, met uitzondering van bekleding

Gevelbekleding en gordijnmuren

Buitenramen

Buitendeuren

Buitenste winkelgevels

Rolluiken en brandwerende rolluiken

Dak

Dakafwerking

Dakramen

Waterdichting

Isolatie

Daklandschappen (hard en zacht)

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Externe architectuurwerken (niet-structureel)” (3)

Kern

Interne architectuurwerken binnenshuis (niet-structureel)

Interne scheidingen

Niet-structurele binnenmuren en scheidingswanden

Isolatie

Binnenste winkelgevels

Toilethokjes

Verplaatsbare scheidingswanden

Koelruimten

Binnendeuren

Binnenramen

Rolluiken en brandwerende rolluiken

Diverse betonwerken

Toebehoren en diverse

Balustrades, relingen en leuningen

Trappen en looppaden die geen deel uitmaken van de structuur, kooiladders

Ingebouwde kasten (4), kasten, opslagruimten, lockers, zitmeubelen, rekken, balies, banken

Ingebouwde decoratieve elementen

Toegangspanelen

Afwerking binnenshuis

Vloerafwerking (intern en extern, d.w.z. binnenshuis of op balkonnen)

Afwerking en bekleding van binnenmuren

Plafondafwerking en valse plafonds (intern of extern)

Isolatie

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Interne architectuurwerken binnenshuis (niet-structureel)” (5)

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Water- en afvalwatersystemen

Sanitair

Toiletten, reservoirs, douchebakken, badkuipen, kranen, bedieningsorganen, douchekoppen, bassins, gootstenen, heetwatertoestellen

Koudwatersystemen

Thermostaat, warmtemeters, koudwatermeters, pompen/hydroforen, andere meters, leidingen, isolatie van buizen, steunen/ophangelementen, vorstbeveiliging en leidingverwarming

Koudwateropslag

Opslagtank plus elk behandelings- en filtersysteem voor de controle van de waterkwaliteit

Oppervlaktewater/regenwater/vuilwaterafvoer

Leidingen, regenwatertank, vertraagde afvoer, afvoerbuizen, pompen, afvoerleidingen, rioolleidingen, condensatieleidingen, isolatie, steunen, reservoir, vuilvangers, pomp, afvoer

Systemen voor hergebruik van water

Opslagtanks voor de opvang van grijs water/regenwater, leidingen en zuiveringsinstallaties binnen de bouwlijn

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Verwarmingssystemen

Apparatuur voor de opwekking van warmte en warm water

Gas-/elektrische boiler, lucht-/water-/bodemwarmtepompen, chiller, lokaal waterverwarmingstoestel, houtkachel, biomassaboiler, thermische zonneboiler en warmwatersystemen. Collectieve verwarmingssystemen die zich binnen de voetafdruk van het gebouw bevinden, vallen onder dit toepassingsgebied tot het punt van de meter. Voorbij de meter worden deze systemen als onderdeel van het distributienet beschouwd. Putten en verdelers vallen eveneens binnen het toepassingsgebied, zelfs als zij zich buiten de voetafdruk van het gebouw bevinden. Plaatwarmtewisselaar die is aangesloten op een stadsverwarmingsnet. Warmwateropwekkingsapparatuur (bijvoorbeeld boiler) moet ook in het toepassingsgebied worden opgenomen.

Distributie van warmte en warm water, bediening, accessoires, afgifteapparatuur, wisselaars/terminaleenheden

Elektrische radiator, watergedragen radiator, vloerverwarming, warmte-interface-eenheid, plaatwarmtewisselaar, pompen, mechanisch schakelbord, drukinrichting, doseerpot, vertakkingsregelunit (BC-regelaar), ontvochtiger, trillingsdempers, thermostaat, warmtemeters, warmwatermeter, leidingen, leidingisolatie, ondersteuning/ophangsysteem, vorstbeveiliging en leidingverwarming

Apparatuur voor warmteopslag

Warmwateropslag, buffervat, expansievat

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Specifieke koelsystemen (systemen die zowel verwarmen als koelen, vallen alleen onder het toepassingsgebied van „verwarmingssystemen”)

Koelapparatuur

Koeltoren, ventilatorconvectoren, airconditioner

Koelafgiftesysteem, wisselaars/terminaleenheden, toebehoren en bediening, distributie, opslag

Koudwateropslag, buffervat, expansievat voor koeling, pompen, mechanisch schakelbord, drukinrichting, doseerpot, vertakkingsregelunit (BC-regelaar), ontvochtiger, trillingsdempers, thermostaat, warmtemeters, koudwatermeter, leidingen, leidingisolatie, ondersteuning/ophangsysteem, vorstbeveiliging en leidingverwarming

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Ventilatiesystemen

Beweging van de lucht

Ventilatoren, mechanische ventilatie met warmteterugwinning, luchtbehandelingseenheden, plafondventilatoren, keukenventilatie, luchtgordijnen

Luchtterminals

Verspreiders, rasters, systemen met variabel luchtvolume, systemen met constant luchtvolume, jaloezie

Kanalen en toebehoren

Kanalen, isolatie, ondersteuning, brandwerende kanalen, ondersteuning

Regelkleppen, demping en brandveiligheid in verband met ventilatieapparatuur

Variabele luchtvolumeklep, volumecontroleklep, brandklep, rook en rookafzuiging, gemotoriseerde rookklep, trappenhuispresurrisatie, brandwerende ventilatoren, overdrukkleppen, regelaars, jaloezieën, gasextractie, akoestische demping

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Verlichtingssystemen

Binnenverlichting

Lichtarmaturen binnen, contactdoos, aansluitdoos, stopcontact, lichtschakelaar, kabel, switch

Buitenverlichting (op het gebouw gemonteerd)

Lampen/palen/steunen enz. die op gebouwen zijn gemonteerd Lichtarmaturen buiten, contactdoos, verdeeldoos, stopcontact, lichtbediening, kabel, schakelaar

Noodverlichting

Noodverlichting, bedieningsorganen, kabel, schakelaar

Andere verlichting

Taakverlichting, podiumverlichting, etalageverlichting in de detailhandel, architecturale verlichting met inbegrip van bijbehorende verlichtingsarmaturen, contactdoos, aansluitdoos, stopcontact, lichtbediening, kabel, schakelaar

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Elektrische diensten voor stroom, communicatie, beveiliging, IT en branddetectie

Elektrische stroom

Omvat interne en op gebouwen gemonteerde installaties. Stroomkabel, kabelgoten, panelen/distributie, back-upapparatuur, stroomrail, transformator, contactdozen/schakelaars, vloerdozen, sensoren, hoogspanning, middenspanning, laagspanning, klein vermogen, insluiting

Extralage spanning (ELV)/communicatie/beveiliging

ELV-systemen. Communicatie- en audiovisuele apparatuur. Beveiliging: Apparatuur voor gesloten televisiecircuits (CCTV), beveiligingssensoren en alarmen

IT en gegevens

IT-apparatuur: alles wat verband houdt met gegevens, bijvoorbeeld wifi-apparatuur, server, backbone en gestructureerde bekabeling, computers, printers, datakasten, patchpanelen

Gebouwbeheersystemen (BMS)

BMS/besturingseenheden op ventilatorspoelen, onderstation, hoofdbesturingssysteem met computer (hoofdstation), vereiste bekabeling, regelkleppen, sensoren voor temperatuurstatistieken

Back-up stroomvoorziening

Ononderbroken stroomvoorziening (UPS), back-upopwekking, batterijen, stand-by-generatoren binnen de bouwlijn

Branddetectie en -alarm

Brandalarminstallaties, met inbegrip van detectie, bekabeling, brandmeldcentrale en final call unit

Diensten en uitrusting voor gebouwen:

Opwekking van hernieuwbare energie ter plaatse

Hernieuwbare energie — elektriciteitsopwekking ter plaatse en op het gebouw gemonteerd

Fotovoltaïsche zonnepanelen, omvormer, windturbine, waterturbinegebouw, gemonteerd op het gebouw of binnen de voetafdruk van het gebouw

Hernieuwbare energie — opslag ter plaatse

Batterij binnen de voetafdruk van het gebouw

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Installaties voor de beveiliging van mensenlevens, brandstof- en bewegingssystemen

Sprinklersysteem

Leidingen, koppen, kleppen, tank, slangen, pompen

Brandbestrijdingssystemen

Droge en natte blusleiding, brandkraan, binnen de aangegeven voetafdruk van het gebouw, automatisch rookluik (AOV) regeling/sensoren, brandbestrijdingssysteem

Bescherming tegen blikseminslag/aardverbinding

Bliksemgeleider, aardpennen

Brandstofinstallaties

Alle andere brandstofvoorraden dan elektriciteit, alles wat wordt gepompt of onder druk staat.

Gastoestellen: aansluiting, gasmeter, drukregelaar, leidingen, kleppen.

Brandstofopslagtank ter plaatse, droge opslagplaatsen.

Transportschroef.

Lift, traplift, hefplatform

Systemen voor lift, traplift en hefplatform moeten inbegrepen zijn. De stroom voor deze systemen moet in elektrische installaties worden opgenomen

Roltrappen en rolpaden

Systemen voor roltrappen en rolpaden moeten inbegrepen zijn. De stroom voor deze systemen moet in elektrische installaties worden opgenomen

Diensten en uitrusting voor gebouwen: Systemen voor afvalverwijdering

Gespecialiseerde en gemeenschappelijke afvalverwijderingssystemen

Afvalverbrandingsinstallaties en systemen voor afvalstromen en verwijderingsinstallaties

 

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Diensten en uitrusting voor gebouwen” (6)

Externe werkzaamheden

(Facultatief)

Externe wegen, paden, bestrating en andere voor het verkeer van personen of voertuigen geschikte oppervlakken die zich op het bouwterrein bevinden

Wegen en paden ontworpen voor voetgangers of voertuigen

Dit omvat ook de voorbereiding van funderingswerken, met inbegrip van behandeling, plaatsing, egalisatie, grondprofilering en verdichting.

Aanbrengen van werkvloeren, in situ beton met inbegrip van bekisting, wapening, verbindingen, drainage/onkruidmembranen, randen, randafwerkingen, toebehoren, op het oppervlak aangebrachte bestrating/wegen/markeringen, afwerkingen, bv.:

— Afwerking met macadam of asfalt

— Metselwerk, bestrating, tegels, kasseien, natuursteen

— Grind, steenslag, houtsnippers

— Geperforeerde grasmatten

— Oppervlakken ontworpen voor speeltuinen, sportterreinen of andere gespecialiseerde toepassingen

— Alle systemen die nodig zijn voor het beheer van drainage en/of demping van oppervlaktewater

— Treden, trappen en oprijplaten (met inbegrip van onderbouw, samenstelling en eindafwerking) buiten de aangewezen bouwlijn

Voetpaden

Verhardingen en zachte oppervlakken ontworpen voor voetgangers

Vaste en losse voorzieningen voor de afbakening van buitenruimten, begrenzingen en zones van het bouwterrein en voor esthetisch gebruik

Externe omheiningen

Hout, metaal, beton, omheiningen in metselwerk, relingen, poorten, muren, met inbegrip van externe nieuwe lage muren die geen deel uitmaken van de thermische schil van het gebouw.

Met inbegrip van voertuig- en voetgangersbarrières die bestand moeten zijn tegen een specifieke belasting voor beveiligingsdoeleinden, met bijbehorende poorten.

Met inbegrip van eisen voor de fundering, onderdelen, palen, bevestigingen, hang- en sluitwerk, toebehoren zoals dekstenen, aangedreven apparatuur, bedieningsorganen en eindafwerkingen.

Deze categorie omvat keermuren die geen deel uitmaken van het gebouw en die gewoonlijk bestaan uit beton, hout of metselwerk, met inbegrip van alle eisen voor de fundering/palen, gestabiliseerde aarde, drainagevoorschriften, membranen, onderdelen, bevestigingsmiddelen, toebehoren zoals dekstenen, verbindingen, conserveringsmiddelen, eindafwerking, schanskorven.

Externe relingen

Buitenmuren

Externe losse voorzieningen

Straatmeubilair met inbegrip van poorten (indien deze geen deel uitmaken van omheiningen of barrières), draaihekjes, vaste/inklapbare/verwijderbare paaltjes, zitmeubelen, banken, tafels, zand- en zoutbakken, displays voor posters/mededelingenborden, fietsrekken/-stallingen, bewegwijzering, vlaggenpalen, externe sport-/speeluitrusting, kleine voetgangersbruggen, bushaltes, bushokjes, telefoonhokjes, brievenbussen, beeldhouwwerken/externe kunstwerken, decoratieve waterelementen, met inbegrip van eventuele benodigde funderingen, tanks, onderdelen, leidingen, bedieningsorganen en uitrusting

Externe gebouwdiensten

Algemene opmerking: Deze categorie omvat alle diensten die niet tot het gebouw behoren of die buiten de voetafdruk van het gebouw worden verleend.

Externe afvoer

Afvalwater/oppervlaktewater/grondafvoer onder en boven de grond, vanaf het eerste mangat buiten de omsluitende muur van het gebouw, de rioolverbinding of een andere afvoer (bijvoorbeeld afvalwaterzuiveringsinstallatie ter plaatse). Sleuven, pijpleidingen, fittingen, beddingen, opvulling, ondersteunende constructies, steunen, aansluitingen, afvoerputten en roosters (bijvoorbeeld in wegen) zijn eveneens inbegrepen. Compacte pompstations, uitstroom-/uitlaatkoppen, eindcoatings, geprefabriceerde kanalen, kamers, mangaten, kanalen, infiltratievoorzieningen, beerputten, benzineafscheiders. Wijzigingen, reparaties, vullen of schoonmaken van bestaande afvoersystemen, mangaten en roosters zijn eveneens inbegrepen. Installaties die verband houden met duurzame stedelijke afwateringssystemen (niet beplant), met inbegrip van drainage van gevaarlijke vloeistoffen zoals chemische stoffen en industrieel vloeibaar afval

Externe diensten — water

Leidingwatertoevoersystemen die water van het leidingnet van de erkende onderneming naar het punt van binnenkomst in het gebouw brengen, met inbegrip van de distributie naar externe gebruikerspunten (bijvoorbeeld externe installaties en apparatuur en brandkranen). Brandkranen/recycling van regenwater/recycling van grijs water buiten de aangewezen bouwlijn. Met inbegrip van tanks, leidingen, leidingverwarming, isolatie en aansluitingen.

Externe diensten — elektriciteit

Distributie van hoogspanningsstroom vanaf de levering van de erkende onderneming aan een transformatorstation ter plaatse, distributie van laagspanningsstroom van de transformator ter plaatse naar het hoofdschakelpaneel binnen het gebouw en externe installaties voor de levering van elektriciteit, met inbegrip van nood- of stand-bygeneratoren. Met inbegrip van kabels, bedrading, planken, schachten, toegangsluiken, aansluitingen, distributie, schachten, putten, compacte transformatoronderstations, UPS-installaties

Externe diensten — gas

Aardgastoevoersystemen via pijpleidingen die gas van het hoofdnet van de erkende onderneming naar de gasmeter brengen; en die vloeibaar petroleumgas (lpg) van externe opslagvaten naar het distributiepunt brengen, met inbegrip van de levering van netgas en de distributie van gas aan externe verbruikerspunten (bijvoorbeeld externe installaties en apparatuur). Met inbegrip van distributie, toegangsluiken, aansluitingen, schachten, putten, opslagtanks/flessen.

Externe diensten — telecommunicatie en soortgelijke

Aansluiting van telecommunicatiesystemen, kabeltelevisie, internet en andere communicatiesystemen vanaf de levering door de erkende onderneming of andere dienstverlener op het hoofddistributiepunt in het gebouw. Met inbegrip van kabels, bedrading, trunking, toegangsluiken, aansluitingen, distributie, schachten, putten

Externe diensten — brandstofopslag

Externe brandstofopslag- en leidingdistributiesystemen. Opslagtanks en -vaten buiten het gebouw, en pijpleidingen voor de distributie van olie, benzine of diesel van opslagtanks of -vaten naar de plaats van binnenkomst in het gebouw of naar externe installaties en apparatuur. Met inbegrip van distributie, pompen, kleppen, isolatie, toegangsluiken, aansluitingen, monitoringapparatuur, schachten, putten, opslagtanks/flessen.

Externe diensten — verlichting

Externe locatie-/straatverlichting, met inbegrip van systemen voor voetgangers, paden, wegen, verlichte verkeersborden, buitenverlichting. Kabels, bedrading, borden, trunking, toegangsluiken, aansluitingen, distributie, schachten, putten, bedieningsorganen en de armaturen/lampen zelf zijn eveneens inbegrepen, met inbegrip van verlichting voor sportvelden

Externe diensten — beveiligingssystemen

Beveiligingssystemen, met inbegrip van CCTV, camerapalen, algemene externe stroomvoorzieningen voor veiligheidsuitrusting en specifieke veiligheidsverlichting

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Externe gebouwdiensten” (7)

Externe gebouwen (8)

Kleine bijgebouwen

Afzonderlijke externe kleine bijgebouwen die verband houden met de gebouwsystemen en de normale werking van het gebouw en de toegang tot de locatie, met inbegrip van ketelhuizen, onderstations, brandstofopslagplaatsen, fietsenstallingen, tuinhuizen, opslageenheden en wachthuisjes

Onafhankelijke parkeerstructuren (9)

Boven- of ondergrondse structuren voor exclusief of gedeeld gebruik door bewoners van gebouwen

Samengestelde werken, geprefabriceerde werken en diverse voor „Externe gebouwen” (10)

(1)   

Isolatie, waterdichting, dekvloer, aansluitingen, toebehoren of onderdelen voor afvoer, onderdelen voor diensten die samen met de substructurele werken worden ingebracht of toegepast, maar die niet reeds onder specifieke posten in deze tabel 4 of elders worden meegeteld.

(2)   

Brandbestendig maken, isolatie, waterdichting, dekvloer, aansluitingen, toebehoren, hellingen, verloren bekisting, mezzaninestructuren, ondersteuning van tribunes, onderhoudswegen of andere onderdelen die samen met de substructurele werken worden ingebracht of toegepast, maar die niet reeds onder specifieke posten in deze tabel 4 of elders worden meegeteld.

