+HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
---+Artikel 1 Onderwerp
------+Artikel 1 1.
------+Artikel 1 2.
---+Artikel 2 Toepassingsgebied
------+Artikel 2 1.
------+Artikel 2 2.
---+Artikel 3 Definities
---+Artikel 4 Motorcategorieën
------+Artikel 4 1.
------+Artikel 4 2.
------+Artikel 4 3.

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving
Artikel 1 Onderwerp

Onderwerp

Artikel 2 Toepassingsgebied

Toepassingsgebied

Artikel 3 Definities

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„niet voor de weg bestemde mobiele machines” : mobiele machine, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder carrosserie of wielen, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg; hieronder vallen ook machines die zijn gemonteerd op het chassis van voertuigen bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg;

2)

„EU-typegoedkeuring” : de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een motortype of motorfamilie aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

3)

„verontreinigende gassen” : de volgende verontreinigende stoffen in de gasvorm ervan, die door een motor worden uitgestoten: koolmonoxide (CO), totale koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxiden (NOx); NOx betreft daarbij stikstofoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2-equivalent;

4)

„deeltjes” of „PM” : de massa van het materiaal in het gas dat door een motor wordt uitgestoten en op een gespecificeerd filtermedium wordt opgevangen na verdunning van het gas met schone, gefiltreerde lucht zodat de temperatuur niet meer dan 325 K (52 °C) bedraagt;

5)

„deeltjesaantal” of „PN” : het aantal vaste deeltjes met een diameter groter dan 23 nm dat door een motor wordt uitgestoten;

6)

„verontreinigende deeltjes” : elke emissie van een motor die als PM of PN wordt gemeten;

7)

„interne verbrandingsmotor” of „motor” : een energieomzetter, maar geen gasturbine, die is ontworpen om chemische energie (input) om te zetten in mechanische energie (output) middels een intern verbrandingsproces; omvat, indien deze zijn geïnstalleerd, het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van de motor en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of van niet voor de weg bestemde mobiele machines, die nodig is om aan de hoofdstukken II en III te voldoen;

8)

„motortype” : een groep van motoren die onderling niet verschillen wat betreft de essentiële motorkenmerken;

9)

„motorfamilie” : een door de fabrikant bepaalde groep van motoren die vanwege hun ontwerp vergelijkbare eigenschappen bezitten wat betreft de uitlaatemissie en die aan de geldende emissiegrenswaarden voldoen;

10)

„basismotor” : een motortype dat op zodanige wijze uit een motorfamilie is gekozen dat de emissie-eigenschappen representatief zijn voor die motorfamilie;

11)

„ruilmotor” :

een motor die:

a) 

uitsluitend gebruikt wordt om een motor te vervangen die reeds op de markt wordt gebracht en in niet voor de weg bestemde mobiele machines is gemonteerd, en

b) 

voldoet aan een emissiefase die lager is dan die die van toepassing is op de datum waarop de motor wordt vervangen;

12)

„in gebruik zijnde motor” : een motor die wordt gebruikt in niet voor de weg bestemde mobiele machines in de normale bedrijfspatronen, -omstandigheden en -belasting daarvan, en die bestemd is voor de uitvoering van de emissiemonitoringtests als bedoeld in artikel 19;

13)

„CI-motor” : een motor die werkt volgens het principe van compressieontsteking („CI”);

14)

„SI-motor” : een motor die werkt volgens het principe van elektrische ontsteking;

15)

„SI-motor voor handapparatuur” :

een SI-motor met een referentievermogen van minder dan 19 kW, en die gebruikt wordt in een apparaat dat ten minste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

het wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener gedragen;

b) 

het werkt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) op meerdere posities, zoals ondersteboven of op zijn kant;

c) 

zijn gecombineerde drooggewicht, motor inbegrepen, bedraagt minder dan 20 kg en het voldoet ten minste aan een van de volgende voorwaarden:

i) 

het apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener fysisch ondersteund of gedragen;

ii) 

het apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener fysisch ondersteund ofwel door de stand van zijn lichaam bestuurd;

iii) 

het apparaat wordt gebruikt in een generator of pomp;

16)

„vloeibare brandstof” : brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden in vloeibare vorm voorkomt (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);

17)

„gasvormige brandstof” : brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden volledig gasvormig is (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);

18)

„dual-fuelmotor” : een motor die is ontworpen om tegelijkertijd met vloeibare brandstof en een gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden;

19)

„single-fuelmotor” : een motor die geen dual-fuelmotor is;

20)

„GER (gasenergieverhouding)” : bij een dual-fuelmotor de verhouding tussen de energie-inhoud van de gasvormige brandstof en die van beide brandstoffen; bij single-fuelmotoren wordt de GER gedefinieerd als 1 of 0, afhankelijk van het type brandstof;

21)

„motor met constant toerental” : een motor waarvan de EU-typegoedkeuring beperkt is tot bedrijf met constant toerental, met uitzondering van motoren waarvan de reguleerfunctie voor een constant toerental is verwijderd of uitgeschakeld; hij kan voorzien zijn van een functie voor stationair draaien ten behoeve van het starten en uitzetten en van een regelaar die op verschillende toerentallen kan worden ingesteld wanneer de motor wordt uitgezet;

22)

„motor met variabel toerental” : een motor die geen motor met constant toerental is;

23)

„bedrijf met constant toerental” : een motorbedrijf met een regelaar die de vraag van de operator automatisch regelt om het motortoerental te handhaven, zelfs onder variërende belasting;

24)

„hulpmotor” : een motor die is gemonteerd of bestemd is te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, en die geen directe of indirecte aandrijfkracht levert;

25)

„nettovermogen” : het vermogen van de motor uitgedrukt in kW, verkregen op de testbank aan het uiteinde van de krukas of het equivalent daarvan, gemeten overeenkomstig de in VN/ECE-Reglement nr. 120 opgenomen methode voor het meten van het vermogen van interne verbrandingsmotoren gebruikmakend van een referentiebrandstof of brandstofcombinatie als vastgesteld in artikel 25, lid 2;

26)

„referentievermogen” : het nettovermogen dat wordt gebruikt om toepasselijke emissiegrenswaarden voor de motor vast te stellen;

27)

„nominaal nettovermogen” : het door de fabrikant opgegeven nettovermogen, uitgedrukt in kW, van de motor bij nominaal toerental;

28)

„maximaal nettovermogen” : de hoogste waarde van het nettovermogen op de nominaalvermogenscurve bij vollast voor het motortype;

29)

„nominaal toerental” : het door de regelaar van een motor toegestane maximumtoerental bij vollast volgens opgave van de fabrikant of, als er geen regelaar is, het toerental waarbij van de motor het maximaal nettovermogen wordt verkregen volgens opgave van de fabrikant;

30)

„productiedatum van de motor” : de datum, uitgedrukt in maand en jaar, waarop de motor de eindcontrole passeert, na het verlaten van de productielijn, en gereed is voor levering of opslag;

31)

„overgangsperiode” : de eerste 24 maanden na de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van fase V-motoren;

32)

„overgangsmotor” :

een motor met een productiedatum vóór de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren, en die:

a) 

voldoet aan de meest recente toepasselijke emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is op 5 oktober 2016, of

b) 

valt onder een vermogensgroep, of wordt gebruikt of is bestemd voor gebruik in een toepassing, die op 5 oktober 2016 op het niveau van de Unie niet onderworpen was aan grenswaarden inzake verontreinigende emissies en typegoedkeuring;

33)

„productiedatum van de niet voor de weg bestemde mobiele machine” : de maand en het jaar dat is aangegeven op de voorgeschreven opschriften van de machine of, in afwezigheid van een voorgeschreven opschrift, de maand en het jaar waarin de machine de eindcontrole passeert na het verlaten van de productielijn;

34)

►C1  „binnenschip” : een vaartuig dat binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/1629 valt; ◄

35)

„generatoraggregaat” : een onafhankelijke niet voor de weg bestemde mobiele machine die geen deel uitmaakt van een aandrijflijn en hoofdzakelijk bestemd is voor het opwekken van elektriciteit;

36)

„stationaire machines” : machines die zijn bestemd om voor het eerste gebruik permanent op één locatie te worden geïnstalleerd en niet bestemd zijn voor verplaatsing, over de weg of op andere wijze, behalve tijdens het transport van de plaats van productie naar de plaats van eerste installatie;

37)

„permanent geïnstalleerd” : met bouten vastgezet of op andere manier zodanig bevestigd dat het niet verwijderd kan worden zonder gebruik van gereedschap of instrumenten, op een fundering of ander bevestigingspunt die of dat ervoor moet zorgen dat de motor op één enkele plek in een gebouw, constructie, faciliteit of installatie functioneert;

38)

„sneeuwscooter” : een zelfrijdende machine bedoeld voor vervoer buiten de wegen, voornamelijk op sneeuw, aangedreven door rupsbanden die in contact staan met de sneeuw en bestuurd door een ski of ski's die in contact staat of staan met de sneeuw, en met een maximale onbeladen massa in rijklare toestand van 454 kg (met inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en uitrustingsstukken, maar zonder optionele accessoires en bestuurder);

39)

„terreinvoertuig” of „ATV” : een gemotoriseerd voertuig, aangedreven door een motor, dat voornamelijk is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken op vier of meer wielen met ballonbanden, alleen voorzien van een zitplaats waarop de bestuurder schrijlings zit of van een zitplaats waar de bestuurder schrijlings zit en van een zitplaats voor niet meer dan één passagier, en van een stuurstang;

40)

„side-by-side-voertuig” of „SbS” : een niet-geleed, door de bediener bestuurd voertuig met eigen aandrijving dat voornamelijk is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken op vier of meer wielen, met een minimale ongeladen massa in rijklare toestand van 300 kg (met inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en uitrustingsstukken, maar zonder optionele accessoires en bestuurder) en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/h of meer; een dergelijk voertuig is tevens ontworpen voor het vervoer van personen en/of goederen, en/of voor het duwen en trekken van uitrustingsstukken, wordt anders dan door een stuurstang bestuurd, is ontworpen voor recreatieve of transportdoeleinden en vervoert ten hoogste zes personen, waaronder de bestuurder, die naast elkaar op een of meer niet-zadelzitplaatsen zitten;

41)

„spoorvoertuig” : een niet voor de weg bestemde mobiele machine die uitsluitend op de spoorweg rijdt;

42)

„locomotief” : een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor de eigen voortbeweging en voor de voortbeweging van andere spoorvoertuigen die zijn ontworpen voor het vervoer van vracht, passagiers en andere uitrustingsstukken, en dat zelf niet is ontworpen of bestemd om vracht of passagiers te vervoeren, behalve de personen die het bedienen;

43)

„treinstel” : een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor de eigen voortbeweging, en dat specifiek is ontworpen voor het vervoer van goederen of passagiers, of zowel goederen als passagiers, en geen locomotief is;

44)

„hulpspoorvoertuig” : spoorvoertuig dat geen treinstel of locomotief is, met inbegrip van maar niet uitsluitend een spoorvoertuig dat specifiek is ontworpen om onderhouds- of constructiewerkzaamheden of hefverrichtingen uit te voeren die verband houden met het spoor of andere spoorweginfrastructuur;

45)

„mobiele kraan” : een giekkraan die op eigen kracht verrijdbaar is zonder of met vaste kraanbaan of op beide manieren, en zijn stabiliteit aan de zwaartekracht ontleent, en voor het verplaatsen gebruik maakt van banden, rupsbanden of andere mobiele voorzieningen.

46)

„sneeuwblazer” : een toestel met eigen aandrijving dat uitsluitend is ontworpen voor het sneeuwruimen vanaf een verhard oppervlak door het verzamelen van een hoeveelheid sneeuw die vervolgens met kracht via een koker wordt uitgeworpen;

47)

„op de markt aanbieden” : het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een motor of een niet voor de weg bestemde mobiele machine, met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie;

48)

„in de handel brengen” : het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een motor of niet voor de weg bestemde mobiele machines;

49)

„fabrikant” : de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuring voor motoren of de vergunningsprocedure en voor de conformiteit van de productie van de motor, en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde motoren, ongeacht of deze direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van de motor waarvoor EU-typegoedkeuring wordt aangevraagd;

50)

„vertegenwoordiger van de fabrikant” of „vertegenwoordiger” : een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant naar behoren schriftelijk is gemachtigd om de fabrikant te vertegenwoordigen bij kwesties met betrekking tot de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;

51)

„importeur” : elke in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een motor uit een derde land in de handel brengt, ongeacht of de motor al in een niet voor de weg bestemde mobiele machine is gemonteerd;

52)

„distributeur” : een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, behalve de fabrikant of de importeur, die een motor op de markt aanbiedt;

53)

„marktdeelnemer” : de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;

54)

„fabrikant van originele uitrusting” of „OEM” : een natuurlijke of rechtspersoon die niet voor de weg bestemde mobiele machines fabriceert;

55)

„goedkeuringsinstantie” :

de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door hem is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is:

a) 

voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuring van een motortype of motorfamilie;

b) 

voor de vergunningsprocedure;

c) 

voor het verlenen en, in voorkomend geval, het intrekken of weigeren van EU-typegoedkeuring, en het afgeven van EU-typegoedkeuringscertificaten;

d) 

om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten;

e) 

voor de aanwijzing van de technische diensten, en

f) 

om ervoor te zorgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van de productie;

56)

„technische dienst” : een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten of de goedkeuringsinstantie zelf wanneer die deze functies vervult;

57)

„markttoezicht” : activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat motoren die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie;

58)

„markttoezichtautoriteit” : de autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

59)

„nationale autoriteit” : een goedkeuringsinstantie of enige andere autoriteit die, met betrekking tot motoren die bestemd zijn om worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines of tot niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin motoren zijn gemonteerd, betrokken is bij en verantwoordelijk is voor markttoezicht, grenscontroles of het in de handel brengen in een lidstaat;

60)

„eindgebruiker” : een natuurlijke of rechtspersoon behalve de fabrikant, fabrikant van originele uitrusting, invoerder of distributeur, die verantwoordelijk is voor het bedienen van de in een niet voor de weg bestemde mobiele machine gemonteerde motor;

61)

„emissiebeheersingstrategie” : een onderdeel of een reeks onderdelen van het ontwerp die zijn opgenomen in het totaalontwerp van een motor of een niet voor de weg bestemde mobiele machine waarin een motor is gemonteerd, en die gebruikt worden bij het beheersen van emissies;

62)

„emissiebeheersingssysteem” : een voorziening, systeem of ontwerpelement die of dat de emissie beheerst of vermindert;

63)

„manipulatiestrategie” : een emissiebeheersingsstrategie die de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem vermindert onder omgevings- of motorbedrijfsomstandigheden die hetzij bij een normaal gebruik van de machine, hetzij buiten de testprocedures van de EU-typegoedkeuring optreden;

64)

„elektronische regeleenheid” : de elektronische voorziening van een motor, die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en gegevens van motorsensoren gebruikt om motorparameters te regelen;

65)

„uitlaatgasrecirculatie” of „EGR” : een technische voorziening die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en de emissies vermindert door de door de verbrandingskamer(s) uitgestoten uitlaatgassen weer naar de motor te voeren om vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht te worden gemengd, met uitzondering van het gebruik van kleptiming om de hoeveelheid residueel uitlaatgas in de verbrandingskamer(s) dat vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht wordt gemengd, te vergroten;

66)

„uitlaatgasnabehandelingssysteem” : een katalysator, deeltjesfilter, deNOx-systeem, gecombineerd deNOx-deeltjesfilter of elke andere voorziening voor emissievermindering, met uitzondering van uitlaatgasrecirculatie (EGR) en turbocompressoren, die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem maar voorbij de uitlaatpoorten van de motor is gemonteerd;

67)

„manipulatie” : de inactivering, bijstelling of wijziging van het emissiebeheersingssysteem, inclusief software of andere logische besturingselementen van die systemen, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van de motor slechter worden;

68)

„testcyclus” : een sequentie van testpunten, elk bij een specifiek toerental en koppel van de motor bij een test onder transiënte of statische bedrijfsomstandigheden;

69)

„testcyclus in statische toestand” : een testcyclus waarin het motortoerental en het koppel op een eindige reeks nominaal constante waarden worden gehouden; tests in statische toestand worden in één bepaalde modus of in een modus met overgangen uitgevoerd;

70)

„transiënte testcyclus” : een testcyclus met een sequentie van genormaliseerde toerental- en koppelwaarden die binnen een tijdspanne per seconde variëren;

71)

„motorcarter” : de afgesloten ruimten in of buiten de motor die met het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waaruit gassen en dampen kunnen ontsnappen;

72)

„regeneratie” : een gebeurtenis waarbij de emissieniveaus veranderen terwijl de prestaties van het uitlaatgasnabehandelingssysteem door het ontwerp worden hersteld en die kan worden ingedeeld als continue regeneratie of niet-frequente (periodieke) regeneratie;

73)

„emissieduurzaamheidsperiode” of „EDP” : het aantal uren dat wordt besteed of, waar van toepassing, de afstand die wordt aangewend om de verslechteringsfactoren vast te stellen;

74)

„verslechteringsfactoren” : de reeks factoren die het verband aantonen tussen emissies aan het begin en aan het eind van de emissieduurzaamheidsperiode;

75)

„virtuele tests” : computersimulaties, daaronder begrepen berekeningen, die gebruikt worden om het prestatieniveau van een motor aan te tonen als hulp bij besluitvorming zonder dat een fysieke motor dient te worden gebruikt.

Artikel 4 Motorcategorieën

Motorcategorieën

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis