|
+Artikel 7 3. |
Artikel 7 3.De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten minste voor rechtspersonen die op grond van artikel 6, lid 1, aansprakelijk zijn, strafrechtelijke delicten die vallen onder artikel 3, lid 2, strafbaar worden gesteld met strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboeten, waarvan het bedrag evenredig is aan de ernst van de gedraging en de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersoon. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het maximale bedrag van die geldboeten niet lager is dan:
a)
voor strafrechtelijke delicten die vallen onder artikel 3, lid 2, punten a) tot en met l), p), s) en t):
i)
5 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het delict is gepleegd, hetzij in het boekjaar voorafgaand dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen, of
ii)
een bedrag dat overeenkomt met 40 000 000 EUR;
b)
voor strafrechtelijke delicten die vallen onder artikel 3, lid 2, punten m), n), o), q) en r):
i)
3 % van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het delict is gepleegd, hetzij in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen, of
ii)
een bedrag dat overeenkomt met 24 000 000 EUR. De lidstaten kunnen regels vaststellen voor gevallen waarin het niet mogelijk is het bedrag van de geldboete te bepalen op basis van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin het delict is gepleegd, of in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|