(3)   

Brandwering, isolatie, waterdichting, dekvloer, aansluitingen en bevestigingen op de structuur, toebehoren, hellingen, zonwering, jaloezieën, dakranden, insectenwering, roosters, borstweringen, relingen, groenmuren, schoorstenen of andere elementen die samen met de externe architectuurwerken worden ingebracht of aangebracht, maar die niet reeds onder specifieke posten hier of elders worden meegeteld.

(4)   

„Ingebouwd” verwijst naar de integratie van de relevante elementen van het gebouw tijdens de bouwfase en vóór de overdracht van het gebouw aan de eigenaar.

(5)   

Brandwering, isolatie, waterdichting, dekvloer, aansluitingen en bevestigingen op de structuur of onderhoudswegen, skeletbouw, afdichting, kleefstoffen, vloeren, zwevende vloeren, verende vloeren, afwerkingen, lijnmarkeringen, lijstwerk, plinten, toebehoren, hellingen, rasters, borstweringen, relingen, haarden of andere elementen die samen met de interne architectuurwerken worden ingebracht of toegepast, maar die niet reeds onder specifieke posten in deze tabel 4 of elders worden meegeteld.

(6)   

Alle andere voorzieningen, toebehoren of andere elementen die samen met de gebouwdiensten, het systeem en de infrastructuur worden ingebracht of toegepast, maar die niet reeds onder specifieke posten in deze tabel 4 of elders worden meegeteld.

(7)   

Alle andere losse voorzieningen, fittingen of andere elementen die verband houden met de installatie van water, gas, elektriciteit, verwarming, ventilatie, bovengrondse afwatering, telecommunicatie en andere diensten, met inbegrip van leidingen, beschermende coatings, gaten, sleuven, moffen, deksels, brandwering, etikettering en basissen enz., niet elders begrepen.

(8)   

Verwijst naar gebouwen die extern zijn aan en structureel onafhankelijk zijn van het beoordeelde gebouw, maar die zich bevinden binnen het erf van het beoordeelde gebouw en die de bewoners van het beoordeelde gebouw en/of de beoordeelde technische systemen en infrastructuur van het gebouw bedienen. Onder structurele onafhankelijkheid wordt verstaan: een gebrek aan gemeenschappelijke funderingen en andere dragende structurele elementen.

(9)   

Parkeerfaciliteiten die structurele elementen gemeen hebben met het gebouw en binnen de bouwschil van het gebouw vallen, worden niet als externe gebouwen beschouwd, maar als een deel van het gehele gebouw; hun ingebedde koolstof, operationele koolstof en vloeroppervlakken worden meegeteld in de analyse. Voor onafhankelijke parkeerconstructies die als externe gebouwen worden beschouwd, kunnen de bijbehorende ingebedde koolstof en operationele koolstof worden meegeteld in de analyse, maar niet de vloeroppervlakken. In gevallen waarin een parkeervoorziening deel uitmaakt van een structuur die door meer dan één gebouw wordt gedeeld, wordt het gehele gebouwencomplex in één keer beoordeeld of worden de ingebedde koolstofeffecten en de vloeroppervlakken van de parkeerfaciliteit toegewezen op basis van het relatieve aandeel parkeerplaatsen dat aan elk gebouw is toegewezen.

(10)   

Alle andere losse voorzieningen, fittings of andere elementen in verband met de bouw van externe gebouwen, die niet elders zijn begrepen.

8.   RESULTATEN VAN HET GWP GEDURENDE DE LEVENSCYCLUS

Met het oog op de rapportage van de resultaten in het EPC van het gebouw wordt het GWP gedurende de levenscyclus van het gebouw in een transparant formaat gerapporteerd, waarbij de resultaten ten minste voor elke levenscyclusfase worden weergegeven overeenkomstig tabel 5.



Tabel 5

Bekendmaking van het GWP gedurende de levenscyclus in het energieprestatiecertificaat van het gebouw (EPC)

 

Productfase (A1-A3)

Bouwprocesfase (A4-A5)

Gebruiks-, onderhouds-, vervangingsfase (B1-B4)

Operationele-energieverbruiksfase (B6)

Eindelevensduurfase (C1-C4)

Hergebruik, recycling, potentieel voor nuttige toepassing (D1)

Potentiële voordelen en lasten van uitgevoerde nutsvoorzieningen (bijvoorbeeld elektrische energie, thermische energie, drinkwater) (D2)

GWP-totaal (1)

 

 

 

 

 

 

 

(1)   

GWP-totaal is de som van GWP-fossiel, GWP-biogeen en GWP-landgebruik en verandering in landgebruik.

BIJLAGE IV Gemeenschappelijk algemeen kader voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen




BIJLAGE IV

Gemeenschappelijk algemeen kader voor de waardering van de mate waarin gebouwen gereed zijn voor slimme toepassingen

1. De Commissie stelt de definitie vast van de indicator van de gereedheid voor slimme toepassingen van gebouwen, alsook een methode ter berekening daarvan, ter beoordeling van de mogelijkheid om de werking van een gebouw of een gebouwunit aan te passen aan de behoeften van de gebruiker en aan het net, alsmede ter verbetering van de energie-efficiëntie en de algehele prestatie van het gebouw.

De indicator van gereedheid voor slimme toepassingen is geschikt om de mogelijkheden voor grotere energiebesparingen in beeld te brengen, vergelijkingen te maken en flexibiliteit door te voeren, en bestrijkt geavanceerde functies en mogelijkheden die voortvloeien uit het gebruik van onderling verbonden en intelligente apparaten.

In de methode wordt rekening gehouden met kenmerken zoals het mogelijke bestaan van een digitaal tweelinggebouw.

Bij het uitwerken van deze methode wordt rekening gehouden met aspecten als slimme meters, systemen voor gebouwautomatisering en -controle, zelfregulerende apparatuur voor de regulering van de binnenluchttemperatuur, ingebouwde huishoudelijke apparaten, laadpunten voor elektrische voertuigen, en energieopslag, alsook de gedetailleerde functionaliteit en interoperabiliteit van die aspecten. Ook de voordelen van die aspecten voor binnenklimaatbeheersing, energie-efficiëntie, energieprestatieniveaus en gerealiseerde flexibiliteit worden in aanmerking genomen.

2. De methode is gebaseerd op de volgende essentiële functies in verband met het gebouw en de technische bouwsystemen ervan:

a) 

het vermogen om de energieprestatie en de werking van het gebouw in stand te houden door aanpassing van het energieverbruik, bijvoorbeeld door het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;

b) 

het vermogen om de werking van het gebouw aan te passen aan de behoeften van de gebruiker, waarbij gelet moet worden op gebruikersvriendelijkheid, het behoud van een gezond binnenklimaat, en de mogelijkheid voor rapportage over het energieverbruik, en

c) 

de flexibiliteit van de algehele energievraag van een gebouw, waaronder de mogelijkheid om het gebouw deel te laten nemen aan zowel passieve en actieve als impliciete en expliciete vraagrespons, door middel van energieopslag en het weer afgeven van energie aan het net, bijvoorbeeld door de mogelijkheid van flexibiliteit, belastingverschuiving, en

d) 

het vermogen om de energie-efficiëntie en algehele prestatie ervan te verbeteren door het gebruik van energiebesparingstechnologieën.

3. De methode kan voorts rekening houden met:

a) 

de interoperabiliteit van systemen (slimme meters, systemen voor gebouwautomatisering en -controle, ingebouwde huishoudelijke apparaten, zelfregulerende apparatuur voor de regulering van de binnenluchttemperatuur, en sensoren voor de binnenluchtkwaliteit en ventilatiesystemen), en

b) 

de positieve invloed van bestaande communicatienetwerken, in het bijzonder het bestaan van voor hoge snelheid bestemde inpandige fysieke infrastructuur, zoals het vrijwillig te gebruiken „breedbandklaar”-keurmerk, en het bestaan van een toegangspunt voor gebouwen met meerdere woonunits, overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 15 ).

4. De methode mag geen negatieve gevolgen hebben voor bestaande nationale methoden voor energieprestatiecertificering, en moet voortbouwen op soortgelijke initiatieven op nationaal niveau, waarbij rekening wordt gehouden met het eigendomsrecht, de gegevensbescherming en privacy en veiligheid, overeenkomstig de relevante gegevensbeschermings- en privacywetgeving van de Unie, alsook de beste beschikbare technieken voor cyberbeveiliging.

5. De methode beschrijft het geschiktste formaat van de parameter voor de indicator van gereedheid voor slimme toepassingen en is eenvoudig, transparant en gemakkelijk te begrijpen voor consumenten, eigenaren, investeerders en vraagresponsmarktdeelnemers.

BIJLAGE V Model voor energieprestatiecertificaten




BIJLAGE V

Model voor energieprestatiecertificaten

(bedoeld in artikel 19)

1. Op de voorpagina van het energieprestatiecertificaat worden ten minste de volgende elementen aangebracht:

a) 

de energieprestatieklasse;

b) 

het berekende jaarlijkse primaire energieverbruik in kWh/(m2.jaar);

c) 

het berekende jaarlijkse finale energieverbruik in kWh/(m2.jaar);

d) 

Ter plaatse geproduceerde hernieuwbare energie in % van het energieverbruik;

e) 

de operationele broeikasgasemissies (kgCO2/(m2.jaar), en de waarde van het GWP gedurende de levenscyclus, indien beschikbaar.

Het energieprestatiecertificaat vermeldt ook de volgende elementen:

a) 

het berekende jaarlijkse primaire en finale energieverbruik in kWh of MWh;

b) 

de productie van hernieuwbare energie in kWh of MWh; de belangrijkste energiedrager en het belangrijkste type hernieuwbare energiebron;

c) 

het berekende jaarlijkse primaire energieverbruik in kWh/(m2.jaar);

d) 

antwoord (ja/neen) op de vraag of het gebouw in staat is te reageren op externe signalen en het energieverbruik aan te passen;

e) 

antwoord (ja/neen) op de vraag of het verwarmingsdistributiesysteem in het gebouw ontworpen is om te functioneren bij lage temperaturen of efficiëntere temperatuurniveaus, indien van toepassing;

f) 

de contactgegevens van het éénloketsysteem voor advies over renovatie.

2. Daarnaast kan het energieprestatiecertificaat de volgende indicatoren bevatten:

a) 

energieverbruik, piekbelasting, omvang van de generator of het systeem, belangrijkste energiedrager en belangrijkste elementtype voor elk van de toepassingen: verwarming, koeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie en ingebouwde verlichting;

b) 

broeikasgasemissieklasse (indien van toepassing);

c) 

informatie over koolstofverwijdering via tijdelijke koolstofopslag in of op gebouwen;

d) 

antwoord (ja/neen) op de vraag of er een renovatiepaspoort beschikbaar is voor het gebouw;

e) 

gemiddelde U-waarde voor de ondoorzichtige elementen van de gebouwschil;

f) 

gemiddelde U-waarde voor de doorzichtige elementen van de gebouwschil;

g) 

meest voorkomende soort doorzichtig element (bv. dubbele beglazing);

h) 

resultaten van de analyse van het risico op oververhitting (indien beschikbaar);

i) 

aanwezigheid van vaste sensoren die de binnenmilieukwaliteit monitoren;

j) 

aanwezigheid van vaste regeleenheden die reageren op het niveau van de binnenmilieukwaliteit;

k) 

aantal en type laadpunten voor elektrische voertuigen;

l) 

aanwezigheid, type en omvang van energieopslagsystemen;

m) 

verwachte resterende levensduur van de verwarmings- en/of airconditioningsystemen en -apparaten, indien van toepassing;

n) 

haalbaarheid van de aanpassing van het verwarmingssysteem zodat het met efficiëntere temperatuurinstellingen kan werken;

o) 

haalbaarheid van de aanpassing van het systeem voor warm water voor huishoudelijke doeleinden zodat het met efficiëntere temperatuurinstellingen kan werken;

p) 

haalbaarheid van de aanpassing van het airconditioningsysteem zodat het met efficiëntere temperatuurinstellingen kan werken;

q) 

van de meter afgelezen energieverbruik;

r) 

of er een aansluiting op een netwerk voor stadsverwarming en -koeling is, en, indien beschikbaar, informatie over een mogelijke aansluiting op een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling;

s) 

lokale primaire-energiefactoren en bijbehorende koolstofemissiefactoren van het aangesloten lokale stadsverwarmings- en stadskoelingsnetwerk;

t) 

operationele emissies van fijnstof (PM 2,5 ).

Het energieprestatiecertificaat kan de volgende verwijzingen naar andere initiatieven bevatten, indien deze in de betrokken lidstaat van toepassing zijn:

a) 

antwoord (ja/neen) op de vraag of de gereedheid van het gebouw voor slimme toepassingen is beoordeeld;

b) 

indien beschikbaar, de waarde van de beoordeling van de gereedheid voor slimme toepassingen;

c) 

antwoord (ja/neen) op de vraag of een digitaal gebouwlogboek beschikbaar is voor het gebouw.

Personen met een handicap hebben gelijke toegang tot de informatie in energieprestatiecertificaten.

BIJLAGE VI Onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten




BIJLAGE VI

Onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten

1. Definitie van een geldig energieprestatiecertificaat

De lidstaten voorzien in een duidelijke definitie van wat beschouwd wordt als zijnde een geldig energieprestatiecertificaat.

De definitie van een geldig energieprestatiecertificaat waarborgt:

a) 

een controle van de geldigheid van de inputgegevens (met inbegrip van controles ter plaatse) van het gebouw, die worden gebruikt voor de afgifte van het energieprestatiecertificaat en de in het certificaat vermelde resultaten;

b) 

de geldigheid van de berekeningen;

c) 

een bovengrens voor de afwijking voor de energieprestatie van een gebouw, bij voorkeur uitgedrukt in de numerieke indicator van het primaire energieverbruik (kWh/(m2.jaar));

d) 

een ondergrens voor het aantal elementen dat afwijkt van de standaardwaarden.

De lidstaten kunnen daarnaast nog andere elementen in de definitie van een geldig energieprestatiecertificaat opnemen, zoals de maximale afwijking voor specifieke inputgegevenswaarden.

2. Kwaliteit van een onafhankelijk controlesysteem voor energieprestatiecertificaten

De lidstaten voorzien in een duidelijke definitie van de kwaliteitsdoelstellingen die en het niveau van statistisch vertrouwen dat het kader voor energieprestatiecertificaten moet bereiken. Het onafhankelijke controlesysteem waarborgt dat ten minste 90 % van de afgegeven energieprestatiecertificaten geldig is met een statistische betrouwbaarheid van 95 % voor de beoordeelde periode, die niet langer is dan één jaar.

Het kwaliteits- en het betrouwbaarheidsniveau van het onafhankelijke controlesysteem voor energieprestatiecertificaten worden gemeten aan de hand van aselecte bemonstering en nemen alle elementen in de definitie van een geldig energieprestatiecertificaat in aanmerking. Wanneer de onafhankelijke controlesystemen aan niet-gouvernementele instanties zijn gedelegeerd, vereisen de lidstaten dat de beoordeling van ten minste 25 % van de aselecte steekproef door een derde partij wordt geverifieerd.

De geldigheid van de inputgegevens wordt geverifieerd aan de hand van informatie die wordt verstrekt door de onafhankelijke deskundige. Die informatie kan het volgende omvatten: productcertificaten, specificaties of bouwplannen die details bevatten over de prestatie van de verschillende elementen van het energieprestatiecertificaat.

De geldigheid van de inputgegevens wordt geverifieerd door middel van bezoeken ter plaatse, die waar passend virtueel mogen worden uitgevoerd, voor ten minste 10 % van de energieprestatiecertificaten die deel uitmaken van de aselecte bemonstering met het oog op de beoordeling van de algemene kwaliteit van de regeling.

Naast de minimale aselecte bemonstering om het algemene kwaliteitsniveau te bepalen, kunnen de lidstaten verschillende strategieën toepassen die er specifiek op gericht zijn gebreken in energieprestatiecertificaten op te sporen en aan te pakken, teneinde de algemene kwaliteit van de regeling te verbeteren. Een dergelijke gerichte analyse kan niet worden gebruikt als basis om de algemene kwaliteit van de regeling te meten.

De lidstaten waarborgen de kwaliteit van het algemene kader voor energieprestatiecertificaten via preventieve en reactieve maatregelen. Die maatregelen kunnen bestaan uit aanvullende opleiding voor onafhankelijke deskundigen, gerichte bemonstering, de verplichting om energieprestatiecertificaten opnieuw in te dienen, evenredige boeten en een tijdelijke of permanente uitsluiting van deskundigen.

Wanneer informatie aan een databank wordt toegevoegd, moeten de nationale autoriteiten de identiteit van de auteur van de toevoeging kunnen vaststellen voor toezicht- en verificatiedoeleinden.

3. Beschikbaarheid van energieprestatiecertificaten

Via het onafhankelijke controlesysteem wordt gecontroleerd of de energieprestatiecertificaten beschikbaar zijn voor toekomstige kopers of huurders, zodat zij bij hun beslissing om te kopen of te huren, rekening kunnen houden met de energieprestatie van het gebouw.

Via het onafhankelijke controlesysteem wordt de zichtbaarheid van de energieprestatie-indicator en -klasse in advertenties gecontroleerd.

4. Behandeling van gebouwtypologieën

Het onafhankelijke controlesysteem houdt rekening met verschillende gebouwtypologieën, met name voor gebouwtypologieën die het vaakst voorkomen op de vastgoedmarkt, zoals eengezinswoningen, meergezinswoningen, kantoren of winkels.

5. Openbaarmaking

De lidstaten publiceren in de nationale databank voor energieprestatiecertificaten regelmatig ten minste de volgende informatie over het kwaliteitssysteem:

a) 

de definitie van een geldig energieprestatiecertificaat;

b) 

de kwaliteitsdoelstellingen voor de regeling voor energieprestatiecertificaten;

c) 

de resultaten van de kwaliteitsbeoordeling, met inbegrip van het aantal geëvalueerde certificaten en de relatieve omvang daarvan ten opzichte van het totale aantal afgegeven certificaten in de betreffende periode (per typologie);

d) 

noodmaatregelen om de algemene kwaliteit van energieprestatiecertificaten te verbeteren.

BIJLAGE VII




BIJLAGE VII

Vergelijkend methodologisch kader voor het vaststellen van kostenoptimale niveaus van energieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

Aan de hand van het vergelijkend methodologisch kader kunnen de lidstaten de energie- en emissieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen alsmede de economische aspecten van maatregelen in verband met de energie- en emissieprestatie bepalen en ze met elkaar in verband brengen met het oog op het vaststellen van het kostenoptimale niveau om de doelstellingen inzake emissiereductie en klimaatneutraliteit voor 2030 te verwezenlijken en om uiterlijk in 2050 over een emissievrij gebouwenbestand te beschikken.

Het vergelijkend methodologisch kader gaat vergezeld van richtsnoeren voor het gebruik van dat kader bij de berekening van kostenoptimale prestatieniveaus.

In het vergelijkend methodologisch kader kan rekening worden gehouden met gebruikspatronen, externe klimaatomstandigheden en toekomstige veranderingen daarvan volgens de beste beschikbare wetenschappelijke prognoses, waaronder hitte- en koudegolven, investeringskosten, de gebouwencategorie, de onderhouds- en bedrijfskosten (inclusief energiekosten en besparingen), inkomsten van geproduceerde energie, waar van toepassing, de milieu- en gezondheidskosten van energieverbruik, kosten van afvalbeheer, waar van toepassing, en de technologische ontwikkelingen. Het kader moet worden gestoeld op relevante Europese normen die verband houden met deze richtlijn.

De Commissie verstrekt daarnaast:

— 
richtsnoeren ter begeleiding van het vergelijkend methodologisch kader; die richtsnoeren dienen om de lidstaten in staat te stellen de onderstaande maatregelen te treffen;
— 
informatie over geraamde energieprijsontwikkelingen over de lange termijn.

Voor de toepassing van het vergelijkend methodologisch kader door de lidstaten worden er per lidstaat door parameters uitgedrukte algemene voorwaarden vastgelegd. De Commissie doet de lidstaten in voorkomend geval aanbevelingen met betrekking tot hun kostenoptimale niveaus.

Het vergelijkend methodologisch kader vereist van de lidstaten dat ze:

— 
referentiegebouwen definiëren die worden gekenmerkt door en representatief zijn voor hun functie(s) en geografische ligging, met inbegrip van interne en externe klimaatomstandigheden. Tot de referentiegebouwen behoren zowel nieuwe als bestaande, al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen;
— 
energie-efficiëntiemaatregelen definiëren die voor de referentiegebouwen moeten worden beoordeeld. Daarbij kan het gaan om maatregelen voor afzonderlijke gebouwen in hun geheel, voor afzonderlijke onderdelen van een gebouw of voor een combinatie van onderdelen van een gebouw;
— 
de finale en primaire energiebehoefte en de daaruit voortvloeiende emissies van de referentiegebouwen beoordelen wanneer de vastgestelde energie-efficiëntiemaatregelen zijn toegepast;
— 
de kosten (d.w.z. de netto contante waarde) van de op de referentiegebouwen (bedoeld in het eerste streepje) gedurende de verwachte levensduur toegepaste energie-efficiëntiemaatregelen (bedoeld in het tweede streepje) berekenen door toepassing van de beginselen van het vergelijkend methodologisch kader.

Door de kosten van de energie-efficiëntiemaatregelen gedurende de verwachte economische levensduur te berekenen, beoordelen de lidstaten de kosteneffectiviteit van de verschillende niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie. Daardoor kunnen er kostenoptimale niveaus van energieprestatie-eisen worden vastgesteld.

BIJLAGE VIII Eisen voor renovatiepaspoorten




BIJLAGE VIII

Eisen voor renovatiepaspoorten

1. Het renovatiepaspoort bevat:

a) 

informatie over de huidige energieprestatie van het gebouw;

b) 

een of meer schematische weergaven van de routekaart en de stappen ervan voor een gefaseerde grondige renovatie;

c) 

informatie over relevante nationale eisen, zoals minimumeisen inzake energieprestaties van gebouwen, minimumnormen voor energieprestaties en regels in de lidstaten inzake de uitfasering van fossiele brandstoffen die in gebouwen worden gebruikt voor verwarming en koeling, met inbegrip van de toepassingsdata;

d) 

een beknopte toelichting bij de optimale volgorde van de stappen;

e) 

informatie over elke stap, met name:

i) 

de naam en beschrijving van de renovatiemaatregelen voor de stap, waaronder relevante opties voor de te gebruiken technologieën, technieken en materialen;

ii) 

de geraamde energiebesparingen in primair en eindenergieverbruik, in kWh en in procentuele verbetering ten opzichte van het energieverbruik vóór de stap;

iii) 

de geraamde vermindering van de operationele broeikasgasemissies;

iv) 

de geraamde besparingen op de energierekening, met duidelijke vermelding van de voor de berekening gebruikte aannames in verband met de energiekosten;

v) 

de energieprestatieklasse die naar verwachting zal worden behaald na voltooiing van de stap;

f) 

informatie over een mogelijke aansluiting op een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling;

g) 

het aandeel individuele of collectieve opwekking en zelfverbruik van hernieuwbare energie dat naar verwachting zal worden behaald na de renovatie;

h) 

algemene informatie over de beschikbare opties om de circulariteit van bouwproducten te verbeteren en de broeikasgasemissies gedurende de hele levenscyclus ervan te verminderen, alsook over bredere voordelen op het gebied van gezondheid en comfort, binnenmilieukwaliteit en verbeterd aanpassingsvermogen van het gebouw aan klimaatverandering;

i) 

informatie over beschikbare financiering en relevante weblinks naar de bronnen van die financiering;

j) 

informatie over technisch advies en adviesdiensten, waaronder contactgegevens en links naar de webpagina’s van éénloketsystemen.

2. Het renovatiepaspoort bevat mogelijk:

a) 

een indicatief tijdschema voor de stappen;

b) 

voor elke stap:

i) 

een gedetailleerde beschrijving van de te gebruiken technologieën, technieken en materialen, en de voor- en nadelen en kosten ervan;

ii) 

welke de energieprestatie van het gebouw zal zijn, ten opzichte van de minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan, de eisen voor bijna-energieneutrale gebouwen en emissievrije gebouwen na voltooiing van de stap, en welke de energieprestatie zal zijn van de vervangen onderdelen van een gebouw ten opzichte van de minimumeisen inzake energieprestaties voor aparte onderdelen van een gebouw, indien deze bestaan;

iii) 

de geraamde kosten voor de uitvoering van de stap;

iv) 

de geraamde terugverdientijd voor de stap, met en zonder beschikbare financiële steun;

v) 

de geschatte tijd die nodig is voor de uitvoering van de stap;

vi) 

indien beschikbaar, de referentiewaarden voor de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de materialen en apparatuur en links naar de webpagina’s waar deze te vinden zijn;

vii) 

de geraamde levensduur van de maatregelen en de geraamde onderhoudskosten;

c) 

onafhankelijke modules voor:

i) 

de beroepen die normaal gezien nodig of aanbevolen zijn voor de uitvoering van energierenovaties (architecten, adviseurs, aannemers, leveranciers en installateurs enz.) of links naar de webpagina(s) waar deze te vinden zijn;

ii) 

een lijst van op dat gebied in aanmerking komende architecten, adviseurs, aannemers, leveranciers of installateurs, die alleen personen mag omvatten die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals het beschikken over hogere kwalificaties of het voldoen aan keurmerken of certificeringslabels of -voorwaarden, of links naar de webpagina(s) waar deze te vinden zijn;

iii) 

de technische voorwaarden voor een optimale uitrol van lagetemperatuurverwarming;

iv) 

de wijze waarop de renovatiestappen en extra maatregelen de gereedheid van een gebouw voor slimme toepassingen kunnen verbeteren;

v) 

de technische eisen en veiligheidseisen voor materialen en werken;

vi) 

de onderliggende aannames achter de verstrekte berekeningen of links naar de webpagina waar deze te vinden zijn;

d) 

informatie over de toegang tot een digitale versie van het renovatiepaspoort;

e) 

ingrijpende renovaties van het gebouw of de gebouwunit, als bedoeld in artikel 8, lid 1, en elke vernieuwing of vervanging van een tot de gebouwschil behorend onderdeel van een gebouw die een aanzienlijke impact heeft op de energieprestatie van de gebouwschil, als bedoeld in artikel 8, lid 2, indien die informatie ter beschikking wordt gesteld van de deskundige die het renovatiepaspoort uitvoert;

f) 

informatie over seismische veiligheid, indien dergelijke voor het gebouw relevante informatie ter beschikking wordt gesteld aan de deskundige;

g) 

op verzoek en op basis van door de huidige eigenaar van het gebouw beschikbaar gestelde informatie, de in een bijlage opgenomen aanvullende informatie, zoals de aanpasbaarheid van ruimten aan veranderende behoeften en geplande renovaties.

3. Voor de status van het gebouw vóór de renovatiestappen wordt in het renovatiepaspoort voor zover mogelijk rekening gehouden met de informatie in het energieprestatiecertificaat.

4. Bij elke maatstaf die wordt gebruikt om het effect van stappen te ramen, wordt uitgegaan van een reeks standaardomstandigheden.

BIJLAGE IX




BIJLAGE IX

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen

(bedoeld in artikel 36)



Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13)

 

Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75)

alleen artikel 1

Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1)

alleen artikel 53

DEEL B

Termijn voor omzetting in nationaal recht en toepassingsdata

(bedoeld in artikel 36)



Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdata

2010/31/EU

9 juli 2012

wat betreft de artikelen 2, 3, 9, 11, 12, 13, 17, 18, 20 en 27: 9 januari 2013

wat betreft de artikelen 4 tot en met 8, 14, 15 en 16: 9 januari 2013 voor door overheidsinstanties gebruikte gebouwen en 9 juli 2013 voor andere gebouwen

(EU)  2018/844

10 maart 2020

 

BIJLAGE X Concordantietabel




BIJLAGE X

Concordantietabel



Richtlijn 2010/31/EU

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, punt 1

Artikel 2, punt 1)

—

Artikel 2, punt 2)

Artikel 2, punt 2

Artikel 2, punt 3)

—

Artikel 2, punten 5) en 6)

Artikel 2, punten 3, 3 bis, 4 en 5

Artikel 2, punten 7) tot en met 10)

—

Artikel 2, punten 12), 13) en 14)

Artikel 2, punten 6, 7, 8 en 9

Artikel 2, punten 15) tot en met 18)

—

Artikel 2, punten 19) tot en met 22)

Artikel 2, punt 10

Artikel 2, punt 23)

—

Artikel 2, punten 24) tot en met 29)

Artikel 2, punten 11, 12, 13 en 14

Artikel 2, punten 30) tot en met 33)

—

Artikel 2, punten 34), 37) tot en met 40) en 42)

Artikel 2, punt 15

Artikel 2, punt 42)

Artikel 2, punten 15, 15 bis, 15 ter, 15 quater, 16 en 17

Artikel 2, punten 43), 44) en 47) tot en met 50)

Artikel 2, punt 18

—

Artikel 2, punt 19

Artikel 2, punt 51)

—

Artikel 2, punten 52) tot en met 64)

Artikel 2, punt 20

—

Artikel 2 bis

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikelen 6 en 9

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

—

Artikel 9

—

Artikel 12

Artikel 8, leden 1 en 9

Artikel 13

Artikel 8, leden 2 tot en met 8

Artikel 14

Artikel 8, leden 10 en 11

Artikel 15

—

Artikel 16

Artikel 10

Artikel 17

Artikel 11

Artikel 19

Artikel 12

Artikel 20

Artikel 13

Artikel 21

—

Artikel 22

Artikelen 14 en 15

Artikel 23

Artikel 16

Artikel 24

Artikel 17

Artikel 25

—

Artikel 26

Artikel 18

Artikel 27

Artikel 19

Artikel 28

Artikel 19 bis

—

Artikel 20

Artikel 29

Artikel 21

Artikel 30

Artikel 22

Artikel 31

Artikel 23

Artikel 32

Artikel 26

Artikel 33

Artikel 27

Artikel 34

Artikel 28

Artikel 35

Artikel 29

Artikel 36

Artikel 30

Artikel 37

Artikel 31

Artikel 38

Bijlage I

Bijlage I

—

Bijlage II

—

Bijlage III

Bijlage I bis

Bijlage IV

—

Bijlage V

Bijlage II

Bijlage VI

Bijlage III

Bijlage VII

Bijlage IV

Bijlage IX

Bijlage V

Bijlage X

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis