4. Alvorens de in lid 2 bedoelde aanbeveling uit te vaardigen, raadpleegt de AMLA de toezichthouder van het derde land die voor de respondentinstelling verantwoordelijk is en verzoekt zij deze zowel de eigen standpunten als die van de respondentinstelling te geven over de toereikendheid van de AML/CFT-gedragslijnen, procedures en controles, alsmede van de cliëntenonderzoeksmaatregelen die de respondentinstelling heeft genomen om het risico van witwassen, basisdelicten en terrorismefinanciering te beperken, en over de te nemen corrigerende maatregelen. Indien binnen twee maanden geen antwoord is verstrekt of indien uit het antwoord niet blijkt dat de respondentinstelling uit een derde land bevredigende AML/CFT-gedragslijnen, -procedures en -controles alsmede adequate cliëntenonderzoeksmaatregelen ter beperking van de risico’s waaraan zij is blootgesteld en die van invloed kunnen zijn op de correspondentrelatie kan toepassen, gaat de AMLA door met de aanbeveling.