GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/856 VAN DE COMMISSIE van 1 december 2023 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van schokscenario’s voor toezichtdoeleinden, de gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters en de vraag wat een “grote daling” is (Voor de EER relevante tekst)
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2024/856 VAN DE COMMISSIE
van 1 december 2023
tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van schokscenario’s voor toezichtdoeleinden, de gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters en de vraag wat een “grote daling” is
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 98, lid 5 bis, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Het Bazels Comité voor bankentoezicht (“BCBS”) heeft de schokscenario’s voor toezichtdoeleinden bepaald (2) en deze vonden hun neerslag in de richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit voor het beheer van renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille (3) die sinds 30 juni 2019 van toepassing zijn. Het is passend dat de in deze verordening beschreven schokscenario’s voor toezichtdoeleinden voortbouwen op die specificering en methodologie.
(2)
Ten behoeve van de berekening van de economische waarde van het eigen vermogen en van de nettorentebaten moeten gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters worden bepaald die de instellingen moeten gebruiken. Daartoe moet, voor het berekenen van de nettorentebaten, een aanname van een constante balans op een tijdshorizon van één jaar worden gebruikt, terwijl voor het berekenen van de economische waarde van het eigen vermogen een aanname van een run-off-balans moet worden gebruikt waarbij aflopende posities niet worden vervangen. Deze aannames moeten voor een goed evenwicht zorgen in termen van nauwkeurigheid van de berekening, betrouwbaarheid van schattingen en operationele complexiteit.
(3)
Om tot een correct evenwicht te komen tussen het zorgen voor vergelijkbaarheid van de resultaten en het bieden van de vanwege een langetermijnhorizon en de inherente operationele complexiteit vereiste flexibiliteit, moeten commerciële marges en spreadcomponenten in de berekening van de nettorentebaten worden opgenomen, maar moeten instellingen voor het berekenen van de economische waarde van het eigen vermogen hun interne beheer- en meetbenadering voor renterisico buiten de handelsportefeuille volgen.
(4)
Volgens de BCBS-normen moeten uitbijtertests die worden opgelegd naast de test van de economische waarde van het eigen vermogen, ten behoeve van de identificatie van uitbijters onder de banken gebruikmaken van een drempel die ten minste even strikt is als die welke wordt gebruikt voor het testen van de economische waarde van het eigen vermogen (15 % van het tier 1-kapitaal). Die drempel moet op een prudentieel verantwoorde en evenredige wijze een daadwerkelijke afspiegeling zijn van de actuele omgeving, en zodoende bijdragen aan de rechtszekerheid en het tot stand brengen van harmonisatie binnen de Unie, mede gelet op het feit dat het overschrijden van de drempels voor uitbijtertests wat betreft economische waarde van het eigen vermogen en nettorentebaten niet noodzakelijk zal inhouden dat instellingen hun interne regelingen, processen of mechanismen en de overeenkomstige modellen en benaderingen opnieuw moeten kalibreren, en evenmin inhouden dat automatisch toezichtbevoegdheden worden uitgeoefend, wanneer het beheer door de instelling van het renterisico dat uit haar activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeit, adequaat is, evenredig aan het bedrijfsmodel en de instelling niet buitensporig aan dit soort risico is blootgesteld.
(5)
Om bij uitbijtertests voor toezichtdoeleinden (SOT’s) tot geharmoniseerde methodologieën te komen wat betreft de vraag wat een “grote daling” van nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in rentetarieven is, moet de referentiedrempel ten minste even streng zijn als de drempel voor de uitbijtertests voor toezichtdoeleinden wat betreft de economische waarde van het eigen vermogen, en moet daarnaast de berekening van de nettorentebaten nader worden bepaald.
(6)
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit bij de Commissie heeft ingediend.
(7)
De Europese Bankautoriteit heeft een open publieke consultatie gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies ingewonnen van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gegeven, voor elke valuta c, de gespecificeerde omvang van parallelle, korte en lange schokken voor de “risicovrije” rente, worden de volgende parametriseringen van de zes schokscenario’s voor toezichtdoeleinden toegepast:
(4) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(5) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(6) Gedelegeerde verordening (EU) 2024/857 van de Commissie van 1 december 2023 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van een gestandaardiseerde methode en van vereenvoudigde gestandaardiseerde methoden voor het beoordelen van uit potentiële renteveranderingen voortvloeiende risico’s die van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de netto-rente-inkomsten van de activiteiten buiten de handelsportefeuille van een instelling (PB L, 2024/857, 24.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/857/oj).
Deel B: Kalibrering renteschokken voor valuta niet vermeld in deel A
1)
Instellingen berekenen allereerst de dagelijkse gemiddelde rente door voor elke valuta een tijdreeks van 16 jaar samen te stellen van dagelijkse “risicovrije” rentetarieven, zonder instrument- of entiteitspecifieke krediet- of liquiditeitsspreads, voor de looptijden drie maanden, zes maanden, één jaar, 2 jaar, 5 jaar, 7 jaar, 10 jaar, 15 jaar en 20 jaar, en vervolgens voor elke valuta c het rekenkundig gemiddelde van de rente voor alle waarnemingen in de tijdreeks en voor alle looptijden te berekenen. De uitkomst is één maatstaf per valuta.
2)
Wanneer de overeenkomstig punt 1) berekende gemiddelde rente voor de eerste zeven jaar meer dan 700 basispunten bedraagt, worden de data voor de tien meest recente jaren gebruikt, afhankelijk van de beschikbaarheid van data. Wanneer de overeenkomstig punt 1) berekende gemiddelde rente voor de eerste zeven jaar ten hoogste 700 basispunten bedraagt, wordt de volledige datareeks van 16 jaar gebruikt.
3)
De parallelle, korte en lange renteschok per valuta wordt afgeleid door de betrokken parameter voor een mondiale schok uit tabel 1 toe te passen op de gemiddelde rente zoals die overeenkomstig de punten 1) en 2) is berekend.
Tabel 1
Parameters mondiale renteschok in basisscenario
Parallel
60 %
Kort
85 %
Lang
40 %
4)
Instellingen passen een ondergrens van 100 basispunten toe, alsmede variabele bovengrenzen van, respectievelijk, 500 basispunten voor de kortetermijnschok, 400 basispunten voor de parallelle schok en 300 basispunten voor de langetermijnschok.
5)
De set renteschokken per valuta wordt vervolgens afgerond op de naaste 50 basispunten.