|
+Artikel 75bis 4. |
Artikel 75bis 4.Om de taken uit te voeren die hem krachtens deze afdeling zijn toegewezen, kan het AI-bureau alle nodige inspecties op afstand of ter plaatse uitvoeren op grond van de bevoegdheden van artikel 14, lid 4, punten d) en e), van Verordening (EU) 2019/1020 en artikel 74, lid 5, van deze verordening. Wanneer het een inspectie uitvoert, stelt het AI-bureau de betrokken aanbieder in kennis van het voorwerp en het doel van het onderzoek, de in artikel 99, lid 5, van deze verordening bedoelde toepasselijke boetes en het recht om het besluit te laten toetsen door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voordat het een inspectie uitvoert, stelt het AI-bureau de markttoezichtautoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de operator of zijn wettelijke vertegenwoordiger zich bevindt, daarvan in kennis. Tijdens een dergelijke inspectie zijn de functionarissen van het AI-bureau bevoegd om:
a)
alle lokalen, terreinen of eigendommen van de betrokken operator die zich in de Unie bevinden, te betreden;
b)
de boeken, gegevens en ander voor de uitvoering van hun taken relevant materiaal te onderzoeken, ongeacht de informatiedrager;
c)
in eender welke vorm kopieën of uittreksels van boeken, gegevens en andere bescheiden te maken of te verkrijgen;
d)
alle personen die voorwerp van de inspectie zijn of hun vertegenwoordigers of personeelsleden te verzoeken om mondelinge of schriftelijke toelichting bij factoren of documenten met betrekking tot het onderwerp en het doel van de inspectie, en de antwoorden op te tekenen;
e)
lokalen en boeken of bescheiden van de onderneming te verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, de inspectie. Indien het AI-bureau van oordeel is dat een natuurlijk of rechtspersoon zich tegen een inspectie verzet of een inspectie belemmert, verleent de nationale bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat het de nodige bijstand om het in staat te stellen zijn inspectie ter plaatse uit te voeren, zo nodig door een beroep te doen op de politie of een gelijkwaardige handhavingsautoriteit. Indien voor een inspectie ter plaatse van lokalen, terreinen of eigendommen de toestemming van een rechterlijke instantie overeenkomstig het nationale recht vereist is, verzoekt het AI-bureau om die toestemming. Het AI-bureau kan die toestemming ook bij wijze van voorzorgsmaatregel vragen. Wanneer om een dergelijke toestemming wordt verzocht, gaat de nationale rechterlijke instantie onverwijld na of de voorgenomen dwangmaatregelen niet willekeurig zijn noch buitensporig in verhouding tot het voorwerp van het onderzoek of de inspectie en de documenten die het AI-bureau bij het besluit heeft gevoegd. Bij haar toetsing van de evenredigheid van dwangmaatregelen kan de nationale rechterlijke instantie het AI-bureau om nadere toelichting verzoeken, in het bijzonder over de redenen die het AI-bureau heeft om aan te nemen dat op deze verordening inbreuk is gemaakt, de ernst van de vermoedelijke inbreuk en, in voorkomend geval, de aard van de betrokkenheid van de aan de dwangmaatregelen onderworpen persoon. De nationale rechterlijke instantie mag niet de noodzakelijkheid van het onderzoek of de inspectie toetsen, noch de informatie uit het dossier van het AI-bureau opvragen. Overeenkomstig de Verdragen is de rechtmatigheid van het besluit van het AI-bureau alleen onderworpen aan toetsing door het Hof van Justitie van de Europese Unie. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|