De instellingen rapporteren hun liquiditeitsinstromen. Liquiditeitsinstromen worden begrensd op 75 % van de liquiditeitsuitstromen. Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit bij andere instellingen geplaatste deposito's die in aanmerking komen voor de in artikel 113, lid 6 of lid 7, van deze verordening beschreven behandeling, van die limiet uitsluiten.
Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit gelden die door leningnemers en beleggers in obligaties zijn verschuldigd, uitsluiten van die limiet indien die instromen verband houden met hypotheken die worden gefinancierd door obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4, 5 of 6, van deze verordening bedoelde behandeling of door gedekte obligaties als bedoeld in artikel 3, punt 1, van Richtlijn (EU) 2019/2162. Instellingen kunnen instromen uit stimuleringsleningen waarvoor zij als tussenpersoon hebben gefungeerd, uitsluiten. Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op individuele basis, kan de instelling geheel of gedeeltelijk instromen uitsluiten waarbij de verstrekker van liquiditeit een moeder- of dochterinstelling van de instelling is, een moeder- of dochterbeleggingsonderneming van de instelling is of een andere dochter van dezelfde moederinstelling of moedermoederbeleggingsonderneming, dan wel verbonden is met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU.