+Artikel 47 Beoordeling van de nauwkeurigheid en frequentie van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor wanbetalingsrisico
---+Artikel 47 1
---+Artikel 47 2

Artikel 47 Beoordeling van de nauwkeurigheid en frequentie van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor wanbetalingsrisico

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 47 1

1.   Bij de beoordeling van de vraag of de eigenvermogensvereisten van een instelling voor het wanbetalingsrisico gelijk zijn aan een VaR-waarde met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9 %, zoals vereist door artikel 325 septsexagies, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, gaan de bevoegde autoriteiten als volgt te werk:

a)

zij gaan na of de door de instelling gehanteerde schatter voor het schatten van de VaR-waarde nauwkeurig is;

b)

wanneer de VaR-berekening is gebaseerd op Monte Carlo-simulaties, gaan zij na of het aantal simulaties convergentie naar stabiele resultaten garandeert, en de aselecte eigenschappen van de reeksen die worden gebruikt voor het genereren van de simulaties;

c)

zij gaan na of de waarde van de posities in de portefeuilles van de instelling verwijst naar de VaR-referentiedatum voordat de veranderingen in de waarde van de portefeuille na wanbetaling van uitgevende instellingen worden berekend;

d)

zij gaan na of, met uitzondering van de posities waarvoor de in artikel 325 septsexagies, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde afwijking geldt, bij de VaR-berekening een tijdshorizon van één jaar wordt gehanteerd;

e)

wanneer het wanbetalingsrisico minder vaak dan dagelijks wordt berekend, analyseren zij het proces dat de instelling toepast om de frequentie van de berekening van de eigenvermogensvereisten voor wanbetalingsrisico te bepalen, en gaan zij na of de berekening met een lagere frequentie niet leidt tot een onderschatting van het risico;

f)

zij gaan na of voor aandeleninstrumenten de prijzen op nul worden gezet wanneer de wanbetalingen van die aandeleninstrumenten worden gesimuleerd, en of dit stelselmatig door de interne systemen wordt gewaarborgd, en zij kunnen nagaan of dat het geval is aan de hand van een steekproef van aandelenposities.

Voor de toepassing van punt a) gaan de bevoegde autoriteiten na hoe de instelling de schatter heeft gekozen en welke analyse is uitgevoerd om deze keuze te onderbouwen.

Voor de toepassing van punt b) toetsen de bevoegde autoriteiten de door de instelling uitgevoerde tests om het aantal simulaties vast te stellen.

Voor de toepassing van punt d) gaan de bevoegde autoriteiten na of de beweegredenen van de instelling om deze afwijking toe te passen deugdelijk zijn, met name wanneer de instelling voor sommige posities in aandelen een tijdshorizon van zestig dagen hanteert en voor andere posities in aandelen een tijdshorizon van één jaar hanteert.

Voor de toepassing van punt e) gaan de bevoegde autoriteiten als volgt te werk:

a)

wanneer het wanbetalingsrisico wekelijks wordt berekend, analyseren zij het proces dat de instelling toepast om te bepalen op welke dag van de week de eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico worden berekend;

b)

zij eisen dat de instelling, voor zover nog niet beschikbaar, de dagelijkse “jump-to-default”-blootstellingen over een gegeven periode berekent en zij beoordelen of deze posities wijzen op een stelselmatig lager risicoprofiel op de dagen waarop de eigenvermogensvereisten worden berekend;

c)

zij kunnen ook aanvullende cijfers gebruiken die de instelling dagelijks kan berekenen voor interne risicobeheersingsdoeleinden, met inbegrip van dagelijkse gevoeligheden voor de meest materiële uitgevende instellingen.

Voor de toepassing van de vierde alinea, punt b), kunnen de bevoegde autoriteiten, wanneer er aanwijzingen zijn voor een stelselmatig lager risicoprofiel, hun beoordeling aanvullen door te eisen dat de instelling dagelijks en voor een gegeven periode haar eigenvermogensvereisten voor het wanbetalingsrisico berekent, en door te analyseren of deze maatstaven stelselmatig lager zijn op de door de instelling gekozen dagen.

Artikel 47 2

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt b), kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zij de tests die de instelling uitvoert om het aantal simulaties vast te stellen, ontoereikend achten:

a)

eisen dat de instelling de statistische Monte Carlo-fout met een betrouwbaarheidsniveau van 95 % verstrekt, en nagaan of de voor het meten van deze statistische fout gebruikte methode deugdelijk is;

b)

eisen dat de instelling de VaR-maatstaf berekent met verschillende startwaarden, waarbij alle overige aannames gelijk blijven, en nagaan dat de methode die wordt gebruikt om de simulatie te genereren, geen vertekening in de resultaten veroorzaakt;

c)

beoordelen of de verschillen in de VaR-maatstaven met verschillende startwaarden, zoals berekend overeenkomstig punt b), verenigbaar zijn met de in punt a) bedoelde statistische fout, en, indien dat niet het geval is, de hoofdoorzaak van die onverenigbaarheid beoordelen en vervolgens beoordelen hoeveel simulaties nodig zijn om ervoor te zorgen dat de statistische fout minder dan 5 % bedraagt.

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis