+▼M1 RICHTLIJN 2010/75/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 november 2010 inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) ▼B (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
---+HOOFDSTUK I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
------+Artikel 1 Onderwerp
------+Artikel 2 Toepassingsgebied
---------+Artikel 2 1.
---------+Artikel 2 2.
------+Artikel 3 Definities
------+Artikel 4 Vergunningsplicht
---------+Artikel 4 1.
---------+Artikel 4 2.
---------+Artikel 4 3.
------+Artikel 5 Verlening van vergunningen
---------+Artikel 5 1.
---------+Artikel 5 2.
---------+Artikel 5 3.
---------+Artikel 5 4.
------+Artikel 6 Algemene bindende voorschriften
------+Artikel 7 Incidenten en ongevallen
------+Artikel 8 Niet-naleving
---------+Artikel 8 1.
---------+Artikel 8 2.
---------+Artikel 8 3.
---------+Artikel 8 4.
---------+Artikel 8 5.
---------+Artikel 8 6.
------+Artikel 9 Emissies van broeikasgassen
---------+Artikel 9 1.
---------+Artikel 9 2.
---------+Artikel 9 3.
---------+Artikel 9 4.
---+HOOFDSTUK II BEPALINGEN VOOR DE IN BIJLAGE I GENOEMDE ACTIVITEITEN
------+Artikel 10 Toepassingsgebied
------+Artikel 11 Algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant
------+Artikel 12 Aanvraag van een vergunning
---------+Artikel 12 1.
---------+Artikel 12 2.
------+Artikel 13 BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie
---------+Artikel 13 1.
---------+Article 13 1a.
---------+Artikel 13 2.
---------+Artikel 13 3.
---------+Article 13 3a.
---------+Artikel 13 4.
---------+Artikel 13 5.
---------+Artikel 13 6.
---------+Artikel 13 7.
------+Artikel 14 Vergunningsvoorwaarden
---------+Artikel 14 1.
---------+Artikel 14 2.
---------+Artikel 14 3.
---------+Artikel 14 4.
---------+Artikel 14 5.
---------+Artikel 14 6.
---------+Artikel 14 7.
------+Artikel 14 bis Milieubeheersysteem
---------+Artikel 14 bis 1.
---------+Artikel 14 bis 2.
---------+Artikel 14 bis 3.
---------+Artikel 14 bis 4.
------+Artikel 15 Emissiegrenswaarden, grenswaarden voor milieuprestaties, gelijkwaardige parameters en technische maatregelen
---------+Artikel 15 1.
---------+Artikel 15 2.
---------+Artikel 15 3.
---------+Artikel 15 4.
---------+Artikel 15 5.
---------+Artikel 15 6.
---------+Artikel 15 7.
------+Artikel 15 bis Beoordeling van de naleving
---------+Artikel 15 bis 1.
---------+Artikel 15 bis 2.
---------+Artikel 15 bis 3.
------+Artikel 16 Eisen inzake monitoring
---------+Artikel 16 1.
---------+Artikel 16 2.
---------+Artikel 16 3.
---------+Artikel 16 4.
------+Artikel 17 Algemene bindende voorschriften voor in bijlage I opgesomde activiteiten
---------+Artikel 17 1.
---------+Artikel 17 2.
---------+Artikel 17 3.
---------+Artikel 17 4.
------+Artikel 18 Milieukwaliteitsnormen
------+Artikel 19 Ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken
------+Artikel 20 Wijzigingen van installaties door de exploitanten
---------+Artikel 20 1.
---------+Artikel 20 2.
---------+Artikel 20 3.
------+Artikel 21 Toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden door de bevoegde autoriteit
---------+Artikel 21 1.
---------+Artikel 21 2.
---------+Artikel 21 3.
---------+Artikel 21 4.
---------+Artikel 21 5.
------+Artikel 22 Sluiting van terreinen
---------+Artikel 22 1.
---------+Artikel 22 2.
---------+Artikel 22 3.
---------+Artikel 22 4.
------+Artikel 23 Milieu-inspecties
---------+Artikel 23 1.
---------+Artikel 23 2.
---------+Artikel 23 3.
---------+Artikel 23 4.
---------+Artikel 23 5.
---------+Artikel 23 6.
------+Artikel 24 Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure
---------+Artikel 24 1.
---------+Artikel 24 2.
---------+Artikel 24 3.
---------+Artikel 24 4.
------+Artikel 25 Toegang tot de rechter
---------+Artikel 25 1.
---------+Artikel 25 2.
---------+Artikel 25 3.
---------+Artikel 25 4.
---------+Artikel 25 5.
------+Artikel 26 Grensoverschrijdende effecten
---------+Artikel 26 1.
---------+Artikel 26 2.
---------+Artikel 26 3.
---------+Artikel 26 4.
---+CHAPTER IIA ENABLING AND PROMOTING INNOVATION
------+Artikel 27 Technieken in opkomst
------+Artikel 27 bis Innovatiecentrum voor industriële transformatie en emissies
---------+Artikel 27 bis 1.
---------+Artikel 27 bis 2.
---------+Artikel 27 bis 3.
---------+Artikel 27 bis 4.
------+Artikel 27 ter Testen van technieken in opkomst
------+Artikel 27 quater Emissieniveaus en indicatieve milieuprestatiewaarden in verband met technieken in opkomst
------+Artikel 27 quinquies Transformatie naar een schone, circulaire en klimaatneutrale industrie
---------+Artikel 27 quinquies 1.
---------+Artikel 27 quinquies 2.
---------+Artikel 27 quinquies 3.
---------+Artikel 27 quinquies 4.
---------+Artikel 27 quinquies 5.
------+Artikel 27 sexies Ingrijpende industriële transformatie
---------+Artikel 27 sexies 1.
---------+Artikel 27 sexies 2.
---+HOOFDSTUK III BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE STOOKINSTALLATIES
------+Artikel 28 Toepassingsgebied
------+Artikel 29 Samentellingsregels
---------+Artikel 29 1.
---------+Artikel 29 2.
---------+Artikel 29 3.
------+Artikel 30 Emissiegrenswaarden
---------+Artikel 30 1.
---------+Artikel 30 2.
---------+Artikel 30 3.
---------+Artikel 30 4.
---------+Artikel 30 5.
---------+Artikel 30 6.
---------+Artikel 30 7.
---------+Artikel 30 8.
---------+Artikel 30 9.
------+Artikel 31 Ontzwavelingspercentage
---------+Artikel 31 1.
---------+Artikel 31 2.
---------+Artikel 31 3.
------+Artikel 32 Nationaal plan voor de overgangsfase
---------+Artikel 32 1.
---------+Artikel 32 2.
---------+Artikel 32 3.
---------+Artikel 32 4.
---------+Artikel 32 5.
---------+Artikel 32 6.
------+Artikel 33 Afwijking wegens beperkte levensduur
---------+Artikel 33 1.
---------+Artikel 33 2.
---------+Artikel 33 3.
---------+Artikel 33 4.
------+Artikel 34 Kleine geïsoleerde systemen
---------+Artikel 34 1.
---------+Artikel 34 2.
---------+Artikel 34 3.
------+Artikel 34 bis Stookinstallaties die deel uitmaken van een klein geïsoleerd systeem
---------+Artikel 34 bis 1.
---------+Artikel 34 bis 2.
---------+Artikel 34 bis 3.
---------+Artikel 34 bis 4.
---------+Artikel 34 bis 5.
---------+Artikel 34 bis 6.
------+Artikel 35 Stadsverwarmingsinstallaties
---------+Artikel 35 1.
---------+Artikel 35 2.
------+Artikel 36 Geologische opslag van kooldioxide
---------+Artikel 36 1.
---------+Artikel 36 2.
------+Artikel 37 Storingen of uitvallen van de afgasreinigingsapparatuur
---------+Artikel 37 1.
---------+Artikel 37 2.
------+Artikel 38 Monitoring van de emissies in de lucht
---------+Artikel 38 1.
---------+Artikel 38 2.
---------+Artikel 38 3.
---------+Artikel 38 4.
------+Artikel 39 Naleving van de emissiegrenswaarden
------+Artikel 40 Gemengde stookinstallaties
---------+Artikel 40 1.
---------+Artikel 40 2.
---------+Artikel 40 3.
------+Artikel 41 Uitvoeringsvoorschriften
---+HOOFDSTUK IV BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE AFVALVERBRANDINGSINSTALLATIES EN AFVALMEEVERBRANDINGSINSTALLATIES
------+Artikel 42 Toepassingsgebied
---------+Artikel 42 1.
---------+Artikel 42 2.
------+Artikel 43 Definitie van residu
------+Artikel 44 Aanvraag van een vergunning
------+Artikel 45 Vergunningsvoorwaarden
---------+Artikel 45 1.
---------+Artikel 45 2.
---------+Artikel 45 3.
---------+Artikel 45 4.
------+Artikel 46 Controle van de emissies
---------+Artikel 46 1.
---------+Artikel 46 2.
---------+Artikel 46 3.
---------+Artikel 46 4.
---------+Artikel 46 5.
---------+Artikel 46 6.
------+Artikel 47 Uitvallen
------+Artikel 48 Monitoring van emissies
---------+Artikel 48 1.
---------+Artikel 48 2.
---------+Artikel 48 3.
---------+Artikel 48 4.
---------+Artikel 48 5.
------+Artikel 49 Naleving van de emissiegrenswaarden
------+Artikel 50 Exploitatievoorwaarden
---------+Artikel 50 1.
---------+Artikel 50 2.
---------+Artikel 50 3.
---------+Artikel 50 4.
---------+Artikel 50 5.
---------+Artikel 50 6.
---------+Artikel 50 7.
------+Artikel 51 Toestemming voor wijziging van de exploitatievoorwaarden
---------+Artikel 51 1.
---------+Artikel 51 2.
---------+Artikel 51 3.
---------+Artikel 51 4.
------+Artikel 52 Aflevering en inontvangstneming van afval
---------+Article 52 1.
---------+Artikel 52 2.
---------+Artikel 52 3.
---------+Artikel 52 4.
---------+Artikel 52 5.
------+Artikel 53 Residuen
---------+Artikel 53 1.
---------+Artikel 53 2.
---------+Artikel 53 3.
------+Artikel 54 Belangrijke wijziging
------+Artikel 55 Verslaglegging en publieksvoorlichting over afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties
---------+Artikel 55 1.
---------+Artikel 55 2.
---------+Artikel 55 3.
---+HOOFDSTUK V BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES WAARIN EN ACTIVITEITEN WAARBIJ ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN WORDEN GEBRUIKT
------+Artikel 56 Toepassingsgebied
------+Artikel 57 Definities
------+Artikel 58 Vervanging van gevaarlijke stoffen
------+Artikel 59 Controle van de emissies
---------+Artikel 59 1.
---------+Artikel 59 2.
---------+Artikel 59 3.
---------+Artikel 59 4.
---------+Artikel 59 5.
---------+Artikel 59 6.
---------+Artikel 59 7.
------+Artikel 60 Monitoring van emissies
------+Artikel 61 Inachtneming van emissiegrenswaarden
------+Artikel 62 Verslaglegging over de naleving van de voorwaarden
------+Artikel 63 Belangrijke wijziging van bestaande installaties
---------+Artikel 63 1.
---------+Artikel 63 2.
---------+Artikel 63 3.
------+Artikel 64 Uitwisseling van informatie over de vervanging van organische oplosmiddelen
------+Artikel 65 Toegang tot informatie
---------+Artikel 65 1.
---------+Artikel 65 2.
---------+Artikel 65 3.
---+HOOFDSTUK VI BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES DIE TITAANDIOXIDE PRODUCEREN
------+Artikel 66 Toepassingsgebied
------+Artikel 67 Verbod op de lozing van afvalstoffen
------+Artikel 68 Controle van emissies in het water
------+Artikel 69 Preventie en controle van emissies in de lucht
---------+Artikel 69 1.
---------+Artikel 69 2.
------+Artikel 70 Monitoring van emissies
---------+Artikel 70 1.
---------+Artikel 70 2.
---------+Artikel 70 3.
---+CHAPTER VIA SPECIAL PROVISIONS FOR REARING POULTRY AND PIGS
------+Artikel 70 bis Toepassingsgebied
------+Artikel 70 ter Samentellingsregels
---------+Artikel 70 ter 1.
---------+Artikel 70 ter 2.
------+Artikel 70 quater Vergunningen en registratie
---------+Artikel 70 quater 1.
---------+Artikel 70 quater 2.
---------+Artikel 70 quater 3.
---------+Artikel 70 quater 4.
---------+Artikel 70 quater 5.
------+Artikel 70 quinquies Verplichtingen van de exploitant
---------+Artikel 70 quinquies 1.
---------+Artikel 70 quinquies 2.
---------+Artikel 70 quinquies 3.
------+Artikel 70 sexies Monitoring
---------+Artikel 70 sexies 1.
---------+Artikel 70 sexies 2.
---------+Artikel 70 sexies 3.
------+Artikel 70 septies Niet-naleving
---------+Artikel 70 septies 1.
---------+Artikel 70 septies 2.
---------+Artikel 70 septies 3.
------+Artikel 70 octies Toegang tot informatie en inspraak van het publiek
---------+Artikel 70 octies 1.
---------+Artikel 70 octies 2.
------+Artikel 70 nonies Toegang tot de rechter
---------+Artikel 70 nonies 1.
---------+Artikel 70 nonies 2.
------+Artikel 70 decies Eenvormige voorwaarden vooruitvoeringsregels
---------+Artikel 70 decies 1.
---------+Artikel 70 decies 2.
---------+Artikel 70 decies 3.
---+HOOFDSTUK VII COMITÉ, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN
------+Artikel 71 Bevoegde autoriteiten
------+Artikel 72 Verslaglegging door de lidstaten
---------+Artikel 72 1.
---------+Artikel 72 2.
---------+Artikel 72 3.
---------+Artikel 72 4.
------+Artikel 73 Evaluatie
---------+Artikel 73 1.
---------+Artikel 73 2.
---------+Artikel 73 3.
---------+Artikel 73 4.
------+Artikel 74 Wijzigingen van de bijlagen
---------+Artikel 74 1.
---------+Artikel 74 2.
------+Artikel 75 Comitéprocedure
---------+Artikel 75 1.
---------+Artikel 75 2.
------+Artikel 76 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
---------+Artikel 76 1.
---------+Artikel 76 2.
---------+Artikel 76 3.
---------+Artikel 76 4.
---------+Artikel 76 5.
---------+Artikel 76 6.
------+Artikel 79 Sancties
---------+Artikel 79 1.
---------+Artikel 79 2.
---------+Artikel 79 3.
---------+Artikel 79 4.
------+Artikel 79 bis Schadevergoeding
---------+Artikel 79 bis 1.
---------+Artikel 79 bis 2.
---------+Artikel 79 bis 3.
------+Artikel 80 Omzetting
---------+Artikel 80 1.
---------+Artikel 80 2.
------+Artikel 81 Intrekking
---------+Artikel 81 1.
---------+Artikel 81 2.
---------+Artikel 81 3.
------+Artikel 82 Overgangsbepalingen
---------+Artikel 82 1.
---------+Artikel 82 2.
---------+Artikel 82 3.
---------+Artikel 82 4.
---------+Artikel 82 5.
---------+Artikel 82 6.
---------+Artikel 82 7.
---------+Artikel 82 8.
---------+Artikel 82 9.
------+Artikel 83 Inwerkingtreding
------+Artikel 84 Adressaten
---+BIJLAGE I De in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten
---+ANNEX Ia Activities referred to in Article 70a
---+BIJLAGE II Beginselen die in acht moeten worden genomen bij het toestaan van een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 5
---+BIJLAGE III Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken
---+BIJLAGE IV Publieke inspraak in de besluitvorming
---+BIJLAGE V Technische bepalingen inzake stookinstallaties
---+BIJLAGE VI Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties
---+BIJLAGE VII Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt
---+BIJLAGE VIII Technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren
---+BIJLAGE IX
---+BIJLAGE X Transponeringstabel
|
English -
European Union -
Environment -
▼M1 RICHTLIJN 2010/75/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 november 2010 inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) ▼B (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
▼M1
RICHTLIJN 2010/75/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 24 november 2010
inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)
▼B
(herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)
1. Overzicht
| Titel |
Regelgeving |
|
HOOFDSTUK I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
|
HOOFDSTUK I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
|
|
HOOFDSTUK II BEPALINGEN VOOR DE IN BIJLAGE I GENOEMDE ACTIVITEITEN
|
HOOFDSTUK II BEPALINGEN VOOR DE IN BIJLAGE I GENOEMDE ACTIVITEITEN
|
|
CHAPTER IIA ENABLING AND PROMOTING INNOVATION
|
CHAPTER IIA ENABLING AND PROMOTING INNOVATION
|
|
HOOFDSTUK III BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE STOOKINSTALLATIES
|
HOOFDSTUK III BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE STOOKINSTALLATIES
|
|
HOOFDSTUK IV BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE AFVALVERBRANDINGSINSTALLATIES EN AFVALMEEVERBRANDINGSINSTALLATIES
|
HOOFDSTUK IV BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE AFVALVERBRANDINGSINSTALLATIES EN AFVALMEEVERBRANDINGSINSTALLATIES
|
|
HOOFDSTUK V BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES WAARIN EN ACTIVITEITEN WAARBIJ ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN WORDEN GEBRUIKT
|
HOOFDSTUK V BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES WAARIN EN ACTIVITEITEN WAARBIJ ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN WORDEN GEBRUIKT
|
|
HOOFDSTUK VI BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES DIE TITAANDIOXIDE PRODUCEREN
|
HOOFDSTUK VI BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR INSTALLATIES DIE TITAANDIOXIDE PRODUCEREN
|
|
CHAPTER VIA SPECIAL PROVISIONS FOR REARING POULTRY AND PIGS
|
CHAPTER VIA SPECIAL PROVISIONS FOR REARING POULTRY AND PIGS
|
|
HOOFDSTUK VII COMITÉ, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN
|
HOOFDSTUK VII COMITÉ, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN
|
|
BIJLAGE I De in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten
|
BIJLAGE I
De in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten
De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene, onder dezelfde beschrijving vallende activiteiten met drempelwaarde, worden uitgeoefend, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. Voor afvalbeheeractiviteiten is deze berekeningsmethode van toepassing op de activiteitenniveaus 5.1 en 5.3, onder a) en b).
De Commissie stelt richtsnoeren vast over:
a)
het verband tussen in deze bijlage beschreven afvalbeheeractiviteiten en die welke staan beschreven in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2008/98/EG; en
b)
de interpretatie van de term „industriële schaal” met betrekking tot de beschrijving van de in deze bijlage beschreven activiteiten van de chemische industrie.
1. Energie-industrieën
|
1.1.
|
Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer
|
|
1.2.
|
Het raffineren van aardolie en gas
|
|
1.3.
|
De productie van cokes
|
▼M1
|
1.4.
|
Het vergassen, vloeibaar maken of de pyrolyse van:
b)
andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer.
|
▼B
2. Productie en verwerking van metalen
|
2.1.
|
Het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.
|
|
2.2.
|
De productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 t per uur.
|
▼M1
|
2.3.
|
De verwerking van ferrometalen door:
a)
warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur;
aa)
koudwalsen met een capaciteit van meer dan 10 ton ruwstaal per uur;
b)
smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer;
ba)
smeden met een smeedpers met een kracht van meer dan 30 meganewton (MN) per pers;
c)
het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 ton ruwstaal per uur.
|
▼B
|
2.4.
|
Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 t per dag.
|
|
2.5.
|
De verwerking van non-ferrometalen:
a)
de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés;
b)
het smelten, met inbegrip van het legeren van non-ferrometalen, inclusief terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit van meer dan 4 t per dag voor lood en cadmium of 20 t per dag voor alle andere metalen.
|
|
2.6.
|
Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt.
|
▼M1
|
2.7.
|
Fabricage van batterijen, met uitzondering van uitsluitend assemblage, met een productiecapaciteit van 15 000 ton batterijcellen (kathode, anode, elektrolyt, separator, omhulsel) of meer per jaar.
|
▼B
3. Minerale industrie
|
3.1.
|
De productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide:
a)
productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 t per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag;
b)
productie van ongebluste kalk in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag;
c)
productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag.
|
|
3.2.
|
De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten.
|
|
3.3.
|
De fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 t per dag.
|
|
3.4.
|
Het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 t per dag.
|
▼M1
|
3.5.
|
Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met:
a)
een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag, en/of
b)
een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.
|
▼M1
|
3.6.
|
Winning, waaronder behandeling ter plaatse, zoals vergruizen, zeven, verrijking en veredeling, van de volgende ertsen op industriële schaal:
bauxiet, chroom, kobalt, koper, goud, ijzer, lood, lithium, mangaan, nikkel, palladium, platina, tin, wolfraam en zink.
|
▼B
4. Chemische industrie
Voor de doeleinden van dit deel wordt onder fabricage in de zin van de categorieën activiteiten in dit deel verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.
|
4.1.
|
De fabricage van organisch-chemische producten, zoals:
a)
eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),
b)
zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden en epoxyharsen,
c)
zwavelhoudende koolwaterstoffen,
d)
stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,
e)
fosforhoudende koolwaterstoffen,
f)
halogeenhoudende koolwaterstoffen,
g)
organometaalverbindingen,
h)
kunststof materialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels),
j)
kleurstoffen en pigmenten,
k)
tensioactieve stoffen en tensiden.
|
|
4.2.
|
De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals:
▼M1
a)
gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, behalve indien geproduceerd via elektrolyse, zwaveldioxide, carbonylchloride,
▼B
b)
zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur,
c)
basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide,
d)
zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat,
e)
niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide.
|
|
4.3.
|
De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).
|
|
4.4.
|
De fabricage van producten voor gewasbescherming of van biociden.
|
|
4.5.
|
De fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten.
|
|
4.6.
|
De fabricage van explosieven.
|
5. Afvalbeheer
|
5.1.
|
De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 t per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten:
b)
fysisch-chemische behandeling;
c)
mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;
d)
herverpakking voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;
e)
terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;
f)
recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen;
g)
regeneratie van zuren of basen;
h)
terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
i)
terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;
j)
herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
|
|
5.2.
|
De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
a)
ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 t per uur;
b)
gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 t per dag.
|
▼M1
|
5.3.
|
a)
De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van één of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (
23
):
i)
biologische behandeling, zoals anaerobe vergisting of co-vergisting;
ii)
fysisch-chemische behandeling;
iii)
voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
iv)
behandeling van slakken en as;
v)
behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.
b)
Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG vallen:
i)
biologische behandeling, zoals anaerobe vergisting;
ii)
voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;
iii)
behandeling van slakken en as;
iv)
behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.
▼C3
Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de capaciteitsdrempelwaarde voor deze activiteit 100 t per dag.
|
▼B
|
5.4.
|
Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (
24
), die meer dan 10 t afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 t hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.
|
|
5.5.
|
Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 t, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.
|
|
5.6.
|
Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 t.
|
6. Andere activiteiten
|
6.1.
|
De fabricage, in industriële installaties van:
a)
papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;
b)
papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 t per dag;
c)
een of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board (OSB), spaanplaat of vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m3 per dag.
|
▼M1
|
6.2.
|
De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven of afwerken van textielvezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.
|
▼B
|
6.3.
|
Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 t eindproducten per dag.
|
|
6.4.
|
a)
De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag geslachte dieren.
b)
De bewerking en verwerking behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende grondstoffen, al dan niet eerder bewerkt of onbewerkt, voor de fabricage van levensmiddelen of voeder van:
i)
uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een productiecapaciteit van meer dan 75 t per dag eindproducten;
ii)
uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 t per dag eindproducten of 600 t per dag eindproducten indien de installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in om het even welk jaar in bedrijf is;
iii)
dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer dan:
—
75 indien A gelijk is aan of hoger dan 10, of
—
[300- (22,5 × A)] in alle andere gevallen,
waarin „A” het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage) van de productiecapaciteit in eindproducten.
De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.
Deze onderafdeling is niet van toepassing wanneer de grondstof uitsluitend melk is.
c)
De bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 t per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).
|
▼M1
|
6.5.
|
De destructie of verwerking van kadavers of dierlijke bijproducten met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.
|
|
6.6.
|
Elektrolyse voor de productie van waterstof met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag.
|
▼B
|
6.7.
|
De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 t per jaar.
|
|
6.8.
|
De fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering.
|
|
6.9.
|
Het afvangen van CO2-stromen van onder deze richtlijn vallende installaties voor geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG.
|
|
6.10.
|
De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken.
|
|
6.11.
|
Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig geëxploiteerde behandeling van afvalwater dat door een onder hoofdstuk II vallende installatie is geloosd.
|
|
|
ANNEX Ia Activities referred to in Article 70a
|
ANNEX Ia
Activities referred to in Article 70a
Installations fall within the scope of this annex if they fall within one or more of the following activity categories:
1.
Rearing of pigs representing 350 LSU or more, excluding rearing activities that are carried out under organic production regimes in accordance with Regulation (EU) 2018/848, or where the stocking density is less than 2 LSU/hectare used only for grazing or growing fodder or forage used for feeding the animals and the animals are reared outside for a significant amount of time in a year or seasonally reared outside.
2.
Rearing of only laying hens representing 300 LSU or more, or rearing of only other poultry categories representing 280 LSU or more. In installations rearing a mix of poultry including laying hens, the threshold shall be 280 LSU and the capacity shall be calculated using 0,93 as weighting factor (
25
) for laying hens.
3.
Rearing of any mix of pigs or poultry representing 380 LSU or more, excluding rearing of pigs in installations operating under organic production regimes in accordance with Regulation (EU) 2018/848, or where the stocking density is less than 2 LSU/hectare used only for grazing or growing fodder or forage used for feeding the animals and the animals are reared outside for a significant amount of time in a year or seasonally reared outside.
The LSU level of an installation is calculated using the following conversion rates:
Pigs:
Breeding sows ≥ 50 kg … 0,500
Piglets ≤ 20 kg … 0,027
Other pigs … 0,300
Poultry:
Broilers … 0,007
Laying hens … 0,014
Turkeys … 0,030
Ducks … 0,010
Geese … 0,020
Ostriches … 0,350
Other poultry fowls … 0,001
|
|
BIJLAGE II Beginselen die in acht moeten worden genomen bij het toestaan van een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 5
|
BIJLAGE II
Beginselen die in acht moeten worden genomen bij het toestaan van een afwijking als bedoeld in artikel 15, lid 5
Afwijkingen overeenkomstig artikel 15, lid 5, moeten aan de volgende beginselen voldoen:
1.
Kosten
1.1. De in artikel 15, lid 5, bedoelde kosten zijn de kosten om te voldoen aan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus en omvatten zowel kapitaalkosten als operationele kosten. Bredere sociale of economische kosten worden niet inbegrepen.
1.2. De evaluatie van de kosten moet kwantitatief zijn, en moet worden ondersteund door een kwalitatieve beoordeling.
1.3. Bij de evaluatie in aanmerking genomen kosten moeten:
a)
de kosten vertegenwoordigen van de nettowaarde, na aftrek van eventuele financiële voordelen van de toepassing van de beste beschikbare technieken;
b)
de kosten omvatten van toegang tot het financiële kapitaal dat nodig is om de beste beschikbare technieken te financieren;
c)
worden berekend met gebruikmaking van een discontovoet om rekening te houden met verschillen in monetaire waarde in de tijd.
1.4. In de aanvraag tot afwijking worden de bron van de kosten en de methoden voor de berekening ervan duidelijk aangegeven, met inbegrip van de in punt 1.3, onder c), genoemde discontovoet en de raming van de onzekerheden in verband met de kostenevaluatie.
1.5. De door de exploitant beoordeelde kosten moeten door de bevoegde autoriteit worden beoordeeld op basis van informatie uit andere bronnen, zoals technologieaanbieders, onderzoek dat aan collegiale toetsing is onderworpen, deskundigenbeoordelingen of gegevens van andere installaties waar recentelijk de beste beschikbare technieken zijn geïnstalleerd.
2.
Milieuvoordelen
2.1. De in artikel 15, lid 4, bedoelde milieuvoordelen zijn de milieuvoordelen van het voldoen aan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus.
2.2. De evaluatie van de milieuvoordelen moet kwantitatief (in geld uitgedrukt) zijn en worden ondersteund door een kwalitatieve beoordeling. Vastgestelde kosten voor schade door verontreiniging moeten worden gebruikt wanneer die beschikbaar zijn.
2.3. Bij de evaluatie van de milieuvoordelen wordt rekening gehouden met een discontovoet die op alle in geld uitgedrukte voordelen wordt toegepast en die de verschillen in waarde voor de samenleving in de tijd aangeeft.
2.4. In de aanvraag tot afwijking worden de bron van de informatie over de milieuvoordelen en de methoden voor de berekening ervan duidelijk aangegeven, met inbegrip van de in punt 1.3, c) genoemde discontovoet en de raming van de onzekerheden in verband met de evaluatie van de milieuvoordelen.
2.5. De door de exploitant geëvalueerde milieuvoordelen moeten door de bevoegde autoriteit worden beoordeeld op basis van deskundigenbeoordelingen of gegevens van andere installaties waar recentelijk de beste beschikbare technieken zijn geïnstalleerd.
3.
Onevenredigheid van de kosten ten opzichte van de milieuvoordelen
3.1. Om te bepalen of er sprake is van onevenredigheid, worden de kosten om te voldoen aan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus vergeleken met de voordelen van een dergelijke naleving.
3.2. Het vergelijkingsmechanisme bevat de volgende gegevens:
a)
een methode om onzekerheden bij de evaluatie van kosten en milieuvoordelen aan te pakken;
b)
een specificatie van de marge waarmee de kosten de milieuvoordelen moeten overtreffen.
|
|
BIJLAGE III Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken
|
BIJLAGE III
Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken
|
1.
|
de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;
|
▼M1
|
2.
|
de toepassing van minder gevaarlijke stoffen, waaronder minder gebruik van zeer zorgwekkende stoffen;
|
▼B
|
3.
|
de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;
|
|
4.
|
vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;
|
▼M1
|
5.
|
de vooruitgang van de techniek, met inbegrip van digitale hulpmiddelen, en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
|
▼B
|
6.
|
de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
|
|
7.
|
de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
|
|
8.
|
de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
|
▼M1
|
9.
|
het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en hulpbronnenefficiëntie en hergebruik en decarbonisatie;
|
|
10.
|
de noodzaak de gevolgen van de emissies en de risico’s voor het milieu, met inbegrip van de biodiversiteit, te voorkomen of tot een minimum te beperken;
|
|
11.
|
de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu en de menselijke gezondheid te beperken;
|
▼B
|
12.
|
door publiekrechtelijke internationale organisaties gepubliceerde informatie.
|
|
|
BIJLAGE IV Publieke inspraak in de besluitvorming
|
BIJLAGE IV
Publieke inspraak in de besluitvorming
|
1.
|
▼M1
Het publiek wordt door middel van openbare aankondigingen en via een website in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure of uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt in kennis gesteld van:
▼B
a)
de aanvraag om een vergunning of, naar gelang van het geval, het voorstel tot bijstelling van een vergunning of van vergunningsvoorwaarden overeenkomstig artikel 21, met de in artikel 12, lid 1, genoemde gegevens;
b)
indien van toepassing, het feit dat een besluit onderworpen is aan een nationale of grensoverschrijdende milieueffectbeoordeling of aan overleg tussen lidstaten overeenkomstig artikel 26;
c)
nadere gegevens over de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, waarbij relevante informatie kan worden verkregen, waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens over de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;
d)
de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, het ontwerp-besluit;
e)
indien van toepassing, nadere gegevens over een voorstel tot bijstelling van een vergunning of van de vergunningsvoorwaarden;
f)
tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;
g)
nadere gegevens over de overeenkomstig punt 5 getroffen regelingen voor inspraak en raadpleging van het publiek.
|
|
2.
|
De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn ter beschikking van het betrokken publiek wordt gesteld:
a)
in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde autoriteit(en) zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met punt 1;
b)
overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG, andere informatie dan de in punt 1 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig punt 1 is geïnformeerd.
|
▼M1
|
3.
|
De leden van het betrokken publiek krijgt in een vroeg stadium een reële mogelijkheid om opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde autoriteit voordat een besluit wordt genomen.
|
▼B
|
4.
|
De resultaten van de raadplegingen uit hoofde van deze bijlage moeten naar behoren in aanmerking worden genomen bij de besluitvorming.
|
▼M1
|
5.
|
Er wordt voor de verschillende fasen in redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en, voor de leden van het betrokken publiek, voor doeltreffende voorbereiding op en inspraak in milieubesluitvorming met inachtneming van deze bijlage.
|
▼B
|
|
BIJLAGE V Technische bepalingen inzake stookinstallaties
|
BIJLAGE V
Technische bepalingen inzake stookinstallaties
DEEL 1
Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties
|
1.
|
Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een gestandaardiseerd O2-gehalte van 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken en 15 % voor gasturbines en gasmotoren.
|
|
2.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen
|
Biomassa
|
Turf
|
Vloeibare brandstoffen
|
|
50-100
|
400
|
200
|
300
|
350
|
|
100-300
|
250
|
200
|
300
|
250
|
|
> 300
|
200
|
200
|
200
|
200
|
Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.
Voor stookinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk 27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 850 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van maximaal 300 MW en van 400 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van meer dan 300 MW.
Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via een of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan bedrijfsuur 1 500 per jaar in bedrijf zijn (als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), kunnen worden onderworpen aan de in de twee vorige alinea’s vastgestelde emissiegrenswaarden in verhouding tot het totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van de gehele stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
|
|
3.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Algemeen
|
35
|
|
Vloeibaar gemaakt gas
|
5
|
|
Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens
|
400
|
|
Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens
|
200
|
Voor stookinstallaties die gassen met lage calorische waarde gebruiken, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.
|
|
4.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen
|
Biomassa en turf
|
Vloeibare brandstoffen
|
|
50-100
|
300
450 bij verbranding van poederbruinkool
|
300
|
450
|
|
100-300
|
200
|
250
|
200 (1)
|
|
> 300
|
200
|
200
|
150 (1)
|
(1)
Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken, met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van ten hoogste 500 MWth, en waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
|
Voor stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof verbruiken, met een nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van niet meer dan 500 MWth, waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige vergunningaanvraag heeft ingediend, geldt voor NOx-emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of die vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.
Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van meer dan 500 MW waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.
Voor stookinstallaties met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ groter dan 500 MW die vloeibare brandstoffen gebruiken, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitanten vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 400 mg/Nm3.
Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via één of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, kunnen aan de in de drie voorgaande alinea’s genoemde emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
|
|
5.
|
►C2
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware distillaten gebruiken, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 90 mg/Nm3 en een CO-emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3. ◄
De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.
|
|
6.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx en CO voor met gas gestookte installaties
|
|
NOx
|
CO
|
|
Met aardgas gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren
|
100
|
100
|
|
Met hoogovengas, cokesovengas of gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren
|
200 (4)
|
—
|
|
Met andere gassen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren
|
200 (4)
|
—
|
|
Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met aardgas worden gestookt (1)
|
50 (2) (3)
|
100
|
|
Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met andere gassen worden gestookt
|
120
|
—
|
|
Gasmotoren
|
100
|
100
|
(1)
Onder aardgas wordt verstaan in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen.
(2)
75 mg/Nm3 in de volgende gevallen, waarin het rendement van de gasturbine vastgesteld wordt in ISO-basisbelastingsomstandigheden:
i) gasturbines die in een systeem met warmtekrachtkoppeling worden gebruikt met een totaal rendement van meer dan 75 %;
ii) gasturbines die in een warmtekrachtcentrale worden gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal elektriciteitsrendement van meer dan 55 %;
iii) gasturbines voor mechanische aandrijving.
(3)
Voor single-cyclus gasturbines die niet onder een van de in opmerking 2) genoemde categorieën vallen, maar een rendement hebben dat hoger is dan 35 % (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), wordt de emissiegrenswaarde voor NOx vastgesteld op 50xη/35, waarbij η het in ISO-basisbelastingsomstandigheden, in procenten uitgedrukte rendement van de gasturbine is.
(4)
300 mg/Nm3 voor stookinstallaties met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
|
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NOx- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70 %.
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 in het geval van met aardgas gestookte turbines en van 200 mg/Nm3 in het geval van met andere gassen of met vloeibare brandstoffen gestookte turbines.
Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via één of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, kunnen aan de in de voorgaande alinea genoemde emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.
De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.
|
|
7.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen
|
Biomassa en turf
|
Vloeibare brandstoffen (1)
|
|
50-100
|
30
|
30
|
30
|
|
100-300
|
25
|
20
|
25
|
|
> 300
|
20
|
20
|
20
|
(1)
Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken en, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.
|
|
|
8.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Algemeen
|
5
|
|
Hoogovengas
|
10
|
|
Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt
|
30
|
|
DEEL 2
Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties
|
1.
|
Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een gestandaardiseerd O2-gehalte van 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken en 15 % voor gasturbines en gasmotoren.
Voor gecombineerde-cyclus gasturbines met aanvullende verbranding, kan het gestandaardiseerde O2-gehalte door de bevoegde autoriteit worden gedefinieerd met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de betrokken installatie.
|
|
2.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen
|
Biomassa
|
Turf
|
Vloeibare brandstoffen
|
|
50-100
|
400
|
200
|
300
|
350
|
|
100-300
|
200
|
200
|
300
250 bij wervelbedverbranding
|
200
|
|
> 300
|
150
200 bij circulerende wervelbedverbranding of wervelbedverbranding onder druk
|
150
|
150
200 bij wervelbedverbranding
|
150
|
|
|
3.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Algemeen
|
35
|
|
Vloeibaar gemaakt gas
|
5
|
|
Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens
|
400
|
|
Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens
|
200
|
|
|
4.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren.
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen
|
Biomassa en turf
|
Vloeibare brandstoffen
|
|
50-100
|
300
400 bij verbranding van poederbruinkool
|
250
|
300
|
|
100-300
|
200
|
200
|
150
|
|
> 300
|
150
200 bij verbranding van poederbruinkool
|
150
|
100
|
|
|
5.
|
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware distillaten gebruiken, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 en een CO-emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.
De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.
|
|
6.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx en CO voor met gas gestookte installaties
|
|
NOx
|
CO
|
|
Stookinstallaties, andere dan gasturbines en gasmotoren
|
100
|
100
|
|
Gasturbines (met inbegrip van STEG)
|
50 (1)
|
100
|
|
Gasmotoren
|
75
|
100
|
(1)
Voor single-cyclus gasturbines die een rendement hebben dat hoger is dan 35 % (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), is de emissiegrenswaarde voor NOx 50xη/35, waarbij η het in procenten uitgedrukte rendement van de gasturbine is, in ISO-basisbelastingsomstandigheden.
|
Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NOx- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70 %.
De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.
|
|
7.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
|
|
50- 300
|
20
|
|
> 300
|
10
20 voor biomassa en turf
|
|
|
8.
|
Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
|
Algemeen
|
5
|
|
Hoogovengas
|
10
|
|
Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt
|
30
|
|
DEEL 3
Monitoring van emissies
|
1.
|
De concentratie zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in afgassen van elke stookinstallatie met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van 100 MW of meer wordt continu gemeten.
De concentratie koolmonoxide in afgassen van met gasvormige brandstoffen gestookte installaties met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van 100 MW of meer wordt continu gemeten.
|
|
2.
|
De bevoegde autoriteit kan besluiten de in punt 1 bedoelde continumetingen niet te eisen in de volgende gevallen:
a)
voor stookinstallaties met een levensduur van minder dan 10 000 bedrijfsuren;
b)
voor zwaveldioxide en stof van installaties die met aardgas worden gestookt,
c)
voor zwaveldioxide van installaties die gestookt worden met olie waarvan het zwavelgehalte bekend is, ingeval er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is,
d)
voor zwaveldioxide van met biomassa gestookte installaties wanneer de exploitant kan aantonen dat de SO2-emissies in geen geval hoger zijn dan de voorgeschreven emissiegrenswaarden.
|
|
3.
|
Indien geen continumetingen voorgeschreven zijn, moeten ten minste om de zes maanden metingen van zwaveldioxide, stikstofoxiden, stof en, voor met gas gestookte installaties, ook van koolmonoxide plaatsvinden.
|
|
4.
|
Voor met steenkool of bruinkool gestookte installaties moet de totale kwikuitstoot ten minste een maal per jaar worden gemeten.
|
|
5.
|
Als alternatief op de in punt 3 bedoelde metingen van zwaveldioxide en stikstofdioxiden kunnen andere, door de bevoegde autoriteit te controleren en goed te keuren methoden worden gebruikt om de in de emissies aanwezige hoeveelheid zwaveldioxide en stikstofdioxiden vast te stellen.
►C1
Daarbij worden de betrokken normen van de Commissie voor Normalisatie (CEN) gebruikt of, indien er geen CEN-normen bestaan, de ISO-normen, dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen. ◄
|
|
6.
|
Bij beduidende veranderingen in de gebruikte brandstof of de wijze van functioneren van de stookinstallatie moet de bevoegde autoriteit daarvan in kennis worden gesteld. De bevoegde autoriteit beslist of de in de punten 1 tot en met 4 opgenomen bepalingen inzake monitoring toereikend zijn dan wel aangepast dienen te worden.
|
|
7.
|
Tot de overeenkomstig punt 1 uitgevoerde continumetingen behoort de meting van zuurstofgehalte, temperatuur, druk en waterdampgehalte van de afgassen.
►C2
Het waterdampgehalte van de afgassen behoeft niet continu te worden gemeten, mits het monster van het afgas gedroogd wordt voordat de emissies geanalyseerd worden. ◄
|
|
8.
|
Steekproeven en analyses van de betrokken verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters alsmede de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemeetmethoden om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd overeenkomstig de CEN-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale normen of andere internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt.
De geautomatiseerde meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemethoden gecontroleerd.
▼M1
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen.
▼B
|
|
9.
|
Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95 %-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen de volgende percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden:
|
Koolmonoxide
|
10 %
|
|
Zwaveldioxide
|
20 %
|
|
Stikstofoxiden
|
20 %
|
|
Stof
|
30 %
|
|
|
10.
|
De gevalideerde uur- en daggemiddelden worden vastgesteld op grond van de gevalideerde gemeten uurgemiddelden, na aftrek van de waarde van de in punt 9 vermelde betrouwbaarheidsinterval.
▼M1
Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens een storing in of het onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem, wordt ongeldig verklaard. Indien daardoor meer dan tien dagen per jaar ongeldig worden verklaard, verplicht de bevoegde autoriteit de exploitant onverwijld passende maatregelen te treffen om de betrouwbaarheid van het geautomatiseerde meetsysteem te verbeteren.
▼B
|
|
11.
|
In het geval van installaties die aan de in artikel 31 genoemde ontzwavelingspercentages moeten voldoen, wordt ook het zwavelgehalte van de in de installatie gestookte brandstof eveneens regelmatig gecontroleerd. Bij wezenlijke veranderingen in de gebruikte brandstof worden de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis gesteld.
|
DEEL 4
Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
|
1.
|
Bij continumetingen worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien uit de evaluatie van de meetresultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar blijkt dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)
geen gevalideerd maandgemiddelde is hoger dan de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;
b)
geen gevalideerd daggemiddelde is hoger dan 110 % van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;
c)
voor stookinstallaties die uitsluitend uit met steenkool gestookte ketels bestaan met een totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van minder dan 50 MW, is geen gevalideerd daggemiddelde hoger dan 150 % van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden;
d)
95 % van alle gevalideerde uurgemiddelden in één jaar is niet hoger dan 200 % van de in de delen 1 en 2 vermelde toepasselijke emissiegrenswaarden.
De „gevalideerde gemiddelden” worden bepaald overeenkomstig deel 3, punt 10.
Voor de berekening van de gemiddelde emissiewaarden, worden de waarden die zijn gemeten tijdens de in artikel 30, leden 5 en 6, en artikel 37 bedoelde periodes en de periodes van opstarten en stilleggen, buiten beschouwing gelaten.
|
|
2.
|
Indien continumetingen niet zijn vereist, worden de in de delen 1 en 2 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien de resultaten van alle meetcycli of van andere procedures die overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten vastgelegde regels zijn bepaald en vastgesteld, de emissiegrenswaarden niet overschrijden.
|
DEEL 5
Minimaal ontzwavelingspercentage
|
1.
|
Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Minimaal ontzwavelingspercentage
|
|
Installaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was
|
Overige installaties
|
|
50-100
|
80 %
|
92 %
|
|
100-300
|
90 %
|
92 %
|
|
> 300
|
96 % (1)
|
96 %
|
(1)
Voor stookinstallaties waarin olieschalie wordt gestookt, bedraagt het minimale ontzwavelingspercentage 95 %.
|
|
|
2.
|
Minimaal ontzwavelingspercentage voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3
|
Totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ (mw)
|
Minimaal ontzwavelingspercentage
|
|
50-100
|
93 %
|
|
100-300
|
93 %
|
|
> 300
|
97 %
|
|
DEEL 6
Naleving van het ontzwavelingspercentage
De in deel 5 van deze bijlage genoemde ontzwavelingspercentages gelden als gemiddelde maandelijkse grenswaarde.
DEEL 7
Gemiddelde emissiegrenswaarden voor gemengde stookinstallaties
Gemiddelde SO2-emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor gemengde stookinstallaties in een raffinaderij, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen, zelf verbruiken:
a)
voor stookinstallaties waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was: 1 000 mg/Nm3;
b)
voor overige stookinstallaties: 600 mg/Nm3.
Deze emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na aftrek van het waterdampgehalte van de afvalgassen, en bij een genormaliseerde O2-inhoud van 6 % voor vaste brandstoffen en van 3 % voor vloeibare of gasvormige brandstoffen.
|
|
BIJLAGE VI Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties
|
BIJLAGE VI
Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties
DEEL 1
Definities
In deze bijlage gelden de volgende definities:
a)
bestaande afval verbrandingsinstallatie: een van de volgende afvalverbrandings die:
i)
vóór 28 december 2002 in werking was is en over een vergunning beschikt beschikte overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie;
ii)
toestemming had of geregistreerd is voor afvalverbranding en over een vergunning beschikte die was afgegeven vóór 28 december 2002 overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28 december 2003 operationeel was;
iii)
naar het oordeel van de bevoegde autoriteit vóór 28 december 2002 volwaardig kandidaat was voor een vergunning, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 28 december 2004 operationeel was;
b)
nieuwe afvalverbrandingsinstallatie: een afvalverbrandingsinstallatie die niet onder a) valt.
DEEL 2
Equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen
Voor de bepaling van de totale concentratie dioxines en furanen, worden de massaconcentraties van de volgende dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen vermenigvuldigd met de volgende equivalentiefactoren voordat ze bij elkaar worden opgeteld:
|
|
Toxische equivalentiefactor
|
|
2,3,7,8 - tetrachloordibenzodioxine (TCDD)
|
1
|
|
1,2,3,7,8 - pentachloordibenzodioxine (PeCDD)
|
0,5
|
|
1,2,3,4,7,8 - hexachloordibenzodioxine (HxCDD)
|
0,1
|
|
1,2,3,6,7,8 - hexachloordibenzodioxine (HxCDD)
|
0,1
|
|
1,2,3,7,8,9 - hexachloordibenzodioxine (HxCDD)
|
0,1
|
|
1,2,3,4,6,7,8 - heptachloordibenzodioxine (HpCDD)
|
0,01
|
|
Octachloordibenzodioxine (OCDD)
|
0,001
|
|
2,3,7,8 - tetrachloordibenzofuraan (TCDF)
|
0,1
|
|
2,3,4,7,8 - pentachloordibenzofuraan (PeCDF)
|
0,5
|
|
1,2,3,7,8 - pentachloordibenzofuraan (PeCDF)
|
0,05
|
|
1,2,3,4,7,8 - hexachloordibenzofuraan (HxCDF)
|
0,1
|
|
1,2,3,6,7,8 - hexachloordibenzofuraan (HxCDF)
|
0,1
|
|
1,2,3,7,8,9 - hexachloordibenzofuraan (HxCDF)
|
0,1
|
|
2,3,4,6,7,8 - hexachloordibenzofuraan (HxCDF)
|
0,1
|
|
1,2,3,4,6,7,8 - heptachloordibenzofuraan (HpCDF)
|
0,01
|
|
1,2,3,4,7,8,9 - heptachlorodibenzofuraan (HpCDF)
|
0,01
|
|
Octachloordibenzofuraan (OCDF)
|
0,001
|
DEEL 3
Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandingsinstallaties
|
1.
|
Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen.
Zij worden gestandaardiseerd op 11 % zuurstof in afgas, behalve bij verbranding van afgewerkte minerale olie zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2008/98/EG, die wordt gestandaardiseerd op 3 % zuurstof, en in de in deel 6, punt 2.7, bedoelde gevallen.
|
1.1.
|
Gemiddelde dagelijkse emissiegrens waarden voor de volgende verontreinigende stoffen (mg/Nm3)
|
Totaal stof
|
10
|
|
Gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC)
|
10
|
|
Waterstofchloride (HCl)
|
10
|
|
Waterstoffluoride (HF)
|
1
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
50
|
|
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2 voor bestaande afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 t per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties
|
200
|
|
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2 voor bestaande afval verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 t per uur of minder
|
400
|
|
|
1.2.
|
Gemiddelde halfuurlijkse emissiegrenswaarden voor de volgende verontreinigende stoffen (mg/Nm3)
|
|
(100 %) A
|
(97 %) B
|
|
Totaal stof
|
30
|
10
|
|
Gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC)
|
20
|
10
|
|
Waterstofchloride (HCl)
|
60
|
10
|
|
Waterstoffluoride (HF)
|
4
|
2
|
|
Zwaveldioxide (SO2)
|
200
|
50
|
|
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2 voor bestaande afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 t per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties
|
400
|
200
|
|
|
1.3.
|
Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor de volgende zware metalen over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal acht uur
|
Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd)
|
Totaal: 0,05
|
|
Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl)
|
|
Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg)
|
0,05
|
|
Antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt in antimoon (As)
|
Totaal: 0,5
|
|
Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As)
|
|
Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
|
|
Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr)
|
|
Kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co)
|
|
Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu)
|
|
Mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt in mangaan (Mn)
|
|
Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)
|
|
Vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt in vanadium (V)
|
Deze gemiddelden omvatten eveneens de gas- en dampvormige emissies van de betrokken zware metalen en de verbindingen daarvan.
|
|
1.4.
|
►C1
Gemiddelde emissiegrenswaarden (ng/Nm3) voor dioxines en furanen ◄ over een bemonsteringsperiode van minimaal zes en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie dioxinen en furanen, berekend overeenkomstig deel 2.
|
|
1.5.
|
De emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor koolmonoxide (CO) in de afgassen:
a)
een daggemiddelde van 50;
b)
een halfuurgemiddelde van 100;
c)
een 10-minutengemiddelde van 150.
De bevoegde autoriteit kan vrijstelling verlenen van de in dit punt vermelde emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) van niet meer dan 100 mg/Nm3 als uurgemiddelde is bepaald.
|
|
|
2.
|
Emissiegrenswaarden die van toepassing zijn in de in artikel 46, lid 6, en artikel 47 vermelde omstandigheden.
De totale stof concentratie van de emissies in de atmosfeer van een afval verbrandingsinstallatie overschrijdt onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde van 150 mg/Nm3. De in de punten 1.2 en 1.5 b) vermelde grenswaarden voor TOC en CO voor emissies in de lucht mogen niet worden overschreden.
|
|
3.
|
De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet.
|
DEEL 4
Bepaling van de grenswaarden voor emissies naar de lucht in geval van meeverbranding van afval
|
1.
|
Wanneer een specifieke totale emissiegrenswaarde„C” niet in een tabel in dit deel is opgenomen, moet de volgende formule (mengregel) worden toegepast.
De emissie grenswaarde voor elke relevante verontreinigende stof en voor CO in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen wordt als volgt berekend:
|
Vafval
|
:
|
Het volume afgas uitsluitend ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof met de laagste calorische waarde en herleid tot de in deze richtlijn vastgestelde condities.
Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafval worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren.
|
|
Cafvalstoffen
|
:
|
De emissiegrenswaarde voor de in deel 3 vermelde afval verbrandingsinstallaties
|
|
Vproces
|
:
|
Het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpend proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de verbrandingsinstallatie gebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het zuurstofgehalte waartoe de emissies herleid moeten worden, zoals vastgesteld in de wetgeving van de Unie of de nationale wetgeving. Ingeval er geen wetgeving voor dit soort installaties bestaat, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt.
|
|
Cproces
|
:
|
De emissiegrenswaarde die in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarde voor verbrandingsinstallaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen) worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen wordt de in de vergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de vergunning geen grenswaarde wordt vermeld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt.
|
|
C
|
:
|
De totale emissiegrenswaarde bij een zuurstofgehalte dat in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten en bepaalde verontreinigende stoffen is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in specifieke bijlagen bij deze richtlijn genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.
Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen.
|
De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet.
|
|
2.
|
Bijzondere voorschriften voor cementovens waarin afval wordt meeverbrand
|
2.1.
|
De in de punten 2.2 en 2.3 vastgestelde emissiegrenswaarden gelden als totale daggemiddelden voor stof, HCl, HF, NOx, SO2 en TOC (voor continumetingen), als gemiddelden gedurende de bemonsteringsperiode van minimum 30 minuten en maximum 8 uur voor zware metalen en als gemiddelden voor een bemonsteringsperiode van minimum 6 uur en maximum 8 uur voor dioxinen en furanen.
Alle waarden worden herleid tot een zuurstofgehalte van 10 %.
Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.
|
|
2.2.
|
C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3 behalve voor dioxinen en furanen) voor de volgende verontreinigende stoffen
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
Totaal stof
|
30
|
|
HCl
|
10
|
|
HF
|
1
|
|
NOx
|
500 (1)
|
|
Cd + Tl
|
0,05
|
|
Hg
|
0,05
|
|
Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V
|
0,5
|
|
Dioxinen en furanen (ng/Nm3)
|
0,1
|
(1)
Tot 1 januari 2016 kunnen de bevoegde autoriteiten uitzonderingen op de NOx-grenswaarde voor Lepol-ovens en lange draaiovens toestaan, mits in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is.
|
|
|
2.3.
|
C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 en TOC
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
SO2
|
50
|
|
TOC
|
10
|
De bevoegde instantie mag voor de in dit punt vastgestelde emissiegrenswaarden vrijstellingen toekennen ingeval de TOC en SO2 niet het gevolg zijn van de meeverbranding van afvalstoffen.
|
|
2.4.
|
C - Totale emissiegrenswaarden voor CO
De bevoegde autoriteiten mogen emissiegrenswaarden voor CO vaststellen.
|
|
|
3.
|
Bijzondere voorschriften voor stookinstallaties waarin afval wordt meeverbrand
|
3.1.
|
Als daggemiddelde uitgedrukt Cproces (mg/Nm3); geldig tot de in artikel 82, lid 5, genoemde datum.
Het totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van een stookinstallatie wordt bepaald aan de hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.
Cproces voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50-100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
850
|
200
|
200
|
|
NOx
|
—
|
400
|
200
|
200
|
|
Stof
|
50
|
50
|
30
|
30
|
Cproces voor biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
200
|
200
|
200
|
|
NOx
|
—
|
350
|
300
|
200
|
|
Stof
|
50
|
50
|
30
|
30
|
Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
850
|
400 to 200
(lineaire afname in bereik 100 tot 300 MWth)
|
200
|
|
NOx
|
—
|
400
|
200
|
200
|
|
Stof
|
50
|
50
|
30
|
30
|
|
|
3.2.
|
Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm3), geldig vanaf de in artikel 82, lid 6, genoemde datum
Het totaal nominaal
►C1
thermisch ingangsvermogen ◄ van een stookinstallatie wordt bepaald aan de hand van de in artikel 29 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.
|
3.2.1.
|
Cproc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Cproc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50-100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
400 voor turf: 300
|
200
|
200
|
|
NOx
|
—
|
300
bruinkoolstof: 400
|
200
|
200
|
|
Stof
|
50
|
30
|
25
voor turf: 20
|
20
|
Cproc voor biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
200
|
200
|
200
|
|
NOx
|
—
|
300
|
250
|
200
|
|
Stof
|
50
|
30
|
20
|
20
|
Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
350
|
250
|
200
|
|
NOx
|
—
|
400
|
200
|
150
|
|
Stof
|
50
|
30
|
25
|
20
|
|
|
3.2.2.
|
Cproc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren
Cproces voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50-100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
400
voor turf: 300
|
200
voor turf: 300, behalve bij wervelbed-verbranding: 250
|
150
bij circulerende wervelbedverbranding of wervelbedverbranding onder druk of, bij turfverbranding, voor alle vormen van wervelbedverbranding: 200
|
|
NOx
|
—
|
300
voor turf: 250
|
200
|
150
voor de verbranding van bruinkoolstof: 200
|
|
Stof
|
50
|
20
|
20
|
10
voor turf: 20
|
Cproc voor biomassa (O2-gehalte 6 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
200
|
200
|
150
|
|
NOx
|
—
|
250
|
200
|
150
|
|
Stof
|
50
|
20
|
20
|
20
|
Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %):
|
Verontreinigende stof
|
< 50 MWth
|
50 tot 100 MWth
|
100 tot 300 MWth
|
> 300 MWth
|
|
SO2
|
—
|
350
|
200
|
150
|
|
NOx
|
—
|
300
|
150
|
100
|
|
Stof
|
50
|
20
|
20
|
10
|
|
|
|
3.3.
|
C - Totale emissiegrenswaarden voor zware metalen (mg/Nm3) uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur (O2-gehalte 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor vloeibare brandstoffen).
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
Cd + Tl
|
0,05
|
|
Hg
|
0,05
|
|
Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V
|
0,5
|
|
|
3.4.
|
C - Totale emissiegrenswaarde (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur (O2-gehalte 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor vloeibare brandstoffen).
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
Dioxinen en furanen
|
0,1
|
|
|
|
4.
|
Bijzondere voorschriften voor meeverbrandingsafvalinstallaties in industriële sectoren die niet onder de punten 2 en 3 van dit deel vallen.
|
4.1.
|
►C1
C — Totale emissiegrenswaarden (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen ◄ uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal 8 uur:
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
Dioxinen en furanen
|
0,1
|
|
|
4.2.
|
C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) zware metalen uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur:
|
Verontreinigende stof
|
C
|
|
Cd + Tl
|
0,05
|
|
Hg
|
0,05
|
|
|
DEEL 5
Emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van afgassen
|
Verontreinigende stof
|
Emissiegrenswaarden voor niet-gefiltreerde monsters (mg/l behalve voor dioxinen en furanen)
|
|
1. Totale hoeveelheid zwevende deeltjes als omschreven in bijlage I van Richtlijn 91/271/EEG
|
95 %
|
►C1
100 % ◄
|
|
30
|
45
|
|
2. Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg)
|
0,03
|
|
3. Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd)
|
0,05
|
|
4. Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl)
|
0,05
|
|
5. Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As)
|
0,15
|
|
6. Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
|
0,2
|
|
7. Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr)
|
0,5
|
|
8. Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu)
|
0,5
|
|
9. Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)
|
0,5
|
|
10. Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als zink (Zn)
|
1,5
|
|
11. Dioxinen en furanen
|
0,3 ng/l
|
DEEL 6
Emissiemonitoring
1. Meettechnieken
|
1.1.
|
Metingen ter bepaling van de concentratie van lucht- en waterverontreinigende stoffen moeten representatief zijn.
|
▼M1
|
1.2.
|
De bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen, met inbegrip van dioxinen en furanen, de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, evenals de referentiemetingen ter ijking daarvan, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de CEN/ISO-normen. Indien er geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale normen of andere internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Dit geldt ook voor het systeem voor kwaliteitsborging van het laboratorium dat de bemonstering en analyse uitvoert. Geautomatiseerde meetsystemen worden tenminste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemethoden gecontroleerd.
|
▼B
|
1.3.
|
De waarden van de 95 %-betrouwbaarheidsintervallen van individuele metingen, bepaald bij de grenswaarden voor de dagelijkse emissie, mogen de volgende percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden:
|
Koolmonoxide
|
10 %
|
|
Zwaveldioxide
|
20 %
|
|
Stikstofdioxide
|
20 %
|
|
Totaal stof
|
30 %
|
|
Totale hoeveelheid organische koolstof
|
30 %
|
|
Waterstofchloride
|
40 %
|
|
Waterstoffluoride
|
40 %.
|
De periodieke metingen van de emissies in de atmosfeer en het water worden uitgevoerd overeenkomstig de punten 1.1 en 1.2.
|
2. Meting van luchtverontreinigende stoffen
|
2.1.
|
Wat verontreinigende stoffen in de lucht betreft worden de volgende metingen verricht:
a)
continumetingen van de volgende stoffen: NOx, mits daarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, CO, totale hoeveelheid stof, TOC, HCl, HF en SO2;
b)
continumetingen van de volgende procesparameters: temperatuur dichtbij de binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief punt van de verbrandingskamer, zuurstofconcentratie, druk, temperatuur en waterdampgehalte van het afgas;
c)
ten minste twee metingen per jaar van zware metalen, dioxinen en furanen; gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden een meting te worden verricht.
|
|
2.2.
|
De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden op passende wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer wanneer de afval verbrandings- of -meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld alsmede onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.
|
|
2.3.
|
Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt overschreden. In dat geval worden de emissies van HF periodiek gemeten zoals bepaald in punt 2.1, onder c).
|
|
2.4.
|
Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte afgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.
|
|
2.5.
|
De bevoegde autoriteit kan oordelen dat in afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallaties geen continumetingen van HCl, HF en SO2 dienen te worden uitgevoerd, maar wel periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), of dat geen metingen moeten worden verricht indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden.
