+Artikel 104 2.

Artikel 104 2.

Instellingen wijzen posities in de volgende instrumenten toe aan de handelsportefeuille:

a) 

instrumenten die voldoen aan de in artikel 325, leden 6, 7 en 8, bepaalde criteria voor opneming in de alternatieve correlatiehandelsportefeuille („ACHP”);

b) 

instrumenten die tot een netto short credit-positie of netto short aandelenpositie in de niet-handelsportefeuille zouden leiden, met uitzondering van de eigen verplichtingen van de instelling, tenzij die laatste posities voldoen aan de in punt e) vermelde criteria;

c) 

instrumenten die voortvloeien uit verbintenissen voor het overnemen van effecten, indien die overnameverbintenissen uitsluitend betrekking hebben op effecten waarvan de verwachting is dat die op de afwikkelingsdatum zullen worden gekocht door de instelling;

d) 

instrumenten die in het op de instelling toepasselijke raamwerk voor financiële verslaggeving ondubbelzinnig zijn ingedeeld als „aangehouden voor handelsdoeleinden”;

e) 

instrumenten die voortvloeien uit market-makingactiviteiten;

f) 

posities die worden ingenomen met de intentie om te handelen in icb’s, mits die icb’s aan ten minste één van de voorwaarden van lid 8 voldoen;

g) 

beursgenoteerde aandelen;

h) 

effectenfinancieringstransacties voor handelsdoeleinden;

i) 

opties of andere derivaten ingebouwd in de eigen verplichtingen van de instelling in de niet-handelsportefeuille die met kredietrisico of aandelenrisico verband houden.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), heeft een instelling een netto short aandelenpositie wanneer een daling in de koers van een aandeel resulteert in winst voor de instelling. Een instelling heeft een netto short credit-positie wanneer de verruiming van de creditspread of de verslechtering van de kredietwaardigheid van een uitgevende instelling of groep van uitgevende instellingen resulteert in winst voor de instelling. Instellingen monitoren voortdurend of instrumenten aanleiding kunnen geven tot een netto short credit-positie of netto short aandelenpositie in de niet-handelsportefeuille.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt i), splitst een instelling de ingebouwde optie, of het andere derivaat, af van haar eigen verplichtingen in de niet-handelsportefeuille die met krediet- of aandelenrisico verband houdt. Zij wijst de ingebouwde optie of het andere derivaat toe aan de handelsportefeuille en laat haar eigen verplichting in de niet-handelsportefeuille. Wanneer het instrument van dien aard is dat splitsen niet mogelijk is, wijst een instelling het instrument in zijn geheel toe aan de handelsportefeuille. In dat geval documenteert zij naar behoren de reden waarom zij die behandeling toepast.

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis