|
***** RICHTLIJN VAN DE RAAD van 13 februari 1989 betreffende de verplichtingen inzake openbaarmaking van jaarstukken voor in een Lid-Staat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen die hun hoofdkantoor buiten deze Lid-Staat hebben (89/117/EEG) DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, Gezien het voorstel van de Commissie (1), In samenwerking met het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat de verwezenlijking van een Europese interne markt veronderstelt dat de bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen waarvan het hoofdkantoor in een andere Lid-Staat is gelegen op gelijke voet behandeld worden als de bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen die hun hoofdkantoor in dezelfde Lid-Staat hebben; dat dit met betrekking tot de openbaarmaking van jaarstukken betekent, dat het volstaat wanneer de bijkantoren van instellingen met hoofdkantoor in een andere Lid-Staat, de jaarstukken van de instelling in hun geheel openbaar maken; Overwegende dat in het kader van een ander instrument tot cooerdinatie van de verplichtingen inzake openbaarmaking met betrekking tot bijkantoren is voorzien in bepaalde documenten en gegevens over in een Lid-Staat gevestigde bijkantoren die bepaalde soorten vennootschappen, waaronder banken en andere financiële instellingen, die onder het recht van een andere Lid-Staat vallen, openbaar moeten maken; dat er met betrekking tot de openbaarmaking van jaarstukken wordt verwezen naar specifieke bepalingen die voor banken en andere financiële instellingen moeten worden vastgesteld; Overwegende dat de in enige Lid-Staten thans bestaande praktijk om van bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen waarvan het hoofdkantoor buiten deze Lid-Staten ligt, openbaarmaking van een op hun eigen bedrijf betrekking hebbende jaarrekening te verlangen, na de vaststelling van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (4) haar rechtvaardigingsgrond heeft verloren; dat het publiek, en met name de schuldeisers, door middel van de bekendmaking van jaarrekeningen van bijkantoren geen voldoende inzicht kan verkrijgen in de financiële positie van de onderneming, daar een onderdeel van een geheel niet afzonderlijk kan worden beschouwd; Overwegende dat voorts, gezien de huidige stand van de integratie, de behoefte aan bepaalde informatie over de werkzaamheid van in een Lid-Staat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen die hun hoofdkantoor buiten de desbetreffende Lid-Staat hebben, niet buiten beschouwing kan worden gelaten; dat de omvang van deze inlichtingen echter dient te worden beperkt, ten einde concurrentiedistorsies te verhinderen; Overwegende evenwel dat de onderhavige richtlijn uitsluitend betrekking heeft op de verplichtingen tot openbaarmaking van de jaarstukken, en dat zij de verplichtingen tot informatieverstrekking waaraan bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen zich moeten houden uit hoofde van andere voorschriften, bij voorbeeld van de sociale wetgeving wat het recht op informatie van de werknemers betreft, van de wetgeving inzake het banktoezicht met betrekking tot kredietinstellingen of financiële instellingen van het land van het bijkantoor, van de belastingwetgeving, alsmede voor statistische doeleinden, volledig onverlet laat; Overwegende dat de gelijkheid van de mededingingsvoorwaarden voor bijkantoren van kredietinstellingen en financiële instellingen met hoofdkantoor in een derde land betekent dat deze zich bij de openbaarmaking van de jaarstukken moeten houden aan een standaard die gelijk of gelijkwaardig is aan die van de Gemeenschap, maar ook dat deze bijkantoren geen jaarrekening betreffende hun eigen bedrijf openbaar behoeven te maken, wanneer zij aan de bovengenoemde voorwaarde voldoen; Overwegende dat de in verband met deze richtlijn vereiste gelijkwaardigheid van jaarstukken van kredietinstellingen en financiële instellingen met hoofdkantoor in een derde land beoordelingsproblemen kan opleveren; dat de behandeling van deze problemen, evenals van de andere vraagstukken die zich op het terrein van deze richtlijn voordoen, met name voor wat de toepassing van de onderhavige richtlijn betreft, meebrengt dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten en die van de Commissie in een contactcomité met elkaar samenwerken; dat het, ten einde de toeneming van het aantal van dergelijke comités te vermijden, wenselijk is deze samenwerking te doen plaatsvinden in het in artikel 52 van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 84/569/EEG (2), bedoelde Contactcomité; dat wanneer evenwel met kredietinstellingen verband houdende vraagstukken worden behandeld, aan het Contactcomité een daarop afgestemde samenstelling dient te worden gegeven, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
|