+RICHTLIJN VAN DE RAAD van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (91/676/EEG)
---+Artikel 1
---+Artikel 2
---+Artikel 3
------+Artikel 3 1.
------+Artikel 3 2.
------+Artikel 3 3.
------+Artikel 3 4.
------+Artikel 3 5.
---+Artikel 4
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
---+Artikel 5
------+Artikel 5 1.
------+Artikel 5 2.
------+Artikel 5 3.
------+Artikel 5 4.
------+Artikel 5 5.
------+Artikel 5 6.
------+Artikel 5 7.
---+Artikel 6
------+Artikel 6 1.
------+Artikel 6 2.
---+Artikel 7
---+Artikel 8
---+Artikel 9
------+Artikel 9 1.
------+Artikel 9 2.
------+Artikel 9 3.
---+Artikel 10
------+Artikel 10 1.
------+Artikel 10 2.
---+Artikel 11
---+Artikel 12
------+Artikel 12 1.
------+Artikel 12 2.
------+Artikel 12 3.
---+Artikel 13
---+BIJLAGE I CRITERIA VOOR HET VASTSTELLEN VAN WATEREN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 1
---+BIJLAGE II CODE(S) VAN GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN
---+BIJLAGE III MAATREGELEN DIE IN ACTIEPROGRAMMA'S ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 4, ONDER a), MOETEN WORDEN OPGENOMEN
---+BIJLAGE IV REFERENTIEMEETMETHODEN
---+BIJLAGE V INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN DE IN ARTIKEL 10 BEDOELDE VERSLAGEN
|
English -
European Union -
Environment -
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (91/676/EEG)
RICHTLIJN VAN DE RAAD
van 12 december 1991
inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
(91/676/EEG)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
Artikel 1
|
Artikel 1
Deze richtlijn heeft tot doel:
—
de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en
—
verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen.
|
|
Artikel 2
|
Artikel 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a)
„grondwater”: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
b)
„zoet water”: van nature voorkomend water met een laag gehalte aan zouten, dat in veel gevallen aanvaard wordt als zijnde geschikt voor onttrekking en behandeling voor de bereiding van drinkwater;
c)
„stikstofverbinding”: elke stikstof bevattende stof, uitgezonderd gasvormige moleculaire stikstof;
d)
„vee”: alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren;
e)
„meststof”: elke één of meer stikstofverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;
f)
„kunstmest”: elke met een industrieel proces vervaardigde meststof;
g)
„dierlijke mest”: excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook produkten daarvan;
h)
„op of in de bodem brengen”: het toevoegen van stoffen aan het land door verspreiding op het bodemoppervlak, injectie in de bodem, onderwerken of vermenging met de oppervlaktelagen;
i)
„eutrofiëring”: een verrijking van het water door stikstofverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
j)
„verontreiniging”: het direct of indirect lozen van stikstofverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de aquatische ecosystemen kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;
k)
„kwetsbare zone”: een overeenkomstig artikel 3, lid 2, aangewezen stuk land.
|
|
Artikel 3
|
|
|
Artikel 4
|
|
|
Artikel 5
|
|
|
Artikel 6
|
|
|
Artikel 7
|
Artikel 7
De Commissie kan volgens de regelgevingsprocedure van artikel 9, lid 2, richtsnoeren opstellen voor de in de artikelen 5 en 6 bedoelde controle.
|
|
Artikel 8
|
Artikel 8
De Commissie kan de bijlagen bij deze richtlijn aanpassen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
|
|
Artikel 9
|
|
|
Artikel 10
|
|
|
Artikel 11
|
Artikel 11
Aan de hand van de krachtens artikel 10 ontvangen informatie publiceert de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van de verslagen van de Lid-Staten samenvattende verslagen die zij aan het Europese Parlement en de Raad toezendt. In het licht van de uitvoering van de richtlijn, in het bijzonder de bepalingen van bijlage III, dient de Commissie vóór 1 januari 1998 een verslag in bij de Raad, eventueel met voorstellen tot herziening van deze richtlijn.
|
|
Artikel 12
|
|
|
Artikel 13
|
Artikel 13
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
|
|
BIJLAGE I CRITERIA VOOR HET VASTSTELLEN VAN WATEREN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 1
|
BIJLAGE I
CRITERIA VOOR HET VASTSTELLEN VAN WATEREN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 1
|
A.
|
De in artikel 3, lid 1, bedoelde wateren worden onder andere met behulp van de volgende criteria vastgesteld:
1.
of zoet oppervlaktewater, in het bijzonder indien gebruikt of bestemd voor de winning van drinkwater, een hogere dan de in Richtlijn 75/440/EEG vastgestelde nitraatconcentratie bevat of zou kunnen bevatten indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege blijven;
2.
of grondwater meer dan 50 mg nitraat per liter bevat of zou kunnen bevatten indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege blijven;
3.
of natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria, kustwateren en zeewater eutroof blijken te zijn of in de nabije toekomst eutroof zouden kunnen worden indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege blijven.
|
|
B.
|
Bij het toepassen van deze criteria houden de Lid-Staten tevens rekening met:
1.
de fysische en milieukenmerken van de wateren en het land;
2.
de huidige kennis van het gedrag van stikstofverbindingen in het milieu (water en bodem);
3.
de huidige kennis van de gevolgen van de maatregelen overeenkomstig artikel 5.
|
|
|
BIJLAGE II CODE(S) VAN GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN
|
BIJLAGE II
CODE(S) VAN GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN
|
A.
|
In een code of codes van goede landbouwpraktijken ter vermindering van verontreiniging door nitraten en waarin rekening wordt gehouden met de omstandigheden in de verschillende regio's in de Gemeenschap behoren voorschriften te zijn opgenomen aangaande de volgende aspecten, voor zover zij relevant zijn:
1.
de periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van een meststof;
2.
het op of in de bodem brengen van een meststof op steile hellingen;
3.
het op of in de bodem brengen van een meststof op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land;
4.
de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van een meststof in de nabijheid van waterlopen;
5.
de capaciteit en bouw van opslagtanks voor dierlijke mest, inclusief maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest en afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten;
6.
methoden voor het op of in de bodem brengen van zowel kunstmest als dierlijke mest, inclusief hoeveelheid en gelijkmatigheid van de verspreiding, waarmee de afvoer van nutriënten naar het water op een aanvaardbaar niveau wordt gehouden.
|
|
B.
|
De Lid-Staten kunnen tevens de volgende punten in hun code(s) van goede landbouwpraktijken opnemen:
7.
landbeheer, inclusief de toepassing van vruchtwisseling en de verhouding tussen de arealen voor meerjarige cultures en die voor wisselbouw;
8.
het behouden van een minimum aan vegetatie in (regen)periodes die de stikstof welke anders nitraatverontreiniging van het water zou kunnen veroorzaken aan de bodem onttrekt;
9.
het opstellen van een bemestingsplan voor ieder landbouwbedrijf en het bijhouden van een meststoffenboekhouding;
10.
het voorkomen van waterverontreiniging die het gevolg is van af- en uitspoeling in irrigatiesystemen tot onder het wortelstelsel van de gewassen.
|
|
|
BIJLAGE III MAATREGELEN DIE IN ACTIEPROGRAMMA'S ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 4, ONDER a), MOETEN WORDEN OPGENOMEN
|
BIJLAGE III
MAATREGELEN DIE IN ACTIEPROGRAMMA'S ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 4, ONDER a), MOETEN WORDEN OPGENOMEN
|
1.
|
Deze maatregelen behelzen voorschriften betreffende:
1.
de periodes waarin het op of in de bodem brengen van bepaalde soorten meststoffen verboden is;
2.
de opslagcapaciteit van tanks voor dierlijke mest; deze moet groter zijn dan die welke vereist is voor de langste periode waarin het op of in de bodem brengen van mest in de betrokken kwetsbare zone verboden is, behalve wanneer ten genoegen van de bevoegde instantie kan worden aangetoond dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het milieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd;
3.
beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone, met name:
a)
bodemgesteldheid, grondsoort en schuinte van hellingen;
b)
klimaatomstandigheden, neerslag en irrigatie;
c)
landgebruik en landbouwpraktijken, waaronder vruchtwisselingssystemen,
en gebaseerd op een balans tussen:
i)
de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen,
en
ii)
de stikstoftoevoer naar de gewassen uit de bodem en uit bemesting die overeenkomt met:
—
de hoeveelheid stikstof die in de bodem aanwezig is op het moment dat het gewas begint het in significante mate te gebruiken (aanwezige hoeveelheden aan het eind van de winter);
—
de toevoer van stikstof door de nettomineralisatie van de voorraden organische stikstof in de bodem;
—
toevoeging van stikstofverbindingen uit dierlijke mest;
—
toevoeging van stikstofverbindingen uit kunstmest en andere meststoffen.
|
|
2.
|
Deze maatregelen moeten waarborgen dat de elk jaar op of in de bodem gebrachte hoeveelheid dierlijke mest, met inbegrip van die welke door de dieren zelf wordt opgebracht, voor elk landbouw- of veehouderijbedrijf een bepaalde hoeveelheid per hectare niet overschrijdt.
Deze bepaalde hoeveelheid per hectare is de hoeveelheid mest die 170 kg N bevat. De Lid-Staten mogen evenwel:
a)
voor het eerste actieprogramma van vier jaar een maximaal 210 kg N bevattende hoeveelheid dierlijke mest toestaan;
b)
gedurende en na het eerste actieprogramma van vier jaar andere hoeveelheden dan de bovengenoemde vaststellen. Deze hoeveelheden moeten zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 genoemde doelstellingen, en zij moeten worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, bij voorbeeld:
—
gewassen met hoge stikstofopname;
—
hoge nettoneerslag in de kwetsbare zone;
—
bodems met een uitzonderlijk hoog denitrificatievermogen.
▼M2
Indien een lidstaat krachtens punt b) van de tweede alinea een andere hoeveelheid toestaat, doet hij daarvan mededeling aan de Commissie, die de motivering volgens de regelgevingsprocedure van artikel 9, lid 2, bestudeert;
▼M3
c)
het gebruik toestaan, boven de in deze alinea vastgestelde hoeveelheid van 170 kg stikstof per hectare per jaar en tot een afzonderlijke extra grenswaarde van 80 kg stikstof per hectare per jaar, van bepaalde bemestingsmaterialen uit dierlijke mest die een verwerking hebben ondergaan, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
i)
het bestanddeel dierlijke mest van het bemestingsmateriaal heeft een behandelingsproces ondergaan dat leidt tot een verhoogde concentratie van stikstof in minerale vorm, ureumstikstof of kristalgebonden stikstof, uitgedrukt in een gewichtspercentage van de totale stikstof ten opzichte van de input voor het behandelingsproces, met een van de volgende eindproducten:
1)
een ammoniumzout (scrubzout), verkregen uit een gaszuiverings- of emissiebeheersingsproces om ammoniak te verwijderen uit afgassen;
2)
een mineralenconcentraat verkregen door omgekeerde osmose;
3)
een stikstofrijk fosfaatzout (struviet), verkregen door precipitatie uit dierlijke mest;
ii)
de bemestingsmaterialen vertonen een consistente kwaliteit in alle charges en hebben een verhouding minerale stikstof ten opzichte van totale stikstof van ten minste 90 % of een verhouding organisch gebonden koolstof ten opzichte van totale stikstof van niet meer dan 3, waarbij in beide gevallen correcties worden aangebracht voor stikstof afkomstig van bestanddelen die niet afkomstig zijn van mest en die meer dan 3 % stikstof bevatten op basis van de droge stof;
iii)
de bemestingsmaterialen overschrijden de volgende bovengrenzen niet:
—
koper (Cu): 300 mg kg-1 droge stof;
—
zink (Zn): 800 mg kg-1 droge stof;
iv)
pathogenen in de bemestingsmaterialen die meer dan 1 % organische koolstof bevatten, overschrijden de volgende bovengrenzen niet:
|
Micro-organismen waarop moet worden getest
|
Bemonsteringsplannen
|
Grenswaarde
|
|
n
|
c
|
m
|
M
|
|
Salmonella spp.
|
5
|
0
|
0
|
Afwezig in 25 g of 25 ml
|
|
Escherichia coli of enterokokken
|
5
|
5
|
0
|
1 000 in 1 g of 1 ml
|
|
waarbij:
n = aantal te testen monsters,
c = aantal monsters waarvan het aantal bacteriën uitgedrukt in kolonievormende eenheden (kve) tussen m en M ligt,
m = drempelwaarde voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve dat bevredigend wordt geacht,
M = maximumwaarde voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve.
|
v)
de lidstaten passen strikte kwaliteitsnormen toe om een consistent nutriëntengehalte in bemestingsmaterialen te waarborgen in alle productiecharges, in overeenstemming met de criteria van punt ii);
vi)
de lidstaten zien erop toe dat het bemestingsmateriaal vergezeld gaat van documentatie met informatie over het gehalte aan stikstof (N) en fosfaten (P2O5), wanneer de concentratie van een van die elementen hoger is dan 1 % droge stof, met een maximale afwijking van 25 % van de aangegeven waarde;
vii)
de lidstaten zien erop toe dat de veestapel en de mestproductie niet toenemen als gevolg van de toepassing van dit punt, i) op nationaal niveau wanneer het stikstofgehalte van de totale jaarlijkse nationale mestproductie per hectare cultuurgrond hoger is dan 75 % van de in deze alinea vastgestelde grenswaarde van 170 kg N per hectare, en ii) op het niveau van de territoriale eenheden op NUTS 2-niveau waarin de toelating wordt verleend, wanneer het stikstofgehalte van de totale jaarlijkse mestproductie per hectare cultuurgrond in die territoriale eenheden hoger is dan 75 % van de in deze alinea vastgestelde grenswaarde van 170 kg N per hectare;
viii)
de lidstaten verscherpen de in punt 1.3 van deze bijlage vastgestelde beperkingen op het op of in de bodem brengen van meststoffen (bemestingspercentages) om rekening te houden met het verhoogde risico op de afvoer van stikstof naar het water en de lucht als gevolg van het gebruik van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt, en passen voor dergelijke materialen een gelijkwaardigheidscoëfficiënt voor minerale meststoffen toe die gelijk is aan 1. Voor zover mogelijk zien de lidstaten toe op de instandhouding van een vegetatiedek of gelijkwaardige maatregelen op bodems waarop of waarin bemestingsmaterialen worden gebracht die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt; de lidstaten zien erop toe dat, in voorkomend geval om het verlies van ammoniak uit landbouwgrond te voorkomen, passende voorzorgsmaatregelen worden genomen bij het op of in de bodem brengen van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt, met name door injectie, onmiddellijke inwerking van bovengronds opgebrachte materialen of gelijkwaardige maatregelen;
ix)
de lidstaten nemen maatregelen om emissies, met inbegrip van emissies in lucht, die het gevolg zijn van de opslag van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv), zo veel mogelijk te voorkomen door passende opslagvoorwaarden en -vereisten voor dergelijke materialen vast te stellen;
x)
de lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het gebruik van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt geen afbreuk doet aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (
3
) en van de Richtlijnen 2000/60/EG (
4
), (EU) 2016/2284 (
5
), (EU) 2020/2184 (
6
) en 2008/50/EG (
7
) van het Europees Parlement en de Raad voor zover de maatregelen van het actieprogramma relevant zijn voor die richtlijnen. De lidstaten nemen maatregelen om negatieve effecten in en rond Natura 2000-gebieden en in de nabijheid van drinkwateronttrekkingspunten te voorkomen, overeenkomstig respectievelijk Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn (EU) 2020/2184.
Wanneer de lidstaten dit punt van de tweede alinea toepassen, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Daarnaast rapporteren zij, als onderdeel van het in artikel 10 bedoelde verslag, over de toepassing ervan, met inbegrip van jaarlijkse gegevens over de hoeveelheid geproduceerde materialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt en over de veedichtheid en mestproductie op nationaal niveau en op het niveau van de territoriale eenheden op NUTS 2-niveau zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (
8
).
▼B
|
|
3.
|
De Lid-Staten kunnen de in punt 2 genoemde hoeveelheden berekenen op basis van aantallen dieren.
|
|
4.
|
De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van punt 2 toepassen. In het licht van de ontvangen informatie kan de Commissie, indien zij dit noodzakelijk acht, overeenkomstig artikel 11 passende voorstellen aan de Raad voorleggen.
|
|
|
BIJLAGE IV REFERENTIEMEETMETHODEN
|
BIJLAGE IV
REFERENTIEMEETMETHODEN
Kunstmest
Stikstofverbindingen worden gemeten met behulp van de methode beschreven in Richtlijn 77/535/EEG van de Commissie van 22 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de bemonsterings- en analysemethoden voor meststoffen (
9
), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/519/EEG (
10
).
Zoet water, kustwater en zeewater
De nitraatconcentratie wordt gemeten overeenkomstig artikel 4 bis, lid 3, van Beschikking 77/795/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot instelling van een gemeenschappelijke procedure voor de uitwisseling van informatie over de kwaliteit van zoet oppervlaktewater in de Gemeenschap (
11
), in de versie zoals gewijzigd bij Beschikking 86/574/EEG (
12
).
|
|
BIJLAGE V INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN DE IN ARTIKEL 10 BEDOELDE VERSLAGEN
|
BIJLAGE V
INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN DE IN ARTIKEL 10 BEDOELDE VERSLAGEN
|
1.
|
Een uiteenzetting van het overeenkomstig artikel 4 gevoerde preventieve beleid.
|
|
2.
|
Een kaart waarop het volgende is aangegeven:
a)
de overeenkomstig artikel 3, lid 1, en bijlage I vastgestelde wateren, met voor elk water de vermelding welk van de criteria van bijlage I voor de vaststelling is gebruikt;
b)
de ligging van de aangewezen kwetsbare zones, onderscheiden naar bestaande zones en zones die sinds het vorige verslag zijn aangewezen.
|
|
3.
|
Een overzicht van de overeenkomstig artikel 6 verkregen controleresultaten, met inbegrip van een uiteenzetting van de overwegingen die hebben geleid tot de aanwijzing van elke kwetsbare zone of tot herziening of aanvulling van de lijst van kwetsbare zones.
|
|
4.
|
Een overzicht van de overeenkomstig artikel 5 opgestelde actieprogramma's en met name van
a)
de krachtens artikel 5, lid 4, onder a) en b), vereiste maatregelen;
b)
de krachtens bijlage III, punt 4, vereiste informatie;
c)
eventuele aanvullende of verscherpte maatregelen ingevolge artikel 5, lid 5;
d)
een overzicht van de resultaten van de overeenkomstig artikel 5, lid 6, uitgevoerde controleprogramma's;
e)
de veronderstellingen van de Lid-Staat omtrent de vermoedelijke tijdschaal waarbinnen de maatregelen in het actieprogramma naar verwachting effect zullen sorteren in de overeenkomstig artikel 3, lid 1, vastgestelde wateren, met een indicatie van de onzekerheidsfactor in die veronderstellingen.
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|