|
+5.5 Rol van dochterondernemingen en bijkantoren |
5.5 Rol van dochterondernemingen en bijkantoren119.Instellingen die dochterondernemingen zijn van een consoliderende instelling, dienen in hun beloningsbeleid het beleid ten uitvoer te leggen dat is vastgesteld door de consoliderende moederinstelling en de aanwijzingsprocedure voor personeelsleden. Alle dochterondernemingen dienen actief deel te nemen aan de aanwijzingsprocedure die wordt uitgevoerd door de consoliderende moederinstelling. Dit houdt met name in dat elke dochteronderneming die onder de prudentiële consolidatie valt, met inbegrip van dochterondernemingen die zelf niet aan Richtlijn 2013/36/EU onderworpen zijn, de consoliderende instelling alle informatie dienen te verstrekken die nodig is om naar behoren alle personeelsleden aan te wijzen die het risicoprofiel van de instelling op geconsolideerd of gesubconsolideerd niveau wezenlijk beïnvloeden. 120.Dochterondernemingen die zelf niet onderworpen zijn aan Richtlijn 2013/36/EU, hoeven op individueel niveau geen aanwijzingsprocedure uit te voeren, tenzij zij daartoe verplicht zijn op grond van sectorspecifieke beloningsvereisten. Voor dochterondernemingen die niet onderworpen zijn aan de richtlijn of andere specifieke beloningsvereisten als vermeld in artikel 109, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU, dient de beoordeling door de consoliderende instelling op geconsolideerd en gesubconsolideerd niveau te worden uitgevoerd op basis van door de dochteronderneming verstrekte informatie. Instellingen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/36/EU vallen, dienen hun eigen zelfbeoordeling voor het aanwijzen van personeelsleden op individueel niveau te verrichten. Kleine, minder complexe instellingen die zijn inbegrepen in een aanwijzingsprocedure op geconsolideerde basis, mogen de praktische uitvoering van de aanwijzingsprocedure op individueel niveau delegeren aan de consoliderende instelling. 121.In een lidstaat gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen met een hoofdkantoor in een derde land en instellingen in een lidstaat die dochterondernemingen zijn van moederinstellingen in derde landen, dienen de aanwijzingsprocedure uit te voeren en hun moederinstellingen over de uitkomsten hiervan te informeren. In een lidstaat gevestigde instellingen dienen hun dochterondernemingen die onder de prudentiële consolidatie vallen alsook bijkantoren in derde landen in hun beoordeling op te nemen. Instellingen moeten zich ervan bewust zijn dat bijkantoren een niet-onafhankelijk deel van de instelling vormen. 122.Voor bijkantoren van instellingen uit derde landen die zich in een lidstaat bevinden, moeten de criteria voor aanwijzing op dezelfde wijze op de functies, bedrijfsactiviteiten en personeelsleden in een lidstaat worden toegepast als wanneer het een instelling op individueel niveau zou zijn. 1. Overzicht
1.1 Referenties1.2 Geïdentificeerde eisen1.3 Gerelateerde standaarden2. Geïdentificeerde eisen
3. Gerelateerde standaarden
|