De bevoegde autoriteit kan besluiten dat het in bestaande installaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 t per uur niet nodig is continumetingen voor NOx uit te voeren, maar wel periodieke metingen als bedoeld in punt 2.1, onder c), indien de exploitant aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOx in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.
|
|
2.6.
|
De bevoegde autoriteit kan voorschrijven voor zware metalen één meting om de twee jaar te verrichten, en voor dioxinen en furanen één meting per jaar op voorwaarde dat:
a)
de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding van afval in alle omstandigheden minder dan 50 % bedragen van de emissiegrenswaarden;
b)
het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is en aan bepaalde kenmerken voldoet, en dat nader omschreven wordt op basis van de in punt c) genoemde beoordeling;
c)
de exploitant aan de hand van informatie over de kwaliteit van het afval in kwestie en monitoring van de emissies kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden voor dioxinen, furanen en zware metalen.
|
|
2.7.
|
De resultaten van de metingen worden gestandaardiseerd aan de hand van de in deel 3 vermelde genormaliseerde zuurstofgehaltes of berekend overeenkomstig deel 4 en de in deel 7 vastgestelde formule.
Wanneer afval in een met zuurstof verrijkte atmosfeer wordt verbrand of meeverbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde instantie vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt.
Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, dan geschiedt standaardisering voor de in de eerste alinea vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte.
|
3. Meting van waterverontreinigende stoffen
|
3.1.
|
De volgende metingen worden uitgevoerd op het lozingspunt van het afvalwater:
a)
continumetingen van de pH, de temperatuur en het debiet;
b)
dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes of metingen van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur;
c)
ten minste maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur van Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni en Zn;
d)
ten minste elke zes maanden van dioxinen en furanen; gedurende de eerste exploitatieperiode van twaalf maanden dient evenwel ten minste om de drie maanden een meting te worden uitgevoerd.
|
|
3.2.
|
Wanneer het afvalwater dat bij de reiniging van afgassen ontstaat, ter plaatse gezamenlijk met afvalwater uit andere bronnen van de plaats van de installatie wordt gezuiverd, verricht de exploitant de metingen:
a)
op de afvalwaterstroom van de afgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b)
op de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;
c)
op het punt waar het afvalwater na de zuivering uiteindelijk door de afval verbrandingsinstallatie of de - meeverbrandingsinstallatie wordt geloosd.
|
DEEL 7
Formule voor de berekening van de emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte
|
ES
|
=
|
Berekende emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte
|
|
EM
|
=
|
Gemeten emissieconcentratie
|
|
OS
|
=
|
Genormaliseerd zuurstofgehalte
|
|
OM
|
=
|
Gemeten zuurstofgehalte
|
DEEL 8
Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
1. Grenswaarden voor emissies in de lucht
|
1.1.
|
Aan de emissiegrenswaarden voor lucht wordt geacht voldaan te zijn wanneer:
a)
geen van de daggemiddelden hoger is dan een in punt 1.1 van deel 3 of in deel 4 vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;
b)
ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan een van de in, kolom A van de tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden ofwel, in voorkomend geval, 97 % van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger liggen dan een van de in kolom B van de tabel onder punt 1.2 van deel 3 vermelde emissiegrenswaarden;
c)
geen van de gemiddelden over de voor zware metalen en dioxinen en furanen vastgestelde bemonsteringsperiode hoger is dan een in de punten 1.3 en 1.4 van deel 3 of in deel 4 vermelde of overeenkomstig deel 4 berekende emissiegrenswaarde;
d)
voor koolmonoxide (CO):
i)
voor afvalverbrandingsinstallaties:
—
ten minste 97 % van de daggemiddelden gedurende één jaar de in punt 1.5, onder a), van deel 3 vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden; en
—
ten minste 95 % van alle 10-minutengemiddelden gedurende een willekeurige periode van 24 uur (1) of alle halfuurgemiddelden tijdens diezelfde periode de in punt 1.5, onder b) en c), van deel 3 vastgestelde emissiegrenswaarden niet overschrijden; in het geval van verbrandingsinstallaties waarin het bij verbranding ontstane gas gedurende ten minste twee seconden wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 1 100 °C, mogen de lidstaten voor de 10-minutengemiddelden een evaluatieperiode van zeven dagen toepassen;
ii)
voor afvalmeeverbrandingsinstallaties: voldaan is aan de bepalingen van deel 4.
|
|
1.2.
|
De halfuurgemiddelden en de 10-minutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de installatie werkelijk in werking is (niet inbegrepen de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd, wanneer dan geen afvalstoffen worden verbrand) op basis van de meetwaarden nadat daarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van punt 1.3 van deel 6 is afgetrokken.
Een daggemiddelde is slechts geldig indien voor de betrokken dag niet meer dan vijf halfuurgemiddelden als gevolg van defecten of het onderhoud van het systeem voor continumetingen buiten beschouwing zijn gelaten. Per jaar mogen niet meer dan tien daggemiddelden ten gevolge van defecten of onderhoud van het continumetingssysteem buiten beschouwing worden gelaten.
|
|
1.3.
|
De gemiddelden over de bemonsteringsperiode en de gemiddelden in het geval van periodieke metingen van HF, HCl en SO2 worden bepaald overeenkomstig de artikelen 45, lid 1, onder e); artikel 48, lid 3, en punt 1 van deel 6.
|
2. Emissiegrenswaarden voor waterlozingen
De emissiegrenswaarden voor lozingen in water worden geacht te zijn nageleefd indien:
a)
bij metingen van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes 95 % en 100 % van de meetwaarden de respectieve emissiegrenswaarden van deel 5 niet overschrijden;
b)
bij metingen van zware metalen (Hg, Cd, TI, As, Pb, Cr, Cu, Ni and Zn) niet meer dan eenmaal per jaar de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden; of, indien de lidstaat meer dan 20 steekproeven per jaar voorschrijft, bij niet meer dan 5 % van deze steekproeven de emissiegrenswaarden van deel 5 overschreden worden;
c)
bij de resultaten van de metingen van dioxinen en furanen de emissiegrenswaarde van deel 5 niet overschreden wordt.
|
|
BIJLAGE VII Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt
|
BIJLAGE VII
Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt
DEEL 1
Activiteiten
|
1.
|
De in elk van de volgende punten vermelde activiteiten omvatten de reiniging van de procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken, tenzij andersluidende vermeldingen zijn opgenomen.
|
|
2.
|
Aanbrengen van lijmlagen Activiteiten waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren samenhangend met drukprocessen.
|
|
3.
|
Coatingwerkzaamheden Alle activiteiten waarbij een of meer ononderbroken lagen van een coating worden aangebracht op:
a)
een van de volgende voertuigen:
i)
nieuwe auto’s die in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (
26
) worden gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en, voor zover de coating plaatsvindt in dezelfde installatie als voertuigen van M1 van categorie N1;
ii)
vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen die in Richtlijn 2007/46/EG als voertuigen van de categorieën N2 en N3 worden gedefinieerd;
iii)
bestelwagens en vrachtwagens, in Richtlijn 2007/46/EG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën N1, N2 en N3, met uitzondering van vrachtwagencabines;
iv)
bussen, in Richtlijn 2007/46/EG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2 en M3;
v)
aanhangwagens, gedefinieerd in de categorieën O1, O2, O3 en O4 in Richtlijn 2007/46/EG;
b)
metalen en kunststofoppervlakken, met inbegrip van oppervlakken van vliegtuigen, schepen, treinen enz.;
d)
textiel, stoffen, film en papieroppervlakken;
Coatingwerkzaamheden omvatten niet de coating van substraten met metalen met behulp van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd. Drukactiviteiten die als afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen echter niet binnen deze categorie, maar kunnen onder hoofdstuk 5 van deze richtlijn vallen indien de drukactiviteit binnen het toepassingsgebied daarvan valt.
|
|
4.
|
Bandlakken Elke activiteit waarbij band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of aluminiumband in een continu procedé wordt bekleed met een filmvormende of laminaatcoating.
|
|
5.
|
Chemisch reinigen Alle industriële of commerciële activiteiten waarbij vluchtige organische stoffen worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie.
|
|
6.
|
Fabricage van schoeisel Elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan.
|
|
7.
|
Vervaardiging van coating mengsels, lak, inkt en kleefstoffen De vervaardiging van bovengenoemde eindproducten en, wanneer dit in dezelfde installatie gebeurt, van halffabrikaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen, waaronder dispergeren en predispergeren, aanpassen van de viscositeit en de kleur en bewerkingen om de verpakking te vullen met het eindproduct.
|
|
8.
|
Vervaardiging van geneesmiddelen De chemische synthese, fermentatie, extractie, formulering en afwerking van geneesmiddelen en de vervaardiging van halffabrikaten, voor zover deze op dezelfde plaats gebeurt.
|
|
9.
|
Drukken Een activiteit waarbij tekst en/of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp van een beelddrager inkt op ongeacht welk soort oppervlak aan te brengen. Hieronder vallen ook daarmee samenhangende lak-, coating- en lamineertechnieken. Onder hoofdstuk V vallen alleen de volgende deelprocessen:
a)
flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de niet-drukkende delen bevinden, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt;
b)
heatsetrotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte materiaal met warme lucht wordt verwarmd;
c)
lamineren samenhangend met een drukproces: de samenhechting van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat;
d)
illustratiediepdruk: rotatiediepdrukactiviteit waarbij papier voor tijdschriften, brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt bedrukt;
e)
rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-drukkende delen, en vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de napjes trekt;
f)
rotatiezeefdruk: een rotatiedrukactiviteit waarbij de inkt door een poreuze beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt. Bij een rotatief drukproces wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine gebracht;
g)
lakken: een proces waarbij een lak of een kleefstof om later het verpakkingsmateriaal af te sluiten op een flexibel materiaal wordt aangebracht.
|
|
10.
|
Bewerking van rubber Elke activiteit met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct.
|
|
11.
|
Oppervlaktereiniging Alle activiteiten, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materialen te verwijderen, met inbegrip van ontvetting. Een uit meer dan één stap bestaande reinigingsactiviteit die niet wordt onderbroken door een andere stap, wordt als één oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. Deze activiteit betreft niet het reinigen van apparatuur maar het reinigen van het oppervlak van producten.
|
|
12.
|
Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën Alle activiteiten waarbij plantaardige olie uit zaden en ander plantaardig materiaal wordt geëxtraheerd, droge residuen tot diervoeder worden verwerkt, of vetten en plantaardige olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal worden geraffineerd.
|
|
13.
|
Overspuiten van voertuigen Alle industriële of commerciële activiteiten en daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten waaronder een van de volgende:
a)
het aanbrengen van de oorspronkelijke coating op wegvoertuigen, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2007/46/EG of een deel daarvan, met voor het overspuiten gebruikelijke coatings op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn;
b)
het aanbrengen van een coating op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers) (categorie O in Richtlijn 2007/46/EG).
|
|
14.
|
Coating van wikkeldraad Elke coatingsactiviteit van metalen geleiders die worden gebruikt om spoelen voor transformatoren, motoren enz. mee te wikkelen.
|
|
15.
|
Impregneren van hout Elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht.
|
|
16.
|
Lamineren van hout en kunststof Elke activiteit met het oog op het aaneenhechten van hout en/of kunststof voor de vervaardiging van laminaten.
|
DEEL 2
Drempelwaarden en emissie grenswaarden
De emissiegrenswaarden in afgassen worden gemeten bij een temperatuur van 273,15 Kelvin, en een druk van 101,3 kPa.
|
|
Activiteit
(drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)
|
Drempelwaarde
(drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)
|
Emissiegrenswaarde in afgassen (mg C/Nm3)
|
Diffuse-emissiegrenswaarde (percentage oplosmiddeleninput)
|
Totale emissiegrenswaarde
|
Bijzondere bepalingen
|
|
Nieuwe installaties
|
Bestaande installaties
|
Nieuwe installaties
|
Bestaande installaties
|
|
1
|
Heatsetrotatie-offsetdruk
(> 15)
|
15-25
> 25
|
100
20
|
30 (1)
30 (1)
|
|
(1) Resten oplosmiddelen in eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.
|
|
2
|
Illustratiediepdruk
(> 25)
|
|
75
|
10
|
15
|
|
|
|
|
3
|
Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, (> 15) rotatiezeefdruk op textiel/karton (> 30)
|
15-25
> 25
> 30 (1)
|
100
100
100
|
25
20
20
|
|
(1) Drempel voor rotatiezeefdruk op textiel en karton.
|
|
4
|
Oppervlaktereiniging met de in artikel 59, lid 5, vermelde stoffen
(> 1)
|
1-5
> 5
|
20 (1)
20 (1)
|
15
10
|
|
(1) Grenswaarde in massa van de verbindingen in mg/nm3 en niet in totale massa koolstof.
|
|
5
|
Overige oppervlaktereiniging
(> 2)
|
2-10
> 10
|
75 (1)
75 (1)
|
20 (1)
15 (1)
|
|
(1) Wanneer aan de bevoegde instantie wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een installatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichtsprocenten, gelden deze waarden niet voor die installatie.
|
|
6
|
Coating van voertuigen (< 15) en overspuiten van voertuigen
|
> 0,5
|
50 (1)
|
25
|
|
(1) Naleving overeenkomstig punt 2 van deel 8 moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.
|
|
7
|
Bandlakken
(> 25)
|
|
50 (1)
|
5
|
10
|
|
(1) Voor installaties die technieken gebruiken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.
|
|
8
|
Andere coatingprocessen, waaronder metaal-, kunststof-, textiel- (5), stoffen, film- en papiercoating
(> 5)
|
5-15
> 15
|
100 (1) (4)
50/75 (2) (3) (4)
|
25 (4)
20 (4)
|
|
|
(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.
(2) De eerste emissiegrenswaarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.
|
|
|
|
|
|
|
|
(3) Voor installaties die genitrogeneerde oplosmiddelen gebruiken met technieken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150.
(4) Voor coatingwerk dat niet kan worden uitgevoerd in een gesloten systeem (zoals in de scheepsbouw, schilderen van vliegtuigrompen) kan overeenkomstig artikel 59, lid 3, van deze waarden worden afgeweken.
(5) Rotatiezeefdruk op textiel valt onder activiteit nr. 3.
|
|
9
|
Coating van wikkeldraad
(> 5)
|
|
|
|
10 g/kg (1)
5 g/kg (2)
|
(1) Geldt voor installaties met een gemiddelde draaddiameter ≤ 0,1 mm.
(2) Geldt voor alle andere installaties.
|
|
10
|
Coating van houten oppervlakken
(> 15)
|
15-25
> 25
|
100 (1)
50/75 (2)
|
25
20
|
|
(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.
(2) De eerste waarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.
|
|
11
|
Chemisch reinigen
|
|
|
|
20 g/kg (1) (2)
|
(1) Uitgedrukt in massa uitgestoten oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product.
(2) De in punt 2 van deel 4 vermelde emissiegrenswaarde geldt niet voor deze activiteit.
|
|
12
|
Impregneren van hout
(> 25)
|
|
100 (1)
|
45
|
11 kg/m3
|
(1) De emissiegrenswaarde geldt niet voor impregneren met creosoot.
|
|
13
|
Coating van leer
(> 10)
|
10-25
> 25
> 10 (1)
|
|
|
85 g/m2
75 g/m2
150 g/m2
|
De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.
(1) Voor coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz.
|
|
14
|
Fabricage van schoeisel
(> 5)
|
|
|
|
25 g per paar
|
De totale emissiegrenswaarde is uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.
|
|
15
|
Lamineren van hout en kunststof
(> 5)
|
|
|
|
30 g/m2
|
|
|
16
|
Aanbrengen van lijmlagen
(> 5)
|
5-15
> 15
|
50 (1)
50 (1)
|
25
20
|
|
(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150.
|
|
17
|
Vervaardiging van coating mengsels, lak, inkt en kleefstoffen
(> 100)
|
100-1 000
> 1 000
|
150
150
|
5
3
|
5 % van de oplosmiddeleninput
3 % van de oplosmiddeleninput
|
Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.
|
|
18
|
Bewerking van rubber
(> 15)
|
|
20 (1)
|
25 (2)
|
25 % van de oplosmiddeleninput
|
(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150.
(2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating mengsel in een gesloten container worden verkocht.
|
|
19
|
Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën
(> 10)
|
|
|
|
Dierlijk vet: 1,5 kg/ton
Ricinus: 3 kg/ton
Raapzaad: 1 kg/ton
Zonnebloemzaad: 1 kg/ton
Sojabonen (normale maling): 0,8 kg/ton
Sojabonen (witte vlokken): 1,2 kg/ton
Overige zaden en ander plantaardig materiaal: 3 kg/ton (1) 1,5 kg/ton (2) 4 kg/ton (3)
|
(1) De totale emissiegrenswaarden voor installaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal moeten door de bevoegde autoriteit per geval worden vastgesteld, met toepassing van de beste beschikbare technieken.
(2) Geldt voor alle fractioneringsprocessen met uitzondering van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie).
(3) Geldt voor ontgommen.
|
|
20
|
Vervaardiging van geneesmiddelen
(> 50)
|
|
20 (1)
|
5 (2)
|
15 (2)
|
5 % van de oplosmiddeleninput
|
15 % van de oplosmiddeleninput
|
(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150.
(2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating mengsel in een gesloten container worden verkocht.
|
DEEL 3
Emissiegrenswaarden voor installaties in de voertuigcoatingindustrie
|
1.
|
De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten organisch oplosmiddel per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten organisch oplosmiddel per carrosserie.
|
|
2.
|
Het oppervlak van de in de tabel onder punt 3 vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd: het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.
Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:
Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.
Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruikgemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.
|
|
3.
|
De totale emissiegrenswaarden in onderstaande tabel hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.
|
Activiteit
(drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)
|
Drempelwaarde productie
(geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal)
|
Totale emissiegrenswaarde
|
|
Nieuwe installaties
|
Bestaande installaties
|
|
Coating nieuwe auto’s (> 15)
|
> 5 000
|
45 g/m2 of 1,3 kg/auto + 33 g/m2
|
60 g/m2 of 1,9 kg/auto + 41 g/m2
|
|
≤ 5 000 zelfdragend of > 3 500 met chassis
|
90 g/m2 of 1,5 kg/auto + 70 g/m2
|
90 g/m2 of 1,5 kg/auto + 70 g/m2
|
|
|
|
Totale emissiegrenswaarde (g/m2)
|
|
Coating van nieuwe vrachtwagencabines (> 15)
|
≤ 5 000
|
65
|
85
|
|
> 5 000
|
55
|
75
|
|
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens (> 15)
|
≤ 2 500
|
90
|
120
|
|
> 2 500
|
70
|
90
|
|
Coating nieuwe bussen (> 15)
|
≤ 2 000
|
210
|
290
|
|
> 2 000
|
150
|
225
|
|
|
4.
|
Installaties voor de coating van voertuigen die de in de tabel onder punt 3 opgenomen drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik niet overschrijden, moeten voldoen aan de in deel 2 vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen.
|
DEEL 4
Emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen met bijzondere risicozinnen
|
1.
|
Voor emissies van de in artikel 58 vermelde vluchtige organische stoffen, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat artikel vermelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
|
|
2.
|
Voor emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevaaraanduidingen H341 of H351 zijn toegekend of die van deze aanduidingen of zinnen moeten zijn voorzien, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de gevaaraanduiding H341 of H351 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
|
DEEL 5
Reductieprogramma
|
1.
|
De exploitant kan ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken.
|
|
2.
|
Bij het aanbrengen van coating, lak, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan de bevoegde instantie een exploitant toestaan een andere regeling toe te passen waardoor de emissies in dezelfde mate worden beperkt als door de toepassing van de emissiegrenswaarden van de delen 2 en 3. Bij de opzet van het programma moet rekening worden gehouden met de volgende gegevens:
a)
wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, moet de exploitant extra tijd krijgen om zijn reductieprogramma uit te voeren;
b)
het referentiepunt voor de emissiebeperking moet zo goed mogelijk overeenkomen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden genomen.
|
|
3.
|
De volgende regeling geldt voor installaties waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden verondersteld:
a)
De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:
i)
Eerst wordt de totale massa bepaald aan vaste stof in de hoeveelheid coating en/of inkt en/of lak en/of kleefstof die per jaar wordt gebruikt. Vaste stoffen zijn alle materialen in coating, inkt, lak en kleefstof die vast worden wanneer het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.
ii)
De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt i) bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde factor. De bevoegde instanties kunnen deze factoren voor individuele installaties aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.
|
Activiteit
|
Voor punt a), onder ii) te gebruiken vermenigvuldigingsfactor
|
|
Rotatiediepdruk; flexografie; lamineren samenhangend met een drukactiviteit; lakken samenhangend met een drukactiviteit; coating van hout; coating van textiel, vezel, film of papier; het aanbrengen van een lijmlaag
|
4
|
|
Bandlakken, overspuiten van voertuigen
|
3
|
|
Coating in contact met levensmiddelen; coating in lucht- en ruimtevaart
|
2,33
|
|
Overige coating en rotatiezeefdruk
|
1,5
|
b)
De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:
i)
(de diffuse-emissiegrenswaarde + 15) voor installaties die onder punt 6 en binnen het laagste drempelwaarde-interval van de punten 8 en 10 van deel 2 vallen;
ii)
(de diffuse-emissiegrenswaarde + 5) voor alle andere installaties.
c)
Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.
|
DEEL 6
Emissiemonitoring
|
1.
|
Rookkanalen waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur uitwerpen, moeten doorlopend op naleving van de emissiegrenswaarden worden gecontroleerd.
|
|
2.
|
In andere gevallen dragen de lidstaten er zorg voor dat continue of periodieke metingen worden uitgevoerd. Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten minste drie meetwaarden geregistreerd.
|
|
3.
|
Metingen zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet noodzakelijk is om te voldoen aan deze richtlijn.
|
DEEL 7
Oplosmiddelenboekhouding
1. Beginselen
De oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt om:
a)
te controleren of aan de eisen van artikel 62 wordt voldaan;
b)
de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst te specificeren;
c)
aan het publiek informatie te kunnen verstrekken over het verbruik van oplosmiddelen, de emissie van oplosmiddelen en de naleving van de richtlijn.
2. Definities
Met de volgende definities worden regels gegeven ter bepaling van de massabalans.
Input (I) van organische oplosmiddelen:
|
I1
|
De hoeveelheid aangekochte organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels, die in het proces worden ingevoerd gedurende de termijn waarover de massabalans wordt bepaald.
|
|
I2
|
De hoeveelheid teruggewonnen en als oplosmiddel in het proces hergebruikte organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels. De gerecycleerde oplosmiddelen worden telkens meegerekend wanneer ze worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen.
|
Output (O) van organische oplosmiddelen:
|
O2
|
In water geloosde organische oplosmiddelen, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij de berekening van O5.
|
|
O3
|
De hoeveelheid organische oplosmiddelen die als verontreiniging of als residu in de bij het proces vervaardigde producten achterblijft.
|
|
O4
|
Niet-afgevangen emissie van organische oplosmiddelen in de lucht. Het gaat hierbij om de algemene ventilatie van ruimtes, waarbij de lucht via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en soortgelijke openingen in het buitenmilieu terechtkomt.
|
|
O5
|
Organische oplosmiddelen en/of organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan (met inbegrip van hoeveelheden die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of afvalwaterzuivering vernietigd worden of door adsorptie opgevangen worden, mits die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend).
|
|
O6
|
Organische oplosmiddelen in ingezameld afval.
|
|
O7
|
Organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels die als een product met handelswaarde worden verkocht of bestemd zijn om te worden verkocht.
|
|
O8
|
Organische oplosmiddelen in mengsels die voor hergebruik worden teruggewonnen maar niet opnieuw in het proces worden ingebracht, mits deze niet bij O7 worden meegerekend.
|
|
O9
|
Organische oplosmiddelen die op andere wijze vrijkomen.
|
|
3.
|
Gebruik van een oplosmiddelenboekhouding voor controle op de naleving
Het specifieke voorschrift waarop de controle wordt toegepast, zal bepalend zijn voor de wijze waarop de oplosmiddelenboekhouding wordt gebruikt:
a)
Controle op de naleving van het reductieprogramma in deel 5, waarbij de totale emissiegrenswaarde wordt uitgedrukt in uitgestoten oplosmiddel per eenheid product, of anders wordt geformuleerd in deel 2 en 3.
i)
Voor alle activiteiten die gebruikmaken van het in deel 5 omschreven reductieprogramma moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden opgemaakt om het verbruik (V) te bepalen. Het verbruik wordt met behulp van de volgende vergelijking berekend:
V = I1 – O8
Op soortgelijke wijze moet ook de in coatings gebruikte hoeveelheid vaste stof worden bepaald, zodat elk jaar de jaarlijkse referentie-emissie en de beoogde emissie kunnen worden berekend.
ii)
Voor de controle op de naleving van een totale emissiegrenswaarde die in uitgeworpen oplosmiddel per eenheid product wordt uitgedrukt, of anders wordt geformuleerd in deel 2 en 3, moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden gebruikt om de emissie (E) te bepalen. De emissie wordt met behulp van de volgende vergelijking berekend:
E = F + O1
Hierbij is F de diffuse emissie, zoals gedefinieerd onder b), i). De emissie moet vervolgens worden gedeeld door de parameter voor het desbetreffende product.
iii)
Voor controle op de naleving van de voorschriften van artikel 59, lid 6, onder b), ii), moet de oplosmiddelenboekhouding jaarlijks worden gebruikt om de totale emissie van alle betrokken activiteiten te bepalen en moet dit getal vervolgens worden vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als de voorschriften van deel 2, 3 en 5 voor elke activiteit afzonderlijk nageleefd zouden zijn.
b)
Bepaling van de diffuse emissie om deze met de lekkage-emissiewaarden in deel 2 te kunnen vergelijken:
i)
De diffuse emissie wordt met behulp van een van de volgende vergelijkingen berekend:
F = I1 - O1 - O5 - O6 - O7 - O8
of
F = O2 + O3 + O4 + O9
F wordt hetzij door rechtstreekse meting van de verschillende factoren bepaald, hetzij door middel van een gelijkwaardige berekeningsmethode, bijvoorbeeld met behulp van het afvangrendement van het proces.
De diffuse-emissiewaarde wordt uitgedrukt als een percentage van de input, die met behulp van de volgende vergelijking wordt berekend:
I = I1 + I2
ii)
De diffuse emissie wordt met behulp van korte maar volledige metingen bepaald en behoeft niet te worden herhaald zolang de apparatuur niet veranderd wordt.
|
DEEL 8
Beoordeling van de conformiteit met de emissiegrenswaarden in afgassen
|
1.
|
Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien:
a)
geen van de rekenkundige gemiddelden van alle geldige metingen gedurende een periode van 24 uur waarin een installatie in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen van de exploitatie en het onderhoud van de apparatuur onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden,
b)
geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
|
|
2.
|
Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien in één monitoringcampagne:
a)
het gemiddelde van alle meetwaarden onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b)
geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
|
|
3.
|
De naleving van deel 4 wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. In alle andere gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, tenzij in deel 2 anders is bepaald.
|
|
4.
|
Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.
|
|
|
BIJLAGE VIII Technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren
|
BIJLAGE VIII
Technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren
DEEL 1
Emissiegrenswaarden voor emissies in water
|
1.
|
Installaties die van het sulfaatproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde):
550 kg sulfaat per geproduceerde ton titaandioxide.
|
|
2.
|
Installaties die van het chlorideproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde):
a)
130 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van natuurlijk rutiel,
b)
228 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van synthetisch rutiel,
c)
330 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken,
►C1
Voor in zout water (in estuaria, langs de kunst, in volle zee) lozende installaties ◄ mag een emissiegrenswaarde gelden van 450 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken.
|
|
3.
|
Voor installaties die van het chlorideproces gebruikmaken en die meer dan één soort erts gebruiken, gelden de waarden in punt 2 naar rata van de hoeveelheden waarin deze ertsen worden gebruikt.
|
DEEL 2
Emissiegrenswaarden voor lucht
|
1.
|
De emissiegrenswaarden, uitgedrukt als massaconcentratie per kubieke meter (Nm3), worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa.
|
|
2.
|
Voor stof: een uurgemiddelde van 50 mg/Nm3 uit de voornaamste bronnen en een uurgemiddelde van 150 mg/Nm3 uit andere bronnen.
|
▼C1
|
3.
|
Voor lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting en roosting, met inbegrip van zuurdruppels, berekend als SO2 -equivalent,
a)
een jaargemiddelde van 6 kg per geproduceerde ton titaandioxide;
b)
een uurgemiddelde van 500 mg/Nm3 voor installaties voor de concentratie van afvalzuren.
|
▼B
|
►C1
4.
|
Voor chloor in het geval van ◄ installaties die gebruikmaken van het chlorideproces:
a)
een dagelijkse gemiddelde van 5 mg/Nm3;
b)
tot een momentane waarde van 40 mg/Nm3.
|
DEEL 3
Emissiemonitoring
De monitoring van emissie in de lucht omvat ten minste een continue meting van:
a)
lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting en roosting uit inrichtingen voor de concentratie van afvalzuren in installaties die van het sulfaatproces gebruikmaken;
chloor dat afkomstig is uit ◄ de voornaamste bronnen in installaties die gebruikmaken van het chlorideproces;
c)
stof dat afkomstig is uit de voornaamste bronnen.
|
|
BIJLAGE IX
|
BIJLAGE IX
DEEL A
Ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen
(bedoeld in artikel 81)
|
Richtlijn 78/176/EEG van de Raad
(PB L 54 van 25.2.1978, blz. 19)
|
|
|
Richtlijn 83/29/EEG van de Raad
(PB L 32 van 3.2.1983, blz. 28)
|
|
|
Richtlijn 91/692/EEG van de Raad
(PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48)
|
Alleen bijlage I, onder b)
|
|
Richtlijn 82/883/EEG van de Raad
(PB L 378 van 31.12.1982, blz. 1)
|
|
|
Akte van Toetreding van 1985
|
Alleen bijlage I, punt X.1, onder o)
|
|
Akte van Toetreding van 1994
|
Alleen bijlage I, punt VIII. A6
|
|
Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad
(PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
|
Alleen bijlage III, punt 34
|
|
Verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 87 van 31.3.2009, blz. 109)
|
Alleen bijlage, punt 3,1
|
|
Richtlijn 92/112/EEG van de Raad
(PB L 409 van 31.12.1992, blz. 11).
|
|
|
Richtlijn 1999/13/EG van de Raad
(PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1)
|
|
|
Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)
|
Alleen bijlage I, punt 17
|
|
Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87)
|
Alleen artikel 13, lid 1
|
|
Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68)
|
Alleen artikel 3
|
|
Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91)
|
|
|
Verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 311 van 21.11.2008, blz. 1)
|
Alleen bijlage, punt 4.8
|
|
Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1)
|
|
|
Richtlijn 2006/105/EG van de Raad
(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368)
|
Alleen bijlage I, deel B, punt 2
|
|
Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)
|
Alleen artikel 33
|
|
Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8)
|
|
|
Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)
|
Alleen artikel 37
|
DEEL B
Lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht
(bedoeld in artikel 81)
|
Richtlijn
|
Omzettingstermijn
|
Uitvoeringstermijn
|
|
78/176/EEG
|
25 februari 1979
|
|
|
82/883/EEG
|
31 december 1984
|
|
|
92/112/EEG
|
15 juni 1993
|
|
|
1999/13/EG
|
1 april 2001
|
|
|
2000/76/EG
|
28 december 2000
|
28 december 2002
28 december 2005
|
|
2001/80/EG
|
27 november 2002
|
27 november 2004
|
|
2003/35/EG
|
25 juni 2005
|
|
|
2003/87/EG
|
31 december 2003
|
|
|
2008/1/EG
|
30 oktober 1999 (1)
|
30 oktober 1999
30 oktober 2007
|
(1)
Richtlijn 2008/1/EG is een codificatie van Richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26) en de uitvoeringstermijnen voor omzetting en toepassing blijven geldig.
|
|
|
BIJLAGE X Transponeringstabel
|
BIJLAGE X
Transponeringstabel
|
Richtlijn 78/176/EEG
|
Richtlijn 82/883/EEG
|
Richtlijn 92/112/EEG
|
Richtlijn 2008/1/EG
|
Richtlijn 1999/13/EG
|
Richtlijn 2000/76/EG
|
Richtlijn 2001/80/EG
|
Deze richtlijn
|
|
Artikel 1, lid 1
|
Artikel 1
|
Artikel 1
|
|
|
|
|
Artikel 66
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2
|
|
Artikel 1, lid 2, onder a)
|
|
|
Artikel 2, lid 2
|
|
|
|
Artikel 3, lid 2
|
|
Artikel 1, lid 2, onder b)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1
|
|
Artikel 3, lid 37
|
|
Artikel 1, lid 2, onder c), d) en e)
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 66
|
|
Artikel 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 67
|
|
Artikel 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, onder d) en e)
|
|
Artikel 4
|
|
|
Artikel 4
|
Artikel 3, aanhef en lid 1
|
Artikel 4, lid 1
|
|
Artikel 4, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 5
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, onder d) en e)
|
|
Artikel 6
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, onder d) en e)
|
|
Artikel 7, lid 1
|
|
Artikel 10
|
|
|
|
|
Artikel 70, lid 1 en lid 2, eerste zin
|
|
Artikel 7, leden 2 en 3
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 70, lid 2, tweede zin en lid 3
|
|
Artikel 8, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 8, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 26, lid 1, tweede alinea
|
|
Artikel 9
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 10
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 11
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12
|
|
Artikel 12
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 13, lid 1
|
|
|
Artikel 17, lid 1, eerste alinea en lid 3, eerste alinea, eerste zin
|
Artikel 11, lid 1, eerste zin en lid 2
|
|
|
Artikel 72, lid 1, eerste zin
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 72, lid 1, tweede alinea
|
|
Artikel 13, leden 2, 3 en 4
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 14
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Artikel 15
|
Artikel 14
|
Artikel 12
|
Artikel 21
|
Artikel 15
|
Artikel 21
|
Artikel 18, leden 1 en 3
|
Artikel 80
|
|
Artikel 16
|
Artikel 15
|
Artikel 13
|
Artikel 23
|
Artikel 17
|
Artikel 23
|
Artikel 20
|
Artikel 84
|
|
Bijlage I
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Bijlage IIA, aanhef en punt 1
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Bijlage IIA, punt 2
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
Bijlage IIB
|
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 2
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 3
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 4, leden 1 en 2, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 4, lid 2, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 4, leden 3 en 4
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 5
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 6
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 7
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 8
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 9
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 10
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 11, lid 1
|
|
|
Artikel 13, lid 1
|
Artikel 17, lid 1
|
|
Artikel 75, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 75, lid 2
|
|
|
Artikel 11, lid 2
|
|
|
|
Artikel 17, lid 2
|
|
—
|
|
|
Artikel 11, lid 3
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 12
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Artikel 13
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Bijlage I
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Bijlage II
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Bijlage III
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Bijlage IV
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
Bijlage V
|
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, aanhef
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder a), aanhef
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder a), eerste streepje
|
|
|
|
|
Artikel 67, onder a)
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder a), tweede streepje
|
|
|
|
|
Artikel 67, onder b)
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder a), derde streepje en artikel 2, lid 1, onder b), derde streepje
|
|
|
|
|
Artikel 67, onder d)
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder a), vierde, vijfde, zesde en zevende streepje
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder b), aanhef en eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende streepje
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder b), tweede streepje
|
|
|
|
|
Artikel 67, onder c)
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1, onder c)
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 3
|
|
|
|
|
Artikel 67
|
|
|
|
Artikel 4
|
|
|
|
|
Artikel 67
|
|
|
|
Artikel 5
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 6, eerste alinea, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 68
|
|
|
|
Artikel 6, eerste alinea, onder a)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 1, punt 1
|
|
|
|
Artikel 6, eerste alinea, onder b)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 1, punt 2
|
|
|
|
Artikel 6, tweede alinea
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 1, punt 3
|
|
|
|
Artikel 7
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 8
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 69, lid 2
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), aanhef
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), i)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 2, punt 2
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), ii)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 2, punt 3, aanhef en punt 3, onder a).
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), iii)
|
|
|
|
|
Artikel 69, lid 1
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), iv)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 2, punt 3, onder b)
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder a), v)
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, onder b)
|
|
|
|
|
Bijlage VIII, deel 2, punt 4
|
|
|
|
Artikel 9, leden 2 en 3
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
Artikel 11
|
|
|
|
|
Artikel 11, onder d) en e)
|
|
|
|
Bijlage
|
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 1
|
|
|
|
Artikel 1
|
|
|
|
|
Artikel 2, aanhef
|
|
|
|
Artikel 3, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1
|
Artikel 2, lid 14
|
|
|
Artikel 3, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 3
|
Artikel 2, lid 1
|
|
|
Artikel 3, lid 3
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 4
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 5
|
Artikel 2, lid 9
|
Artikel 3, lid 8
|
Artikel 2, lid 1
|
Artikel 3, lid 4
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 6, eerste zin
|
Artikel 2, lid 13
|
Artikel 3, lid 9
|
Artikel 2, lid 3, eerste deel
|
Artikel 3, lid 5
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 6, tweede zin
|
|
|
|
Artikel 15, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7
|
|
|
|
Artikel 3, lid 6
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 8
|
Artikel 2, lid 5
|
|
|
Artikel 71
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 9, eerste zin
|
Artikel 2, lid 7
|
Artikel 3, lid 12
|
|
Artikel 3, lid 7
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 9, tweede zin
|
|
|
|
Artikel 4, lid 2, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 4, lid 2, tweede alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 4, lid 3
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 10
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 3, lid 8
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 11, eerste zin
|
|
|
|
Artikel 3, lid 9
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 11, tweede zin
|
|
|
|
Artikel 20, lid 3
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 12, eerste alinea en bijlage IV, aanhef
|
|
|
|
Artikel 3, lid 10
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 12, tweede alinea
|
|
|
|
Artikel 14, lid 5, onder a), en artikel 14, lid 6
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 13
|
Artikel 2, lid 6
|
Artikel 3, lid 11
|
Artikel 2, lid 5
|
Artikel 3, lid 15
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 14
|
|
|
|
Artikel 3, lid 16
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 15
|
|
|
|
Artikel 3, lid 17
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 3, leden 11 t/m 14, 18 t/m 23, 26 t/m 30 en 34 t/m 36
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, aanhef
|
|
|
|
Artikel 11, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder a)
|
|
|
|
Artikel 11, onder a) en b)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder b)
|
|
|
|
Artikel 11, onder c)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder c)
|
|
|
|
Artikel 11, onder d) en e)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder d)
|
|
|
|
Artikel 11, onder f)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder e)
|
|
|
|
Artikel 11, onder g)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 1, onder f)
|
|
|
|
Artikel 11, onder h)
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 2
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 1
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 2
|
|
|
|
Artikel 80, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, aanhef
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder a) t/m d)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder a) t/m d)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder e)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder f)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder f)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder g)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder g)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder h)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder h)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder i)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder i)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder j)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder j)
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea, onder k)
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 2
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 7
|
|
|
|
Artikel 5, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 8, eerste alinea
|
|
Artikel 4, lid 3
|
|
Artikel 5, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 8, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, eerste deel van de zin
|
|
|
|
Artikel 14, lid 1, eerste alinea
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, tweede deel van de zin
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 2
|
|
|
|
Artikel 5, lid 3
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin
|
|
|
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, aanhef en onder a) en b)
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, eerste alinea, derde zin
|
|
|
|
Artikel 14, lid 2
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, leden 3, 4 en 7
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 5, aanhef en onder b) van de eerste alinea en artikel 14, lid 5, tweede alinea
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, derde alinea
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, vierde alinea
|
|
|
|
Artikel 9, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, vijfde alinea
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3, zesde alinea
|
|
|
|
Artikel 9, lid 4
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 10
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 4, eerste deel van de eerste zin
|
|
|
|
Artikel 15, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 4, tweede deel van de eerste zin
|
|
|
|
Artikel 15, lid 4, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 15, lid 4, tweede t/m vijfde alinea en artikel 15, lid 5
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 4, tweede zin
|
|
|
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder g)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder h)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 15, lid 3
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 16
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 5, eerste alinea
|
|
|
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder c), i)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder c), ii)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder d)
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 5, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder e)
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 6, eerste alinea
|
|
|
|
Artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder f)
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 6, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 7
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 8
|
|
|
|
Artikel 6 en artikel 17, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 17, leden 2, 3 en 4
|
|
|
|
|
Artikel 10
|
|
|
|
Artikel 18
|
|
|
|
|
Artikel 11
|
|
|
|
Artikel 19
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1
|
|
|
|
Artikel 20, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2, eerste zin
|
|
|
|
Artikel 20, lid 2, eerste alinea
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2, tweede zin
|
|
|
|
Artikel 20, lid 2, tweede alinea
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2, derde zin
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 1
|
|
|
|
Artikel 21, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 21, leden 2, 3 en 4
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2, aanhef
|
|
|
|
Artikel 21, lid 5, aanhef
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2, onder a)
|
|
|
|
Artikel 21, lid 5, onder a)
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2, onder b)
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2, onder c)
|
|
|
|
Artikel 21, lid 5, onder b)
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2, onder d)
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 21, lid 5, onder c)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 22
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 23, lid 1, eerste alinea
|
|
|
|
|
Artikel 14, aanhef en onder a)
|
|
|
|
Artikel 8, lid 1
|
|
|
|
|
Artikel 14, onder b)
|
|
|
|
Artikel 7, onder a) en artikel 14, lid 1, onder d), i)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 7, aanhef en onder b) en c)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 14, lid 1, onder d), ii)
|
|
|
|
|
Artikel 14, onder c)
|
|
|
|
Artikel 23, lid 1, tweede alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 23, leden 2 t/m 6
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 1, eerste alinea, aanhef en onder a) en b)
|
Artikel 12, lid 1, eerste alinea
|
|
|
Artikel 24, lid 1, eerste alinea, aanhef en onder a) en b)
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 1, eerste alinea, onder c)
|
|
|
|
Artikel 24, lid 1, eerste alinea, onder c)
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
Artikel 24, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 2
|
|
|
|
Artikel 24, lid 3, onder b)
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 3
|
|
|
|
Artikel 24, lid 4
|
|
|
|
|
Artikel 15, lid 4
|
|
|
|
Artikel 24, lid 2, aanhef en onder a) en b)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 24, lid 2, punten c) tot en met f) en artikel 24, lid 3, aanhef en onder a)
|
|
|
|
|
Artikel 16
|
|
|
|
Artikel 25
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 2, eerste alinea
|
|
|
|
Artikel 13, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 13, leden 2 t/m 7
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 2, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, tweede en derde zin
|
Artikel 11, lid 1, tweede zin
|
|
|
Artikel 72, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 3, eerste alinea, vierde zin
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 72, leden 3 en 4
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 3, tweede alinea
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 3, derde alinea
|
Artikel 11, lid 3
|
|
|
Artikel 73, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 73, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 17, lid 4
|
|
|
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 74
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 27
|
|
|
|
|
Artikel 18
|
|
|
Artikel 11
|
Artikel 26
|
|
|
|
|
Artikel 19
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 20
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Artikel 21
|
|
|
|
Artikel 80, lid 2
|
|
|
|
|
Artikel 22
|
|
Artikel 18
|
Artikel 17
|
Artikel 81
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 82
|
|
|
|
|
Artikel 23
|
Artikel 16
|
Artikel 22
|
Artikel 19
|
Artikel 83
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 2, lid 1
|
|
|
|
|
Bijlage I, eerste alinea van de aanhef
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2
|
|
|
|
|
Bijlage I, tweede alinea van de aanhef
|
|
|
|
Bijlage I, eerste alinea van de aanhef, eerste zin
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, eerste alinea van de aanhef, tweede zin
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, tweede alinea van de aanhef
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 1.1 t/m 1.3
|
|
|
|
Bijlage I, punt 1.1 t/m 1.3
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 1,4
|
|
|
|
Bijlage I, punt 1,4, onder a)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 1.4, onder b)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 2
|
|
|
|
Bijlage I, punt 2
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 3,1
|
|
|
|
Bijlage I, punt 3.1, onder a) en b)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 3,1, onder c)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punten 3.2 t/m 3.5
|
|
|
|
Bijlage I, punten 3.2 t/m 3.5
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 4
|
|
|
|
Bijlage I, punt 4
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5), aanhef
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5,1
|
|
|
|
Bijlage I, punten 5.1, onder b), f), g), i), j) en 5.2, onder b)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 5.1, onder a), c), d), e), h), k)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5,2
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5.2, onder a)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5,3
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5.3, onder a), i) en ii)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 5.3, onder a), iii) t/m v) en 5.3, onder b)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5.4
|
|
|
|
Bijlage I, punt 5.4
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punten 5.5 en 5.6
|
|
|
|
|
Bijlage I, punt 6.1, onder a) en b)
|
|
|
|
Bijlage I, punt 6.1, onder a) en b)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 6.1, onder c)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punten 6.2 tot en met 6.4, onder b)
|
|
|
|
Bijlage I, punten 6.2 tot en met 6.4, onder b), ii)
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punt 6.4, onder b), iii)
|
|
|
|
|
Bijlage I, punten 6.4, onder c) tot en met 6.9
|
|
|
|
Bijlage I, punten 6.4, onder c) tot en met 6.9
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage I, punten 6.10 en 6.11
|
|
|
|
|
Bijlage II
|
|
|
|
—
|
|
|
|
|
Bijlage III
|
|
|
|
Bijlage II „Lucht” en „Water”, punten 1 t/m 12
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage II „Water”, punt 13
|
|
|
|
|
Bijlage IV
|
|
|
|
Bijlage III
|
|
|
|
|
Bijlage V
|
|
|
|
Bijlage IV
|
|
|
|
|
|
Artikel 1
|
|
|
Artikel 56
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2
|
|
|
Artikel 57, lid 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 3
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 4
|
|
|
Artikel 63, lid 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 8
|
|
|
Artikel 4, lid 1, derde alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 10
|
|
|
Artikel 57, lid 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 11
|
|
|
Artikel 57, lid 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 12
|
|
|
Artikel 57, lid 4
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 15
|
|
|
Artikel 57, lid 5
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 16
|
|
|
Artikel 3, lid 44
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 17
|
|
|
Artikel 3, lid 45
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 18
|
|
|
Artikel 3, lid 46
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 19
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 20
|
|
|
Artikel 3, lid 47
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 21
|
|
|
Artikel 57, lid 6
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 22
|
|
|
Artikel 57, lid 7
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 23
|
|
|
Artikel 57, lid 8
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 24
|
|
|
Artikel 57, lid 9
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 25
|
|
|
Artikel 57, lid 10
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 26
|
|
|
Artikel 57, lid 11
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 27
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 28
|
|
|
Artikel 63, lid 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 29
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 30
|
|
|
Artikel 57, lid 12
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 31
|
|
|
Bijlage VII, deel 2, eerste zin
Bijlage VIII, deel 2, punt 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 32
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 33
|
|
|
Artikel 57, lid 13
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 2
|
|
|
Artikel 4, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, leden 1 tot en met 3
|
|
|
Artikel 4, lid 1, eerste en tweede alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 4
|
|
|
Artikel 63, lid 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 1
|
|
|
Artikel 59, lid 1, eerste alinea, aanhef
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 2
|
|
|
Artikel 59, lid 1, eerste alinea, onder a) en b)
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 3, eerste alinea, onder a)
|
|
|
Artikel 59, lid 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 3, eerste alinea, onder b)
|
|
|
Artikel 59, lid 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 3, tweede alinea
|
|
|
Artikel 59, lid 4
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 59, lid 5
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 4
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 5
|
|
|
Artikel 59, lid 6
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 6
|
|
|
Artikel 58
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 7
|
|
|
Bijlage VII, deel 4, punt 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 8, eerste alinea
|
|
|
Bijlage VII, deel 4, punt 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 8, tweede alinea
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 9
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 10
|
|
|
Artikel 59, lid 7
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, leden 11, 12 en 13
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 6
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 1, aanhef en eerste tot en met vierde streepje
|
|
|
Artikel 64
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 1, afsluitend gedeelte
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 2
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 1
|
|
|
Artikel 14, lid 1, onder d), Artikel 60
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 61
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 2
|
|
|
Bijlage VII, deel 6, punt 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 3
|
|
|
Bijlage VII, deel 6, punt 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 4
|
|
|
Bijlage VII, deel 6, punt 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 5
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, eerste alinea, aanhef
|
|
|
Artikel 62, eerste alinea, aanhef
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, eerste alinea, eerste, tweede en derde streepje
|
|
|
Artikel 62, eerste alinea, punten a), b) en c)
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, tweede alinea
|
|
|
Artikel 62, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 1, derde alinea
|
|
|
Bijlage VII, deel 8, punt 4
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 2
|
|
|
Artikel 63, lid 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 3
|
|
|
Bijlage VII, deel 8, punt 1
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 4
|
|
|
Bijlage VII, deel 8, punt 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, lid 5
|
|
|
Bijlage VII, deel 8, punt 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 10
|
Artikel 4, lid 9
|
|
Artikel 8, lid 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 1, derde tot en met zesde zin
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, tweede alinea
|
|
|
Artikel 65, lid 1, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1, derde alinea
|
|
|
Artikel 65, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2
|
|
|
Artikel 65, lid 2
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 3
|
|
|
Artikel 65, lid 3
|
|
|
|
|
|
Artikel 13, leden 2 en 3
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Artikel 14
|
Artikel 19
|
Artikel 16
|
Artikel 79
|
|
|
|
|
|
Bijlage I, eerste en tweede zin van de aanhef
|
|
|
Artikel 56
|
|
|
|
|
|
Bijlage I, derde zin van de aanhef en lijst van de activiteiten
|
|
|
Bijlage VII, deel 1
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIA
|
|
|
Bijlage VII, delen 2 en 3
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIA, deel II, laatste zin van alinea 6
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIB, punt 1, eerste en tweede zin
|
|
|
Artikel 59, lid 1, eerste alinea, onder b)
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIB, punt 1, derde zin
|
|
|
Artikel 59, lid 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIB, punt 2
|
|
|
Bijlage VII, deel 5
|
|
|
|
|
|
Bijlage IIB, punt 2, tweede alinea, onder i) en tabel
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Bijlage III, punt 1
|
|
|
—
|
|
|
|
|
|
Bijlage III, punt 2
|
|
|
Bijlage VII, deel 7, punt 1
|
|
|
|
|
|
Bijlage III, punt 3
|
|
|
Bijlage VII, deel 7, punt 2
|
|
|
|
|
|
Bijlage III, punt 4
|
|
|
Bijlage VII, deel 7, punt 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 1, eerste alinea
|
|
Artikel 42
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 1, tweede alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 1
|
|
Artikel 42, lid 1, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 42, lid 1, tweede tot en met vijfde alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, aanhef
|
|
Artikel 42, lid 2, aanhef
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder a), aanhef
|
|
Artikel 42, lid 2, onder a), aanhef
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder a), i) tot en met v)
|
|
Artikel 42, lid 2, onder a), punt i)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder a), punt vi)
|
|
Artikel 42, lid 2, onder a), punt ii)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder a), punt vii)
|
|
Artikel 42, lid 2, onder a), punt iii)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder a), punt viii)
|
|
Artikel 42, lid 2, onder a), punt iv)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2, onder b)
|
|
Artikel 42, lid 2, onder b)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 2, eerste alinea
|
|
Artikel 3, lid 38
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 2, tweede alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 3
|
|
Artikel 3, lid 39
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 4, eerste alinea
|
|
Artikel 3, lid 40
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 4, tweede alinea
|
|
Artikel 42, lid 1, derde alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 42, lid 1, vierde alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 5, eerste alinea
|
|
Artikel 3, lid 41
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 5, tweede alinea
|
|
Artikel 42, lid 1, vijfde alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 5, derde alinea
|
|
Artikel 42, lid 1, derde alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 6
|
|
Bijlage VI, deel 1, onder a)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 7
|
|
Artikel 3, lid 42
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage VI, deel 1, onder b)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 10
|
|
Artikel 3, lid 43
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3, lid 13
|
|
Artikel 43
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 2
|
|
Artikel 44
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 4, aanhef en onder a) en b)
|
|
Artikel 45, lid 1, aanhef en onder a) en b)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 4, onder c)
|
|
Artikel 45, lid 1, onder e)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 5
|
|
Artikel 45, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 6
|
|
Artikel 45, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 7
|
|
Artikel 45, lid 4
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 8
|
|
Artikel 54
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 5
|
|
Artikel 52
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste alinea
|
|
Artikel 50, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, tweede alinea en artikel 6, lid 2
|
|
Artikel 50, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, derde alinea
|
|
Artikel 50, lid 3, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, eerste deel van de vierde alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 1, tweede deel van de vierde alinea
|
|
Artikel 50, lid 3, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 3
|
|
Artikel 50, lid 4
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 4, eerste en tweede zin van de eerste alinea, en artikel 6, lid 4, eerste en tweede zin van de tweede alinea
|
|
Artikel 51, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 4, derde zin van de eerste alinea
|
|
Artikel 51, lid 2
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 6, lid 4, derde zin van de tweede alinea
|
—
|
Artikel 51, lid 3, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 4, derde alinea
|
|
Artikel 51, lid 3, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 4, vierde alinea
|
|
Artikel 51, lid 4
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 5, eerste zinsnede
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 5, tweede zinsnede
|
|
Artikel 46, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 6
|
|
Artikel 50, lid 5
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 7
|
|
Artikel 50, lid 6
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6, lid 8
|
|
Artikel 50, lid 7
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 1, en artikel 7, lid 2, eerste alinea
|
|
Artikel 46, lid 2, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 2, tweede alinea
|
|
Artikel 46, lid 2, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 3, en artikel 11, lid 8, aanhef van de eerste alinea
|
|
Bijlage VI, deel 6, eerste deel van punt 2.7
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 4
|
|
Artikel 46, lid 2, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 5
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 1
|
|
Artikel 45, lid 1, onder c)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 2
|
|
Artikel 46, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 3
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 4, eerste alinea
|
|
Artikel 46, lid 4, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 4, tweede alinea
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 3,2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 4, derde alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 4, vierde alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 5
|
|
Artikel 46, lid 4, tweede en derde alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 6
|
|
Artikel 45, lid 1, onder c) en d)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 7
|
|
Artikel 46, lid 5
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 8
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, eerste alinea
|
|
Artikel 53, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, tweede alinea
|
|
Artikel 53, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9, derde alinea
|
|
Artikel 53, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, leden 1 en 2
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, lid 3, eerste zin
|
|
Artikel 48, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, lid 3, tweede zin
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, lid 4
|
|
Artikel 48, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, lid 5
|
|
Bijlage VI, deel 6, tweede deel van punt 1.3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 1
|
|
Artikel 48, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 2
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 3
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 4
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 5
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.4
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 6
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.5, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.5, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, eerste deel van de eerste zin van de eerste alinea
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.6, aanhef
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, tweede deel van de eerste zin van de eerste alinea
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.6, onder a)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, tweede zin van de eerste alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, tweede alinea
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, onder a)
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.6, onder b)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, onder b) en c)
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, onder d)
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 2.6, onder c)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 7, onder e) en f)
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 8, eerste alinea, onder a) en b)
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 8, eerste alinea, onder c), en tweede alinea
|
|
Bijlage VI, deel 6, tweede alinea van punt 2.7
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 8, eerste alinea, onder d)
|
|
Bijlage VI, deel 4, punt 2.1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 9
|
|
Artikel 48, lid 4
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 10
|
|
Bijlage VI, deel 8, punt 1.1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 11
|
|
Bijlage VI, deel 8, punt 1.2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 12
|
|
Bijlage VI, deel 8, punt 1.3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 13
|
|
Artikel 48, lid 5
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 49
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 14
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 3.1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 15
|
|
Artikel 45, lid 1, onder e)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 16
|
|
Bijlage VI, deel 8, punt 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 11, lid 17
|
|
Artikel 8, lid 2, onder a)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 1
|
|
Artikel 55, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2, eerste en tweede zin
|
|
Artikel 55, lid 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, lid 2, derde zin
|
|
Artikel 55, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 1
|
|
Artikel 45, lid 1, onder f)
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 2
|
|
Artikel 47
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 3
|
|
Artikel 46, lid 6
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 13, lid 4
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 2
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 14
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 15
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 16
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 20
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage I
|
|
Bijlage VI, deel 2
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, eerste deel (niet genummerd)
|
|
Bijlage VI, deel 4, punt 1
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punt 1, aanhef
|
|
Bijlage VI, deel 4, punt 2.1
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punten 1.1 en 1.2
|
|
Bijlage VI, deel 4, punten 2.2 en 2.3
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage VI, deel 4, punt 2.4
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punt 1,3
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punt 2.1
|
|
Bijlage VI, deel 4, punt 3.1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage VI, deel 4, punt 3.2
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punt 2.2
|
|
Bijlage VI, deel 4, punten 3.3 en 3.4
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II, punt 3
|
|
Bijlage VI, deel 4, punt 4
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage III
|
|
Bijlage VI, deel 6, punt 1
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage IV, tabel
|
|
Bijlage VI, deel 5
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage IV, laatste zin
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder a), tabel
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1.1
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder a), laatste zinnen
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder b), tabel
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1.2
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder b), laatste zin
|
|
—
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder c)
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1.3
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder d)
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1.4
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder e)
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 1.5
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, onder f)
|
|
Bijlage VI, deel 3, punt 3
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VI
|
|
Bijlage VI, deel 7
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 1
|
Artikel 28, eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 2
|
Bijlage V, deel 1, punt 1 en deel 2, punt 1, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 1, punt 1 en deel 2, punt 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 3, tweede deel
|
Bijlage V, deel 1, punt 1 en deel 2, punt 1, eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 1, punt 1 en deel 2, punt 1, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 4
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 6, eerste deel
|
Artikel 3, lid 24
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 6, tweede deel
|
Artikel 28, tweede alinea, onder j)
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, eerste alinea
|
Artikel 3, lid 25
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, tweede alinea, eerste zin
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, tweede alinea, tweede zin en onder a) t/m i)
|
Artikel 28, tweede alinea en onder a) t/m i)
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, tweede alinea, onder j)
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, derde alinea
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 29, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 7, vierde alinea
|
Artikel 29, lid 2
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 29, lid 3
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 8
|
Artikel 3, lid 32
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 9
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 10
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 11
|
Artikel 3, lid 31
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 12
|
Artikel 3, lid 33
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 2, lid 13
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 1
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, lid 2
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4, leden 3 tot en met 8
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 1
|
Bijlage V, deel 1, punt 2, tweede alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V, deel 1, punt 2, eerste, derde en vierde alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 5, lid 2
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 6
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 1
|
Artikel 37
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 2
|
Artikel 30, lid 5
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 7, lid 3
|
Artikel 30, lid 6
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 1
|
Artikel 40, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 2, eerste deel van de eerste alinea
|
Artikel 40, lid 2, eerste deel van de eerste alinea
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 2, tweede deel van de eerste alinea
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 40, lid 2, tweede deel van de eerste alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 40, lid 2, tweede alinea
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 40, lid 3
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 41
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, lid 2, tweede alinea
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 8, leden 3 en 4
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9
|
Artikel 30, lid 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 30, leden 2, 3 en 4
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 9 bis
|
Artikel 36
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, eerste alinea, eerste zin
|
Artikel 30, lid 7, eerste zin
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 30, lid 7, tweede zin
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 30, leden 8 en 9
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 31 t/m 35
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, eerste alinea, tweede volzin
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 10, tweede alinea
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, eerste zin
|
Artikel 38, lid 1
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 12, tweede zin
|
—
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 38, leden 2, 3 en 4
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Artikel 39
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 13
|
Bijlage V, deel 3, derde deel van punt 8
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 14
|
Bijlage V, deel 4
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Deel V, deel 5, 6 en 7
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 15
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 18, lid 2
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage I
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage II
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlagen III en IV
|
Bijlage V, punt 2 van deel 1 en deel 2
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V A
|
Bijlage V, deel 1, punt 3
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage V B
|
Bijlage V, deel 2, punt 3
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VI A
|
Bijlage V, deel 1, punten 4 en 6
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 1, punt 5
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VI B
|
Bijlage V, deel 2, punten 4 en 6
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 2, punt 5
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VII A
|
Bijlage V, deel 1, punten 7 en 8
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VII B
|
Bijlage V, deel 2, punten 7 en 8
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 1
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 2
|
Bijlage V, deel 3, eerste deel van punt 1 en punten 2, 3 en 5
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 3, tweede deel van punt 1
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 3, punt 4
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 3
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 4
|
Bijlage V, deel 3, punt 6
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 5
|
Bijlage V, deel 3, punten 7 en 8
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII A, punt 6
|
Bijlage V, deel 3, punten 9 en 10
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 3, punt 11
|
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
—
|
Bijlage V, deel 4
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII B
|
—
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijlage VIII C
|
—
|
|
|
|
|
Bijlage VI
|
|
|
Bijlage IX
|
Bijlage IX
|
|
|
|
|
Bijlage VII
|
|
|
Bijlage X
|
Bijlage X
|
|
,
1.1 Referenties
1.2 Geïdentificeerde eisen
1.3 Gerelateerde standaarden
2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|