+Preamble: 1

Preamble: 1

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 5, lid 10, artikel 6, lid 8, artikel 10, lid 9, artikel 12, lid 6, artikel 15, lid 4, artikel 23, lid 2, artikel 36, lid 14, artikel 55, lid 3, artikel 82, lid 3 en artikel 88, lid 7, van deze verordening,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bepalingen in deze verordening houden nauw met elkaar verband, aangezien zij betrekking hebben op het bij Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde afwikkelingskader vanaf de planning van het herstel en de afwikkeling van een instelling, de fase van vroegtijdige interventie tot het moment waarop de afwikkelingsmaatregel wordt uitgevoerd. Om te zorgen voor samenhang tussen deze bepalingen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en ter bevordering van het afwikkelingsproces moet aan instellingen, autoriteiten en marktdeelnemers, waaronder beleggers die niet in de EU zijn gevestigd, een volledig beeld van en een compacte toegang tot hun rechten en verplichtingen worden geboden. Daarom is het wenselijk om de desbetreffende bij Richtlijn 2014/59/EU vereiste technische reguleringsnormen in één enkele verordening samen te brengen.

(2)

Naast de definities in Richtlijn 2014/59/EU zijn bepaalde specifieke definities van de gebruikte technische termen noodzakelijk.

(3)

Uniforme regels betreffende de minimaal vereiste informatie in herstelplannen moeten rekening houden met, maar geen afbreuk doen aan, de bevoegdheden van de betrokken autoriteiten om voor bepaalde instellingen met betrekking tot de inhoud en de details van afwikkelingsplannen in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU vereenvoudigde verplichtingen vast te stellen.

(4)

Deze uniforme voorschriften moeten, onverminderd de in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU vereenvoudigde verplichtingen, de informatie specificeren die een individueel herstelplan en, in overeenstemming met artikel 7, leden 5 en 6, van die richtlijn, een groepsherstelplan moeten bevatten.

(5)

Het is van essentieel belang dat de in herstelplannen opgenomen informatie adequaat en specifiek is, afhankelijk van de vraag of de herstelplannen zijn opgesteld door instellingen die geen deel uitmaken van een groep die is onderworpen aan geconsolideerd toezicht op grond van de artikelen 111 en 112 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (2), dan wel of het gaat om individuele herstelplannen, zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, of groepsherstelplannen als bedoeld in artikel 7, leden 5 en 6, van Richtlijn 2014/59/EU.

(6)

Ten behoeve van de interne structuur van de herstelplannen moeten de informatievereisten in een aantal punten worden gebundeld, en moeten sommige worden ingedeeld in subpunten zoals uiteengezet in deze verordening.

(7)

Om te verzekeren dat herstelplannen probleemloos kunnen worden uitgevoerd, indien nodig, binnen een redelijke termijn, is het van essentieel belang om deze plannen op een degelijke bestuursstructuur te stoelen. De herstelplannen moeten dan ook een beschrijving van de betrokken specifieke bestuursregelingen bevatten. Zo moet in een plan worden beschreven op welke wijze het tot stand is gekomen, wie het heeft goedgekeurd, en hoe het in het algehele bestuur van de instelling of de groep is geïntegreerd. In voorkomend geval dienen de maatregelen te worden beschreven die zijn genomen om de samenhang te verzekeren tussen een individueel herstelplan van een dochteronderneming, indien van toepassing, en het groepsherstelplan.

(8)

Herstelplannen zijn van cruciaal belang voor het beoordelen van de haalbaarheid van herstelmogelijkheden. Daarom moet een herstelplan gedetailleerde informatie bevatten over het voorafgaande besluitvormingsproces als wezenlijk onderdeel van de bestuursstructuur, gebaseerd op een escalatieprocedure met gebruikmaking van indicatoren in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2014/59/EU. Omdat elke crisis anders is, leidt het halen van een indicator niet automatisch tot activering van een specifieke herstelmogelijkheid of, meer in het algemeen, van een geautomatiseerd kader waarbinnen een bepaalde herstelmogelijkheid moet worden toegepast in overeenstemming met vooraf vastgestelde procedureverplichtingen. De indicatoren dienen veeleer om aan te geven dat een escalatieprocedure moet worden gestart, waarbij wordt onderzocht wat de beste manier is om een crisissituatie aan te pakken. Vóór het halen van deze indicatoren moeten ook bij regulier risicobeheer gangbare gegevens en benchmarks worden gebruikt om de instelling of groep te wijzen op het risico dat de financiële situatie verslechtert en dat de indicatoren worden gehaald. Hoewel dergelijke vroegtijdige waarschuwingen in de zin van Richtlijn 2014/59/EU geen indicatoren zijn en bijgevolg niet op een beginnende herstelfase duiden of escalatie buiten de basisprocedures vereisen, dragen zij wel bij tot de samenhang tussen het reguliere risicobeheer van de instelling en de monitoring van de indicatoren. Bijgevolg moet in het herstelplan worden beschreven op welke wijze passende elementen in het risicobeheer van de instelling bij de indicatoren aansluiten.

(9)

De strategische analyse moet rekening houden met internationale normen voor herstelplannen zoals de „Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions” van de Raad voor financiële stabiliteit. Volgens deze Key Attributes moet de strategische analyse de essentiële en systeemrelevante functies van de instelling identificeren en de belangrijkste stappen voor hun instandhouding bij herstelscenario's bepalen. Dienovereenkomstig zou de strategische analyse moeten bestaan uit twee delen. Het eerste deel van de strategische analyse dient een beschrijving te geven van de instelling of groep en hun kernbedrijfsonderdelen en kritieke functies. De beschrijving van de instelling of groep moet een algemeen overzicht bieden van de instelling of groep en hun activiteiten, samen met een gedetailleerde beschrijving van de kernbedrijfsonderdelen en de kritieke functies. Om herstelmogelijkheden zoals afstotingen en de verkoop van bedrijfsonderdelen vlotter te kunnen beoordelen, is het van belang de juridische entiteiten te identificeren waarbinnen kernbedrijfsonderdelen en kritieke functies zich bevinden en een analyse uit te voeren van de onderlinge verwevenheid binnen de groep. Op grond van artikel 6, leden 1 en 2, van Richtlijn 2014/59/EU moeten de instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantonen dat het herstelplan redelijkerwijs zonder significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel kan worden uitgevoerd. In overeenstemming met artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU moeten de bevoegde autoriteiten bovendien beoordelen in hoeverre het herstelplan, of specifieke mogelijkheden in het plan, zonder significante nadelige gevolgen voor het financiële stelsel zouden kunnen worden uitgevoerd. Herstelplannen moeten dus ook een beschrijving van de externe verwevenheid bevatten.

(10)

In het tweede deel van de strategische analyse moeten eventuele herstelmogelijkheden worden geïdentificeerd en beoordeeld. Voor de instelling of de groep beschikbare herstelmogelijkheden moeten eerst worden beschreven zonder verwijzing naar een specifiek scenario van financiële stress. Deze mogelijkheden vormen een middel om de algemene paraatheid in geval van crisis te verbeteren en de instelling of de groep flexibel te helpen reageren op een crisissituatie. Vervolgens moet in de strategische analyse worden uiteengezet op welke manier herstelmogelijkheden zijn getoetst aan specifieke scenario's van financiële stress om bij wijze van indicatie na te gaan welke herstelmogelijkheden in elk van deze scenario's efficiënt zouden zijn, waardoor de doeltreffendheid van de herstelmogelijkheden en de geschiktheid van de indicatoren aan een praktische test worden onderworpen. Herstelmogelijkheden moeten maatregelen omvatten die de instelling zou kunnen nemen als aan de voorwaarden voor vroegtijdige interventie op grond van artikel 27 van Richtlijn 2014/59/EU is voldaan.

(11)

Communicatie over het herstelplan is van cruciaal belang voor een doeltreffende uitvoering ervan en om negatieve gevolgen voor het financiële stelsel te voorkomen. Een herstelplan moet daarom ook een hoofdstuk bevatten aangaande communicatie en openbaarmaking met het oog op zowel interne mededelingen aan de betrokken interne organen en het personeel van de instelling of groep, als externe mededelingen.

(12)

Een herstelplan kan wijzigingen in de bedrijfsorganisatie van de instelling inhouden, hetzij om de actualisering van het plan en de uitvoering ervan in de toekomst te faciliteren, om de indicatoren te monitoren, of omdat in het proces een aantal belemmeringen is geïdentificeerd die de uitvoering van herstelmogelijkheden bemoeilijken. Deze door de instelling of groep te treffen voorbereidende en follow-upmaatregelen van organisatorische aard moeten in het herstelplan worden beschreven om accuraat te kunnen beoordelen of het plan redelijkerwijs kan worden uitgevoerd, en om het toezicht op de uitvoering van het plan door de instelling of groep en door de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken.

(13)

Het is van wezenlijk belang de minimumcriteria te specificeren die een bevoegde autoriteit in aanmerking moet nemen bij de beoordeling van door instellingen opgestelde herstelplannen als bedoeld in artikel 6, lid 2, en artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU.

(14)

Artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) machtigt de Europese Bankautoriteit (EBA) tot het opstellen van richtsnoeren voor de gemeenschappelijke, uniforme en consistente toepassing van het Unierecht en vereist dat bevoegde autoriteiten en financiële instellingen waarvoor dergelijke richtsnoeren zijn bedoeld, zich tot het uiterste inspannen om aan deze richtsnoeren te voldoen. Aangezien Richtlijn 2014/59/EU de EBA machtigt tot het uitvaardigen van richtsnoeren in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, ter nadere bepaling van bepaalde aspecten van de richtlijn, moeten de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met dat artikel rekening houden met de richtsnoeren betreffende scenario's voor herstelplanning en de indicatoren die in door de EBA opgestelde herstelplannen moeten worden opgenomen door zich tot het uiterste in te spannen om te voldoen aan deze richtsnoeren, in overeenstemming met artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

(15)

Doel van de herstelplanning, zoals vastgesteld in Richtlijn 2014/59/EU, is het identificeren van mogelijkheden tot instandhouding of herstel van de levensvatbaarheid en financiële positie van een instelling of groep in geval van ernstige stress. In het kader van de criteria voor de beoordeling van een herstelplan moet daarom worden bekeken of het plan geschikt is voor de entiteiten waarop het betrekking heeft en of het plan en de mogelijkheden in het plan levensvatbaar zijn en tijdig kunnen worden uitgevoerd. Welke aangelegenheden de bevoegde autoriteit precies moet beoordelen, hangt af van de inhoud en de reikwijdte van het herstelplan. Er moeten uniforme regels voor de te beoordelen minimale criteria worden vastgesteld om rekening te houden met de mogelijkheid van bevoegde autoriteiten om voor bepaalde instellingen vereenvoudigde verplichtingen vast te leggen met betrekking tot de inhoud en de details van afwikkelingsplannen, in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU.

(16)

In voorkomend geval moeten voor de beoordeling van groepsherstelplannen aanvullende criteria worden gespecificeerd om rekening te houden met de op dergelijke plannen van toepassing zijnde aanvullende voorschriften van Richtlijn 2014/59/EU.

(17)

Herstelplannen moeten volledig zijn en alle bij Richtlijn 2014/59/EU vereiste informatie bevatten, met inbegrip van in deze verordening nader gespecificeerde elementen. De plannen moeten ook omvattend zijn en voldoende details en mogelijkheden bevatten die zijn toegesneden op de omstandigheden van de entiteit of de entiteiten in kwestie.

(18)

In voorschriften betreffende de inhoud van afwikkelingsplannen moet rekening worden gehouden met de lopende werkzaamheden ter coördinatie van deze ontwikkelingen op mondiaal niveau door de Raad voor financiële stabiliteit.

(19)

De normen voor de inhoud van afwikkelingsplannen en de beoordeling van de afwikkelbaarheid moeten voldoende soepel zijn om rekening te kunnen houden met de omstandigheden van de betrokken instelling of groep en om te verzekeren dat plannen doelgericht en nuttig zijn voor de uitvoering van de afwikkelingsstrategieën.

(20)

Afwikkelingsautoriteiten moeten beoordelen of de afwikkelingsdoelstellingen op geloofwaardige en haalbare wijze kunnen worden verwezenlijkt door liquidatie volgens normale insolventieprocedures. Daartoe dienen zij eventueel gebruik te maken van de relevante ervaring met depositogarantiestelsels. Bij het beoordelen of liquidatie haalbaar en geloofwaardig is, kan het nodig zijn na te gaan of de afwikkelingsdoelstellingen in dezelfde mate zullen worden verwezenlijkt door liquidatie in het kader van nationale insolventieprocedures, waaronder het tot een minimum beperken van buitengewone financiële steun.

(21)

Het beoordelen van afwikkelbaarheid is een iteratief proces dat alleen mogelijk is op basis van een duidelijke voorkeursafwikkelingsstrategie. De afwikkelingsautoriteiten kunnen dan aan het eind van het proces voor een gewijzigde of totaal andere strategie kiezen.

(22)

Ook moeten varianten op de voorkeursstrategie worden overwogen om rekening te houden met omstandigheden die de tenuitvoerlegging van de voorkeursafwikkelingsstrategie verhinderen, zoals wanneer een eenkanalige strategie met gebruikmaking van het instrument van bail-in niet langer haalbaar zou zijn omdat de verliezen groter zijn dan de in aanmerking komende door de moedermaatschappij uitgegeven passiva.

(23)

Normen voor groepsafwikkelingsplannen en de beoordeling van de afwikkelbaarheid moeten een afwikkelingsstrategie opleveren die is gebaseerd op een van de gestileerde benaderingen waarin de Raad voor financiële stabiliteit voorziet en die worden vermeld in overweging 80 van Richtlijn 2014/59/EU. Zo kunnen afwikkelingsstrategieën worden uitgevoerd door één enkele afwikkelingsautoriteit die afwikkelingsinstrumenten op het niveau van de holding of moedermaatschappij van een groep (eenkanalig) toepast, of door meer dan één afwikkelingsautoriteit die afwikkelingsinstrumenten voor meer dan één regionale of functionele subgroep of entiteit in een grensoverschrijdende groep toepast (meerkanalig), of het kan gaan om een combinatie van beide.

(24)

In ieder geval moet bij de afwikkelingsplanning en beoordeling van de afwikkelbaarheid rekening worden gehouden met de noodzaak van eventuele ondersteunende maatregelen door andere afwikkelingsautoriteiten dan die welke de afwikkelingsmaatregelen uitvoeren, zoals het leveren van informatie, de ononderbroken verlening van kritieke gedeelde diensten, of beslissingen om geen afwikkelingsmaatregelen te nemen, rekening houdend met het recht van andere afwikkelingsautoriteiten om indien nodig op eigen initiatief te handelen ter handhaving van de binnenlandse financiële stabiliteit voor het geval dat de leidende afwikkelingsautoriteiten het laten afweten.

(25)

Deel C van de bijlage bij Richtlijn 2014/59/EU specificeert een aantal zaken waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de afwikkelbaarheid van een instelling of groep, maar is niet uitputtend en dient verder te worden gespecificeerd.

(26)

In overeenstemming met artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU mogen afwikkelingsmaatregelen alleen worden genomen wanneer de liquidatie van een instelling of groep volgens normale insolventieprocedures niet in het algemeen belang zou zijn, en derhalve moet bij de beoordeling van de afwikkelbaarheid worden gekeken naar liquidatie als alternatief voor afwikkeling.

(27)

Artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bevat een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat een moederinstelling, een EU-moederinstelling en sommige andere entiteiten binnen een groep en hun dochterondernemingen in andere lidstaten of in derde landen die instellingen of financiële instellingen zijn, op grond van een overeenkomst voor financiële steun binnen de groep als bedoeld in hoofdstuk III van deze richtlijn, financiële steun kunnen verstrekken in de vorm van een lening, garanties of activa als zekerheid aan een andere entiteit van de groep die voldoet aan de voorwaarden voor vroegtijdige interventie. In overeenstemming met artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU kan de bevoegde autoriteit van de groepsentiteit die financiële steun verleent de verlening van de financiële steun verbieden of beperken.

(28)

Gelet op de financiële moeilijkheden van de ontvangende entiteit en op de voorwaarde van een redelijk vooruitzicht dat de financiële steun deze financiële moeilijkheden oplost, is een grondige analyse vereist van de behoeften aan kapitaal en liquiditeit van de ontvangende entiteit en moet worden gekeken naar de interne en externe oorzaken voor de financiële problemen en naar vroegere, huidige en verwachte marktomstandigheden. Hierbij moeten ook de maatregelen tegen het licht worden gehouden die gepland zijn om de oorzaken van de moeilijkheden van de ontvangende entiteit aan te pakken en die efficiënt kunnen bijdragen tot het herstel van de financiële situatie.

(29)

De beoordeling van de verschillende voorwaarden valt onder de verantwoordelijkheid van de entiteit die de steun verleent (de verlenende entiteit) en van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de verlenende instelling. De beoordeling moet rekening houden met het risico op potentieel negatieve ontwikkelingen. Met het oog op een omvattende beoordeling van de voorwaarden die gelden voor de verlenende entiteit moet de bevoegde autoriteit die voor de verlenende entiteit verantwoordelijk is, ook rekening houden met informatie en beoordelingen die zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de groepsentiteit die de financiële steun ontvangt.

(30)

Ten aanzien van de voorwaarde dat de steunverlening in overeenstemming is met artikel 19, lid 7, van Richtlijn 2014/59/EU dient rekening te worden gehouden met het wanbetalingsrisico van de ontvangende entiteit en het verlies voor de verlenende entiteit door het mogelijk in gebreke blijven van de ontvangende entiteit, op basis van een vergelijking tussen een scenario met en een scenario zonder steun en op basis van volledige openbaarmaking van de relevante informatie. Daarbij moet rekening worden gehouden met het belang van de verlenende entiteit als beschreven in artikel 19, lid 7, onder b), waarin wordt bepaald dat eventuele directe of indirecte voordelen die voor een partij uit de verlening van de financiële steun ontstaan, in aanmerking kunnen worden genomen. Dat moet worden onderzocht via een grondige analyse van de kosten en baten voor de verlenende entiteit en de groep als geheel in beide scenario's.

(31)

Overeenkomsten voor financiële steun en het verlenen van financiële steun binnen de groep kunnen de afwikkelbaarheid van een groep verbeteren, bijvoorbeeld wanneer ze in overeenstemming zijn met het mechanisme voor verliesabsorptie waarin de afwikkelingsstrategie voorziet. Zij kunnen de gekozen afwikkelingsstrategie evenwel ook minder haalbaar maken, bijvoorbeeld indien de strategie voorziet in een afsplitsing van verschillende delen van de groep. Bijgevolg moet de beoordeling van het effect op de afwikkelbaarheid gebaseerd zijn op de afwikkelbaarheidsbeoordeling, op het individuele afwikkelingsplan en, in voorkomend geval, op het groepsafwikkelingsplan zoals vastgesteld in het gezamenlijk besluit van afwikkelingscolleges.

(32)

Voor de toepassing van artikel 36, inclusief artikel 49, lid 3, en artikel 74 van Richtlijn 2014/59/EU is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat onafhankelijke taxateurs bij het uitvoeren van waarderingen niet worden beïnvloed of lijken te worden beïnvloed door overheidsinstanties, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit of door de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d) van die richtlijn.

(33)

Derhalve moet aan de hand van uniforme voorschriften worden bepaald onder welke omstandigheden een persoon geacht wordt onafhankelijk te zijn van de desbetreffende overheidsinstanties, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit en van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU. Die voorschriften moeten vereisten bevatten ten aanzien van de bekwaamheid en de middelen van de persoon in kwestie en diens verhouding tot de betrokken overheidsinstanties, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit en van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU.

(34)

De onafhankelijkheid kan worden versterkt aan de hand van voorwaarden die verzekeren dat de onafhankelijke taxateur over de nodige bekwaamheid en middelen beschikt. Meer in het bijzonder dient te worden verzekerd dat de onafhankelijke taxateur over de nodige kwalificaties, kennis en bekwaamheid in alle relevante onderwerpen beschikt, met name op het gebied van waardering en accounting in het bankwezen. Ook moet worden gegarandeerd dat de onafhankelijke taxateur voldoende personele en technische middelen heeft of kan inzetten voor het uitvoeren van de waardering. Daarom kan het voor de uitvoering van de waardering passend zijn om personeel of contractanten in te schakelen van andere waarderingspecialisten of advocatenkantoren of van elders. Indien personeel of contractanten ter ondersteuning van de waardering worden ingezet, moet worden nagegaan of de onafhankelijkheid is gegarandeerd en er geen sprake is van belangenconflicten. De onafhankelijke taxateur blijft in alle gevallen verantwoordelijk voor het resultaat van de waardering.

(35)

Verder dient te worden verzekerd dat de onafhankelijke taxateur de waardering ook effectief kan uitvoeren, zonder buitensporig te vertrouwen op eventuele betrokken overheidsinstanties, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit en van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU. Instructies of richtsnoeren ter ondersteuning van de waardering, bijvoorbeeld inzake de methodologie die in overeenstemming met de EU-regelgeving op het gebied van waardering voor afwikkelingsdoeleinden wordt gehanteerd, mogen echter niet worden beschouwd als een vorm van buitensporig vertrouwen, indien zulke instructies of richtsnoeren noodzakelijk worden geacht voor het uitvoeren van de waardering. Daarnaast mag het leveren van ondersteuning, zoals door de betrokken instelling of entiteit ter beschikking gestelde systemen, financiële memoranda, op grond van regelgeving vereiste rapporten, marktgegevens, andere documenten of andere ondersteuning van de onafhankelijke taxateur niet worden verhinderd indien dat volgens het tot aanstelling bevoegde gezag of elke andere autoriteit die gemachtigd kan worden om deze taak in de betrokken lidstaat uit te voeren, nodig wordt geacht ter ondersteuning van de waarderingsopdracht. In overeenstemming met alle eventuele procedures moeten instructies, richtsnoeren en andere vormen van ondersteuning worden overeengekomen op basis van individuele gevallen of op basis van pools.

(36)

De betaling van een redelijke beloning en kostenvergoeding in verband met het verrichten van de waardering mag niet worden verhinderd.

(37)

De onafhankelijkheid kan in het gedrang komen indien de waardering wordt uitgevoerd door een persoon die in dienst is van of aangesloten is bij een overheidsinstantie, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit, evenals de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d) van Richtlijn 2014/59/EU, zelfs in gevallen waarin sprake is van volledige organisatorische scheiding om bedreigingen als zelfevaluatie, eigenbelang, voorspraak, bekendheid, vertrouwen of intimidatie te voorkomen. Het is dan ook nodig te voorzien in een passende juridische scheiding zodat de onafhankelijke taxateur geen werknemer of contractant kan zijn van, noch in een groep met, een overheidsinstantie, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit of de betrokken instelling of entiteit.

(38)

Ook is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat de onafhankelijke taxateur geen materieel gemeenschappelijk of conflicterend belang met betrekking tot een betrokken overheidsinstantie heeft, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit, evenals de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU, met inbegrip van het hogere management, de meerderheidsaandeelhouders, groepsentiteiten en belangrijke schuldeisers, zoals wanneer de onafhankelijke taxateur een belangrijke schuldeiser van de instelling of entiteit in kwestie zou zijn. Ook persoonlijke relaties kunnen een materieel belang inhouden.

(39)

Bijgevolg moet het tot aanstelling bevoegd gezag, of elke andere autoriteit die gemachtigd kan worden om de taak in de betrokken lidstaat uit te voeren, nagaan of er sprake is van gemeenschappelijke of conflicterende materiële belangen. Voor deze beoordeling moet de onafhankelijke taxateur het tot aanstelling bevoegde gezag, of elke andere autoriteit die gemachtigd kan worden om deze taak in de betrokken lidstaat uit te voeren, in kennis stellen van alle bestaande of mogelijke belangen die volgens de persoon door die instantie kunnen worden aangemerkt als een materieel belang, en alle informatie verstrekken die door de autoriteit met het oog op deze beoordeling redelijkerwijs kan worden gevraagd. In het geval van rechtspersonen moet de onafhankelijkheid worden beoordeeld onder verwijzing naar de onderneming of vennootschap als geheel, maar met inachtneming van elke organisatorische scheiding en andere regelingen die in werking kunnen zijn gesteld om een onderscheid te maken tussen die personeelsleden die betrokken zouden kunnen zijn bij de waardering en andere personeelsleden, om bedreigingen als zelfevaluatie, eigenbelang, voorspraak, bekendheid, vertrouwen of intimidatie te voorkomen. Indien deze risico's in verhouding tot de getroffen beschermingsmaatregelen dermate groot zijn dat ze de onafhankelijkheid van de persoon aantasten, mag de onderneming of vennootschap niet de onafhankelijke taxateur zijn.

(40)

Een accountant die een audit heeft uitgevoerd van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d) van Richtlijn 2014/59/EU in het jaar voorafgaand aan de beoordeling van de geschiktheid als taxateur mag in geen geval als onafhankelijk worden beschouwd. Andere audit- of waarderingsdiensten die aan de betrokken instelling of entiteit zijn verleend in de jaren onmiddellijk vóór de datum waarop de onafhankelijkheid moet worden getoetst, worden ook geacht een gemeenschappelijk of conflicterend materieel belang te vertegenwoordigen, tenzij ten genoegen van het tot aanstelling bevoegde gezag, of elke andere autoriteit die gemachtigd kan worden om deze taak in de betrokken lidstaat uit te voeren, kan worden aangetoond dat dit gelet op alle relevante omstandigheden, waaronder elke organisatorische scheiding of andere bestaande regelingen, niet het geval is.

(41)

Na aanstelling is het van essentieel belang dat de onafhankelijke taxateur zijn beleid en procedures blijft afstemmen op de toepasselijke gedragscodes en professionele normen om mogelijke of feitelijke belangen te identificeren die volgens de taxateur een gemeenschappelijk of conflicterend materieel belang kunnen inhouden. Het tot aanstelling bevoegde gezag, of elke andere instantie die in de betrokken lidstaat kan worden geïdentificeerd, moet onmiddellijk op de hoogte worden gebracht van alle geïdentificeerde bestaande of mogelijke belangen en moet nagaan of deze een materieel belang vormen, in welk geval de aanstelling van de onafhankelijke taxateur wordt beëindigd en een nieuwe taxateur wordt aangesteld.

(42)

Richtlijn 2014/59/EU vereist dat lidstaten de afwikkelingsautoriteiten een reeks bevoegdheden verlenen, met inbegrip van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 66, van deze richtlijn, die afzonderlijk of in combinatie met afwikkelingsmaatregelen kunnen worden toegepast.

(43)

Het is van belang ervoor te zorgen dat de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden kunnen worden toegepast op alle passiva die niet zijn uitgesloten op grond van artikel 44, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU. Voor passiva waarop het recht van een derde land van toepassing is en voor zover zij niet op de lijst van passiva staan waarvoor de uitsluiting in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU geldt, moet een contractuele bepaling worden opgenomen ter ondersteuning van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op die passiva.

(44)

De contractuele bepalingen als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU dienen te worden opgenomen in overeenkomsten waarbij passiva worden gecreëerd waarop dit artikel van toepassing is en die zijn aangegaan na de datum van toepassing van de bepalingen tot omzetting van afdeling 5 van hoofdstuk IV van titel IV van Richtlijn 2014/59/EU.

(45)

In het bijzonder moet de contractuele bepaling als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU worden opgenomen in desbetreffende overeenkomsten betreffende passiva die bij hun ontstaan, hetzij niet volledig gedekt zijn, hetzij wel volledig gedekt zijn, maar waarvan de contractuele bepalingen de schuldenaar niet verplichten tot het aanhouden van een zekerheid die de passiva volledig en permanent zou dekken in overeenstemming met de wettelijke voorschriften van het recht van de Unie of het overeenstemmende recht in derde landen.

(46)

Voor desbetreffende overeenkomsten die zijn aangegaan vóór de datum van toepassing van de bepalingen tot omzetting van afdeling 5 van hoofdstuk IV van titel IV van Richtlijn 2014/59/EU moet de contractuele bepaling worden opgenomen indien op grond van die overeenkomst na de datum van omzetting passiva worden gecreëerd.

(47)

Voor desbetreffende overeenkomsten die zijn aangegaan vóór de datum van toepassing van de bepalingen tot omzetting van afdeling 5 van hoofdstuk IV van titel IV van Richtlijn 2014/59/EU moeten materiële wijzigingen die van invloed zijn op materiële rechten en verplichtingen van een partij bij de overeenkomst leiden tot verplichte opname van de contractuele bepaling als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU. Niet-materiële wijzigingen die de materiële rechten en verplichtingen van een partij bij een desbetreffende overeenkomst onverlet laten, leiden niet tot verplichte opname van de contractuele bepaling; in alle andere gevallen moet de contractuele bepaling worden opgenomen.

(48)

Om een adequaat niveau van convergentie te bewerkstelligen en tegelijk te waarborgen dat verschillen tussen rechtsstelsels of verschillen die voortvloeien uit de aard of vorm van de passiva in aanmerking kunnen worden genomen door de afwikkelingsautoriteiten, de instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), van Richtlijn 2014/59/EU, is het passend om de verplichte inhoud van de contractuele bepaling vast te stellen.

(49)

Met het oog op een uniforme aanpak in de hele Unie die zorgt voor effectieve coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteit in staat stelt goed onderbouwde en snelle afwikkelingsbesluiten te nemen, worden de procedures en de inhoud van de kennisgevingen als bedoeld in artikel 81, leden 1, 2 en 3, van Richtlijn 2014/59/EU in deze verordening vastgesteld.

(50)

Kennisgevingen moeten, gelet op de urgentie en het belang van het onderwerp, door middel van beveiligde elektronische communicatiemiddelen gebeuren. Ter bevordering van de coördinatie tussen de partijen worden voorafgaande mondelinge communicatie en daaropvolgende bevestiging van ontvangst overwogen in de procedure.

(51)

Kennisgevingen moeten de ontvanger adequate informatie verschaffen zodat deze zijn werkzaamheden onmiddellijk kan verrichten; daarom wordt specifieke inhoud vastgesteld voor de kennisgeving die bij de bevoegde autoriteit moet worden ingediend door het leidinggevend orgaan van een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU, wanneer deze faalt of waarschijnlijk zal falen. Ook moet de mededeling van die kennisgeving door de bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsautoriteit de informatie bevatten die deze laatste in staat stelt haar taken te vervullen. Daarnaast moeten specifieke inhoudelijke voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de kennisgeving van de beoordeling dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d) faalt of waarschijnlijk zal falen, wanneer die beoordeling door respectievelijk de bevoegde autoriteit of de afwikkelingsautoriteit is geïnitieerd. In dat geval dient de kennisgeving ook de relevante voorwaarden waarvan sprake in artikel 32, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 2014/59/EU te specificeren.

(52)

Met het oog op een geharmoniseerde EU-benadering om belanghebbenden adequaat te informeren over afwikkelingsmaatregelen specificeert deze verordening de procedures en de inhoud van het bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel worden samengevat, met inbegrip van het besluit om de uitoefening van bepaalde rechten in overeenstemming met de artikelen 69, 70 en 71 van Richtlijn 2014/59/EU op te schorten of te beperken.

(53)

Deze verordening stelt de inhoud van dat bericht vast ten aanzien van bepaalde kritieke informatie die aan niet-professionele en professionele afnemers en kredietgevers moet worden meegedeeld; met betrekking tot de niet in deze verordening gespecificeerde aspecten moet het bericht in overeenstemming zijn met de bredere communicatiestrategie die als onderdeel van het afwikkelingsplan is ontwikkeld en in hoofdstuk II, afdelingen I en II van deze verordening wordt vermeld. Het is noodzakelijk technische reguleringsnormen vast te stellen voor uniforme, gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de oprichting van afwikkelingscolleges en de procedures die deze moeten volgen bij het uitvoeren van de in artikel 88 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde functies en taken, gelet op de grote impact die groepsafwikkelingsplanning en groepsafwikkeling in meer dan één lidstaat kunnen hebben.

(54)

Bij de oprichting van een afwikkelingscollege is het noodzakelijk overlapping te voorkomen met werkzaamheden die de consoliderende toezichthouder en het college van toezichthouders reeds verrichten. Het is ook van belang ervoor te zorgen dat deze werkzaamheden worden bijgesteld om rekening te houden met de werkingsbehoeften van het college. Zo is het aangewezen ervoor te zorgen dat de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau rekening houdt met alle relevante werkzaamheden die zijn uitgevoerd door de consoliderende toezichthouder in het kader van het college van toezichthouders, en deze vervolgens actualiseert en aanpast, in het bijzonder met betrekking tot het identificeren van relevante groepsentiteiten en vervolgens van de autoriteiten die moeten worden uitgenodigd om lid of waarnemer te worden van het college („inventarisatie”).

(55)

Met verwijzing naar andere groepen of colleges die in overeenstemming met artikel 88, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU dezelfde taken uitvoeren en dezelfde functies vervullen, worden onder meer en niet uitsluitend crisismanagementgroepen bedoeld die zijn opgezet overeenkomstig de door de Raad voor financiële stabiliteit en de G20 ontwikkelde gemeenschappelijke beginselen en benaderingen. Het is dus van belang erin te voorzien dat afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau bij het beoordelen van hun verplichting om een afwikkelingscollege op te richten ook nagaan of die andere groepen of colleges in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening handelen.

(56)

De rol van afwikkelingsautoriteiten van derde landen als waarnemer in het afwikkelingscollege is reeds geregeld in artikel 88, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU. Derhalve dienen regelingen te worden getroffen voor hun deelname aan het afwikkelingscollege en hun betrokkenheid bij de verschillende taken van het college.

(57)

Met het oog op een effectieve afwikkelingsplanning is efficiënte en tijdige interactie en samenwerking vereist tussen het afwikkelingscollege en de bankgroep, met name tussen de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de EU-moederonderneming. Daartoe dient de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de EU-moederonderneming te informeren over de oprichting van het afwikkelingscollege, de samenstelling ervan en over eventuele wijzigingen in deze samenstelling. Efficiënte en tijdige interactie en samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de EU-moederonderneming mogen echter niet ten koste gaan van de snelheid die is geboden ter vrijwaring van de financiële stabiliteit of van het voorbereidende of preventieve karakter en de in de afwikkelingsplanning vereiste complexe economische beoordeling.

(58)

Met het oog op een efficiënt en effectief besluitvormingsproces moeten de schriftelijke regelingen en procedures van het afwikkelingscollege de vereiste bepalingen van organisatorische aard bevatten. Met name moet het afwikkelingscollege de noodzaak erkennen om soepele substructuren binnen het afwikkelingscollege op te zetten voor het uitvoeren van de collegetaken en om ervoor te zorgen dat de leden op passende wijze tot alle functies van het college kunnen bijdragen. Indien het met name passend wordt geacht dat andere autoriteiten dan de leden van het college als waarnemers in het college worden opgenomen, moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau ervoor zorgen dat de voorwaarden hiervoor in de schriftelijke afspraken worden vastgesteld en dat deze niet gunstiger zijn dan de in deze verordening voor de leden van het college vastgestelde voorwaarden.

(59)

De schriftelijke regelingen en procedures van het afwikkelingscollege moeten ook de nodige operationele voorschriften bevatten aan de hand waarvan het college de afwikkelingsautoriteiten in staat kan stellen zowel hun bijdragen tot het college van toezichthouders te coördineren als de input te analyseren, bespreken en beoordelen die ze van het college van toezichthouders ontvangen. Daarom bevatten schriftelijke regelingen bij voorkeur een procedure voor de communicatie tussen het toezichthoudende en het afwikkelingscollege, en vooral tussen de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de consoliderende toezichthouder. Ook moeten in schriftelijke regelingen de binnen het afwikkelingscollege te volgen procedures voor het bereiken van een consensus worden vastgesteld, in die gevallen waarin wel praktische coördinatie, maar geen gezamenlijk besluit is vereist in overeenstemming met Richtlijn 2014/59/EU.

(60)

De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau moet toegang hebben tot alle informatie die nodig is om zich van haar taken en verantwoordelijkheden te kwijten en ze coördineert het vergaren en verspreiden van de informatie die wordt aangeleverd door leden van het college of door een groepsentiteit in overeenstemming met de vertrouwelijkheidsvoorschriften en bepalingen betreffende de uitwisseling van vertrouwelijke informatie, zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/59/EU.

(61)

Om ervoor te zorgen dat de operationele procedures toegesneden zijn op noodgevallen moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de werking van het afwikkelingscollege testen en, waar dit nodig wordt geacht, de EU-moederonderneming bij de uitvoering van deze tests kunnen betrekken.

(62)

Een tijdige en realistische planning van alle besluitvormingsprocessen is cruciaal. Elke bij deze processen betrokken afwikkelingsautoriteit moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tijdig en op efficiënte wijze en in overeenstemming met de desbetreffende tijdschema's voor gezamenlijke besluiten haar eigen bijdrage tot het respectieve gezamenlijk besluit voorleggen

(63)

Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat gezamenlijke besluiten vlot en tijdig worden genomen. Dit is met name van belang voor besluiten over afwikkeling, maar het is ook relevant voor de afwikkelingsplanning. Tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat alle bij de gezamenlijke besluitvorming betrokken instanties voldoende tijd krijgen om hun standpunten kenbaar te maken. Voor een goed evenwicht tussen deze twee doelstellingen moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau worden gemachtigd om haar ontwerpvoorstel voor te leggen aan de andere bij het proces betrokken autoriteiten, terwijl tegelijk een passende termijn wordt vastgesteld na het verstrijken waarvan de autoriteiten die geen bezwaar tegen dat voorstel hebben geuit, worden geacht ermee in te stemmen. Bij het bepalen van de relevante termijn moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau terdege rekening houden met het feitelijke tijdschema van het besluitvormingsproces, als vastgesteld in wettelijke bepalingen of als eerder door het college zelf besloten.

(64)

Met het oog op een doelmatige procedure moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de eindverantwoordelijkheid hebben voor het bepalen van de volgorde van de te volgen stappen. De stappen voor het bereiken van elk gezamenlijk besluit moeten worden uitgestippeld, waarbij sommige stappen parallel en andere achtereenvolgens kunnen worden genomen.

(65)

In overeenstemming met artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU moeten groepsafwikkelingsplannen ten minste eenmaal per jaar worden geëvalueerd en geactualiseerd. Groepsafwikkelingsplannen moeten evenwel, indien nodig, ook op ad-hocbasis kunnen worden geëvalueerd en geactualiseerd, naar aanleiding van door het college van toezichthouders ontvangen informatie of op initiatief van het afwikkelingscollege zelf.

(66)

Om de afwikkelingscolleges transparanter te doen functioneren, moet een uniforme wijze van kennisgeving van de gezamenlijke besluiten aan de EU-moederonderneming en de andere entiteiten van de groep in alle duidelijkheid in deze verordening worden vastgesteld. Omwille van de vergelijkbaarheid van de procedures en resultaten, en dus van convergentie, dienen uniforme voorschriften inzake de procedure en de voor de gezamenlijke besluitvorming binnen de afwikkelingscolleges benodigde documentatie in alle duidelijkheid te worden vastgesteld.

(67)

Bij gebreke van een gezamenlijk besluit moet worden gezorgd voor coördinatie van de individuele besluiten van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen opdat het afwikkelingscollege zijn rol kan vervullen, zoals bepaald in artikel 88, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU. Daarom is het ter bevordering van een doeltreffende en werkbare groepsafwikkelingsplanning noodzakelijk om het werkingsproces van het college als kader voor de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de andere autoriteiten vast te stellen, zelfs bij gebreke van gemeenschappelijke besluiten.

(68)

Bij het bepalen van de noodzaak van een groepsafwikkelingsregeling moeten de betrokken afwikkelingsautoriteiten in het afwikkelingscollege in overeenstemming met de artikelen 91 en 92 van Richtlijn 2014/59/EU nagaan of de afwikkeling in kwestie een groepsdimensie heeft. Daartoe moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau proberen alle groepsentiteiten te identificeren die een effect ondervinden of kunnen ondervinden in het geval dat een entiteit van de groep of de EU-moederonderneming aan de voorwaarden van artikel 32 of 33 van Richtlijn 2014/59/EU voldoet.

(69)

Met het oog op het creëren van optimale afwikkelingsvoorwaarden is het noodzakelijk om op korte termijn efficiënt en doeltreffend te handelen. Het is bijgevolg belangrijk dat het afwikkelingscollege bij het overwegen van de noodzaak van een groepsafwikkelingsregeling tevens de mutualisering van nationale financiële regelingen in overweging kan nemen. Met name ten aanzien van financieringsplannen en de toepassing van Richtlijn 2014/59/EU moet het afwikkelingscollege nagaan of mutualisering van nationale financieringsregelingen noodzakelijk is. Bij gebreke van mutualisering moeten de inhoud en de procedure van het financieringsplan dienovereenkomstig worden aangepast. Ter verdere bevordering van de efficiëntie moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar positieve oordeel over de noodzaak van een groepsafwikkelingsregeling meteen in een afwikkelingsvoorstel kunnen veranderen.

(70)

De groepsafwikkelingsregeling moet, voor zover dat mogelijk en passend is, rekening houden met en beantwoorden aan het groepsafwikkelingsplan, tenzij de afwikkelingsautoriteiten in het licht van de concrete omstandigheden vinden dat de afwikkelingsdoelstellingen beter kunnen worden verwezenlijkt met maatregelen die niet in het afwikkelingsplan staan.

(71)

Ten behoeve van de coördinatie dient al wie gevolgen ondervindt van de afwikkeling van een instelling volledig op de hoogte te zijn van de standpunten en handelingen van een afwikkelingsautoriteit die niet akkoord gaat met het gezamenlijk besluit over de groepsafwikkelingsregeling. Deze niet-instemmende autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau bijgevolg duidelijk uitleggen waarom ze niet akkoord gaat.

(72)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) bij de Commissie heeft ingediend.

(73)

Voor de toepassing van de technische reguleringsnormen op de inhoud van afwikkelingsplannen voor instellingen die geen deel uitmaken van een groep die is onderworpen aan geconsolideerd toezicht op grond van de artikelen 111 en 112 van Richtlijn 2013/36/EU, alsook de inhoud van afwikkelingsplannen voor groepen, in overeenstemming met, respectievelijk, de artikelen 10 en 13 van Richtlijn 2014/59/EU en voor de technische reguleringsnormen met betrekking tot de criteria die moeten worden onderzocht voor de beoordeling van de afwikkelbaarheid van instellingen of groepen, als bedoeld in respectievelijk artikel 15, lid 4, en artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, heeft de EBA het Europees Comité voor systeemrisico's geraadpleegd.

(74)

De EBA heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de in overeenstemming met artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 maart 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER

1. Overzicht

,
Titel Regelgeving

1.1 Referenties

1.2 Geïdentificeerde eisen

1.3 Gerelateerde standaarden

2. Geïdentificeerde eisen

Eisen
Bron Eis

3. Gerelateerde standaarden

Standaarden
Bron Eis
  • Builddate: 08.07.2016 00:00:00 -Doknr: CELEX:32016R1075
  • EULAW_ET -

    EULAW_ET