7. De lidstaten kunnen de afwikkelingsautoriteiten aanvullende instrumenten en bevoegdheden toekennen die kunnen worden toegepast en uitgeoefend indien een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten a) tot en met e), aan de in artikel 19, lid 1, of artikel 20, lid 3, bedoelde afwikkelingsvoorwaarden voldoet, mits:
|
a)
|
die aanvullende instrumenten en bevoegdheden bij toepassing op een grensoverschrijdende groep geen belemmering voor een doeltreffende groepsafwikkeling vormen, en
|
|
b)
|
die instrumenten en bevoegdheden in overeenstemming zijn met de afwikkelingsdoelstellingen en met de in artikel 22 bedoelde algemene beginselen die voor de afwikkeling gelden.
|